Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http: //bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het verhaal van de fortuinlijke"

 

Canto 3b

De Status Quo

 

Inleiding

 

Hoofdstuk 20 De Wezens Geschapen uit Brahmâ

Hoofdstuk 21 De Conversatie tussen Manu en Kardama

Hoofdstuk 22 Het Huwelijk van Kardama Muni en Devahûti

Hoofdstuk 23 Devahûti's Klacht

Hoofdstuk 24 De Verzaking van Kardama Muni

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheden van de Toegewijde Dienst  

Hoofdstuk 26 Basisprincipes van de Materiële Natuur

Hoofdstuk 27 Het Begrijpen van de Materiële Natuur

Hoofdstuk 28 Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk

Hoofdstuk 29 De Uitleg van Kapila over Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 30 Heer Kapila Beschrijft de Nadelige Gevolgen van Vruchtdragende Handelingen

Hoofdstuk 31 Heer Kapila's Instructies over de Omzwervingen van de Levende Wezens

Hoofdstuk 32 De Verstriktheid in Vruchtdragende Bezigheden

Hoofdstuk 33 De activiteiten van Kapila Muni

 

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindu-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10-e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krsna werd zo geschreven als Krishna en rshi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (Srî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.

Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabhupâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.    

 

Hoofdstuk 20

De Wezens Geschapen uit Brahmâ

(1) S'aunaka zei: "Wat deed, na de aarde in haar positie te hebben teruggebracht, o Sûta, Svâyambhuva Manu (zie 2.7: 2, 3.12: 54, 3.13: 2) om hen die geboren zouden worden de weg te wijzen? (2) Vidura, de grote en zuivere toegewijde en intieme vriend van Heer Krishna, werd verbannen door zijn oudere broer [Dhritarâshthra] die aldus, tezamen met zijn honderd zoons, zwaar in overtreding was met Krishna. (3) Geboren uit het lichaam van Vyâsa en in geen enkel opzicht mindere groot dan hij, nam hij met zijn hele hart zijn toevlucht tot Heer Krishna en volgde hij hen na die Hem zijn toegewijd. (4) Wat vroeg deze held van de zuiverheid, toen hij de heilige plaatsen bezocht, aan Maitreya, de meest vooraanstaande kenner van het geestelijk leven die hij te Kus'âvarta [Hardwar], waar hij toen verbleef, had ontmoet? (5) Toen de twee hun conversatie hadden, o Sûta, kwamen waarlijk de vertellingen boven die gelijk de wateren van de Ganges alle zonden wegvagen als men eenmaal zijn toevlucht tot de Heer Zijn lotusvoeten heeft genomen. (6) Vertel ons over die gesprekken van grootheid die de moeite van het reciteren waard zijn en moge al het goede uw deel zijn! De nectar van de Heer Zijn spel en vermaak indrinkend zou een toegewijde die met Hem een relatie aangaat daadwerkelijk voldoening vinden."

(7) Sûta, aldus verzocht door de wijzen verzameld in het Naimishâranya-woud, zei toen, met zijn denken gewijd aan de Heer, tot hen: "Luister enkel hiernaar".

(8) Sûta zei: "Toen Vidura had vernomen over de Heer, die het lichaam van een Zwijn had aangenomen, middels Zijn eigen vermogen de aarde had opgeheven van de bodem van de oceaan en op sportieve wijze de achteloze Hiranyâksha had gedood, was hij vol vreugde en richtte hij zich tot de wijze. (9) Vidura zei: 'O heilige wijze, kenner van dat wat ons verstand te boven gaat, zeg ons alstublieft waar Brahmâ mee begon nadat hij de Prajâpati's, de stamvaders van de mensheid, voort had gebracht. (10) Hoe leefden de geleerden aangevoerd door Marîci, de brahmaanse orde na van Svâyambhuva Manu en hoe ontwikkelden ze deze wereld? (11) Gingen ze gehuwd te werk, behielden ze hun onafhankelijkheid of werkten ze allen samen toen ze dit alles tot stand brachten?'

(12) Vanuit de verheven positie van de Fortuinlijke [Mahâ-Vishnu] raakte - en dit is moeilijk uit te leggen - bij machte van de goddelijke voorzienigheid en de werking van de eeuwige tijd, het evenwicht van de drie geaardheden in de natuur verstoord zodat het geheel van de materiële elementen werd voortgebracht. (13) Vanuit het grootste van de kosmische intelligentie [de mahat-tattva], vond, zoals beschikt door de goddelijkheid, in groepen van vijf [vijf elementen, vijf zintuigen, vijf zinsobjecten, vijf zinsorganen], beginnend met [het ruimtelijk krachtveld van] de ether, de geboorte van de fundamentele werkelijkheid van de materiële elementen plaats, in de drievoudige natuur waarvan het onderdeel van de hartstocht [of de kwaliteit van de beweging] overheerst. (14) Die elementen, welke op zichzelf het materiële universum niet konden voortbrengen, gingen combinaties aan met de eenheid van het goddelijke en produceerden een bol die glansde als van goud. (15) Hij lag in de wateren van de Oceaan der Oorzaken als een ei in een onbewuste staat voor de duur van een regenseizoen van in feite nogal wat meer dan een duizendtal jaren voordat de Heer [als Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin binnenging. (16) Uit de Heer Zijn navel ontsproot toen de lotus van een duizend en meer zonnen met een schitterende pracht [het sterrenstelsel, zie 2.2: 24-25], welk in zijn geheel een rustplaats was voor de geconditioneerde zielen waar hij zelf, de zelfgeborene [Heer Brahmâ, de Schepper] uit voortkwam. (17) Toen de Heer, die in de Oceaan der Oorzaken lag te slapen, Brahmâ's hart binnenging, werd door hem naar zijn eigen opzet het universum geschapen zoals het tevoren was geweest.

(18) Op de eerste plaats werd met zijn schaduw de onwetendheid geschapen in vijf soorten genaamd tâmisra [vergetelheid], andha tâmisra [de illusie van de dood], tama [het zichzelf niet kennen], moha [de illusie de materie te zijn] en mahâmoha [verzot zijn op de materie, de hunkering; vergelijk 3.12: 2]. (19) Ontevreden wierp Brahmâ dit lichaam van onwetendheid af, welk toen in bezit werd genomen door Yaksha's [boze geesten] en Râkshasa's [wildemannen, demonen] om de duisternis te vormen, de bron van honger en dorst. (20) Beheerst door die honger en dorst jaagden ze om hem op te eten en riepen in hun toestand uit: 'Spaar hem niet!' (21) De godheid zei toen vol zorg tot hen: 'Eet me niet op, maar bescherm me, daar, jullie Râkshasa's en Yaksha's, mijn zoons zijn!' 

(22) De halfgoden die uitblinken met de glorie der godvrezendheid en het eerst werden voortgebracht, namen bezit van de stralende vorm van het daglicht dat als het voertuig van God was achtergebleven. (23) De god schonk toen van zijn achterkant het leven aan de goddelozen die, verzot op seks in hun lust te copuleren, toenadering zochten tot de Schepper. (24) Aanvankelijk maakte het de aanbiddelijke Heer aan het lachen om te worden gevolgd door de schaamtelozen der duisternis, maar toen haastte hij zich geïrriteerd, in verschrikking verzet, om weg te komen. (25) Hij keerde zich tot Hem wiens voeten worden gezocht en die alle gunsten verleent, de Heer die het leed verdrijft en die, om de toegewijden Zijn genade te tonen, zich manifesteert in een geschikte gedaante: (26) 'Bescherm Mij o Superziel, op Uw gezag schiep Ik al die zondige levende wezens die me benaderen om seks te hebben, o Meester. (27) Alleen U kan waarlijk de mensen verlossen die Zijn aangedaan door de misère van hun belemmeringen; alleen U kan hen die niet hun toevlucht tot Uw voeten zoeken een halt toeroepen.'

(28) Hij die feilloos in iedere ziel kan zien, zei, toen hij het leed van Heer Brahmâ zag tot hem: 'Werp uw onzuivere lichaam af' en aldus opgedragen wierp hij het af. (29) Dat lichaam [in de vorm van een vrouw] was betoverend met rinkelende enkelbelletjes, aanbiddelijke voeten, overweldigende ogen en een met goud versierde blinkende gordel om heupen gehuld in een fijne stof. (30) De borsten waren dicht op elkaar gedrukt, hoog opgeheven, de neus was welgevormd, de tanden prachtig, de glimlach lieflijk en de blik sportief. (31) Ze verborg zichzelf uit verlegenheid en, o Vidura, met hun oog op de tressen van haar zwarte haar, waren al de goddelozen door de vrouw in beslag genomen: (32) 'O wat een schoonheid, wat een gratie; o welk een bloeiende jeugd; dat zij zich onder ons begeeft, wij die zo naar haar verlangen; alsof ze vrij is van hartstocht!' (33) Zich verliezend in allerlei speculaties over de avondschemering [van hun hartstocht] die de vorm van een jonge vrouw had aangenomen, ondervroegen zij, met hun slechte gedachten verzot op haar, haar vol van respect: (34) 'Wie ben jij? Wie behoor jij toe, o schoonheid? Waarom ben je naar hier gekomen, o hartstochtelijke dame? Je brengt ons, gelukkigen, het hoofd op hol met het onbetaalbare bezit van jouw schoonheid! (35) Wie je ook moge zijn, o mooi meisje, door het geluk jou te zien is die geest van ons, de toeschouwers die je van streek brengt, als een bal om mee te spelen. (36) Door het rondlopen van jouw lotusvoeten, o prachtige vrouw, stuiter je die bal met de palm van je hand; het gewicht van je volle borsten moet wel erg vermoeiend zijn bij die taille van je; je ziet er wat moe uit, maak je gebonden haar maar los!'

(37) Op deze manier werd de schemering van de avond door de goddelozen gezien in een verlokkende, begeerlijke vorm en vol illusie denkend dat het een vrouw was, grepen ze haar. (38) Met een glimlach vol van diepe betekenis, schiep de aanbiddelijke Heer toen, in zijn zoetheid voor Zichzelf middels Zichzelf, de geledingen der hemelse muzikanten en dansmeisjes [de Gandharva's en Apsara's]. (39) Die geliefde vorm van in feite het schijnsel van het maanlicht gaf hij op en de Gandharva's aangevoerd door Vis'vâvasu namen het verheugd in bezit. (40) Toen Heer Brahmâ, nadat hij de spoken en boze geesten uit de luiheid had geschapen, hen naakt en met hun haar in de war voor zich zag, sloot hij zijn beide ogen. (41) Het lichaam dat bekend staat als het gapen dat de meester der schepping afwierp en waarvan men de levende wezens in hun slaap ziet kwijlen in een onreine staat, is de verbijstering waarvan men spreekt als de krankzinnigheid. (42) Zichzelf herkennend als zijnde vol energie, schiep de aanbiddelijke Brahmâ, de meester aller schepselen, uit zijn ongeziene vorm de geledingen der Sâdhya's en Pitâ's [de onzichtbare halfgoden en verscheiden zielen]. (43) Zij, de Pitâ's, aanvaardden dat lichaam, de bron van hun bestaan, en het is door dat lichaam dat zij die goed thuis zijn in de rituelen, hun offerhandelingen [genaamd s'râddha] verrichten voor deze Sâdhya's en Pitâ's. (44) De Siddha's [zij die van speciale vermogens zijn] en ook de Vidyâdhara's [de met kennis begiftigde geesten] werden geschapen uit zijn eigenschap voor het gezicht verborgen te blijven. Hen schonk hij die wonderschone vorm van zichzelf die bekend staat als Antardhâna [van het aanwezig zijn maar ongezien blijven]. (45) Van het zichzelf bewonderen toen hij zijn spiegelbeeld zag in het water, schiep de meester vanuit zichzelf de Kinnara's en Kimpurusha's. (46) Zij namen bezit van de vorm van de schaduw die hij achter liet, om welke reden ze precies bij de dageraad met hun echtgenotes samen komen om zijn daden in gezang te prijzen. (47) Toen hij eens neerliggend zijn lichaam volledig uitstrekte zag hij met grote bezorgdheid dat het de schepping ontbrak aan vooruitgang, waarop hij uit woede toen ook dat lichaam opgaf. (48) Uit het haar dat uit zijn lichaam viel werden zij die geen poten hebben geschapen, o Vidura, die geboorte namen als slangen van wiens kruipende lichamen de grote kraag van de felle Cobra zijn nek kan worden waargenomen.

(49) Voldaan over zichzelf alsof hij het doel van zijn leven had bereikt, kwamen ten leste uit zijn geest de Manu's voort die staan voor het bevorderen van het welzijn van de wereld. (50) Hen schonk hij de gedaante van zijn eigen bezielde, persoonlijke lichaam bij het zicht waarvan zij die eerder waren geschapen, de Prajâpati [de vader der mensheid] verwelkomend bewierookten: (51) 'O schepper van het Universum, hoe goed hebt u alles tot stand gebracht; oh, hoe degelijk hebt u al de rituele gebruiken gevestigd waarmee we zullen delen in de offerhandelingen! (52) Door boetedoening, aanbidding, verbondenheid in de discipline van de yoga en in de fijnste verzonkenheid, bracht de eerste ziener, de beheerser der zinnen, de wijzen, zijn geliefde zoons tot ontwikkeling. (53) Ieder van hen schonk hij, de ongeborene, een deel van zijn eigen lichaam dat de diepe meditatie, eenheid van de yoga, het bovennatuurlijk vermogen, de boete, kennis en de verzaking in zich droeg.

