Zie voor de online verishie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het verhaal van de fortuinlijke"

 

CANTO 12: Het Tijdperk van Verval

 

Inleiding

Hoofdstuk 1 Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

Hoofdstuk 2 Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

Hoofdstuk 3 Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

Hoofdstuk 4 Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

Hoofdstuk 5 De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

Hoofdstuk 6 Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

Hoofdstuk 7 De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

Hoofdstuk 8 Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

Hoofdstuk 9 Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

Hoofdstuk 10 S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

Hoofdstuk 11 Vishnu Zijn Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

Hoofdstuk 12 De Onderwerpen van het S'rîmad-Bhâgavatam Samengevat

Hoofdstuk 13 De Heerlijkheden van het S'rîmad-Bhâgavatam

 

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindu-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10-e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-verse gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krishna werd zo geschreven als Krishna en rshi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.

Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabuphâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.    

 

Hoofdstuk 1

Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

(0) S'rî Parîkchit zei: 'Alstublieft o wijze zeg me, wiens dynastie heerste over de aarde nadat Krishna, het juweel van de Yadu-dynastie, was vertrokken naar Zijn hemelverblijf?' [*]

(1-2) S'rî S'uka zei: 'De laatste nazaat die er van Brihadratha in de toekomst zal zijn [zie 9.22: 49] wordt Purañjaya genoemd [niet die in 9.6: 12]; maar zijn minister S'unaka zal zijn meester vermoorden om zijn eigen zoon genaamd Pradyota [hist. Bimbisâra] tot koning uit te roepen, van wie de zoon Pâlaka, Vis'âkhayûpa als zijn zoon zal hebben met Râjaka daarop als de volgende. (3) Zijn zoon zal Nandivardhana zijn; deze vijf pradyotana-koningen zullen de aarde honderdachtendertig jaar genieten. (4) Dan zal S'is'unâga geboorte nemen en zal Kâkavarna zijn zoon zijn, van wiens zoon Kshemadharmâ, Kshetrajña zal worden geboren. (5) De zoon Vidhisâra [van Kshetrajña], zal Ajâtas'atru op de wereld zetten en Darbhaka zal zijn zoon zijn van wie men zich Ajaya zal heugen. (6-8) Van Ajaya zal er [een andere] Nandivardhana zijn wiens zoon daarop Mahânandi is. Deze tien S'is'unâga-koningen, o beste van de Kuru's, zullen in het Kali-tijdperk driehonderdenzestig jaar over de aarde heersen. O Koning, de zoon van Mahânandi, een zekere Nanda, zijn geboorte nemend uit de schoot van een vrouw uit de arbeidersklasse, zal, machtig als hij is als een heerser over miljoenen, de vernietiging van de heersende klasse vormen; de koningen dan zullen, vervallend in goddeloosheid, niet beter dan s'ûdra's worden. (9) Hij, die heerser over miljoenen [ookwel bekend als Ugrasena], zal als de enige leiding over de ganse aarde ongeslagen zijn en in zijn alleenheerschappij als een tweede Paras'urâma zijn [zie 9.15 & 16]. (10) De acht zoons met Sumâlya voorop die aldus van hem ter wereld zullen komen, zullen als koningen deze aarde honderd jaar genieten. (11) Een zekere tweemaal geboren brahmaan [genaamd Cânakya] vertrouwd door de negen Nanda's zal hen omverwerpen, waarna met hen verdwenen de Maurya's in Kali-yuga over de aarde zullen heersen [**]. (12) De brahmaan zal aldus Candragupta op de troon zetten van wiens zoon Vârisâra vervolgens As'okavardhana zal volgen. (13) Suyas'â zal door hem ter wereld komen; Sangata, Suyas'â's [klein-] zoon [geboren uit zijn zoon Das'aratha] zal S'âlis'ûka zijn van wie er daarna Somas'armâ zal zijn die aan de wieg zal staan van S'atadhanvâ van wie er Brihadratha zal zijn. (14) Deze tien Maurya-koningen, o voortreffelijke held van de Kuru-dynastie, zullen in Kali-yuga meer dan honderdzevenendertig jaar over de aarde heersen. (15-17) Van Agnimitra [die volgt als de zoon van de generaal Pushpamitra die Brihadratha vermoordde] zal Sujyeshthha volgen van wie er Vasumitra zal zijn met vervolgens Bhadraka en zijn zoon Pulinda. Zijn zoon zal Ghosha zijn van wie Vajramitra ter wereld zal komen; van hem zal Bhâgavata worden geboren van wie er Devabhûti zal zijn, o verheven Kuru. Deze tien S'unga's zullen de aarde genieten voor meer dan honderd [112] jaar waarna deze aarde zal vallen onder de heerschappij van de Kânva-dynastie die weinig goede kwaliteiten heeft, o heerser der mensen. (18) Vasudeva, een hoogst intelligente minister van de Kânva-familie, die (met de hulp van een slavin) de wellustige S'unga-koning Devabhûti zal doden, zal dan zelf het bestuur op zich nemen. (19) Zijn zoon zal Bhûmitra zijn en zijn zoon Nârâyana. Deze Kânva-koningen zullen in Kali-yuga nog weer driehonderdvijfenveertig jaar over de aarde heersen. (20) Een man van het Andhra-ras van lage afkomst genaamd Balî, zal als bediende Sus'armâ doden, de [laatste] Kânva-koning en zeer ontaard enige tijd over de aarde heersen. (21-26) Zijn broer, genaamd Krishna, zal dan de volgende heerser over de aarde zijn en de zoon van S'ântakarna, zijn zoon, zal Paurnamâsa zijn. Na Lambodara, zijn zoon, zal Cibilaka de koning zijn en van Cibilaka zal Meghasvâti er komen van wie er Athamâna zal zijn, gevolgd door Anishthakarmâ. Van Hâleya, zijn zoon, zal Talaka ter wereld komen van wiens zoon Purîshabhîru dan Sunandana de koning zal zijn. Cakora [zijn zoon] zal worden opgevolgd door de acht Bahu's, van wie S'ivasvâti een grote onderwerper van de vijand zal zijn. Van Gomatî, zijn zoon, zal Purîmân er zijn, wiens zoon Medas'irâ zal zijn. S'ivaskanda van hem zal Yajñas'rî als zijn zoon hebben, na wie vervolgens Vijaya, zijn zoon, Candravijña en Lomadhi zal krijgen. Deze dertig koningen zullen vierhonderdvijfenzestig jaar over de wereld heersen, o zoon van de Kuru's [***]. (27) Van de stad Avabhriti zullen dan zeven Âbhîra-koningen volgen, tien Gardabhî's, en zestien Kanka-koningen die als aardse heersers hoogst inhalig zullen zijn. (28) Dan zullen acht Yavana's volgen, veertien Turushka's en verder nog tien Gurunda's en elf Maula's. (29-31) Deze [eerste zes dynastieën] zullen duizendnegenennegentig jaar over de aarde heersen, en de elf Maula's zullen driehonderd jaar heersen, mijn beste. Met hen allen dood en verdwenen zullen in de stad Kilakilâ honderdenzes jaar lang de koningen Bhûtananda, gevolgd door Vangiri met daarna S'is'unandi en dan zijn broer Yas'onandi en Pravîraka heersen. (32-33) Van hen [de Kilakilâ's] zullen er dertien zoons zijn genaamd de Bâhlika's na wie Pushpamitra en vervolgens zijn zoon koning Durmitra zowel als ook zeven Andhra's, zeven Kaus'ala's en ook de heersers van Vidûra en de Nishadha's dan tegelijkertijd als koningen zeker van de heerschappij zullen zijn. (34) Voor de provincie Mâgadha zal er Vis'vasphûrji zijn, die als een andere Purañjaya de mensen van alle klassen zal veranderen in inferieure Pulinda's, Yadu's en Madraka's [onbeschaafde mensen, mensen van een lager allooi, zie *4]. (35) De onintelligente koning, beschut in de stad Padmavatî van de bron van de Ganges tot aan Prayâga over de aarde heersend, zal, zich ten opzichte van de burgers overwegend gedragen in strijd met het brahmaanse, de almachtige klasse der kshatriya's te gronde richten. (36) De tweemaal geborenen levend in de provincies S'aurâshthra, Avantî, Âbhîra, S'ûra, Arbuda en Mâlava zullen [te dien tijde] van hun geloften vallen en zij die onder de mensen voorgaan zullen niet beter dan s'ûdra's worden. (37) De landen aan de rivier de Sindhu, zowel als de districten Candrabhâgâ, Kauntî en Kâs'mîra, zullen worden geregeerd door onbeschaafde lieden [mleccha's], s'ûdra's en anderen die, het ontbrekend aan geestkracht, afwijken van de standaard.

(38) O Koning, deze overwegend onwetende aardse zorgdragers die zich wijden aan goddeloze en onrealistische praktijken zullen, [wedijverend om te heersen] met een heetgebakerd gemoed tegelijkertijd [zonetijd...], hun burgers weinig ruimte gunnen [economisch]. (39) Met het vernietigen van de levens van vrouwen, kinderen, koeien en bekeerde mensen, hebben ze, met het begeren van andermans vrouwen, opgetogen, gematigd en [dan weer] terneergeslagen, zwak in de goedheid hoofdzakelijk maar korte levens te leven [of loopbanen]. Tekort schietend in het brengen van offers en zo niet geschikt zijnde voor het werk zullen zij, deze onnozelaars die zich voordoen als koningen, overschaduwd door hartstocht en onwetendheid, de burgers als het ware verslinden. (40) De mensen in de steden zullen, met het karakter en de manier van spreken en handelen van deze heersers, geplaagd door de 'koningen' en door elkaar, de vernietiging vinden [in oorlogen, economische rampspoed en natuurrampen, zie ook kles'a, Kali-yuga en B.G. 16: 6-12].

 

Voetnoten:

* De paramparâ van ISKCON liet deze eerste regel van de vragenstellende Parîkchit weg, waar andere bronnen zoals S'astri C.L. Gosvâmî dit hoofdstuk er wel mee beginnen.

** De paramparâ voegt toe: 'De grote historische vertelling het S'rîmad-Bhâgavatam, welke begint met de gebeurtenissen voorafgaande aan de kosmische manifestatie, strekt zich nu uit tot in het domein van de moderne geschreven geschiedenis. Moderne geschiedkundigen erkennen zowel de Maurya dynastie als Candragupta, de koning vermeld in het volgende vers.' [pp. 12.1.11]

*** Volgens een academische vertaler van het Bhâgavatam, Ganesh Vasudeo Tagare [1989, Morilal Banarsidass], zou deze periode in de geschiedenis zich afspelen kort voor de aanvang van de christelijke jaartelling. Met het analyseren van deze tekst met betrekking tot historische bronnen concludeert hij eveneens, stellend dat er vele discrepanties zijn met de culturele [gemanipuleerde?] verslagen, dat historisch gezien de Kânva-dynastie slechts voor vijfenveertig jaar zou hebben geheerst van 75 tot 30 B.C., en niet voor de driehonderdvijfenveertig jaar zoals de Sanskriet tekst hier stelt. Volgens hem zou dit deel van het Bhâgavatam van een latere datum zijn en bestaan uit een allegaartje van historische kennis uit de tweede hand, hetgeen een stellingname is aangevochten door de paramparâ natuurlijk, daar het waarschijnlijker is dat men zich vergist in de strijdigheid van het wereldse belang dan in de harmonie van het bewustzijn gemotiveerd door een spirituele discipline.

*4 De totale tijdspanne van de generaties die hier behandeld zijn van de eerste Purañjaya af aan tot aan de laatste in de lijn van het verval van Kali-yuga, zou zich zo hebben uitgestrekt van ongeveer 2000 v. Chr. tot ongeveer de twaalfde eeuw n. Chr.

