Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RĪMAD BHĀGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

 

CANTO 12: Het Tijdperk van Verval

 

Inleiding

Hoofdstuk 1 Het Verval van de Dynastieėn en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

Hoofdstuk 2 Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

Hoofdstuk 3 Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

Hoofdstuk 4 Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

Hoofdstuk 5 De Laatste Instructies voor Mahārāja Parīkchit

Hoofdstuk 6 Mahārāja Parīkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

Hoofdstuk 7 De Toewijding in Samhitā Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purāna's

Hoofdstuk 8 Mārkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nārāyana Rishi

Hoofdstuk 9 Mārkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

Hoofdstuk 10 S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mārkandeya Rishi

Hoofdstuk 11 Vishnu's Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

Hoofdstuk 12 De Onderwerpen van het S'rīmad Bhāgavatam Samengevat

Hoofdstuk 13 De Heerlijkheden van het S'rīmad Bhāgavatam

 

 

 

Inleiding

Dit boek vertelt het verhaal van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis, de geschiedenis van de oorspronkelijke kenniscultuur van India. Het is waarlijk de Krishna'bijbel' [in Sanskriet genaamd een Samhitā] van het Hindu-universum. De Bhagavad Gītā verhoudt zich tot dit boek zoals de bergrede van Heer Jezus zich verhoudt tot de volledige Bijbel. Het telt ongeveer 18.000 verzen vervat in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto’s worden genoemd. Deze boeken vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purāna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purāna’s van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (Canto 10). Heer Krishna vormt een keerpunt in de geschiedenis tussen de oude Vedische cultuur en de ‘moderne’ politieke cultuur waarin het bestuur van de staat niet langer vanzelfsprekend onder leiding staat van de geestelijke orde. Het boek vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al de wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en Zijn bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen, tot aan de grote Mahābhārata oorlog te Kurukshetra toe. In deze oorlog kwam de Vedische cultuur ten val om plaats te maken voor de verbrokkelde godsdienstigheid die we nu Hindoeļsme noemen. Deze toonaangevende Purāna, die ook wel de 'perfecte Purāna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rīla A.C. Bhaktivedānta Swami Prabhupāda, een Caitanya Vaishnava, een (devotionele) bhaktimonnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

De vertegenwoordiger van Vishnu op aarde wordt in dit boek de Fortuinlijke genoemd. We kennen Hem in het bijzonder met de namen van Heer Rāma en Heer Krishna. De Fortuinlijke is aldus de Heer die gekend wordt in verschillende gedaanten of incarnaties, zogenaamde avatāra’s, maar ook de toegewijden maken deel uit van Zijn werkelijkheid en worden eveneens bhāgavata genoemd als ze van zuivere toewijding zijn. Daarenboven wordt het boek bhāgavata genoemd. Zo hebben we dan de Heer in Zijn vele verschijningen, de toegewijde met even zovele gezichten, en het boek. Ze worden allemaal bhāgavata genoemd ofwel fortuinlijk. Het woord bhāga betekent fortuin of geluk terwijl de term bhaga betrekking heeft op genadevolle Heer, gelukzaligheid en weelde. Vedisch fortuinlijk zijn betekent dat men ‘alvervuld’ is, ofwel behept is met, of leeft bij, de volheid van Gods rijkdom, schoonheid, roem, macht, kennis en verzaking.

De schrijver van dit boek heet Krishna Dvaipāyana Vyāsadeva, en wordt ook wel Bādarāyana genoemd. Hij is de Heer, de Bhagavān of vererenswaardige, onder de filosofen, die in India al de heilige teksten bij elkaar heeft gebracht. Hij stelde de Veda’s samen, vier basisgeschriften, die ook wel bekend staan als de S'ruti, hetgeen betekent ‘dat wat wordt vernomen’, waarin men de fundamentele wijsheid, de mantra’s voor de rituelen, en de hymnen aantreft. De Purāna’s behoren samen met de Itihāsa’s (afzonderlijke geschiedenissen) tot de zogenaamde smriti, ‘dat wat men zich herinnert’. Deze kennis beschouwt men soms als een vijfde Veda. Hij schreef ook de Mahābhārata, hetgeen het grootste epische dichtwerk van de wereld is. Het beschrijft de geschiedenis (de Itihāsa) van de grote val die de Vedische cultuur ooit maakte. De Bhagavad Gītā vormt er het belangrijkste onderdeel van. Vyāsa schreef ook de rest van de achttien grote verhalenboeken (de Purāna’s) van India, alsook de Brahma-sūtra, zijn meesterwerk over de Absolute Waarheid. Vyāsa was een grootvader van de Kurudynastie. Hij leefde heel lang. Zijn lange levensduur stelde hem in staat het verhaal van de Fortuinlijke en al de andere boeken op te schrijven. Hij had een zoon genaamd S'ukadeva die de boodschap van deze bijbel in het bijzijn van vele wijzen doorgaf aan een ander lid van de familie, Keizer Parīkshit, die problemen had met het respecteren van de klassieke wijsheid. Deze keizer in dit boek hier, dat de klassieke Vedische wijsheid presenteert in de vorm van een raamvertelling, staat model voor ons normale mensen die hun stabiliteit in de wijsheid zoeken. Deze kennis werd door S'uka aan hem overgedragen in geestelijke erfopvolging (paramparā), ter wille van hen die middels het geven van het goede voorbeeld, (de ācārya’s), de wetenschap van de toegewijde dienst onderwijzen (bhakti). Swami A. C. Bhaktivedanta Prabhupāda van deze erfopvolging bracht, met de opdracht om dit boek in het Westen te verspreiden, samen met zijn leerlingen (bekend als de Hare Krishna’s van ISKCON), een vers voor vers becommentariėerde serie van boeken tot stand die het hele Bhāgavatam omvatten. De site bhagavata.org biedt niet al deze teksten (zie daarvoor vedabase.io) maar hij biedt wel, onder het z.g. Creative Commons copyright, een van ISKCON onafhankelijke zoals-het-is vertaling van de verzen in een aaneengeschakelde vorm, compleet met de vorige editie. Deze tekst wordt regelmatig opgewaardeerd en onderhouden door mij, ondergetekende, die instructie ontving in de tempels van ISKCON en elders. Mijn voorganger in deze plicht in Nederland was S'rī Hayes'var das (Hendrik van Teylingen), door hem geļnitieerd, die zorg droeg voor de meeste ISKCONvertalingen in het Nederlands.

Voor deze vertaling, deze digitale versie van het boek, raadpleegde de auteur de vertalingen van C.L. Goswami, M.A., Sāstrī (van de Gītā Press, Gorakhpur), de paramparāversie van S'rīla Vishvanātha Cakravarti Thhākura en de latere versie van dit boek van S'rīla A.C. Bhaktivedānta Swami Prabhupāda. De laatste vertalers, als ācārya’s van de eeuwenoude Vaishnava traditie, zijn vertegenwoordigers van een cultuur van reformatie in toewijding voor de Hoogste persoonlijkheid van God, of bhaktiyoga, zoals die werd gepraktiseerd in India sedert de 16e eeuw. Deze reformatie stelt dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkelvoudige boekenwijsheid moet worden verworpen. S'rī Krishna Caitanya, ook wel Caitanya Mahāprabhu genaamd (1486-1534), de avatāra [een incarnatie van de Heer] die deze reformatie uitdroeg, herstelde de oorspronkelijke paramparābedoeling van het ontwikkelen van toewijding voor de persoon van God, en spande zich met name in voor het verspreiden van de belangrijkste heilige boeken die uitweiden over die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God. Deze geschriften zijn de Bhagavad Gītā en deze Bhāgavata Purāna, ook wel het S'rīmad Bhāgavatam genaamd, waaraan al de Vaishnava-ācārya’s van Heer Caitanya hun wijsheid ontleenden voor hun onderricht en het vormgeven van hun toewijding. De woord voor woord vertalingen alsook de volledige tekst en commentaren op dit boek, werden bestudeerd in en buiten de Hare Krishna tempels waar het onderricht van deze cultuur plaats vindt.

De bedoeling van deze vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst beschikbaar te stellen voor een breder publiek via het internet. Aangezien de Bijbel, de Koran en talrijke andere heilige teksten ruim voorhanden zijn op het internet, meende ik, de vertaler van dit boek, dat het niet achter kon blijven op zijn boekenplank als een teken van materiėle bezitsdrang. Toen ik begon met deze materiėle onderneming in het jaar 2000, bestond er geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis die je niet deelt is verloren kennis, en zeker dit soort kennis, dat de yoga van het vrij zijn van bezitsdrang en toewijding als zijn hoofdwaarden benadrukt, kon niet achterwege blijven. De versie van Swami Prabhupāda is zeer uitgebreid en beslaat zo’n 2400 pagina’s van enkele dungedrukte tekst, met inbegrip van zijn commentaren. En dat waren nog maar de eerste tien Canto’s. De resterende twee Canto’s werden posthuum door zijn leerlingen gepubliceerd naar de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst aaneen te schakelen, een leesbaar lopend verhaal van de tekst van het boek te maken, die was ontleed en becommentarieerd tot op het woord, en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Vishvanātha's, Prabhupāda's en Sāstrī's woorden werden bijgesnoeid, hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van ācārya's, zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie van de verlichting, bevrijding en yogadiscipline, zoals die naar het Westen werd gebracht door ook niet-Vaishnavagoeroes en zoals die gehandhaafd werd door hun leerlingen. Derhalve moet ik mijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupāda, leden van de wereldverzakende orde - sannyāsī’s (of samnyāsīn’s), worden genoemd die mij instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhaktiyogi's van Heer Caitanya. In India was ik reeds ingewijd door een niet-Vaishnavagoeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting van de gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniėn van Vaishnava-initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vānaprashta, die onafhankelijk, in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline, zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rīla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda/ISKCON, Vishvavanātha Cakravarti Thhākura en C.L. Goswami, M.A., Sāstrī, en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Cursief weergegeven termen worden verklaard in de woordenlijst. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link rechtstreeks naar de versie van Prabhupāda, samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnavagemeenschap.

Voor het copyright op deze vertaling en de podcast-gesproken versie van dit boek, werd gekozen voor het z.g. CreativeV Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiėren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeldt (Anand Aadhar) en linkt naar mijn website bhagavata.org, dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of een soortgelijke licentie, en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciėle doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen met ondergetekende. Donaties zijn welkom!


Met liefde en toewijding,
Anand Aadhar Prabhu,
Enschede, Nederland, 3 september 2020




 

Hoofdstuk 1: Het Verval van de Dynastieėn en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

(0) S'rī Parīkchit zei: 'Alstublieft o wijze, kan u me vertellen wiens dynastie over de aarde heerste nadat Krishna, het juweel van de Yadudynastie, was vertrokken naar Zijn hemelverblijf?' [*]

(1-2) S'rī S'uka zei: 'Als laatste nazaat van Brihadratha in de toekomst [zie 9.22: 49] werd Purańjaya genoemd [niet die in 9.6: 12]. Zijn minister S'unaka zal zijn meester vermoorden om zijn eigen zoon genaamd Pradyota [historisch: Bimbisāra] tot koning uit te roepen. Zijn zoon Pālaka zal Vis'ākhayūpa als zijn zoon hebben en Rājaka zal hem opvolgen. (3) Zijn zoon zal Nandivardhana zijn. Deze vijf Pradyotanakoningen zullen de aarde honderdachtendertig jaar genieten. (4) Dan zal S'is'unāga geboorte nemen en zal Kākavarna zijn zoon zijn, van wiens zoon Kshemadharmā, Kshetrajńa zal worden geboren. (5) De zoon Vidhisāra [van Kshetrajńa], zal Ajātas'atru op de wereld zetten en Darbhaka, zijn zoon, zal Ajaya als zijn opvolger hebben. (6-8) Van Ajaya zal er [een andere] Nandivardhana zijn wiens zoon Mahānandi is. Deze tien S'is'unāgakoningen, o beste van de Kuru's, zullen in het Kalitijdperk driehonderdzestig jaar over de aarde heersen. O Koning, de zoon van Mahānandi, een zekere Nanda, zal zijn geboorte nemen uit de schoot van een vrouw uit de arbeidersklasse en zal, als een machtige heerser over miljoenen, de vernietiging van de heersende klasse vormen. De koningen zullen goddeloos worden en niet beter zijn dan s'ūdra's. (9) Hij [Mahāpadmānanda], die heerser over miljoenen, zal als een tweede Paras'urāma de ganse aarde onder één bewind brengen en een onbetwiste autoriteit vormen [zie 9.15 & 16]. (10) Van hem zullen acht zoons met Sumālya voorop ter wereld komen en honderd jaar lang als koningen deze aarde genieten. (11) Een zekere brahmaan [genaamd Cānakya] die het vertrouwen geniet van de negen Nanda's zal hen omverwerpen, waarna als zij verdwenen zijn de Maurya's in Kali-yuga over de aarde zullen heersen [**]. (12) De brahmaan zal Candragupta op de troon zetten en zijn zoon Vārisāra zal op zijn beurt weer door As'okavardhana worden opgevolgd. (13) Suyas'ā [Dasaratha Maurya] zal door hem ter wereld komen, Sangata [Samprati], zijn zoon, zal S'ālis'ūka ter wereld brengen van wie er vervolgens de zoon Somas'armā [Devavarman] zal zijn die aan de wieg zal staan van S'atadhanvā uit wiens lendenen Brihadratha zijn geboorte zal nemen. (14) Deze tien Mauryakoningen, o voortreffelijke held van de Kurudynastie, zullen in Kali-yuga voor de duur van honderdzevenendertig jaar over de aarde heersen. (15-17) Van Agnimitra [de zoon van de eerste S'unga koning genaamd Pushpamitra, een generaal die Brihadratha zal vermoorden] zal Sujyeshthha [Vasujyeshtha] het levenslicht zien die de vader zal zijn van Vasumitra wiens zoon Bhadraka [Andhraka] zal worden opgevolgd door Pulinda [Pulindaka]. Zijn zoon Ghosha zal een zoon krijgen genaamd Vajramitra. Zijn zoon Bhāgavata [Bhagabhadra] zal Devabhūti verwekken, o eminente Kuru. Deze tien S'ungakoningen zullen de aarde meer dan honderd [109] jaar genieten. Daarna zal de aarde geregeerd worden door de Kānvadynastie arm aan kwaliteiten, o heerser der mensen. (18) Vasudeva, een hoogst intelligente minister van de Kānvafamilie, zal [met de hulp van een slavin] de wellustige S'ungakoning Devabhūti doden en dan zelf het bestuur op zich nemen. (19) Zijn zoon zal Bhūmitra zijn en zijn zoon Nārāyana. Deze Kānvakoningen zullen in Kali-yuga nog weer driehonderdvijfenveertig jaar over de aarde heersen. (20) Een diep gezonken man van lage afkomst van het Andhra-ras genaamd Balī, zal als een bediende Sus'armā doden, de [laatste] Kānvakoning en enige tijd over de aarde heersen. (21-26) Zijn broer genaamd Krishna, zal de volgende heerser over de aarde zijn. Zijn zoon  S'āntakarna, zal Paurnamāsa als opvolger hebben. Diens zoon Lambodara, zal de koning Cibilaka verwekken. Door Cibilaka zal Meghasvāti ter wereld komen die op zijn beurt Athamāna verwekt, die wordt opgevolgd door Anishthakarmā. Hāleya, zijn zoon, zal Talaka verwekken wiens zoon Purīshabhīru dan Sunandana zal krijgen die de volgende koning zal zijn. Cakora [zijn zoon] zal worden opgevolgd door de acht Bahu's, van wie S'ivasvāti een grote onderwerper van de vijand zal zijn. Van Gomatī, zijn zoon, zal Purīmān ter wereld komen wiens zoon Medas'irā zal heten. S'ivaskanda uit zijn lendenen geboren zal Yajńas'rī als zijn zoon hebben en zijn nakomeling Vijaya zal de zoons Candravijńa en Lomadhi krijgen. Deze dertig koningen zullen vierhonderdvijfenzestig jaar over de wereld heersen o zoon van de Kuru's [***]. (27) Uit de stad Avabhriti zullen dan zeven Ābhīrakoningen volgen, tien Gardabhī's en zestien Kankakoningen, aardse heersers die zeer inhalig zullen zijn. (28) Vervolgens zullen er acht Yavana's zijn, veertien Turushka's en verder nog tien Gurunda's en elf koningen van de Mauladynastie. (29-31) De elf Maula's zullen driehonderd jaar heersen nadat deze [voorgaande drie dynastieėn] duizendnegenennegentig jaar over de aarde hebben geheerst mijn beste. Als zij allemaal dood en begraven zijn zullen in de stad Kilakilā de koningen Bhūtananda, Vangiri, S'is'unandi, zijn broer Yas'onandi en dan Pravīraka honderdzes jaar regeren. (32-33) Van hen [de Kilakilā's] zullen er dertien zoons zijn genaamd de Bāhlika's. Daarna zullen de koningen Pushpamitra, zijn zoon Durmitra, alsook zeven Andhra's, zeven Kaus'ala's en de koningen van Vidūra en Nishadha tegelijkertijd heersen [over verschillende gebieden]. (34) Voor de provincie Māgadha zal er een koning genaamd Vis'vasphūrji aan de macht komen, die als een andere Purańjaya de mensen van alle klassen zal veranderen in inferieure Pulinda's, Yadu's en Madraka's [onbeschaafde mensen, mensen van een lager allooi, zie *4]. (35) Deze onintelligente koning, die vanuit de beschutting van de stad Padmavatī van de bron van de Ganges tot aan Prayāga over de aarde zal heersen, zal zich ten opzichte van de burgers overwegend gedragen in strijd met de brahmaanse orde en de machtige klasse der kshatriya's te gronde richten. (36) De tweemaal geboren zielen levend in de provincies S'aurāshthra, Avantī, Ābhīra, S'ūra, Arbuda en Mālava zullen [te dien tijde] van hun geloften vallen terwijl zij die de vooraanstaande posities bekleden onder de mensen [de koningen] niet beter zullen zijn dan s'ūdra's. (37) De landen aan de rivier de Sindhu, zowel als de districten Candrabhāgā, Kauntī en Kās'mīra, zullen worden geregeerd door onbeschaafde lieden [mleccha's], s'ūdra's en anderen die, geestkracht missend, afwijken van de standaard.

(38) O Koning, deze doorgaans onbeschaafde, aardse zorgdragers [politici] die, tegelijkertijd heersend, zich wijden aan goddeloze en onrealistische praktijken zullen, [wedijverend om de heerschappij] met een heetgebakerd gemoed hun burgers weinig vrijheid gunnen [in economisch opzicht]. (39) Ze richten de levens van vrouwen, kinderen, koeien en intellectuelen te gronde en smachten naar geld en de vrouwen van andere mannen. Tekortschietend in kracht hebben ze doorgaans korte, instabiele carričres van slagen en mislukken en leiden ze korte levens. Niet ingewijd en verstoken van regulerende beginselen zullen deze barbaren die zich gedragen als koningen, in de greep van onwetendheid en hartstocht, als het ware de burgers verslinden. (40) De mensen in de steden zullen in navolging van het karakter, gedrag en de manier van spreken van deze lieden, geplaagd door die heersers en door elkaar, aldus ten onder gaan [in oorlogen, economische rampspoed en natuurrampen, zie ook kles'a, Kali-yuga en B.G. 16: 6-12].'

*: De paramparā van ISKCON liet deze eerste regel van de vragenstellende Parīkchit weg, waar andere bronnen zoals S'astri C.L. Gosvāmī dit hoofdstuk er wel mee beginnen.

**: De paramparā voegt toe: 'De grote historische vertelling het S'rīmad Bhāgavatam, welke begint met de gebeurtenissen voorafgaande aan de kosmische manifestatie, strekt zich nu uit tot in het domein van de moderne geschreven geschiedenis. Moderne geschiedkundigen erkennen zowel de Maurya dynastie als Candragupta, de koning vermeld in het volgende vers.' [p.p. 12.1.11]

***: Volgens een academische vertaler van het Bhāgavatam, Ganesh Vasudeo Tagare [1989, Morilal Banarsidass], zou deze periode in de geschiedenis zich afspelen kort voor de aanvang van de Christelijke jaartelling. Met het analyseren van deze tekst met betrekking tot historische bronnen concludeert hij eveneens, stellend dat er vele discrepanties zijn met de culturele [gemanipuleerde?] verslagen, dat historisch gezien de Kānvadynastie slechts voor vijfenveertig jaar zou hebben geheerst van 75 tot 30 B.C., en niet voor de driehonderdvijfenveertig jaar zoals de Sanskriet tekst hier stelt. Volgens hem zou dit deel van het Bhāgavatam van een latere datum zijn en bestaan uit een allegaartje van historische kennis uit de tweede hand, hetgeen een stellingname is aangevochten door de paramparā natuurlijk, daar het waarschijnlijker is dat men zich vergist in de strijdigheid van het wereldse belang dan in de harmonie van het bewustzijn gemotiveerd door een spirituele discipline.

*4: De totale tijdspanne van de generaties die hier behandeld zijn van de eerste Purańjaya af aan tot aan de laatste in de lijn van het verval van Kali-yuga, zou zich zo hebben uitgestrekt van ongeveer 2000 v. Chr. tot ongeveer de twaalfde eeuw n. Chr.

