Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het verhaal van de fortuinlijke"

 

CANTO 12: Het Tijdperk van Verval

 

Inleiding

Hoofdstuk 1 Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

Hoofdstuk 2 Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

Hoofdstuk 3 Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

Hoofdstuk 4 Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

Hoofdstuk 5 De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

Hoofdstuk 6 Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

Hoofdstuk 7 De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

Hoofdstuk 8 Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

Hoofdstuk 9 Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

Hoofdstuk 10 S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

Hoofdstuk 11 Vishnu Zijn Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

Hoofdstuk 12 De Onderwerpen van het S'rîmad Bhâgavatam Samengevat

Hoofdstuk 13 De Heerlijkheden van het S'rîmad Bhâgavatam

 

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt in zowel India, Amerika als Europa. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie der verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L. Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 17 april 2012.


 

Hoofdstuk 1

Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

(0) S'rî Parîkchit zei: 'Alstublieft o wijze kan u me vertellen wiens dynastie over de aarde heerste nadat Krishna, het juweel van de Yadu-dynastie, was vertrokken naar Zijn hemelverblijf?' [*]

(1-2) S'rî S'uka zei: 'De laatste nazaat die er van Brihadratha in de toekomst zal zijn [zie 9.22: 49] wordt Purañjaya genoemd [niet die in 9.6: 12]; maar zijn minister S'unaka zal zijn meester vermoorden om zijn eigen zoon genaamd Pradyota [historisch: Bimbisâra] tot koning uit te roepen, van wie de zoon Pâlaka, Vis'âkhayûpa als zijn zoon zal hebben met Râjaka daarop als de volgende. (3) Zijn zoon zal Nandivardhana zijn; deze vijf pradyotana-koningen zullen de aarde honderdachtendertig jaar genieten. (4) Dan zal S'is'unâga geboorte nemen en zal Kâkavarna zijn zoon zijn, van wiens zoon Kshemadharmâ, Kshetrajña zal worden geboren. (5) De zoon Vidhisâra [van Kshetrajña], zal Ajâtas'atru op de wereld zetten en Darbhaka zal zijn zoon zijn van wie men zich Ajaya zal heugen. (6-8) Van Ajaya zal er [een andere] Nandivardhana zijn wiens zoon Mahânandi is. Deze tien S'is'unâga-koningen, o beste van de Kuru's, zullen in het Kali-tijdperk driehonderdenzestig jaar over de aarde heersen. O Koning, de zoon van Mahânandi, een zekere Nanda, zijn geboorte nemend uit de schoot van een vrouw uit de arbeidersklasse, zal, machtig als hij is als een heerser over miljoenen, de vernietiging van de heersende klasse vormen; de koningen dan zullen, vervallend in goddeloosheid, niet beter dan s'ûdra's worden. (9) Hij, die heerser over miljoenen [ookwel bekend als Ugrasena], zal als de enige leiding over de ganse aarde ongeslagen zijn en in zijn alleenheerschappij als een tweede Paras'urâma zijn [zie 9.15 & 16]. (10) De acht zoons met Sumâlya voorop die aldus van hem ter wereld zullen komen, zullen als koningen deze aarde honderd jaar genieten. (11) Een zekere tweemaal geboren brahmaan [genaamd Cânakya] die het vertrouwen geniet van de negen Nanda's zal hen omverwerpen, waarna als zij verdwenen zijn de Maurya's in Kali-yuga over de aarde zullen heersen [**]. (12) De brahmaan zal Candragupta op de troon zetten en zijn zoon Vârisâra zal op zijn beurt weer door As'okavardhana worden opgevolgd. (13) Suyas'â zal door hem ter wereld komen; Sangata, Suyas'â's [klein-] zoon [geboren uit zijn zoon Das'aratha] zal S'âlis'ûka zijn van wie er daarna Somas'armâ zal zijn die aan de wieg zal staan van S'atadhanvâ van wie er Brihadratha zal zijn. (14) Deze tien Maurya-koningen, o voortreffelijke held van de Kuru-dynastie, zullen in Kali-yuga meer dan honderdzevenendertig jaar over de aarde heersen. (15-17) Agnimitra [die volgt als de zoon van de generaal Pushpamitra die Brihadratha vermoordde] zal Sujyeshthha op de wereld zetten van wie er Vasumitra zal zijn met op hem volgend Bhadraka en zijn zoon Pulinda. Zijn zoon zal Ghosha zijn wiens zoon Vajramitra zal zijn; door hem zal Bhâgavata worden geboren door wie er Devabhûti zal zijn, o verheven Kuru. Deze tien S'unga's zullen de aarde genieten voor meer dan honderd [112] jaar waarna deze aarde zal vallen onder de heerschappij van de Kânva-dynastie die weinig goede kwaliteiten heeft, o heerser der mensen. (18) Vasudeva, een hoogst intelligente minister van de Kânva-familie, die [met de hulp van een slavin] de wellustige S'unga-koning Devabhûti zal doden, zal dan zelf het bestuur op zich nemen. (19) Zijn zoon zal Bhûmitra zijn en zijn zoon Nârâyana. Deze Kânva-koningen zullen in Kali-yuga nog weer driehonderdvijfenveertig jaar over de aarde heersen. (20) Een man van het Andhra-ras van lage afkomst genaamd Balî, zal als bediende Sus'armâ doden, de [laatste] Kânva-koning en zeer ontaard enige tijd over de aarde heersen. (21-26) Zijn broer, genaamd Krishna, zal dan de volgende heerser over de aarde zijn en de zoon van S'ântakarna, zijn zoon, zal Paurnamâsa zijn. Na Lambodara, zijn zoon, zal Cibilaka de koning zijn en door Cibilaka zal Meghasvâti er komen die Athamâna op de wereld zet, gevolgd door Anishthakarmâ. Door Hâleya, zijn zoon, zal Talaka ter wereld komen wiens zoon Purîshabhîru dan Sunandana krijgt die de volgende koning zal zijn. Cakora [zijn zoon] zal worden opgevolgd door de acht Bahu's, van wie S'ivasvâti een grote onderwerper van de vijand zal zijn. Van Gomatî, zijn zoon, zal Purîmân er zijn, wiens zoon Medas'irâ zal heten. S'ivaskanda van hem zal Yajñas'rî als zijn zoon hebben, en daarna zal zijn komeling Vijaya, Candravijña en Lomadhi krijgen. Deze dertig koningen zullen vierhonderdvijfenzestig jaar over de wereld heersen, o zoon van de Kuru's [***]. (27) Uit de stad Avabhriti zullen dan zeven Âbhîra-koningen voortkomen, tien Gardabhî's, en zestien Kanka-koningen die als aardse heersers hoogst inhalig zullen zijn. (28) Dan zullen acht Yavana's volgen, veertien Turushka's en verder nog tien Gurunda's en elf Maula's. (29-31) Deze [eerste zes dynastieën] zullen duizendnegenennegentig jaar over de aarde heersen, en de elf Maula's zullen driehonderd jaar heersen, mijn beste. Met hen allen dood en verdwenen zullen in de stad Kilakilâ honderdenzes jaar lang de koningen Bhûtananda, gevolgd door Vangiri met daarna S'is'unandi en dan zijn broer Yas'onandi en Pravîraka heersen. (32-33) Van hen [de Kilakilâ's] zullen er dertien zoons zijn genaamd de Bâhlika's. Na hen zullen er Pushpamitra en vervolgens zijn zoon koning Durmitra zijn, zowel alsook zeven Andhra's, zeven Kaus'ala's en ook de heersers van Vidûra en de Nishadha's die daarna in dezelfde periode als koningen de scepter zullen voeren. (34) Voor de provincie Mâgadha zal er Vis'vasphûrji zijn, die als een andere Purañjaya de mensen van alle klassen zal veranderen in inferieure Pulinda's, Yadu's en Madraka's [onbeschaafde mensen, mensen van een lager allooi, zie *4]. (35) De onintelligente koning, die vanuit de beschutting van de stad Padmavatî van de bron van de Ganges tot aan Prayâga over de aarde zal heersen, zal, zich ten opzichte van de burgers overwegend gedragen in strijd met het brahmaanse, de almachtige klasse der kshatriya's te gronde richten. (36) De tweemaal geborenen die leven in de provincies S'aurâshthra, Avantî, Âbhîra, S'ûra, Arbuda en Mâlava zullen [te dien tijde] van hun geloften vallen en zij die vooraanstaande posities bekleden zullen niet beter dan s'ûdra's zijn. (37) De landen aan de rivier de Sindhu, zowel als de districten Candrabhâgâ, Kauntî en Kâs'mîra, zullen worden geregeerd door onbeschaafde lieden [mleccha's], s'ûdra's en anderen die, geestkracht missend, afwijken van de standaard.

(38) O Koning, deze overwegend onwetende aardse zorgdragers die zich wijden aan goddeloze en onrealistische praktijken zullen, [wedijverend om te heersen] met een heetgebakerd gemoed tegelijkertijd hun burgers weinig vrijheid gunnen [in economisch opzicht]. (39) Met het vernietigen van de levens van vrouwen, kinderen, koeien en bekeerde mensen, hebben ze, met het begeren van andermans vrouwen, dan weer opgetogen, dan gematigd en dan weer terneergeslagen, zwak qua goedheid hoofdzakelijk maar korte levens te leven [of loopbanen]. Tekortschietend in het brengen van offers en zodoende niet geschikt voor het werk zullen zij, deze onnozelaars die zich voordoen als koningen, overschaduwd door hartstocht en onwetendheid, de burgers als het ware verslinden. (40) De mensen in de steden zullen, geleid door het karakter en de manier van spreken en handelen van deze heersers, lijdend onder die 'koningen' en onder elkaar, de vernietiging vinden [in oorlogen, economische rampspoed en natuurrampen, zie ook kles'a, Kali-yuga en B.G. 16: 6-12].'

 

Voetnoten:

* De paramparâ van ISKCON liet deze eerste regel van de vragenstellende Parîkchit weg, waar andere bronnen zoals S'astri C.L. Gosvâmî dit hoofdstuk er wel mee beginnen.

** De paramparâ voegt toe: 'De grote historische vertelling het S'rîmad Bhâgavatam, welke begint met de gebeurtenissen voorafgaande aan de kosmische manifestatie, strekt zich nu uit tot in het domein van de moderne geschreven geschiedenis. Moderne geschiedkundigen erkennen zowel de Maurya dynastie als Candragupta, de koning vermeld in het volgende vers.' [pp. 12.1.11]

*** Volgens een academische vertaler van het Bhâgavatam, Ganesh Vasudeo Tagare [1989, Morilal Banarsidass], zou deze periode in de geschiedenis zich afspelen kort voor de aanvang van de christelijke jaartelling. Met het analyseren van deze tekst met betrekking tot historische bronnen concludeert hij eveneens, stellend dat er vele discrepanties zijn met de culturele [gemanipuleerde?] verslagen, dat historisch gezien de Kânva-dynastie slechts voor vijfenveertig jaar zou hebben geheerst van 75 tot 30 B.C., en niet voor de driehonderdvijfenveertig jaar zoals de Sanskriet tekst hier stelt. Volgens hem zou dit deel van het Bhâgavatam van een latere datum zijn en bestaan uit een allegaartje van historische kennis uit de tweede hand, hetgeen een stellingname is aangevochten door de paramparâ natuurlijk, daar het waarschijnlijker is dat men zich vergist in de strijdigheid van het wereldse belang dan in de harmonie van het bewustzijn gemotiveerd door een spirituele discipline.

*4 De totale tijdspanne van de generaties die hier behandeld zijn van de eerste Purañjaya af aan tot aan de laatste in de lijn van het verval van Kali-yuga, zou zich zo hebben uitgestrekt van ongeveer 2000 v. Chr. tot ongeveer de twaalfde eeuw n. Chr.

 

Hoofdstuk 2

Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

(1) S'rî S'uka zei: 'En dan, o Koning, zal dag na dag onder de sterke invloed van de tijd [van Kali-yuga] de religiositeit, waarheidsliefde, reinheid, tolerantie en de genade zowel als de levensduur, de kracht en het geheugen een neergang ondergaan [zie ook 1.16]. (2) In het Kali-tijdperk zal onder de mensen enkel rijkdom gelden als een teken van een goede geboorte, goed gedrag en goede kwaliteiten en zal materiële macht het enige criterium vormen om te bepalen wat gerecht en goed zou zijn. (3) Huwelijksbanden zullen gebaseerd zijn op uiterlijke aantrekkingskracht, in zaken zal misleiding de dienst uitmaken, of men als mannelijk of vrouwlijk wordt beschouwd zal afhangen van iemands seksualiteit en een heilige draad is al voldoende om voor geschoold door te gaan. (4) Een uiterlijk kenteken zal volstaan om vast te stellen wat iemands geestelijke status is en zal ook als afdoende gelden als men van overtuiging verandert, als men niet zo veel geld verdient verliest men zijn geloofwaardigheid en met wat gegoochel met woorden gaat men al door voor een geleerde. (5) Armoede ziet men als iets onheiligs en hypocrisie houdt men voor een deugd; een belofte wordt voldoende geacht om getrouwd te zijn [om seks voor het huwelijk te hebben] en een bad nemen [zonder enige andere ochtendroutine] volstaat om voor de dag te verschijnen. (6) Een waterbekken ergens ver weg ziet men aan voor een heilige plaats, schoonheid hangt af van je kapsel, het doel van het leven bestaat eruit je maag te vullen, brutaliteit gaat door voor eerlijkheid, in staat een gezin te onderhouden is men een deskundige en men doet aan religieuze erediensten terwille van een goede naam. (7) Met de aarde overbevolkt met een bevolking die aldus is gecorrumpeerd, zal ongeacht wie er ook maar onder de intellectuelen, de kooplieden of de heersende dan wel werkende klasse de sterkste is, die persoon de baas mogen spelen. (8) De burgers waarvan de echtgenotes en eigendommen worden weggekaapt door een genadeloze en begeertige heersende klasse die zich gedraagt als een stel ordinaire dieven, zullen hun toevlucht zoeken in de bergen en de wouden. (9) Overgaand tot het consumeren van groenten, wortelen, vlees, honing, vruchten, bloemen, en zaden zijn ze geruïneerd, gebukt gaande onder droogte en gekweld door hongersnoden en belastingen [zie ook 1.16: 20, 4.20: 14, 4.21: 24, B.G. 3: 14]. (10) Door koude, wind, hitte, regen en sneeuw geplaagd, zowel als door honger, dorst en ziekten, gaan ze als gevolg daarvan gebukt onder grote zorgen. (11) De maximum levensduur voor menselijke wezens in Kali-yuga zal vijftig jaar bedragen. (12-16) Als de lichamen van alle levende wezens door de besmetting van Kali-yuga in verval verkeren, het plichtsbesef van al de leden van de statusoriëntaties is verloren gegaan, als de vedische weg die er voor alle mensen is veranderd is in een atheïstische plichtsopvatting, als de koningen hoofdzakelijk optreden als rovers en de mensen in hun verschillende beroepen in werkelijkheid allen leugenachtige bandieten zijn van een betekenisloos afslachten, als de klassen overwegend gericht zijn op het verrichten van [betaalde] arbeid, de koeien niet meer waard zijn dan geiten, de geestelijke toevluchtsoorden net als materialistische huishoudens zijn, de familiebanden niet verder reiken dan de banden van het huwelijk, als de planten en kruiden qua formaat zijn geslonken en alle bomen als s'amî-bomen zijn, als het altijd bliksemt in de wolken en in de huizen de eenzaamheid regeert [het onpersoonlijke en de filosofie van de leegte, zie Pranâti], als Kali-yuga op zijn einde loopt en de mensen als ezels zijn geworden, zal op dat moment de Opperheer nederdalen in de geaardheid der zuivere goedheid om het dharma veilig te stellen.

(17) De geestelijk leraar van al de bewegende en de niet bewegende wezens, Heer Vishnu, de Beheerser van Allen, zal voor de bescherming van de religie en zij die zuivering vonden een einde maken aan de vruchtdragende handelingen en het [bij herhaling] geboren zijn. (18) In de plaats S'ambhala zal Heer Kalki verschijnen in het huis van de grote ziel, de brahmaan Vishnuyas'â ['de glorie van Vishnu']. (19-20) Zijn snelle paard Devadatta bestijgend, zal de Heer van het Universum toegerust met Zijn zwaard, bovenzinnelijke eigenschappen en de acht mystieke volheden [siddhi's], zij die zich afkeerden van het heilige onderwerpen. Met Zijn paard gezwind over de aarde rondbewegend zal Hij, ongeëvenaard in Zijn schittering, de dieven vermomd in de uitdossing van koningen neersabelen. (21) Als de rovers zijn gedood, zullen de geesten van al de stedelingen en plattelanders ophelderen in aanraking gekomen zijnde met de bries die de hoogst gewijde geur meevoert van het [met sandelhoutpasta] opgesierde lichaam van Heer Vâsudeva. (22) Als Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, Zich in Zijn bovenzinnelijke gedaante van de goedheid in hun harten bevindt, zal de cultuur van hun nageslacht bloeien als nooit tevoren. (23) Als de Allerhoogste Heer Kalki, de Heer en Meester van het Dharma, incarneert, zal Satya-yuga en het voortbrengen van nageslacht in de geaardheid goedheid zijn aanvang nemen [zie yuga]. (24) Als de maan en de zon tegelijkertijd met Jupiter [Bhrihaspatî] in hetzelfde sterrenteken [Karkatha ofwel Kreeft] het maanhuis Tishyâ ingaan [d.w.z. Pushyâ, 3° 20´ tot 16° 40´ zie zodiak], zal op dat moment Krita- of Satya-yuga beginnen.

(25) Aldus heb ik in het kort al de koningen van het verleden, het heden en de toekomst beschreven die behoren tot de dynastieën van de zon en de maan [zie ook vams'a]. (26) Van de geboorte van uw goede zelf af aan tot aan de kroning van koning Nanda [zie 12.1: 12] zullen elfhonderdvijftig jaren verstrijken (*). (27-28) Als het sterrenbeeld der zeven wijzen (Ursa Major, de Grote Beer) rijst worden de eerste twee van hen (Pulaha en Kratu) in de hemel waargenomen; tussen hen in op dezelfde lijn [noordwest] in de nachtelijke hemel wordt hun [heersende] maanhuis gezien. De wijzen [de sterren] ermee verbonden blijven in dat maanhuis voor een honderdtal menselijke jaren. Nu, in uw tijd, bevinden de tweemaal geborenen zich in de nakshatra genaamd Maghâ. (29) Toen Vishnu, de Opperheer, de zon die bekend staat als Krishna weer terugkeerde naar de hemel, ging deze wereld het Kali-tijdperk binnen waarin de mensen zich verheugen in de zonde. (30) Zolang als Hij, de Echtgenoot van Ramâ, de aarde beroerde met Zijn lotusvoeten, was Kali niet werkelijk in staat haar in bezit te nemen. (31) Het tijdstip waarop [het sterrenbeeld van] de zeven wijzen onder de goden Maghâ ingaan [ingaat] is de tijd dat Kali-yuga begint. Dat tijdperk beslaat twaalfhonderd [goden-] jaren [of 432.000 menselijke jaren, zie ook kâla]. (32) Als de zeven wijzen van Maghâ doorlopen naar het maanhuis Pûrvâsâdhâ, zal vanaf de tijd van [Mahâpadma] Nanda en zijn nageslacht, dit Kali-tijdperk zijn volle wasdom bereiken. (33) De geschiedkundigen zeggen dat de dag dat S'rî Krishna vertrok naar het hemelrijk het Kali-tijdperk zijn aanvang nam. (34) Aan het einde van de duizend hemelse jaren van het vierde [Kali-]tijdperk, zal Krita-yuga weer opnieuw beginnen, de tijd dat de geesten van de mensen zelfverlicht zullen zijn.