 

Hoofdstuk 2

Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

(1) S'rî S'uka zei: 'En dan, o Koning, zal dag na dag onder de sterke invloed van de tijd [van Kali-yuga] de religiositeit, waarheidliefde, reinheid, tolerantie en de genade zowel als de levensduur, de kracht en het geheugen geruïneerd raken [zie ook 1.16]. (2) In het Kali-tijdperk zal onder de mensen alleen rijkdom een teken van een goede geboorte, goed gedrag en goede kwaliteiten zijn en zal macht het enige criterium zijn in het bepalen van wat gerecht en goed zou zijn. (3) Huwelijksbanden zullen gebaseerd zijn op oppervlakkige aantrekking, in zaken zal misleiding de norm zijn, wel of niet een man of vrouw heten zal afhangen van iemands sexualiteit en een heilige draad [een 'diploma'] volstaat dan om iemand als geschoold te beschouwen. (4) Een uiterlijk kenteken zal genoeg zijn om uit te maken wat de geestelijke status van een persoon is en zal ook genoeg reden vormen om van positie te veranderen; als men niet zo veel geld verdient verliest men zijn geloofwaardigheid en behendig zijnd met woorden is men [zogenaamd] een geleerde. (5) Armoede wordt eenvoudigweg als iets onheiligs gezien en hypocrisie houdt men voor een deugd; een belofte wordt voldoende geacht om getrouwd te zijn [om sex voor het huwelijk te hebben] en een bad nemen [zonder enige andere ochtendroutine] volstaat om voor de dag te verschijnen. (6) Een waterbekken ergens ver weg acht men een heilige plaats, schoonheid hangt af van je kapsel, het doel van het leven bestaat eruit je maag te vullen, brutaliteit noemt men dan eerlijkheid, in staat zijn een gezin te onderhouden is men een expert en religieus dienen doet men voor een goede naam. (7) Met de aardbol overvol met een bevolking op deze manier gecorrumpeerd, zal, wie er dan ook onder de intellectuelen, de kooplieden of de heersende dan wel werkende klasse de sterkste is, de baas mogen spelen. (8) De burgers, met hun echtgenotes en eigendommen weggekaapt door de genadeloze en begeertige heersende klasse die zich gedraagt naar de aard van ordinaire dieven, zullen de bergen en de wouden invluchten. (9) Met het consumeren van groenten, wortelen, vlees, honing, vruchten, bloemen, en zaden zullen ze, gebukt gaand onder droogte, gekweld door hongersnood en door belastingen, geruïneerd zijn [zie ook 1.6: 20, 4.20: 14, 4.21: 24, B.G. 3: 14]. (10) Door koude, wind, hitte, regen en sneeuw geplaagd, zowel als door honger, dorst en ziekten, hebben ze bijgevolg zwaar te lijden onder grote zorgen. (11) De maximum levensduur voor menselijke wezens in Kali-yuga zal vijftig jaar bedragen. (12-16) Als de lichamen van alle levende wezens door de besmetting van Kali-yuga in verval verkeren; het plichtsbesef van al de leden van de statusoriëntaties is verloren gegaan; als de vedische weg die er voor alle mensen is veranderd is in een atheïstische plichtsopvatting; als de koningen hoofdzakelijk optreden als rovers en mensen in hun verschillende beroepen in werkelijkheid allen leugenachtige bandieten zijn van een betekenisloos afslachten; als de klassen overwegend gericht zijn op het verrichten van [betaalde] arbeid; de koeien niet meer waard zijn dan geiten; de geestelijke toevluchtsoorden net als materialistische huishoudens zijn; de familiebanden zich niet verder uitstrekken dan tot de banden van het huwelijk; als de planten en kruiden qua formaat zijn geslonken en alle bomen als s'amî-bomen zijn, als het altijd bliksemt in de wolken en in de huizen de eenzaamheid regeert [het onpersoonlijke en de filosofie van de leegte, zie pranâti]; als Kali-yuga op zijn einde loopt en de mensen als ezels zijn geworden, zal de Opperheer nederdalen in de geaardheid der zuivere goedheid om het dharma veilig te stellen.

(17) De geestelijk leraar van al de bewegende en de niet bewegende wezens, Heer Vishnu, de Beheerser van Allen, zal voor de bescherming van de religie en de geheiligden een einde maken aan de vruchtdragende handelingen en het [bij herhaling] geboren zijn. (18) In de plaats S'ambhala zal Heer Kalki verschijnen in het huis van de grote ziel, de brahmaan Vishnuyas'â ['de glorie van Vishnu']. (19-20) Zijn snelle paard Devadatta bestijgend, zal de Heer van het Universum met Zijn zwaard, bovenzinnelijke eigenschappen en begiftigd met de acht mystieke volheden [siddhi's], de onheiligen onderwerpen. Met Zijn paard gezwind over de aarde rondbewegend zal Hij, ongeëvenaard in Zijn schittering, de dieven vermomd in de uitdossing van koningen afmaken. (21) Als de rovers zijn gedood, zullen de geesten ophelderen van al de stedelingen en plattelanders die in aanraking kwamen met de bries die de hoogst gewijde geur meevoert van het [met sandelhoutpasta] opgesierde lichaam van Heer Vâsudeva. (22) Als Vâsudeva de Allerhoogste Heer Zich in Zijn bovenzinnelijke gedaante van goedheid in hun harten bevindt, zal de cultuur van hun nageslacht bloeien als nooit tevoren. (23) Als de Allerhoogste Heer Kalki, de Heer en Meester van het Dharma, incarneert, zal Satya-yuga en het voortbrengen van nageslacht in de geaardheid goedheid zijn aanvang nemen [zie yuga]. (24) Als de maan en de zon naar het maanhuis Tishyâ [of Pushyâ, ofwel Kreeft 3° 20´ tot 16° 40´ zie zodiak] tegelijkertijd rijzen met Jupiter [Bhrihaspatî] in hetzelfde sterrenteken, zal te dien tijde Krita- of Sathya-yuga beginnen.

(25) Aldus heb ik in het kort al de koningen van het verleden, het heden en de toekomst beschreven die behoren tot de dynastieën van de zon en de maan [zie ook vams'a]. (26) Van de geboorte van uw goede zelf af aan tot aan de kroning van koning Nanda [zie 12.1: 12] zullen elfhonderdvijftig jaren verstrijken (*). (27-28) Als het sterrenbeeld der zeven wijzen (Ursa Major, de Grote Beer) rijst worden de eerste twee van hen (Pulaha and Kratu) in de hemel waargenomen; tussen hen in op dezelfde lijn [noordwest] in de nachtelijke hemel wordt hun [heersende] maanhuis gezien. De wijzen [de sterren] ermee verbonden blijven in dat maanhuis voor een honderdtal menselijke jaren. Nu, in uw tijd, bevinden de tweemaal geborenen zich in de nakshatra genaamd Maghâ. (29) Met Vishnu, de Opperheer, Hij, de zon die bekend staat als Krishna, weer teruggekeerd naar de hemel, ging deze wereld het Kali-tijdperk binnen waarin de mensen zich verheugen in de zonde. (30) Zolang als Hij, de Echtgenoot van Ramâ, [haar] bleef beroeren met Zijn lotusvoeten, was Kali niet werkelijk in staat de aarde in te nemen. (31) Het tijdstip waarop de zeven wijzen onder de goden Maghâ ingaan is de tijd dat Kali-yuga begint welke aanhoudt voor twaalfhonderd [goden-] jaren [of 432.000 menselijke jaren, zie ook kâla]. (32) Als de zeven wijzen van Maghâ gaan door het maanhuis Pûrvâsâdhâ, zal te dien tijde, beginnend met Nanda en zijn nageslacht, dit Kali-tijdperk zijn volle wasdom bereikt hebben. (33) De experts uit het verleden zeggen dat de dag dat S'rî Krishna vertrok naar het hemelrijk men aldus het Kali-tijdperk kreeg. (34) Aan het einde van de duizend hemelse jaren van het vierde [Kali-] tijdperk, zal Krita-yuga weer opnieuw beginnen, de tijd dat de geesten van de mensen zelfverlicht zullen zijn.

(35) Alzo werd deze dynastie van [Vaivasvata] Manu opgesomd zoals die nederdaalde op aarde; de situaties tijdperk na tijdperk van de geschoolden, de handelaren en de arbeiders kunnen op dezelfde manier worden begrepen. (36) Van deze persoonlijkheden, deze grote zielen, herinnert men zich enkel hun namen; op deze aarde aanwezig met hun heerlijkheden zijn het enkel de verhalen die van hen resten. (37) Devâpi, de broer van S'ântanu [9.22: 12-17] en Maru [9.12: 5-6] geboren in de Ikshvâku dynastie, leven beide in Kalâpa, toegerust met grote mystieke macht. (38) Zij zullen aan het einde van Kali terugkeren naar de menselijke samenleving en, geïnstrueerd door Vâsudeva, als voorheen het varnâs'rama-dharma uitdragen. (39) De vier tijdperken van Krita, Tretâ, Dvâpara en Kali gaan onder de levende wezens in deze wereld steeds maar zo [cyclisch] door in deze volgorde [zie ook mahâyuga]. (40) O Koning, deze koningen, deze goden onder de mensen, en anderen door mij beschreven, die op aarde hun bezitsdrang uitleven, moesten op het einde deze wereld opgevend allen de vernietiging onder ogen zien. (41) Als dat wat zich voordoet onder de naam van koning, ook al was hij van levende wezens een vijand, op het eind toebehoort aan de wormen, de as en de ontlasting, wat voor weet heeft hij, zo zijnd terwille van het lichaam en daarvan in de hel lijdend, dan van zijn eigen bestwil [vergelijk 6.18: 35, 7.15: 37, 10.10: 10, 10.51: 50]? (42) [Een koning mag dan denken: ] 'Hoe kan deze zelfde onverdeelde aarde in de greep van de persoonlijkheden van mijn voorgangers en nu onder mijn gezag, van mijn zoon zijn, kleinzoon of een andere nazaat?' (43) De intelligentie ontberend met het aanvaarden van dit lichaam, samengesteld uit aarde, water en vuur met een idee van 'ik' en met een idee van 'mijn' deze aarde aannemend, moeten, [door de aardse heerser] met het bereiken van zijn eigen afwezigheid, uiteindelijk beiden worden verzaakt [zie ook 4.9: 34-35]. (44) Wat koningen ook mogen genieten in de wereld met hun macht, wordt door de Tijd omgevormd tot enkel verslagen en verhalen [vergelijk met 2.9: 33, 5.19: 28, 11.19: 16, 11.28: 21].

Voetnoot:

 * Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat de Candragupta die na Nanda door Cânakya op de troon werd gezet een andere Candragupta moet zijn geweest dan degene waarvan beweerd wordt dat hij 1500 jaar later Alexander de Grote versloeg in de vierde eeuw voor Chr. De paramparâ voegt hier wat betreft de discrepantie van zo'n drie eeuwen verder nog aan toe: 'Hoewel S'ukadeva Gosvâmî voorheen ongeveer vijftienhonderd jaar aan koninklijke dynastieën heeft beschreven, wordt begrepen dat er sprake is van enige overlapping tussen de koningen onderling.'

 

 

Hoofdstuk 3

Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

(1) S'rî S'uka zei: 'De aarde die de koningen druk bezig zag in het veroveren van haar, lachte en zei: 'Ach, zie hoe deze koningen, deze speeltjes van de dood, het wensen mij te veroveren! (2) Deze lust van de heersers der mensen en zelfs de wijzen is gedoemd te mislukken met die koningen die geloof hechten aan deze klomp [van materie, het lichaam] die te vergelijken is met bubbels [van schuim op water]. (3-4) 'Allereerst de zesdeling de baas zijnd [de zinnen en de geest], zullen we de ministers die de leiding hebben overwinnen, dan de adviseurs en ons dan bevrijden van de doornen [het boeventuig], de burgers, de vrienden en de olifantenhouders. Op deze wijze zullen we, stap voor stap de aarde veroveren en haar gordel van zeeën.' Aldus van overweging gebonden aan de hoop in hun hart, hebben ze geen besef van hun eindigheid [vergelijk B.G 16: 13-18]. (5) Na de landen die aan zee liggen veroverd te hebben gaan ze met hun kracht de zeeën op; wat is nu de waarde van deze victorie van de zelfbeheersing? Spirituele bevrijding is de [eigenlijke] vrucht der zelfbeheersing!'

(6) O zoon van de Kuru's [ze zei: ] 'Onintelligent proberen zij in die worsteling mij te veroveren [terwille van hun eeuwige 'roem'] terwijl de Manu's en hun zonen eveneens het allen moesten opgeven, weer vertrekkend zoals ze gekomen waren [d.w.z. hulpeloos]. (7) Te mijnent wille werpt zich zo een conflict op tussen materialistische personen, tussen vaders en zoons en zoons en broers eveneens, die in hun harten politiek gebonden zijn aan het hebben van de macht. (8) 'Dit voorzeker is mijn land en niet het jouwe, jij dwaas', zich aldus uitlatend zaaien ruziënd de heersers over de mensen dood en verderf en worden ze gedood ter wille van mij [vergelijk b.v. 2.5: 13, 2.7: 42, 4.29: 5, 5.5: 8, 6.16: 41 ; 7.8: 7-10; 9.4: 2-12]. (9-13) Prithu, Purûravâ, Gâdhi, Nahusha, Bharata, Kârtavîryârjuna, Mândhâtâ, Sagara, Râma [*], Khathvânga, Dhundhuhâ [ofwel] Kuvalayâs'va [9.6: 23-24], Raghu [9.10: 1], Trinabindu [9.2: 30], Yayâti, S'aryâti [9.3: 1], S'antanu [9.22: 12-13], Gaya [5.15: 6-13], Bhagîratha [9.9: 2-17], Kakutstha [9.6: 12], Naishadha [Nala, 9.9: 16-17,9.23: 20-21, van de nakomelingen van Nishadha, 9.12: 1], Nriga [Nâbhâga, 10.64: 10], Hiranyakas'ipu, Vritra, Râvana, die de hele wereld deed weeklagen, Namuci [8.11: 29-49], S'ambara [10.36: 36], Bhauma, Hiranyâksha en Târaka [8.10: 19-24], zowel als vele andere demonen en vorsten van een grote macht over anderen, waren stuk voor stuk helden van alles op de hoogte die niet te overwinnen allen overwonnen. Voor mij levend, o Machtige, gaven ze blijk van een grote bezitsdrang en zijn ze, bij de macht van de Tijd onderworpen aan de dood, niet [zo permanent en volledig als de Heer] hun doelen bereikend, veranderd in enkel nog maar historische verhandelingen [terwijl Hij nog steeds religieus gepraktiseerd wordt, zie ook B.G. 4: 7].'