 




Hoofdstuk 2: Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

(1) S'rī S'uka zei: 'En dan, o Koning, zullen onder de sterke invloed van de tijd [van Kali-yuga] religiositeit, waarheidliefde, reinheid tolerantie en genade alsook levensduur, lichaamskracht en geheugen dag na dag afnemen [zie ook 1.16]. (2) Onder de mensen in het Kalitijdperk zal weelde alles zijn wat men bereikt met een goede geboorte, goed gedrag en goede kwaliteiten, terwijl materiėle macht de enige factor zal zijn die bepaalt wat rechtvaardig en redelijk is. (3) Relaties tussen mannen en vrouwen zullen gebaseerd zijn op zinsgenoegen, zakelijk zal misleiding de boventoon voeren, mannelijkheid en vrouwelijkheid zijn er voor de seksuele aantrekking en een heilige draad is genoeg om voor geleerd door te gaan. (4) Enkel uiterlijke kenmerken bepalen iemands geestelijke positie en vormen de basis voor onderlinge uitwisselingen, door een gebrek aan middelen is men minder geloofwaardig en geleerdheid bestaat uit gegoochel met woorden. (5) Armoede betekent eenvoudig een gebrek aan deugd en hypocrisie en misleiding maken uit wat deugdzaam is, mondelinge overeenkomst volstaat voor een huwelijk en een bad nemen is genoeg om aan de dag te beginnen. (6) Een heilige plaats is niets meer dan een waterbekken ergens ver weg, schoonheid hangt af van je kapsel, het doel van het leven bestaat eruit je maag te vullen, brutaliteit gaat door voor eerlijkheid, als men een gezin kan onderhouden is men een deskundige en men houdt zich aan religieuze beginselen ter wille van een goede naam. (7) Met de aarde vol van burgers die aldus zijn gecorrumpeerd, zal een ieder die de sterkste is onder de intellectuelen, bestuurders, kooplieden en werkende klasse, tot koning worden uitgeroepen. (8) De burgers wiens vrouwen en eigendommen worden weggestolen door een genadeloze, hebzuchtige heersende klasse die zich gedraagt als een stel ordinaire dieven, zullen de bergen en de wouden in vluchten. (9) Lijdend onder droogten, hongersnoden en belastingen raken ze geruļneerd en houden ze zich in leven met bladeren, wortelen, vlees, honing, vruchten, bloemen en zaden [zie ook 1.16: 20, 4.20: 14, 4.21: 24, B.G. 3: 14]. (10) Geplaagd door koude, wind, hitte, regen en sneeuw alsook door ruzies, honger, dorst en ziekten, gaan ze gebukt onder veel leed en zorgen. (11) De maximale levensduur voor menselijke wezens in Kali-yuga zal vijftig jaar bedragen. (12-16) Als de lichamen van alle levende wezens door de besmetting van Kali-yuga in verval verkeren, het plichtsbesef van de leden van alle statusoriėntaties is verloren gegaan, als de Vedische weg voor alle mensen is veranderd in een overwegend atheļstische plichtsopvatting, als de koningen hoofdzakelijk uit dieven bestaan en de mensen van verschillende beroepen misdadig, leugenachtig en van onnodig geweld zijn [m.n. jegens dieren], als de maatschappelijke klassen vrijwel allemaal op betaalde arbeid gericht zijn, de koeien niet meer waard zijn dan geiten, de geestelijke toevluchtsoorden nauwelijks verschillen van materialistische huishoudens, de familiebanden niet verder reiken dan de banden van het huwelijk, als de planten en kruiden overwegend klein van formaat zijn en alle bomen als s'amī-bomen zijn, als het altijd bliksemt in de wolken en in de huizen de eenzaamheid regeert [het onpersoonlijke en de filosofie van de leegte, zie Pranāti], als Kali-yuga op zijn einde loopt en de mensen zich als ezels gedragen, zal de Opperheer nederdalen in de geaardheid der zuivere goedheid om het dharma veilig te stellen.

(17) De geestelijk leraar van al de bewegende en de niet bewegende  levende wezens, Heer Vishnu, de Hoogste Persoonlijkheid en Heerser over Allen, neemt Zijn geboorte voor de bescherming van de religie en om een einde te maken aan het karma van de deugdzame zielen. (18) In de plaats S'ambhala zal Heer Kalki verschijnen in het huis van de grote ziel, de eminente brahmaan Vishnuyas'ā ['de glorie van Vishnu']. (19-20) Zijn snelle paard Devadatta bestijgend, zal de Heer van het Universum uitgerust met Zijn zwaard, bovenzinnelijke eigenschappen en acht mystieke volheden [siddhi's], de onverlaten onderwerpen. In grote vaart over de aarde rondbewegend op zijn paard zal Hij, ongeėvenaard in Zijn schittering, de dieven die zich uitdossen als koningen neersabelen. (21) Als de rovers zijn gedood, zullen de geesten van al de stedelingen en plattelanders ophelderen die in aanraking zijn gekomen met de bries die de hoogst gewijde geur meevoert van het [met sandelhoutpasta] opgesierde lichaam van Heer Vāsudeva. (22) Als Vāsudeva, de Allerhoogste Heer, Zich in de bovenzinnelijke gedaante van Zijn goedheid in hun harten bevindt, zal de productie van nageslacht overvloedig zijn. (23) Nadat de Allerhoogste Heer Kalki, de Heer en Meester van het Dharma, is geļncarneerd zal Satya-yuga zijn aanvang nemen en nageslacht in de geaardheid goedheid worden voortgebracht [zie yuga]. (24) Op het moment dat de zon en de maan samen met Jupiter [Bhrihaspatī] in hetzelfde sterrenteken [Karkatha ofwel Kreeft] in het maanhuis Tishyā komen te staan [d.w.z. Pushyā, 3° 20“ tot 16° 40“ zie zodiak], zal [Krita- of] Satya-yuga beginnen.

(25) Ik heb kort al de verleden, huidige en toekomstige koningen beschreven behorend tot de dynastieėn van de zon en de maan [zie ook vams'a]. (26) Van de geboorte van uw goede zelf tot aan de kroning van koning Nanda [zie 12.1: 12] zullen elfhonderdvijftig jaren verstrijken [*]. (27-28) Op de [noordwest] lijn tussen de twee sterren  [Pulaha en Kratu] die men als eerste ziet rijzen in het sterrenbeeld der zeven wijzen [Ursa Major, de Grote Beer], ziet men in de nachtelijke hemel hun [heersende] maanhuis. De wijzen [de sterren] in dat maanhuis zullen er voor een honderdtal menselijke jaren mee verbonden blijven. Nu, in uw tijd, bevinden ze zich in de nakshatra genaamd Maghā. (29) Toen Vishnu de Opperheer, de zon die bekend staat als Krishna, weer terugkeerde naar de hemel, ging deze wereld het Kalitijdperk binnen waarin de mensen behagen scheppen in zonde. (30) Zolang Hij, de Echtgenoot van Ramā, de aarde beroerde met Zijn lotusvoeten, kon Kali zich niet op aarde doen gelden. (31) Kali-yuga begint op het tijdstip dat [het sterrenbeeld van] de zeven goddelijke wijzen Maghā ingaan [ingaat]. Dat tijdperk beslaat twaalfhonderd [goden-]jaren [ofwel 432.000 menselijke jaren, zie ook kāla]. (32) Als de zeven wijzen van Maghā doorlopen naar het maanhuis Pūrvāsādhā, zal dit Kalitijdperk zijn volle wasdom bereiken beginnend met de tijd van koning [Mahāpadma] Nanda en zijn nageslacht. (33) De geschiedkundigen zeggen dat het Kalitijdperk begon op dezelfde dag dat S'rī Krishna naar de geestelijke wereld vertrok. (34) Aan het einde van de duizend hemelse jaren van het vierde [Kali-]tijdperk, zal Satya-yuga weer opnieuw beginnen, de tijd dat de geesten van de mensen zelfverlicht zullen zijn.

(35) Aldus werd deze dynastie van [Vaivasvata] Manu opgesomd zoals die bekend is op aarde. De posities van de geleerden, de handelaren en de arbeiders in ieder tijdperk kunnen op dezelfde manier worden begrepen. (36) Van deze persoonlijkheden, deze grote zielen, herinnert men zich alleen maar hun namen; alles wat er van hun roem overblijft op deze aarde zijn hun verhalen. (37) Devāpi, de broer van S'āntanu [9.22: 12-17] en Maru [9.12: 5-6] geboren in de Ikshvāku dynastie, zijn begiftigd met grote mystieke macht en leven beide [vandaag nog] in Kalāpa. (38) Aan het einde van het Kalitijdperk zullen ze terugkeren naar de menselijke samenleving en het varnās'rama-dharma uitdragen zoals dat vroeger was, zich baserend op de instructies die ze ontvingen van Vāsudeva [Krishna]. (39) De vier tijdperken van Krita [Satya], Tretā, Dvāpara en Kali die de levende wezens in deze wereld doorlopen, herhalen zich telkens weer opnieuw in deze volgorde [zie ook mahāyuga]. (40) O Koning, deze koningen, deze goden onder de mensen en de anderen die ik beschreef, die op aarde verschijnend hun bezitsdrang uitoefenen, moeten uiteindelijk allemaal deze wereld opgeven en hun ondergang onder ogen zien. (41) Ook al draagt iemands lichaam de naam van koning is het niettemin voorbestemd te worden gekend als ontlasting, wormen of as. Ter wille van dat lichaam stond hij andere levende wezens naar het leven en eindigt hij daarom in de hel. Wat weet zo iemand nu van zijn eigenbelang [vergelijk 6.18: 25, 7.15: 37, 10.10: 10, 10.51: 50]? (42) [Een koning kan denken:] 'Hoe kan deze zelfde wereld zoals beheerst door mijn voorgangers en nu onder mijn controle, in handen blijven van mijn zoon, kleinzoon en andere nakomelingen?' (43) Als men dit lichaam dat bestaat uit aarde, water en vuur aanvaardt met een idee van 'ik' en als men tegen deze aarde 'mijn' zegt, schiet men tekort in intelligentie, want uiteindelijk moet men met het bereiken van zijn eigen afwezigheid zowel dit lichaam als deze aarde opgeven [zie ook 4.9: 34-35]. (44) O Koning, van alles wat koningen met hun macht ook genieten in de wereld laat de Tijd niets meer over dan wat verslagen en verhalen [vergelijk met 2.9: 33, 5.19: 28, 11.19: 16, 11.28: 21].'

*: Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat de Candragupta die na Nanda door Cānakya op de troon werd gezet een andere Candragupta moet zijn geweest dan degene waarvan beweerd wordt dat hij 1500 jaar later Alexander de Grote versloeg in de vierde eeuw voor Chr. De paramparā voegt hier wat betreft de discrepantie van zo'n drie eeuwen verder nog aan toe: 'Hoewel S'ukadeva Gosvāmī voorheen ongeveer vijftienhonderd jaar aan koninklijke dynastieėn heeft beschreven, wordt begrepen dat er sprake is van enige overlapping tussen de koningen onderling.'

 




Hoofdstuk 3: Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

(1) S'rī S'uka zei: 'Toen de aarde zag hoe druk de koningen ermee bezig waren haar te veroveren, lachte ze en zei: 'Ach, zie hoe deze koningen, deze speeltjes van de dood, mij wensen te veroveren! (2) Deze lust van de heersers der mensen en zelfs van de wijzen, is gedoemd te mislukken; die koningen vertrouwen geheel op een aardklomp die te vergelijken is met een waterbubbel.' (3-4) 'Laten we eerst de zesvoud [van de zinnen en de geest] de baas zijn, dan zullen we de ministers onderwerpen die de leiding hebben en dan verslaan we de adviseurs, de burgers, de vrienden, de olifantenhoeders en de doornen [het boeventuig]. Zo zullen we stap voor stap de aarde veroveren met inbegrip van haar gordel van zeeėn', maar zo denkend met hun harten gevangen in verwachtingen, realiseren ze zich niet de eindigheid van hun bestaan [vergelijk B.G 16: 13-18]. (5) Nadat ze de landen aan zee hebben veroverd bevaren ze, met al hun macht, de zeeėn. Wat voor zin heeft een dergelijke overwinning van het zelf? Spirituele bevrijding is de vrucht van de zelfoverwinning!

(6) De Manu's en hun zonen o zoon van de Kuru's, gaven het allemaal op [over mij] te heersen en vertrokken [naar het woud] zoals ze kwamen, maar zij die tekortschieten in intelligentie proberen mij te veroveren middels oorlogsvoering. (7) Vanwege mij ontstaat er tussen materialistische personen een conflict tussen vaders en zoons en tussen broeders, want hun harten worden geregeerd door het hebben van macht. (8) Zich voor mij inspannend en zeggend 'Dit hele land is van mij en niet van jou jij dwaas', ruziėn de heersers met elkaar, doden ze en worden ze gedood [vergelijk b.v. 2.5: 13, 2.7: 42, 4.29: 5, 5.5: 8, 6.16: 41, 7.8: 7-10, 9.4: 2-12]. (9-13) Prithu, Purūravā, Gādhi, Nahusha, Bharata, Kārtavīryārjuna, Māndhātā, Sagara, Rāma [*], Khathvānga, Dhundhuhā [ofwel] Kuvalayās'va [9.6: 23-24], Raghu [9.10: 1], Trinabindu [9.2: 30], Yayāti, S'aryāti [9.3: 1], S'antanu [9.22: 12-13], Gaya [5.15: 6-13], Bhagīratha [9.9: 2-17], Kakutstha [9.6: 12], Naishadha [Nala, 9.9: 16-17,9.23: 20-21, van de nakomelingen van Nishadha, 9.12: 1], Nriga [Nābhāga, 10.64: 10], Hiranyakas'ipu, Vritra, Rāvana die de hele wereld deed weeklagen, Namuci [8.11: 29-49], S'ambara [10.36: 36], Bhauma, Hiranyāksha en Tāraka [8.10: 19-24], zowel als vele andere demonen en vorsten die veel macht hadden over anderen, waren stuk voor stuk helden die goed van alles op de hoogte niet te overwinnen waren en allen onderwierpen. Voor mij levend o machtige, gaven ze blijk van een grote bezitsdrang maar, omdat ze in de greep van de Tijd onderworpen waren aan de dood, bereikten ze niet hun doel; er bleven alleen maar historische verhandelingen van hen over [zie ook B.G. 4: 7].

(14) [S'uka ging verder:] Deze verhalen die ik u vertelde over grote koningen wiens roem zich in al de werelden verspreidde en die weer vertrokken, drukken niet het hoogste levensdoel uit, o machtige. Ze vormen niet meer dan een weldaad aan woorden [een decor] om uit te kunnen weiden over verzaking en wijsheid. (15) Het is meer het herhaaldelijk bespreken en bezingen van de kwaliteiten van de Heer Geprezen in de Verzen, dat een einde maakt aan alles wat ongunstig is. Hij die Heer Krishna's zuivere toegewijde dienst wenst moet dit [omgang zoeken] daarom regelmatig doen en telkens weer [over Hem] vernemen.'

(16) De achtenswaardige koning [Parīkchit] zei: 'Welke methoden, mijn Heer, staan de mensen levend in Kali-yuga ter beschikking om de fouten die zich als gevolg van dat tijdperk ophopen te bestrijden? Alstublieft leg me uit hoe het zit. (17) Hoe zit het met de yuga's, de plichten die bij hen horen, de tijd die ze beslaan en wanneer ze eindigen, alsook de Tijd zelf die de beweging van de Meester vertegenwoordigt, van Heer Vishnu, de Opperziel [zie ook tijdcitaten-pagina].'

(18) S'rī S'uka zei: 'De religie van de mensen in Satya-yuga, o Koning, wordt door de mensen van die tijd gehandhaafd met al haar vier poten, de machtige poten van waarheid [satya], mededogen [dayā], boete [tapas] en liefdadigheid [dāna, of ook wel s'auca, zuivering [**], vergelijk 1.17: 24, 3.11: 21 en zie niyama]. (19) De [hamsa-]mensen [van dat tijdperk] zijn tevreden, genadig, vriendelijk, vreedzaam, zelfbeheerst, tolerant, innerlijk voldaan, gelijkgezind en overwegend ascetisch [zie ook 3.13: 35 en 11.17: 10]. (20) In Tretā-yuga gaat geleidelijk aan een kwart van [de kracht van ieder van] de poten van het dharma verloren als gevolg van de poten van het adharma ofwel de goddeloosheid: onwaarheid, gewelddadigheid, ontevredenheid en onenigheid [vergelijk 1.17: 25]. (21) Gedurende dat tijdperk zijn de mensen van toewijding met rituelen en boetedoeningen, zonder een overmaat aan geweld of lustige verlangens. Gedijend in hun achting voor de drie Veda's volgen ze de drie wegen [van het reguleren van de religie, de economie en de zinsbevrediging] terwijl de vier klassen overwegend brahmaans georiėnteerd zijn o Koning. (22) De dharmische kwaliteiten van verzaking, mededogen, waarheidliefde en liefdadigheid zijn in Dvāpara-yuga teruggedrongen tot de helft [van hun kracht] vanwege de adharmische kenmerken van geweld, misnoegen, leugens en hatelijkheid. (23) Men is [in dat tijdperk] van een hoog moreel gehalte, men houdt van glorie en van Vedische studie. Men is vermogend met grote families en vreugdevol, waarbij van de vier klassen de brahmanen en edelen in aantal overwegen. (24) Door de voortdurende toename van de principes der goddeloosheid, nemen in Kali-yuga de poten van de religiositeit verder af tot een kwart [van hun sterkte, vergelijk 1.17: 25] tot ze uiteindelijk zijn vernietigd. (25) In die tijd zullen de mensen hebzuchtig zijn, ongemanierd, weinig mededogend, geneigd tot zinloos geruzie, onfortuinlijk en geobsedeerd door materiėle verlangens terwijl de mensen overwegend zullen bestaan uit arbeiders en minder beschaafde lieden. (26) De kwaliteiten der goedheid, hartstocht en onwetendheid die men aldus [afhankelijk van het tijdperk] waarneemt bij een persoon, wisselen - onder de druk van de [werking der] Tijd - in de geest van samenstelling [***]. (27) De tijd waarin de geest, de intelligentie en de zinnen floreren in de geaardheid goedheid, moet worden begrepen als Satya-yuga, het tijdperk waarin men behagen schept in kennis en verzaking. (28) O man van intelligentie, als de geconditioneerde zielen toegewijd tot hun plicht er nevenmotieven op nahouden en op hun eer uit zijn, moet een dergelijk overwegen van de hartstocht worden beschouwd als het Tretā-tijdperk. (29) Als begeerte en ongenoegen, valse trots, afgunst en hypocrisie overal de dienst uitmaken en de handelingen worden beheerst door zelfzucht, spreekt men van Dvāpara-yuga, het tijdperk van de hartstocht en onwetendheid.