 

Hoofdstuk 21

De Conversatie tussen Manu en Kardama

(1) Vidura zei: 'O Allerhoogste, wees zo goed de zo hoog geachte dynastie van Svâyambhuva Manu te beschrijven, waarvan de seksuele gemeenschap voor al het nageslacht zorgde. (2) Priyavrata en Uttânapâda, de twee zonen van Svâyambhuva Manu, regeerden de wereld bestaande uit de zeven continenten, waarlijk overeenkomstig de principes der religie. (3) Van die Manu stond alzo Devahûti bekend, o brahmaan, als de echtgenote van de vader der mensen waarover u sprak [zie 3.12: 27] als Kardama Muni, o zondeloze. (4) Kan u mij, ik die er zo naar uitzie, het verhaal vertellen over hoe het talrijke nageslacht van Kardama Muni, die in feite een grote mystieke yogi was begiftigd met de acht volmaaktheden [zie 3.15: 45], uit haar werd verwekt? (5) En hoe brachten de bewonderenswaardige Ruci, o brahmaan, en Daksha, de zoon van Brahmâ, nageslacht voort na het als hun echtgenotes veilig stellen van de andere twee dochters van Svâyambhuva Manu?'

(6) Maitreya zei: 'Heer Brahmâ droeg de allerhoogste Muni Kardama op kinderen te verwekken na een boete die hij zo'n tienduizend jaar had beoefend aan de oever van de rivier de Sarasvatî. (7) Verzonken in die verbondenheid diende Kardama door zijn yoga in toewijding Hem, de Heer die de overgegeven zielen alles vergunt. (8) Behaagd toonde de Allerhoogste Heer met de lotusogen hem toen door de cultuur van voorschriften en rituelen, o Vidura, zijn bovenzinnelijke gedaante. (9) Dat van Hem aanschouwde hij als zijnde zo stralend zuiver als de zon met een bloemenslinger van witte waterlelies en lotussen en een overvloed aan sluike zwart-blauwe haarlokken, een lotusgelijk gezicht en een smetteloos gewaad. (10) Opgesierd met een kroon en oorsieraden dragend hield Hij, het hart betoverend met Zijn glimlachende blikken, een schelphoorn vast, een werpschijf en een strijdknots, onderwijl met een witte lelie spelend. (11) Hij zag Hem in de lucht staande met Zijn lotusvoeten op de schouders van Garuda met op Zijn borst het beroemde Kaustubha juweel dat van Zijn nek neerhing. (12) Uitzinnig viel hij met zijn hoofd naar de grond na, met zijn gebeden en bevredigd met een hart dat altijd was vervuld van liefde, zijn verlangen gerealiseerd te hebben en vouwde hij zijn handen.

(13) De wijze zei: 'Oh, nu hebben we het volledige succes geboekt U, het Reservoir van Alle Goedheid, voor ogen te hebben; U te zien, o aanbiddelijke Heer, is waartoe alle yogi's, die de volmaaktheid van de yoga nastreven, door vele geboorten heen geleidelijk worden opgeheven. (14)  Zelfs van hen die door Uw begoochelende energie hun intelligentie kwijt raakten en die voor het verkrijgen van oppervlakkige genoegens - die ook in de hel te vinden zijn - Uw lotusvoeten aanbidden die de boot vormen om de oceaan van het werelds bestaan over te steken, vervult U iedere mogelijke wens, o Heer. (15) Ernaar verlangend een meisje te huwen van een gelijke gezindheid die in het huwelijksleven als een koe van overvloed is, heb ook ik met wellustige bedoelingen U benaderd, die de wortel en oorsprong van alles en de wensboom die alle wensen doet uitkomen bent. (16) Onder leiding van U als de vader van alle levende wezens, o mijn Heer, zijn al dezen die het slachtoffer van hun verlangens zijn, gebonden door het touw van hun omstandigheden en breng ik, geconditioneerd zoals zij dat zijn, U mijn offers, o Belichaming der Religie tewerk gaand als de eeuwige tijd. (17) Maar zij die het opgaven hun dierlijke, aardse belangen na te jagen en hun toevlucht zochten onder de paraplu van Uw lotusvoeten door Uw kwaliteiten met elkaar te bespreken, maken door die bedwelmende nectar aan het enkele dienen van hun fysieke lichamen een einde. (18) Het wiel van het universum dat met een ontzagwekkende snelheid ronddraait rond de spil van het onvergankelijke van U [brahman] met drie assen [zon, maan en sterren], [twaalf tot] dertien spaken [als de maanmaanden] driehonderdzestig verbindingen [als de dagen in een halfgodenjaar], zes randen, [als de seizoenen] en ontelbare blaadjes [momenten], draagt niet in het geringst bij tot de bekorting van de levens van de toegewijden. (19) Uzelf als het Universum bent de enig zaligmakende die ernaar verlangt om, vanuit het zelf, heersend middels Uw begoochelende eenheid in de materie, de universa in het leven te roepen die U schept, handhaaft en weer terugwint zoals een spin dat doet, o Allerhoogste Heer, door zijn eigen kracht. (20) Deze materiële wereld met haar grofstoffelijke en subtiele elementen, die U voor ons aangezicht manifesteert, is daadwerkelijk niet Uw verlangen; laat haar er zijn voor het ons Uw zegen vergunnen als U, door Uw grondeloze genade, wordt gezien als de Allerhoogste Heer die schittert met de tulsî [of de aanbidding]. (21) Teneinde de onthechting tot stand te brengen in het genieten van de vruchten, bracht U door Uw eigen energieën, de materiële werelden voort; zonder ophouden breng ik mijn eerbetuigingen aan de aanbiddelijke lotusvoeten die alle zegen doen neerdalen op de onbetekenenden.'

(22) De wijze [Maitreya] zei: 'Aldus oprecht geprezen beantwoordde Heer Vishnu Kardama Muni in bewoordingen zoet als nectar, terwijl Hij, stralend van genegenheid op de schouders van Garuda staande, met een glimlach toekeek vanonder Zijn expressieve wenkbrauwen. (23) De Allerhoogste Heer zei: 'Je geestestoestand kennende, heb ik reeds voorzien in datgene waarvoor je jezelf hebt getraind met Mij als de enige om te aanbidden. (24) Het is waarlijk nimmer vruchteloos daarvan zo zeker te zijn, o leider der levende wezens, daar de geesten van personen zoals u in de aanbidding van Mij, volledig geconcentreerd zijn. (25) De zoon van de vader der mensen, de keizer Svâyambhuva Manu, wiens rechtgeaarde handelingen wel bekend zijn, heeft zijn plaats in Brahmâvarta [de wereld als deel van Brahmâ's lotus] en heerst over de zeven zeeën en de aarde. (26) Hij, de heilige koning, o geleerde, zal overmorgen naar hier komen met zijn koningin, ernaar verlangend u als expert in religieuze handelingen te treffen. (27) Hij heeft een volwassen dochter met zwarte ogen en een karakter vol van goede kwaliteiten en is op zoek naar een echtgenoot; hij zal u haar hand schenken, o meester, daar u een geschikte kandidaat bent. (28) Zij is degene naar wie u in uw hart uitzag na al deze jaren; zij is uw prinses, o brahmaan, en zal u spoedig dienen zoals u dat wenste. (29) Zij zal, van het zaad dat door u in haar wordt gezaaid, negen dochters dragen en uit die dochters zullen de wijzen hun tal van kinderen verwekken. (30) Als u naar behoren op mijn gebod zal zijn getrouwd en volledig gezuiverd naar Mij toe in de verzaking van de vruchten van het handelen, zal u uiteindelijk Mij bereiken. (31) En als u mededogen hebt getoond en alle zielen zekerheid hebt verschaft, zal u zelfverwerkelijkt zijn en uzelf en het universum als zich in Mij bevindend zien en Mij als aanwezig in uzelf. (32) Door uw zaad zal ik als Mijn eigen volkomen expansie, o grote wijze, vanuit uw vrouw Devahûti, onderricht verschaffen in de leer van de uiteindelijke werkelijkheid.'

(33) Maitreya zei: 'Na aldus tot hem gesproken te hebben ging de Allerhoogste Heer die rechtstreeks door de zinnen wordt waargenomen, weg van het Bindu-sarovar-meer waar doorheen de rivier de Sarasvatî stroomt. (34) Terwijl Hij die door alle verloste zielen wordt geprezen onder zijn gadeslaan vertrok, hoorde hij in de vleugelslag van de drager van de Heer [Garuda] de hymnen van het pad der volmaaktheid weerklinken die de Sâma-veda vormen. (35) Toen, na Zijn vertrek, bleef Kardama, de grote en machtige wijze, achter op de oever van het Bindu-meer, in afwachting van wat komen zou.

(36) Svâyambhuva Manu die een met goud beslagen strijdwagen had beklommen, had zijn eigen dochter tezamen met zijn vrouw erop geplaatst en bereisde de gehele wereld. (37) Op die strijdwagen, o grote boogschutter, bereikte hij zoals de Heer dat had voorspeld, de hermitage van de wijze op de dag dat hij zijn geloften van verzaking had afgerond. (38-39) Dat heilige, gunstige water dat door de Sarasvatî rivier volstroomde, was de nectar die reeksen van grote heiligen had gediend. Het was waarlijk een meer van tranen, zoals het was vernoemd naar de tranen die neervielen uit de ogen van de Heer overweldigd door Zijn buitengemeen mededogen voor deze overgegeven ziel. (40) De plaats was heilig met groepjes bomen en struiken met de aangename schreeuwen van dieren en vogels en, omlijst door de schoonheid van het geboomte, was het rijk aan vruchten en bloemen gedurende alle seizoenen. (41) Het liep over van de vreugde van groepjes vogels, verzotte bijen die als gekken rondzoemden, trots dansende pauwen en vrolijke koekoeken die elkaar toeriepen. (42-43) Kadamba, campaka, as'oka, karañja en bakula bloemen; âsana, kunda, mandâra, kuthajabomen en jonge mangobomen luisterden het meer op waarin kârandava eenden, plava's, zwanen, visarenden, waterhoenen en kraanvogels waren te zien terwijl de cakravâka- en cakoravogels hun gelukkige geluiden lieten weerklinken. (44) Zo ook waren er eveneens massa's reeën, wilde zwijnen, stekelvarkens, gavaya's [wilde koeien], olifanten, bavianen, leeuwen, apen mongozen, en muskusherten.

(45-47) Toen de eerste monarch met zijn dochter die uitgelezen plek betrad zagen ze de wijze voor zijn hut zitten, offers brengend in het vuur. Zijn lichaam straalde schitterend door zijn langdurige verschrikkelijke boetedoening van yoga en was niet erg uitgemergeld, daar de Heer zijdelings zijn liefdevolle blik op Hem had geworpen en hem had doen luisteren naar Zijn maangelijke ambrozijnen woorden. Hij was lang met ogen als de bloembladen van een lotus, had samengeklitte haarlokken, gescheurde kleding en hem benaderend scheen hij vervuild toe als was hij een ongepolijste edelsteen. (48) Ziende dat de monarch zijn stulpje had benaderd, verboog hij zich voor hem, hem eervol ontvangend en heette hij hem welkom zoals dat voor een koning gepast is. (49) Na de ontvangst van zijn eerbetoon, hield deze zich stil terwijl hij neerzat en was hij verrukt te horen wat de wijze, die zich herinnerde wat de Heer hem had gezegd, toen in zoete bewoordingen zei:

(50) 'Voorzeker is uw rondtrekken, o goddelijke persoonlijkheid, er voor de bescherming van de deugdzamen en het frustreren van hen die van onwaarheid zijn, aangezien u de persoon bent van de Heer Zijn beschermende energie. (51) Indien nodig neemt u van de zon, de maan; van het vuur [Agni] en de Heer van de hemel [Indra]; de wind [Vâyu], de bestraffing [Yama] van de religie [Dharma] en van de wateren [Varuna] de verschillende gedaanten aan; jegens Hem, de Heer Vishnu die U bent, mijn eerbetuigingen. (52-54) Als u de strijdwagen der overwinning, overdekt met massa's edelstenen, niet had beklommen en uw boog niet zo schrikwekkend had laten zoeven, al de schurken angst aanjagend met uw aanwezigheid; als uw aanvoeren van een leger van marcherende soldaten te voet, niet de aarde had doen schudden, de aardbol bestrijkend als de schitterende zon, dan zouden zeker alle gedragsregels en verplichtingen van de roepingen [varna] en leeftijdsgroepen [âs'rama] door de Heer ingesteld, o Koning, op betreurenswaardige wijze zijn gebroken door de boeven. (55) Als u zou rusten, dan zou het onrecht zegevieren met het ontbreken van controle over de mensen die eenvoudig op het geld uit zijn; deze wereld zou dan door de onverlaten in bezit worden genomen en ten onder gaan [zie ook B.G.: 3.23]. (56) Dit alles daargelaten vraag ik u, o heldhaftige, wat u wenst met uw verschijnen hier, want dat zullen we, zonder aarzeling met hart en ziel ten uitvoer brengen.'