(35) Alzo werd deze dynastie van [Vaivasvata] Manu opgesomd zoals die nederdaalde op aarde; ook de posities van tijdperk tot tijdperk van de geschoolden, de handelaren en de arbeiders kunnen op dezelfde manier begrepen worden. (36) Van deze persoonlijkheden, deze grote zielen, herinnert men zich alleen maar hun namen; alles wat er van hun roem overblijft op deze aarde zijn hun verhalen. (37) Devâpi, de broer van S'ântanu [9.22: 12-17] en Maru [9.12: 5-6] geboren in de Ikshvâku dynastie, leven beide in Kalâpa, toegerust met grote mystieke macht. (38) Zij zullen aan het einde van het Kali-tijdperk terugkeren naar de menselijke samenleving en, uitgaand van de instructies die ze ontvingen van Vâsudeva, als voorheen het varnâs'rama-dharma uitdragen. (39) De vier tijdperken van Krita, Tretâ, Dvâpara en Kali die de levende wezens in deze wereld doorlopen herhalen zich telkens weer opnieuw in dezelfde volgorde [zie ook mahâyuga]. (40) O Koning, deze koningen, deze goden onder de mensen en de anderen die ik beschreef die op aarde hun bezitsdrang komen uitleven, moeten uiteindelijk allemaal deze wereld opgeven en hun ondergang onder ogen zien. (41) Ookal draagt iemands lichaam de naam van koning is het niettemin voorbestemd te eindigen als ontlasting, voer voor de wormen of tot as te vergaan. Terwille van dat lichaam stond hij andere levende wezens naar het leven en eindigt hij om die reden in de hel. Hoe kan men van zo iemand nu zeggen dat hij weet heeft van wat goed voor hem is [vergelijk 6.18: 35, 7.15: 37, 10.10: 10, 10.51: 50]? (42) [Zo'n koning denkt:] 'Deze wereld behoorde in zijn geheel toe aan mijn voorgangers en staat nu onder mijn gezag. Hoe speel ik het klaar dat dat gezag overgaat in handen van mijn zoon, kleinzoon en andere nakomelingen?' (43) Als men dit lichaam dat bestaat uit aarde, water en vuur aanvaardt met een idee van 'ik' en als men 'mijn' zegt tegen deze aarde, schiet men tekort in intelligentie, want uiteindelijk moet men met het bereiken van zijn eigen afwezigheid dit lichaam zowel als deze aarde opgeven [zie ook 4.9: 34-35]. (44) De Tijd laat van alles wat koningen met hun macht ook mogen genieten in de wereld niets meer over dan wat verslagen en verhalen [vergelijk met 2.9: 33, 5.19: 28, 11.19: 16, 11.28: 21].'

Voetnoot:

 * Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat de Candragupta die na Nanda door Cânakya op de troon werd gezet een andere Candragupta moet zijn geweest dan degene waarvan beweerd wordt dat hij 1500 jaar later Alexander de Grote versloeg in de vierde eeuw voor Chr. De paramparâ voegt hier wat betreft de discrepantie van zo'n drie eeuwen verder nog aan toe: 'Hoewel S'ukadeva Gosvâmî voorheen ongeveer vijftienhonderd jaar aan koninklijke dynastieën heeft beschreven, wordt begrepen dat er sprake is van enige overlapping tussen de koningen onderling.'

 

 

Hoofdstuk 3

Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de aarde de koningen druk bezig zag met het veroveren van haar, lachte ze en zei: 'Ach, zie hoe deze koningen, deze speeltjes van de dood, mij wensen te veroveren! (2) Deze lust van de heersers der mensen en zelfs de wijzen is gedoemd te mislukken met die koningen die geloof hechten aan deze klomp [van aardse materie] die te vergelijken is met bubbels [schuim op water]. (3-4) Ze mogen dan denken: 'Allereerst de verdeling van zes de baas zijnd [de zinnen en de geest], zullen we de ministers die de leiding hebben overwinnen, dan de adviseurs en ons dan bevrijden van de doornen [het boeventuig], de burgers, de vrienden en de olifantenhouders. Op deze wijze zullen we, stap voor stap de aarde veroveren met inbegrip van haar gordel van zeeën', maar aldus gebonden aan de hoop in hun harten, hebben ze geen besef van hun eindigheid [vergelijk B.G 16: 13-18]. (5) Nadat ze de landen die aan zee liggen hebben veroverd bevaren ze met al hun macht de zeeën; wat is nu het nut van een dergelijke victorie van de zelfbeheersing? Spirituele bevrijding is de [eigenlijke] vrucht der zelfbeheersing!

(6) O zoon van de Kuru's[, ze zei: ] 'Onintelligent proberen zij in die worsteling mij te veroveren [terwille van hun eeuwige 'roem'] terwijl de Manu's en hun zonen het allen moesten opgeven en weer [uit deze wereld] moesten vertrekken zoals ze gekomen waren [d.w.z. hulpeloos]. (7) Vanwege mij ontstaat er zo een conflict tussen materialistische personen, een conflict waarin vaders vechten met zoons en zoons met elkaar, omdat in hun streven naar macht ze in hun harten gebonden zijn aan de politiek. (8) Dingen zeggend als 'Dit is toch zeker mijn land en niet het jouwe, jij dwaas', zaaien aldus ruziënd de heersers over de mensen dood en verderf en worden ze ook vanwege mij gedood [vergelijk b.v. 2.5: 13, 2.7: 42, 4.29: 5, 5.5: 8, 6.16: 41; 7.8: 7-10; 9.4: 2-12]. (9-13) Prithu, Purûravâ, Gâdhi, Nahusha, Bharata, Kârtavîryârjuna, Mândhâtâ, Sagara, Râma [*], Khathvânga, Dhundhuhâ [ofwel] Kuvalayâs'va [9.6: 23-24], Raghu [9.10: 1], Trinabindu [9.2: 30], Yayâti, S'aryâti [9.3: 1], S'antanu [9.22: 12-13], Gaya [5.15: 6-13], Bhagîratha [9.9: 2-17], Kakutstha [9.6: 12], Naishadha [Nala, 9.9: 16-17,9.23: 20-21, van de nakomelingen van Nishadha, 9.12: 1], Nriga [Nâbhâga, 10.64: 10], Hiranyakas'ipu, Vritra, Râvana, die de hele wereld deed weeklagen, Namuci [8.11: 29-49], S'ambara [10.36: 36], Bhauma, Hiranyâksha en Târaka [8.10: 19-24], zowel als vele andere demonen en vorsten die veel macht hadden over anderen, waren stuk voor stuk helden die goed van alles op de hoogte niet te overwinnen waren en allen onderwierpen. Voor mij levend, o machtige, gaven ze blijk van een grote bezitsdrang maar, omdat ze in de greep van de Tijd onderworpen waren aan de dood, bereikten ze niet hun doel, er bleven alleen maar historische verhandelingen van hen over [zie ook B.G. 4: 7].'

(14) [S'uka ging verder:] Deze verhalen die u werden verteld over grote koningen wiens roem zich in al de werelden verspreidde waarna ze weer vertrokken, drukken niet het hoogste levensdoel uit; zij, o machtige, vormen niet meer dan een weldaad aan woorden [een decor] om uit te kunnen weiden over de verzaking en wijsheid [van God]. (15) Het is nog steeds het altijd weer vertellen over en bezingen van de kwaliteiten van de Heer die wordt geprezen in de Verzen dat alles tenietdoet wat ongunstig is; hij die Heer Krishna Zijn zuivere toegewijde dienst verlangt moet dan ook direct ertoe overgaan regelmatig van dat luisteren te zijn.'

(16) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Welke methoden, mijn Heer, staan de mensen levend in Kali-yuga ter beschikking om de fouten die er zich als gevolg van dat tijdperk ophoopten te bestrijden; alstublieft vertel het me zoals-het-is. (17) [Vertel me over] de yuga's, de plichten die erbij horen, de tijd die ze beslaan en wanneer ze eindigen, en over de Tijd zelf die de beweging van de Beheerser is, van Heer Vishnu, de Opperziel [zie ook tijdcitaten-pagina]'.

(18) S'rî S'uka zei: 'In Krita-yuga wordt door de mensen van die tijd de religie gehandhaafd met al haar vier poten van waarheid [satya], mededogen [dayâ], boete [tapas] en liefdadigheid [dâna, of ook wel s'auca, zuivering [**], vergelijk 1.17: 24, 3.11: 21 en zie niyama]. (19) De [hamsa-]mensen [van dat tijdperk] zijn tevreden, genadig, vriendelijk, vreedzaam, zelfbeheerst, tolerant, innerlijk voldaan, gelijkgezind en overwegend ascetisch [zie ook 3.13: 35 en 11.17: 10]. (20) In Tretâ-yuga gaat een kwart van [de kracht van ieder van] de poten van het dharma geleidelijk aan verloren als gevolg van tegengestelde, goddeloze kwaliteiten: valsheid, gewelddadigheid, ontevredenheid en tweestrijd [vergelijk 1.17: 25]. (21) Ze zijn dan toegewijd met rituelen en boetedoeningen, zonder een overmaat aan geweld of lustige verlangens. Welvarend in hun respect voor de drie Veda's volgen ze de drie wegen [van de regulatie der religie, de economie en de zinsbevrediging] en zijn de vier klassen overwegend op het brahmaanse georiënteerd, o Koning. (22) De dharmische kwaliteien van verzaking, mededogen, waarheidsliefde en liefdadigheid zijn in Dvâpara-yuga teruggedrongen tot de helft vanwege het adharma dat zich kenmerkt door geweld, misnoegen, leugens en hatelijkheid. (23) Men is [in dat tijdperk] van een hoog moreel gehalte en men houdt van de glorie en van vedische studie. Men is vermogend met grote families en vreugdevol, waarbij de vier klassen voor het grootste deel van een brahmaanse adel zijn. (24) Vervolgens nemen in Kali-yuga, vanwege de toename van de adharma principes, de poten van de religiositeit af tot een kwart [vergelijk 1.17: 25] en zal op het laatst ook dat ene kwart tenondergaan. (25) In die tijd zullen de mensen begeertig zijn, ongemanierd, tekortschieten in mededogen, geneigd zijn tot zinloos geruzie [gepolitiseer], onfortuinlijk zijn, geobsedeerd zijn door materiële verlangens en overwegend verslingerd zijn aan het verrichten van [baatzuchtige] arbeid. (26) De geaardheden van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid van een persoon worden in beweging gebracht door de Tijd en zijn in verschillende combinaties waar te nemen in de menselijke geest [***]. (27) Als de geest, de intelligentie en de zinnen floreren in de geaardheid goedheid, moet die tijd van behagen scheppen in kennis en verzaking worden begrepen als de tijd van Krita. (28) O man van intelligentie, als de geconditioneerde zielen er in hun plichtsbetrachting nevenmotieven op nahouden en in hun toegewijde dienst op de eer uit zijn, moet u een dergelijk overwegen van de hartstocht beschouwen als de tijd van Tretâ. (29) Als begeerte ongenoegen, valse trots, afgunst en hypocrisie op de voorgrond staan en wat men doet wordt beheerst door zelfzucht spreekt men met die [voorkeur voor de] hartstocht en onwetendheid van het Dvâpara-tijdperk.

(30) Als er sprake is van misleiding, valse getuigenis, luiheid en slaperigheid, geweld, neerslachtigheid, weeklagen, en begoocheling, angst en armoede, dan denkt men aan die tijd als de tijd van Kali, het tijdperk der onwetendheid. (31) Als gevolg daarvan zullen de stervelingen kortzichtig zijn, onfortuinlijk, teveel eten, wellustig zijn, gebrek lijden en zullen de vrouwen naar eigen inzicht handelen en onkuis zijn. (32) De bevolkte gebieden zullen worden gedomineerd door onzalige lieden [of dieven], aan de vedische geschriften zullen valse doctrines [ketters] afbreuk plegen, de politieke leiders zullen de mensen voor zich opeisen [ze 'verslinden'] en de tweemaal geborenen zullen hun magen en geslachtsdelen zijn toegewijd. (33) De jongeren [de studenten] zullen vreemd aan de geloften onzuiver bezig zijn, de huishouders zullen [met wat ze claimen] geneigd zijn zich als bedelaars te gedragen, de teruggetrokkenen [de middelbaren zonder een vrije natuur om zich in terug te trekken] zullen stedelingen zijn en de wereldverzakende orde zal zich begeertig inspannen voor financieel gewin [aan 'reli-business' doen]. (34) Kort van stuk en vraatzuchtig met vele kinderen aan hun rokken [zullen de vrouwen] hun bedeesdheid hebben afgeschud en zich voortdurend ongevoelig uitlaten met een grote brutaliteit en zo bedrieglijk zijn als de dieven. (35) De kooplieden zullen, zonder reden vol van bedrog zijn zodat ze in hun zakelijk handelen waarlijk ellendig bezig zijn en de mensen zullen een laag-bij-de-gronds beroep [zoals bijvoorbeeld in de seksindustrie en het gokwezen] een goede baan noemen. (36) Dienaren zullen een meester in de steek laten die het aan bezit ontbreekt, zelfs al is hij de beste die er is; meesters zullen een gehandicapte dienaar in de steek laten zelfs als hij al generaties lang bij de familie hoorde en de koeien zullen worden [gedood] als ze zijn opgehouden melk te geven. (37) In Kali-yuga zullen de mannen beheerst als ze zijn door hun echtgenotes er ellendig aan toe zijn en zich afkeren van hun eigen familie, hun vrienden, broers en vaders, ten gunste van een op hun seksualiteit gebaseerde vriendschap met de broers en zussen van de familie van zijn vrouw. (38) Mensen uit op een baan zullen voor hun levensonderhoud zich vertonen als wereldverzakers en religieus fondsen werven en op een hoge zetel klimmend spreken over de religieuze beginselen zonder enig plichtsbesef wat betreft de kennis [van offers brengen, ofwel valse predikers...]. (39-40) Met hun geesten voortdurend van streek, geplaagd door belastingen en hongersnood in tijden van schaarste met droogten die de aarde teisteren, zullen ze vol van zorgen in angst leven. Met een tekort aan kleding, voedsel, drinken, rust, afwisseling, het zich baden en sieraden zullen de mensen in Kali-yuga lijken op geestverschijningen. (41) In het Kali-tijdperk zal men zelfs over een enkele rooie cent hatelijkheid ontwikkelen [5.14 en 5.14: 26]. Met het afwijzen van vriendschappelijke relaties zal men zichzelf ter dood brengen en zelfs familieleden ombrengen. (42) Zelfs niet als men uit een fatsoenlijke familie afkomstig is zal men de ouden van dagen, de ouders, de echtgenote en de kinderen in bescherming nemen; eenvoudigweg vanwege het zielige belang van de eigen maag en geslachtsdelen. (43) O Koning, in Kali-yuga zullen de stervelingen doorgaans slechts uit atheïstische overwegingen offers brengen met hun intelligentie die feitelijk zijn oorsprong vindt in de Onfeilbare, de Hoogste Persoonlijkheid van God die de Allerhoogste Geestelijk Leraar is van de drie werelden en aan wiens voeten de verschillende meesters zich verbuigen. (44) In Kali-yuga zijn de mensen niet van aanbidding voor Hem dankzij wie een persoon die op sterven ligt, in zijn leed instortend en met een haperende stem hulpeloos Zijn naam herhalend, bevrijd raakt van de ketenen van het karma en de hoogste bestemming bereikt [zie ook B.G. 8: 10 en 6.2]. (45) De dingen, de plaats en de individuele aard der mensen zijn als gevolg van Kali-yuga vol van fouten, maar als men Bhagavân, de Allerhoogste Persoon in zijn hart toelaat, neemt Hij dat allemaal weg.

(46) Bij die menselijke wezens die zelfs maar hoorden, de lof bezongen, mediteerden, baden tot of de Opperheer verheerlijkten, wordt het ongeluk dat zich van een duizend geboorten in hun harten ophoopte weggezuiverd. (47) Net zoals de verkleuring die men als gevolg van andere metalen aantreft in goud teniet wordt gedaan door vuur, worden de onzuiverheden van de geest van yogabeoefenaren teniet gedaan als ze de ziel bereiken waar Heer Vishnu Zich ophoudt. (48) Kennis ['het aanbidden van halfgoden'], boete, het stoppen van de adem, vriendschap, het baden in heilige wateren, geloften, liefdadigheid en het bidden met het bidsnoer geven niet de zuivering van de geest die men kan bereiken met Hem, de Onbegrensde Persoonlijkheid van God, aanwezig in het hart. (49) Daarom o Koning, span u met heel uw wezen er voor in Heer Kes'ava in uw hart te vestigen; u zal, als u sterft [alhier na deze week], met een dergelijke concentratie de hoogste bestemming bereiken. (50) Als zij die sterven mediteren op de Opperheer die de Allerhoogste Beheerser is, de Ziel en Toevlucht van iedereen, zal Hij hen leiden naar hun ware identiteit, mijn beste. (51) In de oceaan van fouten van Kali-yuga bestaat er gelukkig één goede kwaliteit: door enkel maar te zingen over Krishna [zie bhajans] kan men bevrijd van de materiële gebondenheid het koninkrijk der hemelen bereiken [zie ook bhâgavata dharma en kîrtana]. (52) Hetzelfde resultaat dat men in Satya-yuga bereikt door te mediteren op Vishnu, dat men in Tretâ-yuga bereikt door te aanbidden met offerplechtigheden en dat men in Dvâpara-yuga bereikt door het dienen van de lotusvoeten [van Hem als een Koning], bereikt men in Kali-yuga door het bezingen van de Heer [zie ook 11.5: 38-40].'

Voetnoot:

* Volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, en zoals bevestigd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura, is de koning Râma hier vermeld niet de incarnatie van God Râmacandra. Dit wordt ondersteund door het M.W. woordenboek dat melding maakt van de halfgod Varuna, schrijvers, leraren en andere grote persoonlijkheden met die naam. Waarschijnlijk wordt Bhârgava ofwel Us'anâ bedoeld die hoogst machtig een dynastie vormde vanuit de wijzen Bhrigu en Mârkandeya [zie 9.16: 32 en 4.1: 45].

** In het M.W. woordenboek worden drie betekenissen gegeven voor het woord dâna: 1. doneren, het doen van schenkingen 2. delen of communiceren en 3. zuivering. De laatste betekenis bevestigt het gebruik van de term s'auca in het Eerste Canto van het S'rîmad Bhâgavatam als de vierde poot van de stier der religie. Deze alternatieve definitie van het woord dânam wordt bevestigd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura.

*** De paramparâ voegt hier aan toe: 'De specifieke tijd gerepresenteerd door de goedheid (Satya), de hartstocht (Tretâ), de hartstocht gecombineerd met onwetendheid (Dvâpara) of de onwetendheid (Kali) bestaat binnen ieder van de andere tijdperken als een subfactor.'