(30) Kali-yuga staat bekend als het tijdperk der onwetendheid, waarin er sprake is van misleiding, valse getuigenis, luiheid en lethargie, geweld, neerslachtigheid, gejammer, begoocheling, angst en armoede. (31) Als gevolg daarvan zullen de stervelingen kortzichtig zijn, onfortuinlijk, te veel eten, wellustig zijn, gebrek lijden en zullen de vrouwen naar eigen inzicht handelen en onkuis zijn. (32) In de bevolkte gebieden zullen onbeschaafde lieden hoge posities innemen [en zich gedragen als dieven], valse doctrines [ketters] zullen afbreuk doen aan de Vedische geschriften, de politieke leiders zullen de mensen voor zich opeisen [ze 'verslinden'] en de tweemaal geboren zielen zullen hun magen en geslachtsdelen zijn toegewijd. (33) De jongeren [de studenten] zullen zich niet storen aan geloften en onzuiver bezig zijn, de huishouders zullen [met wat ze claimen] zich als bedelaars gedragen, de teruggetrokken zielen [van middelbare leeftijd, zonder een vrije natuur om zich in terug te trekken] zullen in de steden wonen en de wereldverzakende orde zal zich begeertig inspannen voor weelde [aan 'reli-business' doen]. (34) Kleiner van postuur, vraatzuchtig en met vele kinderen aan hun rokken [zullen de vrouwen] hun bedeesdheid hebben afgeschud, zich voortdurend ongevoelig uitlaten met een grote brutaliteit en zo bedrieglijk zijn als dieven. (35) De kooplieden zullen vol van bedrog zijn zodat hun zakelijke overeenkomsten doortrapt zullen zijn terwijl de mensen onnodig ieder verachtelijk beroep [zoals in de seksindustrie en het gokwezen] als een goede baan beschouwen. (36) Dienaren zullen een meester in de steek laten die zijn weelde verloor - zelfs al is hij de beste die er is, meesters zullen een gehandicapte dienaar in de steek laten - zelfs als hij al generaties lang bij de familie hoorde, en men ontdoet zich van koeien [en doodt ze] als ze ophouden melk te geven. (37) Beheerst  door vrouwen zijn de mannen in Kali-yuga er ellendig aan toe en keren ze zich af van hun vaders, broers, vrienden en verwanten, terwijl ze regelmatig omgang hebben met hun zwagers en schoonzussen in een idee van vriendschap gebaseerd op seksueel genoegen. (38) Werklustigen uitgedost als bedelmonniken van verzaking, zullen religieuze liefdadigheid accepteren om aan de kost te komen en op een hoge zetel klimmen om te spreken over religieuze zaken zonder enige kennis van de beginselen van het dharma. (39-40) Met hun geesten voortdurend vol stress, uitgemergeld door hongersnood en belastingen in tijden van schaarste met droogten die de aarde teisteren, zullen de mensen in Kali-yuga worden geplaagd door talloze zorgen en in angst leven. Met een tekort aan kleding, voedsel, drinken, rust, seksuele liefde [vyavāya, ook wel 'verandering' genaamd], zich baden en persoonlijke sieraden zullen ze lijken op geestverschijningen. (41) In het Kalitijdperk wordt men zelfs al vijanden vanwege een enkele rooie cent [5.14 en 5.14: 26], wijst men vriendschappelijke relaties af, doodt men zichzelf [suļcide] en doodt men zelfs familieleden [huiselijk geweld]. (42) Enkel uit op het armzalige dienen van de maag en de geslachtsdelen zal men, zelfs als men uit een fatsoenlijke familie afkomstig is, niet de bejaarde ouders, de echtgenote en de kinderen beschermen. (43) O Koning, met hun geest afgeleid door atheļsme zullen de stervelingen in Kali-yuga doorgaans niet de Onfeilbare aanbidden, de Persoonlijkheid van God die de Allerhoogste Geestelijk Leraar is van de drie werelden aan wiens voeten de verschillende meesters zich verbuigen. (44) In Kali-yuga zijn de mensen niet van aanbidding voor Hem, ook al is Hij degene door wie een persoon, die op sterven ligt en in zijn leed instortend met een haperende stem hulpeloos Zijn naam herhaalt, bevrijd raakt van de ketenen van het karma en de hoogste bestemming bereikt [zie ook B.G. 8: 10 en 6.2]. (45) De voorwerpen [en het voedsel], de plaatsen en de individuele aard der mensen zijn als gevolg van Kali-yuga allen besmet [verziekt, vol van fouten], maar als men Bhagavān, de Allerhoogste Persoon in zijn hart toelaat, neemt Hij al die onzuiverheid weg.

(46) Van mensen die zelfs maar hoorden, de lof bezongen, mediteerden, baden tot of de Opperheer verheerlijkten, wordt het ongeluk dat zich van duizenden geboorten in hun harten ophoopte weggezuiverd. (47) Net zoals de verkleuring die men als gevolg van andere metalen aantreft in goud teniet wordt gedaan door vuur, worden van yogabeoefenaren de onzuiverheden van de geest teniet gedaan als Heer Vishnu in hun hart is gekomen. (48) Scholing, boete, het beheersen van de adem, vriendschap, het baden in heilige wateren, geloften, liefdadigheid en het bidden met een bidsnoer realiseren niet zo volledig de zuivering van de geest als  de aanwezigheid van Hem, de Onbegrensde Persoonlijkheid van God, in het hart. (49) O Koning, doe daarom uw uiterste best Heer Kes'ava in uw hart een plaats te geven; als u sterft [hier na deze week], zal u met uw aandacht op Hem gericht de hoogste bestemming bereiken. (50) De Persoonlijkheid van God, de Opperheer, de Ziel en Toevlucht van Iedereen, zal hen die op sterven liggen en op Hem mediteren, naar hun ware identiteit leiden mijn beste. (51) In de oceaan van de fouten van Kali-yuga, o Koning, bestaat er gelukkig één heel goede kwaliteit: door enkel het bezingen van [en mediteren op] Krishna['s naam, zie bhajans] kan men bevrijd raken van de materiėle gebondenheid en de zaligheid bereiken [zie ook bhāgavata dharma en kīrtana]. (52) Hetzelfde resultaat dat men in Satya-yuga bereikt door te mediteren op Vishnu, dat men in Tretā-yuga bereikt door te aanbidden met offerplechtigheden en dat men in Dvāpara-yuga bereikt door het dienen van de lotusvoeten [van Hem in de gedaante van een koning], bereikt men in Kali-yuga door het bezingen van [en mediteren op de namen van] de Heer [zie ook 11.5: 38-40].'

*: Volgens S'rīla S'rīdhara Svāmī, en zoals bevestigd door S'rīla Vis'vanātha Cakravartī Thhākura, is de koning Rāma hier vermeld niet de incarnatie van God Rāmacandra. Dit wordt ondersteund door het M.W. woordenboek dat melding maakt van de halfgod Varuna, schrijvers, leraren en andere grote persoonlijkheden met die naam. Waarschijnlijk wordt Bhārgava bedoeld, die ook wel bekend staat als Us'anā, die hoogst machtig een dynastie vormde afstammend van de wijzen Bhrigu en Mārkandeya [zie 9.16: 32 en 4.1: 45].

**: In het M.W. woordenboek worden drie betekenissen gegeven voor het woord dāna: 1. doneren, het doen van schenkingen 2. delen of communiceren en 3. zuivering. De laatste betekenis bevestigt het gebruik van de term s'auca in het Eerste Canto van het S'rīmad-Bhāgavatam als de vierde poot van de stier der religie. Deze alternatieve definitie van het woord dānam wordt bevestigd door S'rīla Vis'vanātha Cakravartī Thhākura.

***: De paramparā voegt hier aan toe: 'Het tijdperk in kwestie vertegenwoordigd door de goedheid (Satya), de hartstocht (Tretā), de hartstocht en onwetendheid (Dvāpara) of de onwetendheid (Kali) is in ieder van de andere tijdperken aanwezig als een subfactor.'

 

 


Hoofdstuk 4: Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

(1) S'rī S'uka zei: 'De tijd beginnend met de kleinste eenheid van het atoom en culminerend in de twee helften [of parārdha's] van het leven van Brahmā], o Koning, werd beschreven [in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's. Verneem nu over de vernietiging van een kalpa. (2) Duizend cycli van vier yuga's heet een kalpa, een dag van Brahmā, waarin er veertien oervaders van de mensheid zijn [Manu's] o heerser over de burgers. (3) Als zij zijn afgelopen is er een periode van verval van dezelfde duur die wordt omschreven als de nacht van Brahmā. Gedurende die tijd zijn de drie werelden onderhevig aan vernietiging. (4) Dit wordt de periodieke vernietiging genoemd [of naimittika pralaya] waarin [Nārāyana] de schepper van het universum zich te ruste legt op Zijn slangenbed Ananta om het universum met inbegrip van Heer Brahmā in Zich op te nemen. (5) Na het verstrijken van twee parārdha's [de twee helften van het totale leven] van het hoogst geplaatste levende wezen, Heer Brahmā, zijn de zeven elementen [mahat, ahamkāra en de vijf tanmātra's] onderhevig aan vernietiging. (6) Deze [gebeurtenis], o Koning, waarmee voor dit universele ei, dit samenstel [van deze zeven universele aspecten], de tijd aanbreekt voor zijn beėindiging en het uiteenvalt, vormt de elementaire [prākritika] vernietiging. (7) Honderd jaar lang zullen, o Koning, de wolken geen regen laten vallen op aarde. De mensen verward door die tijd zullen dan, als gevolg van de honger die ze lijden met het daarop volgende voedselgebrek, [zelfs] elkaar gaan eten en stap voor stap hun ondergang vinden. (8) De zon zal met zijn verschrikkelijke stralen alle vocht van de aarde, de oceaan en de levende lichamen doen verdampen, en niet het geringste [aan neerslag] teruggeven [3.11: 30, 8.5: 35]. (9) Vervolgens zal uit de mond van Heer Sankarshana het vuur der vernietiging ontstaan dat aangewakkerd door de kracht van de wind alle niveau's van bestaan op aarde [en de andere planeten] zal verbranden [3.11: 30, 8.5: 35]. (10) Het ei van het universum zal aan alle kanten brandend met de vlammen van het vuur beneden en de zon erboven, gloeien als een bal koeienmest. (11) Daarna zal er meer dan honderd jaar de verschrikkelijke wind van de uiteindelijke vernietiging waaien [sāmvartaka] en zal de hemel grijs worden van het stof. (12) Samengepakte veelkleurige wolken, beste Koning, zullen het dan honderd jaar lang laten regenen met enorme donderslagen. (13) Het omhulsel van het universum zal dan vollopen en één enkele [kosmische] zee van water vormen. (14) Op het momemt dat het water van de vloed de kwaliteit van de geur wegneemt zal het aarde-element, verstoken van haar geur, zich oplossen [zie ook 3.26: 49-61, 11.3: 9, 11.24: 22-27].

(15-19) Vuur neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar unieke kwaliteit, oplost. Dan volgt het vuur dat door de lucht verstoken raakt van zijn vorm omdat het zijn kwaliteit [van aanraking] wegneemt, waarna de lucht de ether binnengaat die die kwaliteit weer wegneemt. Dan, o Koning lost de ether op in het oorspronkelijke element van de natuur [ādi,vals ego in onwetendheid] dat zijn kwaliteit van het geluid wegneemt. Vervolgens worden de zinnen gegrepen door de vitale macht van het universum [tejas of vals ego in hartstocht] mijn beste, terwijl de goden worden geabsorbeerd door de  universele omvorming [vikara, het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie [mahat] grijpt het valse ego met al zijn functies waarna mahat wordt geabsorbeerd door de geaardheden van de natuur van sattva enzovoorts. Deze drie hoedanigheden, o Koning worden dan, onder aandrang van de Tijd, overvleugeld door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke ongemanifesteerde gedaante van de natuur]. De oorspronkelijke doener is niet onderhevig aan omvorming in tijdverdelingen [shath-ūrmi] en dergelijke kwaliteiten; niet gemanifesteerd zonder een begin en een einde, is het [of Hij] de onfeilbare eeuwige oorzaak. (20-21) Daarin [in Zijn oerstaat] vindt men niet de spraak, de geest, of de geaardheid goedheid, hartstocht of onwetendheid. Ook de elementen van het grote geheel - de levensadem, de intelligentie, de zinnen en zo meer - treft men er niet aan, noch zijn er daar de goden of de orde van de schikking van de verschillende soorten leefwerelden. Er is daar niet het slapen, het waken of de diepe slaap, geen water, lucht, ether, vuur, aarde of zon. Dat wat is als een leegte of als iemand die diep in slaap is, gaat iedere verklaring te boven en vormt de [oer]substantie die dienst doet als de wortel [de pradhāna], zo stellen de autoriteiten. (22) Dit [deze staat] vormt de [prākritika pralaya] vernietiging waarin al de materiėle elementen van de natuur en de energieėn van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon door de Tijd volledig worden ontmanteld en reddeloos samenvloeien.

(23) Het is [niets dan] de spirituele kennis [het bewustzijn, de Absolute Waarheid] wat de basis vormt die zich manifesteert in de vorm van deze elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten. Wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is inessentieel, want het heeft geen bestaan dat los staat van zijn oorzaak [het vormt er slechts een aanduiding van, vergelijk 11.28: 21]. (24) Een lamp, een oog dat waarneemt en de vorm die wordt waargenomen staan niet los van het licht [dat door hen behandeld wordt]. Op dezelfde manier staat de intelligentie, staan de zintuigen en de zintuigelijke waarnemingen ook niet los van de [ene Allerhoogste] werkelijkheid [van de Absolute Waarheid] die compleet anders is [zie ook siddhānta en B.G. 9.15]. (25) Het waken, de slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie horen noemt men daarom een begoocheling van de zinnen [ten opzichte van de vierde staat der meditatie genaamd turīya]. Dit, o Koning is de dualiteit die de ziel ervaart [11.13: 27-34]. (26) Net zoals wolken wel en niet in de lucht aanwezig zijn, is evenzo dit ganse universum met de verschillende onderdelen die zich ontwikkelden en verdwenen, wel en niet aanwezig in het Absolute van de Waarheid. (27) De samenstellende oorzaak mijn beste, van welke samengestelde bestaansvorm in deze wereld dan ook, is [waarneembaar als] een werkelijk iets zo wordt gesteld [in de Vedānta-sūtra], precies zoals de draden van een stuk stof los kunnen worden waargenomen van het product dat zij vormen [zie ook 6.3: 12, 11.12: 21]. (28) Wat men ook ervaart als hebbende een algemene oorzaak en een bepaald gevolg, is een vorm van illusie; alles wat een begin heeft en een einde is niet wezenlijk vanwege die onderlinge afhankelijkheid [van oorzaak en gevolg]. (29) Hoewel de veranderlijkheid [van de wereld der verschijnselen of] van zelfs maar één enkel atoom voor ons kenbaar is, kan ze op geen enkele manier worden verklaard  zonder [ - als losstaande van -] het Zelf vanbinnen [van de Tijd, de Heer, de expansie van het universum, de 'vierde dimensie'], want als dat zo zou zijn [als er niet zo'n Zelf zou zijn] zou het, gelijk zijnde aan het bewustzijn, moeten blijven zoals het is. (30) Er kunnen geen verschillende soorten Absolute Waarheid zijn; als een onwetende persoon over het Absolute denkt in termen van tegenstellingen is dat als het hebben van twee hemelen, twee daglichten of twee levensadems. (31) Net zoals goud zich voor mensen voordoet in vele vormen naar gelang het wordt gebruikt, wordt  de Allerhoogste Heer Adhokshaja die zintuiglijk niet te doorgronden is, omschreven in verschillende termen door een wereldse persoon en een persoon van Vedische kennis. (32) Een wolk teweeggebracht door de zon wordt zichtbaar gemaakt door de zon maar houdt duisternis in voor de ogen die een gedeeltelijke expansie van de zon vormen. Zo ook vormt het ego, iemands ik-besef, een kwaliteit van het Absolute zichtbaar gemaakt door het Absolute, maar als een gedeeltelijke expansie van het Absolute houdt dat ego duisternis [valsheid] in voor de individuele ziel die gebonden is aan het materiėle zelf. (33) Als een wolk voortgebracht door de zon uiteengedreven wordt ziet het oog de vorm van de zon. Als op dezelfde manier het valse ego dat de geestelijke ziel overdekt wordt vernietigd door spiritueel [zelf]onderzoek, zal heugenis [van het Oorspronkelijke Zelf] het resultaat zijn. (34) Als men aldus middels dit zwaard van onderscheid het valse ego voortgebracht door illusie heeft weggesneden dat de ziel bindt en men een gedegen realisatie heeft ontwikkeld van de Onfeilbare Allerhoogste Ziel, spreekt men van de volkomen vernietiging [van je materieel bepaalde leven, ātyantika pralaya], beste Koning.

(35) O onderwerper van de vijanden, sommige deskundigen van de subtiele alomtegenwoordige geest stellen dat de schepping en vernietiging van al de levende wezens beginnende bij Brahmā, een nimmer eindigend proces [nitya] vormt. (36) De [min of meer gunstige levens]omstandigheden van alle levende wezens die onderhevig zijn aan verandering, worden snel en voortdurend weggevaagd door de machtige kracht van de stroom der Tijd en vormen de oorzaken van hun geboorte en dood. (37) Deze staten van zijn geschapen door de Tijd, de gedaante van de Heer zonder een begin en een eind, worden niet [direct] waargenomen, net zoals [de bewegingen van] de planeten in de hemel niet [direct] worden gezien [zie ook 3.10: 10-14]. (38) Vernietiging in de zin van een voortdurende [nitya], periodieke [naimittika], natuurlijke [elementaire of prākritika] en volkomen [ātyantika] teloorgang werd beschreven. Dit is hoe de Tijd [kāla] zijn werk doet.

(39) Deze vertellingen over de līlā van de schepper van het universum, Nārāyana, het reservoir van alle bestaansvormen, werden kort en helder voor u uiteengezet, o beste van de Kuru's. Zelfs niet de Ongeborene [Heer Brahmā] zou in staat zijn ze volledig op te sommen. (40) Voor een persoon lijdend onder het vuur van de ellende van het leven en de verlangens om de moeilijk te bevaren oceaan van het materieel bestaan over te steken, bestaat er geen andere boot dan die van het toegewijd zijn met een voorkeur voor de vertellingen over de avonturen van de Fortuinlijke, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (41) De onfeilbare Heer Nara-Nārāyana onderwees lang geleden dit essentiėle compendium van al de klassieke verhalen, aan Nārada die het doorgaf aan Krishna Dvaipāyana [Vyāsa, de auteur; zie 5.19: 10-15]. (42) Hij, die machtige heer Bādarāyana, schiep er daarop genoegen in mij dit Bhāgavatam bij te brengen, o Mahārāja, deze bloemlezing die een status geniet gelijk aan die van de vier Veda's. (43) Sūta Gosvāmī, die hier bij ons zit o beste van de Kuru's, zal het [op zijn beurt] doorvertellen als hij wordt ondervraagd door wijzen aangevoerd door S'aunaka tijdens een langdurige offerplechtigheid in het Naimishāranyawoud [zie 1.1].'





Hoofdstuk 5: De Laatste Instructies voor Mahārāja Parīkchit

(1) S'rī S'uka zei: 'In deze [vertelling] ben ik uitgebreid ingegaan op de Allerhoogste Heer Hari, de Ziel van het Universum, door wiens genade Heer Brahmā werd geboren [3.8] uit wiens woede Heer S'iva [3.12: 7] geboorte nam. (2) O Koning, u die denkt 'Ik ga sterven', moet deze dierlijke mentaliteit opgeven; het is niet zo dat u - net als het lichaam  - [als een ziel] werd geboren terwijl u er voorheen niet was. Zo ook zal u vandaag niet sterven [zie ook B.G. 2: 12 & 2: 20]. (3) U zal niet opnieuw een leven krijgen als een kind van u of in de gedaante van een kleinkind, zoals een plant uit zijn eigen zaad voortspruit; u verschilt net zo van het lichaam en dat wat erbij hoort als een vuur [verschilt van het hout dat het verbrandt *].  (4) Zoals je in een droom erbij kan zijn dat je eigen hoofd wordt afgehakt [terwijl je gewoon verder leeft] ben je ook getuige van het fysieke lichaam dat is samengesteld uit de vijf elementen en zo meer. Om die reden is de ziel van het lichaam ongeboren en onsterfelijk van aard [zie ook B.G. 2: 22]. (5) Als er een pot wordt gebroken zal de lucht in de pot weer zijn als de lucht voordien; zo ook hervindt het individu zijn oorspronkelijke geestelijke staat als het lichaam dood is. (6) De  materiėle lichamen, kwaliteiten en handelingen van de geestelijke ziel worden voortgebracht door een materieel georiėnteerde geest; en het is māyā, het begoochelend vermogen van de Heer, dat de materiėle geest en het erbij behorende [herhaalde] materiėle bestaan van het individuele levende wezen in het leven roept [middels het ahankāra, zie ook 2.5: 25, 3.26: 31-32, 3.27: 2-5]. (7) De combinatie van olie, een houder, een pit en vuur is wat men samen ziet met het branden van een lamp. Zo ook ziet men hoe door de wisselwerking van de geaardheden hartstocht, goedheid en onwetendheid het materieel bestaan van het lichaam zich ontwikkelt en vernietiging vindt. (8) De ziel die verschilt van het grofstoffelijke [deha-] en het subtiele [linga-]lichaam, is zelf-verlicht en vormt, omdat ze zo onveranderlijk is als de ether, de basis [ādhāra] die eeuwig is en alle beschrijving te boven gaat. (9) O prabhu, door aldus uw verstand met logische gevolgtrekkingen aan het werk te zetten in meditatie op Heer Vāsudeva, moet u zorgvuldig uw essentie, uw ware zelf, in overweging nemen die door het stoffelijk omhulsel wordt omsloten. (10) Takshaka [de slangenvogel] die werd afgeroepen door de woorden van de brahmaan [1.18] zal u niet verbranden; de boodschappers van de dood kunnen u [uw ziel] niet overtreffen die deze oorzaken van de dood en de dood zelve [nu] de baas bent [zie ook 11.31: 12]. (11-12) Met de overweging 'Ik ben de Oorspronkelijke, Allerhoogste Geest, de Verblijfplaats van het Absolute en de Hoogste Bestemming' moet u zichzelf plaatsen in het Allerhoogste Zelf dat vrij is van materiėle aanduidingen. U zal [als u dat gedaan hebt] met de ganse wereld aldus onderscheiden van het zelf, zelfs geen weet hebben van Takshaka of uw eigen lichaam als hij, zijn lippen likkend en met zijn bek vol gif, in uw voet bijt. (13) Beste ziel, wat wilt u nog meer weten na wat ik in antwoord op uw vragen, o Koning, allemaal vertelde over de handelingen van de Heer?'

*:  In de s'ruti-mantra wordt gezegd: pitā putrena pitrimān yoni-yonau: "Een vader heeft een vader in zijn zoon, zodat hij geboorte kan nemen als zijn eigen kleinzoon."