 

Hoofdstuk 22

Het Huwelijk van Kardama Muni en Devahûti

(1) Maitreya zei: 'Nadat de wijze op deze manier het grootse van de deugden en handelingen van Keizer Manu had beschreven viel hij stil. De keizer zich ietwat bescheiden voelend richtte zich tot hem. (2) Manu zei: 'Heer Brahmâ schiep jullie mensen, in jullie verbonden zijn in boete, kennis en yoga en het afgekeerd zijn van zinsbevrediging, naar zijn eigen evenbeeld, in zijn eigen belang zich expanderend in de vorm van de Veda's. (3) Om dat te beschermen schiep hij, de duizendbenige vader, ons als zijn duizenden armen; om reden waarvan de brahmanen zijn hart en de kshatriya's [de bestuurders] zijn armen worden genoemd. (4) Daarom beschermen de brahmanen en de kshatriya's feitelijk elkaar zowel als zichzelf, zoals ook de godheid, hij onvergankelijk die zowel oorzaak als gevolg is, dat doet. (5) Door enkel u te treffen zijn al mijn twijfels opgelost, op de manier waarop u, o allerhoogste, persoonlijk, liefdevol hebt uiteengezet wat de plicht van een vorst is jegens zijn onderdanen. (6) Het is mijn grote geluk o machtige, dat ik u kon treffen, die niet makkelijk te zien is voor diegenen die zich niet naar de ziel gedragen; het is mijn grote geluk dat mijn hoofd het stof van uw voeten, die alle zegen brengen, kon beroeren. (7) Ik heb het geluk dat mij de grote gunst van uw woorden is vergund; o hoe fortuinlijk is het om met open oren het zuivere van die woorden te hebben mogen ontvangen! (8) O wijze, hooggeëerde, wees nu zelf verheugd te luisteren naar de bede van deze bescheiden persoon, wiens geest vol zorgen is uit genegenheid voor zijn dochter. (9) Deze dochter van mij, de zuster van Priyavrata en Uttânapâda, is op zoek naar een echtgenoot geschikt qua leeftijd, karakter en goede kwaliteiten. (10) Vanaf het moment dat ze van Nârada Muni vernam over uw nobele karakter, geleerdheid, verschijning, jeugd en deugd, zette ze haar zinnen op u. (11) Aanvaard haar derhalve alstublieft, o beste der tweemaal geborenen; ik biedt u haar aan in de overtuiging dat ze in alle opzichten geschikt is om voor u uw huishouding op zich te nemen. (12) Om af te slaan wat in feite uit zichzelf kwam is niet aan te raden, zelfs niet voor iemand die vrij is van gehechtheid aan zingenot, en wat te zeggen van iemand die verslaafd is. (13) Iemand die [zo] een aanbod afwijst en [liever] zijn heil zoekt bij een mindere, zal zijn reputatie onder de mensen geschaad zien en zijn eer in verwaarlozing te grabbel gegooid. (14) O wijze man, ik hoorde dat u zich voorbereidde om te trouwen en derhalve niet de eed van een ononderbroken celibaat hebt afgelegd; aanvaardt dan alstublieft mijn aanbod [naishthhika-brahmacârî's leggen een eed af op een levenslang celibaat, upakurvâna-brahmacârî's doen dat slechts tot aan een zekere leeftijd].'

(15) De rishi gaf ten antwoord: 'Ik ben zeer wel bereid te trouwen en uw dochter heeft zichzelf aan niemand anders beloofd; gepast beantwoordend aan deze beide voorwaarden kunnen we de huwelijksrituelen voltrekken. (16) Laat dat verlangen van uw dochter, welk door het schriftuurlijk gezag wordt onderkend, in vervulling gaan, o Koning; wie, in feite, zou uw dochter, die door de luister van haar lichaam alleen al de schoonheid van haar sieraden overtreft, niet aanbidden? (17) Was het niet Vis'vâvasu [een Gandharva, een hemelbewoner], die, haar op het dak van het paleis zien spelend toen ze achter haar bal aanzat, verdwaasd uit zijn verheven positie ten val kwam met een ontregelde geest? (18) Welke wijze man zou niet haar verwelkomen die op eigen gelegenheid kwam als de geliefde dochter van Manu en zuster van Uttânapâda, dat sieraad van vrouwelijkheid dat niet wordt gevonden door hen die de voeten van de godin gemist hebben. (19) Daarom zal ik het kuise meisje aanvaarden zo lang als ze kinderen van mij mag dragen uit het zaad van mijn lichaam, op voorwaarde dat ik daarna de plichten van dienst op me neem zoals vervuld door de besten der volmaakten [de paramahamsa's] en alles wat ik, zonder afgunst, beschouw als zijnde naar het woord van de Heer. (20) Voor mij, is het hoogste gezag de Allerhoogste Onbegrensde, de Heer van de vaders der mensheid [de Prajâpati's], uit wie deze wonderbaarlijke schepping voortkwam, in wie zij weer zal opgaan en bij wiens genade ze op dit moment bestaat.'

(21) Maitreya zei: 'Hij, o grote strijder, zei niet meer dan dit en werd stil met zijn gedachten gericht op Vishnu's lotus, waarbij hij, met een mooie glimlach op zijn gelaat, de geest van een gefascineerde Devahûti wist te vangen. (22) Nadat Manu zich overtuigd had van het besluit genomen door de koningin en er eveneens zeker van was hoe zijn dochter over hem dacht, gaf hij, buitengewoon verheugd, haar weg die een gelijke was met even zo vele goede kwaliteiten. (23) S'atarûpâ, de keizerin, gaf de bruid en bruidegom liefdevol als bruidsschat waardevolle geschenken als sieraden, kleding en huishoudelijke artikelen mee. (24) De keizer bevrijd van zijn verantwoordelijkheid zijn dochter aan een geschikte persoon weg te geven omhelsde haar toen met zijn beide armen en een overbezorgde, gekwelde geest. (25) Niet in staat afscheid van haar te nemen bleef hij maar tranen plengen en met het water uit zijn ogen het haar van zijn dochter doordrenkend riep hij uit: 'O lieve moeder, mijn liefste dochter!' .

(26-27) Na het vragen en krijgen van de permissie hem, de beste der wijzen, te verlaten, beklom hij, de keizer met zijn echtgenote de strijdwagen en ging hij tezamen met zijn gevolg op weg naar zijn hoofdstad, onderweg van het rustgevende uitzicht genietend van de prachtige voor de kluizenaars zo aangename hermitages aan beide oevers van de rivier de Sarasvatî. (28) Extra verheugd, wetende wie er arriveerde, kwamen de bewoners van Brahmâvarta hem ter begroeting tegemoet met gezang, lofprijzingen en instrumentale muziek. (29-30) De stad, welke alle soorten van weelde kende, droeg de naam Barhishmatî, naar de haren van het schuddende lichaam van Heer Zwijn die daar waren neergevallen en veranderd in het eeuwig groene kus'a- en kâs'a gras [grassen gebruikt voor zitplaatsen en matten] waarmee de wijzen de verstoorders der offers aan de door hen aanbeden Vishnu versloegen. (31) Door dat kus'a- en kâs'a gras uit te spreiden, creëerde de hoogst fortuinlijke Manu een zitplaats in aanbidding van de Heer der Offers [Vishnu] van wie hij zijn positie op aarde had verkregen. (32) De stad Barhishmatî betredend waar hij tot dan toe had geleefd, ging de machtige zijn paleis, dat de drievoudige misère [van lichaam, geest en uiterlijke natuur] versloeg, binnen. (33) Tezamen met zijn echtgenote en onderdanen genoot hij, niet gestoord door anderen, van de geneugten des levens en werd hij geprezen vanwege zijn reputatie van zedelijkheid, daar het hem in zijn hart zeer aantrok met zijn vrouwen iedere ochtend te luisteren naar de hemelse muzikanten en de verhalen over de Heer. (34) Hoewel in beslag genomen door de begoochelende eenheid der materie, was Svâyambhuva Manu als een heilige; als sublieme toegewijde van de Heer konden zijn materiële genoegens hem niet op het verkeerde pad brengen. (35) Hij bracht zijn uren niet zinledig door; tot aan het einde van zijn dagen bracht hij zijn leven door met het luisteren naar en zich bezinnen op en het vastleggen en bespreken van de onderwerpen van Heer Vishnu. (36) Zodoende de drie levensbestemmingen [overeenkomstig de drie geaardheden, zie Gîtâ hfdstk 18] overstijgend in zijn verbondenheid met de onderwerpen van Vâsudeva, duurde zijn tijdperk daardoor eenenzeventig mahâyuga's lang. (37) Hoe kan de misère met betrekking tot het lichaam, de geest de [natuurlijke en bovennatuurlijke] machten en andere mensen en levende wezens, o Vidura, ooit iemand die leeft onder de hoede van de Heer, tot last zijn? (38) Hij [Manu], die altijd uit was op het welzijn van alle levende wezens, bracht, op verzoek van de wijzen, de vele soorten van plichten van de status-oriëntaties [de varna's en âs'rama's, de roepingen en leeftijdsgroepen] onder woorden, die goed zijn voor de menselijke samenleving. (39) Dit is wat ik u kon vertellen over het wonderbaarlijke karakter van Manu, de eerste keizer, wiens reputatie het beschrijven waard is. Luister nu alstublieft naar hoe zijn dochter [Devahûti] opbloeide.

 

Hoofdstuk 23

Devahûti's Klacht

(1) Maitreya zei: 'Na het vertrek van de ouders diende de kuise vrouw, met begrip voor de verlangens van haar echtgenoot, haar man voortdurend met grote liefde, zoals Pârvatî dat deed met S'iva, haar Heer. (2) Intiem, met een zuivere ziel, groot respect en zinsbeheersing diende ze met liefde en lieve woorden, o Vidura. (3) Afziend van lust, trots, afgunst, hebzucht, zondige handelingen en ijdelheid behaagde ze haar machtige echtgenoot, altijd vlijtig en met gezond verstand. (4-5) Hij, voorzeker de meest vooraanstaande van alle rishi's van God, de man van wie zij, de dochter van Manu volledig toegewijd een grotere zegen verwachtte dan van de voorzienigheid, zag dat ze zwakker werd en uitgemergeld raakte van de lang volgehouden religieuze inachtnemingen en met een van liefde stokkende stem sprak hij tot haar, overmand door mededogen. (6) Kardama zei: 'Op het ogenblik ben ik tevreden over jou, o respectvolle dochter van Manu, vanwege je zeer uitnemende allerhoogste dienstbaarheid en toewijding. Dat lichaam, zo uitzonderlijk dierbaar voor deze belichaming, verzorg je echter niet naar behoren, het terwille van mij uitputtend. (7) De zegeningen van de Heer die ikzelf realiseerde in mijn religieuze leven van volledig opgaan in versoberingen, meditatie en het fixeren van mijn geest in het weten, kan evenzo goed door jou worden verworven in jouw toegewijde dienst aan mij; vergewis je enkel van de visie vrij van angst en weeklagen, die ik je nu vergun. (8) Wat is er buiten de genade van de Heer van waarde als alle materiële verworvenheden hun vernietiging vinden in één enkele beweging van een wenkbrauw; geslaagd door het grotere perspectief van Heer Vishnu is het aan jou de bovenzinnelijke gaven te genieten, verkregen door de principes van goed gedrag, welke zo moeilijk te verkrijgen zijn voor mensen die trots zijn op hun adellijke afkomst.' (9) Nadat hij op deze manier had gesproken, vond de vrouw, horende van zijn uitblinken in de speciale kennis van de yoga, voldoening en met een stem verstikt van nederigheid en liefde en een stralend, glimlachend gezicht met een ietwat verlegen blik, sprak ze tot hem.

(10) Devahûti zei: 'Het is inderdaad volbracht, o beste der brahmanen, dit meesterschap van onfeilbaarheid in jouw in de macht der yoga, o machtige, o echtgenoot, wat ik zeker weet is dat jij hebt beloofd dat als we er eenmaal zeer geslaagd in zijn één te zijn in het lichaam, dat er dan het nageslacht mocht zijn dat voor een kuise vrouw zulk een grote waarde is. (11) Doe hiervan dat, wat er moet worden gedaan overeenkomstig wat is voorgeschreven in de geschriften, waarmee dit, door een onvervulde passie uitgemergelde lichaam, voor u geschikt kan worden gemaakt. En ik, slachtoffer van emoties, ben maar arm, o Heer, denk daarom alsjeblieft aan een geschikte woning'.

(12) Maitreya zei: 'Uit op het genoegen van zijn liefste, zette Kardama zijn yoga-vermogen in en bracht hij daarna een hoog oprijzend paleis voort dat kwam zoals gewenst werd, o Vidura. (13) Het beantwoordde aan alle verlangens en was wonderschoon overdekt met allerlei juwelen, had alle soorten van luxe die mettertijd toenam en zuilen gehouwen uit het meest kostbare gesteente. (14-15) Het was uitgerust met een hemel aan gebruiksartikelen en was behaaglijk in alle jaargetijden, was versierd met wimpels en vlaggen en draperieën van uiteenlopende kleuren en stoffen, bekoorlijke zoete bloemen zoemend van de bijen, fijne linnen en zijden stoffen en was behangen met verschillende wandkleden. (16) In verdiepingen boven elkaar waren er afzonderlijke voorzieningen met bedden, comfortabele ligbanken en gekoelde zitplaatsen. (17) Hier en daar was verschillend kunstzinnig beeldhouwwerk ten toongesteld met de buitengewone schoonheid van een vloer met smaragden, toegerust met verhogingen van koraal. (18) De toegangen hadden drempels van koraal en deuren prachtig overdekt met diamanten. De koepels van saffier waren gekroond met gouden torentjes. (19) Op de diamanten muren was er een keur aan robijnen die ze ogen leken te geven. Er was voorzien in verschillende baldakijnen en hoogst kostbare poorten van goud. (20) De vele kunstige zwanen en groepen duiven her en der deden de echte denken dat ze gelijk henzelf waren, er herhaaldelijk overvliegend onder het weerklinken van hun geluiden. (21) De lusttuinen, zitkamers, slaapkamers, binnen- en buitenplaatsen ontworpen voor het comfort, deden inderdaad de wijze zelf versteld staan.