(14) [S'uka ging verder: ] Deze verhalen aan u verteld van grote koningen die hun roem in al de werelden verspreidden en toen weer vertrokken, drukken niet het hoogste doel uit; zij, o machtige, vormen slechts een weldaad aan woorden [een decor] om uit te weiden over de verzaking en wijsheid [van God]. (15) Het is nog steeds het altijd weer vertellen over en bezingen van de kwaliteiten van de Heer geprezen in de Verzen dat alles te niet doet wat ongunstig is; hij die zuivere toegewijde dienst verlangt aan Heer Krishna behoort inderdaad in toenemende mate regelmatig van dat luisteren te zijn.'

(16) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Welke methoden, mijn Heer, staan de mensen levend in Kali-yuga ter beschikking om de fouten die zich van de tijd ophoopten te bestrijden; alstublieft vertel het me zoals-het-is. (17) [Vertel me over] de yuga's, de plichten die erbij horen, de tijd die ze beslaan en wanneer ze eindigen, de Tijd die de beweging van de Beheerser, van Heer Vishnu, de Opperziel, vertegenwoordigt [zie ook tijdcitaten-pagina]'.

(18) S'rî S'uka zei: 'In Krita-yuga wordt door de mensen van die tijd de religie gehandhaafd met al haar vier poten van waarheid [satya], mededogen [dayâ], boete [tapas] en liefdadigheid [dâna, of ook wel s'auca, zuivering [**], vergelijk 1.17: 24, 3.11: 21 en zie niyama]. (19) De [hamsa-]mensen [te dien tijde] zijn tevreden, genadig, vriendelijk, vreedzaam, zelfbeheerst, tolerant, innerlijk voldaan, gelijkgezind en overwegend ascetisch [zie ook 3.13: 35 en 11.17: 10]. (20) In Tretâ-yuga gaat een kwart van [ieder van] de poten van het dharma geleidelijk aan verloren als gevolg van hun tegenhangers: de valsheid, gewelddadigheid, ontevredenheid en tweestrijd [vergelijk 1.17: 25]. (21) Dan met rituelen toegewijd, boetedoeningen, zonder een overmaat aan geweld of lustige verlangens en van de drie wegen [van de regulatie der religie, de economie en de zinsbevrediging], zijn de vier klassen, welvarend van de drie Veda's, overwegend brahmaans georiënteerd, o Koning. (22) De verzaking, het mededogen, de waarheid en liefdadigheid van het dharma zijn in Dvâpara-yuga teruggedrongen tot de helft vanwege de adharma-kwaliteiten van geweld, misnoegen, leugens en hatelijkheid. (23) Men is [in dat tijdperk] van moreel gehalte, uit op de glorie, verzonken in vedische studie en vermogend met grote families en vreugdevol, waarbij de vier klassen voor het grootste deel van een brahmaanse adel zijn. (24) Dan, in Kali-yuga, zijn, vanwege de toename van de adharma-principes, de poten van de religiositeit afgenomen tot een kwart [van hun sterkte, vergelijk 1.17: 25] en zal op het laatst ook dat ene kwart ten onder gaan. (25) Daarin zullen de mensen begeertig zijn, ongemanierd, tekortschieten in mededogen, geneigd zijn tot zinloos geruzie [gepolitiseer], onfortuinlijk, geobsedeerd zijn door materiële verlangens en overwegend verslingerd zijn aan het verrichten van [baatzuchtige] arbeid. (26) Er door de macht van de tijd toe gedreven zullen aldus in de geest van een persoon [de guna's van] de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid in hun vermenging waar te nemen zijn [***]. (27) Als de geest, de intelligentie en de zinnen zich overwegend manifesteren in de geaardheid goedheid, moet men die tijd van behagen scheppen in kennis en verzaking worden begrepen als de tijd van Krita. (28) O man van intelligentie, als de geconditioneerde zielen in hun plichten van nevenmotieven zijn en in toewijding van dienst op de eer uit zijn, moet u dat overwegen van de hartstocht verstaan als de tijd van Tretâ. (29) Als begeerte ongenoegen, valse trots, afgunst en hypocrisie zich doen gelden en de zelfzucht overheerst in de handelingen is die [voorkeur van] hartstocht en onwetendheid de Dvâpara-tijd.

(30) Als er in de geaardheid onwetendheid sprake is van misleiding, valse getuigenis, luiheid en slaperigheid, geweld, neerslachtigheid, weeklagen, en begoocheling, angst en armoede, dan heugt men zich die tijd als die van Kali. (31) Als gevolg daarvan zullen de stervelingen kortzichtig zijn, onfortuinlijk, te veel eten, wellustig zijn, gebrek lijden en zullen de vrouwen naar eigen inzicht handelend onkuis zijn. (32) De bevolkte gebieden zullen worden gedomineerd door onzalige lieden [of dieven], aan de vedische geschriften zullen valse doctrines [ketters] afbreuk plegen, de politieke leiders zullen de mensen voor zich opeisen [ze 'verslinden'] en de tweemaal geborenen zullen hun magen en geslachtsdelen zijn toegewijd. (33) De jongeren [de studenten] vreemd aan de geloften zullen onrein zijn, de huishouders [met de reclame voor zichzelf] zullen geneigd zijn zich als bedelaars te gedragen, de teruggetrokkenen [de middelbaren zonder een vrije natuur om zich in terug te trekken] zullen stedelingen zijn en de wereldverzakende orde zal volijverig zijn in financiële aangelegenheden [aan 'reli-business' doen]. (34) Kort van stuk en vraatzuchtig met vele kinderen aan hun rokken [zullen de vrouwen] hun bedeesdheid kwijtraken en constant zich ongevoelig uitlaten met een grote brutaliteit en bedrieglijk als de dieven. (35) De kooplieden zullen, zonder reden vol van bedrog, in hun zakelijke handelingen waarlijk ellendig zijn en de mensen zullen een laag-bij-de-gronds beroep [zoals bijvoorbeeld in de sex-industrie] een goede baan noemen. (36) Dienaren zullen een meester in de steek laten die het aan bezit ontbreekt, zelfs al is hij de beste van allen; meesters zullen een gehandicapte dienaar in de steek laten zelfs als hij al generaties lang bij de familie hoorde en zo zal het met koeien gaan [dat ze worden gedood] als ze zijn opgehouden met melk geven. (37) In Kali-yuga zullen de mannen beheerst door vrouwen er ellendig aan toe zijn, en, hun naaste verwanten, hun vrienden, broers en vaders opgevend, in een sexueel begrip van vriendschap op een geregelde basis omgang hebben met de zussen en broers van hun echtgenotes. (38) Mensen uit op een baan zullen voor hun levensonderhoud, zich vertonend als wereldverzakers, religieus fondsen werven en op een hoge zetel klimmend spreken over de religieuze beginselen zonder enig plichtsbesef wat betreft de kennis [van offers brengen, ofwel valse predikers...]. (39-40) Met hun geesten voortdurend van streek, geplaagd door belastingen en hongersnood in tijden van schaarste met droogten heersend op de aarde, zullen ze vol van zorgen in angst leven. Gebrekkig qua kleding, voedsel, drinken, rust, verandering, het zich baden en persoonlijke sierselen zullen de mensen in Kali-yuga zich voordoen als waren ze geestverschijningen. (41) In het Kali-tijdperk zal men zelfs over een rooie cent hatelijkheid ontwikkelen [5.14 en 5.14: 26] met het afstoten van vriendschappelijke relaties en het zelfs familieleden en zichzelf ter dood brengen. (42) Zelfs niet geboren in een fatsoenlijke familie zal men de ouden van dagen, de ouders, de echtgenote en de kinderen in bescherming nemen; eenvoudigweg in het zielige belang van hun eigen magen en geslachtsdelen. (43) O Koning, in Kali-yuga zullen de stervelingen meestentijds atheïstisch van opoffering zijn met hun intelligentie afgeleid van de Onfeilbare, de Hoogste Persoonlijkheid van God die de Allerhoogste Geestelijk Leraar is van de drie werelden aan wiens voeten de verschillende meesters zich verbuigen. (44) In Kali-yuga zijn de mensen niet van aanbidding voor Hem door wie een persoon op sterven, in zijn leed instortend met een haperende stem hulpeloos Zijn naam herhalend, bevrijd raakt van de ketenen van het karma en de hoogste bestemming bereikt [zie ook B.G. 8: 10 en 6.2]. (45) De dingen, de plaats en de individuele aard der mensen zijn als gevolg van Kali-yuga vol van fouten, maar Bhagavân, de Allerhoogste Persoon in het hart gevestigd, neemt dat alles weg.

(46) Van de menselijke wezens die zelfs maar hoorden, de lof bezongen, mediteerden, aanbaden of de Opperheer verheerlijkten, wordt het onzalige in hun harten van een duizend geboorten weggezuiverd. (47) Net als de verkleuring aangetroffen in goud als gevolg van andere metalen teniet wordt gedaan door vuur, worden de onzuiverheden van de geest van yogabeoefenaren door Heer Vishnu teniet gedaan als Hij in de ziel [naar voren] komt. (48) Kennis ['halfgoden aanbidding'], boete, het stoppen van de adem, vriendschap, het baden in heilige wateren, geloften, liefdadigheid en het bidden van de rozenkrans geven niet zo'n zuivering van de geest als men kan bereiken met Hem, de Onbegrensde Persoonlijkheid van God, aanwezig in het hart. (49) Daarom, met heel uw wezen o Koning, vestig Heer Kes'ava in uw hart; u zal, als u sterft [alhier na deze week], aldus geconcentreerd naar de hoogste bestemming gaan. (50) De Opperheer bemediteerd door hen die sterven is de Allerhoogste Beheerser, de Ziel en Toevlucht van iedereen, die hen leidt tot hun eigen ware identiteit, mijn beste. (51) In de oceaan van fouten van Kali-yuga, bestaat er gelukkig één goede kwaliteit: enkel door te zingen over Krishna [zie bhajans] kan men, vrijgemaakt van de materiële gebondenheid, naar het koninkrijk van de hemel gaan [zie ook bhâgavata dharma en kîrtana]. (52) Hetzelfde resultaat in Satya-yuga bereikt met mediteren op Vishnu, in Tretâ-yuga door te aanbidden met offerplechtigheden en in Dvâpara-yuga door het dienen van de lotusvoeten [van Hem als een Koning], wordt in Kali-yuga bereikt met het bezingen van de Heer [zie ook 11.5: 38-40].

Voetnoot:

* Volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, en zoals bevestigd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura, is de koning Râma hier vermeld niet de incarnatie van God Râmacandra. Dit wordt ondersteund door het M.W. woordenboek dat melding maakt van de halfgod Varuna, schrijvers, leraren en andere grote persoonlijkheden met die naam. Waarschijnlijk wordt Bhârgava ofwel Us'anâ bedoeld die hoogst machtig een dynastie vormde vanuit de wijzen Bhrigu en Mârkandeya [zie 9.16: 32 en 4.1: 45].

** In het M.W. woordenboek worden drie betekenissen gegeven voor het woord dâna: 1: doneren, het doen van schenkingen 2. delen of communiceren en 3. zuivering. De laatste betekenis bevestigt het gebruik van de term s'auca in het Eerste Canto van het S'rîmad-Bhâgavatam als de vierde poot van de stier der religie. Deze alternatieve definitie van het woord dânam wordt bevestigd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura.

*** De paramparâ voegt hier aan toe: 'De specifieke tijd gerepresenteerd door de goedheid (Satya), de hartstocht (Tretâ), de hartstocht gecombineerd met onwetendheid (Dvâpara) of de onwetendheid (Kali) bestaat binnen ieder van de andere tijdperken als een subfactor.'