 

Hoofdstuk 6: Mahārāja Parīkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

(1) S'rī Sūta zei: "Nadat Mahārāja Parīkchit, hij die door Vishnu beschermd wordt, had vernomen wat gezegd werd door de wijze, de gelijkmoedige ziener van de Opperziel, de zoon van Vyāsa, naderde hij zijn lotusvoeten, boog hij zijn hoofd voorover en zei hij met gevouwen handen het volgende tot hem. (2) De koning zei: 'Met de grote genade getoond door uwe goedheid vol van mededogen, heb ik de perfectie bereikt omdat u rechtstreeks voor mij de Heer Zonder een Begin en Einde hebt beschreven. (3) Het is geenszins verrassend voor grote zielen verzonken in de Onfeilbare om van genade te zijn voor onwetende geconditioneerde zielen die worden gekweld door leed. (4) Wij vernamen [aldus] van u deze verzameling van klassieke verhalen waarin de Allerhoogste Heer Uttamas'loka wordt beschreven [*]. (5) Mijn heer, ik vrees Takshaka niet of enig ander levend wezen, noch ben ik bang voor een herhaald sterven; Ik ben de Geest van het Absolute binnengegaan die u onthulde als [nirvāna, als] losstaand van al het materiėle, en [ben nu] vrij van angst. (6) Sta het me alstublieft toe, o brahmaan, dat ik mijn spraak [en andere zintuiglijke functies] een plaats geef in Adhokshaja zodat ik, met het in een verzonken geest verzaakt hebben van alle zinnelijke verlangens, mijn leven op kan geven. (7) Met behulp van u die de alleszins gunstige, allerhoogste toevlucht toonde van de Opperheer, heb ik me kunnen concentreren op de onstoffelijke kennis en wijsheid en is mijn onwetendheid uitgebannen.' "

(8) Sūta zei: "Aldus toegesproken verleende de machtige heilige, de zoon van Vyāsa, hem de toestemming. Nadat de koning, die god onder de mensen, samen met de verzaakte wijzen hem hadden vereerd, ging hij weg. (9-10) Parīkchit, de heilige koning, plaatste met de macht van de rede daarop zijn geest in zijn ziel, mediteerde op de Allerhoogste Waarheid en stopte zijn ademen zodat hij zo bewegingloos als een boom werd. Aan de oever van de Ganges zittend op darbha gras dat naar het oosten was gelegd brak de grote yogi, met zijn gezicht naar het noorden gericht, met alle twijfels in het volmaakte besef van de Absolute Geest. (11) Beste geleerden, toen Takshaka, ertoe aangezet door de kwaad geworden zoon van de brahmaanse wijze [Samika], op weg was om de koning te doden, kwam hij Kas'yapa Muni tegen [zie 1.18]. (12) Hij was een deskundige op het gebied van het bestrijden van vergif, maar werd door Takshaka tevreden gesteld met kostbaarheden en ertoe overgehaald huiswaarts te keren. Vervolgens vermomde hij, die elke gewenste gedaante kon aannemen, zich als een brahmaan en beet de koning. (13) Voor ogen van al de belichaamde zielen werd het lichaam van de volledig zelfverwerkelijkte heilige onder de koningen verteerd door het vuur van het slangengif en veranderde het terstond in as. (14) Uit alle richtingen van de aarde en de hemel klonk er een luide jammerkreet van ontzetting van vrijwel al de halfgoden, demonen, menselijke wezens en andere schepselen. (15) De pauken van de halfgoden weerklonken, de Gandharva's en Apsara's zongen en de zelfgerealiseerde zielen spraken lovende woorden en lieten een regen van bloemen neerdalen. (16) Toen Janamejaya hoorde dat zijn vader door Takshaka was gebeten, ontstak hij in woede en offerde hij gepast samen met de brahmanen al de slangen [van de wereld] als offergaven in een offerplechtigheid. (17) Takshaka die zag hoe de grote serpenten werden verbrand in het laaiende vuur van het slangenoffer, ging zeer van streek door zijn angst naar Indra om bij hem zijn toevlucht te zoeken. (18) Koning Janamejaya die Takshaka er niet bij zag, zei tot de brahmanen: 'Waarom is Takshaka, de laagste van alle serpenten, niet verbrand?'

(19) [Ze antwoordden:] 'O beste der koningen, hij houdt zich schuil, hij nam zijn toevlucht tot Indra. De slang wordt door hem beschermd en belandde daarom niet in het vuur.

(20) Nadat de hoogst intelligente zoon van Parīkchit deze woorden hoorde zei hij tegen de priesters: 'Beste geleerden, waarom gooien we niet zowel Takshaka als Indra in het vuur?'

(21) Toen zij dat hoorden voerden de priesters het ritueel uit om Takshaka samen met Indra te offeren. [Ze baden:] 'O Takshaka, moge je spoedig hier in het vuur belanden samen met Indra en zijn schare halfgoden.' (22) Indra die samen met Takshaka en zijn vimāna door de beledigende woorden van de brahmanen uit zijn positie werd gestoten, raakte er zeer door verstoord. (23) Brihaspati, de zoon van Angirā, die hem met Takshaka in zijn vimāna uit de hemel zag vallen, richtte zich tot de koning: (24) 'Deze slangenvogel verdient het niet door u te worden gedood, o heerser over de mensen. Hij, deze koning der slangen, dronk van de nectar [der goden] en is derhalve zonder twijfel vrij van veroudering en onsterfelijk! (25) Het leven en de dood van een levend wezen en zijn bestemming [in een volgend leven] o Koning, zijn enkel het resultaat van zijn karma; geen andere instantie dan deze verschaft hem geluk en ongeluk. (26) Een levend wezen dat sterft vanwege slangen, dieven, vuur en bliksem, honger, dorst, ziekte en andere instanties, o Koning, ondergaat dat vanwege het karma dat hij opbouwde. (27) Daarom, o Koning moet worden gestopt met dit offer dat wordt uitgevoerd om anderen te schaden. Mensen die onschuldige slangen verbranden zullen zelf dat lot moeten ondergaan [zie ook de Mahābhārata 1.43].' "

(28) Sūta zei: "Aldus toegesproken zei hij: 'Zo zij het!', en met achting voor de woorden van de grote wijze maakte hij een einde aan het slangenoffer en vereerde hij die meester van de spraakkunst [Brihaspati]. (29) Het is deze grote materiėle begoocheling [mahāmāyā] eigen aan Vishnu die ongeluk brengt en niet tegen te gaan is als gevolg van de wisselwerking van de kwaliteiten [de guna's] van de materiėle natuur, waardoor de zielen die deel en geheel van Hem uitmaken verbijsterd raken en gevangen in materiėle lichamen. (30-31) De zichtbare begoochelende energie waarin men verkerend en de vrede ontberend, denkt in de trant van 'dat is een bedrieger', zal niet [overwegen] als men steeds onderzoekt wat er in de ziel omgaat. Dit omdat men in dat waarvan de transcendentalisten spreken niet de materialistische argumenten heeft die zo vele vormen aannemen en men ook niet de geest heeft vol van beslissingen en twijfels die daaruit voortvloeit. Daarin [in dat bovenzinnelijk bewustzijn] is het levende wezen niet van wereldse zaken of dat wat daartoe leidt en ook niet van de voordelen die men door hen behaalt, noch van het ik-besef dat zo sterk is in het verbonden zijn met de geaardheden. Deze zaken vallen daarbuiten. Een wijs iemand behoort er behagen in te scheppen zich verre te houden van de golven van de wereldse conditioneringen alsmede van een ieder die aldus verstrikt is [zie ook b.v. 6.4: 31-32]. (32) De allerhoogste toevlucht van Heer Vishnu wordt, door hen die ernaar verlangen alles op te geven wat niet essentieel is, omschreven als dat wat 'noch dit, noch dat' is [zie ook neti neti]. Het immorele [materialisme] afwijzend en met hun emoties nergens anders op gericht, omarmen ze in hun harten het 'niet-dat' [van de Ziel, van Hem] waaraan ze diep verzonken in meditatie [in samādhi] vasthouden. (33) Zij voor wie er niet de corruptie is van het 'ik' en 'mijn' dat is gebaseerd op het hebben van een huis en een lijf, komen er op die manier dan achter wat de allerhoogste toevlucht van Vishnu is. (34) Beledigende woorden moet men verdragen en nimmer moet men iemand minachten, noch moet men zich identificeren met dit materiėle lichaam of wrok koesteren jegens wie dan ook. (35) Ik biedt Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid S'rī Krishna, mijn eerbetuigingen, Hij wiens kennis altijd nieuw is en op wiens lotusvoeten mediterend ik mij deze verzameling wijsheden [Samhitā] eigen heb gemaakt'."

(35) S'rī S'aunaka zei: "Alstublieft o beminnelijke ziel [Sūta], zeg ons dit: hoe spraken Paila en de andere hoogst intelligente discipelen van Vyāsa die het Vedisch  gezag vormen, over de Veda's en hoe hebben ze die verdeeld?"

(37) Sūta zei: "O brahmaan, Heer Brahmā, het meest verheven levende wezen, had zijn geest volmaakt in bedwang en hoorde in zijn hart het subtiele bovenzinnelijke geluid [van ta-pa, 2.9: 6] dat oprees vanuit de ether. Men kan dat geluid horen als men zijn oren sluit [voor geluiden van buitenaf. Zie ook s'abda]. (38) Door dat geluid te aanbidden, o brahmaan, zuiveren yogi's hun harten van de besmetting van wat men de substantie, de handeling en de doener [**] noemt, en raken ze bevrijd van wedergeboorte. (39) In die activiteit vond de drieledige omkāra [A-U-M] zijn bestaan die, zich ongezien manifesterend, de representatie vormt van de Opperheer [Bhagavān], de Absolute Waarheid [Brahman] en de Superziel [Paramātmā, zie ook 1.2: 11, B.G. 7: 8]. (40-41) Men neemt dit [eeuwige, zich ongezien voordoende] geluid waar buiten de fysieke gehoorzin en het visueel vermogen om. Het geheel aan Vedisch geluid waar men zich van bedient is een uitwerking van de zich vanuit de ziel in de ether manifesterende omkāra. Hij vormt de rechtstreekse uitdrukking van de zichzelf genererende Absolute Waarheid en de Superziel, hij vormt het eeuwige zaad van de Veda's en vormt het geheim van alle mantra's [zie ook 7.15: 31, 9.14: 48, 11.14: 34-35, 11.21: 36-40]. (42) O eminentie van Bhrigu, de drie klanken van het alfabet beginnende met de A die hun bestaan vonden [de klanken A, U, en M], liggen ten grondslag aan [al] de drievoudige vormen van materieel bestaan: de geaardheden [de guna's], de namen [van de drie Veda's], de bestemmingen [de drie soorten loka's] en de staten van bewustzijn [avasthātraya]. (43) De machtige ongeboren heer [Brahmā] schiep daaruit [uit die drieklank] de verschillende geluiden die het geheel vormen van klinkers, sisklanken, halfklinkers en medeklinkers zoals men ze kent in hun lange en korte vormen. (44) Met de bedoeling uitleg te verschaffen over de vier offerplechtigheden [zie ritvik] schiep de almachtige met al deze klanken vanuit zijn vier gezichten de vier Veda's, samen verschijnend met de omkāra en vyāhriti aanheffingen [van de namen van de zeven loka's]. (45) Hij onderwees ze [als een geheel] aan zijn zoons, de grote rishi's onder de brahmanen hoogst bedreven in de kunst der Vedische recitatie, en zij op hun beurt gaven ze als leraren van het dharma [ācārya's] door aan hun zoons. (46) Gedurende de vier yuga's ontving generatie na generatie de ene na de andere discipel standvastig in zijn geloften, hen [deze Veda's] in geestelijke erfopvolging [paramparā]. Ze werden aan het einde van Dvāpara-yuga verdeeld onder de vooraanstaande wijzen. (47) De brahmaanse wijzen, geļnspireerd door de Onfeilbare Heer in hun hart, kwamen tot dat onder elkaar verdelen van de Veda toen ze zagen dat onder de invloed van de tijd de intelligentie [van de mensen] afnam, de levensduur korter werd en de kracht verminderde [zie ook 1.4: 16-18]. (48-49) O brahmaan, in deze periode [van Manu] verzochten Brahmā, S'iva en andere heersers over de werelden de Allerhoogste Heer, de Beschermer van het Universum, de principes van de religie te beschermen. O hoogst fortuinlijke ziel, de Heer [in de gedaante van Krishna Dvaipāyana Vyāsa] daalde toen, door Parās'ara verwekt in de schoot van Satyavatī, neder als een deelaspect van Zijn volkomen expansie [Sankarshana], en verdeelde de Veda in vieren. (50) Als iemand die juwelen sorteert, deelde hij de groep mantra's op in vier categorieėn verzamelingen [of Samhitā's]: de Rig, Atharva, Yajur en Sāma Veda [zie Veda's]. (51) De hoogst intelligente en machtige wijze, riep vier van zijn leerlingen de een na de ander bij zich o brahmaan, om aan ieder van hen een van de [vier] verzamelingen over te dragen. (52-53) Hij bracht Paila de eerste verzameling [de Rig Veda] bij genaamd Bahvrica ['vele verzen'], voor Vais'ampāyana sprak hij de verzameling van de Yajur-mantra's die Nigada heet ['het gereciteerde'], de Sāma-mantra's getiteld Chandoga ['de zanger van het metrum'] leerde hij Jaimini en de [Atharva-]mantra's van [de wijzen] Atharva en Angirā vertrouwde hij zijn geliefde leerling Sumantu toe [zie ook 4.21: 22]. (54-56) Paila vertelde zijn Samhitā [die hij in tweeėn deelde] aan Indrapramiti en Bāshkala. De laatstgenoemde o zoon van Bhrigu [S'aunaka], verdeelde zijn verzameling in vier stukken die hij doorgaf aan zijn discipelen Bodhya, Yājńavalkya, Parās'ara en Agnimitra. De zelfbeheerste wijze Indrapramiti onderwees zijn verzameling aan de geschoolde ziener [zijn zoon] Māndūkeya en zijn discipel Devamitra droeg hem over aan Saubhari en anderen. (57) S'ākalya, zijn zoon, verdeelde zijn verzameling in vijf stukken die hij doorgaf aan Vātsya, Mudgala, S'ālīya, Gokhalya en S'is'ira. (58) De wijze Jātūkarnya, ook een leerling van hem, voegde aan de collectie die hij ontving een woordenlijst toe en gaf hem door aan Balāka, Paila, Jābāla en Viraja. (59) Bāshkali [de zoon van Bāshkala] stelde uit de verschillende afdelingen [van de Rig Veda] de verzameling genaamd de Vālakhilya-Samhitā samen die door [de Daityazonen] Vālāyani, Bhajya en Kās'āra in ontvangst werden genomen. (60) Dit is hoe die vele verzamelingen van de Rig Veda [in erfopvolging] werden hoog gehouden door deze brahmaanse zieners. Een ieder die verneemt over de verdeling van deze heilige verzen raakt bevrijd van alle zonden.

(61) [Sommige] leerlingen van Vais'ampāyana stonden bekend als de Caraka's ['de gezworenen'] omdat ze een gelofte naleefden namens hun goeroe om te boeten voor de zonde van het doden van een brahmaan. Zij werden autoriteiten op het gebied van de Atharva Veda. (62) Yājńavalkya, een andere discipel, zei: 'O meester, wat zijn de pogingen van deze zwakke broeders nu waard? Ik zal een heel lastige boetedoening uitvoeren!'

(63) Aldus toegesproken werd zijn geestelijk leraar kwaad en zei: 'Ga weg, genoeg heb ik van jou, een discipel die geleerden beledigd; geef onmiddellijk alles op wat ik je heb bijgebracht!'

(64-65) De zoon van Devarāta hoestte toen de verzamelde Yajur-mantra's op. Toen hij was vertrokken keken de wijzen begeertig naar deze Yajur-mantra's en veranderden in patrijzen die ze oppikten. Aldus raakten deze gedeelten van de Yajur Veda bekend als de wonderschone Taittirīya-Samhitā ['de patrijzenverzameling']. (66) O brahmaan, Yājńavalkya, op zoek naar extra mantra's die zijn geestelijk leraar niet kende, aanbad daarop aandachtig de Heer van de zon.

(67) S'rī Yājńavalkya zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de Hoogste Persoonlijkheid van God die, verschijnend als de zon en net als de ether in de vorm van de Superziel vanbinnen en de Tijd vanbuiten, aanwezig is in de harten van de vier soorten levende wezens van Brahmā tot aan de grassprieten [als geboren uit eieren, baarmoeders, vocht en zaad, zie ook 2.10: 37-40]. U die niet in materiėle termen te vatten bent, volbrengt geheel alleen, met de stroom der jaren die bestaat uit de kleine fragmenten van de kshana's, lava's en nimesha's [zie 3.11: 7], de handhaving van dit universum middels het wegnemen en weer retourneren van haar water [in de vorm van regen]. (68) O Heer van de Zon, o Stralende, o Beste onder de Ontwaakten, met de regels van de heilige traditie mediteer ik dagelijks, tijdens de [drie] keerpunten van de dag, met volle aandacht op Uw gloeiende schijf, op U de machtige heerser, die van een ieder die gebeden opdraagt al de zonden verbrandt, alsook het resulterende lijden en wat tot hen leidde [zie ook 11.14: 35 en de Gāyatrī]. (69) U, die in deze wereld de Heer bent wonend in de harten van al de van Uw beschutting afhankelijke bewegende en niet-bewegende levende wezens, wekt hun onbewuste, materiėle geest, zinnen en verschillende soorten vitale adem [de vāyu's] tot leven. (70) Deze wereld werd gegrepen en verzwolgen door de schrikwekkende bek van de python die bekend staat als de duisternis en verviel daardoor in het onbewuste als ging ze dood. U alleen, die met het grootste mededogen genadevol Uw blik werpt, wekt [de slapende geesten] op met het schenken van inzicht. Aan het begin, halverwege en aan het eind van de dag betrekt U zo, dag na dag, [de vromen] in het heil dat bekend staat als de eigen aard van dienstverlenen in een spiritueel bestaan [svadharma]. (71) Gelijk een aardse koning trekt U rond [in de gedaante van de zon] overal angst wekkend bij de zondaren, terwijl de goden van de windrichtingen met lotusbloemen in hun handen, met hun handpalmen bijeen hun eer betuigen. (72) Hopend op Yajur-mantra's onbekend bij anderen, benader ik daarom met gebed o Heer, Uw twee lotusvoeten die worden vereerd door de geestelijk leraren van de drie werelden [de loka's, en zie 5.23: 8].' "

(73) Sūta zei: "Hij, de Allerhoogste Heer van de Zon aldus verheerlijkt tevreden gesteld, nam de gedaante van een paard aan en presenteerde aan de wijze de Yajur-mantra's nimmer eerder gekend door een andere sterveling [zie ook 5.18: 6]. (74) De machtige wijze verdeelde de honderden Yajur-mantra's in vijftien afdelingen die werden ontvangen door de discipelen Kānva, Mādhyandina en anderen onder de naam Vājasaneyi: 'stammend van de manen van het paard.' (75) Van Jaimini Rishi, de beheerder van de Sāma Veda, was er een zoon Sumantu alsook een kleinzoon Sutvān. Aan ieder van hen vertelde hij een helft van de verzameling. (76-77) Sukarmā, een andere leerling [van Jaimini] en een groot denker, verdeelde de boom van de Sāma Veda in een duizendtal verzamelingen van Sāma-mantra's waarna, o brahmaan, de discipelen Hiranyanābha - de zoon van Kus'ala - Paushyańji en een andere genaamd Āvantya met een hoog ontwikkeld spiritueel inzicht, de zorg voor hen op zich namen. (78) Van Paushyańji en Āvantya bestonden er vijfhonderd discipelen die de Sāma Veda-zangers van het noorden worden genoemd, of ook wel [in latere tijden, sommigen van hen] die van het oosten. (79) Laugākshi, Māngali, Kulya, Kus'īda en Kukshi, [vijf] andere leerlingen van Paushyańji, namen ieder de zorg op zich voor een honderdtal mantraverzamelingen. (80) Krita, een discipel van Hiranyanābha, droeg vierentwintig Samhitā's over aan zijn leerlingen en de resterende Samhitā's werden doorverteld door de zelfverwerkelijkte wijze Āvantya."

*: Het S'rīmad Bhāgavatam staat ook bekend onder de naam 'Paramahamsa Samhitā': de verzameling van verhalen over de Allerhoogste Zwaangelijke Heer.

**: De substantie, de handeling en de doener als onzuiverheden worden begrepen als manifestaties van de tot ego inspirerende geaardheden van de onwetendheid van de inerte materie, de hartstocht van de beweging en de goedheid van de kennis, ookwel bekend als de adhibhautika hindernis van het lichaam, de adhyātmika hindernis van de organen van handelen en de adhidaivika hindernis van de waarnemende zinnen [zie kles'a].