(22) Devahûti, een dergelijke woning beziend met een weinig vergenoegd hart, zette Kardama, die ieders hart kon doorvorsen ertoe aan haar in persoon aan te spreken. (23) 'Je bent zo bevreesd, neem een bad in het heilige meer dat uit Vishnu voortkwam [Bindu-sarovar], dat ieder verlangen van de mens in vervulling doet gaan, voordat je dit hoog oprijzend paleis binnengaat'. (24) Zij, de lotus-ogige met haar samengeklitte haar en vuile kleren aan, volgde toen de order van haar echtgenoot op. (25) Haar lichaam en borsten waren grauw, overdekt door vuil, toen ze het meer inging dat de heilige wateren van de Sarasvatî rivier bevatte. (26) In het meer zag ze, gelijk de geurige lotussen, een huis voor zich met een duizendtal meisjes in de bloei van hun jeugd. (27) Toen ze haar zagen stonden alle maagden plots voor haar op en zeiden ze met gevouwen handen: 'We zijn uw dienstmaagden, alstublieft zeg ons wat we voor u kunnen doen'. (28) Na haar te hebben gebaad met de kostbaarste oliën, gaven de eerbiedige meisjes de deugdzame echtgenote fijne, nieuwe, smetteloze kleren te dragen. (29) Ze gaven haar ook waardevolle sieraden en zeer uitgelezen spijzen en bedwelmende dranken die al de goede nectargelijke kwaliteiten in zich hadden. (30) Toen, met het zicht op haar reflectie in een spiegel, met haar lichaam gezuiverd van alle vuil en in smetteloze kleren, werd ze opgesierd met een bloemenslinger en door de hoogst eerbiedige dienstmaagden versierd met gelukbrengende tekens. (31) Van top tot teen gebaad was ze gesierd met een gouden halsketting met hanger en armbanden en tinkelende enkelbelletjes gemaakt van goud. (32) Om haar heupen droeg ze een gordel gemaakt van goud ingelegd met talloze edelstenen en had ze een kostbare parelketting en gelukbrengende substanties [zoals saffraan, kunkuma - hetgeen geparfumeerd rood poeder voor de borsten is -, mosterdzaad olie en sandelhoutpulp]. (33) Met haar prachtige tanden, charmante wenkbrauwen, lieflijke, vochtige ogen die de schoonheid van lotusknoppen te boven ging en haar blauwzwarte gekrulde haar, straalde ze van alle kanten. (34) Toen ze aan haar dierbare echtgenoot dacht, de meest vooraanstaande onder de wijzen, trof ze zichzelf tezamen met haar dienstmaagden daar aan waar hij, de stamvader, de Prajâpati, was. (35) Zich vervolgens in de aanwezigheid van haar man ziend, omringd door een duizendtal maagden, was ze vol verbazing over wat hij in zijn yoga bereikt had.

(36-37) De wijze, die haar schoongewassen zag, hem tegemoet stralend met een ziel van een schoonheid zonder weerga, omgord en met bekoorlijke borsten, opgewacht door een duizend hemelse meisjes en uitnemend gekleed, genoot van de aanblik en leidde haar die hemelse woning binnen, o vernietiger van de vijand. (38) Gehecht als hij was aan zijn geliefde verzorgd door de hemelse meisjes, verloor hij niet zijn glorie; tezamen met haar in zijn paleis straalde zijn persoon zo charmant als de maan in de hemel omringd door de sterren, die rijen van lelies doet opengaan in de nacht. (39) Erin levend reikte hij tot aan de lusthoven van de goden in de hemel en de bergen en de dalen van Koning Indra onder begeleiding van de schoonheid van de luwte der hartstocht; gelijk de schatbewaarder Kuvera omringd door maagden, genoot hij voor lange tijd van de neergang van de Ganges onder de vibrerende gunstige geluiden van de lofuitingen van hen die van de perfectie zijn. (40) Bevredigd door zijn vrouw genoot hij de tuinen van Vais'rambhaka, Surasana, Nandana, Pushpabhadraka en Caitrarathya, en het Mânasa-sarovara meer. (41) Met het paleis zo schitterend als men zich maar wensen kon, overtrof hij, als de lucht die tot overal reikt, de woonplaatsen van de grootste goden. (42) Wat zou er moeilijk zijn om te bereiken voor hen die vastberaden zijn, voor hen die hun toevlucht genomen hebben tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid die alle gevaar overwint?

(43) Na zijn vrouw de wegen van de wereld te hebben getoond met alles wat erbij hoort aan vele wonderen, keerde de grote yogi terug naar zijn eigen omgeving. (44) Zichzelf in negen verdeeld hebbend, om zijn vrouw, de dochter van Manu te behagen in het seksleven, genoot hij de vele jaren als in een ogenblik. (45) In het paleis liggend op een uitstekend bed gunstig voor de liefde had zij geen notie van het verstrijken van de tijd in het gezelschap van haar zeer knappe echtgenoot. (46) Aldus gingen door de macht van de yoga voor het volijverig verlangend stel in hun seksuele genoegen een honderdtal herfsten voorbij, als in een korte spanne tijds. (47) De machtige Kardama, die de spirituele essentie en alle verlangens kende had, zijn eigen lichaam in negenen verdeeld hebbend, zijn zaad in haar geloosd, haar beschouwend als zijn wederhelft. (48) Zij, Devahûti, gaf toen bijgevolg geboorte aan een nageslacht van [negen] vrouwen die allen in ieder deel van hun lichaam even bekoorlijk waren als een geurige rode lotus. (49) Toen ze zag dat haar echtgenoot op het punt stond van huis te vertrekken, glimlachte ze van buiten, maar was ze van streek met een hart vol leed. (50) Haar tranen bedwingend, schraapte ze met de stralende juwelen nagels van haar voet over de vloer en met haar hoofd naar beneden gebogen, sprak ze langzaam in bekoorlijke bewoordingen.

(51) Devahûti zei: 'Al dat u me beloofd hebt mijn Heer is in vervulling gegaan, maar u moet me, als overgegeven ziel, ook de onbevreesdheid vergunnen. (52) Mijn beste brahmaan, het is aan je dochters om uit te vinden wat geschikte echtgenoten zijn; maar wie is er om mij te troosten, als jij naar het woud bent vertrokken? (53) Zonder acht te slaan op de kennis van de Allerhoogste Ziel, verstreek er zoveel tijd voor niets, mijn meester, ons uitputtend in het goed zijn voor onze zintuigen. (54) Aangetrokken door het bevredigen van onze zinnen ging mijn affiniteit voor jou niet samen met het erkennen van je bovenzinnelijk bestaan; moge het me niettemin bevrijden van alle vrees. (55) Omgang met hen die druk bezig zijn hun zinnen te behagen is de oorzaak van de kringloop van geboorte en dood, maar hetzelfde soort van handelen in onwetendheid leidt, in omgang met een heilige persoon, tot bevrijding. (56) Men is daadwerkelijk dood bij het leven als het werk dat hier verricht wordt er niet voor een meer rechtgeaard leven is, niet leidt tot onthechting en niet de voeten van het Heilige van dienst is. (57) Voorzeker ben ik degene die geheel misleid was door het materiële vermogen van de Heer; omdat ik, hoewel ik u die bevrijding geeft bereikt heb, er niet naar uitzag uit de materiële gebondenheid bevrijd te raken'.

 

Hoofdstuk 24

De Verzaking van Kardama Muni

(1) Maitreya zei: 'De genadige, lofwaardige wijze die aldus over verzaking sprak tot de dochter van Manu gaf dat ten antwoord waarvan hij zich herinnerde dat het gezegd was door Heer Vishnu. (2) De wijze zei: 'Wees niet teleurgesteld, o prinses; als je jezelf op deze manier richt op de Allerhoogste Heer, o prijzenswaardige, zal Hij onvermijdelijk zeer spoedig in je schoot verschijnen. (3) Moge God jou zegenen, die de heilige geloften heeft afgelegd voor de zinsbeteugeling, religieuze inachtneming en versoberingen, het schenken van geld in liefdadigheid en het met een vast geloof boven alles aanbidden van de Heer. (4) Hij, door jou aanbeden, zal mijn roem verbreiden; Hij, als je zoon, zal de knoop in je hart doorsnijden met het onderricht van de kennis van de al-doordringende geest [brahman]'.

(5) Maitreya zei: 'Devahûti trouw in haar grote respect voor de leiding van deze vader der mensheid, was van een volkomen geloof in de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en aanbad aldus de meest aanbiddelijke aanwezig in ieders hart. (6) Na vele, vele jaren ging de Opperheer, de doder van Madhu, het zaad van Kardama binnen en verscheen Hij zoals vuur dat doet in brandhout. (7) Te dien tijde weerklonken muziekinstrumenten vanuit de regenwolken in de hemel, bezongen de Gandharva's Hem, en dansten de Apsara's in vreugdevolle extase. (8) Prachtige bloemen werden door de goden vanuit de hemel gestrooid en in alle windstreken, over alle wateren en in ieders geest was er geluk. (9) De zelfgeborene [Brahmâ] tezamen met zijn wijzen, Marîci en de anderen, kwamen toen naar Kardama's plaats aan de Sarasvatî rivier. (10) De Allerhoogste Heer van de Geest van het zuivere bestaan was, middels een volkomen deelaspect, o doder van de vijand, verschenen om de waarheid van de Sânkhya [het analytische van de yoga] zo uiteen te zetten dat men te weten zou komen van de Onafhankelijke Ongeborene. (11) Met een zuiver hart in aanbidding van het Uiteindelijke en verheugd over Zijn voorgenomen optreden werd Kardama en Devahûti het volgende gezegd.

(12) Brahmâ zei: 'Door jou, Kardama, werd het volbracht Mij te aanbidden zonder dubbelhartigheid, o zoon; aangezien je mijn aanwijzingen ten volle hebt aanvaard, heb je, in je eren van anderen, mij geëerd. (13) Zonen behoren hun vader van dienst te zijn in navolging van precies deze strekking, daarbij met het verschuldigde respect de geboden van de geestelijk leraar opvolgend. (14) Deze volslanke kuise dochters van je, mijn beste zoon, zullen middels hun eigen nakomelingen op verschillende manieren bijdragen tot deze schepping. (15) Schenk derhalve alsjeblieft vandaag je dochters weg, in overeenstemming met hun temperament en smaak, aan de meest vooraanstaande wijzen, waarmee aldus je roem zich over de hele wereld zal verspreiden. (16) Ik weet dat de oorspronkelijke genieter, Hij die alle verlangens van de levende wezens vervuld, door Zijn eigen vermogen is geïncarneerd met het aannemen van het lichaam van Kapila Muni, o wijze. (17) Middels de schrift en de praktijk van de vereniging van het bewustzijn in de yoga zal Hij, die wordt gekend met Zijn gouden haar, lotusogen en de met de lotus gemerkte voeten, de wortels van de baatzuchtige arbeid blootleggen. (18) En Devahûti, de doder van de demon Kaithaba is je baarmoeder binnengegaan en de knoop der onwetendheid en twijfel doorsnijdend, zal Hij de gehele wereld bereizen. (19) Deze persoonlijkheid zal aan het hoofd staan van de volmaakten, de goedkeuring wegdragen van de leraren van het voorbeeld [de âcârya's] in de vedische analyse, en, tot uw meerdere glorie, in de wereld worden gevierd als Kapila'.

(20) Maitreya zei: 'Toen hij het stel had gerustgesteld ging Hamsa [een andere naam voor Brahmâ die vliegt met de transcendentale zwaan], de schepper van het universum, tezamen met de Kumâra's [zijn zoons] en Nârada [de spreekbuis] terug naar zijn verheven positie boven de drie werelden. (21) Na het vertrek van Brahmâ, o Vidura, gaf Kardama zoals gezegd, zijn dochters aan hen die van toen af aan verantwoordelijk waren voor de schepping van de wereldbevolking. (22-23) Kalâ gaf hij aan Marîci, Anasûyâ toen aan Atri, S'raddhâ gaf hij Angirâ en Havirbhû werd aan Pulastya geschonken. Gati gaf hij aan Pulaha en de deugdzame Kriyâ achtte hij geschikt voor Kratu; aan Bhrigu schonk hij Khyâti weg en ook Arundhatî werd weggegeven aan de wijze Vasishthha. (24) Atharvâ schonk hij aan S'ânti, door wie de offerrituelen worden gebracht. Aldus raakten de vooraanstaande brahmanen getrouwd met hun echtgenotes en werden ze door hem onderhouden. (25) Toen ze op deze manier in het huwelijk waren getreden, o Vidura, namen de wijzen afscheid van Kardama en gingen ze op weg naar hun hermitages, vertrekkend in vreugde over wat ze hadden verworven.