 

 

Hoofdstuk 4

Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

(1) S'rî S'uka zei: 'De tijd vanaf het kleinste van het atoom en culminerend in de twee helften [of parârdha's] van het leven van Brahmâ, o Koning is beschreven [in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's; luister nu naar de vernietiging van de kalpa. (2) Duizend cycli van vier yuga's heet een kalpa, een dag van Brahmâ, waarin er veertien oervaders van de mensheid zijn [Manu's]. (3) Na hen is er de desintegratie beschreven als de nacht van Brahmâ die van dezelfde duur is; tot aan het eind van die tijd blijven deze drie werelden ontbonden. (4) Dit wordt de incidentele vernietiging genoemd [of naimittika pralaya] waarin [Nârâyana] de schepper van het universum neerligt net als heer Brahmâ, om op Zijn bed Ananta het universum in Zich op te nemen. (5) Na de volle tijd van twee parârdha's van het hoogst geplaatste levende wezen, heer Brahmâ, zijn vervolgens de zeven elementen [mahat, ahamkâra en de tanmâtra's], onderhevig aan vernietiging. (6) Dit, o Koning, is de elementaire vernietiging, waarna dit universele ei, dit samenstel [van deze zeven universele principes] ontbindt, als de tijd van zijn uiteenvallen is bereikt. (7) Een honderd jaren lang zullen de wolken o Koning, geen regen laten vallen op de aarde en zullen dan, met de er op volgende hongersnood, de mensen in de war gestuurd door de tijd, daardoor lijdend onder honger [zelfs] elkaar consumeren en geleidelijk aan hun vernietiging vinden. (8) De zon die met zijn verschrikkelijke stralen niet het geringste terug biedt, zal alle vocht opdrinken van de aarde, de oceaan en de levende lichamen. (9) Dan zal het vuur der vernietiging voortkomen uit de mond van Heer Sankarshana en aangewakkerd door de kracht van de wind de kale gebieden van de planeten verbranden [3.11: 30, 8.5: 35]. (10) Van alle kanten brandend met de vlammen van het vuur beneden en de zon erboven, zal het ei van het universum gloeien als een bal koeienmest. (11) Vervolgens zal er meer dan honderd jaar een verschrikkelijke wind waaien die de vernietiging brengt en de hemel grijs zal verduisteren. (12) Samengepakte veelkleurige wolken, mijn beste, zullen het dan honderd jaar lang laten regenen met enorme donderslagen. (13) Het omhulsel van het universum zal, vollopend, dan één enkele [kosmische] zee van water vormen. (14) Als het water ten tijde van de vloed de kwaliteit van de geur wegneemt zal het aarde-element, verstoken van haar geur, oplossen [zie ook 3.26: 49-61, 11.3: 9, 11.24: 22-27]. (15-19) Vuur neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar unieke kwaliteit, oplost; dan volgt het vuur door de lucht verstoken van haar vorm. Met het vuur opgegaan in de wind neemt de ether de kwaliteit [der aanraking] van de lucht weg en dan volgt de kwaliteit van de ether, het geluid, dat wordt weggenomen door het oorspronkelijk elementaire [of valse ego in onwetendheid]. Met de ether vervolgens daarin opgaand neemt de vitale kracht [vals ego in hartstocht] bezit van de zinnen, mijn beste, en worden de goden gegrepen die onderhevig zijn aan verandering [naar het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie neemt daar weer bezit van [van vaikârika] samen met de kwaliteiten [of manifeste functies] ervan en die mahat wordt dan door de guna's van sattva en zo voorts binnengehaald. Deze drie geaardheden o Koning worden dan, er door de Tijd toe aangezet, overschaduwd door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke ongemanifesteerde vorm van de natuur] van wie er niet de transformatie en dergelijke is met de verdelingen van de tijd; ongemanifesteerd zonder een begin en een einde vormt het de onfeilbare eeuwige oorzaak. (20-21) Daarin vindt men niet de spraak, geen geest, noch de geaardheid goedheid, hartstocht of onwetendheid; daar zijn er niet de elementen van de grotere werkelijkheid - de levensadem, de intelligentie, de zinnen en zo meer - noch zijn er daar de goden of is er daar de schikking van de verschillende planetaire vormen van orde. Er is daar niet het slapen, het waken of de diepe slaap, geen water, lucht, ether, vuur, aarde of zon; dat, alle logica verslaand er zijnde als een leegte of iemand die diep in slaap is, vormt de substantie die dienst doet als de wortel [de pradhâna], zo zeggen de autoriteiten. (22) Deze tijd als de energieën hulpeloos opgaan, volledig onttakeld door de Tijd, vormt de [prâkritika pralaya] vernietiging van al de materiële elementen van de natuur van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon.

(23) Het is de spirituele kennis [het bewustzijn, de Absolute Waarheid] die zich manifesteert in de vorm van deze elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten; wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is inessentieel daar het geen bestaan heeft dat los staat van zijn oorzaak [maar slechts een aanduiding vormt, vergelijk 11.28: 31]. (24) Een lamp, een waarnemend oog en de waargenomen vorm zijn [als de omvormingen ervan] niet verschillend van het licht, op dezelfde manier verschillen de intelligentie, de zintuigen en de zintuigelijke waarnemingen niet van de [ene] zich verschillend manifesterende werkelijkheid [zie ook siddhânta en B.G. 9.15]. (25) Het waken, de slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie horen worden aldus een begoocheling van de zinnen genoemd, dit o Koning is de dualiteit ervaren door de ziel. (26) Net zoals wolken in de lucht er wel en er niet zijn in het Absolute van de Waarheid, is evenzo dit ganse universum wel en niet aanwezig zoals het met zijn verschillende delen zich ontwikkelt en weer opgaat. (27) Het oorzakelijk element, mijn beste, van welke samengestelde bestaansvorm dan ook alhier, kan, zo is gesteld [in de vedânta-sûtra], los van zijn gemanifesteerde product worden waargenomen, precies zoals men dat met de draden van stof kan [zie ook 6.3: 12, 11.12: 21]. (28) Wat men ook ervaart in termen van een algemene oorzaak en een specifiek effect is, in die wederzijdse afhankelijkheid, een vorm van verbijstering, daar alles wat onderhevig is aan het hebben van een begin en een einde niet wezenlijk is [d.w.z. de fixatie is de illusie, de materie is echt]. (29) Onderhevig aan verandering is een enkel atoom, hoewel het zich manifesteert, zonder het Rechtstreekse Bewijs van het Opperste Zelf [in de vorm van de Tijd] niet denkbaar [of zelfs maar waarneembaar], zelfs als het zo gelijksoortig [aan de onveranderlijke ziel] standhoudt zonder te veranderen. (30) Dienovereenkomstig bestaat er wat betreft de Absolute Waarheid geen dualiteit; als een persoon niet in kennis erover denkt als zijnde tweevoudig is dat als het hebben van twee hemelen, twee daglichten of twee winden. (31) Net zoals goud zich voor mensen voordoet in vele vormen afhankelijk van het gebruik ervan wordt evenzo de Allerhoogste Heer Adhokshaja die zintuiglijk niet te doorgronden is, omschreven in verschillende termen door zowel de gewone man als door de vedische persoon. (32) Zoals een wolk als een product van de zon zichtbaar wordt gemaakt door de zon en waarlijk als een gedeeltelijke expansie van de zon de duisternis is [van het werpen van een schaduw] voor de ogen, is zo ook het ik-besef een kwaliteit van God, die zichtbaar door Hem als een gedeeltelijke expansie van Hem tegelijkertijd dienst doet als een individuele ziel die [met een versluierde blik] in verhouding tot de Opperziel in gebondenheid leeft. (33) Als de wolk als een product van de zon uiteengedreven is ziet het oog daarop de zon in zijn eigen gedaante; zo ook verwerft men, als het oppervlakkige valse ego dat de geestelijke ziel verduistert wordt vernietigd door geestelijk na te speuren, op dat moment de juiste heugenis. (34) Als men op deze manier door middel van dit zwaard van onderscheid het misleidende valse ego [van fixaties] heeft weggesneden dat de oorzaak vormt van de gebondenheid van de ziel en men een gedegen realisatie heeft van de Onfeilbare Allerhoogste Ziel [van het Levende Wezen], is dat wat men noemt de uiteindelijke vernietiging [âtyantika pralaya], mijn beste.

(35) O onderwerper van de vijanden, door sommige deskundigen in het subtiele wordt bevestigd dat schepping en vernietiging van al de levende wezens beginnende bij Brahmâ voortdurend plaats vindt. (36) Van de dingen onderworpen aan verandering welke gezwind worden weggenomen door de kracht van de machtige stroom van de Tijd, vormen de verschillende omstandigheden [stadia van bestaan] de oorzaken van hun constant geboren en vernietigd worden [nityah pralaya]. (37) De verschillende stadia gecreëerd door de Tijd die, zonder een begin en een eind, de representatie vormt van Î'svara, worden, zoals u weet, niet rechtstreeks waargenomen, net zoals de bewegingen van de planeten in de ruimte [of iemands verschillende conditioneringen] niet direct worden gezien [zie ook 3.10; 10-14]. (38) Op deze manier wordt de voortgang van de Tijd [kâla] beschreven als zijnde van een voortdurende [nitya], incidentele [naimittika], natuurlijke [elementaire of prâkritika] en uiteindelijke [âtyantika] vernietiging.

(39) Bondig zijn deze vertellingen over de lîlâ van de schepper van het universum, Nârâyana, het reservoir van alle bestaansvormen, aan u voorgedragen o beste van de Kuru's; zelfs niet de Ongeborene [Brahmâ] is in staat ze allen op te sommen. (40) Voor de persoon die, in leed verkerend door het vuur van de verschillende vormen van ongeluk, het verlangt de moeilijk te boven te komen oceaan van het materiële bestaan over te steken, bestaat er geen andere boot dan het leveren van dienst naar de persoonlijke smaak voor de vertellingen van de wederwaardigheden van de Fortuinlijke, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (41) Dit essentiële compendium van al de klassieke verhalen werd voorheen door de onfeilbare Heer Nara-Nârâyana uitgesproken voor Nârada die het herhaalde voor Krishna-dvaipayana [Vyâsa, de schrijver; zie 5.19: 10-15]. (42) Hij, die machtige heer Bâdarâyana, was er zeker van dit Bhâgavatam, deze bloemlezing, qua status gelijk aan de vier Veda's, aan mij te vertellen o Mahârâja. (43) Dit zal worden verteld door Sûta Gosvâmî, die hier bij ons zit, aan de wijzen aanwezig in het Naimishâranya woud voor een langdurig offer voorgezeten door S'aunaka, o beste van de Kuru's [zie 1.1].  

 

 

Hoofdstuk 5

De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

(1) S'rî S'uka zei: 'Ik heb reeds uitgebreid beschreven de Allerhoogste Heer Hari, de Ziel van Een Ieder uit wiens voldoening heer Brahmâ werd geboren [3.8] uit wiens woede S'iva [3.12: 7] geboorte nam. (2) O Koning, u, denkend 'Ik ga sterven', moet deze dierlijke mentaliteit opgeven; u werd in het verleden niet geboren, noch bent u vandaag er niet, noch zal u, zoals dat met het lichaam het geval is, worden vernietigd [zie ook B.G. 2: 12 & 2: 20]. (3) U zal, gelijk een spruit uit een zaadje, niet uw bestaan vinden in het worden van uw kinderen of in het aannemen van de gedaante van uw kleinkinderen en zo voorts; u bent net zo verschillend van het lichaam en wat er bij hoort als een vuur [verschilt van brandhout *]. (4) Omdat men, zoals men dat ziet in een droom waarin je hoofd eraf gehakt wordt, de getuige is van het eigen zelf dat is samengesteld uit de vijf materiële elementen, is daarom de ziel van het lichaam ongetwijfeld ongeboren en onsterfelijk [zie ook B.G. 2: 22]. (5) Als er een pot wordt gebroken blijft de lucht in de pot de lucht als voorheen; zo ook keert, als het lichaam wordt opgegeven, de individuele ziel terug naar zijn spirituele oorsprong [brahma]. (6) De geest is als oorzaak verbonden met de lichamen, de kwaliteiten en de handelingen van de ziel; terwijl het mâyâ is, het illusiewekkend vermogen van de Heer, dat de geest in het leven roept [middels het ahankâra] en aldus het materiële bestaan van het individuele levende wezen [zie ook 2.5: 25, 3.26: 31-32, 3.27: 2-5]. (7) De combinatie van olie, een houder, een pit en vuur is wat men samen ziet in het functioneren van een lamp, zo ook is er, ontwikkeld en vernietigd door de actie van de geaardheden van de hartstocht, de onwetendheid en de goedheid, het materiële bestaan van [een individuele ziel met] een functionerend lichaam. (8) De ziel, die er niet is als het grofstoffelijke [de deha] of het subtiele [de linga], is zelfverlicht, en vormt aldus, zo onveranderlijk als de ether, de basis [âdhâra] die eeuwig is en alle beschrijving te boven gaat. (9) O prabhu, neem door met het op deze manier mediterend op Vâsudeva uw intelligentie aan het werk zetten in logische redeneringen, uw ware zelf zorgvuldig in overweging en hoe die ziel zich met uw geest bevindt in het stoffelijk omhulsel. (10) Takshaka [de slangenvogel] gestuurd door de woorden van de brahmaan [1.18] zal u niet verbranden; de vertegenwoordigers van de dood kunnen u niet verbranden, u [als u de rol speelt van] de Beheerser van het zelf die de dood zelve is voor deze veroorzakers van de dood [zie ook 11.31: 12]. (11-12) 'Ik ben de Oorspronkelijke Allerhoogste Geest, de Verblijfplaats van het Absolute, ik ben de Hoogste Bestemming'; als u met deze overweging uzelf plaatst in het Allerhoogste Zelf dat vrij is van materiële aanduidingen, zal u, met de ganse wereld aldus gescheiden van het zelf, zelfs geen weet hebben van Takshaka en uw lichaam als hij, zijn lippen likkend en met zijn bek vol gif, in uw voet bijt. (13) Mijn beste, wat wilt u nog meer horen na dit wat ik op uw vragen, o Koning, vertelde over de wederwaardigheden van de Heer?'