 



 Hoofdstuk 7: De Toewijding in Samhitā Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purāna's

(1) S'rī Sūta zei: "Sumantu Rishi, de kenner van de Atharva Veda onderrichtte [zie 12.6: 52-53] zijn mantraverzameling aan zijn leerling [Kabandha], die hem [in tweeėn deelde en] vertelde aan Pathya en Vedadars'a. (2) Alstublieft luister: S'auklāyani, Brahmabali, Modosha en Pippalāyani, de discipelen van Vedadars'a en de discipelen Kumuda, S'unaka en Jājali van Pathya mijn beste brahmaan, waren ook allemaal autoriteiten op het gebied van de Atharva Veda. (3) Vervolgens leerden Babhru en Saindhavāyana, twee discipelen van S'unaka [Angirā], op dezelfde manier twee Samhitā's en leerden andere discipelen met Sāvarna voorop ze [weer van hen] op hun beurt. (4) Ook Nakshatrakalpa, S'āntikalpa, Kas'yapa en Āngirasa behoren tot deze ācārya's van de Atharva Veda. Verneem nu o wijze, over de autoriteiten van de Purāna's.

(5) Trayyāruni, Kas'yapa, Sāvarni, Akritavrana, Vais'ampāyana en Hārīta vormen de zes meesters van de Purāna's. (6) Ieder van hen nam kennis van één verzameling uit de mond van Vyāsa's leerling, mijn vader [Romaharshana] en ik, als een discipel van [al] deze [meesters], raakte goed onderlegd in al [de verzamelingen]. (7) Kas'yapa, ik, Sāvarni en Akritavrana, die een leerling is van Rāma [Pāras'urāma, zie ook 10.74: 7-9], leerden vier basisverzamelingen van [Romaharshana,] de leerling van Vyāsa. (8) O brahmaan, luister alstublieft aandachtig naar wat de kenmerken zijn van een Purāna zoals vastgesteld door de intelligentste brahmaanse zieners in overeenstemming met de Vedische geschriften. (9-10) De schepping [van dit universum, sarga], de daaropvolgende schepping [van verschillende werelden en wezens, visarga], de handhaving [het onderhoud, de vritti of sthāna] en de bescherming [de rakshā of poshana van de levende wezens], de tijdperken van heersen [van de verschillende Manu's], de dynastieėn [de vams'a's], de vertellingen over hen [vams'a-anucaritam], de vernietiging [van verschillende aard, pralaya of samsthā], de reden [het individuele levende wezen of hetu] en de allerhoogste toevlucht [van de Fortuinlijke of apās'raya] o brahmaan, vormen de tien onderwerpen van een Purāna zoals begrepen door de autoriteiten op dit gebied. Sommigen stellen dat in verhouding tot de grotere, de kleinere Purāna's over slechts vijf van deze onderwerpen handelen [zie ook S'uka hierover 2.10: 1-7 en *].

(11) Schepping [sarga] is wat men het genereren uit de oerstaat noemt. Uit die staat wekte de onrust der geaardheden de kosmische intelligentie op waaruit de identificatie met de materie zich voordeed die is verdeeld in drie aspecten [of soorten van wezens overeenkomstig de geaardheden]. Dit leidde verder tot de manifestatie van de subtiele vormen van waarnemen, de zintuigen en de voorwerpen der zintuiglijke waarneming [formatie door de conditionering van en identificatie met de Tijd, vergelijk 2.10: 3].

(12) De secundaire schepping [visarga] bestaat uit de verzameling van ideeėn [indrukken, verlangens, verwachtingen, de vāsanā's] van de bewegende en niet-bewegende levende wezens. Deze geneigdheden worden, bij genade van de Oorspronkelijke Persoon [de purusha], op dezelfde manier voortgebracht als zaad dat [nog meer] zaad voortbrengt.

(13) Levende wezens houden zich in leven met levende wezens die zich rondbewegen dan wel zich niet rondbewegen. Voor menselijke wezens in het bijzonder houdt dit [deze vritti] in dat men in dezen handelt in overeenstemming met de persoonlijke aard, met zijn lust of met schriftuurlijke regelingen.

(14) Rakshā [of bescherming] betreft de [activiteiten van] de incarnaties van de Onfeilbare die hier tijdperk na tijdperk aanwezig zijn onder de dieren, de stervelingen, de zieners en de halfgoden van dit universum, en de vijanden van de drievoudige Veda doden [zie ook B.G. 4: 7].

(15) In ieder tijdperk waarin een Manu heerst spreekt men van de Heer in zesvoud [gemanifesteerd]: de Manu, de halfgoden, de zonen van Manu, de verschillende heersers over de verlichte zielen [de Indra's], de zieners [of rishi's] en de gedeeltelijke incarnaties [van de Heer, de ams'a-avatāra's].

(16) Dynastieėn [vams'a's] stammend van Brahmā strekken zich als series van koningen uit in verleden heden en toekomst [trikālika] en hun geschiedenissen [vams'a-anucaritam] beschrijven de handelingen van de elkaar opvolgende vooraanstaande leden.

(17) De periodieke, natuurlijke, voortdurende en volkomen vernietiging die als gevolg van Zijn vermogen plaatsvindt vormt de vier aspecten van wat de geleerden omschrijven als het zich oplossen van dit universum [de samsthā of de pralaya, zie ook 12.4].

(18) De reden [hetu] van [het bestaan van] de schepping [sarga] en alles wat erbij hoort [de handhaving en vernietiging] van dit [universum], wordt gevormd door de individuele levende ziel [de spirituele en persoonlijke jīva], die uit onwetendheid resultaat gericht handelt [karma verzamelt], iemand waarvan anderen spreken als het ongemanifesteerde [onpersoonlijke en geconditioneerde] zelf.

(19) De Absolute Waarheid ['God', brahma, devadeva] als de allerhoogste toevlucht [apās'raya] bestaat zowel afzonderlijk van als verbonden met [of in] het waken, slapen en de droomloze slaap, de vormen voorgesteld door de begoochelende energie en de individuele [morele] gedragswijze. (20) Net zoals de basissubstantie van materiėle voorwerpen bestaat zowel afzonderlijk van als verbonden met bestaande dingen met een naam en vorm, bestaat het [de Absolute Waarheid] door de verschillende fasen van een fysiek bestaan heen, verbonden met en losstaand van het zaad in het begin tot aan de vijf elementen [waarnaar men terugkeert] op het eind [vergelijk 8.6: 10]. (21) Als de geest uit zichzelf stopt door het loslaten van de drie bewustzijnsfuncties [vritti-traya] of door het beoefenen van [bhakti] yoga, kent men de Opperziel en geeft men het op nog materieel te ondernemen  [zie ook 3.25: 32-33].

(22) De wijzen thuis in de antieke verhalen, zeggen dat, aldus onderscheiden in hun kenmerken, er achttien grote en [achttien] kleine Purāna's zijn [van 9.000 tot aan 81.000 verzen, zie ook Upa-purāna]. (23-24) Zij [de groten] staan bekend als de drie keer zes Purāna's [overeenkomstig iedere guna-avatāra] genaamd Brahmā, Padma, Vishnu, S'iva, Linga, Garuda, Nārada, Bhāgavata, Agni, Skanda, Bhavishya, Brahma-vaivarta, Mārkandeya, Vāmana, Varāha, Matsya, Kūrma en Brahmānda [zie Purāna's]. (25) O brahmaan, ik beschreef aldus grondig de takken [van Vedische kennis] bevorderlijk voor het spiritueel vermogen zoals die werden opgedeeld door de wijze [Vyāsadeva], zijn discipelen en de discipelen van zijn discipelen."

*: Het Vedische vers (Amarkhasa) betreffende deze secundaire status van een Purāna stelt: sargas' ca pratisargas' ca vams'o manvantarāni ca vams'ānucaritam ceti purānam pańca-lakshanam; "Schepping, secundaire schepping, de dynastieėn van de koningen, hun handelingen en de regeerperioden van de Manu's zijn de vijf kenmerken van een Purāna."

S'rīla Jīva Gosvāmī heeft hierbij duidelijk gemaakt dat de tien belangrijkste onderwerpen van het S'rīmad-Bhāgavatam terug te vinden zijn in ieder van de twaalf Canto's. Men moet niet proberen ieder van de tien toe te wijzen tot één canto apart. Noch moet het S'rīmad-Bhāgavatam kunstmatig worden uitgelegd om te bewijzen dat het in opeenvolging die onderwerpen behandelt. Het is eenvoudigweg zo dat alle aspecten van kennis belangrijk voor menselijke wezens, samengevat in de tien categorieėn hierboven vermeld, worden besproken met wisselende graden van nadruk en analyse door het hele S'rīmad-Bhāgavatam heen [pp. 12.7: 9-10].

 

Hoofdstuk 8: Mārkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nārāyana Rishi

(1) S'rī S'aunaka zei: "O Sūta, moge u lang leven, o heilige man;, o beste der sprekers, spreekt u alstublieft tot ons, omdat u voor een mensheid die in de eindeloze duisternis ronddoolt de ziener bent van het tegendeel. (2-5) Mensen zeggen dat de zoon van Mrikandu, de ziener [genaamd Mārkandeya] die gezegend is met een buitengewoon lange levensduur, de enige was die overbleef aan het einde van de kalpa als dit gehele universum wordt overspoeld. Hij, de meest vooraanstaande afstammeling van Bhrigu, werd deze kalpa geboren in mijn eigen familie en we hebben in ons tijdperk tot nu toe nog geen grote zondvloed die de hele schepping omvat zien plaatsvinden. Geheel alleen in deze grote oceaan ronddolend trof hij, zo gaat het verhaal, één enkele, wonderbaarlijke persoonlijkheid aan, een babyjongetje dat in de vouw van een banyan-blad lag. Hierover verkeren wij in grote twijfel; alstublieft, o yogi die door iedereen beschouwd wordt als zijnde de grootste autoriteit op het gebied van de Purāna's, maak voor ons die er zo begerig naar uitzien daar een einde aan."

(6) Sūta zei: "O grote wijze, deze vraag van u neemt de lichtzinnigheid weg van de ganse wereld omdat ze leidt tot de bespreking van het verhaal van Nārāyana dat het vuil van Kali-yuga wegneemt. (7-11) Mārkandeya die, ordelijk de vedische lofzangen met inbegrip van de religieuze verplichtingen bestuderend, van zijn vader de wedergeboorte-initiatie rituelen had ontvangen, was volkomen in zijn verzakingen en studies. Zich aan de grote gelofte houdend [zie yama] droeg hij vredig met samengeklit haar en met boombast als zijn kleren de waterpot, de bedelstaf, de heilige draad en de gordel van het celibaat. Met het vel van een zwart hert en gebedskralen van lotuszaden aanbad hij voor het heil van zijn geregelde praktijk [zie niyama] bij de overgangen van de dag tot de Heer in de gedaante van het vuur, de zon, de goeroe, de geschoolden en de Allerhoogste Ziel. 's Ochtends en 's avonds bracht hij met zijn stem onder controle dat wat hij had ingezameld met bedelen naar zijn geestelijk leraar en at hij mee als hij ertoe was uitgenodigd of vastte hij indien dat niet zo was [zie ook 7.12; 5 en 7.14: 17]. Toen hij op deze manier van boete en studie voor een eindeloos aantal [miljoenen] jaren van aanbidding was geweest voor de Meester der Zinnen, had hij overwonnen wat onmogelijk te overwinnen was: de dood. (12) Brahmā, Bhrigu, S'iva, Daksha, de zoons van Brahmā en de andere menselijke wezens, de halfgoden, de voorvaderen en de geesten verbaasden zich daar allen over. (13) Met het op deze manier middels zijn verzakingen, recitaties en zinsbeteugeling standhouden met de grote gelofte, mediteerde de yogi op de Heer in het Voorbije en ontdeed zich zo met zijn geest inwaarts gekeerd van alle hindernissen. (14) Met het aldus middels de yoga concentreren van zijn geest, verstreek de enorme tijdspanne van zes manvantara's [van 71 mahāyuga's ieder]. (15) In de zevende periode van Manu vernam Purandara [Indra] van de verzakingen. Hij raakte bevreesd, o brahmaan, en besloot hij hem te dwarsbomen. (16) Hij stuurde hemelse zangers en dansmeisjes, Cupido, het lenteseizoen, de [naar sandelhout geurende] Malaya-bries, het kind van de hartstocht en het kind van de bedwelming op de wijze af. (17) O machtige, zij begaven zich allen naar zijn hermitage die aan de noordzijde van de Himalaya's was gesitueerd alwaar men de rivier de Pushpabhadrā en de bergpiek genaamd Citrā aantreft. (18-20) De goede plek van de ās'rama waar vele tweemaal geboren zielen op af waren gekomen om er te leven, werd omlijst door fijn geboomte en klimplanten en kende overal bekkens vol van kristalhelder water. Zoemend van de doldwaze bijen was er een drukte van allerlei vogelfamilies - opgewonden roepende koekoeken en druk dansende, trotse pauwen. De winden die er waaiden voerden de verkoelende mistdruppels van de watervallen met zich mee en vormden, omarmd door de bekoring der bloemen, een uitnodiging voor de god van de liefde. (21) Met de maan die in de nacht rijzend zijn gezicht toonde, deed zich daar de lente voor in reeksen van nieuwe spruiten en bloesems met de veelvoud aan klimplanten die innig verstrengeld waren met de bomen. (22) Gevolgd door groepen zingende en muziekinstrumenten bespelende Gandharva's, liet de god van de liefde, de meester van hordes van hemelse vrouwen, zich daar zien met zijn boog en pijlen in zijn hand. (23) De dienaren van Indra troffen hem daar op die plek aan, hij die, met het gebracht hebben van zijn offers, met gesloten ogen neerzat in meditatie zo onoverwinnelijk als het vuur zelve. (24) De vrouwen dansten recht voor zijn neus en de zangers van de hemel zongen en maakten muziek met trommels, cimbalen en vīnā's. (25) Terwijl de dienaren van Indra, het kind van de lente en het kind van de begeerte poogden de geest van de wijze af te leiden, legde de vijfkoppige Cupido (naar het zien, het horen, het ruiken, het voelen en het proeven) een pijl aan op zijn boog. (26-27) Uit de haarvlecht van Puńjikasthalī [een Apsara] die met haar middel zwaar overhangen door haar geweldige borsten aan het spelen was met een aantal ballen, vielen de bloemen naar beneden. Achtera de ballen aanhollend, met haar ogen van links naar rechts schietend, gleed de gordel van haar dunne kleed los en tilde de wind de fijne stof van haar kledingstuk op [zie ook 3.20: 35-36, 3.22: 17, 5.2: 14, 8.12: 17-24]. (28) Cupido, denkend dat hij hem verslagen had, schoot toen zijn pijl op hem af. Maar dit alles gericht op de wijze bleek zo nutteloos als de pogingen van een ongelovige. (29) O wijze, op deze manier trachtend de wijze in verlegenheid te brengen, voelden ze hoe ze zich brandden aan zijn vermogen en dus zagen ze ervan af als waren ze kinderen die een slang hebben uitgelokt. (30) O brahmaan, hoewel de volgelingen van Indra de grote muni grof hadden verstoord, gaf hij geen strobreed toe aan de sentimenten van het ego. En dat is voor een grote ziel helemaal niet zo verrassend.

(31) Ziend en horend hoe, door de kracht van de brahmaanse ziener, Kāmadeva samen met zijn metgezellen machteloos stonden, stond de machtige koning van de hemel versteld. (32) Toen Mārkandeya in zijn verzaking met recitatie en ingetogenheid aldus zijn geest concentreerde, manifesteerde de Allerhoogste Heer Zichzelf om als Nara-Nārāyana Zijn genade te tonen. (33-34) Van Hen twee was de ene blank en de andere zwart; Hun ogen waren als bloeiende lotussen, van Hun armen waren er vier, Hun kleding bestond uit zwart hertenvel en uit boombast, Hun handen allerzuiverst, droegen een waterpot en een rechte staf van bamboe, en Hun heilige draad bestond uit drie draden. Met gebedskralen van lotuszaden die alle menselijke wezens zuiveren en met de Veda's [in de vorm van bundels darbha] representeerden zij, aanbeden door de belangrijkste halfgoden, gloedvol geel van kleur en lang van stuk, stralend van het licht de verzaking. (35) Toen hij Nara en Nārāyana zag, de directe persoonlijke manifestaties van de Hoogste Persoonlijkheid van God, stond hij op om met het grootste respect zijn eer te betonen en zich plat voorover te werpen. (36) Omdat hij, toen hij Hen te zien kreeg, geluk ervoer door zijn hele lijf, geest en zinnen waarbij de haren op zijn lichaam recht overeind gingen staan, kon hij, door de tranen die zijn ogen vulden, zijn blik niet meer helder op Hen richten. (37) Deemoedig voor Hen staand met gevouwen handen richtte hij zich vol verlangen tot Hen als wilde hij Hen omarmen en uitte hij verstikt tegenover de twee Heren de lettergrepen 'na-ma-ha, na-ma-ha' (mijn eerbetuigingen, mijn eerbetuigingen). (38) Hij bood Hen zitplaatsen, waste Hun voeten, smeerde met sandelhout en andere geurige substanties en was van aanbidding met wierook en bloemenslingers. (39) Toen ze comfortabel zaten op Hun zitplaatsen en er klaar voor waren om Hun genade te tonen zei hij, opnieuw voor Hun voeten neerbuigend, het volgende tot de Hoogst Aanbiddelijke Persoonlijkheden.

(40) S'rī Mārkandeya zei: 'O Almachtige hoe kan ik U onder woorden brengen dankzij wie van alle belichaamde levende wezens zowel als van Brahmā, S'iva als van mijzelf de vitale adem met daaraan gekoppeld het spraakvermogen, de geest en de zinnen in gang wordt gezet; niettemin wordt U [ondanks deze fysieke dwang] de liefdevolle vriend van hen die van aanbidding zijn. (41) Deze persoonlijke gedaante van de Fortuinlijke, o Opperheer, toont U voor het uiteindelijke heil van het beėindigen van de materiėle ellende en het overwinnen van de dood; en net zoals U, voor de bescherming op verschillende manieren andere bovenzinnelijke lichamen manifesteert, verzwelgt U als U eenmaal dit universum hebt geschapen, net als een spin, het in zijn geheel weer. (42) Vanwege Hem, de Beschermer, de Allerhoogste Beheerser van hen die zich wel en niet rondbewegen, raakt degene die zich bevindt aan Zijn voetzolen nimmer in de greep van de emoties van karma, guna en kāla; U bent degene voor wie de wijzen met de Veda in hun hart zich ieder moment ter verering en meditatie in lof neerbuigen om U te kunnen bereiken. (43) Niets anders dan het bereiken van Uw voeten, de eigenlijke vorm van de bevrijding, brengt de persoon, die van alle kanten te vrezen heeft, o Heer, zijn heil. We weten dat Brahmā, wiens tijd twee parārdha's beslaat, op grond hiervan hoogst bevreesd is, hij is bang vanwege de Tijd die U bent - en hoezeer geldt dat dan niet voor de wereldse levensvormen die door hem zijn geschapen [zie 10.13: 56]? (44) Laat mij om die reden deze overdekking van het zelf verzaken, het materiėle lichaam en alles wat erbij hoort dat tijdelijk van aard, slechts voor een ogenblik herinnerd, niet-essentieel zijnde zo betekenisloos is. Laat me van aanbidding voor Uw voetzolen, U die de Intelligentie bent van wat werkelijk is en de Meester van de Ziel die de Absolute Waarheid is van Wie men alles krijgt wat men zich maar wensen kan. (45) O Heer, o Vriend van de Ziel, alhoewel de voortbrengselen van Uw begoochelende vermogen bekend onder de namen sattva, rajas en tamas, er voor de doelstellingen van de handhaving, vernietiging en schepping van dit universum zijn bij wijze van [Uw] vermaak, is het de [sattvische] goedheid die [met U] voortbestaat voor de bevrijding en niet de andere twee [van de hartstocht en de onwetendheid] die de mens gevaar, verbijstering en angst bezorgen [zie ook guna-avatāra's en 10.89: 18]. (46) Omdat de onbevreesdheid, het geluk van de ziel en de geestelijke wereld worden bereikt via de geaardheid der goedheid zijn de Sātvata's van die overtuiging en nimmer van enige andere [geaardheid of] vorm van de Oorspronkelijke Persoon. Om die reden aanbidden de geestelijke autoriteiten in deze wereld Uw transcendentale persoonlijke gedaante [Vishnu], alsmede de gedaante van degenen met enkel U voor ogen [de Vaishnava's], als zijnde het dierbaarst, o Allerhoogste Heer [zie ook 1.2: 26]. (47) Hij, de Allesdoordringende, Alomvattende Manifestatie en Meester van het Universum, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, bied ik mijn eerbetuigingen, daar Hij de hoogst aanbiddelijke godheid Nārāyana is, de wijze die de beste der mensen is die zich bevindt in volmaakte zuiverheid als de meester van de vedische geschriften die Zijn woord beheerst [zie hamsa]. (48) Hij inderdaad van wie, misleid door de begoochelende sluier over zijn ogen, zijn intelligentie op een dwaalspoor raakt wat betreft Zijn aanwezigheid in zijn eigen zinnen, zijn hart en zelfs in waargenomen voorwerpen, kan U, de Geestelijk Leraar van Allen, kennen als hij de vedische kennis verwerft, ook al was zijn begrip oorspronkelijk overdekt door Uw māyā. (49) De visie van de Opperziel, het mysterie onthuld door de vedische teksten, is waar de grote geleerden met de Ongeborene [Brahmā] voorop verbijsterd over raken als ze proberen met allerlei filosofieėn de kwestie van Zijn persoon aan hun manier van leven aan te passen. Want het is Hij die het begrip van de [geconditioneerde] geestelijke ziel tebovengaat, Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid die ik de eer betuig [vergelijk 1.3: 37, 4.31: 11, 4.18: 5, 5.6: 11, 5.14: 1, 7.15: 58, 11.19: 1, 11.20: 7 en B.G. 16: 23-24].