(26) En hij Kardama, die begrepen had dat Hij, die in al de drie yuga's verschijnt [Vishnu, die in de vierde, de laatste yuga enkel verschijnt als een 'channa' - of bedekte avatâra], de hoogste intelligentie van al de wijzen, was nedergedaald, zocht Hem op in Zijn afzondering, waarbij hij Hem zijn eerbetuigingen bracht en als volgt tot hem sprak: (27) 'Oh, eindelijk, na zo een lange tijd is het goddelijke van genade voor hen die zo aangedaan zijn door de verstriktheid van hun eigen wandaden in deze wereld. (28) Na vele geboorten, proberen de gerijpte yogi's door hun verzonkenheid in de yoga Uw voeten in afzondering te aanschouwen. (29) Diezelfde Allerhoogste Heerlijkheid, Hij die de steun en toeverlaat is van Zijn hoogsteigen toegewijden, is heden, ongeacht de nalatigheid van ons gewone huishouders hoog en laag, verschenen in onze huizen. (30) Om Uw eigen woorden gestand te doen bent U in mijn huis nedergedaald, verlangend de kennis te verbreiden van de Hoogste Persoonlijkheid die er is voor de meerdere eer en glorie van de toegewijden. (31) Door welke van de waarlijk geschikte gedaanten ook van U, die Zelf geen materiële gedaante heeft, behaagt U hen die zich op het pad bevinden. (32) De plaats van Uw voeten is zeker altijd het respectvolle eerbetoon van de wijzen waard die ernaar verlangen de Absolute Waarheid te kennen. Aan U, die vol is van rijkdom, verzaking, roem, kennis, kracht en schoonheid [de zogenaamde zesvoudige weelde van de Heer] geef ik mezelf over. (33) Ik geef me over aan Heer Kapila, die de bovenzinnelijke Allerhoogste Persoonlijkheid is, de oorsprong van de wereld en het volle bewustzijn van de tijd en de drie geaardheden der natuur; de Handhaver van Alle Werelden, die in Zichzelf naar Zijn eigen vermogen Zijn manifestaties ontbindt en die de macht is van de onafhankelijkheid. (34) Op dit moment verzoek ik U, o vader van alle geschapen wezens, daar U me hebt bevrijd van mijn schulden en mijn verlangens hebt vervuld, dat ik het pad van een rondtrekkende bedelmonnik op me mag nemen zodat ik met U in mijn hart rond mag trekken, mezelf verre houdend van het weeklagen.

(35) De Allerhoogste Heer zei: 'Waarvan Ik bij de geschriften of bij normale uitspraken heb gesproken is in feite het gezag voor de mensen; derhalve nam Ik bij u geboorte om dat na te komen wat Ik u gezegd heb, o wijze. (36) Deze geboorte van Mij in deze wereld is er voor het verschaffen van uitleg, voor degenen die bevrijd willen raken van de moeilijkheden van de materiële positie, over de waarheden die men zo hoog acht in de zelfverwerkelijking. (37) Alstublieft, weet dat dit lichaam door Mij werd aangenomen, opdat Ik nu opnieuw dit pad van de ziel kan introduceren dat zo moeilijk te kennen is en in de loop van de tijd verloren is gegaan. (38) Ga nu, onder Mijn goedkeuren, heen zoals u dat verlangt, handelend naar de wereldverzakende orde; houdt u om de onoverkomelijke dood te boven te komen, voor het eeuwige van het leven bezig met de aan Mij gewijde dienst. (39) Met uw intellect altijd op Mij, de opperste zelfvervulde ziel van alle levende wezens, gericht, zal U me daadwerkelijk in Uw hart zien en de vrijheid van angst en weeklagen bereiken. (40) Mijn moeder zal Ik ook deze kennis schenken welke de deur van het geestelijk leven opent en een einde maakt aan alle vruchtdragende activiteiten, zodat ook zij de vrees zal overwinnen.'

(41) Maitreya zei: 'De stamvader van de menselijke samenleving aldus aangesproken door Kapila, omliep Hem en, waarlijk tot vrede gekomen, vertrok hij toen naar het woud. (42) Hij aanvaardde de gelofte der stilte en uitsluitend zijn toevlucht zoekend in de ziel, reisde de wijze vrij van gezelschap rond over de aarde zonder een vaste verblijfplaats te hebben of vuur te maken. (43) Hij concentreerde zijn denken in de geest van dat wat zich voorbij oorzaak en gevolg bevindt, dat wat zichzelf manifesteert als de drie geaardheden der natuur en er zelf vrij van is en dat wat alleen maar door toewijding wordt waargenomen. (44) Zich niet met het lichaam identificerend en zonder belangstelling voor de materie en de dualiteit, zag hij, met een gelijke blik, zich inwaarts gekeerd hebbend, met een volmaakt beheerste geest nuchter zijnd, zichzelf onverstoord en als een oceaan met haar golven in rust. (45) Jegens Vâsudeva, de Persoonlijkheid van God, de alwetende Superziel in iedereen, verzette hij zich in bovenzinnelijkheid door toegewijde dienst bevrijd van materiële gebondenheid. (46) Hij zag de Hoogste Persoonlijkheid van God als de ziel zich bevindend in alle levende wezens en, bovendien, dat alle levende wezens in de Hoogste Persoonlijkheid bestaan van die ziel. (47) Bevrijd van alle voorkeur en afkeer bereikte hij, met zijn geest in ieder opzicht bevrijd in de verbondenheid van de toewijding voor de Opperheer, het uiteindelijke doel van de toegewijde.

 

Hoofdstuk 25

De Heerlijkheden van de Toegewijde Dienst

(1) S'rî S'aunaka zei: "Hoewel Zelf ongeboren, nam de Allerhoogste Heer, persoonlijk door Zijn eigen vermogen geboorte als Heer Kapila, de analyticus van de uiteindelijke waarheid, teneinde voor de mensheid de bovenzinnelijke kennis te verspreiden. (2) Horend over Hem, wiens meerdere onder de mensen niet te vinden is, de meest vooraanstaande der yogi's en de godheid der Veda's, zijn daadwerkelijk mijn zinnen bevredigd. (3) Alstublieft, geef mij een getrouwe beschrijving van al wat het prijzenswaardige is dat de Opperheer, zo vol van de verrukking van de ziel, vanuit Zijn interne vermogen zo doet. "

(4) Sûta zei: ''Als een vriend van Vyâsadeva sprak de vererenswaardige Maitreya toen als volgt tot Vidura, daar het hem had behaagd ondervraagd te worden over de bovenzinnelijke kennis. (5) Maitreya zei: 'Toen de vader naar het woud vertrokken was, bleef Heer Kapila achter bij het Bindu-sarovarmeer met het verlangen Zijn moeder werkelijk een genoegen te doen. (6) Tot Hem, haar Zoon, comfortabel gezeten, die in staat was om haar het pad te tonen naar het doel van de uiteindelijke werkelijkheid, sprak Devahûti met de woorden van Brahmâ in gedachten.

(7) Devahûti zei: 'O mijn Heer, ik ben van afschuw vervuld over de heersende onwaarheid van de geprikkelde zinnen, welke mij deed neerstorten in de diepte der onwetendheid. (8) Tot slot van vele geboorten reikte ik door Jouw genade tot Je bovenzinnelijke oog, zodat ik nu de duisternis der onwetendheid te boven kan komen welke zo moeilijk te verslaan is. (9) Hij die de oorsprong is, de Allerhoogste Heer van alle schepselen en in feite de Meester van het Universum is, is met Jou, gelijk de zon, voor het oog verrezen dat verblind was door de duisternis van het onbenul. (10) Nu, mijn Heer, voel Je vrij om het wanbegrip uit te drijven, de misvatting van het Ik en Mijn in dezen, waarmee Jij, zoals Je weet, me hebt bezig gehouden. (11) Met het verlangen te weten over het materiële en het persoonlijke aspect, breng ik Jou, die de grootste bent van alle zieners van de ware natuur, mijn eerbetuigingen, mijn toevlucht gezocht hebbend bij Jouw voeten, daar Jij de persoon bent die het waard is; voor degenen die van Jouw afhankelijk zijn, ben Jij de bijl die de boom van het materiële bestaan velt.'

(12) Maitreya zei: 'Aldus van Zijn moeder vernemend over de zuivere wens van de mens aan zelfrealisatie te winnen op het pad der bevrijding, gaf Hij met een geest van dankbaarheid, met een lichte glimlach op Zijn prachtige gezicht, uitleg over de weg der transcendentalisten. (13) De Opperheer zei: 'De yogadiscipline van de mensen van het zich verhouden tot de ziel draagt Mijn goedkeuring weg voor het heil van de uiteindelijke onthechting van welke vorm van genot of leed dan ook. (14) Ik zal u nu precies datgene uiteenzetten wat Ik voorheen heb uitgelegd, o vrome moeder, aan de wijzen die er zo naar uitzagen te vernemen over alles wat samenhangt met het yogasysteem. (15) Het is zo dat het bewustzijn van hem, die in gebondenheid uit is op de vrijheid van het zelf, onder invloed staat van de geaardheden der materiële natuur, maar als men wordt bewogen in aantrekking van het geconditioneerd zijn aan wat de moeder van de deugd is, is men van de bevrijding. (16) Van de onzuiverheden van lust en het begeren en dergelijke, die resulteren uit de misvatting van het Ik en Mijn, is men bevrijd, als de geest zuiver is in gelijkmoedigheid, zonder leed en zonder plezier. (17) Dan ziet de persoon, zuiver en ontstegen aan de materiële natuur de materiële wereld en zichzelf als zijnde niet verschillend en als stralend in zichzelf zonder gebondenheid en verbrokkeling. (18) Door geestelijke kennis en verzaking, en verbonden in toewijding, staat men onverschillig tegenover het materiële bestaan dat men in kracht afgenomen ziet. (19) Naast het handelen in toegewijde dienst voor de Allerhoogste Heer is, naar de volledigheid van de Ziel, geen andere weg van yoga zo gunstig voor de volmaaktheid van de geest. (20) Een ieder die van kennis is weet dat sterke gehechtheid de verstriktheid van de ziel is, maar dat die zelfde gehechtheid in handen van toegewijden de deur naar de bevrijding opent. (21) Tolerant, mededogend, alle levende wezens welgezind en zonder vijandschap jegens wie ook, vredig en zich houdend aan de geschriften is de sâdhu [de deugdzame mens, de heilige, een ziener] gesierd met sublieme kwaliteiten. (22) Jegens Mij niet aflatend in het doen van hun toegewijde dienst zien zij die onwrikbaar zijn te Mijnentwille, er vanaf in begeerte te handelen, hun eigen familie en vrienden opgevend. (23) In verrukking over het aanhoren van de verhalen over Mij, zingen ze en concentreren ze hun gedachten op Mij, zonder wie dan ook moeilijkheden te bezorgen in hun uiteenlopende boetedoeningen. (24) Met diezelfde toegewijden, o deugdzame moeder, die zijn bevrijd van alle gehechtheden, moet u de gehechtheid zoeken, daar waarlijk zij diegenen zijn die de schadelijke effecten van de materiële verstriktheid tegenwicht bieden. (25) Middels de omgang met hen die van de waarheid zijn, in het bespreken van Mijn heldendom, worden de gecultiveerde verhalen een vreugde voor het oor en het hart en zal spoedig de toewijding vanzelf volgen op de vaste overtuiging en aantrekking op het pad der bevrijding. (26) Het door toegewijde dienst ontwikkeld hebben van afkeer van het sensuele van wat gezien en gehoord wordt, voortdurend denkend aan Mijn handelen en met de geest bezig in de beheersing van de verbondenheid der yoga, zal men gemak ervaren op het pad van het pogen het bewustzijn te verenigen. (27) Als men met zijn persoon niet de dienaar is van de geaardheden der natuur, bereikt men door spirituele kennis, met de versobering ontwikkeld in de yoga, op Mij geconcentreerd en Mij toegewijd, nog in ditzelfde leven het absolute van de Ziel.'

(28) Devahûti zei: 'Wat is jegens Jou het juiste idee van toewijding voor mij geschikt waardoor ik zonder omhaal, bevrijding aan Je voeten kan vinden? (29) Wat is, aansturend op de Allerhoogste, o belichaming van de hemel, de aard van die yoga waarover Je uitleg verschafte; in hoeveel verdelingen wordt de werkelijkheid daardoor begrepen? (30) Leg alsJeblieft datzelfde uit aan mij, wiens intelligentie maar traag van begrip is, o mijn Heer, zodat ik door Jouw genade met gemak kan bevatten wat voor een vrouw zo moeilijk te begrijpen is.'