Voetnoot:

* In de s'ruti-mantra wordt gezegd: pitâ putrena pitrimân yoni-yonau: "Een vader heeft een vader in zijn zoon, zodat hij geboorte kan nemen als zijn eigen kleinzoon."  

 

Hoofdstuk 6

Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

(1) S'rî Sûta zei: "Toen Mahârâja Parîkchit, hij die beschermd wordt door Vishnu, hoorde wat er door de wijze, de gelijkgezinde ziener van de Opperziel, de zoon van Vyâsa, was gezegd, naderde hij zijn lotusvoeten, boog hij zijn hoofd voorover en zei hij tot hem met gevouwen handen het volgende. (2) De koning zei: 'Met de grote genade getoond door uwe goedheid heb ik de perfectie bereikt, omdat een mededogende ziel als u rechtstreeks voor mij de Heer Zonder een Begin en een Einde heeft beschreven. (3) Ik zie het in het geheel niet als iets verrassends voor grote zielen om verzonken in de Onfeilbare van genade te zijn voor de onwetende geconditioneerde zielen gekweld door leed. (4) Wij [alzo] vernamen van u deze verzameling van klassieke verhalen waarin inderdaad de Allerhoogste Heer Uttamas'loka naar behoren wordt beschreven [*]. (5) Mijn Heer, ik vrees Takshaka niet of enig ander levend wezen, noch ben ik bang voor een herhaald sterven; Ik ben de Geest van het Absolute binnengegaan onthuld door u als, exclusief aan al het materiële, zijnde vrij van angst. (6) Sta het me alstublieft toe, o brahmaan, om mijn spraak [en andere zintuiglijke functies] te offeren aan Adhokshaja zodat, met het verzinken van mijn geest na het hebben opgegeven van alle lustige verlangens, ik mijn levensadem kan opgeven. (7) Met behulp van u die de alleszins gunstige allerhoogste toevlucht toonde van de Allerhoogste Heer, heb ik me kunnen concentreren in de onstoffelijke kennis en wijsheid en is mijn onwetendheid uitgebannen'."

(8) Sûta zei: "Aldus aangesproken verleende de machtige heilige, de zoon van Vyâsa, hem toestemming en ging hij heen, aanbeden door die god onder de mensen en door de verzaakte wijzen. (9-10) Parîkchit, de geheiligde koning, hem na, richtte met de macht van de rede zijn geest naar zijn ziel en mediteerde op de Allerhoogste met zijn lucht zo bewegingloos als een boom. Zittend op darbha gras naar het oosten gelegd op de oever van de Ganges brak de grote yogî, met het gezicht naar het noorden, in het volmaakte besef van God met alle twijfels. (11) Beste geleerden, Takshaka, gestuurd door de kwaad geworden zoon van [Samika] de tweemaal geborene, zag, toen hij met de wens de koning te doden zich op weg begaf, Kas'yapa Muni [zie 1.18]. (12) Hij zorgde ervoor dat hij, een deskundige op het gebied van het bestrijden van vergif, door hem tevreden te stellen met kostbaarheden, terug ging waarop hij, die elke gedaante kon aannemen die hij maar wenste, zich vermomde als een brahmaan en de koning beet. (13) Met alle belichaamde zielen toekijkend veranderde, verteerd door het vuur van het slangengif, het lichaam van de volledig zelfverwerkelijkte heilige onder de koningen terstond tot as. (14) Er deed zich een luide jammerroep voor uit alle richtingen van de aarde en de hemel met de ontzetting van vrijwel al de halfgoden, demonen, menselijke wezens en andere schepselen. (15) De godbewusten lieten pauken klinken, de Gandharva's en Apsara's zongen en deden een regen van bloemen neerdalen en de wijzen spraken woorden van lof. (16) Toen Janamejaya hoorde dat zijn vader door Takshaka was gebeten, offerde hij in woede ontstoken in reactie daarop samen met de tweemaal geborenen de slangen [van de hele wereld] als offergaven in een grote offerplechtigheid. (17) Takshaka die zag hoe de grote serpenten werden verbrand in het laaiende vuur van het slangenoffer, ging zeer verstoord door de angst naar Indra om bij hem zijn toevlucht te zoeken. (18) Koning Janamejaya die Takshaka er niet bij zag zei tot de brahmanen: 'waarom is Takshaka, de laagste van alle serpenten, niet verbrand?'

(19) [Ze antwoordden: ] 'O beste der koningen, hij heeft zijn toevlucht genomen tot Indra en door hem behouden is de slang aldus niet in het vuur beland.'

(20) De machtig intelligente zoon van Parîkchit die deze woorden hoorde gaf de priesters ten antwoord: 'O geleerden, waarom werpen we dan niet Takshaka samen met Indra in het vuur?'

(21) Toen zij dat hoorden volbrachten de geleerden het ritueel om Takshaka samen met Indra te offeren: 'O Takshaka, moge je snel in het vuur hier vallen samen met Indra en zijn schare halfgoden'. (22) Indra samen met Takshaka en zijn vimâna werd met een geest niet meer rustig door de beledigende woorden aldus uitgesproken door de brahmanen uit zijn positie geworpen. (23) Toen Brihaspati hem met Takshaka in zijn vimâna uit de hemel naar beneden zag vallen, richtte de zoon van Angirâ zich tot de koning: (24) 'Deze slangenvogel verdient het niet door u te worden gedood, o grote heerser der mensen; door hem, de koning der slangen, werd de nectar van de goden gedronken en derhalve is hij, zonder twijfel vrij van ouderdom, praktisch onsterfelijk! (25) Het leven en de dood van een levend wezen en zijn bestemming in zijn volgende leven o Koning, zijn enkel het resultaat van zijn karma; voor hem is er geen andere instantie dan deze die hem geluk en ongeluk verschaft. (26) Iemand die geboren werd kan de dood vinden door slangen, dieven, vuur en bliksem, honger, dorst, ziekte en andere instanties o Koning, maar hij ondergaat met dat alles de terugslagen op de dingen die hij deed in het verleden. (27) Daarom o Koning moet met dit offer, uitgevoerd met de bedoeling om de slangen geweld aan te doen, worden gestopt; met de onschuldigen verbrand zullen inderdaad personen voor die gelasting moeten boeten' [zie ook de Mahâbhârata 1.43]."

(28) Sûta zei: "Aldus toegesproken zei hij met respect voor de woorden van de grote wijze: 'Zo zij het!', en een einde makend aan het slangenoffer vereerde hij de heer der welsprekendheid [Brihaspati]. (29) Deze zelfde mahâmâyâ van Vishnu kan niet worden tegengehouden of geminacht door hen die als deel-en-een-geheel-vormende geestelijke zielen door Hem verbijsterd raken vanwege hun gewone lichamelijke functioneren naar de geaardheden van de natuur. (30-31) De zichtbare begoochelende energie waarin men, de vrede ontberend, denkt 'dat is een bedrieger', zal niet [overwegen] als men constant van onderzoek is naar de aard van de ziel - in dat waarvan de transcendentalisten spreken is men niet van materialistische argumenten die vele vormen aannemen of van de geest met zijn functies van beslissingen en twijfels daarop gebaseerd. Daarin is het levende wezen niet van wereldse zaken, hun oorzaken en de voordelen door hen behaald, noch van het ik-besef dat zo sterk is in het verbonden zijn met de geaardheden hetgeen daar uitgesloten is; een wijze behoort er inderdaad behagen in te scheppen zich verre te houden van de golven van de wereldse conditioneringen en van hen die aldus verstrikt zijn [zie ook b.v. 6.4: 31-32]. (32) De allerhoogste toevlucht van Heer Vishnu wordt door hen die verlangen het op te geven omschreven als dat wat 'noch dit, noch dat' is [zie ook neti neti]; en zo wijzen zij, met hun emoties nergens anders op gericht, het kleinzielige materialisme af in het in hun harten omarmen van het 'niet-dat' [de Ziel, Hem] waaraan zij die verzonken zijn vasthouden. (33) Zij voor wie er niet de corruptie is van het 'ik' en 'mijn' gebaseerd op een huis en een lijf, komen aldus dan dit te weten wat het allerhoogste verblijf van Vishnu vormt. (34) Beledigende woorden moet men [zo] verdragen, men moet nooit enig iemand minachten noch moet men zich identificeren met dit materiële lichaam of wrok koesteren jegens wie dan ook. (35) Ik biedt Hem mijn eerbetuigingen, de Allerhoogste Persoonlijkheid S'rî Krishna, wiens macht nimmer overschaduwd wordt en op wiens lotusvoeten mediterend ik mij deze verzameling van wijsheden [samhitâ] heb eigen gemaakt '."

(35) S'rî S'aunaka zei: "Alstublieft, zeg ons dit: hoe spraken Paila en de andere hoogst intelligente discipelen van Vyâsa die het vedische gezag vormen, over de Veda's en hoe verdeelden ze ze?"

(37) Sûta zei: "O brahmaan, binnen in het hart van heer Brahmâ, het meest verheven levende wezen, werd, samengesteld uit geest het functioneren van de oren stoppend, het subtiele bovenzinnelijke geluid [van ta-pa, 2.9: 6] waargenomen dat oprees vanuit de ether [zie ook s'abda]. (38) Door het aanbidden ervan, o brahmaan, zuiveren yogî's uit het hart de besmetting weg die bekend staat als de substantie, de handeling en de doener [**] en bereiken ze het vrij zijn van herboren worden. (39) Daarvan vond de drieledige omkâra zijn bestaan welke, ongezien van invloed zich manifesterend, de representatie vormt van de Opperheer [bhagavân], van de Absolute Waarheid [brahman] en van de Superziel [paramâtmâ, zie ook 1.2: 11, B.G. 7: 8]. (40-41) Hij [het Allerhoogste Zelf] verneemt dit ongemanifesteerde, subtiele geluid met [zelfs] de gehoorzin slapend en de macht van het zien afwezig; daarvan wordt, zich ontwikkelend vanuit de ziel en zich manifesterend in de ether, alles wat vedisch gezegd wordt voortgebracht. Van het uit zichzelf voortkomende brahman en het paramâtmâ is dit de rechtstreekse uitdrukking, het is het eeuwige zaad van de Veda's dat het geheim vormt van alle mantra's [zie ook 7.15: 31, 9.14: 48, 11.14: 34-35, 11.21: 36-40]. (42) O eminentie van Bhrigu, inderdaad daarvan vonden de drie klanken [A, U en M] van het alfabet beginnende met de A hun bestaan, die de drievoudige aspecten schragen van het materiële bestaan van de guna's, de namen [van de drie Veda's], de doelen [de drie soorten van loka's] en de staten van bewustzijn [avasthâtraya]. (43) De machtige ongeboren heer [Brahmâ] schiep er de verschillende geluiden uit van de gehele verzameling van klinkers, sisklanken, semi-vocalen, en medeklinkers zoals men ze kent in hun lange en korte maten. (44) Met hen schiep hij, de almachtige, naar zijn omkâra tezamen met zijn vyâhriti aanheffingen [van de namen van de zeven loka's], uit zijn vier monden de vier Veda's naar zijn bedoeling de vier offerplechtigheden onder woorden te brengen [zie ritvik]. (45) Hij onderwees ze aan zijn zoons, de grote rishi's onder de brahmanen die hoogst bedreven zijn in de kunst van de vedische recitatie, en zij op hun beurt gaven ze door aan hun eigen zoons als hun leraren van het dharma [âcârya's]. (46) Zo werden ze gedurende al de vier yuga's de een na de ander, generatie op generatie [in paramparâ] ontvangen door de discipelen standvastig in hun geloften en toen aan het einde van dvâpara-yuga opgedeeld door de vooraanstaande wijzen. (47) Met de waarneming dat van kâla minder intelligent en korter van levensduur [de mensen] hun kracht was afgenomen, deelden de belangrijkste wijzen, geïnspireerd door de Onfeilbare Heer die Zich in hun harten bevindt, de Veda's op [zie ook 1.4: 16-18]. (48-49) O brahmaan, in deze periode [van Manu], verzochten de heersers over de werelden - Brahmâ en S'iva en anderen - de Allerhoogste Heer, de Beschermer van het Universum, de principes van de religie te beschermen. De Heer als een deel [Vishnu] nederdalend verscheen toen als een deel van Zijn volkomen expansie [Sankarshana], in de schoot van Satyavatî als de zoon [genaamd Krishna Dvaipâyana Vyâsa] van Parâs'ara om de Veda in vieren op te splitsen. (50) Hij, deelde net als met het sorteren van juwelen de verzameling van mantra's op voorziend in de vier specifieke categorieën van verzamelingen [of samhitâ's]: de Rig, Atharva, Yajur en Sâma Veda [zie Veda's]. (51) Aan de hand van hen riep hij, de hoogst intelligente en machtige wijze, de een na de ander vier van zijn leerlingen bij zich om aan ieder van hen een verzameling over te dragen, o brahmaan. (52-53) Hij onderrichtte Paila de eerste verzameling [de Rig Veda] die hij de Bahvrica noemde ['vele verzen'], voor Vais'ampâyana sprak hij de verzameling van de Yajur mantra's uit en die noemde hij Nigada ['het gereciteerde'], de Sâma mantra's genaamd Chandoga ['de zanger van het metrum'] leerde hij Jaimini, en de mantra's naar de namen van Atharva en Angirâ vertrouwde hij zijn geliefde leerling Sumantu toe [zie ook 4.21: 22]. (54-56) Paila sprak zijn samhitâ [in tweeën gedeeld] voor Indrapramiti en Bâshkala en de laatstgenoemde gaf ze verder door, zijn verzameling in vieren delend, o zoon van Bhrigu [S'aunaka], aan zijn discipelen Bodhya, Yâjñavalkya, Parâs'ara en Agnimitra. Indrapramiti, zelf-beheerst, onderwees zijn verzameling aan de geschoolde ziener [zijn zoon] Mândûkeya, wiens discipel Devamitra ze onderrichtte aan Saubhari en anderen. (57) S'âkalya, zijn zoon, verdeelde zijn verzameling in vijf delen die hij gaf aan Vâtsya, Mudgala, S'âlîya, Gokhalya en S'is'ira. (58) De wijze Jâtûkarnya, ook een leerling van hem [S'âkalya], voegde aan de collectie die hij ontving een woordenlijst toe toen hij hem doorgaf aan Balâka, [een tweede] Paila, Jâbâla en Viraja. (59) Bâshkali [de zoon van Bâshkala] stelde uit al de verschillende afdelingen [van de Rigveda] de verzameling genaamd de Vâlakhilya-samhitâ samen welke aldus daarop werd aangenomen door [de daitya zonen] Vâlâyani, Bhajya en Kâs'âra. (60) Op deze manier werden de verzamelingen van deze vele verzen door deze brahmaanse rishi's in overtuiging [van erfopvolging] hoog gehouden; als men verneemt over de verdeling van deze heilige verzen raakt men bevrijd van alle zonden.