 

 




Hoofdstuk 9: Mārkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

(1) S'rī Sūta zei: "De Allerhoogste Heer Nārāyana, de Vriend van Nara, die aldus door Mārkandeya, de intelligente wijze, naar behoren was gerespecteerd, sprak daarop voldaan tot de eminente navolger van Bhrigu. (2) De Opperheer zei: 'O beste man volmaakt verzonken in de ziel, u bent de beste van alle brahmaanse zieners want door uw verzakingen, recitaties en concentratie wijkt u niet af in uw toegewijde dienst aan Mij. (3) We zijn volkomen tevreden over uw gedurige vasthouden aan de grote gelofte. Ik wens u het beste. Doe alstublieft een wens naar keuze. Ik ben de Verlener van Alle Zegeningen die u wenst.'

(4) De achtenswaardige rishi zei: 'U o Heer der Heerscharen, o Onfeilbare, zegeviert als de Verdrijver van Al het Leed van de Overgegeven Ziel. We hebben genoeg aan de zegening Uw goede Zelf te hebben mogen aanschouwen. (5) Brahmā en anderen kregen met een geest gerijpt in de yoga allen het zicht op Uw almachtige lotusvoeten en nu bent U in eigen persoon waarneembaar voor mijn ogen. (6) Niettemin zou ik o Lotusogige Kroonjuweel van de Roem, graag getuige willen zijn van het begoochelende vermogen waardoor de ganse wereld met inbegrip van haar leiders de Absolute Waarheid als een materiėle verscheidenheid kennen [vergelijk B.G. 11: 3-4].'

(7) Sūta zei: 'O wijze [S'aunaka], de Opperheer die met deze woorden van de rishi naar wens was verheerlijkt en aanbeden zei met een glimlach tot hem 'Zo zij het'. Daarna vertrok de Heer naar Badarikās'rama. (8-9) De rishi bleef enkel aan dat doel denkend [van het getuige zijn van de energie van de Heer] achter in zijn hermitage, en vereerde en bemediteerde onder alle omstandigheden de Heer zo goed hij kon [als aanwezig] in het vuur, de zon, de maan, het water, de aarde, de wind, de bliksem alsook in zijn hart. Verzonken in de stroom van zuivere liefde [prema] vergat hij dan soms zijn eerbetoon. (10) O beste van Bhrigu, toen de wijze op een dag met zijn avondritueel bezig was aan de oever van de Pushpabhadrā, stak er een hevige wind op, o brahmaan. (11) Die gaf een verschrikkelijk rumoer gevolgd door het verschijnen van dreigende wolken zo compact als wagenwielen die luid rommelden met blikseminslagen en overal striemende regenbuien. (12) Toen verschenen van alle kanten de vier oceanen die het aardoppervlak verzwolgen met hoog door de wind opgestuwde golven waarin zich samen met onheilspellende geluiden, angstwekkende draaikolken en verschrikkelijke zeemonsters bevonden. (13) Verbijsterd sloeg de wijze de schrik om het hart toen hij zag hoe de aarde onderstroomde en al de vier soorten bewoners van het universum [zoals geboren uit vocht, zaad, embryo's en eieren], met inbegrip van hemzelf, vanbinnen en vanbuiten werden geteisterd door de felle winden, de bliksemschichten en de golven water die hoger reikten dan de hemel. (14) Voor zijn ogen werd het water van de grote oceaan door orkanen tot kolken gebracht met angstwekkende golven terwijl het aanzwol door de regen uit de wolken en de ganse aarde met zijn continenten, eilanden en bergen overdekte. (15) Met de drie werelden, de aarde, de ruimte, de hemellichamen en hemelse oorden overstroomd aan alle kanten zwierf de wijze met zijn samengeklitte haar in wanorde rond als de enige overgebleven ziel, als was hij een blinde zonder verstand. (16) Honger en dorst lijdend, aangevallen door monsterachtige krokodillen en walvis-eters en geplaagd door de winden doolde hij, gekweld door de golven en overmand door vermoeidheid, door het eindeloze duister waarin hij was beland, niet meer wetend in welke richting van de hemel of de aarde hij zich begaf. (17-18) Soms verdrinkend in een grote draaikolk en dan weer gegeseld door de golven werd hij belaagd door monsters die hem het ene moment wilden opeten en het volgende moment elkaar aanvielen. In nood voelde hij zich soms ziek en leed hij pijnen met bij gelegenheid depressies, verbijstering, geluk en ongeluk, en vreesde hij dan weer voor zijn leven. (19) Talloze en talloze, honderden en duizenden jaren verstreken met hem verbijsterd ronddolend in die māyā, die begoochelende materiėle energie van Vishnu.

(20) Op een dag, toen hij daar zo rondzwierf, ontdekte de tweemaal geboren ziel op een hoger gelegen stukje aarde een prachtige, jonge banyanboom met vruchten en bloesems. (21) Op een tak ervan in noordoostelijke richting zag hij in de vouw van een blad een baby jongetje liggen dat met Zijn uitstraling de duisternis opslokte [zie ook 3.33: 4]. (22-25) Verbaasd laafde die koning onder de geleerden zich met zijn ogen aan de aanblik van Zijn huidskleur die zo blauw was als een grote edelsteen, Zijn mooie lotusgezichtje, Zijn als een schelphoorn gestreepte nek, Zijn brede borst, fijne neusje en prachtige wenkbrauwtjes. Zijn mooie haartjes trilden mee met Zijn ademhaling, Zijn fraaie schelpvormige oortjes leken op de bloemen van een granaatappel, Zijn lippen van koraal kleurden met hun gloed de nectargelijke  bekoorlijke glimlach op Zijn gezicht rood en Zijn ooghoeken waren zo roze als de werveling van een lotus. Zijn ademen bewoog de plooien in Zijn buikje diep doorsneden door zijn naveltje dat leek op een blaadje en ... hij zag hoe het kindje met de genadige vingertjes van Zijn twee handjes een van Zijn lotusvoetjes beetgreep en die in Zijn mondje stak [*]. (26) Toen hij dat zag was zijn matheid bij toverslag verdwenen en spreidden zich van vreugde de lotus van zijn hart en zijn lotusogen wijd open. Met zijn haren te berge vroeg hij zich af wie die wonderlijke verschijning zou kunnen zijn en ging hij recht op het kindje af om een antwoord te vinden. (27) Precies op dat moment werd de man van Bhrigu met de adem van de baby als een mug in Zijn lichaam gezogen en stond hij hoogst verrast versteld toen hij vanuit die positie het ganse universum weer zag in zijn oorspronkelijke staat [van voor de vernietiging]. (28-29) Hij aanschouwde het ganse uitspansel van al de sterren, de bergen en de oceanen, de richtingen van de grote eilanden en de continenten. Hij zag de verlichte en onverlichte zielen, de bossen, de landen, de rivieren, steden en mijnen, de boerengehuchten, de weilanden en de verschillende bezigheden van de varnās'rama samenleving. In dit als echt gemanifesteerde universum nam hij de basiselementen van de natuur waar en al hun grofstoffelijke manifestaties alsook de Tijd zelf in de vorm van de verschillende yuga's en kalpa's en elk ander voorwerp van nut in het materieel bestaan. (30) Toen hij met het universum voor zich de Himalaya's zag, de Pushpabhadrā rivier en zijn hermitage waar hij de rishi's had ontmoet [Nara en Nārāyana], werd hij via de adem van de baby weer naar buiten gestoten en viel hij  terug in de oceaan der vernietiging. (31-32) En daar, op het hoge stuk grond in het water waar de banyan groeide, was er het kind weer liggend in de vouw van zijn blad, dat hem met een nectargelijke blik vol liefde aankeek vanuit Zijn ooghoeken. De aanblik van de baby in zijn hart plaatsend haastte hij zich hoogst opgewonden naar de Heer van het Voorbije om Hem in zijn armen te sluiten. (33) Datzelfde moment werd Hij, de Allerhoogste Heer, de meester van de yoga in eigen persoon die schuilt in het hart van alle levende wezens, opeens onzichtbaar voor de rishi, net zoals zaken die door een incompetent iemand zijn vervaardigd het plots kunnen laten afweten. (34) O brahmaan, Hem volgend verdwenen daarop meteen ook de banyan en de wateren der vernietiging van de wereld en trof hij zichzelf als voorheen aan recht voor zijn ās'rama."

*: Het kindje dat Zijn voetje in Zijn mondje stak werd door S'rīla Vis'vanātha Cakravartī Thhākura geļnterpreteerd als zijnde de Heer die zegt, 'zie hoe lieflijk mijn voeten zijn naar de smaak van de toegewijde'.

 

 


Hoofdstuk 10: S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mārkandeya Rishi

(1) S'rī Sūta zei: "Hij die op deze manier de macht ervoer van de yoga-māyā zoals beschikt door Nārāyana, nam zijn toevlucht bij Hem. (2) S'rī Mārkandeya zei: 'Ik val aan de voetzolen van U die de angst wegneemt van hen die U benaderen, o Heer die met Uw begoochelende macht in de vorm van de kennis zelfs de geleerden verbijstert.' "

(3) Sūta zei: "De grote Heer Rudra [S'iva] die vergezeld door Rudrānī [Umā] en omringd door zijn gevolg, door de hemel reisde op zijn stier, zag hoe hij aldus verzonken was in meditatie. (4-5) Toen Umā de ziener gadesloeg zei ze tot Giris'a: 'Zie deze man van scholing, die met zijn lichaam, zinnen en geest roerloos zo rustig is als het water en de scholen vissen van de oceaan als de wind is gaan liggen. Alsjeblieft, o jij die de verlener ervan bent, schenk hem de perfectie van zijn boetedoeningen.'

(6) De machtige Heer zei: 'Ik ben er zeker van dat de brahmaanse ziener op geen enkel terrein welke zegening dan ook verlangt, zelfs niet de bevrijding, hij heeft immers de bovenzinnelijke toegewijde dienst bereikt aan de Allerhoogste Heer, de Onuitputtelijke Oorspronkelijke Persoon. (7) Laten we niettemin gaan praten met deze zuivere toegewijde Bhavānī. Omgang te krijgen met de heilige zielen is inderdaad het hoogste wat de mens kan bereiken.' "

(8) Sūta zei: "Na dat gezegd te hebben ging hij, de meester van alle kennis, de meester van al de belichaamden en de grote Heer en toevlucht van de rechtschapen zielen, naar hem toe. (9) Met het stoppen van de functies van zijn denken, had hij [de wijze] noch weet van zichzelf of van de wereld om hem heen, noch van de aankomst van de twee over het universum heersende machten in eigen persoon. (10) Dat begrijpend drong Giris'a de meester, de grote Heer, de etherische beslotenheid van Mārkandeya's hart binnen middels zijn mystiek vermogen, zoals de wind door een opening waait. (11-13) S'iva verscheen bij hem vanbinnen met haarlokken helder als de bliksem, in het bezit van drie ogen en tien armen en zo hoog oprijzend als de zon. Samen met een tijgervel als kledingstuk, toonde hij zijn boog en drietand, pijlen en zwaard, schild, gebedskralen, damaru (een klein trommeltje), een bijl en een schedel. Toen hij hem zich plotseling voor zijn geestesoog zag manifesteren, zag de wijze af van zijn staat van vervoering en vroeg hij zich verwonderd af: 'Wie is dit en waar komt hij vandaan?'

(14) Zijn ogen openend en ziend dat Heer Rudra was gearriveerd met zijn metgezellen en met Umā, bracht de wijze met zijn hoofd zijn eerbetuigingen voor de ene goeroe der drie werelden. (15) Hij vereerde hem samen met zijn gezelschap en Umā met woorden ter verwelkoming, zitplaatsen, water voor de voeten, water om te drinken, geparfumeerde olie, bloemenslingers, wierook en lampen. (16) Hij zei: 'O machtige, wat kan ik voor u betekenen, o Heer die het universum tot vrede beweegt middels de complete voldoening van uw extatische ervaring?  (17) Ik betuig u de eer die behagen schept in de geaardheid onwetendheid, u die de hartstocht toegewijd, schrikwekkend bent en u die plezier verschaft in de geaardheid goedheid.' "

(18) Sūta Gosvāmī zei: "Geprezen met deze woorden richtte hij, de machtige Heer, de belangrijkste van de halfgoden en de toevlucht voor de waarachtige ziel, volmaakt tevredengesteld met een gelukkige geest glimlachend het woord tot hem. (19) De grote Heer zei: 'Alstublieft, doe een wens naar uw keuze, want van al de [halfgoden] wensvervullers zijn wij drieėn de [guna-avatāra] Heren door de aanblik van wie een sterfelijk wezen de onsterfelijkheid vindt. (20-21) De plaatselijke heersers en bewoners van alle werelden, ik, de grote Heer Brahmā en Heer Hari, verheerlijken, aanbidden en staan hen bij die zowel vroom, vredig als vrij van gehechtheid zijn, die zorg dragen voor alle levende wezens en vrij van vijandigheid en iedereen gelijkgezind, doelbewust onze toegewijde is. (22) Zij [deze toegewijden] maken zelfs niet het geringste onderscheid tussen mij, de Onfeilbare en de ongeborene, noch tussen henzelf en andere mensen en daarom prijzen wij u. (23) Watervlakten zijn op zich nog geen heilige oorden en beeltenissen zijn op zich levenloos; zij zuiveren de ziel pas na een lange tijd, maar u doet dat door enkel gezien te worden [zie ook 10.48: 31]. (24) Wij bewijzen de brahmanen de eer die onze gedaanten zoals vertegenwoordigd door de drie Veda's bij zich dragen en die door boetedoeningen, studie en concentratie in yoga, [samyama] verzonken zijn in het Ware Zelf. (25) Zelfs de grootste zondaars en uitgestotenen vinden zuivering als ze u zien en over u vernemen, en wat houdt dat wel niet in als men rechtstreeks met u spreekt [zie ook 7.14: 17, 10.64: 41-42]?' "

(26) Sūta Gosvāmī zei: "Aldus met zijn oren drinkend van het nectarreservoir van woorden vol van het geheim van het dharma van de-met-de-maan-gesierde, was de wijze niet voldaan. (27) Hij die vanwege Vishnu's māyā zo lang ronddolend enorm was uitgeput, was door S'iva's nectargelijke woorden bevrijd van een berg moeilijkheden en sprak tot hem. (28) S'rī Mārkandeya zei: 'Ach, hoe ondoorgrondelijk voor de belichaamden is dit spel van de grote heren: ze bieden hun eerbetuigingen aan degenen die onder hun controle staan en die hen als de heersers van het universum vereren! (29) Doorgaans zetten de gezaghebbende sprekers zich in voor het aanvaarden van de religie en geven ze voor dat doel uiting aan hun medeleven en waardering voor het juiste gedrag van de geconditioneerde zielen. (30) Zo'n opstelling van de Fortuinlijke [en Zijn metgezellen] doet niets af aan de macht van Zijn activiteiten gevormd door Zijn begoochelende energie māyā, net zoals de trucs van een goochelaar niets afdoen aan zijn kunnen. (31-32) Hij die als de Superziel vanuit Zijn geest [middels Zichzelf in de vorm van de Tijd] dit universum schiep en er vervolgens in binnenging [als avatāra's], manifesteert Zich als zijnde de doener middels de werkende geaardheden der natuur, net als iemand getuige van een droom. Laat me mijn eerbetuigingen brengen voor Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid die optredend middels de drie guna's het ware Zelf is dat over hen heerst. Hij is de zuivere ongeėvenaarde geestelijk leraar die de oorspronkelijke gedaante van de Absolute Waarheid is [zie B.G. 4: 13, 13: 30, 14: 19]. (33) Met u voor ogen kan een persoon alles bereiken wat hij zich maar wenst, ongeacht wat. Maar welke andere zegening moet ik nu van u verlangen, o alles doorvarende Heer wiens aanwezigheid zelf het hoogste is [dat men kan bereiken]? (34) Niettemin vraag ik u die staat voor het Volkomene dat de vervulling van alle wensen inhoudt, om één zegening: de niet aflatende toegewijde dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid van God en zowel aan u als aan hen die Hem zijn toegewijd.' "

(35) Sūta Gosvāmī zei: "Aldus aanbeden en verheerlijkt met de goed geformuleerde woorden van de wijze, zei S'arva de grote Heer, daartoe aangemoedigd door zijn wederhelft: (36) 'O grote wijze vol devotie voor Adhokshaja, moge alles wat u verlangt in vervulling gaan. En ook wens ik u tot het einde van de kalpa roem, vroomheid en vrijheid van ouderdom en dood toe. (37) Moge u kennis hebben van de drievoudige aard van de tijd [tri-kālika], o brahmaan, alsmede wijsheid in combinatie met een vrij hart. Moge er voor u die met brahmaanse macht gezegend bent de status zijn van leraar van de Purāna.' "

(38) Sūta Gosvāmī zei: "Nadat hij de wijze deze zegeningen had toegekend ging hij, de Heer met de drie ogen, weg waarbij hij de godin [Pārvatī] vertelde wat hij [Mārkandeya] in het verleden had volbracht en ondervonden. (39) Hij, die beste ziel van Bhrigu, die in de yoga de glorie van de hoogste perfectie had bereikt, reist zelfs vandaag de dag nog aantoonbaar rond op zijn weg van het dienen van de Heer in exclusieve toewijding. (40) Dit is wat ik u kon beschrijven van het verbazingwekkende vermogen van de begoochelende energie van de Hoogste Persoonlijkheid zoals ervaren door de intelligente Mārkandeya. (41) Sommigen beweren dat dit ongekende leven [van de wijze niets meer dan] het herhaaldelijk geboren worden is van de mens in de begoochelende schepping van de Allerhoogste Ziel, maar ze hebben er geen idee van waar ze het over hebben. (42) O beste van Bhrigu [S'aunaka], het verhaal dat ik beschreef is doortrokken van de macht van de Heer met het Wagenwiel in Zijn Hand [Krishna, de Heer van de Tijd]; voor een ieder die het hoort dan wel een ander er naar doet luisteren zal er nimmer een herhaling van geboorten, een werelds geconditioneerd bestaan zijn, gebaseerd op karma."

 

 


Hoofdstuk 11: Vishnu's Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

(1) S'rī S'aunaka zei: "O grote toegewijde van de Allerhoogste Heer welbekend met de essentie. U o beste kenner die zo veel weet, vragen wij nu over deze kwestie van de uiteindelijke conclusie van al de aanvullende geschriften [de tantra's]. (2-3) We wensen u alle geluk! Beschrijf alstublieft voor ons die het graag willen weten, de kriyā-yoga methode van tewerk gaan met Zijn gedaante waarmee deskundig uitgevoerd, een sterfelijk iemand de onsterfelijkheid kan bereiken. Hoe halen de volgers van de tantrische voorschriften [de tāntrika's] in hun gebruikelijke aanbidding zich de ledematen, metgezellen, wapens en ornamenten voor de geest van de Meester van de Godin van het Geluk die het zuivere bewustzijn is in eigen persoon?"