(31) Maitreya zei: 'Kapila begrijpend waar Zijn moeder op uit was vond, geboren uit haar lichaam, mededogen voor haar en beschreef de waarheden van het analytische van de yoga zoals ze waren doorgegeven en in feite reiken tot het devotionele van een verenigd bewustzijn. (32) Onze lieve Heer zei: 'Het goddelijke van het zich verhouden tot de materiële kwaliteiten werkt in overeenstemming met de geschriften; en zo is de eenheid van het denken van nature al geneigd tot een goedheid van onverdeelde toegewijde dienst aan de Allerhoogste, welke de enkele beheersing te boven gaat. (33) Het maakt snel een eind aan de subtiele innerlijke roerselen zoals voedsel wordt verbrand door het vuur van de spijsvertering. (34) De zuivere toegewijden die, bezig met de dienst aan Mijn lotusvoeten er naar streven Mij te bereiken, verlangen er in welk opzicht ook nooit naar één met Mij te zijn; ze komen tezamen om met elkaar van lof te zijn voor Mijn persoonlijke handelingen. (35) O moeder, ze zien Mijn glimlachende gezicht en Mijn ogen zo prachtig als de ochtendzon en spreken met Mij in gunstige termen over de zegening van de bovenzinnelijke gedaanten. (36) Door die gedaanten zo bekoorlijk in al hun ledematen, verheven spel en vermaak, glimlachende blikken en het behagen van hun verrukkelijke woorden, worden hun geesten en zinnen in beslag genomen en wordt in hun toewijding boven hun weerzin het subtiele veilig gesteld van Mijn verblijfplaats. (37) Ze verlangen dan niet naar Mijn weelde of het achtvoudige meesterschap van het heersen over de illusie [de siddhis zie 3.15: 45] of volgen ze na voor de schittering van de Allerhoogste Goddelijkheid; vol van geluk over Mij als de Allerhoogste, genieten die toegewijden enkel hun eenvoudige levens. (38) O moeder, nimmer, bij welke tijd of welk wapen van vernietiging ook, zullen Mijn toegewijden Mij verliezen, Ik die werd uitverkozen als hun dierbaarste zelf, zoon, vriend, leraar, begunstiger en godheid. (39-40) Daarnaar verwijlend in zowel deze wereld als in die wereld van het subtiele lichaam, aanbidden zij die in relatie tot de belichaming in deze wereld rijkdom, vee, huizen en al het overige hebben opgegeven Mij, de alles-doordringende Heer der bevrijding, in onwankelbare toewijding, daar Ik hen meevoer naar gene zijde van geboorte en dood. (41) Door niemand anders dan door Mij, de Opperheer en heerser als de oorspronkelijke persoon, de Ziel aller zielen, kan de verschrikkelijke vrees [van geboorte en dood] worden losgelaten. (42) In vrees voor Mij waait de wind, en schijnt de zon; uit vrees voor Mij doet Indra de regens vallen en brandt het vuur, en voor Mij bevreesd waart de dood rond. (43) Verbonden in de kennis en verzaking, nemen yogi's middels bhakti-yoga hun toevlucht tot Mijn voeten voor het heil van het eeuwige. (44) Alleen voor zover iemands denken is geconcentreerd in een intensieve praktijk van toewijding tot Mij, zullen mensen die in deze wereld gaan voor de volmaaktheid van het leven, stabiel zijn.'

 

Hoofdstuk 26

Basisprincipes van de Materiële Natuur

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal nu voor u de verschillende categorieën van de werkelijkheid beschrijven, met de kennis waarvan een ieder bevrijding kan vinden van de geaardheden der materiële natuur. (2) Dat waarover men spreekt als de spirituele kennis, die voor een persoon de uiteindelijke volmaaktheid van de zelfverwerkelijking is, zal ik u nu uiteenzetten, daar het dat is waardoor de knopen in het hart worden doorsneden. (3) De Opperziel van de Oorspronkelijke Persoon is zonder een begin, transcendentaal aan de geaardheden der natuur in het voorbije en is overal waarneembaar als het zelf-verlichte van de gehele schepping door Hem gehandhaafd. (4) Diezelfde persoon, die grootste der groten, aanvaarde geheel uit eigen beweging de subtiele materiële energie in relatie tot het goddelijke als Zijn spel en vermaak en verwierf de bekleding met de drie geaardheden. (5) Door de geaardheden schiep de natuur de uiteenlopende vormen der materieel levende schepselen, die daarmee geconfronteerd terstond aldaar in illusie waren verzet met de overdekking van hun spirituele kennis. (6) Door identificatie met de materiële activiteiten die in feite worden teweeggebracht door de geaardheden der natuur, schrijft het levende wezen ze aldus foutief aan zichzelf toe. (7) Door de misvatting van zijn leven in materiële conditionering wordt het afhankelijk gemaakt, hoewel het door degene die niet handelt, die de natuurlijke vreugdevolle getuige is, onafhankelijk is. (8) De geschoolden begrijpen dat het lichaam en de zintuigen van respect onder de veroorzaking van het materiële van de natuur verkeren; wat betreft de waarneming van geluk en ongeluk is de geestelijke ziel boven de materie verantwoordelijk.'

(9) Devahûti zei: 'Wees zo goed me uit te leggen wat de kenmerken zijn van zowel de energieën als de Hoogste Persoonlijkheid, die beide oorzaak zijn van het manifeste en niet-manifeste waaruit deze schepping bestaat.

(10) De Allerhoogste Heer zei: 'Het ongedifferentieerde, dat in bezit is van de gedifferentieerde materiële natuur die bestaat uit de oorzaak en het effect van de combinatie van de drie geaardheden, wordt de primaire natuur [pradhâna] genoemd. (11) Die primaire natuur, weet men, vormt de basis waaruit de vijf grofstoffelijke en vijf subtiele elementen, het geestelijke van de vier interne zinnen en de tien zinnen van waarneming en arbeid ontstonden, die aldus tezamen uitkomen op een aantal van vierentwintig. (12) De vijf grofstoffelijke elementen zijn om precies te zijn: aarde, water, vuur, lucht en ether; van de subtiele elementen zijn er, zoals Ik het zie, een gelijk aantal, het zijn de reuk en dergelijke [smaak, kleur, aanraking en geluid]. (13) De tien zinnen zijn de organen voor het horen, aanraken, zien, proeven, en ruiken, [voor de waarneming], met [voor het handelen] de mond, de handen, de benen, de geslachtsorganen en de organen voor de uitscheiding als de tiende . (14) Het denken, de intelligentie, ego en bewustzijn zijn de vier aspecten van de interne subtiele zin die men heeft, met het acht slaan op de onderscheiden functies in de vorm van verschillende kenmerken. (15) Aldus zijn naar de geest de materiële kwaliteiten opgesomd zoals ze feitelijk door Mij zijn gerangschikt [en saguna brahman worden genoemd], waarbij wat betreft de tijd wordt gesproken van het vijfentwintigste element.

(16) De invloed van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wordt gezegd de tijdfactor te zijn waarvan sommigen vrees koesteren in het begoocheld zijn door het ego van het in contact staan met de materiële natuur van het individuele bestaan. (17) De beweging van de materiële natuur zonder haar interactie van de geaardheden en haar specifieke kwaliteiten, o dochter van Manu, is de tijd waarvan we alhier Hem kennen, de Opperheer. (18) Hij die van binnenuit bestaat, in de vorm van de oorspronkelijke persoon en van buiten in de vorm van de tijd, is Hij, de Allerhoogste Heer bij al Zijn vermogens naar alles [al de elementen] van het leven. (19) Door haar bestaan in beweging gebracht, bezwangert de Hoogste Persoon vanuit Zijn uitgebalanceerde vermogen de baarmoeder [van moeder natuur] en brengt zij het volledige van de waarheid van Brahmâ's stralende gouden werkelijkheid [hiranmaya] voort. (20) Het universum dat in zich deze onveranderlijke grondoorzaak herbergt, slokt door de eigen uitstraling de hechte duisternis op waarin zij verwikkeld was. (21) De geaardheid goedheid, welke de heldere en nuchtere manier is van het verstaan van de Allerhoogste Heer, staat bekend onder de naam Vâsudeva; dat bewustzijn vormt de aard van het intellect. (22) Helderheid, niet afgeleid zijn en sereniteit worden aldus de kenmerkende eigenschappen genoemd van het [Krishna- of natuurlijke tijd-]bewustzijn dat gelijk de natuurlijke staat van zuiver water is.

(23-24) Van de volledige werkelijkheid die de veranderingen ondergaat teweeggebracht door de Allerhoogste Heer Zijn energieën, ontsprong, behept met het actieve vermogen ervan, het materiële ego zich in drie soorten transformerend als zijnde van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, waaruit zich eveneens het denken ontwikkelde, de verschillende zinnen van handelen en waarnemen en de elementen in vijf verdeeld. (25) Alles van het ego bestaande uit de elementen, de zinnen en de geest is direct de Hoogste Persoonlijkheid van Ananta met Zijn duizenden hoofden [Vishnu's slangenbed] bekend onder de naam Sankarshana [eveneens bekend als de Heer Zijn eerste volkomen expansie]. (26) Het ego geïdentificeerd met de materie kan aldus worden gekenschetst als degene die handelt, die het instrument en het effect is, zowel als zijnde sereen, actief en traag. (27) Uit de goedheid van de materiële identificatie ontwikkelde zich na transformatie het principe van het denken waarvan de gedachten en bespiegelingen aanleiding geven tot verlangens. (28) Die geest staat feitelijk bekend onder de naam Aniruddha, de heerser over de zinnen die blauwachtig is als een lotus in de herfst en alleen geleidelijk aan gerealiseerd wordt door de yogi's. (29) Door de transformatie van de materiële identificatie in de hartstocht deed zich het principe van de intelligentie voor, o deugdzame dame, om ondersteuning te verlenen in het naar de zinnen constateren van de voorwerpen die in zicht komen. (30) Twijfel, misverstaan, het juiste begrip, geheugen en slaap worden aldus beschouwd als zijnde de kenmerken van de intelligentie in haar verschillende functies.

(31) Uit de hartstocht van het ego hebben we eveneens de zinnen van handelen en kennis overeenkomstig respectievelijk de werkzame krachten van de vitale energie en het effect van de ervaring van de intelligentie. (32) Van de duisternis van het ego en haar transformatie, werd, daartoe aangezet door het vermogen van de Allerhoogste Heer, het subtiele element van het geluid gemanifesteerd, waarvan het etherische toen de gehoorzin vormde die er is als de ontvankelijkheid voor de werking ervan. (33) Geleerde personen weten het te definiëren als dat wat een materieel object aanduidt; ze kennen geluid als het verraad van de aanwezigheid van een spreker en als dat wat kenmerkend is voor het subtiele element van de ether. (34) De activiteiten en kenmerken van het element van de ether voorzien in de buiten- en de binnenruimte, voor alle levende wezens het handelingsgebied zijnd van de levensadem, de zinnen en het denken. (35) Van het etherische zich ontwikkelend uit het subtiele van het geluid, vindt onder de transformerende impuls van de tijd de evolutie van het subtiele element der aanraking plaats en wordt aldus de lucht gevonden, het zinsorgaan ervoor en van die zin de waarneming. (36) Zachtheid en hardheid, koude en hitte eveneens, zijn van dit subtiele element van aanraking de onderscheiden eigenschappen in het zinnelijk ervaren van de lucht. (37) Door de onderscheiden kenmerken van de activiteiten van de lucht die beweegt en zich vermengd, maakt het [element van de aanraking] de toenadering [tot objecten] mogelijk, daarbij de deeltjes en golven van geluid meevoerend die de zinnen tot het juiste functioneren aanzetten. (38) Van de lucht gerealiseerd door de subtiele werkelijkheid der aanraking, ontwikkelden, zoals voorbeschikt, zich de vormen waaruit de waarneming van het vuur voortkwam in de zin van het zien van kleur en vorm.

(39) O deugdzame, de kenmerken van de vorm van een object zijn naar de werkelijkheid der zinnen, de afmetingen ervan, de kwaliteit, de bepaalde individualiteit en de stralende gloed. (40) De functies van het vuur zijn in werkelijkheid het verlichten, het verteren van wat men drinkt en eet, het verdrijven van de kou en het verdampen als ook het van dienst zijn met honger en dorst. (41) Vanuit de substantie van de vorm die de transformaties van het vuur ondergaat, manifesteerde zich naar goddelijke beschikking de zin voor de smaak, waardoor het water en de tong in relatie daarmee werden gevonden. (42) Hoewel de smaak één is, is zij door omvorming aldus naar de veelvoud van andere substanties verdeeld in de gewaarwording van het wrange, zoete, bittere, scherpe [zoute] en zure. (43) Het typische van water is dat het bevochtigt, coaguleert, de dorst lest, het leven in stand houdt, verfrist, zacht maakt, doet afkoelen en in overvloed beschikbaar is. (44) Door het element van de smaak, in het ondergaan van de transformaties door het water, deed zich van boven beschikt de maat der geur voor in het vinden van de aarde en het ruiken van aroma's. (45) Het ene van de geur is, verdeeld naar de verhoudingen van substanties in het afzonderlijke van vermengd zijn, opdringerig, welriekend, mild, sterk, zurig van geur zijn, enzovoorts. (46) De kenmerkende functie van de aarde is de plaats te zijn voor de manifestatie van de in de ruimte gescheiden aard van al het bestaande dat van de Hoogste Geest is gemodelleerd in vormen, verblijfplaatsen, opbergpotten etc. (47) De zin die het onderscheiden kenmerk van de lucht [geluid] als haar object heeft wordt de gehoorzin genoemd en die zin welke de onderscheiden kenmerken van de lucht [de aanraking] als haar object heeft staat bekend als de tastzin. (48) De zin die het afzonderlijke van het vuur [vorm] als haar object heeft wordt het gezichtsvermogen genoemd, de onderscheiden waarneming van de kenmerken van water staat bekend als de smaakzin en het afzonderlijke van de aarde in de waarneming wordt de reukzin genoemd.