 

 

Hoofdstuk 4

Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

(1) S'rî S'uka zei: 'De tijd vanaf het kleinste van het atoom en culminerend in de twee helften [of parârdha's] van het leven van Brahmâ, o Koning is beschreven [in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's; luister nu naar de vernietiging van de kalpa. (2) Duizend cycli van vier yuga's heet een kalpa, een dag van Brahmâ, waarin er veertien oervaders van de mensheid zijn [Manu's]. (3) Als zij klaar zijn met hun leven is er de desintegratie beschreven als de nacht van Brahmâ die van dezelfde duur is; de drie werelden blijven ontbonden tot aan het eind van die tijd. (4) Dit wordt de incidentele vernietiging genoemd [of naimittika pralaya] waarin [Nârâyana] de schepper van het universum zich te ruste legt op Zijn slangenbed Ananta om het universum met inbegrip van Heer Brahmâ in Zich op te nemen. (5) Na het verstrijken van twee parârdha's [d.w.z. de levenshelften] van het hoogst geplaatste levende wezen, Heer Brahmâ, zijn de zeven elementen [mahat, ahamkâra en de tanmâtra's], onderhevig aan vernietiging. (6) Dit, o Koning vormt de elementaire vernietiging. Daarna, als de tijd voor zijn vernietiging is aangebroken, valt dit universele ei, dit samenstel [van deze zeven universele principes] uiteen. (7) Honderd jaar lang zullen de wolken o Koning, geen regen laten vallen op de aarde. De mensen verward door die tijd, zullen dan, met de eropvolgende hongersnood, als gevolg van de honger die ze lijden [zelfs] elkaar consumeren en aldus geleidelijk aan hun vernietiging vinden. (8) De zon die met zijn verschrikkelijke stralen niet het geringste [aan neerslag] terug biedt, zal alle vocht opdrinken van de aarde, de oceaan en de levende lichamen. (9) Dan zal het vuur der vernietiging voortkomen uit de mond van Heer Sankarshana en aangewakkerd door de kracht van de wind de kale gebieden van de planeten verbranden [3.11: 30, 8.5: 35]. (10) Het ei van het universum zal aan alle kanten brandend met de vlammen van het vuur beneden en de zon erboven, gloeien als een bal koeienmest. (11) Daarna zal er meer dan honderd jaar een verschrikkelijke wind waaien die de vernietiging brengt en de hemel met grijs stof zal verduisteren. (12) Samengepakte veelkleurige wolken, mijn beste, zullen het dan honderd jaar lang laten regenen met enorme donderslagen. (13) Het omhulsel van het universum zal dan vollopend één enkele [kosmische] zee van water vormen. (14) Als het water ten tijde van de vloed de kwaliteit van de geur verdrijft zal het aarde-element, verstoken van haar geur, zich oplossen [zie ook 3.26: 49-61, 11.3: 9, 11.24: 22-27]. (15-19) Vuur neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar unieke kwaliteit, oplost. Dan volgt het vuur dat door de lucht verstoken raakt van haar vorm. Met het vuur opgegaan in de wind neemt de ether de kwaliteit [der aanraking] van de lucht weg en dan volgt de kwaliteit van de ether, het geluid, dat wordt weggenomen door het oorspronkelijk elementaire van de natuur [of het valse ego in onwetendheid]. Met de ether die vervolgens opgaat neemt de vitale kracht [vals ego in hartstocht] bezit van de zinnen, mijn beste, en worden de goden die onderhevig zijn aan verandering gegrepen [door het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie neemt daar weer bezit van [van vaikârika] samen met de kwaliteiten [of manifeste functies] ervan en die mahat wordt dan door de guna's van sattva enzovoorts opgenomen. Deze drie geaardheden o Koning worden daarna, onder de druk van de Tijd, overschaduwd door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke ongemanifesteerde vorm van de natuur] van wie er niet de transformatie en dergelijke is met de verdelingen van de tijd [shath-ûrmi]; ongemanifesteerd zonder een begin en een einde vormt het de onfeilbare eeuwige oorzaak. (20-21) Daarin vindt men niet de spraak, geen geest, noch de geaardheid goedheid, hartstocht of onwetendheid; de elementen van de grotere werkelijkheid - de levensadem, de intelligentie, de zinnen en zo meer - treft men er niet aan, noch zijn er daar de goden of de schikking van de verschillende planetaire vormen van orde. Er is daar niet het slapen, het waken of de diepe slaap, geen water, lucht, ether, vuur, aarde of zon. Dat wat is als een leegte of als iemand die diep in slaap is vormt iedere verklaring tebovengaand de substantie die dienst doet als de wortel [de pradhâna], zo stellen de autoriteiten. (22) Dit vormt de [prâkritika pralaya] vernietiging waarin al de materiële elementen van de natuur en de energieën van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon volledig onttakeld raken door de Tijd en reddeloos opgaan.

(23) Het is [niets dan] de spirituele kennis [het bewustzijn, de Absolute Waarheid] die zich manifesteert in de vorm van deze elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten. Wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is inessentieel daar het geen bestaan heeft dat los staat van zijn oorzaak [maar er slechts een aanduiding van vormt, vergelijk 11.28: 21]. (24) Een lamp, een waarnemend oog en de waargenomen vorm staan niet los van het licht [dat door hen behandeld wordt]. Op dezelfde manier staat de intelligentie, staan de zintuigen en de zintuigelijke waarnemingen ook niet los van de [ene] werkelijkheid die geheel iets anders is [zie ook siddhânta en B.G. 9.15]. (25) Het waken, de slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie horen worden aldus een begoocheling van de zinnen genoemd. Dit o Koning is de dualiteit zoals de ziel die ervaart. (26) Net zoals wolken in de lucht er wel en er niet zijn in het Absolute van de Waarheid, is evenzo dit ganse universum dat zijn verschillende delen ontwikkelt en weer opgeeft wel en niet aanwezig. (27) Het oorzakelijk element, mijn beste, van welke samengestelde bestaansvorm dan ook alhier, is een werkelijk iets zo stelt men [in de Vedânta-sûtra], precies zoals dat met de draden van een stof is die men los kan waarnemen van het product dat zij vormen [zie ook 6.3: 12, 11.12: 21]. (28) Wat men ook ervaart in termen van een algemene oorzaak en een bepaald gevolg is een vorm van illusie, daar alles wat onderling afhankelijk zijnde onderhevig is aan het hebben van een begin en een einde niet wezenlijk is [d.w.z. gefixeerde materie vormt een illusie, maar de daaraan ten grondslag liggende energie van de materie zelf is echt]. (29) Een enkel atoom aan verandering onderhevig is, hoewel het zich manifesteert, zonder het Rechtstreekse Bewijs [in de vorm van de Tijd] van het Opperste Zelf niet denkbaar [of zelfs maar waarneembaar], zelfs als het op dezelfde manier [als de onveranderlijke ziel] standhoudt zonder te veranderen. (30) Er kunnen geen verschillende soorten Absolute Waarheid zijn; als een onwetende persoon erover denkt in termen van tegenstellingen is dat als het hebben van twee hemelen, twee daglichten of twee winden. (31) Net zoals goud zich voor mensen voordoet in vele vormen afhankelijk van het gebruik ervan wordt evenzo de Allerhoogste Heer Adhokshaja die zintuiglijk niet te doorgronden is, omschreven in verschillende termen door zowel de gewone man als door de vedische persoon. (32) Zoals een wolk als een product van de zon zichtbaar wordt gemaakt door de zon en feitelijk als een gedeeltelijke expansie van de zon de duisternis is [van het werpen van een schaduw] voor de ogen, is zo ook het ik-besef een kwaliteit van God, die zichtbaar door Hem als een gedeeltelijke expansie van Hem tegelijkertijd dienst doet als een individuele ziel die [met een versluierde blik] in verhouding tot de Opperziel in gebondenheid leeft. (33) Als een wolk voortgebracht door de zon uiteengedreven wordt kan het oog daarop de eigenlijke verschijning van de zon zien; zo ook verwerft men de juiste heugenis zo gauw men het oppervlakkige valse ego dat de geestelijke ziel verduistert vernietigt door spiritueel onderzoek. (34) Als men op deze manier door middel van dit zwaard van onderscheid het misleidende valse ego [van fixaties] heeft weggesneden dat de oorzaak vormt van de gebondenheid van de ziel en men een gedegen realisatie heeft van de Onfeilbare Allerhoogste Ziel [van het Levende Wezen], spreekt men in dat geval van de uiteindelijke vernietiging [âtyantika pralaya], mijn beste.

(35) O onderwerper van de vijanden, door sommige deskundigen van het subtiele wordt gesteld dat de schepping en vernietiging die al de levende wezens beginnende bij Brahmâ ondergaan iets is dat voortdurend plaatsvindt. (36) De verschillende omstandigheden [stadia van bestaan] van de dingen die zijn onderworpen aan verandering worden gezwind weggevaagd door de kracht van de machtige maalstroom van de Tijd; ze vormen het bewijs van hun constant geboren en vernietigd worden [dat we nityah pralaya noemen]. (37) De verschillende stadia gecreëerd door de Tijd - die zelf, zonder een begin en een eind te kennen, Îs'vara [de Beheerser] vertegenwoordigd [in het onpersoonlijke] - worden, zoals u weet, niet rechtstreeks waargenomen, net zoals de bewegingen van de planeten in de ruimte [of iemands verschillende conditioneringen] niet direct worden gezien [zie ook 3.10; 10-14]. (38) Op deze manier wordt de voortgang van de Tijd [kâla] beschreven als zijnde van een voortdurende [nitya], incidentele [naimittika], natuurlijke [elementaire of prâkritika] en uiteindelijke [âtyantika] vernietiging.

(39) Bondig zijn deze vertellingen over de lîlâ van de schepper van het universum, Nârâyana, het reservoir van alle bestaansvormen, aan u voorgedragen o beste van de Kuru's; zelfs niet de Ongeborene [Brahmâ] is in staat ze allen op te sommen. (40) Voor de persoon die te lijden heeft als gevolg van het vuur van de verschillende vormen van ongeluk en ernaar verlangt de moeilijk te boven te komen oceaan van het materiële bestaan over te steken, bestaat er geen andere boot dan het leveren van dienst aan de Fortuinlijke, de Allerhoogste Persoonlijkheid, overeenkomstig de persoonlijke smaak voor de vertellingen van Zijn wederwaardigheden. (41) Dit essentiële compendium van al de klassieke verhalen werd voorheen door de onfeilbare Heer Nara-Nârâyana uitgesproken voor Nârada die het herhaalde voor Krishna Dvaipâyana [Vyâsa, de schrijver; zie 5.19: 10-15]. (42) Hij, die machtige heer Bâdarâyana, was er zeker van dit Bhâgavatam, deze bloemlezing die een status geniet gelijk aan de vier Veda's, aan mij te vertellen o Mahârâja. (43) Sûta Gosvâmî, die hier bij ons zit, zal het [op zijn beurt] doorvertellen aan de wijzen die aanwezig zijn in het Naimishâranyawoud voor een langdurig offer onder leiding van S'aunaka, o beste van de Kuru's [zie 1.1].'  

 

 

Hoofdstuk 5

De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

(1) S'rî S'uka zei: 'In deze [vertelling] ben ik uitgebreid ingegaan op de Allerhoogste Heer Hari, de Ziel van Een Ieder door wiens genade Heer Brahmâ werd geboren [3.8] uit wiens woede Heer S'iva [3.12: 7] geboorte nam. (2) O Koning, u die denkt 'Ik ga sterven', moet deze dierlijke mentaliteit opgeven; in tegenstelling tot het lichaam dat er voorheen niet was en weer zal sterven werd u nooit geboren en zal u ook nooit vernietigd worden [zie ook B.G. 2: 12 & 2: 20]. (3) U zal niet opnieuw een leven krijgen als een kind van u of in de gedaante van een kleinkind, zoals een plant uit zijn eigen zaad voortspruit; u bent net zo verschillend van het lichaam en wat er bij hoort als een vuur verschilt van het hout waarin het schuilgaat [verschilt van brandhout *]. (4) Zoals je in een droom erbij kan zijn dat je hoofd wordt afgehakt [terwijl je gewoon verder leeft] ben je ook getuige van het fysieke lichaam dat is samengesteld uit de vijf elementen en om die reden is de ziel van het lichaam ongeboren en onsterfelijk van aard [zie ook B.G. 2: 22]. (5) Als er een pot wordt gebroken blijft de lucht in de pot de lucht als voorheen; zo keert, als het lichaam wordt opgegeven, ook de individuele ziel terug naar zijn spirituele oorsprong. (6) De lichamen, de kwaliteiten en de handelingen van de geestelijke ziel worden voortgebracht door een materieel georiënteerde geest; en het is mâyâ, het begoochelend vermogen van de Heer, dat de geest en het erbij behorende materiële bestaan van het individuele levende wezen in het leven roept [middels het ahankâra, zie ook 2.5: 25, 3.26: 31-32, 3.27: 2-5]. (7) De combinatie van olie, een houder, een pit en vuur is wat men samen ziet in het functioneren van een lamp, zo ook is er, ontwikkeld en vernietigd door de actie van de geaardheden van de hartstocht, de onwetendheid en de goedheid, het materiële bestaan van [een individuele ziel als de bewoner van] een functionerend lichaam. (8) De ziel onderscheidt zich van het grofstoffelijke [de deha] en het subtiele [de linga], ze produceert haar eigen licht en vormt, omdat ze zo onveranderlijk is als de ether, de basis [âdhâra] die eeuwig is en alle beschrijving te boven gaat. (9) O prabhu, door met het op deze manier mediteren op Vâsudeva uw verstand aan het werk te zetten terwille van het ware moet u zorgvuldig uw essentie die door het stoffelijk omhulsel wordt overdekt in overweging nemen. (10) Takshaka [de slangenvogel] die werd afgeroepen door de woorden van de brahmaan [1.18] zal u niet verbranden; de boodschappers van de dood kunnen u [uw ziel] die deze oorzaken van de dood en de dood zelf [nu] de baas bent niet overtreffen [zie ook 11.31: 12]. (11-12) 'Ik ben de Oorspronkelijke, Allerhoogste Geest, de Verblijfplaats van het Absolute en de Hoogste Bestemming'; als u met deze overweging uzelf plaatst in het Allerhoogste Zelf dat vrij is van materiële aanduidingen, zal u, als u zo de ganse wereld hebt weten te scheiden van het zelf, zelfs geen weet hebben van Takshaka of uw eigen lichaam als hij, zijn lippen likkend en met zijn bek vol gif, in uw voet bijt. (13) Beste ziel, wat wilt u nog meer weten na wat ik in reactie op uw vragen, o Koning, allemaal vertelde over de wederwaardigheden van de Heer?'

Voetnoot:

* In de s'ruti-mantra wordt gezegd: pitâ putrena pitrimân yoni-yonau: "Een vader heeft een vader in zijn zoon, zodat hij geboorte kan nemen als zijn eigen kleinzoon."  

 

Hoofdstuk 6

Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

(1) S'rî Sûta zei: "Toen Mahârâja Parîkchit, hij die beschermd wordt door Vishnu, hoorde wat er door de wijze, de gelijkgezinde ziener van de Opperziel, de zoon van Vyâsa, was gezegd, naderde hij zijn lotusvoeten, boog hij zijn hoofd voorover en zei hij tot hem met gevouwen handen het volgende. (2) De koning zei: 'Met de grote genade getoond door uwe goedheid heb ik de perfectie bereikt, omdat een mededogende ziel als u rechtstreeks voor mij de Heer Zonder een Begin en een Einde heeft beschreven. (3) Ik zie het in het geheel niet als iets verrassends voor grote zielen om verzonken in de Onfeilbare van genade te zijn voor de onwetende geconditioneerde zielen die worden gekweld door leed. (4) Wij [alzo] vernamen van u deze verzameling van klassieke verhalen waarin inderdaad de Allerhoogste Heer Uttamas'loka naar behoren wordt beschreven [*]. (5) Mijn heer, ik vrees Takshaka niet of enig ander levend wezen, noch ben ik bang voor een herhaald sterven; Ik ben de Geest van het Absolute binnengegaan die u onthulde als losstaand van al het materiële en vrij van angst. (6) Sta het me alstublieft toe, o brahmaan, dat ik mijn spraak [en andere zintuiglijke functies] opdraag aan Adhokshaja zodat ik, met verzonkenheid van geest alle zinnelijke verlangens verzaakt hebbend, mijn levensadem kan opgeven. (7) Met behulp van u die de alleszins gunstige, allerhoogste toevlucht toonde van de Opperheer, heb ik me kunnen concentreren op de onstoffelijke kennis en wijsheid en is mijn onwetendheid uitgebannen'."

(8) Sûta zei: "Aldus aangesproken verleende de machtige heilige, de zoon van Vyâsa, hem toestemming. Na te zijn aanbeden door die god onder de mensen en door de verzaakte wijzen, ging hij toen weg. (9-10) Parîkchit, de heilige koning, die met de macht van de rede zijn geest richtte op zijn ziel en mediteerde op de Allerhoogste, stopte zijn ademen en was zo bewegingloos als een boom. Met het gezicht naar het noorden gericht zittend op darbha gras dat naar het oosten was gelegd op de oever van de Ganges brak de grote yogi in het volmaakte besef van God met alle twijfels. (11) Beste geleerden, toen Takshaka, ertoe aangezet door de kwaad geworden zoon van de tweemaal geborene [Samika], zich op weg begaf om de koning te doden, kwam hij Kas'yapa Muni tegen [zie 1.18]. (12) Hij die een deskundige was op het gebied van het bestrijden van vergif, werd door Takshaka tevreden gesteld met kostbaarheden en ertoe overgehaald huiswaarts te keren. Daarna vermomde hij, die elke gedaante kon aannemen die hij maar wenste, zich als een brahmaan en beet hij de koning. (13) Met alle belichaamde zielen toekijkend veranderde, verteerd door het vuur van het slangengif, het lichaam van de volledig zelfverwerkelijkte heilige onder de koningen terstond tot as. (14) Er deed zich een luide jammerkreet voor uit alle richtingen van de aarde en de hemel die uitdrukking gaf aan de ontzetting van vrijwel al de halfgoden, demonen, menselijke wezens en andere schepselen. (15) De godbewusten lieten pauken klinken, de Gandharva's en Apsara's zongen en deden een regen van bloemen neerdalen en de wijzen spraken woorden van lof. (16) Toen Janamejaya hoorde dat zijn vader door Takshaka was gebeten, offerde hij in woede ontstoken in reactie daarop samen met de tweemaal geborenen de slangen [van de hele wereld] als offergaven in een grote offerplechtigheid. (17) Takshaka die zag hoe de grote serpenten werden verbrand in het laaiende vuur van het slangenoffer, ging zeer verstoord door de angst naar Indra om bij hem zijn toevlucht te zoeken. (18) Koning Janamejaya die Takshaka er niet bij zag zei tot de brahmanen: 'Waarom is Takshaka, de laagste van alle serpenten, niet verbrand?'

(19) [Ze antwoordden: ] 'O beste der koningen, hij heeft zijn toevlucht genomen tot Indra en door zijn bescherming is de slang aldus niet in het vuur beland.'

(20) De machtig intelligente zoon van Parîkchit die deze woorden hoorde gaf de priesters ten antwoord: 'O geleerden, waarom werpen we dan niet Takshaka samen met Indra in het vuur?'

(21) Toen zij dat hoorden volbrachten de geleerden het ritueel om Takshaka samen met Indra te offeren: 'O Takshaka, moge je spoedig hier in het vuur belanden samen met Indra en zijn schare halfgoden'. (22) Toen Indra samen met Takshaka en zijn vimâna zijn positie zag wankelen door de beledigende woorden van de brahmanen was hij hoogst verstoord over wat hem ter ore kwam. (23) Op het moment dat Brihaspati hem met Takshaka in zijn vimâna uit de hemel naar beneden zag vallen, richtte de zoon van Angirâ zich tot de koning: (24) 'Deze slangenvogel verdient het niet door u te worden gedood, o grote heerser der mensen. Hij, deze koning der slangen, dronk van de nectar der goden en is derhalve ongetwijfeld gevrijwaard van ouderdom en praktisch onsterfelijk! (25) Het leven en de dood van een levend wezen en zijn bestemming in zijn volgende leven o Koning, zijn enkel het resultaat van zijn karma; voor hem is er geen andere instantie dan deze die hem geluk en ongeluk verschaft. (26) Iemand die geboren werd kan de dood vinden door slangen, dieven, vuur en bliksem, honger, dorst, ziekte en andere instanties o Koning, maar hij ondergaat daarbij telkens de terugslagen van dat wat hij deed in het verleden. (27) Daarom o Koning moet met dit offer, dat wordt uitgevoerd met de bedoeling om de slangen geweld aan te doen, worden gestopt. Als we onschuldigen verbranden zullen er zeker personen voor dat voornemen moeten boeten' [zie ook de Mahâbhârata 1.43]."