(61) De leerlingen van Vais'ampâyana ontwikkelden zich tot autoriteiten in de Atharva Veda en staan bekend als de Caraka's ['de gezworenen'] omdat ze zich hielden aan strikte geloften om af te doen met de zonde van hun goeroe van het doden van een brahmaan. (62) Yâjñavalkya, een van zijn discipelen, had in dezen gezegd: 'O meester, wat is nu de waarde van de pogingen van deze zwakke makkers? Ik zal een hoogst moeilijke boetedoening volbrengen!'

(63) Aldus aangesproken werd zijn geestelijk leraar kwaad en zei: 'Ga weg, genoeg heb ik van dat beledigen van de geschoolden; geef nu meteen alles op wat je van me geleerd hebt!'

(64-65) De zoon van Devarâta hoestte toen de verzamelde Yajur mantra's op en vertrok van daar. De wijzen die begeertig keken naar deze Yajur mantra's, raapten ze, veranderend in patrijzen, op; aldus raakten deze gedeelten van de Yayur-veda bekend als de allerprachtigste Taittirîya-samhitâ ['de patrijzen-verzameling']. (66) O brahmaan, Yâjñavalkya, die daarop naar aanvullende mantra's zocht die zelfs zijn geestelijk leraar niet bekend waren, droeg met zorg gebeden op aan de machtige beheerser die de zon is.

(67) S'rî Yâjñavalkya zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de Hoogste Persoonlijkheid van God die, verschijnend als de zon, in de vorm van de Superziel aanwezig is [als de Beheerser] in de vorm van de Tijd in de harten van de vier soorten van levende wezens vanaf Brahmâ tot aan de grassprieten [als geboren uit eieren, baarmoeders, vocht en zaad, zie ook 2.10 37-40]. Op dezelfde manier dat de hemel niet wordt gedekt door materiële aanduidingen ['wolken'] brengt U in Uw eentje met de stroom der jaren bestaande uit de kleine fragmenten van de kshana's, lava's en nimesha's [zie 3.11: 7] de handhaving van dit universum op door het wegnemen en weer retourneren van het water [in de vorm van regen]. (68) O Heer van de Zon, o Stralende, o Beste onder de Ontwaakten, met de regels van de heilige traditie mediteer ik dagelijks op de [drie] keerpunten van de dag met volle aandacht op de gloeiende bol van U, de machtige beheerser, die van al diegenen die gebeden opdragen alle zonden verbrandt, het lijden als gevolg ervan en datgene wat er toe leidde [zie ook 11.14: 35 en de Gâyatrî]. (69) U bent in deze wereld inderdaad de Heer die verblijft in de harten van de bewegende en niet-bewegende levende wezens die afhankelijk zijn van de toevlucht die U bent die de niet-levende materie van de geest, de zinnen en de verschillende vitale luchten [de vâyu's] tot leven wekt. (70) U, hoogst grootmoedig en alleen, genadevol Uw blik werpend doet, met de macht van het zien, de slapende geesten opstaan van deze wereld die, gegrepen en verzwolgen door de schrikwekkende mond van de python gekend als de duisternis, voor dood in het onbewuste viel; naar het begin, halverwege en aan het eind van de dag betrekt U zo, dag na dag, opdat de ziel wordt gevonden, de vromen in het uiteindelijke goed dat bekend staat als hun persoonlijke plichtsbetrachting en aard van dienst [svadharma]. (71) Gelijk een aardse koning reist U overal rond angst opwekkend bij de onheiligen, terwijl de godheden die de windrichtingen beheersen van verschillende kanten lotusbloemen vasthouden en met gevouwen handpalmen hun eer betuigen. (72) Aldus benader ik, in het verlangen naar yajur-mantra's die niet bekend zijn bij anderen, met aanbidding inderdaad Uw twee lotusvoeten, o Heer, die worden vereerd door de geestelijk leraren van de drie werelden [de loka's, en zie 5.23: 8]'."

(73) Sûta zei: "Hij, de Allerhoogste Heer van de Zon tevredengesteld, presenteerde met het aannemen van de gedaante van een paard, de yajur-mantra's nimmer door enige andere sterveling gekend aan de wijze [zie ook 5.18: 6]. (74) Met de honderden yajur-mantra's voorzag de machtige wijze in vijftien afdelingen en aangenomen door de discipelen Kânva en Mâdhyandina staan zij, voortgebracht uit de manen van het paard, aldus bekend als Vâjaseneyi. (75) Van Jaimini Rishi, de reciteerder van de Sâma Veda, was er een zoon Sumantu zowel als zijn kleinzoon Sutvân; voor ieder van hen sprak hij een van de twee delen van de verzameling. (76-77) Sukarmâ, een andere leerling en groot denker [van Jaimini], verdeelde de drie van de Sâma-veda in een duizendtal verzamelingen van sâma-mantra's waarna, o brahmaan, de twee discipelen Hiranyanâbha, de zoon van Kus'ala, en Paushyañji plus een andere, Âvantya, ver gevorderd in het spirituele inzicht, de zorg op zich namen voor de sâma-mantra's. (78) Er waren in totaal vijfhonderd discipelen van Paushyañji en Âvantya die de Sâma Veda zangers van het noorden worden genoemd, als ook daarvan verschillend [in latere tijden, enkelen van hen] als de oostelijke zangers. (79) Andere leerlingen van Paushyañji, namelijk Laugâkshi, Mângali, Kulya, Kus'îda en Kukshi, namen ieder een honderdtal verzamelingen van mantra's op zich. (80) Krita, de discipel van Hiranyanâbha, sprak vierentwintig samhitâ's voor zijn leerlingen; de resterende samhitâ's werden gesproken door de zelfverwerkelijkte wijze Âvantya.

Voetnoten:

* Het S'rîmad Bhâgavatam staat ook bekend onder de naam 'Paramahamsa Samhitâ': de verzameling van verhalen over de Allerhoogste Zwaangelijke Heer.

**: De substantie, de handeling en de doener als onzuiverheden worden begrepen als manifestaties van de tot ego inspirerende geaardheden van de onwetendheid van de inerte materie, de hartstocht van de beweging en de goedheid van de kennis, ookwel bekend als de adhibhautika hindernis van het lichaam, de adhyâtmika hindernis van de organen van handelen en de adhidaivika hindernis van de waarnemende zinnen [zie kles'a].

   

 

Hoofdstuk 7

De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

(1) S'rî Sûta zei: "Sumantu Rishi, de deskundige van de Atharva Veda onderrichtte zoals u weet [zie 6.52-53], deze verzameling aan zijn leerling [genaamd Kabandha], die [die in tweeën delend] zich erin verheugde hem uit te spreken voor Pathya en Vedadars'a. (2) Alstublieft luister: S'auklâyani, Brahmabali, Modosha en Pippalâyani, de discipelen van Vedadars'a en de discipelen van Pathya, mijn beste brahmaan, Kumuda, S'unaka en Jâjali, waren allen eveneens autoriteiten op het gebied van de Atharva Veda. (3) Babhru en Saindhavâyana, discipelen van S'unaka ['hij uit de lijn van Angirâ'], namen toen op dezelfde manier kennis van twee samhitâ's en zo deden dat andere discipelen met Sâvarna voorop [weer van hen]. (4) Met Nakshatrakalpa, S'ântikalpa als ook Kas'yapa en Ângirasa behorend tot deze âcârya's van de Atharva Veda, verneem nu, o wijze, over de autoriteiten van de purâna's.

(5) Trayyâruni, Kas'yapa, Sâvarni, Akritavrana, Vais'ampâyana en Hârîta - dezen zijn feitelijk de zes meesters van de purâna's. (6) Zij namen kennis van de verzameling uit de mond van Vyâsa's leerling, mijn vader [Romaharshana], en ik, als een discipel van ieder van hen één gedeelte lerend, raakte goed onderlegd in hen allemaal. (7) Kas'yapa, ik, Sâvarni en Akritavrana, die een leerling is van Râma [van de Bhârgava's ofwel Pâras'urâma, zie ook 10.74: 7-9], hebben zich door de leerling van Vyâsa vier basisverzamelingen eigen maakt. (8) O brahmaan, verneem alstublieft met aandacht over de kenmerken van een purâna, welke in overeenstemming met de vedische geschriften door de brahmaanse zieners zich beroepend op de intelligentie zijn vastgesteld. (9-10) De schepping [van dit universum, sarga], de daaropvolgende schepping [van verschillende werelden en wezens, visarga], de handhaving [het onderhoud, de vritti of sthâna] en bescherming [de rakshâ of poshana van de levende wezens], de tijdperken van heersen [van de verschillende Manu's], de dynastieën [vams'as], de vertellingen over hen [vams'a-anucaritam], de vernietiging [van verschillende aard, pralaya of samsthâ], de motivatie [van het individuele of hetu] en de allerhoogste toevlucht [van de Fortuinlijke of apâs'raya], o brahmaan, vormen de tien onderwerpen van een purâna zoals begrepen door de autoriteiten op dit gebied; sommigen stellen dat in verhouding tot de grotere, de minder grote purâna's handelen over vijf onderwerpen [zie ook S'uka hierover 2.10.1-7 en *].

(11) Schepping [sarga] is wat het genereren wordt genoemd uit de oerstaat waarvan, door de verstoring door de geaardheden, de kosmische intelligentie wordt opgewekt waarvan de identificatie met de materie zich opwierp als verdeeld in drie aspecten [of soorten van wezens naar de geaardheden], welke verder manifesteerde als de subtiele vormen van waarnemen, de zintuigen en de waargenomen voorwerpen [formatie door de conditionering van en identificatie met Tijd, vergelijk 2.10: 3].

(12) De tweede schepping [visarga] is het samenstel bestaande uit de voor de bewegende en niet-bewegende levende wezens specifieke eigenschappen [de vâsana's], de geneigdheden die, bij genade van de Oorspronkelijke Persoon [purusha], op dezelfde manier worden voortgebracht als zaad dat meer zaad voortbrengt.

(13) Het onderhoud [vritti] is het zich door de bewegende wezens in leven houden met de niet-bewegende, danwel, meer specifiek menselijk, het handelen terwille van het levensonderhoud in overeenstemming met de persoonlijke aard waarin men inderdaad ofwel leeft naar zijn lust danwel volgens de regels.

(14) Rakshâ [of bescherming] is er met de incarnaties van de Onfeilbare, die tijdperk na tijdperk aanwezig is onder de dieren, de stervelingen, de zieners en de halfgoden; door hen worden de vijanden van de drievoudige Veda gedood [zie ook B.G. 4: 7].