(49) De kenmerken van de oorzaak worden waargenomen in het gevolg en bijgevolg worden naar die orde de onderscheiden kenmerken van alle elementen waargenomen in de aarde alleen [en in mindere mate in de voorgaande elementen]. (50) Toen dezen [in het begin] onvermengd waren, gingen al de zeven van de oorspronkelijke volledigheid [de vijf materiële elementen, de totale energie - de mahat-tattva - en het geïdentificeerde ego] vanaf het begin de schepping binnen; in feite vanuit de associatie met de tijd, het karma en de drie geaardheden der natuur. (51) Toen stap voor stap [met Hem als de tijd], werd vanuit deze zeven principes, tot activiteit aangezet, een eivorm verenigd zonder bewustzijn, waaruit het gevierde Kosmische Wezen [of de oorspronkelijke 'gigantische' persoon, de virâth purusha] zich opwierp. (52) Dit ei genaamd Vis'esha ['het actieve'], vond orde in de tienvoudige uitbreiding naar het grotere van het water en de andere elementen zoals ze zijn verwikkeld in de geaardheden van de primaire natuur aan de oppervlakte van de zich uitstrekkende planetenstelsels; dit is de [universele] gedaante die de Heer, het Opperwezen, aannam. (53) Uit het gouden [zonlicht] van het ei rees, vanuit de wateren die Hij doordrong en waarin Hij lag, het grote van het goddelijke op, in vele cellen verdeeld in het controleren van het licht. (54) Het eerste dat van Hem verscheen was een mond om in geluid een relatie aan te gaan [vânî] waarna, met dat orgaan, er de goddelijkheid van het [spijsverterings-]vuur was, toen vergezeld door de neusvleugels met de levensadem en de reukzin in hen. (55) Uit de reukzin werd het goddelijke van de lucht [Vâyu] gerealiseerd, de twee ogen van het gezichtsvermogen brachten de goddelijkheid van de zon [Sûrya] in het bewustzijn en door de gehoorzin van de twee oren straalde de goddelijkheid van de windrichtingen voort. (56) Van de gevierde vorm verscheen de huid met haar haargroei en dergelijke, waarna de geneeskrachtige kruiden werden gezien zowel als de geslachtsorganen. (57) Daarvan was er het zaad [der voortplanting], verscheen er de goddelijkheid der wateren en manifesteerde zich een anus met daarop volgend het vermogen zich te ontlasten, waarna er de [god van de] dood kwam die in de gehele wereld in angst verzet. (58) Eveneens manifesteerden zich twee handen met naar hun macht het vermogen naar eigen goeddunken te handelen [Heer Indra]. Van de manifestatie van de twee voeten werd de voortgang gezien, waarnaar men toen tot het besef van de Heer [Vishnu] kwam. (59 - 60) Van het gevierde persoonlijke toonden zich de aderen en de bloedsomloop daarnaar. Naar hen worden de rivieren waargenomen. Vervolgens manifesteerde zich een maag waarvan zich honger en dorst voordeed. In navolging daarvan zag men de oceaan. Uit het verschijnen van een hart kwam toen het denken voort. (61) Uit het denken kwam toen naar de intelligentie de maan [Candra] in het zicht en van die intelligentie zag men de Heer van de spraak [Brahmâ] tegemoet. Het zich identificeren met de materie gaf toen de verschijning van Rudra [S'iva], de godheid heersend over het bewustzijn.

(62) Al deze vormen van goddelijkheid die hun bestaan vonden waren in het geheel niet in staat de oorspronkelijke persoon der viering in beweging te brengen en om die reden drongen ze door tot de bron van hun ontstaan teneinde Hem de een na de ander op te wekken. (63) De goddelijkheid van het vuur der spijsvertering vestigde zich voor de mond, maar mislukte erin de Gevierde op te wekken. Het goddelijke van de wind vestigde zich voor de reukzin van de neusgaten, maar kon toen niet de Oorspronkelijke naar voren roepen. (64) Het goddelijke van het licht voor Zijn twee ogen kon de Authentieke niet teweegbrengen en met het goddelijke van het zich oriënteren door middel van de hoorzin met Zijn twee oren werd het Grote van de Persoon ook niet tot leven gewekt. (65) Het goddelijke van de huid, met haar begroeiing en zegen aan kruiden, kon niet de gevierde Persoon naar boven brengen en de goddelijkheid van het water kon, met de voortplanting met behulp van de geslachtsorganen, de Grote Persoon ook niet in beweging krijgen. (66) Met het vermogen zich te ontlasten kon de god van de Dood bij Zijn anus de Kosmische Ene niet in gang krijgen en zelfs de twee handen van Heer Indra met hun macht van beheersen konden de manier niet vinden om de Meester van de Macht toen op te wekken. (67) Vishnu met de macht der voortgang was met zijn twee voeten niet in staat de Grote Volledigheid tot actie te bewegen en daadwerkelijk was het goddelijke van de stroom der rivieren naar Zijn bloedvaten met het bloed en de macht van de circulatie toen ook niet in staat de Gevierde Persoon te bewegen. (68) De oceaan volgend samen met de honger en de dorst kon naar Zijn buik de Grote persoon niet in gang zetten en het hart met de geest naar de goddelijkheid van de maan mislukte er toen ook in de Enige Ware op te wekken. (69) Ook Brahmâ ging Zijn hart binnen met intelligentie, maar wekte de Gevierde Persoon niet op, als ook Heer S'iva, die er niet toe in staat was het volledige van de purusha op te wekken met het ego naar Zijn hart. (70) Maar toen de goddelijkheid die met de rede heerst over het bewustzijn het hart binnenging als de kenner van het veld, rees op dat moment het Kosmisch Wezen op uit de causale wateren. (71) Het is als met een man die slaapt waarvan de levensadem, de werkende en kennende zinnen, zijn denken en zijn overwegen, uit eigen beweging niet zonder Hem in gang komen. (72) Daarom behoort degene die de yoga in de praktijk brengt, met behulp van spirituele kennis, onthechting en toewijding, zorgvuldig de gedachte aan Hem, de Superziel, aanwezig in hemzelf in overweging te nemen.

 

Hoofdstuk 27

Het Begrijpen van de Materiële Natuur

(1) De allerhoogste Heer [als Kapila] zei: 'Als men niet van verandering is, geen eigendomsrechten claimt, is het levend wezen, hoewel verblijvend in een materieel lichaam, niet aangedaan door de geaardheden van de materiële natuur; net als met de zon, die onberoerd blijft bij zijn weerspiegeling in water. (2) Als dit zelfde levende wezen in beslag wordt genomen door vals ego in de geaardheden der materiële natuur, is de individuele ziel begoocheld en denkt hij aldus: 'Ik ben degene die handelt'. (3) Vanwege verkeerde handelingen, volgend op deze associatie met de materiële natuur, ondergaat hij hierdoor hulpeloos de gang van herhaalde geboorte en dood in onvrede, ter wereld komend uit verschillende baarmoeders [of levensvormen], met het leiden van een goed of een slecht leven of een combinatie van dezen. (4) Alhoewel hij eigenlijk bij niets anders bestaat dan bij de genade van de ware oorzaak, houdt het - het zich bezinnen op het objectieve van het materiële bestaan van het levend wezen - niet op te bestaan en belandt hij aldus, zoals met een droom, in teleurstellingen. (5) Daarom moet het denken van gehechtheid aan materieel plezier geleidelijk aan onder controle worden gebracht door toegewijde dienst op het pad van stringente onthechting. (6) Beginnende met yama [hetgeen de grote gelofte van de yoga inhoudt van geweldloosheid, waarheid, niet-stelen, celibaat en een afwezigheid van bezitsdrang in de praktijk der onthechting], zal hij standvastig zijn door het yoga-systeem, met een groot geloof in de zuivere dienst aan Mij en met het luisteren naar de verhalen. (7) Met het gelijkmoedig, zonder vijandschap bezien van alle levende wezens zonder er intieme betrekkingen op na te houden, celibatair en in stilte levend, offert hij de resultaten van zijn arbeid. (8) Tevreden met wat zonder moeite komt, weinig etend en bedachtzaam levend in afzondering, is hij vredig, aardig, meedogend en zelfgerealiseerd. (9) Niet in navolging levend van het fysieke begrip van het leven in het zich verhouden tot anderen en in het omgaan met zijn eigen lichaam, ziet hij, door spirituele kennis, de feitelijke waarheid in van het materiële en het persoonlijke. (10) Met de intelligentie voor materiële zaken in vrede en met het zich verre houden van andere levensopvattingen, realiseert hij zich de ziel van binnen als had hij de zon zelve voor ogen. (11) Hij realiseert zich het gebonden zijn aan de waarheid, het oog voor het illusoire der materie, als iets dat transcendentaal is, dat zich openbaart als een weerspiegeling in het onware en als iets unieks dat in alles is binnengegaan. (12) Het is als de zon boven het water en in de lucht, die wordt gezien als een weerspiegeling op het water of op de muur. (13) Aldus wordt door de weerspiegeling van het ware in het drievoudige van het materieel geïdentificeerde ego dat bestaat uit het denken, het lichaam en de zinnen, het ware van het zelf ontdekt. (14) De elementen der materie, de objecten van het materieel genoegen, de materiële zinnen, de geest, de intelligentie enzovoorts, die hier als in de slaap zijn samengesmolten in het onware, zijn daar in de ontwaakte toestand bevrijd van het egoïstische. (15) Hoewel hij niet verloren is, denkt hij ten onrechte dat hij verloren is, omdat hij als getuige, net zoals iemand die zijn rijkdom kwijt is, van streek is door het verliezen van zijn zelfbewustzijn. (16) Tot begrip hiervan komend, realiseert die persoon zichzelf als iemand die zijn eigen individualiteit tentoonspreidt en ziet hij in wat hij accepteerde van de situatie onder het valse van het ego.'

(17) Devahûti zei: 'Beste brahmaan, is het niet zo dat de materiële natuur nooit de ziel zal laten gaan daar de twee voor altijd tot elkaar zijn aangetrokken, o Allerbeste? (18) Zoals we ook niet het afzonderlijk bestaan kennen van het aroma en de aarde of van water en smaak, zo ook is het met de intelligentie en het bewustzijn. (19) Hoe kan hiervan dan het vrij zijn van de materiële natuur van de ziel bestaan, die inactief zijnde met die geaardheden bestaand, is gebonden aan het karma veroorzaakt door het samengaan ermee? (20) De grote angst die in een bepaald geval wordt vermeden door na te denken over de werkelijkheid, treedt weer opnieuw naar voren, aangezien de oorzaak niet ophield te bestaan.'

(21) De Opperheer zei: '[De vrijheid zal worden gerealiseerd,] als met een zuivere geest serieus jegens Mij en voor een lange tijd over Mij vernemend, men in toegewijde dienst zijn plichten doet zonder te verlangen naar de vruchten ervan. (22) Middels de spirituele kennis met de visie van het Absolute van de Waarheid, is men, door de yoga onthecht en sterk verbonden in de boetedoening, hecht verankerd in het verzonken zijn in de ziel. (23) In zijn materiële bestaan wordt een levend wezen dag en nacht opgebrand, geleidelijk aan verdwijnend zoals houtjes dat doen met het optreden van vuur. (24) Het genoegen opgevend dat hij smaakte [in de materie] staat hij voor zijn eigen heerlijkheid, het verkeerde inziend van steeds te willen genieten en de schade te ondervinden in die afhankelijkheid. (25) Zoals daadwerkelijk met iemand die slaapt met een droom die vele kwade dingen met zich meebrengt, kan diezelfde droom echter zeker niet hem begoochelen die ontwaakt is. (26) Zodoende kan iemand die de Absolute Waarheid kent van de materiële natuur in het zich concentreren van zijn geest op Mij, als Hij die zich altijd verheugt in de ziel, geen schade worden berokkend. (27) Als hij aldus voor vele jaren en vele geboorten bezig is met zelfverwerkelijking, wordt hij in ieder opzicht, tot aan de hoogste geestelijke positie [van satyaloka], een onthecht en bedachtzaam persoon. (28-29) Mijn toegewijde, onder Mijn hoede, realiseert door Mijn onbegrensde genade, voor het goed van de intelligentie, het uiteindelijk doel van wat kaivalya [verlichting, emancipatie] wordt genoemd, in dit leven een waarlijk stabiele zelfkennis en vrijheid van vertwijfeling bereikend. Vertrokken naar die verblijfplaats keert de yogi, na afscheid te hebben genomen van de subtiele en grofstoffelijke lichamelijkheid, nooit weer terug. (30) Als de aandacht van de vervolmaakte yogi verder niet uitgaat naar de speciale verworvenheden van de yoga, mijn beste moeder, dan zal, geen ander doel voor ogen hebbend, zijn voortgang naar Mij nooit onderbroken worden, daar hij daarin niet de macht van de dood zal aantreffen.'

 

Hoofdstuk 28

Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal u nu, o dochter van de koning, het oorspronkelijke van het yoga-systeem uiteenzetten, met de praktijk waarvan het denken voorzeker vervuld zal raken van vreugde en men het pad van de Absolute Waarheid zal bereiken. (2) Men behoort met het zo goed mogelijk naleven van de eigen verplichtingen en het vermijden van verplichtingen die zijn bedoeld voor anderen, zijn leven te richten naar de voeten van de geestelijk leraar [de zelf-verwerkelijkte ziel] in tevredenheid over dat wat bereikt is. (3) Met het ophouden met de gebruikelijke verplichtingen en in aantrekking tot de rechtgeaarde plichten der verlossing, weinig en zuiver etend, altijd in afzondering levend, is men dan op zijn gemak. (4) Geweldloos, waarheidlievend en vrij van onrechtmatige toeëigening, slechts in bezit van zoveel als men nodig heeft, in celibaat en verzaking, rein en met het bestuderen van de Veda's, behoort men de Oorspronkelijke Persoonlijkheid te eren. (5) In stilte met het goede van het standvastig zijn in de beheersing van yogahoudingen en de levensadem, zich geleidelijk terugtrekkend van de voorwerpen van de zintuigen, moet men zijn geest naar het hart richten. (6) Met de levensadem gefixeerd in het eigen centrum, met een éénpuntige geest zich concentrerend op het reilen en zeilen van [de Heer van] Vaikunthha, is men door de ziel aldus verzonken [in samâdhi]. (7) Bij deze en andere processen moet de besmette geest op het pad van het materieel genieten geleidelijk aan worden beheerst met intelligentie, daadwerkelijk alert zijnde in het fixeren van de ademhaling. (8) Dit moet men doen nadat men plaats heeft genomen op een gewijde plek met het beoefenen van de yogahoudingen, aldaar het lichaam op een makkelijke manier overeind houdend. (9) De instroom van de levensadem vrijmakend behoort men in te ademen, de adem vast te houden en weer uit te ademen of andersom, zodat het denken stabiel wordt en vrij van wisselingen. (10) De geest van de yogi in een dergelijke zelfbeheersing kan spoedig vrij zijn van verstoringen, precies zoals goud in het vuur met lucht aangewakkerd waarlijk snel gezuiverd raakt. (11) Door adembeheersing verdrijft men besmettingen, door zich naar binnen te keren neemt het nadenken over het materiële af, door het denken te concentreren komt men de zonde te boven en door meditatie rijst men uit boven de macht van de geaardheden der natuur.