(28) Sûta zei: "Aldus toegesproken zei hij met achting voor de woorden van de grote wijze: 'Zo zij het!', en een einde makend aan het slangenoffer vereerde hij de heer der welsprekendheid [Brihaspati]. (29) Deze vorm van mahâmâyâ van Vishnu kan niet worden herkend of tegengehouden door hen die, als geestelijke zielen die een deel en geheel van Hem vormen, vanwege Hem verbijsterd raken als gevolg van hun gewone lichamelijke functioneren overeenkomstig de geaardheden van de natuur. (30-31) De zichtbare begoochelende energie waarin men verkerend en de vrede ontberend, denkt in de trant van 'dat is een bedrieger', zal niet [overwegen] als men steeds onderzoekt wat er in de ziel omgaat. Dit omdat men in dat waarvan de transcendentalisten spreken niet de materialistische argumenten heeft die zo vele vormen aannemen en men ook niet de geest heeft vol van beslissingen en twijfels die daaruit voortvloeit. Daarin [in dat bovenzinnelijk bewustzijn] is het levende wezen niet van wereldse zaken of dat wat daartoe leidt en ook niet van de voordelen die men door hen behaald, noch van het ik-besef dat zo sterk is in het verbonden zijn met de geaardheden. Deze zaken vallen daarbuiten. Een wijs iemand behoort er behagen in te scheppen zich verre te houden van de golven van de wereldse conditioneringen alsmede van een ieder die aldus verstrikt is [zie ook b.v. 6.4: 31-32]. (32) De allerhoogste toevlucht van Heer Vishnu wordt door hen die naar de verzaking verlangen omschreven als dat wat 'noch dit, noch dat' is [zie ook neti neti]. En zo komen zij, die met hun emoties nergens anders op gericht zijn, ertoe het kleinzielige materialisme af wijzen waarbij ze in hun harten het 'niet-dat' [van de Ziel, van Hem] omarmen waaraan zij die daarin verzonken zijn vasthouden. (33) Zij voor wie er niet de corruptie is van het 'ik' en 'mijn' dat is gebaseerd op het hebben van een huis en een lijf, komen er op die manier dan achter wat de allerhoogste toevlucht van Vishnu is. (34) Beledigende woorden moet men verdragen, men moet nooit enig iemand minachten, noch moet men zich identificeren met dit materiële lichaam of wrok koesteren jegens wie dan ook. (35) Ik biedt Hem mijn eerbetuigingen, de Allerhoogste Persoonlijkheid S'rî Krishna, wiens macht nimmer overschaduwd wordt en op wiens lotusvoeten ik mediterend mij deze verzameling van wijsheden [Samhitâ] heb eigen gemaakt'."

(35) S'rî S'aunaka zei: "Alstublieft, zeg ons dit: hoe spraken Paila en de andere hoogst intelligente discipelen van Vyâsa die het vedische gezag vormen, over de Veda's en hoe verdeelden ze ze?"

(37) Sûta zei: "O brahmaan, Heer Brahmâ, het meest verheven levende wezen, had zijn geest volmaakt in bedwang en hoorde in zijn hart het subtiele bovenzinnelijke geluid [van ta-pa, 2.9: 6] dat oprees vanuit de ether. Men kan dat horen als men met zijn oren sluit voor geluiden van buiten [zie ook s'abda]. (38) Door dat geluid te aanbidden, o brahmaan, zuiveren yogi's zich van de besmetting van hun harten die bekend staat als de substantie, de handeling en de doener [**], en raken ze ervan bevrijd weer opnieuw geboren te worden. (39) In die activiteit vond de drieledige omkâra zijn bestaan die, zich manifesterend zonder dat men de invloed ervan waar kan nemen, de representatie vormt van de Opperheer [Bhagavân], de Absolute Waarheid [Brahman] en de Superziel [Paramâtmâ, zie ook 1.2: 11, B.G. 7: 8]. (40-41) Hij [het Allerhoogste Zelf] neemt dit ongemanifesteerde, subtiele geluid waar buiten de fysieke gehoorzin en het visueel vermogen om. Het geheel aan vedisch geluid waar men zich van bedient is daar een uitwerking van: een uitwerking van het omkâra dat zich voordoet vanuit de ziel in de ether. Van het uit zichzelf voortkomende Brahman en het Paramâtmâ vormt het de rechtstreekse uitdrukking. Het is het eeuwige zaad van de Veda's dat het geheim vormt van alle mantra's [zie ook 7.15: 31, 9.14: 48, 11.14: 34-35, 11.21: 36-40]. (42) O eminentie van Bhrigu, daaruit [uit dat geluid] vonden de drie klanken [A, U en M] van het alfabet beginnende met de A hun bestaan. Deze klanken liggen ten grondslag aan het drievoudige aspect van het materiële bestaan, te weten de guna's, de namen [van de drie Veda's], de bestemmingen [de drie soorten loka's] en de staten van bewustzijn [avasthâtraya]. (43) De machtige ongeboren heer [Brahmâ] schiep de verschillende geluiden eruit die het geheel vormen van klinkers, sisklanken, semi-vocalen en medeklinkers zoals men ze kent in hun lange en korte maten. (44) De almachtige schiep met hen vanuit zijn vier gezichten de vier Veda's, met inbegrip van zijn omkâra en zijn vyâhriti aanheffingen [van de namen van de zeven loka's]. Hij deed dit met de bedoeling uitleg te verschaffen over de vier offerplechtigheden [zie ritvik]. (45) Hij onderwees ze aan zijn zoons, de grote rishi's onder de brahmanen die hoogst bedreven zijn in de kunst van de vedische recitatie, en zij op hun beurt gaven ze door aan hun eigen zoons als hun leraren van het dharma [âcârya's]. (46) Zo werden ze [de Veda's] gedurende al de vier yuga's de een na de ander, generatie na generatie [in paramparâ] ontvangen door discipelen die standvastig waren in hun geloften. Aan het einde van Dvâpara-yuga werden ze toen opgedeeld door de vooraanstaande wijzen. (47) Toen ze zagen dat onder de invloed van kâla [de mensen] minder intelligent werden en korter leefden en dat hun kracht was afgenomen, deelden de belangrijkste wijzen, geïnspireerd door de Onfeilbare Heer die Zich in hun harten bevindt, de Veda's op [zie ook 1.4: 16-18]. (48-49) O brahmaan, in deze periode [van Manu], verzochten de heersers over de werelden - Brahmâ, S'iva en anderen - de Allerhoogste Heer, de Beschermer van het Universum, de principes van de religie te beschermen. De Heer [in de gedaante van Krishna Dvaipâyana Vyâsa] daalde toen, door Parâs'ara verwekt in de schoot van Satyavatî, neder als een deelaspect van Zijn volkomen expansie [als een deelaspect van Sankarshana dus], met het doel de Veda in vieren op te splitsen. (50) Hij deelde, net als met het sorteren van juwelen, de verzameling van mantra's op door te voorzien in vier specifieke categorieën van verzamelingen [of Samhitâ's]: de Rig, Atharva, Yajur en Sâma Veda [zie Veda's]. (51) De hoogst intelligente en machtige wijze, riep de een na de ander vier van zijn leerlingen bij zich om aan ieder van hen een van de [vier] verzamelingen over te dragen, o brahmaan. (52-53) Hij onderrichtte Paila de eerste verzameling [de Rig-veda] die hij de Bahvrica noemde ['vele verzen'], voor Vais'ampâyana sprak hij de verzameling van de yajur-mantra's uit en die noemde hij Nigada ['het gereciteerde'], de sâma-mantra's genaamd Chandoga ['de zanger van het metrum'] leerde hij Jaimini, en de mantra's genaamd Atharva en Angirâ vertrouwde hij zijn geliefde leerling Sumantu toe [zie ook 4.21: 22]. (54-56) Paila sprak zijn Samhitâ [in tweeën gedeeld] voor Indrapramiti en Bâshkala. De laatstgenoemde verdeelde zijn verzameling in vieren en gaf ze verder door, o zoon van Bhrigu [S'aunaka], aan zijn discipelen Bodhya, Yâjñavalkya, Parâs'ara en Agnimitra. Indrapramiti, zelf-beheerst, onderwees zijn verzameling aan de geschoolde ziener [zijn zoon] Mândûkeya en zijn discipel Devamitra droeg ze over aan Saubhari en anderen. (57) S'âkalya, zijn zoon, verdeelde zijn verzameling in vijf delen die hij afzonderlijk doorgaf aan Vâtsya, Mudgala, S'âlîya, Gokhalya en S'is'ira. (58) De wijze Jâtûkarnya, ook een leerling van hem, voegde aan de collectie die hij ontving een woordenlijst toe, toen hij hem doorgaf aan Balâka, Paila, Jâbâla en Viraja. (59) Bâshkali [de zoon van Bâshkala] stelde uit al de verschillende afdelingen [van de Rig-veda] de verzameling genaamd de Vâlakhilya-Samhitâ samen die daarop werd verwelkomd door [de daitya zonen] Vâlâyani, Bhajya en Kâs'âra. (60) Op deze manier werden de verzamelingen van al deze verzen door deze brahmaanse rishi's vol overtuiging [in erfopvolging] hoog gehouden. Degene die verneemt over de verdeling van deze heilige verzen raakt bevrijd van alle zonden.

(61) De leerlingen van Vais'ampâyana ontwikkelden zich tot autoriteiten van de Atharva Veda en staan bekend als de Caraka's ['de gezworenen'] omdat ze zich hielden aan strikte geloften om af te doen met de zonde van hun goeroe die een brahmaan had gedood. (62) Yâjñavalkya, één van zijn discipelen, had in dezen gezegd: 'O meester, wat is nu de waarde van de pogingen van deze zwakke makkers? Ik zal een hoogst moeilijke boetedoening volbrengen!'

(63) Aldus aangesproken werd zijn geestelijk leraar kwaad en zei: 'Ga weg, genoeg heb ik van dat beledigen van de geschoolden; geef nu meteen alles op wat je van me geleerd hebt!'

(64-65) De zoon van Devarâta hoestte toen de verzamelde yajur-mantra's op en vertrok daarna. De wijzen die begeertig keken naar deze yajur-mantra's veranderden in patrijzen en pikten ze op. Aldus raakten deze gedeelten van de Yayur Veda bekend als de allerprachtigste Taittirîya-Samhitâ ['de patrijzen-verzameling']. (66) O brahmaan, Yâjñavalkya, die daarop naar aanvullende mantra's zocht die zelfs zijn geestelijk leraar niet kende, droeg met zorg gebeden op aan de machtige heerser die de zon is.

(67) S'rî Yâjñavalkya zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de Hoogste Persoonlijkheid van God die, verschijnend als de zon, als de Superziel in de vorm van de Tijd aanwezig is [als de Beheerser] in de harten van de vier soorten van levende wezens vanaf Brahmâ tot aan de grassprieten [als geboren uit eieren, baarmoeders, vocht en zaad, zie ook 2.10: 37-40]. U die, net als de hemel [door haar wolken], niet door materiële termen te omvatten bent, volbrengt in Uw eentje, met de stroom der jaren die bestaat uit de kleine fragmenten van de kshana's, lava's en nimesha's [zie 3.11: 7], de handhaving van dit universum door het water weg te nemen en weer te retourneren [in de vorm van regen]. (68) O Heer van de Zon, o Stralende, o Beste onder de Ontwaakten, met de regels van de heilige traditie mediteer ik dagelijks tijdens de [drie] keerpunten van de dag met volle aandacht op de gloeiende bol van U, de machtige heerser, die van een ieder die gebeden opdraagt alle zonden verbrandt, alsmede het lijden dat ermee samenhangt en dat wat er aanleiding toe gaf [zie ook 11.14: 35 en de Gâyatrî]. (69) U, die inderdaad in deze wereld de Heer bent die verblijft in de harten van de bewegende en niet-bewegende levende wezens die afhankelijk zijn van Uw beschutting, wekt de niet-levende materie van de geest, de zinnen en de verschillende vormen van de vitale adem [de vâyu's] tot leven. (70) U alleen, die hoogst grootmoedig genadevol Uw blik werpt, wekt, met het schenken van inzicht, de slapende geesten op van deze wereld die, gegrepen en verzwolgen door de schrikwekkende bek van de python die bekend staat als de duisternis, in het onbewuste verviel als ging ze dood. Aan het begin, halverwege en aan het eind van de dag betrekt U zo, dag na dag, opdat de ziel wordt gevonden, de vromen in het uiteindelijke goed dat bekend staat als hun persoonlijke plichtsbetrachting en aard van dienstverlenen [svadharma]. (71) Gelijk een aardse koning trekt U rond overal angst opwekkend bij de zondaren, terwijl de godheden die de windrichtingen beheersen ieder van hun kant met lotusbloemen in hun handen met hun handpalmen bijeen hun eer betuigen. (72) Aldus o Heer, benader ik, verlangend naar yajur-mantra's die niet bekend zijn bij anderen, met gebed Uw twee lotusvoeten die worden vereerd door de geestelijk leraren van de drie werelden [de loka's, en zie 5.23: 8]'."

(73) Sûta zei: "Hij, de Allerhoogste Heer van de Zon die tevreden was gesteld, nam de gedaante van een paard aan en presenteerde aan de wijze de yajur-mantra's die nimmer eerder door een andere sterveling gekend werden [zie ook 5.18: 6]. (74) De honderden yajur-mantra's verdeelde de machtige wijze over vijftien afdelingen en werden overgedragen aan de discipelen Kânva en Mâdhyandina onder de naam Vâjaseneyi: 'voortgebracht uit de manen van het paard'. (75) Van Jaimini Rishi, de reciteerder van de Sâma Veda, was er een zoon Sumantu zowel als zijn kleinzoon Sutvân; voor ieder van hen sprak hij een van de twee delen van de verzameling. (76-77) Sukarmâ, een andere leerling [van Jaimini] en een groot denker, verdeelde de drie van de Sâma Veda in een duizendtal verzamelingen van sâma-mantra's waarna, o brahmaan, de twee discipelen Hiranyanâbha - de zoon van Kus'ala - en Paushyañji, plus een andere, Âvantya die ver gevorderd was in het spirituele inzicht, de zorg voor hen op zich namen. (78) Er waren in totaal vijfhonderd discipelen van Paushyañji en Âvantya die de sâma-veda zangers van het noorden worden genoemd, maar ook daarentegen [in latere tijden, enkelen van hen] bekend staan als de oostelijke zangers. (79) Andere leerlingen van Paushyañji, namelijk Laugâkshi, Mângali, Kulya, Kus'îda en Kukshi, namen ieder de zorg op zich voor een honderdtal verzamelingen mantra's. (80) Krita, de discipel van Hiranyanâbha, droeg vierentwintig Samhitâ's over aan zijn leerlingen; de resterende Samhitâ's werden doorverteld door de zelfverwerkelijkte wijze Âvantya."

Voetnoten:

* Het S'rîmad Bhâgavatam staat ook bekend onder de naam 'Paramahamsa Samhitâ': de verzameling van verhalen over de Allerhoogste Zwaangelijke Heer.

**: De substantie, de handeling en de doener als onzuiverheden worden begrepen als manifestaties van de tot ego inspirerende geaardheden van de onwetendheid van de inerte materie, de hartstocht van de beweging en de goedheid van de kennis, ookwel bekend als de adhibhautika hindernis van het lichaam, de adhyâtmika hindernis van de organen van handelen en de adhidaivika hindernis van de waarnemende zinnen [zie kles'a].

   

 

Hoofdstuk 7

De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

(1) S'rî Sûta zei: "Sumantu Rishi, de deskundige van de Atharva Veda onderrichtte zoals u weet [zie 6: 52-53] deze verzameling aan zijn leerling [genaamd Kabandha], die [die in tweeën delend] zich erin verheugde hem uit te spreken voor Pathya en Vedadars'a. (2) Alstublieft luister: S'auklâyani, Brahmabali, Modosha en Pippalâyani, de discipelen van Vedadars'a en de discipelen van Pathya, mijn beste brahmaan, Kumuda, S'unaka en Jâjali, waren allen eveneens autoriteiten op het gebied van de Atharva Veda. (3) Babhru en Saindhavâyana, discipelen van S'unaka, namen toen op dezelfde manier kennis van twee Samhitâ's en zo deden dat andere discipelen met Sâvarna voorop [weer van hen]. (4) Met Nakshatrakalpa, S'ântikalpa alsook Kas'yapa en Ângirasa behorend tot deze âcârya's van de Atharva Veda, verneem nu, o wijze, over de autoriteiten van de Purâna's.

(5) Trayyâruni, Kas'yapa, Sâvarni, Akritavrana, Vais'ampâyana en Hârîta vormen de zes meesters van de Purâna's (6) Zij namen kennis van de verzameling uit de mond van Vyâsa's leerling, mijn vader [Romaharshana], en ik, als een discipel van ieder van hen één gedeelte lerend, raakte goed onderlegd in hen allemaal. (7) Kas'yapa, ik, Sâvarni en Akritavrana, die een leerling is van Râma [van de Bhârgava's ofwel Pâras'urâma, zie ook 10.74: 7-9], hebben zich door de leerling van Vyâsa vier basisverzamelingen eigengemaakt. (8) O brahmaan, luister alstublieft aandachtig naar wat de kenmerken zijn van een Purâna, welke in overeenstemming met de vedische geschriften door de intelligentste brahmaanse zieners zijn vastgesteld. (9-10) De schepping [van dit universum, sarga], de daaropvolgende schepping [van verschillende werelden en wezens, visarga], de handhaving [het onderhoud, de vritti of sthâna] en bescherming [de rakshâ of poshana van de levende wezens], de tijdperken van heersen [van de verschillende Manu's], de dynastieën [vams'a's], de vertellingen over hen [vams'a-anucaritam], de vernietiging [van verschillende aard, pralaya of samsthâ], de motivatie [van het individuele of hetu] en de allerhoogste toevlucht [van de Fortuinlijke of apâs'raya], o brahmaan, vormen de tien onderwerpen van een Purâna zoals begrepen door de autoriteiten op dit gebied; sommigen stellen dat in verhouding tot de grotere, de minder grote Purâna's handelen over vijf onderwerpen [zie ook S'uka hierover 2.10: 1-7 en *].

(11) Schepping [sarga] is wat het genereren wordt genoemd uit de oerstaat. Uit die staat wordt, door de verstoring door de geaardheden, de kosmische intelligentie opgewekt waaruit de identificatie met de materie zich opwierp die is verdeeld in drie aspecten [of soorten van wezens naar de geaardheden]. Dit leidt verder tot de manifestatie van de subtiele vormen van waarnemen, de zintuigen en de waargenomen voorwerpen [formatie door de conditionering van en identificatie met Tijd, vergelijk 2.10: 3].

(12) De tweede schepping [visarga] is het samenstel bestaande uit de voor de bewegende en niet-bewegende levende wezens specifieke eigenschappen [de vâsanâ's]. Deze geneigdheden worden, bij genade van de Oorspronkelijke Persoon [purusha], op dezelfde manier voortgebracht als zaad dat meer zaad voortbrengt.

(13) Levende wezens houden zich in leven [vritti] met levende wezens die zich rondbewegen dan wel zich niet rondbewegen. Voor menselijke wezens in het bijzonder geldt dat men voor zijn levensonderhoud handelt in overeenstemming met de persoonlijke aard waarin men ofwel leeft naar zijn lust dan wel zich houdt aan de [religieuze] regels.

(14) Rakshâ [of bescherming] is er met de incarnaties van de Onfeilbare. Tijdperk na tijdperk aanwezig zijnde onder de dieren, de stervelingen, de zieners en de halfgoden, worden door deze incarnaties de vijanden van de drievoudige Veda gedood [zie ook B.G. 4: 7].

(15) In ieder tijdperk van het heersen van een Manu is er het zesvoudige van de Heer: de Manu, de halfgoden, de zoons van de Manu, de verschillende heersers over de verlichte zielen [de Indra's], de zieners [of rishi's], en de gedeeltelijke incarnaties [de Heer Zijn ams'a-avatâra's].