(4) Sūta zei: "Mijn eerbetuigingen voor de goeroes! Ik zal spreken over de volheden van Heer Vishnu die door de gevestigde autoriteiten beginnende bij Padmaja [Heer Brahmā geboren op de lotus] worden beschreven in de Veda's en tantra's. (5) Hij, de universele gedaante [het complete universum, de virāth-rūpa], bestaat uit de negen elementen der schepping [de tattva's] beginnende met māyā [of prakriti] en hun [zestien] transformaties [vikāra's]. In dat bewuste bestaan worden de drie voortgebrachte werelden [loka's] waargenomen [zie ook 11.22: 4-25]. (6-8) Deze gedaante van de Purusha heeft de aarde als Zijn voeten, de hemel als Zijn hoofd, de [interplanetaire] ruimte als Zijn navel, de zon als Zijn ogen, de lucht als Zijn neusgaten en de windrichtingen als Zijn oren. De Meester, de Heer heeft de Prajāpati als Zijn geslachtsdeel en de dood als Zijn anus. De Absolute Heerser heeft de plaatselijke heersers [de halfgoden] als Zijn vele armen, de maan als Zijn geest, yama [of Yama] als Zijn wenkbrauwen, de schaamte als Zijn bovenlip en begeerte als Zijn onderlip. Het maanlicht vormt de tanden, begoocheling vormt de glimlach, de bomen vormen de haren op het lichaam van de Almachtige Heer en de wolken zijn het haar op het hoofd van de Purusha [zie ook b.v. 2.6: 1-11, 2.10: 24-32, 10.40: 13-14, 11.12: 18-20]. (9) Net zoals men de afmetingen van een normaal individu kan bepalen door de spreiding van zijn ledematen te meten, kan men de afmetingen van Hem, de Gigantische Persoon, vaststellen aan de hand van de spreiding der zonnestelsels [zie ook 5.20-24]. (10) Het Kaustubha-juweel dat de Ongeborene draagt vertegenwoordigt het geestelijk licht van de individuele ziel. Het S'rīvatsa-teken op de borst van de Almachtige vertegenwoordigt de zich uitbreidende gloed daarvan [van dat juweel/van de ziel]. (11-12) Zijn materiėle energie bestaande uit verschillende combinaties van de natuurlijke geaardheden wordt vertegenwoordigd door Zijn bloemenslinger, het gele gewaad dat Hij draagt staat voor de Vedische versmaten en Zijn heilige draad staat voor het drie letters tellende AUM. Het proces van sānkhya en yoga draagt de Godheid in de vorm van Zijn makara ['zeemonster'] oorhangers, en Zijn kroon, die al de werelden bevrijdt van angst, vertegenwoordigt de superieure [bovenzinnelijke] positie. (13) De zitplaats waarop Hij zich bevindt wordt Ananta genoemd [het slangenbed] - het is de niet-geėvolueerde materie [pradhāna, de oerether] en de lotus [de troon van de Heer] daarop is de goedheid geassocieerd met dharma, spirituele kennis en zo meer. (14-15) De knots die Hij draagt vormt het hoofdelement [de prāna of vitale adem] met betrekking tot het zinsvermogen, de lichaamskracht en de geesteskracht, Zijn excellente schelphoorn staat voor het waterelement en Zijn Sudars'ana-schijf is het principe van tejas [het vitaal vermogen, de waardigheid, het vuur in de strijd]. Zijn zwaard is, [zuiver] als de atmosfeer, het ether-element, Zijn schild bestaat uit de geaardheid onwetendheid, Zijn boog S'ārnga is de specifieke orde [of geest, de rūpa] van de tijd, en Zijn pijlenkoker bestaat uit het karma [de arbeid der karmendriya's]. (16) Zijn pijlen, zo zegt men, staan voor de zinnen, Zijn strijdwagen vormt de aanzet tot actie [de geest], Zijn uiterlijke verschijning vormt de voorwerpen der waarneming [de tanmātra's], en Zijn gebaren [mudrā's] representeren de essentie van het doelbewust handelen. (17) De cyclische orde [van de tijd, te weten de zon en de maan] vormt de grondslag voor het oefenen van respect voor de Godheid, spirituele initiatie [dīkshā] vormt het zuiveringsproces van de geestelijke ziel en toegewijde dienst voor de Fortuinlijke is hoe men een einde maakt aan een slechte gang van zaken (zonde). (18) De verheven lotus van Bhagavān's spel en vermaak verwijst naar de betekenis van het woord bhaga [Zijn volheden] en de waaier en de wuifkwast die de Opperheer heeft aanvaard voor Zijn aanbidding zijn de religie en de roem. (19) Beste brahmanen, Zijn parasol is Vaikunthha, de plaats vrij van dwaasheid en hij die Suparna heet [Garuda] en de drager is van de Persoonlijkheid van het Offer [Vishnu of Yajńa], verpersoonlijkt de drievoudige Veda [zie voetnoot]. (20) De van de Heer onafscheidelijke godin S'rī vormt Zijn waarneembaar innerlijk vermogen [*], Vishvaksena staat bekend als de verpersoonlijking van de tantra-geschriften en de acht wachters met Nanda aan het hoofd [**] staan voor de Heer Zijn kwaliteiten van animā en dergelijke [siddhi's]. (21) Vāsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha zijn, zoals u weet, de namen van de manifeste gedaanten [de vyūha expansies] van de Oorspronkelijke Persoon Zelf, o brahmaan [S'aunaka]. (22) Bhagavān, de Allerhoogste Heer, kan worden besproken in termen van [de staten van bewustzijn betreffende] het gehele universum [vis'va], het gepassioneerde ego [taijasa], het individuele leren [prājnć] en de transcendentie [turīya] die staan voor [respectievelijk Zijn] functies van [het alomtegenwoordige waarnemen van] de uiterlijke voorwerpen [zoals belichaamd door de expansie van Zijn geest Pradyumna], van de waarnemingszin zelf [van de kracht, door de expansie van Zijn ego Sankarshana], van degene die waarneemt [van de expansie van Zijn persoonlijke intelligentie Aniruddha] en van de spirituele zelfrealisatie [de bovenzinnelijke zaligheid van Hem, Vāsudeva]. (23) In Zijn vier persoonlijke gedaanten [Zijn expansies] handhaaft Bhaga-vān [Hij in het bezit van de volheden], de Heer en Beheerser, deze vier staten met Zijn grotere [armen; zoals in vers 14-15] en kleinere ledematen [Zijn toegevoegde leden, Zijn wachters], Zijn wapens en Zijn sierselen. (24) O beste der brahmanen, Hij alleen is de zelfverlichte bron van de Absolute Waarheid [de Veda's] die, volmaakt in Zijn eigen grootheid en volledigheid, middels Zijn eigen materiėle energie dit universum schept, handhaaft en terugtrekt. In die hoedanigheid [als de uitvoerder van verschillende materiėle functies] wordt Hij, die niet versluierd wordt in Zijn transcendentale bewustzijn, [soms] beschreven als zijnde materieel ontvouwd [als verdeeld]. [Maar] door hen die Hem zijn toegewijd kan Hij worden gerealiseerd als hun ene ware zelf, hun eigen Ziel. (25) S'rī Krishna, vriend van Arjuna, leider van de Vrishni's,  Vernietiger van de Opstandige Adellijke Geslachten wiens kunnen nimmer vergaat, o Govinda, bedevaartsoord wiens heerlijkheden, die het heil brengen door er enkel maar over te vernemen, worden bezongen door Vraja's koeherdersmannen en -vrouwen en zij die van hen afhankelijk zijn, alstUblieft bescherm Uw dienaren! (26) Een ieder die 's morgens vroeg opstaat en met zijn geest in Hem [in tat] verzonken voor zichzelf deze kenmerken van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon bemediteert, komt tot de realisatie van de Absolute Waarheid aanwezig in zijn hart."

(27-28) S'rī S'aunaka zei: "De grote wijze S'uka beschreef voor de luisterende koning Parīkchit ['de genade van Vishnu'] de zeven [paren van] begeleiders van de zonnegod die iedere maand een verschillende positie innemen. Spreek alstublieft voor ons zo trouw, over de namen en bewegingen van deze expansies van de Heer Zijn manifestatie als Sūrya, en de godheden die erbij betrokken zijn [zie ook 5.21: 18]."

(29) Sūta zei: "Deze regulator van al de planeten [de zon] die in hun midden ronddraait [rondom de berg Meru, zie 5.22: 2] werd [door de Heer in de gedaante van de Tijd] geschapen uit de [proto-]materiėle oerenergie [pradhāna] van Vishnu, de Opperziel van alle belichaamde wezens. (30) De zon als de enige echte Heer, de oorspronkelijke schepper en het zelf, van al de [planetaire] werelden, vormt de basis voor alle rituele activiteiten van de Veda's die door de wijzen verschillend worden omschreven. (31) O brahmaan, de materiėle energie van de Heer wordt aldus in negenen beschreven: de tijd, de plaats, de onderneming, de uitvoerder, het instrument, het specifieke ritueel, de schrift, de hulpmiddelen en het resultaat  [vergelijk B.G. 18: 13-15].

(32) De Opperheer is er, met het aannemen van de gedaante van de Tijd, voor de [regulatie van de] planetaire beweging overeenkomstig de regel van twaalf [maanden of māsa's, zie ook B.G. 10: 21], beginnende met Madhu. In ieder van de twaalf beweegt Hij zich [als de begeleider van de zonnegod zich] verschillend met Zijn [zes] metgezellen [Hij als een bepaalde Deva met een zekere Apsara, Rākshasa, Nāga, Yaksha, wijze en Gandharva]. (33) Dhātā [als de Sūrya Deva], Kritasthalī [als de Apsara], Heti [als de Rākshasa], Vāsuki [als de Nāga], Rathakrit [als de Yaksha], Pulastya [als de wijze] en Tumburu [als de Gandharva] zijn degenen die heersen over de maand Madhu [of Caitra bij de lente-equinox, maart/april]. (34) Aryamā, Puńjikasthalī, Praheti, Kacchanīra, Athaujā, Pulaha en Nārada zijn [op dezelfde manier zo respectievelijk] degenen die heersen over de maand Mādhava [Vais'ākha, april/mei]. (35) Mitra, Menakā, Paurusheya, Takshaka, Rathasvana, Atri en Hāhā zijn degenen die heersen over de maand S'ukra [Jyaisthha or Jeshthha, mei/juni]. (36) Varuna, Rambhā, Citrasvana, S'ukra, Sahajanya, Vasishthha en Hūhū zijn degenen die heersen over de maand S'uci [Āshādha, juni/juli]. (37) Indra, Pramlocā, Varya, Elāpatra, S'rotā, Angirā en Vis'vāvasu zijn degenen die heersen over de maand Nabhas [S'rāvana, juli/augustus]. (38) Vivasvān, Anumlocā, Vyāghra, S'ankhapāla, Āsārana, Bhrigu en Ugrasena zijn degenen die heersen over de maand Nabhasya [Bhādrapada, augustus/september ***]. (39) Pūshā, Ghritācī, Vāta, Dhanańjaya, Suruci, Gautama en Sushena zijn degenen die heersen over de maand Tapas [Māgha, januari/februari]. (40) Parjanya, Senajit, Varcā, Airāvata, Ritu, Bharadvāja en Vis'va zijn degenen die heersen over de maand Tapasya [Phālguna, februari/maart]. (41) Ams'u, Urvas'ī, Vidyucchatru, Mahās'ankha, Tārkshya, Kas'yapa en Ritasena zijn degenen die heersen over de maand Sahas [Mārgas'īrsha, november/december]. (42) Bhaga, Pūrvacitti, Sphūrja, Karkothaka, Ūrna, Āyu en Arishthanemi zijn degenen die heersen over de maand Pushya [Pausha, december/januari]. (43) Tvashthā, Tilottamā, Brahmāpeta, Kambalās'va, S'atajit, Jamadagni de zoon van Ricīka en Dhritarāshthra als de Gandharva zijn degenen die heersen over de maand Isha [Ās'vina, september/oktober]. (44) En Vishnu, Rambhā, Makhāpeta, As'vatara, Satyajit, Vis'vāmitra en Sūryavarcā zijn degenen die heersen over de maand Ūrja [Kārttika, oktober/november].

(45) Al dezen [deze persoonlijkheden] vormen de heerlijkheden van Vishnu, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van de zonnegod; zij nemen van hen die dag na dag, 's morgens en 's avonds aan hen denken, de terugslagen van de zonde weg. (46) De Heer die zich [als de Deva] met zijn metgezellen aldus in alle richtingen door dit universum beweegt, verspreidt daarmee in ieder van de twaalf maanden een zuiver bewustzijn voor zijn bewoners in dit en een volgend leven. (47-48) Terwijl de wijzen Hem verheerlijken met de Sāma-, Rig- en Yajur-hymnen die Zijn identiteit openbaren, zingen de Gandharva's hardop over Hem, dansen de Apsara's recht voor Hem, maken de Nāga's de wagen klaar, spannen de Yaksha's de paarden in en duwen de sterke Rākshasa's hem vooruit. (49) Voor de wagen uit gaan de zestigduizend zuivere Vālakhilya brahmaanse wijzen van eerbetoon met gebeden voor de Almachtige [zie ook 4.1: 39]. (50) De Ongeboren Heer Hari, de Hoogste Meester, Hij van alle vermogens die Zijn begin en einde niet kent, beschermt de werelden door zich aldus in iedere kalpa in [al deze] verschillende gedaanten uit te breiden."

Drievoudige Veda: De Rig- Yajur- en Sāma Veda zijn de drie Veda's van de belangrijkste oorspronkelijke verdeling van de Vedische verzen die ook wel trayī vidyā wordt genoemd. Ze gaan over het reciteren van hymnen (Rig), het uitvoeren van offers (Yajur) en het zingen van liederen (Sāma). De Atharva Veda is een latere toevoeging die handelt over de zogenaamde ātharvanas, de procedures voor het dagelijks leven.

*: Volgens de Skanda Purāna in de verzen beginnend met 'aparam tv aksharam yā sā' zijn er drie onfeilbare energieėn aldus: de uitwendige materiėle energie van māyā, het inwendig vermogen van Sr'ī en de Allerhoogste energie van de Purusha, de Heer Zelve.  

**: De Padma Purāna (256.9-21) somt achttien bewakers of begeleiders van de Heer op: Nanda, Sunanda, Jaya, Vijaya, Canda, Pracanda, Bhadra, Subhadra, Dhātā, Vidhātā, Kumuda, Kumudāksha, Pundarīksha, Vāmana, S'ankukarna, Sarvanetra, Sumukha en Supratishthhita.  

***: Op dit punt is gebroken met de reguliere orde van de maanden. De verschillende vertalers zijn het niet eens over de oorzaak van deze volgorde en sommigen hebben het voorstel gedaan om de volgorde van de verzen aan te passen om dit recht te zetten.

 

 


Hoofdstuk 12: De Onderwerpen van het S'rīmad Bhāgavatam Samengevat

(1) Sūta zei: "Met mijn eerbetuigingen voor Heer Krishna, voor de schepper, voor de brahmanen en voor het allerhoogste van het dharma, zal ik nu de eeuwige aard der religie bespreken [in termen van de onderwerpen besproken in het Bhāgavatam]. (2) O wijzen, ik vertelde u op uw verzoek over de wonderbaarlijke wederwaardigheden van Heer Vishnu die zich bij uitstek lenen voor mensen met respect voor de persoon. (3) In dit [verhaal] gaat het zonder meer om de verheerlijking van de Heer, Hij Die Alle Zonden Wegneemt, Nārāyana, de Heer der Zinnen, de Allerhoogste Persoonlijkheid en Meester van de Sātvata's. (4) Hierin wordt de schepping en vernietiging van dit universum en de vertrouwelijke kennis van de Ene Op-zichzelf-bestaande Allerhoogste Geest besproken, met inbegrip van het zuivere waarnemen en hoe die [zelf-]realisatie moet worden gecultiveerd.

(5-6) Bhakti yoga en de verzaking die erbij hoort wordt uitvoerig besproken [in 1.2, 7.5-10 en 11.29], evenals de geschiedenis van Nārada [1.4-6] en het verhaal van Parīkchit dat beschrijft hoe de wijze onder de koningen vast tot de dood erop volgt vanwege een vloek van [de zoon van] een wijze waarbij hij een gesprek had met S'uka, de beste der brahmanen [zie 1.8-18]. (7) Wat volgt is een bespreking van hoe men geconcentreerd in de yoga kan heengaan [2.2.15-21], een gesprek tussen Nārada en Brahmā [2.5], de reeks van avatāra's [1.3 en 2.7] en hoe het evolutieproces zich voltrekt vanuit de primaire natuur [de pradhāna, 3.26.10-72]. (8) Vervolgens is er het gesprek dat Vidura voerde met Uddhava [3.1: 25 - 3.4], het gesprek dat Vidura had met Maitreya [3.5 - 4.31], [voorafgegaan door] wat een Purāna inhoudt [in algemene zin, zie 2.10: 1 en 12.7: 9-10], waarop een bespreking volgt van het onderwerp van het weer in Zich opnemen van de schepping door de Mahāpurusha [2.10: 6, 3.11: 30, 8.5: 35, 11.3: 8-15, 12.4]. (9) Wat volgt is de schepping zoals die plaatsvindt vanuit de [geaardheden van de] materiėle natuur en de totstandkoming van de zeven afgeleiden [van mahat, ahamkāra en de tanmātra's, zie 3.20: 12-17], die ontstaan met de evolutie van het ei van het universum waaruit zich de universele gedaante van de Heer ontwikkelt [3.6]. (10) De grove en subtiele bewegingen van de tijd [3.11, komen eveneens aan bod alsook] hoe de lotus tot stand komt [3.8] en het doden van Hiranyāksha om de aarde te bevrijden uit de oceaan [3.17-19]. (11) [Dan is er een bespreking van] de schepping van de hogere wezens, de dieren en de lagere schepselen [3.12: 37-48], de geboorte van Rudra [3.12] en het verschijnen van Svāyambhuva Manu vanuit de man/vrouw verdeling van de Heer [zie 3.12: 49-53, 4.1]. (12-13) [Besproken zijn] de nakomelingen van de eerste vrouw S'atarūpā de uitnemende gemalin [van Manu], het nageslacht van [de negen dochters van Devahūti] de vrome echtgenote van de stamvader Kardama [zie 3.24: 20-25 en 4.1], het nederdalen van de Opperziel, de Allerhoogste Persoon Heer Kapila en de conversatie die de geleerde Kapila had met Devahūti [Zijn moeder, 3.25-33]. (14-15) De verhalen over de nakomelingen van de negen brahmanen [die met Kardama's dochters trouwden, 4.1], de vernietiging van Daksha's offerplechtigheid [4.2-7] en de geschiedenis van Dhruva [4.8-13] worden dan gevolgd door die over Prithu [4.15-23] en Prācīnabarhi [4.24-29], zijn gesprek met Nārada [4.29] en de verhalen over Priyavrata [5.1], Nābhi [5.3] en het leven van Rishabha [5.3-6] en Bharata Mahārāja, o brahmanen  [5.7-13]. (16) De continenten, subcontinenten en de oceanen, de bergen en rivieren worden in detail beschreven [5.19-20] alsmede het geheel van het uitspansel [5.21-23] en de situatie van de lagere werelden en de hel [5.24-26]. (17) [Er zijn dan de beschrijvingen van] Daksha's [weder-]geboorte als de zoon van de Pracetā's [6.4] en de nakomelingen van zijn dochters die de halfgoden, de demonen en de menselijke wezens vormen, de [zoog-]dieren, de serpenten, de vogels en andere diersoorten [6.6]. (18) [Ook is er melding van] de geboorte en dood van [Vritra, 6.9-12] de zoon van Tvashthā en de twee zoons van Diti, Hiranyāksha [3.14-19] en Hiranyakas'ipu, o brahmanen, alsmede de geschiedenis van de grote ziel Prahlāda, de heer der Daitya's [7.2-8]. (19-20) De regeerperioden van de Manu's worden tot in detail beschreven [8.1], de verlossing van de koning der olifanten [Gajendra, 8.2-4] en de avatāra's van Heer Vishnu voor iedere periode van Manu [8.5 en 13], zoals Hayas'īrshā [8.24: 8 en 57; 5.18: 1], Nrisimha [7.9-10], Vāmana [8.18-22], Mātsya [8.24] en de nederdaling van Kūrma om het karnen door de bewoners van de hemel [te ondersteunen] van de nectar uit de melkoceaan [8.7-8]. (21) [Dan is er een verslag van] de grote oorlog tussen de demonen en de goden [8.10] alsook van de opeenvolging van de dynastieėn der koningen [9.2, 7, 9, 12, 13, 17, 20-24], die van de grote ziel Sudyumna [9.1] en de geboorte van Ikshvāku en zijn dynastie [9.6]. (22) In dit boek worden de verhalen over Ilā [9.1: 16-27] en Tārā [9.14: 4-13] besproken met inbegrip van een relaas over de afstammelingen van de Sūrya-vams'a, zoals S'as'āda [Vikukshi, 9.6: 6-11] en Nriga [9.1: 11-12, 9.2: 17 en 10: 64]. (23) Dan zijn er de verhalen over Sukanyā [9.3], [de dochter van] S'aryāti, de intelligente Kakutstha [Purańjaya, 9.6: 12-19], Māndhātā [9.6: 33-37 en 9.7], Saubhari [9.6], Sagara [9.8] en Khathvānga [9.9: 41-47]. (24) De handelingen van Heer Rāmacandra, de Koning van Kos'ala, die alle zonde verdrijven [komen aan de orde, 9.10 en 11], Nimi, die zijn materiėle lichaam opgaf [9.13], en ook het verschijnen van de nakomelingen van koning Janaka [ofwel S'īradhvaja, wordt besproken 9.13: 18-27]. (25-26) De uitroeiing van de heersende klasse door Heer Paras'urāma, de grootste navolger van Bhrigu [wordt besproken, 9.15 en 16] alsmede Aila [Purūravā, 9.14 en 15], Nahusha [9.18: 1], Yayāti [9.18 en 19], Dushmanta's zoon Bharata [9.20], S'āntanu [9.22: 12-13] en S'āntanu's zoon Bhīshma [9.22: 18-19] van de Candra-vams'a en de beroemde dynastie van Yadu, de oudste zoon van Yayāti [9.23: 18-29]. (27) [Het is] de dynastie waarin de Opperheer die we kennen als Krishna, de Meester van het Universum, nederdaalde in het huis van Vasudeva. Vervolgens wordt Zijn geboorte [10.3] beschreven en hoe Hij opgroeide in Gokula [10.4-10]. (28-30) Daarop worden Zijn talloze wapenfeiten verheerlijkt: hoe Hij de melk samen met de levensadem wegzoog uit Pūtanā [10.6], hoe Hij als een kind de kar kapot maakte en Trināvarta eronder kreeg [10.7], Hij Baka, Vatsa [10.11] en Agha doodde [10.12], [en hoe Hij tewerk ging met] Brahmā die de kalveren en jongens had verborgen [10.13 en 14], hoe Hij met Zijn kameraden een eind maakte aan Dhenuka [10.15] en Pralamba [10.18] en hoe Hij hen [de gopa's] redde uit een bosbrand die hen had ingesloten [10.17 en 19]. (31-33) Er is [het verhaal over] het temmen van de slang Kāliya [10.16-17]; de tevredenheid van de Onfeilbare over de  geloften in acht genomen door de jonge gopī's [10.21 en 22], de genade voor de spijtige vrouwen van de brahmanen die een offer brachten [10.23], het optillen van de berg Govardhana [10.25], de aanbidding en het rituele baden daarop uitgevoerd door Indra en Surabhi [10.27], Krishna's nachtelijke spel en vermaak met de gopī's [10.29-33], het redden van Nanda Mahārāja [uit de bek] van een groot serpent [10.34] en het doden van de dwaze S'ankhacūda [10.34], Arishtha [10.36] en Kes'ī [10.37]. (34) [Er is de beschrijving van] Akrūra [10.38] die arriveert en het erop volgende vertrek van Rāma en Krishna, de treurnis van de vrouwen van Vraja [10.39] en de rondgang [van de Heren] in Mathurā [10.41]. (35) Het doden van de olifant Kuvalayāpīda [10.43], van de worstelaars Mushthika en Cānūra, en van Kamsa en anderen [10.44] wordt besproken, alsook het weer terughalen van de zoon van Sāndīpani, de goeroe [10.45]. (36) Verblijvend in Mathurā in het gezelschap van Uddhava en Balarāma o brahmanen, was er het spel en vermaak van de Heer om de kring der Yadu's te behagen [10.48]. (37) [Daarop volgen de verhalen over] de vele malen herhaalde vernietiging van de troepen die door Jarasāndha werden bijeengebracht [10.50], de grondvesting van Dvārakā en het doden van de koning der barbaren [Kālayavana, 10.51]. (38) [Dezen worden gevolgd door beschrijvingen van] de ontvoering van Rukminī waarbij de Heer Zijn rivalen in de strijd versloeg [10.53] en het verwerven van de pārijāta-boom en de Sudharmā-zaal uit de hemel van de halfgoden [van Indra, 10.50: 54]. (39) Het ter dood brengen van de meester van Prāgjyotishapura [Bhauma ofwel Naraka] en het wegbrengen van de jonge maagden [komt ter sprake in 10.59] met daarop volgend het afgedwongen gapen van S'iva in de slag met Bāna en het afsnijden van Bāna's armen [10.63]. (40-41) Het [Bhāgavatam bespreekt tevens] de macht en de dood van Pańcajana [10.45: 40-41], S'ambara [10.55], Pīthha [10.59], Mura [10.59], Dvivida [10.67], de koning van Cedi [10.74], S'ālva [10.76-77], de dwaze Dantavakra [10.78] en anderen, hoe de Pāndava's [voor Krishna] de directe aanleiding vormden om de last van de aarde weg te nemen [10.49] en hoe het afbranden van Vārānasī tot stand kwam [10.66]. (42-43) [Er is het verhaal van] het terugtrekken van Zijn eigen familie [11.30] onder het voorwendsel van de vloek van de brahmanen [11.1] en de schitterende conversatie die Vasudeva's Zoon had met Uddhava waarin de wetenschap van het ware zelf zijn volle uitdrukking vond met het vaststellen van het dharma [hoe men met Krishna moet leven als Hij fysiek niet meer aanwezig is, zie 11.6-29]. Vervolgens [wordt] Zijn verzaken van de wereld der sterfelijke zielen bij machte van Zijn eigen mystieke vermogen [besproken, 11.31]. (44) [Ook besproken zijn] de kenmerken van de verschillende yuga's en de met hen samenhangende gedragingen [11.17 en 12.3], de verstoordheid van de mensen in Kali-yuga [12.1-3], de vier typen van vernietiging en drie [guna] soorten van schepping [12.4]. (45) [Ten slotte is er een verslag over] Vishnurata [Parīkchit], de intelligente vrome koning die zijn lichaam moest opgeven [12.6-7], het verhaal over hoe de ziener [Vyāsa en anderen] de verschillende takken van de Veda overdroeg [12.6-7], de vrome geschiedenis van Mārkandeya [12.8-10] en een beschrijving van de samenstelling van de [universele gedaante van de] Mahāpurusha alsmede de regeling [van de tijd] in relatie tot de zon, het zelf van het universum [12.11].