(15) Naar ieder tijdperk van heersen van een Manu is er het zesvoudige van de Heer: de Manu, de halfgoden, de zoons van de Manu, de verschillende beheersers der verlichte zielen [de Indra's], de zieners [of rishi's], en de gedeeltelijke incarnaties [de Heer Zijn ams'a-avatâra's].

(16) Dynastieën [vams'as] stammend van Brahmâ strekken zich uit in het drievoudige van de tijd [trikâlika] als series van koningen, en hun geschiedenissen [vams'a-anucaritam] beschrijven de handelingen van de vooraanstaande leden in opeenvolging.

(17) De incidentele, elementaire, voortdurende en uiteindelijke vernietiging van Zijn vermogen heeft betrekking op het oplossen in vier aspecten van dit universum aldus door de geleerden beschreven [als samsthâ of pralaya, zie ook 12.4].

(18) Het motief [hetu] van de schepping [sarga] en zo voorts van dit alles, is de individuele levende ziel [jîva], die uit onwetendheid degene is die baatzuchtige handelingen verricht [karma]; of verschillend daarvan spreken anderen van de ongemanifesteerde onderliggende persoonlijkheid.

(19) God als de allerhoogste toevlucht [apâs'raya] is er, los staand en verbonden, in het waken, het slapen en de droomloze slaap, in de zaken voorgespiegeld door de begoochelende energie en in de functies van de individualiteit. (20) Precies zoals de grondsubstantie van materiële voorwerpen verbonden is met, zowel als los staat van, hun enkele bestaan als dingen die namen en vorm hebben, is het [met God] zo, door de verscheidene fasen van een lichamelijk bestaan heen, van het zaad in het begin tot de vijf elementen [waarnaar men terugkeert] op het eind [vergelijk 8.6: 10]. (21) Uit zichzelf of door yogabeoefening, kan het denken stoppen in relatie tot de drievoudige staat [vritti-traya]; men kent dan, afziend van materieel ondernemen, de Opperziel [zie ook 3.25: 32-33].

(22) Op deze manier onderscheiden door hun kenmerken zijn er, zo zeggen de wijzen die deskundig zijn in de antieke verhalen, achttien grote en [achttien] kleine purâna's [van 9000 tot aan 81.000 verzen, zie ook upa-purâna]. (23-24) Zij staan bekend als de drie keer zes purâna's [naar iedere guna-avatâra] genaamd Brahmâ, Padma, Vishnu, S'iva, Linga, Garuda, Nârada, Bhâgavata, Agni, Skanda, Bhavishya, Brahma-vaivarta, Mârkandeya, Vâmana, Varâha, Matsya, Kûrma en Brahmânda [zie purâna's]. (25) Volledig, o brahmaan, beschreef ik u deze toewijding in afdelingen van de wijze [Vyâsadeva], zijn discipelen en de discipelen van zijn discipelen, welke het spiritueel vermogen [van de luisteraar] doet groeien."

Voetnoot:

*Het vedische vers (Amarkhasa) naar deze secundaire status van een purâna zegt: sargas' ca pratisargas' ca vams'o manvantarâni ca vams'ânucaritam ceti purânam pañca-lakshanam; "Schepping, secundaire schepping, de dynastieën van de koningen, hun handelingen en de regeerperioden van de Manu's zijn de vijf kenmerken van een Purâna."

S'rîla Jîva Gosvâmî heeft hierbij duidelijk gemaakt dat de tien belangrijkste onderwerpen van het S'rîmad-Bhâgavatam terug te vinden zijn in ieder van de tien Canto's. Men moet niet proberen ieder van de tien toe te wijzen tot één canto apart. Noch moet het S'rîmad-Bhâgavatam kunstmatig worden uitgelegd om te bewijzen dat het in opeenvolging die onderwerpen behandelt. Het is eenvoudigweg zo dat alle aspecten van kennis belangrijk voor menselijke wezens, samengevat in de tien categorieën hierboven vermeld, worden besproken met wisselende graden van nadruk en analyse door het hele S'rîmad-Bhâgavatam heen [pp. 12.7: 9-10].

 

Hoofdstuk 8

Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

(1) S'rî S'aunaka zei: "O Sûta, moge u lang leven, o heilige man; o beste der sprekers, spreekt u alstublieft tot ons, want u bent voor de mensen die in de eindeloze duisternis ronddolen de ziener van het tegendeel. (2-5) Mensen zeggen dat de zoon van Mrikandu, de ziener [genaamd Mârkandeya], met een buitengewoon lange levensduur daadwerkelijk de enige was die overbleef bij het eindigen van de kalpa dat dit gehele universum omvatte. Hij, de meest vooraanstaande afstammeling van Bhrigu, werd deze kalpa feitelijk geboren in mijn eigen familie en we hebben in ons tijdperk tot nu toe nog geen grote zondvloed die de hele schepping omvat zien plaats vinden. Geheel alleen in deze grote oceaan ronddolend zag hij, zo zegt men, slechts één enkele, wonderbaarlijke persoonlijkheid, een baby jongetje, dat lag in de vouw van een banyan-blad. Hierover verkeren wij in grote twijfel; alstublieft, o yogî die door iedereen beschouwd wordt als zijnde de grootste met betrekking tot de purâna's, maak voor ons die er zo begerig naar uitzien hier een einde aan."

(6) Sûta zei: "O grote wijze, deze vraag van u neemt de lichtzinnigheid weg van de ganse wereld daar ze voert tot de bespreking van het verhaal van Nârâyana dat het vuil van Kali-yuga wegneemt. (7-11) Mârkandeya die, ordelijk de vedische lofzangen samen met de religieuze verplichtingen bestuderend, van zijn vader de wedergeboorte-initiatie rituelen had ontvangen, was volkomen in zijn verzakingen en studies. Zich aan de grote gelofte houdend [zie yama] droeg hij vredig met samengeklit haar en met boombast als zijn kleren de waterpot, de bedelstaf, de heilige draad en de gordel van het celibaat. Met het vel van een zwart hert en gebedskralen van lotuszaden aanbad hij voor het heil van zijn geregelde praktijk [zie niyama] bij de overgangen van de dag tot de Heer in de gedaante van het vuur, de zon, de goeroe, de geschoolden en de Allerhoogste Ziel. 's Ochtends en 's avonds bracht hij met zijn stem onder controle dat wat hij had ingezameld met bedelen naar zijn geestelijk leraar en at hij mee ertoe uitgenodigd of vastte hij indien dat niet zo was [zie ook 7.12; 5 en 7.14: 17]. Toen hij op deze manier van boete en studie voor een eindeloos aantal [miljoenen] jaren van aanbidding was geweest voor de Meester der Zinnen, had hij overwonnen wat onmogelijk te overwinnen was: de dood. (12) Brahmâ, Bhrigu, S'iva, Daksha, de zoons van Brahmâ en de andere menselijke wezens, de halfgoden, de voorvaderen en de geesten raakten allen zeer verbaasd daarover. (13) Met het op deze manier middels zijn verzakingen, recitaties en zinsbeteugeling standhouden met de grote gelofte, mediteerde de yogî op de Heer in het Voorbije en ontdeed hij met zijn geest inwaarts gekeerd zich van alle hindernissen. (14) Met het aldus met het grote van de yoga concentreren van zijn geest, verstreek de enorme tijdspanne van zes manvantara's [van 71 mahâyuga's ieder]. (15) In de zevende periode van Manu raakte Purandara [Indra] die had vernomen van de verzakingen bevreesd, o brahmaan, en besloot hij hem te dwarsbomen. (16) Hij stuurde hemelse zangers en dansmeisjes, Cupido, het lenteseizoen, de [naar sandelhout geurende] Malaya-bries, het kind van de hartstocht en het kind van de bedwelming op de wijze af. (17) O machtige, zij begaven zich aldus naar zijn hermitage aan de noordzijde gelegen van de Himâlaya's alwaar men de rivier de Pushpabhadrâ aantreft en de bergpiek genaamd Citrâ. (18-20) De goede plek van de âs'rama waar vele tweemaal geboren zielen waren gekomen om er te leven, werd omlijst door fijn geboomte en klimplanten en kende overal bekkens vol van kristalhelder water. Zoemend van de doldwaze bijen was het er druk van allerlei vogelfamilies - opgewonden roepende koekoeken en druk dansende, trotse pauwen. De winden die er woeien voerden de verkoelende mistdruppels met zich mee van de watervallen en vormden, omarmd door de bekoring der bloemen, een uitnodiging voor de god van de liefde. (21) Met de maan die in de nacht rijzend zijn gezicht toonde, deed zich daar de lente voor in reeksen van nieuwe spruiten en bloesems met de veelvoud aan klimplanten die innig verstrengeld waren met de bomen. (22) Gevolgd door groepen zingende en muziekinstrumenten bespelende gandharva's, liet de god van de liefde, de meester van hordes van hemelse vrouwen, zich daar zien met zijn boog en zijn pijlen in zijn hand. (23) De dienaren van Indra troffen op die plek hem daar aan die, met het gebracht hebben van zijn offers, met gesloten ogen neerzat in meditatie zo onoverwinnelijk als het vuur zelve. (24) De vrouwen dansten recht voor hem en de zangers van de hemel zongen en maakten muziek met trommels, cimbalen en vînâ's. (25) Terwijl de dienaren van Indra, het kind van de lente en het kind van de begeerte poogden de geest van de wijze in beroering te krijgen, legde de vijfkoppige Cupido (naar het zien, het horen, het ruiken, het voelen en het proeven) een pijl aan op zijn boog. (26-27) Uit het haar van Puñjikasthalî [een Apsara] die met haar middel zwaar overhangen door haar geweldige borsten aan het spelen was met een aantal ballen, vielen de bloemen uit hun haarvlecht. Achter de ballen aanhollend, met haar ogen van links naar rechts schietend, gleed de gordel van haar dunne kleed los en tilde de wind de fijne stof van haar kledingstuk op [zie ook 3.20: 35-36, 3.22: 17, 5.2: 14, 8.12: 17-24]. (28) Cupido, denkend dat hij hem verslagen had, schoot toen zijn pijl weg, maar dit alles gericht op de wijze bleek zo nutteloos als de pogingen van een ongelovige. (29) O wijze, op deze manier trachtend de wijze in verlegenheid te brengen, voelden ze hoe ze zich zelf brandden aan zijn vermogen en dus zagen ze er, als kinderen die een slang hadden uitgelokt, van af. (30) O brahmaan, hoewel de volgelingen van Indra de grote muni grof hadden verstoord, gaf hij niet in het minst toe aan de sentimenten van het ego, hetgeen in het geheel niet zo verrassend is voor grote zielen.

(31) Ziend en horend hoe onder de invloed van de brahmaanse ziener Kâmadeva samen met zijn metgezellen machteloos bleken, verviel de machtige koning van de hemel in een grote verwondering. (32) Met zijn op die manier zich concentreren van zijn geest in verzaking, recitatie en ingetogenheid manifesteerde de Allerhoogste Heer Zichzelf om als Nara-Nârâyana van genade te zijn. (33-34) Van Hen twee was de ene blank en de andere zwart; Hun ogen waren als bloeiende lotussen, van Hun armen waren er vier, Hun kleding bestond uit zwart hertenvel en uit boombast, Hun handen allerzuiverst, droegen een waterpot en een rechte staf van bamboe, en Hun heilige draad bestond er uit drie. Met gebedskralen van lotuszaden die alle menselijke wezens zuiveren en met de Veda's [in de vorm van bundels darbha] representeerden zij, aanbeden door de belangrijkste halfgoden, gloedvol geel van kleur en lang van stuk stralend van het licht, de verzaking. (35) Hen ziend, Nara en Nârâyana, voorwaar de persoonlijke manifestaties van de Hoogste Persoonlijkheid van God, stond hij op om met het grootste respect zijn eer te betonen en zich plat voorover te werpen. (36) Hij was, omdat hij Hen te zien kreeg, gelukkig in zijn hele lijf, geest en zinnen met de haren op zijn lichaam recht overeind, en kon, met de tranen die zijn ogen vulden, zijn blik niet op Hen vestigen. (37) Deemoedig met gevouwen handen sprak hij begerig als hij was Hen te omarmen verstikt aldus tot de twee Heren de lettergrepen 'na-ma-ha, na-ma-ha' (mijn eerbetuigingen, mijn eerbetuigingen). (38) Met het Hen bieden van zitplaatsen, het wassen van Hun voeten en insmeren met sandelhout en andere geurige substanties, was hij van aanbidding met wierook en bloemenslingers. (39) Comfortabel gezeten op Hun zitplaatsen klaar om Hun genade te betonen sprak hij, opnieuw voor Hun voeten neerbuigend, het volgende tot de Hoogst Aanbiddelijke Persoonlijkheden.