(16) Dynastieën [vams'a's] stammend van Brahmâ strekken zich uit in het drievoudige van de tijd [trikâlika] als series van koningen, en hun geschiedenissen [vams'a-anucaritam] beschrijven de handelingen van de elkaar opvolgende vooraanstaande leden.

(17) De incidentele, elementaire, voortdurende en uiteindelijke vernietiging die door Zijn vermogen plaatsvindt vormt de vier aspecten van wat de geleerden het zich weer oplossen van dit universum noemen [de samsthâ in relatie tot de pralaya, zie ook 12.4].

(18) Het motief [hetu] van de schepping [sarga] en alles wat erbij hoort, wordt gevormd door de individuele levende ziel [jîva], die uit onwetendheid degene is die baatzuchtige handelingen verricht [karma]. Anderen daarentegen spreken van de ongemanifesteerde onderliggende persoonlijkheid.

(19) God als de allerhoogste toevlucht [apâs'raya] is, op Zichzelf staand en verbonden, aanwezig in het waken, het slapen en de droomloze slaap, in de zaken voorgespiegeld door de begoochelende energie en in de functies van de individualiteit. (20) De grondsubstantie van materiële voorwerpen is verbonden met, en staat tevens los van hun afzonderlijke bestaan als dingen die een naam en een vorm hebben. Zo ook is dat het geval [met God], die door de verschillende fasen van een lichamelijk bestaan heen, [verbonden is met en losstaat] van het zaad in het begin tot aan de vijf elementen [waarnaar men terugkeert] op het eind [vergelijk 8.6: 10]. (21) Uit zichzelf of door yogabeoefening, kan het denken stoppen in het overstijgen van de drievoudige staat [vritti-traya]. Als men afziet van materieel ondernemen kent men de Opperziel [zie ook 3.25: 32-33].

(22) Op deze manier onderscheiden door hun kenmerken zijn er, zo zeggen de wijzen die thuis zijn in de antieke verhalen, achttien grote en [achttien] kleine Purâna's [van 9.000 tot aan 81.000 verzen, zie ook Upa-purâna]. (23-24) Zij staan bekend als de drie keer zes Purâna's [naar iedere guna-avatâra] genaamd Brahmâ, Padma, Vishnu, S'iva, Linga, Garuda, Nârada, Bhâgavata, Agni, Skanda, Bhavishya, Brahma-vaivarta, Mârkandeya, Vâmana, Varâha, Matsya, Kûrma en Brahmânda [zie Purâna's]. (25) O brahmaan, ik beschreef aldus grondig de kennis die het geestelijk vermogen bevordert zoals die is onderverdeeld door de wijze [Vyâsadeva], zijn discipelen en de discipelen van zijn discipelen."

Voetnoot:

*Het vedische vers (Amarkhasa) naar deze secundaire status van een Purâna zegt: sargas' ca pratisargas' ca vams'o manvantarâni ca vams'ânucaritam ceti Purânam pañca-lakshanam; "Schepping, secundaire schepping, de dynastieën van de koningen, hun handelingen en de regeerperioden van de Manu's zijn de vijf kenmerken van een Purâna."

S'rîla Jîva Gosvâmî heeft hierbij duidelijk gemaakt dat de tien belangrijkste onderwerpen van het S'rîmad Bhâgavatam terug te vinden zijn in ieder van de tien Canto's. Men moet niet proberen ieder van de tien toe te wijzen tot één canto apart. Noch moet het S'rîmad Bhâgavatam kunstmatig worden uitgelegd om te bewijzen dat het in opeenvolging die onderwerpen behandelt. Het is eenvoudigweg zo dat alle aspecten van kennis belangrijk voor menselijke wezens, samengevat in de tien categorieën hierboven vermeld, worden besproken met wisselende graden van nadruk en analyse door het hele S'rîmad Bhâgavatam heen [pp. 12.7: 9-10].

 

Hoofdstuk 8

Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

(1) S'rî S'aunaka zei: "O Sûta, moge u lang leven, o heilige man; o beste der sprekers, spreekt u alstublieft tot ons, omdat u voor een mensheid die in de eindeloze duisternis ronddoolt de ziener bent van het tegendeel. (2-5) Mensen zeggen dat de zoon van Mrikandu, de ziener [genaamd Mârkandeya] die gezegend is met een buitengewoon lange levensduur, de enige was die overbleef aan het einde van de kalpa als dit gehele universum wordt overspoeld. Hij, de meest vooraanstaande afstammeling van Bhrigu, werd deze kalpa geboren in mijn eigen familie en we hebben in ons tijdperk tot nu toe nog geen grote zondvloed die de hele schepping omvat zien plaatsvinden. Geheel alleen in deze grote oceaan ronddolend trof hij, zo gaat het verhaal, één enkele, wonderbaarlijke persoonlijkheid aan, een babyjongetje dat in de vouw van een banyan-blad lag. Hierover verkeren wij in grote twijfel; alstublieft, o yogi die door iedereen beschouwd wordt als zijnde de grootste autoriteit op het gebied van de Purâna's, maak voor ons die er zo begerig naar uitzien daar een einde aan."

(6) Sûta zei: "O grote wijze, deze vraag van u neemt de lichtzinnigheid weg van de ganse wereld omdat ze leidt tot de bespreking van het verhaal van Nârâyana dat het vuil van Kali-yuga wegneemt. (7-11) Mârkandeya die, ordelijk de vedische lofzangen met inbegrip van de religieuze verplichtingen bestuderend, van zijn vader de wedergeboorte-initiatie rituelen had ontvangen, was volkomen in zijn verzakingen en studies. Zich aan de grote gelofte houdend [zie yama] droeg hij vredig met samengeklit haar en met boombast als zijn kleren de waterpot, de bedelstaf, de heilige draad en de gordel van het celibaat. Met het vel van een zwart hert en gebedskralen van lotuszaden aanbad hij voor het heil van zijn geregelde praktijk [zie niyama] bij de overgangen van de dag tot de Heer in de gedaante van het vuur, de zon, de goeroe, de geschoolden en de Allerhoogste Ziel. 's Ochtends en 's avonds bracht hij met zijn stem onder controle dat wat hij had ingezameld met bedelen naar zijn geestelijk leraar en at hij mee als hij ertoe was uitgenodigd of vastte hij indien dat niet zo was [zie ook 7.12; 5 en 7.14: 17]. Toen hij op deze manier van boete en studie voor een eindeloos aantal [miljoenen] jaren van aanbidding was geweest voor de Meester der Zinnen, had hij overwonnen wat onmogelijk te overwinnen was: de dood. (12) Brahmâ, Bhrigu, S'iva, Daksha, de zoons van Brahmâ en de andere menselijke wezens, de halfgoden, de voorvaderen en de geesten verbaasden zich daar allen over. (13) Met het op deze manier middels zijn verzakingen, recitaties en zinsbeteugeling standhouden met de grote gelofte, mediteerde de yogi op de Heer in het Voorbije en ontdeed zich zo met zijn geest inwaarts gekeerd van alle hindernissen. (14) Met het aldus middels de yoga concentreren van zijn geest, verstreek de enorme tijdspanne van zes manvantara's [van 71 mahâyuga's ieder]. (15) In de zevende periode van Manu vernam Purandara [Indra] van de verzakingen. Hij raakte bevreesd, o brahmaan, en besloot hij hem te dwarsbomen. (16) Hij stuurde hemelse zangers en dansmeisjes, Cupido, het lenteseizoen, de [naar sandelhout geurende] Malaya-bries, het kind van de hartstocht en het kind van de bedwelming op de wijze af. (17) O machtige, zij begaven zich allen naar zijn hermitage die aan de noordzijde van de Himalaya's was gesitueerd alwaar men de rivier de Pushpabhadrâ en de bergpiek genaamd Citrâ aantreft. (18-20) De goede plek van de âs'rama waar vele tweemaal geboren zielen op af waren gekomen om er te leven, werd omlijst door fijn geboomte en klimplanten en kende overal bekkens vol van kristalhelder water. Zoemend van de doldwaze bijen was er een drukte van allerlei vogelfamilies - opgewonden roepende koekoeken en druk dansende, trotse pauwen. De winden die er waaiden voerden de verkoelende mistdruppels van de watervallen met zich mee en vormden, omarmd door de bekoring der bloemen, een uitnodiging voor de god van de liefde. (21) Met de maan die in de nacht rijzend zijn gezicht toonde, deed zich daar de lente voor in reeksen van nieuwe spruiten en bloesems met de veelvoud aan klimplanten die innig verstrengeld waren met de bomen. (22) Gevolgd door groepen zingende en muziekinstrumenten bespelende Gandharva's, liet de god van de liefde, de meester van hordes van hemelse vrouwen, zich daar zien met zijn boog en pijlen in zijn hand. (23) De dienaren van Indra troffen hem daar op die plek aan, hij die, met het gebracht hebben van zijn offers, met gesloten ogen neerzat in meditatie zo onoverwinnelijk als het vuur zelve. (24) De vrouwen dansten recht voor zijn neus en de zangers van de hemel zongen en maakten muziek met trommels, cimbalen en vînâ's. (25) Terwijl de dienaren van Indra, het kind van de lente en het kind van de begeerte poogden de geest van de wijze af te leiden, legde de vijfkoppige Cupido (naar het zien, het horen, het ruiken, het voelen en het proeven) een pijl aan op zijn boog. (26-27) Uit de haarvlecht van Puñjikasthalî [een Apsara] die met haar middel zwaar overhangen door haar geweldige borsten aan het spelen was met een aantal ballen, vielen de bloemen naar beneden. Achtera de ballen aanhollend, met haar ogen van links naar rechts schietend, gleed de gordel van haar dunne kleed los en tilde de wind de fijne stof van haar kledingstuk op [zie ook 3.20: 35-36, 3.22: 17, 5.2: 14, 8.12: 17-24]. (28) Cupido, denkend dat hij hem verslagen had, schoot toen zijn pijl op hem af. Maar dit alles gericht op de wijze bleek zo nutteloos als de pogingen van een ongelovige. (29) O wijze, op deze manier trachtend de wijze in verlegenheid te brengen, voelden ze hoe ze zich brandden aan zijn vermogen en dus zagen ze ervan af als waren ze kinderen die een slang hebben uitgelokt. (30) O brahmaan, hoewel de volgelingen van Indra de grote muni grof hadden verstoord, gaf hij geen strobreed toe aan de sentimenten van het ego. En dat is voor een grote ziel helemaal niet zo verrassend.

(31) Ziend en horend hoe, door de kracht van de brahmaanse ziener, Kâmadeva samen met zijn metgezellen machteloos stonden, stond de machtige koning van de hemel versteld. (32) Toen Mârkandeya in zijn verzaking met recitatie en ingetogenheid aldus zijn geest concentreerde, manifesteerde de Allerhoogste Heer Zichzelf om als Nara-Nârâyana Zijn genade te tonen. (33-34) Van Hen twee was de ene blank en de andere zwart; Hun ogen waren als bloeiende lotussen, van Hun armen waren er vier, Hun kleding bestond uit zwart hertenvel en uit boombast, Hun handen allerzuiverst, droegen een waterpot en een rechte staf van bamboe, en Hun heilige draad bestond uit drie draden. Met gebedskralen van lotuszaden die alle menselijke wezens zuiveren en met de Veda's [in de vorm van bundels darbha] representeerden zij, aanbeden door de belangrijkste halfgoden, gloedvol geel van kleur en lang van stuk, stralend van het licht de verzaking. (35) Toen hij Nara en Nârâyana zag, de directe persoonlijke manifestaties van de Hoogste Persoonlijkheid van God, stond hij op om met het grootste respect zijn eer te betonen en zich plat voorover te werpen. (36) Omdat hij, toen hij Hen te zien kreeg, geluk ervoer door zijn hele lijf, geest en zinnen waarbij de haren op zijn lichaam recht overeind gingen staan, kon hij, door de tranen die zijn ogen vulden, zijn blik niet meer helder op Hen richten. (37) Deemoedig voor Hen staand met gevouwen handen richtte hij zich vol verlangen tot Hen als wilde hij Hen omarmen en uitte hij verstikt tegenover de twee Heren de lettergrepen 'na-ma-ha, na-ma-ha' (mijn eerbetuigingen, mijn eerbetuigingen). (38) Hij bood Hen zitplaatsen, waste Hun voeten, smeerde met sandelhout en andere geurige substanties en was van aanbidding met wierook en bloemenslingers. (39) Toen ze comfortabel zaten op Hun zitplaatsen en er klaar voor waren om Hun genade te tonen zei hij, opnieuw voor Hun voeten neerbuigend, het volgende tot de Hoogst Aanbiddelijke Persoonlijkheden.

(40) S'rî Mârkandeya zei: 'O Almachtige hoe kan ik U onder woorden brengen dankzij wie van alle belichaamde levende wezens zowel als van Brahmâ, S'iva als van mijzelf de vitale adem met daaraan gekoppeld het spraakvermogen, de geest en de zinnen in gang wordt gezet; niettemin wordt U [ondanks deze fysieke dwang] de liefdevolle vriend van hen die van aanbidding zijn. (41) Deze persoonlijke gedaante van de Fortuinlijke, o Opperheer, toont U voor het uiteindelijke heil van het beëindigen van de materiële ellende en het overwinnen van de dood; en net zoals U, voor de bescherming op verschillende manieren andere bovenzinnelijke lichamen manifesteert, verzwelgt U als U eenmaal dit universum hebt geschapen, net als een spin, het in zijn geheel weer. (42) Vanwege Hem, de Beschermer, de Allerhoogste Beheerser van hen die zich wel en niet rondbewegen, raakt degene die zich bevindt aan Zijn voetzolen nimmer in de greep van de emoties van karma, guna en kâla; U bent degene voor wie de wijzen met de Veda in hun hart zich ieder moment ter verering en meditatie in lof neerbuigen om U te kunnen bereiken. (43) Niets anders dan het bereiken van Uw voeten, de eigenlijke vorm van de bevrijding, brengt de persoon, die van alle kanten te vrezen heeft o Heer, zijn heil. We weten dat Brahmâ, wiens tijd twee parârdha's beslaat, op grond hiervan hoogst bevreesd is, hij is bang vanwege de Tijd die U bent - en hoezeer geldt dat dan niet voor de wereldse levensvormen die door hem zijn geschapen [zie 10.13: 56]? (44) Laat mij om die reden deze overdekking van het zelf verzaken, het materiële lichaam en alles wat erbij hoort dat tijdelijk van aard, slechts voor een ogenblik herinnerd, niet-essentieel zijnde zo betekenisloos is. Laat me van aanbidding voor Uw voetzolen, U die de Intelligentie bent van wat werkelijk is en de Meester van de Ziel die de Absolute Waarheid is van Wie men alles krijgt wat men zich maar wensen kan. (45) O Heer, o Vriend van de Ziel, alhoewel de voortbrengselen van Uw begoochelende vermogen bekend onder de namen sattva, rajas en tamas, er voor de doelstellingen van de handhaving, vernietiging en schepping van dit universum zijn bij wijze van [Uw] vermaak, is het de [sattvische] goedheid die [met U] voortbestaat voor de bevrijding en niet de andere twee [van de hartstocht en de onwetendheid] die de mens gevaar, verbijstering en angst bezorgen [zie ook guna-avatâra's en 10.89: 18]. (46) Omdat de onbevreesdheid, het geluk van de ziel en de geestelijke wereld worden bereikt via de geaardheid der goedheid zijn de Sâtvata's van die overtuiging en nimmer van enige andere [geaardheid of] vorm van de Oorspronkelijke Persoon. Om die reden aanbidden de geestelijke autoriteiten in deze wereld Uw transcendentale persoonlijke gedaante [Vishnu], alsmede de gedaante van degenen met enkel U voor ogen [de Vaishnava's], als zijnde het dierbaarst, o Allerhoogste Heer [zie ook 1.2: 26]. (47) Hij, de Allesdoordringende, Alomvattende Manifestatie en Meester van het Universum, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, bied ik mijn eerbetuigingen, daar Hij de hoogst aanbiddelijke godheid Nârâyana is, de wijze die de beste der mensen is die zich bevindt in volmaakte zuiverheid als de meester van de vedische geschriften die Zijn woord beheerst [zie hamsa]. (48) Hij inderdaad van wie, misleid door de begoochelende sluier over zijn ogen, zijn intelligentie op een dwaalspoor raakt wat betreft Zijn aanwezigheid in zijn eigen zinnen, zijn hart en zelfs in waargenomen voorwerpen, kan U, de Geestelijk Leraar van Allen, kennen als hij de vedische kennis verwerft, ook al was zijn begrip oorspronkelijk overdekt door Uw mâyâ. (49) De visie van de Opperziel, het mysterie onthuld door de vedische teksten, is waar de grote geleerden met de Ongeborene [Brahmâ] voorop verbijsterd over raken als ze proberen met allerlei filosofieën de kwestie van Zijn persoon aan hun manier van leven aan te passen. Want het is Hij die het begrip van de [geconditioneerde] geestelijke ziel tebovengaat, Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid die ik de eer betuig [vergelijk 1.3: 37, 4.31: 11, 4.18: 5, 5.6: 11, 5.14: 1, 7.15: 58, 11.19: 1, 11.20: 7 en B.G. 16: 23-24].

 

 

 Hoofdstuk 9

Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

(1) S'rî Sûta zei: "De Allerhoogste Heer Nârâyana, de vriend van Nara, op deze manier door Mârkandeya, de intelligente wijze, naar behoren gerespecteerd, sprak voldaan tot de eminente navolger van Bhrigu. (2) De Opperheer zei: 'O genoegen van Mij, u, volmaakt in uw concentratie op de ziel, bent de beste van alle brahmaanse zieners; niet afwijkend in uw toegewijde dienst, verzakingen, recitaties en concentratie bent u op Mij gericht. (3) We zijn geheel tevredengesteld door u met uw vasthouden aan de gelofte van een levenslang celibaat; alstublieft doe een wens naar uw keuze, want Ik ben de Verlener van Alle Zegeningen die u het beste wenst'.

(4) De achtenswaardige rishi zei: 'U, o Heer der Heerscharen, o Onfeilbare, bent zegerijk als de Verdrijver van Al het Leed van de Overgegevene en aan zoveel als de zegening van het hebben mogen aanschouwen van Uw goede Zelf hebben we genoeg. (5) Brahmâ en anderen verkregen met een geest gerijpt in de yoga allen het zicht op Uw almachtige lotusvoeten en Hij, Uzelf, bent nu waarneembaar voor onze ogen. (6) Niettemin o Lotusogige Kroonjuweel van de Roem, zou ik graag getuige willen zijn van Uw begoochelend vermogen als gevolg waarvan de ganse wereld tezamen met haar leiders de materiële differentiatie van het Absolute voor ogen heeft [vergelijk B.G. 11: 3-4].'