(46) Aldus werd door mij, o beste der brahmanen, hier alles besproken waar u om vroeg. Daarmee heb ik het geheel van de handelingen geprezen van de līlā-avatāra's van de Heer. (47) Als men valt, struikelt, zich bezeert of niest en dan spontaan hardop uitroept 'haraye namah' (eerbetuigingen aan Hari), raakt men bevrijd van alle [terugslagen van de] zonde. (48) Van personen die de Allerhoogste Heer prijzen en vernemen over de macht van de Onbegrensde, wordt al de kwaadheid die het hart binnendringt geheel weggewassen, precies zoals de zon de duisternis wegneemt of een sterke wind de wolken verdrijft. (49) Valse, zinledige, loze woorden zijn al die discussies waarin niet de Allerhoogste Heer in het Voorbije wordt besproken. Alleen die verhalen zijn waar, zijn gunstig en verdienstelijk die de kwaliteiten van de Fortuinlijke als conclusie hebben. (50) Die woorden zijn aangenaam, aantrekkelijk en steeds weer nieuw die de heerlijkheden van Uttamas'loka, Hij die Geprezen wordt in de Verzen, bezingen; voor de geest houden ze een onophoudelijke grote viering in die voor iedereen de zee van ellende doet opdrogen. (51) Een gebruik van kleurrijke woorden die nimmer de heerlijkheden van de Heer beschrijven  die het ganse universum heiligen, is te vergelijken met een bedevaartsoord voor kraaien en wordt nimmer gevolgd door de zwaangelijke, zuivere heilige toegewijden die enkel aan Acyuta denken [als in 1.5: 10]. (52) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door hen die gezuiverd en oprecht zijn [identiek aan 1.5: 11]. (53) Zelfs als men vrij van materiėle motieven onderneemt, ziet geestelijke kennis die is verstoken van de liefde van de Onfeilbare er eigenlijk niet goed uit. Wat voor zin heeft altijd stressvolle vruchtdragende arbeid - zelfs perfect uitgevoerd - als die niet wordt opgedragen aan de Heer [als in 1.5: 11]? (54) De grote inspanning met het boetvaardig en schriftgetrouw verrichten van plichten en zo meer in het varnās'rama systeem, leidt slechts tot een goede naam en weelde. Maar als men luistert en respect oefent met het bezingen van Zijn kwaliteiten, verkrijgt men de heugenis van de lotusvoeten van de Handhaver van de Godin van het Geluk. (55) De heugenis van Heer Krishna's lotusvoeten doet al het ongunstige teniet en leidt tot het grootste geluk. Verbonden in kennis, wijsheid en onthechting komt men  met toewijding voor de Opperziel tot zuivering van het hart.  (56) U allen, o hoogst eminente brahmanen, bent zo gelukkig uw stabiliteit gevonden te hebben met een vaste plaats voor Nārāyana, de Oorspronkelijke Ziel en Godheid van allen in uw hart. Wees met die liefde voor de Heer van de Hemel Voorbij Wie er Geen Andere te Vinden is, onophoudelijk van aanbidding! (57) Ook ik werd herinnerd aan deze wetenschap van de Ziel toen ik die in het gezelschap van de aandachtig luisterende grote wijzen vernam uit de mond van S'uka, de meest verheven wijze, toen koning Parīkchit vastte tot de dood erop volgde. (58) O brahmanen, dit wat ik u vertelde over de glorie van Vāsudeva wiens grootse handelingen zo beschrijvenswaardig zijn, maakt volledig een eind aan al het ongunstige. (59) Iemand die met constante aandacht iedere yāma [periode van drie uur] en iedere kshana [een moment of 1.6 seconde] met geloof anderen doet luisteren of zelf trouw luistert naar slechts een enkel vers of zelfs maar een half vers, een enkele versregel of zelfs maar een halve regel, zuivert [daarmee] zeker zijn ziel. (60) Als men, afziend van eten, nauwlettend reciteert uit of luistert naar [het Bhāgavatam] op de elfde dan wel de twaalfde dag [Ekādas'ī of Dvādas'ī van een vijftiendaagse halve maanmaand, zie 3.11: 10], zal men een hoge leeftijd bereiken en verlost worden van alles wat tot een val leidt. (61) Als men zelfbeheerst en vastend deze verzameling van verzen bestudeert in [de heilige plaatsen] Pushkara, Mathurā of Dvārakā, raakt men bevrijd van de angst [voor de tijd, of voor een materieel leven, zie ook 1.13: 19]. (62) De halfgoden en de wijzen, de vervolmaakte zielen en de voorvaderen, de stamvaders en de koningen, zullen alles schenken wat men verlangt, als men deze verzen looft door ze uit te dragen of ernaar te luisteren. (63) Een tweemaal geboren ziel die ze bestudeert krijgt als resultaat dezelfde rivieren van honing, ghee en melk die men verwerft met het bestuderen van de Rig-, Yajur- en Sāma-verzen. (64) IJverig deze essentiėle verzameling van klassieke verhalen bestuderend zal een tweemaal geborene die allerhoogste positie bereiken waar de Fortuinlijke over sprak. (65) Een man van scholing die ze bestudeert verwerft kennis van zaken, een koning verwerft het domein omringd door de oceanen, een zakenman verwerft de zeggenschap over schatten en een werknemer ontdoet zich ermee van alles wat hem ten val brengt. (66) Terwijl de Fortuinlijke in Zijn talloze gedaanten uitvoerig in de vorm van verhalen wordt beschreven in ieder van deze verzen, wordt Heer Hari, de Heer van een ieder die al de smetten van Kali-yuga vernietigt, daarentegen elders [in andere geschriften] niet aanhoudend verheerlijkt. (67) Ik buig me voor Hem, het  Ongeboren, Onbegrensde, Ware Zelf dankzij wiens energieėn er de schepping, handhaving en vernietiging van het universum is, voor Hem de Onfeilbare Heer wiens heerlijkheid moeilijk te begrijpen valt voor [zelfs] de meesters van de hemel geleid door de ongeziene [Aja of Brahmā], de machtige [S'akra of Indra] en de goedgunstige [S'ankara of S'iva]. (68) Mijn eerbetuigingen voor de Eeuwige Heer, de beste van Al de Goden, voor de Fortuinlijke wiens Manifestatie Zuiver Bewustzijn is en die middels Zijn verzameling van negen machten [s'akti's of vermogens] voorzag in Zijn eigen Zelf als de toevlucht voor de zich bewegende en niet bewegende levende wezens.

(69) Ik buig me voor hem, de zoon van Vyāsa die al het ongunstige verslaat, hij die, aangetrokken in zijn hart door de aangename wederwaardigheden van de Onoverwinnelijke Heer, in ontkenning echter van ieder ander soort van bewustzijn zo genadevol was zijn solitaire geluk op te geven en de [Bhāgavata] Purāna, het licht van de werkelijkheid, betreffende Zijn handelingen te openbaren."

 

 


Hoofdstuk 13: De Heerlijkheden van het S'rīmad Bhāgavatam

(1) Sūta zei: "Ik biedt Hem mijn eerbetuigingen, de Godheid die met bovenzinnelijke gebeden bestaande uit arrangementen van mantra's uit de Veda's, hun takken [de anga's] en de Upanishads wordt geprezen door Brahmā, Indra, Rudra en de kinderen van de hemel [de Maruts], de Godheid waar de Sāma Veda-zangers over zingen, de Godheid waar de yogi's die Hem in hun geest zien zich in meditatie op concentreren, Hem wiens einde niet gekend wordt door welke verlichte of onverlichte ziel ook. (2) De Hoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van een schildpad [Kūrma] werd slaperig van de schurende randen van de stenen van de berg Mandara die allerzwaarst op Zijn rug roteerde. Mogen jullie allen beschermd worden door de winden die de sporen vormen achtergelaten door het ademen van de Heer en door de immer actieve getijden van eb en vloed van het water dat tot op de dag van vandaag het voorbeeld van Zijn in- en uitademen volgt. (3) Luister alstublieft nu naar een opsomming van het aantal [verzen] van de Purāna's, wat de onderhavige verhandeling beoogt, hoe dit boek moet worden geschonken, wat de glorie van een dergelijk schenken is en wat de zegen is van het voorlezen en zo meer van deze tekst.

(4-9) De Brahmā Purāna heeft tienduizend verzen, de Padma Purāna telt er vijfenvijftigduizend, de S'rī Vishnu Purāna drieėntwintigduizend en de S'iva Purāna vierentwintigduizend. Het S'rīmad Bhāgavatam telt er achttienduizend, de Nārada Purāna heeft er vijfentwintigduizend, de Mārkandeya Purāna negenduizend en de Agni Purāna vijftienduizend-vierhonderd. De Bhavishya Purāna heeft veertienduizend-vijfhonderd verzen, de Brahma-vaivarta Purāna heeft er achttienduizend en de Linga Purāna elfduizend. De Varāha Purāna telt vierentwintigduizend verzen, de Skanda Purāna eenentachtigduizend-eenhonderd verzen en de Vāmana Purāna wordt beschreven in tienduizend verzen. Van de Kūrma Purāna zegt men dat het er zeventienduizend zijn, de Matsya Purāna heeft er veertienduizend, verder zijn er de Garuda Purāna met negentienduizend verzen en de Brahmānda Purāna met twaalfduizend. In totaal worden de Purāna's uitgedrukt in zo'n vierhonderdduizend verzen [*]. Achttienduizend van hen, zoals gezegd, vormen het Bhāgavatam [zie verder onder Purāna].

(10) Dit [relaas van wijsheid] werd door de Allerhoogste Persoonlijkheid van God [Narāyāna, zie 3.8-10] genadig voor het eerst in zijn geheel geopenbaard aan Brahmā die beducht voor een materieel bestaan op de lotus zat die groeide uit Zijn navel [zie ook 1.1: 1]. (11-12) Van het begin tot het einde vol van verslagen over verzaking brengt het de heilige en goddelijke zielen in verrukking met de nectar van zijn vele vertellingen over het spel en vermaak van de Heer. Met de zaligheid [of het eeuwige geluk door emancipatie in toegewijde dienst] als het ene uiteindelijke doel, heeft het als zijn belangrijkste onderwerp de Ene Werkelijkheid die Zijns Gelijke Niet Kent - de essentie van alle Vedānta filosofie - die wordt gekenmerkt door het niet verschillen van de Absolute [onpersoonlijke] Waarheid [brahman] en de Ene [persoonlijke] Ziel [ātma, **]. (13) Hij die het Bhāgavatam als geschenk cadeau doet op de dag van de volle maan in de maand Bhādra [augustus/september, in zijn volle glorie als de koning van alle literatuur] gezeten 'op een gouden troon' [in het sterrenbeeld leeuw], bereikt de hoogste bestemming. (14) Andere klassieke verzamelingen van verhalen [andere bijbels, Purāna's, of heilige geschriften] staan in de samenkomst der vromen alleen maar op de voorgrond zolang als de grote oceaan van nectar die het Bhāgavatam is niet wordt gehoord. (15) Het S'rīmad Bhāgavatam vormt de essentie van alle Vedānta filosofie zo zegt men, iemand die bevrediging vond door de smaak van die nectar zal zich nimmer aangetrokken voelen tot iets anders [tot andere heilige boeken]. (16) Van alle Purāna's komt deze overeen met wat de Ganges betekent in relatie tot al de rivieren die naar de zee stromen, wat Acyuta, de Onfeilbare, betekent in relatie tot al de godheden en wat S'ambhu [S'iva] betekent in relatie tot al de Vaishnava's. (17) Net zo onovertroffen als Kās'ī [Benares] is onder al de heilige plaatsen, kent het S'rīmad Bhāgavatam zijns gelijke niet onder de Purāna's, o brahmanen. (18) Het S'rīmad Bhāgavatam is de onberispelijke en onder de Vaishnava's meest geliefde Purāna waarin de volmaakt zuivere en allerhoogste spirituele, geestelijke kennis wordt bezongen van niemand minder dan de allerbeste toegewijden. Daarin wordt de vrijheid van alle vruchtdragende arbeid geopenbaard, in combinatie met de [daarmee samenhangende] kennis, onthechting en toewijding, welke de persoon zal verlossen die in overweging van de bovenzinnelijkheid met zijn toegewijde dienst erin slaagt te luisteren en de mantra's te beoefenen zoals het hoort.

(19) Ik mediteer op het onvergelijkelijke licht van de toorts van de Onvergankelijke Smetteloos Zuivere Allerhoogste Waarheid Vrij van Zorgen die lang geleden deze transcendentale kennis openbaarde aan de godheid ['Ka' ofwel Brahmā] die haar overdroeg aan Nārada, de grote wijze die haar in de gedaante van zijn persoon doorgaf aan Krishna Dvaipāyana Vyāsa, die vervolgens de koning van de yogi's [S'ukadeva] van haar op de hoogte stelde die op zijn beurt haar toen uit mededogen doorvertelde aan [Parīkchit] de genade van de Fortuinlijke. (20) Ik breng Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, Heer Vāsudeva, mijn eerbetuigingen, de Opperste Getuige die dit [verhaal, deze wetenschap] genadevol overdroeg aan [Brahmā] de godheid die verlangde naar bevrijding. (21) Ik breng hem, de koning van de yogi's, S'ukadeva Gosvāmī mijn eerbetuigingen, de persoonlijke manifestatie van de Absolute Waarheid die [Parīkchit] de genade van Vishnu bevrijdde die werd gebeten door de slang van het materieel bestaan. (22) O Heer Aller Heren, U bent onze Meester, zorg er daarom alstUblieft voor dat wij leven na leven in toewijding mogen opstaan aan Uw voeten. (23) Ik breng Hem, de Allerhoogste Heer mijn eerbetuigingen, wiens gezamenlijke zingen van de heilige naam alle zonde vernietigt en voor wie buigend aan alle ellende een einde komt."

Aldus eindigt het twaalfde Canto van het S'rīmad Bhāgavatam genaamd: Het Tijdperk van Verval. 

Met dit laatste Canto eindigt het Verhaal van de Fortuinlijke, de Bhāgavata Purāna, ook wel bekend als het S'rīmad Bhāgavatam en de Paramahamsa Samhitā. Alle eer aan de Brahmā-Mādhva-Gaudiyā Sampradāya paramparā van de voorgaande Vaishnava ācārya's met Heer Gauranga, S'rī Krishna Caitanya Mahāprabhu voorop, die door hun commentaren, vertalingen, bhajans en lezingen deze presentatie mogelijk maakten en het geheel van de Vaishnava-cultuur naar de nederige dienaar van Krishna, Anand Aadhar Prabhu, hebben gebracht die in waarheid nimmer klaar is met zijn werk.

 

*: Vervolgens, zo bevestigt de Matsya Purāna, zijn er naast de Purāna ook nog eens de honderdduizend verzen die men vindt  in de Itihāsa (het afzonderlijke verhaal) van Vyāsa's Mahābhārata en zo'n vijfentwintigduizend van de Itihāsa van Vālmīki's Ramāyana. Aldus bedraagt het totale aantal verzen van de volledige verzameling van klassieke verhalen vijfhonderdvijfentwintigduizend [de kleinere Upa-purāna's niet meegerekend].

**: Dit herinnert aan het thema van Krishna als zijnde de Tijd, Kāla, en Krishna als zijnde de persoon, de Opperziel, de Oorspronkelijke Persoon manifest voor onze ogen en aanwezig in het voorbije. De wereld lijkt verdeeld te zijn in impersonalistische wetenschap, filosofie en regeren enerzijds en personalistische religie van onthechting en persoonlijk sentiment in burgerlijke gehechtheid anderzijds. Maar als men met het zoals-het-hoort respecteren van de Tijd [van de natuur] de persoon vindt en met het respecteren van de persoon [in Krishna-bewustzijn] zoals het hoort de oorspronkelijke Tijd vindt, is het probleem opgelost wetende dat de eenheid van de persoonlijke/onpersoonlijke tegenstelling onze gelijkgezinde vriend en begeleidende vader in het voorbije Heer Krishna is. Als Zijn laatste woord bij deze tweevoudige zaak van respect voor Zijn werkelijkheid voegt Hij daar aan toe: (in B.G. 18: 6) 'Maar met al deze handelingen moet zonder twijfel, ze verrichtend uit plichtsbesef, de associatie met hun resultaten worden opgegeven; dat, o zoon van Prithā, is Mijn laatste en beste woord erover.' Daarom zijn we van emancipatie in toegewijde dienst, vrij van nevenmotieven.

 

 

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rīmad Bhāgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/