(12) Als het eigen denken gezuiverd is en beheerst wordt door de yogapraktijk, behoort men te mediteren op de Allerhoogste Heer Zijn gedaante en tijdmaat [een mechanische of een waterklok gefixeerd op het hoogste punt van de zon met de verdeling van de tijd overeenkomstig het Bhâgavatam], kijkend naar de punt van de neus. (13) Zijn knots, schelphoorn en werpschijf dragend, met roodachtige ogen die eruitzien als de binnenkant van een lotus en een donkere huidskleur gelijk de bloembladen van een blauwe lotus, heeft Hij een opgewekte lotusgelijke gelaatsuitdrukking. (14) Met gele zijden kleding die eruitziet als de meeldraden van een lotus, draagt hij het S'rîvatsa-teken [een paar witte haren] op Zijn borst, en draagt Hij het schitterende Kaustubha-juweel om Zijn nek. (15-16) Er is een slinger van woudbloemen zoemend van de dronken hommels, een halsketting van onschatbare waarde, zowel als armbanden, een kroon, polsbanden, enkelbanden en een gordel van de fijnste kwaliteit om Zijn middel; Hij die zetelt in de lotus van het hart is hoogst bekoorlijk om te zien, sereen voor de geest en een lust voor het oog. (17) Voor de mensen van overal is Hij altijd zeer mooi en aanbiddelijk in de bloei van de jeugd van een jongen, begerig Zijn zegen uit te spreken over degene die offers brengt. (18) Men moet mediteren op alle delen van de Godheid, de glorie versterkend door de verzen van de toegewijden over Zijn grootheid te zingen, tot de geest het opgeeft af te dwalen. (19) Men behoort in zijn denken uit te zien naar de zuivere aard van de tijd dat men staat, zich rondbeweegt, neerzit en zich te ruste legt met de wonderschone Heer die verblijft in het hart. (20) Met het denken gefixeerd op de gedaante waarbij men zich heeft vergewist van al de ledematen in de concentratie, moet hij die zich zo bezint, acht slaan op ieder afzonderlijk onderdeel van de Heer. (21) Men moet aandacht besteden aan de lotusvoeten van de Heer die versierd zijn met de merktekens van de bliksemschicht, de drijfstok voor olifanten, de banier en de lotus en zich bewust zijn van de in het oog springende schittering van Zijn rode nagels die de pracht kennen van de sikkel van de maan welke de hechte duisternis van het hart verdreef. (22) Van het water van de Ganges dat van Zijn voeten wegstroomt, is het heilige geboren op het hoofd van S'iva, dat van de mediterende het gunstige werd dat als een bliksemschicht werd uitgeworpen naar zijn berg van zonde; voor een lange tijd behoort men zo te mediteren op de Heer Zijn voeten.

(23) Tot Zijn knieën moet men mediteren op de Godin van het Fortuin, Lakshmî, de lotus-ogige moeder van het gehele universum van Brahmâ die door alle goddelijken wordt aanbeden en die met haar zorgzame vingers de onderbenen masseert van de Almachtige Heer transcendentaal aan het materieel bestaan. (24) Eveneens moet men dan mediteren op Zijn twee benen, die op de schouders van Garuda staan, waar alle energie in huist en die zich naar beneden uitstrekken met de luister van de [blauw-witte] lijnzaadbloem, zowel als op de ronding van Zijn heupen in de uitgelezen gele stof, met de gordel daar omheen. (25) Dan mediteert men op de uitgestrektheid van Zijn navel, welke de bestaansgrond vormt van al de werelden zich bevindend in Zijn onderbuik, van waaruit de lotus ontsprong die de verblijfplaats is van de zelfgeborene [Brahmâ] die alle bestaande planetenstelsels omvat. Men moet mediteren op het meest delicate van de twee tepels van de Heer die als smaragden zijn in het witte licht van de paarlen van Zijn halssnoer. (26) De borst van de Heer der Wijsheid waar Mahâ-Lakshmî haar verblijf heeft, vergunt de geest en ogen der mensen al het bovenzinnelijk genoegen. Men moet in zijn denken ook mediteren op de hals van degene die door het hele universum wordt bewonderd, welke de schoonheid verhoogt van het Kaustubha juweel. (27) Op de armen met hun opsmuk die gepolijst is door het ronddraaien van de berg Mandara en waar de heersers van het universum hun oorsprong vinden, behoort men eveneens te mediteren als ook op de oogverblindende schittering van de Sudarshana werpschijf [met zijn duizend spaken] en de zwaangelijke schelphoorn in de lotushand van de Heer. (28) Men moet zich de strijdknots van de Allerhoogste Heer heugen, die de naam Kaumodakî draagt en Hem zeer dierbaar is, besmeurd als Hij is met het bloed van de soldaten van de vijand; de bloemslinger die gonst van het gezoem van de hommels eromheen, en het halssnoer van parels om Zijn nek dat het principe vertegenwoordigt van het zuivere levende wezen [de toegewijde]. (29) Men moet mediteren op het lotusgelijke voorkomen van de Opperheer dat staat voor de verschillende gedaanten die Hij aannam in deze wereld uit mededogen voor de toegewijden en op de glinsterende krokodilvormige oorhangers die weerspiegelend Zijn vooruitstekende neus en Zijn wangen kristalhelder belichten. (30) Vervolgens mediteert men aandachtig met het geestesoog gericht op de gratie van Zijn gezicht dat opgesierd is met veel krullend haar, Zijn lotusogen en dansende wenkbrauwen, die een lotus omringd door bijen en een paar zwemmende vissen zouden beschamen. (31) Hij die van toewijding is, moet van binnenuit zijn hart een langere tijd, vol van devotie, mediteren op de veelvuldige blikken van medeleven van Zijn ogen, die het meest beangstigende van de drie vormen van ellende [door eigen toedoen, door anderen en door de materiële natuur veroorzaakt] verzachten en welke worden vergezeld door de overdaad van de volle genade van Zijn liefhebbende glimlachen. (32) De glimlach van de Heer doet de oceaan van tranen opdrogen van alle personen die zich voor Hem verbogen en de bogen van Zijn wenkbrauwen, hoogst begunstigend door Zijn innerlijk vermogen, zijn gemanifesteerd om, ter bescherming van alle wijzen, de bekoring van de God der Seksualiteit te zijn. (33) Gemakkelijk te mediteren is het overdadige lachen van Zijn lippen, die de pracht toont van Zijn kleine tanden die gelijk een rij jasmijnknoppen zijn. In het diepst van het hart moet men mediteren om de geest op Hem vast te leggen, vanwege de toewijding voor Vishnu verzonken in liefde voor Hem die daar verblijft, het niet wensend iets anders te zien.

(34) Van de zuivere liefde aldus door devotie ontwikkeld jegens Hari, de Allerhoogste Heer, is men in het smelten van zijn hart voortdurend aangedaan, waarbij de haren overeind staan van het extreme genoegen en er een stroom van tranen is uit intense liefde, op zo'n manier, dat met name het denken, alsof het aan de haak is geslagen, zich geleidelijk aan terugtrekt. (35) Vanaf het moment dat de geest zich in de bevrijde positie bevindt, wordt die terstond onverschillig en dooft hij uit in onthechting van de zinsobjecten; gelijk een vlam is de persoon met een dergelijke geest op dat ogenblik niet langer afgescheiden [van het 'grote vuur'] van de Superziel en geniet hij de verlossing vrij van de dynamiek van de geaardheden van de materiële natuur. (36) Zich bevindend in zijn uiteindelijke heerlijkheid door het stoppen van de op de materie reagerende geest, ziet hij hiertoe bovendien in het uitstijgen boven het geluk en het leed, dat zowaar de oorzaak van het plezier en de pijn ligt in de onwetendheid van het zich in ego valselijk identificeren, waarin hij aan zichzelf toeschreef wat nu wordt gerealiseerd als de vorm en de tijdmaat [de kâshthha] van de Superziel [het gelokaliseerd aspect van de Heer]. (37) En wat betreft het lichaam heeft de vervolmaakte ziel er geen notie van dat dat niet zou voortbestaan, er zou blijven of geboorte zou nemen omdat hij zijn voorbestemde ware identiteit bereikt heeft; zoals dat het geval is met iemand die beschonken verblind is en niet beseft of hij nu wel of geen kleren aan zijn lijf heeft. (38) Zo zijn er dan de activiteiten van het lichaam die, bestuurd door het Goddelijke, zich voortzetten voor de duur van hun geplande handelingen; omdat voorzeker dan het lichaam, tezamen met de zinnen en de bijproducten van de yoga, zich bevindt in de verzonkenheid waarvan hij, die ontwaakt is wat betreft zijn wezensstaat, dat lichaam als uit een droom voortgekomen niet als het zijne aanvaard. (39) Zo goed als een sterfelijk mens wordt begrepen als zijnde verschillend van de zoon en de weelde [die hij heeft] ondanks zijn natuurlijke voorliefde voor hen, verschilt dienovereenkomstig de persoon in zijn oorspronkelijke aard van zijn lichaam, zinnen, geest en dergelijke, ondanks zijn identificatie met hen. (40) Hoewel zowel door de vlammen, de vonken ervan of door de rook een vuur nauw met zichzelf is verbonden, verschilt het in de manier waarop het opvlamt. (41) De elementen, de zinnen, de geest en de primaire natuur [zie 3-26: 10] van de individuele ziel, verschillen zo ook van de waarnemer, die de Allerhoogste Heer is die wordt gekend als de spirituele volkomenheid [brahman]. (42) De ziel in al het gemanifesteerde en al het gemanifesteerde in de ziel ziend, behoort men met een gelijke blik alles wat zich gemanifesteerd heeft te beschouwen als zijnde van dezelfde aard. (43) Zoals het ene van het vuur zich verschillend manifesteert in verschillende soorten hout, zo ook heeft de geestelijke ziel verschillende geboorten onder verschillende natuurlijke omstandigheden met haar positie in de materiële natuur. (44) Na aldus de moeilijk te overwinnen werking van oorzaak en gevolg van de eigen materiële energie te hebben overwonnen, blijft men dan in de bovenzinnelijke positie.'

 

Hoofdstuk 29

De Uitleg van Kapila over Toegewijde Dienst

(1-2) Devahûti zei: 'De volledige werkelijkheid van de materiële en persoonlijke natuur is beschreven. Hun werkelijke aard werd in analytische termen uiteengezet. Alstublieft beste meester, verschaf me nu uitvoerig uitleg over het pad van bhakti-yoga, dat men ziet als de uiteindelijke bedoeling ervan. (3) Lieve Heer, geef, voor mij en de mensen in het algemeen, de beschrijving van de veelvormige herhaling van geboorte en dood, waarmee een persoon volledig onthecht kan raken. (4) En oh, wat over de Eeuwige Tijd, die gedaante die, de Allerhoogste Heerser vertegenwoordigend, van Uw natuur de leiding heeft over alle andere heersers en onder de invloed waarvan de mensen in het algemeen zich vroom gedragen? (5) Met de intelligentie aangaande de materiële handelingen, die de aangetrokken levende wezens begoochelt met vals ego en ze - voor lange tijd verblindend - zonder toevlucht vermoeid in het duister laat, bent U daadwerkelijk verschenen als de zon van het yogasysteem.'

(6) Maitreya zei: 'De woorden van Zijn moeder verwelkomend, o beste der Kuru's, zei de grote en vriendelijke wijze, verheugd en bewogen door mededogen, het volgende. (7) De Allerhoogste Heer zei: 'Toewijding in de yoga, zo verschillend in haar verschijningsvormen, kent vele wegen, o nobele dame, die de manier laten zien waarop mensen naar gelang hun natuurlijke kwaliteiten hun eigen weg volgen. (8) Wat uit liefde voor Mij hij ook moge doen, die van geweld, trots en afgunst is of in waarheid kwaad is als een zonderling, wordt beschouwd van de geaardheid onwetendheid te zijn. (9) Hij in aanbidding tot Mij die uit is op materiële zaken, roem en weelde, moge de beeltenissen aanbidden; hij in zijn voorkeur om er tegenin te gaan, verkeert in de geaardheid hartstocht. (10) Als men jegens het Allerhoogste handelt met de bedoeling zich los te maken van vruchtdragende handelingen of de resultaten te offeren, moge men a