(7) Sûta zei: 'Nadat Hij in deze bewoordingen door de rishi was verheerlijkt zei Hij, de Opperheer die tot Zijn tevredenheid was aanbeden, glimlachend: 'Zo zij het'. Daarna vertrok de Heer naar Badarikâs'rama. (8-9) De rishi die aan niets anders dacht dan aan dat doel [van het getuige zijn van de energie van de Heer] hield zich aldus op in zijn hermitage, om onder alle omstandigheden op de Heer te mediteren met alles wat in zijn vermogen lag: het vuur, de zon, de maan, het water, de aarde, de wind, de bliksem alsook zijn eigen hart. Aldus van aanbidding vergat hij soms zijn eerbewijzen als hij was verzonken in de vloed van de zuivere liefde van God [prema]. (10) Toen de wijze op een dag, o beste van Bhrigu, met zijn avondritueel bezig was op de oever van de Pushpabhadrâ, o brahmaan, stak er een hevige wind op. (11) Die gaf een verschrikkelijk rumoer gevolgd door het verschijnen van dreigende wolken zo compact als wagenwielen die luid rommelend met blikseminslagen de regen overal in bakken deden neerstromen. (12) Toen verschenen er van alle kanten de vier oceanen die de oppervlakte van de aarde in bezit namen met hoog door de wind opgestuwde golven waarin, gepaard aan onheilspellende geluiden, zich angstwekkende draaikolken en verschrikkelijke zeemonsters bevonden. (13) Vol verbijstering sloeg de wijze de schrik om het hart toen hij zag hoe de aarde onderstroomde en al de vier soorten bewoners van het universum [zoals geboren uit vocht, zaad, embryo's en eieren], met inbegrip van hemzelf, innerlijk en uiterlijk werden geteisterd door het water dat hoger dan de hemel steeg, de felle winden, de bliksemschichten en de golven die torenden tot in de ruimte. (14) En terwijl hij toekeek werden de wateren van de grote oceaan, die aanzwollen door de regen uit de wolken die de ganse aarde met zijn continenten, eilanden en bergen overdekten, door orkanen tot kolken gebracht met angstwekkende golven. (15) Met de drie werelden, de aarde, de ruimte, de hemellichamen en hemelse oorden van alle kanten overstroomd, zwierf de wijze, als de enige die was overgebleven, met zijn samengeklitte haar in wanorde rond als was hij een blinde zonder verstand. (16) In de greep van de honger en de dorst, aangevallen door monsterachtige krokodillen en walvis-eters en geplaagd door de winden doolde hij, gekweld door de golven en overmand door vermoeidheid, door het eindeloze duister waarin hij was beland, niet meer wetend in welke richting van de hemel of de aarde hij zich begaf. (17-18) Soms verdrinkend in een grote draaikolk en dan weer gegeseld door de golven werd hij af en toe belaagd door de monsters die hem wilden opeten en dan weer elkaar aanvielen. Noodlijdend voelde hij zich soms ziek en leed hij pijn met depressies bij gelegenheid terwijl hij op andere tijden verbijsterd was of ellendig en dan weer een gelukkig moment had of doodsangsten uitstond. (19) Talloze en talloze, honderden en duizenden jaren verstreken waarin hij met zijn geest in beslag genomen ronddoolde in die mâyâ, die begoochelende materiële energie van Vishnu. (20) Op een keer, toen hij daar zo rondzwierf, zag de tweemaal geborene op een hoger gelegen stukje aarde een prachtige, jonge banyanboom met vruchten en bloesems. (21) Op een tak van die boom zag hij in noordoostelijke richting bovendien een baby, een jongetje liggen in de vouw van een blad dat de duisternis met zijn uitstraling opslokte [zie ook 3.33: 4]. (22-25) Verbaasd dronk die koning onder de geleerden met zijn ogen de aanblik in van Zijn huidskleur die zo donkerblauw was als een geweldige edelsteen, Zijn mooie lotusgezichtje, Zijn als een schelphoorn gestreepte nek, Zijn brede borst, fijne neusje en prachtige wenkbrauwtjes. Hij laafde zich aan Zijn mooie haartjes die meetrilden met Zijn ademhaling, Zijn fraaie schelpvormige oortjes die op de bloemen van een granaatappel leken, Zijn lippen van koraal die met hun gloed Zijn nectargelijke glimlach ietwat rood kleurden, Zijn aangezicht met een bekoorlijke glimlach en met Zijn ooghoeken zo roze als de werveling van een lotus, de door Zijn ademen bewogen plooien in Zijn buikje ingedeukt door de op een generfd blad lijkende diepe navel, en ... zag hij hoe het kindje met de genadige vingertjes van Zijn twee handjes één van Zijn lotusvoetjes beetgreep en die in Zijn mondje stak [*]. (26) Toen hij het zag was zijn matheid bij toverslag verdwenen en spreidden zich uit vreugde de lotus van zijn hart en zijn lotusogen wijd open. Verward over de identiteit van de wonderlijke verschijning naderde hij met zijn haren recht overeind het kindje recht van voren om een antwoord te vinden. (27) Precies op dat moment werd de man van Bhrigu als een mug met de adem van de baby in Zijn lichaam gezogen en stond hij versteld toen hij vanuit die positie het ganse universum weer zag zoals het voorheen was geweest. (28-29) Hij aanschouwde het ganse uitspansel van al de sterren, de bergen en de oceanen, en de richtingen van de grote eilanden en de continenten. Hij zag de verlichte en onverlichte zielen, de bossen, de landen, de rivieren, steden en mijnen; de boerengehuchten, de weilanden en de verschillende bezigheden van de varnâs'rama samenleving. Hij aanschouwde de basiselementen van de natuur en al hun grofstoffelijke manifestaties, alsook de Tijd zelve van de verschillende yuga's en kalpa's en elk ander materieel voorwerp van nut in het universum dat was gemanifesteerd alsof het echt was. (30) Toen hij de Himâlaya's bekeek, de Pushpabhadrâ-rivier en zijn hermitage waar hij de rishi's had ontmoet [Nara en Nârâyana], werd hij, met het universum aldus voor ogen, via de adem van de baby opnieuw naar buiten geworpen om terug te vallen in de oceaan der vernietiging. (31-32) Op het hogere stuk grond in het water waar de banyan groeide, was er daar het kind weer liggend in de vouw van Zijn blad, dat met een nectargelijke blik vol liefde hem aankeek vanuit Zijn ooghoeken. Met die aanblik voor ogen plaatste hij de baby in zijn hart en rende hij hoogst opgewonden op de Heer van het Voorbije af om Hem in zijn armen te sluiten. (33) Op dat ogenblik werd Hij, de Allerhoogste Heer, die de Oorspronkelijke Heer van de Yoga is die schuilgaat in het hart van alle levende wezens in eigen persoon, opeens onzichtbaar voor de rishi, op dezelfde manier als dat wat door een incompetent iemand is vervaardigd het plots kan laten afweten. (34) O brahmaan, Hem volgend verdwenen daarop de banyan en de wateren der vernietiging van de wereld, en trof hij zichzelf het volgende moment, als voorheen, recht voor zijn eigen âs'rama aan."

Voetnoot:

* Het kindje dat Zijn voetje in Zijn mondje stak werd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura geïnterpreteerd als zijnde de Heer die zegt, 'zie hoe lieflijk mijn voeten zijn naar de smaak van de toegewijde'.

 

 

  Hoofdstuk 10

S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

(1) S'rî Sûta zei: "Hij die op deze manier de macht ervoer van de yoga-mâyâ zoals beschikt door Nârâyana, ging enkel nog voor de toevlucht die Hij was. (2) S'rî Mârkandeya zei [hierover]: 'Ik heb me overgegeven aan de voetzolen van U die de overgegeven zielen de onbevreesdheid brengt, o Heer die met Uw begoochelende macht in de vorm van de kennis zelfs de wijzen verbijstert'."

(3) Sûta zei: "De grote heer [S'iva] vergezeld door Rudrânî [Umâ] en omringd door zijn gevolg, zag, reizend door de hemel op zijn stier, hem aldus in trance verzonken. (4-5) Umâ die ziener gadeslaand zei toen tot Giris'a: 'Bezie deze man van scholing, die roerloos met zijn lichaam, zinnen en geest zo rustig is als het water en de vissen van de oceaan als de wind eenmaal is gaan liggen. Alsjeblieft, o jij die de verlener van de volmaaktheid der boete bent, zorg dat het voor hem bewaarheid wordt.'

(6) De grote heer zei: 'Ik ben er zeker van dat de brahmaanse ziener op geen enkel terrein welke zegening dan ook verlangt, zelfs niet de bevrijding; hij heeft de bovenzinnelijke toegewijde dienst bereikt voor de Allerhoogste Heer, de Onuitputtelijke Oorspronkelijke Persoon. (7) Laten we niettemin, Bhavânî, een gesprek met deze zuivere toegewijde aangaan; waarlijk is omgang te hebben met de heiligen het hoogste wat de mens kan bereiken'."

(8) Sûta zei: "Na zich aldus uitgelaten te hebben ging hij, de meester van alle kennis, de beheerser van al de belichaamden en de grote heer en toevlucht van de rechtgeaarden, naar hem toe. (9) Hij, met het hebben stilgelegd van de functies van zijn denken, had geen weet van zichzelf of van de wereld om hem heen, noch van de aankomst van de twee over het universum heersende machten in eigen persoon. (10) Dat begrijpend drong Giris'a de Beheerser, de grote heer, middels zijn mystiek vermogen binnen in de etherische beslotenheid van Mârkandeya's hart, net zoals de wind door een opening waait. (11-13) In hemzelf arriveerde toen S'iva met lokken helder als de bliksem, in het bezit van drie ogen en tien armen, oprijzend zo hoog als de zon. Samen met een tijgervel als kledingstuk, toonde hij zijn boog en drietand, pijlen en zwaard, schild, gebedskralen, damaru (een klein trommeltje), een bijl en een schedel. Toen hij hem waarnam zich zo plotseling manifesterend in zijn hart, zag de wijze daarop af van zijn vervoering en vroeg zich verwonderd af: 'Wie is dit en waar komt hij vandaan?'

(14) Zijn ogen openend en ziend dat Heer Rudra was gearriveerd met Umâ en zijn metgezellen, bood de wijze met zijn hoofd de ene goeroe van de drie werelden zijn eerbetuigingen. (15) Hij vereerde hem samen met zijn gezelschap en Umâ met woorden ter verwelkoming, zitplaatsen, water voor de voeten, water om te drinken, geparfumeerde olie, bloemenslingers, wierook en lampen. (16) Hij zei: 'O machtige, wat kan ik voor u betekenen, o Heer, u geheel voldaan in de ervaring van uw extase door wie de ganse wereld tot vrede wordt bewogen? (17) Mijn respect voor u die de geaardheid onwetendheid bent toegewijd, voor u die verschrikkelijk bent in de keuze voor de geaardheid hartstocht en voor u die het plezier vergunt ten gunste van de geaardheid goedheid'."

(18) Sûta Gosvâmî zei: "Met deze woorden geprezen richtte hij, de machtige heer, de belangrijkste van de halfgoden en de toevlucht voor de waarachtigen, volmaakt tevredengesteld met een gelukkige geest glimlachend het woord tot hem. (19) De grote heer zei: 'Alstublieft, doe een wens naar uw keuze bij ons, de drie [guna-avatâra] heren van beheersing door de aanblik van wie een sterfelijk wezen de onsterfelijkheid bereikt. (20-21) De plaatselijke heersers en bewoners van alle werelden, ik, de grote heer Brahmâ en Hari, de Beheerser in eigen persoon, verheerlijken, aanbidden en staan die brahmanen bij die vroom zijn, vredig, vrij van gehechtheid, zorg dragen voor al de levende wezens en, vrij van vijandigheid met een gelijkgezinde blik, doelbewust onze toegewijden zijn. (22) Zij [deze toegewijden] maken zelfs niet het geringste onderscheid tussen mij, de Onfeilbare en de ongeborene, noch tussen henzelf en andere mensen en om die reden prijzen wij u. (23) Watervlakten zijn op zich nog geen heilige oorden en beeltenissen zijn op zich levenloos; zij zuiveren de ziel pas na een lange tijd, maar u doet dat door enkel gezien te worden [zie ook 10.48: 31]. (24) De brahmanen die onze gedaanten zoals ze worden vertegenwoordigd door de drie Veda's met zich dragen, en die door boetedoeningen, studie en concentratie in de yoga, [samyama] verzonken zijn in het Ware Zelf, betonen wij ons respect. (25) Zelfs de grootste zondaars en uitgestotenen vinden zuivering als ze u zien en over u vernemen, en wat zou dat dan wel niet inhouden als men zich rechtstreeks tot u richt [zie ook 7.14: 17, 10.64: 41-42]?"

(26) Sûta Gosvâmî zei: "Aldus vervuld van de woorden van hem gesierd met de maan die de essentie weerspiegelt van de religie, was de wijze die via zijn oren dronk van dit nectarreservoir niet voldaan. (27) Hij die vanwege Vishnu's mâyâ zolang had moeten ronddolen en enorm was uitgeput, zag hoe door S'iva's nectargelijke woorden een berg van moeilijkheden was overwonnen en sprak tot hem. (28) S'rî Mârkandeya zei: 'Ach, hoe ondoorgrondelijk is voor belichaamde zielen met achting voor de heersers van het universum dit spel en vermaak van de grote beheersers die respect aan de dag leggen voor hen die door hen beheerst worden! (29) Doorgaans zetten de gezaghebbende sprekers zich in voor het aanvaarden van de religie en geven voor dat doel uiting aan hun medeleven en waardering voor het juiste gedrag van de geconditioneerde zielen. (30) Net zoals de truuks van een goochelaar niets afdoen aan zijn kunde, wordt ook Zijn gezag geenszins ondergraven door deze handelingen in de schepping van Zijn begoochelende energie. (31-32) Hij die als de Superziel vanuit Zijn geest [middels Hemzelf in de vorm van de Tijd] dit universum schept en er vervolgens in binnengaat [als avatâra's] lijkt, bij de macht van Zijn natuurlijke geaardheden, de doener te zijn als was Hij iemand in een droom. Laat me mijn eerbetuigingen brengen voor Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid die optredend middels de drie guna's het ware Zelf is dat over hen heerst. Hij is de zuivere ongeëvenaarde geestelijk leraar die de oorspronkelijke gedaante van de Absolute Waarheid is [zie B.G. 4: 13, 13: 30, 14: 19]. (33) Welke andere zegening inderdaad zou ik van u moeten verlangen, o alles doorvarende, wiens aanwezigheid zelve het hoogste is [dat men kan bereiken]; met de aanblik van u kan een persoon alles bereiken dat hij zich wenst, ongeacht wat. (34) Van Hem die staat voor het Volkomene dat de vervulling brengt van alle verlangens, vraag ik echter één zegening: de niet aflatende toegewijde dienst voor zowel de Allerhoogste Persoonlijkheid van God als voor hen die, net als u, Hem zijn toegewijd'."

(35) Sûta Gosvâmî zei: "Aldus aanbeden en verheerlijkt met de goed geformuleerde woorden van de wijze, zei S'arva de grote heer, daartoe aangemoedigd door zijn wederhelft: (36) 'O grote wijze zo vol van devotie voor Adhokshaja, moge wat door u is gewenst in vervulling gaan. En moge u ook roem ten deel vallen tot het einde van de kalpa, vroomheid en vrijheid van ouderdom en dood. (37) Moge u kennis hebben van het drievoudige van de tijd [tri-kâlika] o brahmaan, alsmede wijsheid en verzaking. Moge er voor u die het brahmaanse vermogen gegeven is de status zijn van leraar van de Purâna'."

(38) Sûta Gosvâmî zei: "Nadat hij de wijze deze zegeningen had toegekend ging hij, de beheerser met de drie ogen, weg waarbij hij aan de godin uiteenzette wat hij [Mârkandeya] in het verleden had gedaan en ervaren. (39) Hij, de beste van Bhrigu, die het grootste van het grote van de yoga had bereikt, reist vandaag de dag nog rond naar believen, steeds onderweg in de dienst van zijn exclusieve toewijding voor de Heer. (40) Dit is wat ik u kon beschrijven van het verbazingwekkende vermogen van de begoochelende energie van de Hoogste Persoonlijkheid zoals ervaren door de intelligente Mârkandeya. (41) Ongekend als het is [dit zeven kalpa's durende leven van de wijze], spreken sommigen die niet zo goed op de hoogte zijn erover als [zijnde niets meer dan] het sedert mensenheugenis rondgaan van de geconditioneerde levende wezens door de verstandsverbijsterende schepping van de Allerhoogste Persoon. (42) Voor de twee soorten mensen, o beste van Bhrigu, die aldus ofwel luisteren of dit [verhaal] beschrijven dat doortrokken is van het vermogen van de Heer met het Wiel [van de Tijd] in Zijn hand, zal er nooit de wereldse gang van zaken zijn die is gebaseerd op karma."  

 

 

Hoofdstuk 11

Vishnu Zijn Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

(1) S'rî S'aunaka zei: "En nu, o grote toegewijde van God welbekend met de essentie, informeren we bij u, die het meest onderlegd bent, over deze aangelegenheid van de definitieve conclusie beschreven in al de aanvullende geschriften [de tantra's]. (2-3) Op welke manier zijn de tântrika's van hun geregelde aanbidding voor de Echtgenoot van de Godin, die Zuivere Geest is, en hoe maken zij zich een voorstelling van Zijn ledematen, Zijn metgezellen, Zijn wapens en Zijn ornamenten? Al het goede u toegewenst! Beschrijf alstublieft voor ons, die het graag willen weten, de praktische methode van het cultiveren van de yoga [kriyâ-yoga] waarmee een sterfelijk wezen erin bedreven de onsterfelijkheid kan bereiken."