(40) S'rî Mârkandeya zei: 'O Almachtige hoe kan ik U onder woorden brengen door Wie werkelijk van alle belichaamde levende wezens zowel als van Brahmâ, S'iva als van mijzelf de lucht van ademen in gang wordt gezet en het leven vindt, het spraakvermogen daarop volgt en door Wie de geest en de zinnen in werking treden; niettemin wordt U voor degenen die van aanbidding zijn een liefdevolle vriend. (41) Deze persoonlijke gedaante van de Fortuinlijke, o Opperheer, toont U voor het uiteindelijke heil van het beëindigen van de materiële ellende en het overwinnen van de dood; en net zoals U, voor de bescherming op verschillende manieren andere bovenzinnelijke lichamen manifesteert, verzwelgt U als U eenmaal dit universum hebt geschapen, net als een spin, het in zijn geheel weer. (42) Van Hem de Beschermer, de Allerhoogste Beheerser van hen die zich bewegen en die zich niet bewegen, wordt degene die zich bevindt aan Zijn voetzolen nimmer geraakt door de emoties van karma, guna en kâla; het is voor U inderdaad voor wie de wijzen met de Veda in hun hart zich ieder moment ter verering en meditatie in lof neerbuigen, zodat ze mogen reiken tot. (43) Niets anders dan het bereiken van Uw voeten, de eigenlijke vorm van de bevrijding, brengt de persoon, die van alle kanten te vrezen heeft o Heer, zijn heil; we weten dat Brahmâ, wiens tijd twee parârdha's beslaat, op grond hiervan hoogst bevreesd is, bang vanwege de Tijd die U bent - en wat te zeggen van de wereldse levensvormen door hem geschapen? [zie 10.13: 56] (44) Dus verzaak ik om die reden deze overdekking van het zelf, het materiële lichaam en alles erbij dat tijdelijk, enkel voor een ogenblik herinnerd, niet-essentieel zijnde zo betekenisloos is, en ben ik van aanbidding voor de voetzolen van U, de Intelligentie van het Werkelijke en de Meester van de Ziel die de Absolute Waarheid bent en van Wie men alles krijgt wat men zich maar kan wensen. (45) O Heer, o Vriend van de Ziel, alhoewel de voortbrengselen van Uw begoochelende vermogen bekend onder de namen sattva, rajas en tamas, er voor de doelstellingen van de handhaving, vernietiging en schepping van dit universum zijn als [Uw] vermaak, is het de [sattvische] goedheid die [met U] voortbestaat voor de bevrijding en niet de andere twee welke de mens gevaar, verbijstering en angst bezorgen [zie ook guna-avatâra's en 10.89: 18]. (46) Omdat de onbevreesdheid, het geluk van de ziel en de geestelijke wereld worden bereikt via de geaardheid der goedheid beschouwen de sâtvata's dat en nimmer enige andere [geaardheid] als de vorm van de Oorspronkelijke Persoon; en om die reden aanbidden de geestelijke autoriteiten in deze wereld de transcendentale persoonlijke gedaante [Vishnu] van U, en de gedaante van degenen met enkel U voor ogen [de vaishnava's], als zijnde het dierbaarst, o Allerhoogste Heer [zie ook 1.2: 26]. (47) Hij, de Allesdoordringende, Alomvattende Manifestatie en Meester van het Universum, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, bied ik mijn eerbetuigingen, daar Hij de hoogst aanbiddelijke godheid Nârâyana is, de wijze die de beste der mensen die, als de meester van de vedische geschriften met Zijn spraak onder controle, zich bevindt in volmaakte zuiverheid [zie hamsa]. (48) Hij inderdaad die, misleid door de begoochelende sluier over zijn ogen, afgeleid raakt in zijn intelligentie over de Aanwezigheid in zijn eigen zinnen, zijn hart en zelfs de voorwerpen waargenomen, kan, ook al was zijn begrip oorspronkelijk overdekt door Uw mâyâ, U kennen, de Geestelijk Leraar van Allen, als hij de vedische kennis verwerft. (49) De visie van de Opperziel, het mysterie onthuld door de vedische teksten, is waar de grote geleerden met de Ongeborene [Brahmâ] voorop verbijsterd over raken in hun pogingen om met allerlei filosofieën aan hun manier van leven aan te passen de kwesties die Hem aangaan die het begrip van de [geconditioneerde] geestelijke ziel te boven gaat, Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid die mijn eerbetoon geldt [vergelijk 1.3: 37, 4.31: 11,4.18: 5, 5.6.11, 5.14: 1, 7.15: 58, 11.19: 1, 11.20: 7 en B.G. 16: 23-24].

 

 

 Hoofdstuk 9

Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

(1) S'rî Sûta zei: "De Allerhoogste Heer Nârâyana, de vriend van Nara, op deze manier door Mârkandeya, de intelligente wijze, naar behoren gerespecteerd, sprak voldaan tot de eminente navolger van Bhrigu. (2) De Opperheer zei: 'O genoegen van Mij, u, volmaakt in uw concentratie op de ziel, bent de beste van alle brahmaanse zieners; niet afwijkend in uw toegewijde dienst, verzakingen, recitaties en concentratie bent u gericht op Mij. (3) We zijn geheel tevredengesteld door u met uw vasthouden aan de gelofte van een levenslang celibaat; alstublieft doe een wens naar uw keuze, want Ik ben de Verlener van Alle Zegeningen die u het beste wenst'.

(4) De achtenswaardige rishi zei: 'U, o Heer der Heerscharen, o Onfeilbare, bent zegerijk als de Verdrijver van Al het Leed van de Overgegevene en aan zoveel als de zegening van het hebben mogen aanschouwen van Uw goede Zelf hebben we genoeg. (5) Brahmâ en anderen met een geest gerijpt in de yoga ontvingen allen het zicht op Uw alvermogende lotusvoeten en Hij, U Zelf, bent nu waarneembaar voor onze ogen. (6) Niettemin verlang ik, o Kroonjuweel van de Roem met de Lotusogen, het om getuige te zijn van uw bedrieglijk vermogen waarmee de ganse wereld tezamen met haar leiders de materiële differentiatie van het Absolute voor ogen heeft.' [vergelijk B.G. 11: 3-4]

(7) Sûta zei: 'In deze bewoordingen door de rishi verheerlijkt zei Hij, de Opperheer, tot Zijn tevredenheid aanbeden glimlachend, 'Zo zij het', waarop de Beheerser naar Badarikâs'rama vertrok. (8-9) De rishi die aldus aan dat doel denkend zich enkel in zijn eigen hermitage ophield, mediteerde in iedere omstandigheid op de Heer met al de dingen die hij had - het vuur, de zon, de maan, het water, de aarde, de wind, de bliksem zowel als zijn eigen hart - en aldus van aanbidding vergat hij soms zijn eerbewijzen als hij was verzonken in de vloed van de zuivere liefde van God [prema]. (10) Toen de wijze op een dag, o beste van Bhrigu, met zijn avondritueel bezig was op de oever van de Pushpabhadrâ, o brahmaan, stak er een hevige wind op. (11) Die gaf een verschrikkelijk rumoer gevolgd door het verschijnen van dreigende wolken zo compact als wagenwielen die luid rommelend met blikseminslagen de regen overal in bakken deed neerstromen. (12) Toen verschenen er van alle kanten de vier oceanen die de oppervlakte van de aarde in bezit namen met door de wind hoog opgestuwde golven waarin, gepaard met onheilspellende geluiden, zich angstwekkende draaikolken en verschrikkelijke zeemonsters bevonden. (13) Onthutst werd de wijze bang toen hij zag hoe de aarde onderstroomde en al de vier soorten bewoners van het universum [uit vocht, zaad, embryo's en eieren], met inbegrip van hemzelf, innerlijk en van buiten in hoge nood verkeerden door het water dat hoger dan de hemel steeg, de felle winden en de bliksemschichten. (14) Terwijl hij toekeek werden van de grote oceaan de wateren die aanzwollen door de regen uit de wolken die de ganse aarde met zijn continenten, eilanden en bergen overdekten, door orkanen tot kolken gebracht met angstwekkende golven. (15) Met de drie werelden, de aarde, de ruimte, de hemellichamen en hemelse oorden van alle kanten overstroomd, zwierf de wijze, als de enige die was overgebleven, rond als was hij een persoon blind en zonder verstand, met zijn samengeklitte haar in wanorde. (16) In de greep van de honger en de dorst, aangevallen door monsterachtige krokodillen en walvis-eters en geplaagd door de winden doolde hij, gekweld door de golven, en overmand door vermoeidheid niet meer wetend in welke richting van de hemel of de aarde hij zich begaf, door het eindeloze duister waarin hij was beland. (17-18) Soms verdrinkend in een grote draaikolk en dan weer gegeseld door de golven dreigde hij somtijds te worden verslonden door de monsters die dan weer elkaar aanvielen, en ervoer hij in nood soms hoe hij ziek was en pijn leed met depressies bij gelegenheid en hij op andere ogenblikken verbijsterd was, ellendig was, een gelukkig moment had of doodsangsten uitstond. (19) Talloze en talloze, honderden en duizenden jaren verstreken dat hij met zijn geest in beslag genomen ronddoolde in die mâyâ, die begoochelende materiële energie van Vishnu. (20) Op een keer, toen hij daar zo rondzwierf, zag de tweemaal geborene op een hoger gelegen stukje aarde een jonge banyanboom prachtig met vruchten en bloesems. (21) Op een tak van die boom in de richting van het noordoosten zag hij bovendien een baby jongetje liggen in de vouw van een blad dat de duisternis met zijn uitstraling opslokte [zie ook 3.33: 4]. (22-25) Verbaasd dronk die koning onder de geleerden met zijn ogen de aanblik in van Zijn huidskleur zo donkerblauw als een geweldige edelsteen, Zijn mooie lotusgezichtje, Zijn als een schelphoorn gestreepte nek, Zijn brede borst, fijne neusje en prachtige wenkbrauwtjes; Zijn mooie haartjes die meetrilden met Zijn ademhaling, Zijn fraaie schelpvormige oortjes die op de bloemen van een granaatappel leken, Zijn lippen van koraal die met hun gloed Zijn nectargelijke glimlach ietwat rood kleurden; Zijn aangezicht met een bekoorlijke glimlach met Zijn ooghoeken zo roze als de werveling van een lotus, de door Zijn ademen bewogen plooien in Zijn buikje ingedeukt door de op een generfd blad lijkende diepe navel, en ... zag hij hoe het kindje met de genadige vingertjes van Zijn twee handjes een van Zijn lotusvoetjes beetgreep en die in Zijn mondje stak [*]. (26) Toen hij het zag was zijn matheid bij toverslag verdwenen en spreidden zich uit vreugde de lotus van zijn hart en zijn lotusogen wijd open. Verward over de identiteit van de wonderlijke verschijning naderde hij met zijn haren recht overeind, het kindje recht van voren om navraag te doen. (27) Juist op dat moment werd met het ademen van de baby de man van Bhrigu als een mug in Zijn lichaam gezogen en stond hij stomverbaasd versteld toen hij vanuit die positie het ganse universum zag zoals het voorheen was geweest. (28-29) Hij aanschouwde het ganse uitspansel van al de sterren, de bergen en de oceanen, en de richtingen van de grote eilanden en de continenten; hij zag de verlichte en onverlichte zielen, de bossen, de landen, de rivieren, steden en mijnen; de boerengehuchten, de weilanden en de verschillende bezigheden van de varnâs'rama samenleving. Hij aanschouwde de basiselementen van de natuur en al hun grofstoffelijke manifestaties, als ook de Tijd zelve van de verschillende yuga's en kalpa's en elk ander materieel voorwerp van nut in het universum dat, als was het echt, was gemanifesteerd. (30) Toen hij van het universum de Himâlaya's bekeek, de Pushpabhadrâ-rivier en zijn hermitage waar hij de rishi's had ontmoet [Nara en Nârâyana], werd hij met het ademen van de baby opnieuw naar buiten geworpen om terug te vallen in de oceaan der vernietiging. (31-32) Op het hogere stuk grond in het water waar de banyan groeide, was er daar, liggend in de vouw van zijn blad, het kind weer, dat met een nectargelijke blik vol liefde hem aankeek vanuit Zijn ooghoeken. Met het via zijn ogen plaatsen van die baby in zijn hart rende hij hogelijkst opgewonden om de Heer van het Voorbije in zijn armen te sluiten. (33) Op dat ogenblik werd Hij, de Allerhoogste Heer, die rechtstreeks de Oorspronkelijke van de Yoga is verborgen in het hart van alle levende wezens, plotsklaps onzichtbaar voor de rishi, op dezelfde manier als dat wat een incompetente persoon heeft vervaardigd er plotseling in faalt van dienst te zijn. (34) O brahmaan, Hem volgend verdwenen daarop de banyan en de wateren der vernietiging van de wereld, en trof hij zichzelf het volgende moment, als voorheen, recht voor zijn eigen âs'rama aan."

Voetnoot:

* Het kindje dat Zijn voetje in Zijn mondje stak werd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura geïnterpreteerd als zijnde de Heer die