(4) Sûta zei: "Met het brengen van eerbetuigingen voor de goeroes zal ik zelfs [al is het moeilijk] spreken over de volheden die horen bij Heer Vishnu welke door de gevestigde autoriteiten beginnende bij hem die zijn geboorte vond op de lotus [Padmaja of Heer Brahmâ] worden beschreven in de Veda's en tantra's. (5) De negen onderdelen van de schepping [tattva's] die, beginnende met mâyâ [of prakriti], de transformaties uitmaken [vikâra's], vindt men terug in de geschapen heerschappij [de virâth-rûpa], in het bewuste bestaan waarin men de drie werelden [loka's] onderscheidt [zie ook 11.22: 4-25]. (6-8) Deze gedaante van de Purusha, de Meester, heeft de aarde als Zijn voeten, de hemel als Zijn hoofd, de [interplanetaire] ruimte als Zijn navel, de zon als Zijn ogen, de lucht als Zijn neusgaten, de windrichtingen als Zijn oren, de Prajâpati als Zijn geslachtsdeel, de dood als Zijn anus, de plaatselijke heersers [de halfgoden] als de vele armen van de Absolute Beheerser, de maan als Zijn geest, yama [of Yama] als Zijn wenkbrauwen, de schaamte als Zijn bovenlip, begeerte als Zijn onderlip, het maanlicht als Zijn tanden, begoocheling als Zijn glimlach, de bomen als de haren op het lichaam van de Almachtige Heer, en de wolken als het haar op het hoofd van de Purusha [zie ook b.v. 2.6: 1-11, 2.10: 24-32, 10.40: 13-14, 11.12: 18-20]. (9) Precies zoals men de afmetingen kan bepalen van een normaal individu door de positie van zijn ledematen op te meten, kan men op dezelfde manier eveneens de afmetingen vaststellen van Hem, de Gigantische Persoon, overeenkomstig de posities van de zonnestelsels [zie ook 5.20-24]. (10) Het geestelijk licht van de individuele ziel wordt vertegenwoordigd door het Kaustubha-juweel dat door de Ongeborene wordt gedragen. Het S'rîvatsa-teken op de borst van de Almachtige representeert de zich uitbreidende gloed daarvan [van dat juweel/die ziel]. (11-12) Zijn materiële energie samengesteld uit de verschillende geaardheden wordt vertegenwoordigd door Zijn bloemenslinger, het gele gewaad dat Hij draagt staat voor de vedische versmaten en Zijn heilige draad staat voor het drie letters tellende AUM. Het proces van sânkhya en yoga draagt de Godheid in de vorm van Zijn makara ['zeemonster'] oorhangers, en Zijn kroon, die voor al de werelden de onbevreesdheid brengt, vertegenwoordigt de superieure [bovenzinnelijke] positie. (13) De persoonlijke zitplaats waarop Hij zich bevindt staat bekend als Ananta [het slangenbed] en staat voor de niet-geëvolueerde materie, en de lotus waarop men Hem naar verluid kan aantreffen is [het zuivere van] de goedheid geassocieerd met de religie, de spirituele kennis enzovoorts. (14-15) De knots die Hij draagt is het hoofdelement [de prâna of vitale adem] met betrekking tot het zinsvermogen, de lichaamskracht en de geesteskracht; Zijn uitstekende schelphoorn is het waterelement en Zijn Sudars'ana-schijf is het principe van de tejas [het vitaal vermogen, de waardigheid, het vuur in de strijd]. Zijn zwaard is, [zuiver] als de atmosfeer, het ether-element, Zijn schild bestaat uit de geaardheid onwetendheid, Zijn boog S'arnga is de specifieke orde [of geest, de rûpa] van de tijd, en Zijn pijlenkoker bestaat uit het karma [de actie of de karmendriya's]. (16) De zinnen, zo zegt men, zijn Zijn pijlen, Zijn strijdwagen vormt de aanzet tot actie, Zijn uiterlijke verschijning vormt de voorwerpen der waarneming [de tanmâtra's], en Zijn gebaren [mudrâ's] representeren de essentie van het doelbewust handelen. (17) Het cyclische [van de tijd, te weten de zon en de maan] vormt de grondslag voor de oefening van respect voor de Godheid, spirituele initiatie [dîkshâ] vormt voor de geestelijke ziel de manier om tot zuivering te komen, en de toegewijde dienst van de Fortuinlijke is er voor iemand om een einde te maken aan een slechte gang van zaken. (18) Bhagavân draagt - naar de betekenis van het woord bhaga [Zijn volheden] - de lotus van Zijn spel en vermaak, en de waaier en wuifkwast die de Opperheer aanvaardde voor Zijn aanbidding staan voor de religie en de roem. (19) O beste tweemaal geborenen, Zijn parasol is Vaikunthha, Zijn spiritueel verblijf waar geen angst bestaat, de drievoudige Veda is er bij name van Suparna [Garuda], de drager van de Persoonlijkheid van het Offer [Vishnu of Yajña]. (20) De Heer Zijn onafscheidelijke godin S'rî is de rechtstreeks waarneembare innerlijke aard [*]; Vishvaksena staat bekend als de personificatie van de tantra geschriften, en de acht van Nanda en de andere vooraanstaande metgezellen die de wacht houden [**] zijn de animâ en dergelijke [siddhi's] van de Heer Zijn kwaliteiten. (21) Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha zijn, zoals je weet, de namen van de manifeste gedaanten [de vyûha expansies] van de Oorspronkelijke Persoon Zelve, o brahmaan. (22) Bhagavân wordt aan de hand van de functie van de uiterlijke voorwerpen [vis'va, Pradyumna], de lichaamskracht [taijasa, Sankarshana], het denken [prâjña, Aniruddha] en de spirituele realisatie [turiya, Vâsudeva] in dit verband begrepen in de termen van het waakbewustzijn, het dromen, de diepe slaap en de transcendentale positie [zie avasthâtraya]. (23) In Zijn vier persoonlijke gedaanten handhaaft Bhaga-vân [Hij in het bezit van de volheden], de Heer en Beheerser, deze vier staten met Zijn grotere [armen; zoals in vers 14-15] en kleinere ledematen [Zijn toegevoegde leden, Zijn wachters], wapens en sierselen. (24) O beste der tweemaal geborenen, Hij alleen is de zelfverlichte bron van de Ene Op Zichzelf Bestaande Geest die, volmaakt in Zijn eigen grootheid en volledigheid, middels Zijn eigen materiële energie dit universum schept, handhaaft en terugtrekt. In die hoedanigheid [als de uitvoerder van verschillende materiële functies] somtijds gezien alsof Hij - niet overdekt als Hij is in Zijn transcendentale bewustzijn - materieel verdeeld zou zijn, kan Hij door hen die Hem zijn toegewijd worden gerealiseerd als hun ene ware zelf, hun Ziel. (25) S'rî Krishna, o vriend van Arjuna, o leider van de Vrishni's, o Vernietiger van de Opstandige Adellijke Geslachten wiens kunnen nimmer vergaat, o Govinda, bedevaartsoord wiens heerlijkheden, die het heil brengen door enkel maar erover te vernemen, worden bezongen door Vraja's koeherdersmannen en -vrouwen en hun dienaren; alstUblieft bescherm Uw dienaren! (26) Een ieder die, bij het ochtendgloren opstaand, met zijn geest op God gericht voor zichzelf deze kenmerken van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon bezingt [reciteert], komt tot de realisatie van de Absolute Waarheid die zich in het hart bevindt."

(27-28) S'rî S'aunaka zei: "Kan u aangaande de beschrijving van S'ukadeva Gosvâmî voor de aandachtige die de genade van Vishnu is [Parîkchit] betreffende de zonnegod zijn metgezellen die maand na maand zich ophouden in groepen van zeven, alstublieft aan ons, trouwe toehoorders, uitleggen wat de namen en handelingen zijn van hen die, betrokken bij zijn verschillende vormen van controle, de expansies van de Heer zijn in Zijn manifestatie als Sûrya [zie ook 5.21: 18]?"

(29) Sûta zei: "Deze regulator van al de planeten [de zon] die in hun midden ronddraait [rondom de berg Meru, zie 5.22: 2] werd [door de heer in de gedaante van de Tijd] geschapen uit de zijn aanvang niet kennende materiële energie van Vishnu, de Opperziel van alle belichaamde wezens. (30) De zon als de enige echte [gelijk de] Heer, de oorspronkelijke schepper en het zelf inderdaad van al de [planetaire] werelden, vormt de basis voor alle rituele activiteiten van de Veda's die door de wijzen verschillend worden beschreven. (31) De Heer in termen van de materiële energie wordt aldus verdeeld in negenen beschreven als de tijd, de plaats, de onderneming, de uitvoerder, het instrument, het specifieke ritueel, de schrift, de hulpmiddelen en het resultaat, o brahmaan [vergelijk B.G. 18: 13-15].

(32) De Opperheer is er, met het [als de zonnegod] aannemen van de gedaante van de Tijd, voor de [regulatie van de] planeetbeweging overeenkomstig de regel van twaalf, beginnende met Madhu [in maanden of mâsa's, zie ook B.G. 10: 21], waarbij Hij Zich in ieder van de twaalf afzonderlijk beweegt met een ander stel [van zes] metgezellen [die naast de Deva bestaan uit een Apsara, een Râkshasa, een Nâga, een Yaksha, een wijze en een Gandharva]. (33) Dhâtâ [als de Deva], Kritasthalî [als de Apsara], Heti [als de Râkshasa], Vâsuki [als de Nâga], Rathakrit [als de Yaksha], Pulastya [als de wijze] en Tumburu [als de Gandharva] zijn degenen die heersen over de maand Madhu [of Caitra bij de lente-equinox, maart/april]. (34) Aryamâ, Puñjikasthalî, Praheti, Kacchanîra, Athaujâ, Pulaha en Nârada zijn [op dezelfde manier zo respectievelijk] degenen die heersen over de maand Mâdhava [Vais'âkha, april/mei]. (35) Mitra, Menakâ, Paurusheya, Takshaka, Rathasvana, Atri en Hâhâ zijn degenen die heersen over de maand S'ukra [Jyaisthha or Jeshthha, mei/juni]. (36) Varuna, Rambhâ, Citrasvana, S'ukra, Sahajanya, Vasishthha en Hûhû zijn degenen die heersen over de maand S'uci [Âshâdha, juni/juli]. (37) Indra, Pramlocâ, Varya, Elâpatra, S'rotâ, Angirâ en Vis'vâvasu zijn degenen die heersen over de maand Nabhas [S'râvana, juli/augustus]. (38) Vivasvân, Anumlocâ, Vyâghra, S'ankhapâla, Âsârana, Bhrigu en Ugrasena zijn degenen die heersen over de maand Nabhasya [Bhâdrapada, augustus/september ***]. (39) Pûshâ, Ghritâcî, Vâta, Dhanañjaya, Suruci, Gautama en Sushena zijn degenen die heersen over de maand Tapas [Mâgha, januari/februari]. (40) Parjanya, Senajit, Varcâ, Airâvata, Ritu, Bharadvâja en Vis'va zijn degenen die heersen over de maand Tapasya [Phâlguna, februari/maart]. (41) Ams'u, Urvas'î, Vidyucchatru, Mahâs'ankha, Târkshya, Kas'yapa en Ritasena zijn degenen die heersen over de maand Sahas [Mârgas'îrsha, november/december]. (42) Bhaga, Pûrvacitti, Sphûrja, Karkothaka, Ûrna, Âyu en Arishthanemi zijn degenen die heersen over de maand Pushya [Pausha, december/januari]. (43) Tvashthâ, Tilottamâ, Brahmâpeta, Kambalâs'va, S'atajit, Jamadagni de zoon van Ricîka en Dhritarâshthra als de Gandharva zijn degenen die heersen over de maand Isha [Âs'vina, september/oktober]. (44) En Vishnu, Rambhâ, Makhâpeta, As'vatara, Satyajit, Vis'vâmitra en Sûryavarcâ zijn degenen die heersen over de maand Ûrja [Kârttika, oktober/november].

(45) Al dezen [deze persoonlijkheden] vormen de heerlijkheden van Vishnu, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van de zonnegod; zij nemen van hen die op de keerpunten van de dag aan hen terugdenken, de terugslagen van de zonde weg. (46) Aldus met ieder van de twaalf maanden en zes typen van metgezellen zich door het universum bewegend, is de Deva, de godheid [van de zon], terwille van haar bewoners, in het hier en het hiernamaals er zeker van het zuivere bewustzijn uit te dragen. (47-48) Met de wijzen die Hem verheerlijken met de sâma-, rig- en yajur- hymnen welke Zijn identiteit openbaren, zingen de Gandharva's hardop over hem, dansen de Apsara's recht voor Hem, maken de Nâga's de wagen klaar, spannen de Yaksha's de paarden in en duwen de Râkshasa's hem vooruit. (49) Voor de wagen uit gaan de zestigduizend Vâlakhilya brahmaanse wijzen zuiver van lof met gebeden voor de Almachtige [zie ook 4.1: 39]. (50) De Ongeboren Heer Hari, de Hoogste Beheerser, Hij die Zijn Begin Niet Kennend Behept is met Alle Volheden, beschermt al de werelden door Zich aldus in iedere kalpa in verscheidene gedaanten uit te breiden."

Voetnoten:

 * Volgens de Skanda Purâna in de verzen beginnend met 'aparam tv aksharam yâ sâ' zijn er drie onfeilbare energieën aldus: de uitwendige materiële energie van mâyâ, het inwendig vermogen van Sr'î en de Allerhoogste energie van de Purusha, de Heer Zelve.  

** De Padma Purâna (256.9-21) somt achttien bewakers of begeleiders van de Heer op: Nanda, Sunanda, Jaya, Vijaya, Canda, Pracanda, Bhadra, Subhadra, Dhâtâ, Vidhâtâ, Kumuda, Kumudâksha, Pundarîksha, Vâmana, S'ankukarna, Sarvanetra, Sumukha en Supratishthhita.  

*** Op dit punt is gebroken met de reguliere orde van de maanden. De verschillende vertalers zijn het niet eens over de oorzaak van deze volgorde en sommigen hebben het voorstel gedaan om de volgorde van de verzen aan te passen om dit recht te zetten.

 

 

Hoofdstuk 12

De Onderwerpen van het S'rîmad Bhâgavatam Samengevat

(1) Sûta zei: "Met mijn eerbetuigingen voor Heer Krishna, voor de schepper, voor de brahmanen en voor het allerhoogste van het dharma, zal ik nu de eeuwige aard ervan bespreken [in termen van de onderwerpen besproken in het Bhâgavatam]. (2) Ik vertelde u, o wijzen, over deze wonderbaarlijke handelingen van Heer Vishnu die zich bij uitstek lenen voor mensen met respect voor de persoon. (3) In dit [verhaal] gaat het zonder meer om de verheerlijking van de Heer, Hij Die Alle Zonden Wegneemt, Nârâyana, de Heer der Zinnen, de Allerhoogste Persoonlijkheid en Meester van de Sâtvata's. (4) Hierin wordt de schepping en vernietiging van dit universum en de vertrouwelijke kennis van de Ene Op-zichzelf-bestaande Allerhoogste Geest besproken, tezamen met het zuivere waarnemen en hoe die realisatie moet worden gecultiveerd.

(5-6) Bhakti-yoga en de verzaking die erbij hoort wordt uitvoerig besproken [in 1.2, 7.5-10 & Canto 11.29], evenals de geschiedenis van Nârada [1.4-6] en het verhaal van Parîkchit dat beschrijft hoe de wijze onder de koningen vast tot de dood erop volgt omdat hij door [de zoon van] een wijze werd vervloekt en hij toen een gesprek had met S'uka, de beste der brahmanen [zie Canto 1.8-18]. (7) Wat volgt is een bespreking van hoe men, als men moet sterven, de bevrijding kan bereiken door zich te concentreren in de yoga [2.2: 15-21], een gesprek tussen Nârada en Brahmâ [2.5], de reeks van avatâra's [1.3 & 2.7] en hoe het evolutieproces tot stand komt vanuit de primaire natuur [de pradhâna, 3.26: 10-72]. (8) Vervolgens is er het gesprek dat Vidura voerde met Uddhava [3.1: 25-3.4], het gesprek dat Vidura had met Maitreya [3.5-4.31], [voorafgegaan door] wat een Purâna inhoudt [in algemene zin, zie 2.10: 1 en 12.7: 9-10], en dan wordt het onderwerp besproken van het weer in Zich opnemen van de schepping door de Mahâpurusha [2.10: 6, 3.11: 30, 8.5: 35, 11.3: 8-15, 12.4]. (9) Wat volgt is de schepping zoals die plaatsvindt vanuit de [geaardheden van de] materiële natuur en de totstandkoming van de zeven afgeleiden [van mahat, ahamkâra en de tanmâtra's, zie 3.20: 12-17], die ontstaan met de evolutie van het ei van het universum waaruit zich de universele gedaante van de Heer ontwikkelt [3.6]. (10) De grove en subtiele bewegingen van de tijd [3.11], [komen eveneens aan bod alsook] hoe de lotus tot stand komt [3.8] en het doden van Hiranyâksha in verband met het bevrijden van de aarde uit de oceaan [3.17-19]. (11) [En zo zijn er] de schepping van de hogere wezens, de dieren en de lagere schepselen [3.12: 37-48], de geboorte van Rudra [3.12] en het verschijnen van Svâyambhuva Manu vanuit de man/vrouw verdeling van de Heer [zie 3.12: 49-53, 4.1]. (12-13) [Besproken zijn] de nakomelingen van de uitnemende gemalin, de eerste vrouw die S'atarûpâ heette, en het nageslacht van [de negen dochters van] de vrome echtgenote [Devahûti] van de stamvader Kardama [zie 3.24: 20-25 en 4.1], het nederdalen van de Opperziel, de Allerhoogste Persoon Heer Kapila, en de conversatie van de geleerde Kapila met Devahûti [4.25-33]. (14-15) De nakomelingen van de negen brahmanen [die met Kardama's dochters trouwden, 4.1], de vernietiging van Daksha's offerplechtigheid [4.2-7] en de geschiedenis van Dhruva [4.8-13] wordt dan gevolgd door de verhalen over Prithu [4.15-23] en Prâcînabarhi [4.24-29], zijn gesprek met Nârada [4.29], de verhalen van Priyavrata [5.1], o brahmanen, Nâbhi [5.3], het leven van Rishabha [5.3-6], en Bharata Mahârâja [5.7-13]. (16) De continenten, subcontinenten en de oceanen, de bergen en rivieren worden in detail beschreven [5.19-20], het uitspansel [5.21-23] en hoe de lagere werelden en de hel zijn geregeld [5.24-26]. (17) [Beschreven zijn] Daksha's [weder-]geboorte als de zoon van de Pracetâ's [6.4] en de nakomelingen van zijn dochters van wie er de halfgoden, de demonen en de menselijke wezens zijn, de [zoog-]dieren, de serpenten, de vogels en de andere diersoorten [6.6]. (18) [Ook is er] de geboorte en dood van [Vritra, 6.9-12] de zoon van Tvashthâ en de twee zoons van Diti, Hiranyâksha [3.14-19] en Hiranyakas'ipu, o brahmanen, tezamen met de geschiedenis van de grote ziel Prahlâda, de beheerser van de Daitya's [7.2-8]. (19-20) In detail zijn beschreven de regeerperioden van de Manu's [8.1], de verlossing van de koning der olifanten [Gajendra, 8.2-4] en de avatâra's van Heer Vishnu voor iedere periode van Manu [8.5 & 13] zoals Hayas'îrshâ [8.24: 8 & 57; 5.18: 1], Nrisimha [7.9-10], Vâmana [8.18-22], Mâtsya [8.24] en Kûrma die er was voor het doel van het karnen van de nectar uit de melkoceaan door de bewoners van de hemel [8.7-8]. (21) De grote oorlog tussen de demonen en de goden wordt beschreven [8.10] alsook systematisch de dynastieën van de koningen [9.2, 7, 9, 12, 13, 17, 20 -24]; de dynastie van Sudyumna [9.1] en de geboorte van Ikshvâku en zijn dynastie [9.6]. (22) Er is verslag gedaan van de verhalen over Ilâ [9.1: 16-27] en Târâ [9.14: 4-13] en er is ook een relaas over de afstammelingen van de Sûrya-vams'a, zoals daar zijn S'as'âda [Vikukshi, 9.6: 6-11] en Nriga [9.1: 11-12, 9.2: 17 & 10: 64]. (23) Er zijn de verhalen over Sukanyâ [9.3], [de dochter van] S'aryâti, de intelligente Kakutstha [Purañjaya, 9.6: 12-19], Mândhâtâ [9.6: 33-37 & 9.7], Saubhari [9.6], Sagara [9.8] en Khathvânga [9.9: 41-47]. (24) [Gepresenteerd zijn] de wederwaardigheden van Heer Râmacandra, de Koning van Kosala, welke alle zonde verdrijven [9.10 & 11], Nimi, die zijn materiële lichaam opgaf [9.13], en het verschijnen van de nakomelingen van koning Janaka [of S'îradhvaja, 9.13: 18-27]. (25-26) [Gesproken is over] het uitroeien van de heersende klasse door Heer Paras'urâma, de Grootste van Bhrigu [9.15 & 16]; over Aila [Purûravâ, 9.14 & 15], Nahusha [9.18: 1], Yayâti [9.18 & 19], Dushmanta's zoon Bharata [9.20], S'ântanu [9.22: 12-13] en S'ântanu's zoon Bhîshma [9.22: 18-19] van de Candra-vams'a, alsook over de gevierde dynastie van Yadu, de oudste zoon van Yayâti [9.23: 18-29]. (27) [Het is] de dynastie waarin - in het huis van Vasudeva - de Opperheer bekendstaande als Krishna, de Beheerser van het Levende Wezen, nederdaalde; [vervolgens wordt beschreven] Zijn geboorte [10.3] en hoe Hij opgroeide in Gokula [10.4-10]. (28-30) Zijn talloze wapenfeiten worden [vervolgens] verheerlijkt [in de beschrijvingen van]: hoe Hij de melk samen met de levensadem wegzoog uit Pûtanâ [10.6], hoe Hij als een kind de kar kapot maakte en Trinâvarta eronder kreeg [10.7], en Hij Baka, Vatsa [10.11] en Agha doodde [10.12], [hoe Hij tewerk ging met] Brahmâ die de kalveren en de jongens had weggeborgen [10.13 & 14], hoe Hij met Zijn metgezellen een eind maakte aan Dhenuka [10.15] en Pralamba [10.18], en hoe Hij hen [de gopa's] redde uit een bosbrand die hen had ingesloten [10.17 & 19]. (31-33) [Verslag werd gedaan van] het onderwerpen van de slang Kâliya [10.16-17]; de geloften die naar de tevredenheid van de Onfeilbare in acht werden genomen door de jonge gopî's [10.21 & 22]; de genade voor de spijtige brahmaanse vrouwen [10.23]; het optillen van de berg Govardhana [10.25] en de aanbidding en het rituele baden dat vervolgens werd uitgevoerd door Indra en Surabhi [10.27]; Krishna's spel en vermaak met de gopî's gedurende de nachten [10.29-33], het redden van Nanda Mahârâja [uit de bek] van een groot serpent [10.34] en het doden van de dwaze S'ankhacûda [10.34], Arishtha [10.36] en Kes'î [10.37]. (34) Daarna arriveert Akrûra [10.38] en is er het vertrek van Râma en Krishna, het treuren van de vrouwen van Vraja [10.39] en de rondgang door Mathurâ [10.41]. (35) Er is het doden van de olifant Kuvalayâpîda [10.43], de worstelaars Mushthika, Cânûra, en Kamsa en anderen [10.44], alsook het weer terughalen van de zoon van Sândîpani, de goeroe [10.45]. (36) Verblijvend in Mathurâ in het gezelschap van Uddhava en Balarâma, werden, o brahmanen, door de Heer avonturen aan de dag gelegd om de kring der Yadu's een plezier te doen [10.48]. (37) [Vervolgens is er] de vele malen herhaalde vernietiging van de troepen bijeengebracht door Jarasândha [10.50], het grondvesten van Dvârakâ en het doden van de barbaarse koning [10.51]. (38) Er is de ontvoering van Rukminî waarbij de Heer Zijn rivalen in de strijd versloeg [10.53] en het [van Indra, 10.50: 54] in ontvangst nemen van de pârijâta uit de hemel samen met de Sudharmâ-vergaderzaal. (39) Het ter dood brengen van de meester van Prâgjyotishapura [Bhauma ofwel Naraka] en het redden van de jonge maagden [komt ter sprake in 10.59] met vervolgens het afgedwongen gapen van S'iva in de slag met Bâna en het wegsnijden van Bâna's armen [10.63]. (40-41) Het [Bhâgavatam verschaft ook uitleg over] het kunnen en de dood van Pañcajana [10.45: 40-41], S'ambara [10.55], Pîthha [10.59], Mura [10.59], Dvivida [10.67], de koning van Cedi [10.74], S'âlva [10.76-77], de dwaze Dantavakra [10.78], en anderen, hoe de Pândava's de directe aanleiding vormden [voor Krishna] om de last van de aarde weg te nemen [10.49], en het afbranden van Vârânasî [10.66]. (42-43) [Ook kwam aan bod] het terugtrekken van Zijn eigen familie [11.30] onder het voorwendsel van de vloek van de geleerden [11.1] en de schitterende conversatie die Vâsudeva had met Uddhava waarin de wetenschap van het ware zelf zijn volle uitdrukking vond met het vaststellen van het dharma [hoe men moet leven nu Krishna niet meer lijfelijk aanwezig is, zie 11.6-29], met vervolgens Zijn verzaken van de wereld der sterfelijken bij machte van Zijn eigen mystieke vermogen [11.31]. (44) [Ook besproken zijn] de kenmerken van de verschillende yuga's en de handelingen die daarmee overeenkomen [11.17 & 12.3], de algehele verstoordheid van de mensen in Kali-yuga [12.1-3] en de vier typen van vernietiging en drie [guna] soorten van schepping [12.4]. (45) [Ten slotte is er een verslag van] Vishnurata [Parîkchit], de intelligente godvruchtige koning die zijn lichaam moest opgeven [12.6-7], hoe de ziener [Vyâsa en anderen] de verschillende takken van de Veda overdroeg [12.6-7], de vrome geschiedenis van Mârkandeya [12.8-10] en de inrichting van de [ledematen van de] Mahâpurusha alsmede de regeling [van de tijd] in relatie tot de zon, het Zelf van het levende wezen dat het Universum is [12.11].

(46) Aldus zijn door mij, naar aanleiding van uw vragen, o beste van de tweemaal geborenen, in dit relaas de handelingen van de lîlâ-avatâra's in hun volle glorie beproken. (47) Als men valt, struikelt, zich bezeert of niest en dan spontaan hardop uitroept 'haraye namah' (eerbetuigingen aan Hari), raakt men bevrijd van alles wat tot een val leidt. (48) Van personen die zoals het hoort zingen over de Opperheer en kennis nemen van waar de Onbegrensde toe in staat is, wordt de ellende die in het hart doordringt geheel weggewassen, precies zoals de zon de duisternis wegneemt of een sterke wind de wolken verdrijft. (49) IJdel inderdaad zijn die woorden over en besprekingen van de relatieve waarheid waarin van Hem die in het Bezit is van de Volheden, de Heer in het Voorbije, geen gewag wordt gemaakt; enkel dat is waar, alleen dat is goedgunstig, enkel dat is verdienstelijk wat de kwaliteiten van de Fortuinlijke naar boven haalt. (50) Datgene voorzeker is aantrekkelijk, is nieuwer en nieuwer; datgene inderdaad wat een voortdurend, groot feest inhoudt; dat [zich uitdrukken] wat voor personen feitelijk de oceaan der misère drooglegt, is waarin de heerlijkheden van de Beste van de Verzen, Uttamas'loka, bij herhaling worden bezongen. (51) Een uitdrukking in verduidelijkende termen die nimmer de zegenrijke heerlijkheden van de Heer beschrijft is te vergelijken met een bedevaartsoord voor kraaien en daarvan zullen zich nimmer de zwaangelijken bedienen, de zuivere heiligen die alleen maar aan Acyuta denken [als in 1.5: 10]. (52) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door hen die gezuiverd en oprecht zijn [identiek aan 1.5: 11]. (53) Ondanks dat de zelfverwerkelijking vrij is van materiële motieven, ziet de kennis van het onfeilbare die is verstoken van liefde [of toewijding voor de Opperheer] er niet goed uit. Zou inderdaad het zich inspannen voor een resultaat ook maar iets uithalen als men er niet in slaagt het onovertroffen werk te volbrengen dat men verricht voor de Heer [als in 1.5: 11]? (54) Als men boetvaardig is en luistert naar de geschriften en dergelijke is men, terwille van zijn reputatie en een materieel resultaat, van grote inspanning in het dienen van het varnâs'rama systeem. Maar als men luistert naar en respect oefent voor - en zo meer - de lotusvoeten van de Instandhouder van de Godin van het Fortuin, is men van de heugenis omdat men dan leeft in bevestiging van de kwaliteiten. (55) De heugenis van Heer Krishna's lotusvoeten doet al het ongunstige teniet, leidt tot het grootste geluk, tot zuivering van het hart en, verbonden in de wijsheid en onthechting, tot spiritueel weten en toewijding voor de Allerhoogste Ziel. (56) U allen o hoogst eminente brahmanen, bent zo gelukkig uw stabiliteit gevonden te hebben met Nârâyana, de Oorspronkelijke Ziel en Godheid van allen, nu u de Heer van de Hemel Voorbij Wie er Geen Andere te Vinden is in uw hart hebt geïnstalleerd. Wees dan nu onversaagd in uw liefde van aanbidding. (57) Ook mij werd deze wetenschap van de Ziel in herinnering gebracht toen ik haar, net als u aanwezig in een vergadering van aandachtig luisterende grote wijzen, vernam uit de mond van S'uka, de grootste der wijzen, toen koning Parîkchit tot de dood toe aan het vasten was. (58) Dit wat ik u, o geschoolden, vertelde over de heerlijkheden van Vâsudeva, Hij van de Grote Daden Allerwaardigst om te Worden Beschreven, maakt geheel en al een einde aan al het ongunstige. (59) Hij die met een niet aflatende aandacht iedere yâma [periode van drie uur] en iedere kshana [een moment of 1.6 seconde] met geloof anderen doet luisteren of trouw zelf luistert naar slechts een enkel vers of zelfs maar een half vers, een enkele versregel of zelfs maar een halve, zal de ziel zelf zuiveren. (60) Als men, niet gegeten hebbend, nauwlettend reciteert uit of luistert [naar het Bhâgavatam] op de elfde danwel de twaalfde dag [van een vijftiendaagse halve maanmaand, met Ekâdas'î dus, zie 3.11: 10], zal een hoge leeftijd bereiken en verlost worden van alles wat hem ten val brengt. (61) Als men zelfbeheerst zonder te hebben gegeten deze verzameling van verzen reciteert in [de heilige plaatsen] Pushkara, Mathurâ of Dvârakâ, zal men bevrijd raken van de angst [voor de Tijd, of voor een materieel leven, zie ook 1.13: 19]. (62) Als men bezingt of luistert als men van die verheerlijking is, zullen de halfgoden en de wijzen, de vervolmaakten en de voorvaderen, de stamvaders en de koningen, alles vergunnen wat er wordt verlangd. (63) Een tweemaal geboren ziel die [op deze tekst] studeert verkrijgt als resultaat dezelfde rivieren van honing, ghee en melk die men heeft met het bestuderen van de rig-, yayur- en sâma-verzen. (64) IJverig deze essentiële verzameling van klassieke verhalen bestuderend zal een tweemaal geborene bijgevolg de allerhoogste positie bereiken zoals die werd beschreven door de Allerhoogste Persoonlijkheid. (65) Een man van scholing die het bestudeert bereikt geestelijk inzicht, een koning bereikt het overwicht ermee, een zakenman de heerlijkheid der schatten en een werknemer ontdoet zich ermee van alles wat hem ten valt brengt. (66) Omdat in Kali-yuga Hari, de Heer van een Ieder en de Vernietiger van de Besmetting, niet [werkelijk of in die mate] op een andere plaats dan hier wordt beschreven, wordt, om ter compensatie voldoende gewicht in de schaal te leggen, Bhagavân die Zich expandeert in talloze gedaanten in ieder vers beschreven in de vorm van de verhalen zoals ze zijn verteld. (67) Ik buig mij voor Hem het Ongeboren, Onbegrensde, Ware Zelf door wiens energieën er de schepping, handhaving en vernietiging van het universum is, voor Hem de Onfeilbare Heer die niet te doorgronden is in Zijn heerlijkheid voor [zelfs] de meesters van de hemel die onder leiding staan van de ongeziene [Aja of Brahmâ], de machtige [S'akra of Indra], en de goedgunstige [S'ankara of S'iva]. (68) Mijn eerbetuigingen voor de Eeuwige Heer, de beste van Al de Goden, voor de Fortuinlijke wiens Manifestatie Zuiver Bewustzijn is en die middels Zijn negen machten [s'akti's of vermogens] voorzag in Zijn eigen Zelf als de veilige haven voor de zich bewegende en niet bewegende levende wezens.

(69) Ik verbuig me voor hem, de zoon van Vyâsa die al het ongunstige verslaat en die, aangetrokken in zijn hart door de wederwaardigheden van Zijn handelingen, teneinde de Onoverwinnelijke te behagen, met het ontkennen van ieder ander type van bewustzijn zo intelligent was zijn solitaire geluk op te geven en genadevol de [Bhâgavata] Purâna, het licht van de werkelijkheid, te openbaren."

 

 

Hoofdstuk 13

De Heerlijkheden van het S'rîmad Bhâgavatam

(1) Sûta zei: "De Godheid die met bovenzinnelijke gebeden wordt geprezen door Brahmâ, Indra, Rudra en de kinderen van de hemel [Maruts]; de Godheid waar de sâma-veda zangers met arrangementen van mantra's uit de Veda's, hun leden [de anga's], en de Upanishads over zingen; de Godheid waar de yogi's, Hem in hun geest ziend, zich in de meditatieve positie op concentreren; Hij wiens einde niet bekend is aan welke verlichte of onverlichte ziel ook - Hem biedt ik mijn eerbetuigingen. (2) Door de schurende randen van de stenen van de berg Mandara die allerzwaarst op Zijn rug roteerde werd de Hoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van een schildpad [Kûrma] slaperig. Mogen jullie allen beschermd worden door de winden die de sporen vormen die door het ademen van de Heer werden achtergelaten en de immer actieve getijden van de eb en vloed van het water dat tot op de dag van vandaag dat voorbeeld van in- en uitademen volgt. (3) Luistert alstublieft naar een opsomming van het aantal [verzen van de Purâna], wat de behandelde onderwerpen beogen, hoe het boek iemand cadeau moet worden gedaan en wat de glorie van een dergelijk schenken is, alsmede wat de zegen is van het voorlezen, reciteren en dergelijke van deze tekst.

(4-9) De Brahmâ Purâna telt tienduizend verzen, de Padma Purâna telt er vijfenvijftigduizend, de S'rî Vishnu Purâna drieëntwintigduizend en de S'iva Purâna vierentwintigduizend. Het S'rîmad Bhâgavatam heeft er achttienduizend, de Nârada Purâna vijfentwintigduizend, de Mârkandeya Purâna negenduizend en de Agni Purâna vijftienduizend-vierhonderd. De Bhavishya Purâna heeft veertienduizend-vijfhonderd verzen, de Brahma-vaivarta Purâna achttienduizend en de Linga Purâna elfduizend. De Varâha Purâna telt vierentwintigduizend verzen, de Skanda Purâna eenentachtigduizend-eenhonderd verzen en de Vâmana Purâna wordt beschreven in tienduizend verzen. Van de Kûrma Purâna zegt men dat het er zeventienduizend zijn, de Matsya Purâna heeft er veertienduizend, verder zijn er de Garuda Purâna met negentienduizend verzen en de Brahmânda Purâna met twaalfduizend. In totaal staan er in de Purâna's op deze manier zo'n vierhonderdduizend verzen geschreven [*]. Achttienduizend, zoals gezegd, behoren er tot het Bhâgavatam [zie verder onder Purâna].

(10) Dit [relaas van wijsheid] werd door de Allerhoogste Persoonlijkheid van God [Narâyâna, zie 3.8-10] genadig allereerst ten volle geopenbaard aan Brahmâ die beducht voor een materieel bestaan neerzat op de lotus die groeide uit Zijn navel [zie ook 1.1: 1]. (11-12) Van het begin tot het einde vol van verslagen over de onthechting brengt het de geheiligden en goddelijken in verrukking met de nectar van zijn vele vertellingen over de Heer Zijn spel en vermaak. Overeenkomstig de essentie van alle vedânta-filosofie heeft het de Ene Werkelijkheid, die Zijns Gelijke Niet Kent en die men omschrijft als de Absolute Waarheid [brahma, het onpersoonlijke] die niet verschilt van de Ene Ziel [âtma, het persoonlijke], als zijn belangrijkste onderwerp en de zaligheid [van emancipatie in toegewijde dienst ofwel kaivalya] als het ene uiteindelijke doel [**]. (13) Hij die het Bhâgavatam in zijn volle glorie ['op een gouden troon'] als geschenk cadeau doet op de dag van de volle maan in de maand Bhâdra [augustus/september] bereikt de hoogste bestemming. (14) Andere klassieke verzamelingen van verhalen [andere bijbels, Purâna's, of heilige geschriften] staan in de bijeenkomst van de vromen alleen maar op de voorgrond voor zolang men niet luistert naar de grote oceaan van nectar die het Bhâgavatam is. (15) Van het S'rîmad Bhâgavatam wordt inderdaad gezegd dat die de essentie is van alle vedânta filosofie; iemand die bevredigd is door de nectargelijke smaak ervan voelt zich nimmer aangetrokken door andere invloeden. (16) Van alle Purâna's komt deze overeen met wat de Ganges betekent in verhouding tot alle rivieren die naar de zee stromen, wat Acyuta is in verhouding tot al de godheden en wat S'ambhu [S'iva] is in verhouding tot alle toegewijden. (17) Op dezelfde manier als Kâs'î [Benares] onovertroffen is onder al de heilige plaatsen, kent het S'rîmad Bhâgavatam zijns gelijke niet onder de Purâna's, o tweemaal geborenen. (18) Het S'rîmad Bhâgavatam is de onberispelijke Purâna die onder de Vaishnava's het meest geliefd is en waarin de volmaakt zuivere en allerhoogste spirituele, geestelijke kennis wordt bezongen van niemand minder dan de allerbeste toegewijden; daarin wordt, tezamen met de kennis, de onthechting en de toewijding, de vrijheid van alle vruchtdragende arbeid geopenbaard welke die persoon zal verlossen die het meent met zijn overtuiging door met toewijding zoals het hoort te luisteren, te studeren en de mantra's te doen.

(19) Ik mediteer op het onvergelijkelijke licht van de toorts van de Onvergankelijke Waarheid die Vrij is van Zorgen en lang geleden geopenbaard werd aan de godheid ['Ka' ofwel Brahmâ], die deze transcendentale kennis zuiver en onbesmet overdroeg aan Nârada, de grote wijze die haar in de gedaante van zijn persoon doorgaf aan Krishna Dvaipâyana Vyâsa, die haar toen uiteenzette voor de koning van de yogi's [S'ukadeva] die uit mededogen toen [Parîkchit] de genade van de Fortuinlijke ervan op de hoogte stelde. (20) Eerbetuigingen voor Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, Heer Vâsudeva, de Opperste Getuige die dit genadevol overdroeg aan de godheid die verlangde naar bevrijding. (21) Eerbetuigingen voor hem, de koning van de yogi's, S'ukadeva Gosvâmî, de persoonlijke manifestatie van de Absolute Waarheid die de verlossing bracht voor [Parîkchit] de genade van Vishnu die werd gebeten door de slang van het materieel bestaan. (22) O Heer, U bent onze Meester, de Heer der Goddelijkheid, zorg er daarom alstUblieft voor dat wij leven na leven aan Uw voeten de bhakti mogen vinden. (23) Ik biedt Hem, de Allerhoogste Heer mijn eerbetuigingen, in wiens gezamelijke zingen van de heilige naam een einde komt aan alle zonden en bij wie voor Hem buigend aan alle ellende een einde komt."

 

Aldus eindigt het twaalfde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: Het Tijdperk van Verval. 

Met dit laatste Canto eindigt het Verhaal van de Fortuinlijke, de Bhâgavata Purâna, ook wel bekend als het S'rîmad Bhâgavatam en de Paramahamsa Samhitâ. Alle eer aan de Brahmâ-Mâdhva-Gaudiyâ Sampradâya paramparâ van de voorgaande vaishnava âcârya's met Heer Gauranga, S'rî Krishna Caitanya Mahâprabhu voorop, die door hun commentaren, vertalingen, bhajans en lezingen deze presentatie mogelijk maakten en het volle van de vaishnava cultuur hebben overgebracht naar de nederige dienaar van Krishna, Anand Aadhar Prabhu, die in waarheid nimmer klaar is met zijn werk.

 

Voetnoten:

* Vervolgens, zo bevestigt de Matsya Purâna, komen er bij de Purâna ook nog eens de honderdduizend verzen gevonden in de Itihâsa (het afzonderlijke verhaal) van Vyâsa's Mahâbhârata en een vijfentwintigduizend van de Itihâsa van Vâlmîki's Ramâyana. Aldus bedraagt het totale aantal verzen van de volledige verzameling van klassieke verhalen vijfhonderdvijfentwintigduizend [de kleinere Upa-purâna's niet meegerekend].

** Dit herinnert aan het thema van Krishna als de Tijd, Kâla, en Krishna als de persoon, de Opperziel, de Oorspronkelijke Persoon. De wereld lijkt verdeeld te zijn in impersonalistische wetenschap, filosofie en regeren enerzijds en personalistische religie van onthechting en persoonlijk sentiment in burgerlijke gehechtheid nanderzijds. Maar met het respecteren van de Tijd zoals het hoort vinden van de persoon en met het respecteren van de persoon zoals het hoort vinden van de Tijd is het probleem opgelost wetende dat de eenheid van het persoonlijke en het onpersoonlijke onze gelijkgezinde vriend en begeleidende vader in het voorbije Heer Krishna is die er als het laatste woord aan toe voegt: (in B.G. 18: 6) 'Maar met al deze handelingen moet zonder twijfel, ze verrichtend uit plichtsbesef, de associatie met hun resultaten worden opgegeven; dat, o zoon van Prithâ, is Mijn laatste en beste woord erover.' Aldus zijn we, vrij van nevenmotieven - zoals dit boek werd geschreven in dankbaarheid voor een sociale uitkering -, van emancipatie in toegewijde dienst.

 

 

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/