Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

 

CANTO 12: Het Tijdperk van Verval

 

Inleiding

Hoofdstuk 1 Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

Hoofdstuk 2 Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

Hoofdstuk 3 Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

Hoofdstuk 4 Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

Hoofdstuk 5 De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

Hoofdstuk 6 Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

Hoofdstuk 7 De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

Hoofdstuk 8 Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

Hoofdstuk 9 Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

Hoofdstuk 10 S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

Hoofdstuk 11 Vishnu's Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

Hoofdstuk 12 De Onderwerpen van het S'rîmad Bhâgavatam Samengevat

Hoofdstuk 13 De Heerlijkheden van het S'rîmad Bhâgavatam

 

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt in zowel India, Amerika als Europa. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie der verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L. Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 17 april 2012.




 

Hoofdstuk 1: Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

(0) S'rî Parîkchit zei: 'Alstublieft o wijze, kan u me vertellen wiens dynastie over de aarde heerste nadat Krishna, het juweel van de Yadu-dynastie, was vertrokken naar Zijn hemelverblijf?' [*]

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Als laatste nazaat van Brihadratha in de toekomst [zie 9.22: 49] werd Purañjaya genoemd [niet die in 9.6: 12]. Zijn minister S'unaka zal zijn meester vermoorden om zijn eigen zoon genaamd Pradyota [historisch: Bimbisâra] tot koning uit te roepen. Zijn zoon Pâlaka zal Vis'âkhayûpa als zijn zoon hebben en Râjaka zal hem opvolgen. (3) Zijn zoon zal Nandivardhana zijn. Deze vijf Pradyotana-koningen zullen de aarde honderdachtendertig jaar genieten. (4) Dan zal S'is'unâga geboorte nemen en zal Kâkavarna zijn zoon zijn, van wiens zoon Kshemadharmâ, Kshetrajña zal worden geboren. (5) De zoon Vidhisâra [van Kshetrajña], zal Ajâtas'atru op de wereld zetten en Darbhaka, zijn zoon, zal Ajaya als zijn opvolger hebben. (6-8) Van Ajaya zal er [een andere] Nandivardhana zijn wiens zoon Mahânandi is. Deze tien S'is'unâga-koningen o beste van de Kuru's, zullen in het Kali-tijdperk driehonderdzestig jaar over de aarde heersen. O Koning, de zoon van Mahânandi, een zekere Nanda, zal zijn geboorte nemen uit de schoot van een vrouw uit de arbeidersklasse en zal, als een machtige heerser over miljoenen, de vernietiging van de heersende klasse vormen. De koningen zullen goddeloos worden en niet beter zijn dan s'ûdra's. (9) Hij [Mahâpadmânanda], die heerser over miljoenen, zal als een tweede Paras'urâma de ganse aarde onder één bewind brengen en een onbetwiste autoriteit vormen [zie 9.15 & 16]. (10) Van hem zullen acht zoons met Sumâlya voorop ter wereld komen en honderd jaar lang als koningen deze aarde genieten. (11) Een zekere brahmaan [genaamd Cânakya] die het vertrouwen geniet van de negen Nanda's zal hen omverwerpen, waarna als zij verdwenen zijn de Maurya's in Kali-yuga over de aarde zullen heersen [**]. (12) De brahmaan zal Candragupta op de troon zetten en zijn zoon Vârisâra zal op zijn beurt weer door As'okavardhana worden opgevolgd. (13) Suyas'â [Dasaratha Maurya] zal door hem ter wereld komen, Sangata [Samprati], zijn zoon, zal S'âlis'ûka ter wereld brengen van wie er vervolgens de zoon Somas'armâ [Devavarman] zal zijn die aan de wieg zal staan van S'atadhanvâ uit wiens lendenen Brihadratha zijn geboorte zal nemen. (14) Deze tien Maurya-koningen o voortreffelijke held van de Kuru-dynastie, zullen in Kali-yuga voor de duur van honderdzevenendertig jaar over de aarde heersen. (15-17) Van Agnimitra [de zoon van de eerste S'unga koning genaamd Pushpamitra, een generaal die Brihadratha zal vermoorden] zal Sujyeshthha [Vasujyeshtha] het levenslicht zien die de vader zal zijn van Vasumitra wiens zoon Bhadraka [Andhraka] zal worden opgevolgd door Pulinda [Pulindaka]. Zijn zoon Ghosha zal een zoon krijgen genaamd Vajramitra. Zijn zoon Bhâgavata [Bhagabhadra] zal Devabhûti verwekken o eminente Kuru. Deze tien S'unga-koningen zullen de aarde meer dan honderd [109] jaar genieten. Daarna zal de aarde geregeerd worden door de Kânva-dynastie arm aan kwaliteiten, o heerser der mensen. (18) Vasudeva, een hoogst intelligente minister van de Kânva-familie, zal [met de hulp van een slavin] de wellustige S'unga-koning Devabhûti doden en dan zelf het bestuur op zich nemen. (19) Zijn zoon zal Bhûmitra zijn en zijn zoon Nârâyana. Deze Kânva-koningen zullen in Kali-yuga nog weer driehonderdvijfenveertig jaar over de aarde heersen. (20) Een diep gezonken man van lage afkomst van het Andhra-ras genaamd Balî, zal als een bediende Sus'armâ doden, de [laatste] Kânva-koning en enige tijd over de aarde heersen. (21-26) Zijn broer genaamd Krishna, zal de volgende heerser over de aarde zijn. Zijn zoon  S'ântakarna, zal Paurnamâsa als opvolger hebben. Diens zoon Lambodara, zal de koning Cibilaka verwekken. Door Cibilaka zal Meghasvâti ter wereld komen die op zijn beurt Athamâna verwekt, die wordt opgevolgd door Anishthakarmâ. Hâleya, zijn zoon, zal Talaka verwekken wiens zoon Purîshabhîru dan Sunandana zal krijgen die de volgende koning zal zijn. Cakora [zijn zoon] zal worden opgevolgd door de acht Bahu's, van wie S'ivasvâti een grote onderwerper van de vijand zal zijn. Van Gomatî, zijn zoon, zal Purîmân ter wereld komen wiens zoon Medas'irâ zal heten. S'ivaskanda uit zijn lendenen geboren zal Yajñas'rî als zijn zoon hebben en zijn nakomeling Vijaya zal de zoons Candravijña en Lomadhi krijgen. Deze dertig koningen zullen vierhonderdvijfenzestig jaar over de wereld heersen o zoon van de Kuru's [***]. (27) Uit de stad Avabhriti zullen dan zeven Âbhîra-koningen volgen, tien Gardabhî's en zestien Kanka-koningen, aardse heersers die zeer inhalig zullen zijn. (28) Vervolgens zullen er acht Yavana's zijn, veertien Turushka's en verder nog tien Gurunda's en elf koningen van de Maula-dynastie. (29-31) De elf Maula's zullen driehonderd jaar heersen nadat deze [voorgaande drie dynastieën] duizendnegenennegentig jaar over de aarde hebben geheerst mijn beste. Als zij allemaal dood en begraven zijn zullen in de stad Kilakilâ de koningen Bhûtananda, Vangiri, S'is'unandi, zijn broer Yas'onandi en dan Pravîraka honderdzes jaar regeren. (32-33) Van hen [de Kilakilâ's] zullen er dertien zoons zijn genaamd de Bâhlika's. Daarna zullen de koningen Pushpamitra, zijn zoon Durmitra, alsook zeven Andhra's, zeven Kaus'ala's en de koningen van Vidûra en Nishadha tegelijkertijd heersen [over verschillende gebieden]. (34) Voor de provincie Mâgadha zal er een koning genaamd Vis'vasphûrji aan de macht komen, die als een andere Purañjaya de mensen van alle klassen zal veranderen in inferieure Pulinda's, Yadu's en Madraka's [onbeschaafde mensen, mensen van een lager allooi, zie *4]. (35) Deze onintelligente koning, die vanuit de beschutting van de stad Padmavatî van de bron van de Ganges tot aan Prayâga over de aarde zal heersen, zal zich ten opzichte van de burgers overwegend gedragen in strijd met de brahmaanse orde en de machtige klasse der kshatriya's te gronde richten. (36) De tweemaal geboren zielen levend in de provincies S'aurâshthra, Avantî, Âbhîra, S'ûra, Arbuda en Mâlava zullen [te dien tijde] van hun geloften vallen terwijl zij die de vooraanstaande posities bekleden onder de mensen [de koningen] niet beter zullen zijn dan s'ûdra's. (37) De landen aan de rivier de Sindhu, zowel als de districten Candrabhâgâ, Kauntî en Kâs'mîra, zullen worden geregeerd door onbeschaafde lieden [mleccha's], s'ûdra's en anderen die, geestkracht missend, afwijken van de standaard.

(38) O Koning, deze doorgaans onbeschaafde, aardse zorgdragers [politici] die, tegelijkertijd heersend, zich wijden aan goddeloze en onrealistische praktijken zullen, [wedijverend om de heerschappij] met een heetgebakerd gemoed hun burgers weinig vrijheid gunnen [in economisch opzicht]. (39) Ze richten de levens van vrouwen, kinderen, koeien en intellectuelen te gronde en smachten naar geld en de vrouwen van andere mannen. Tekortschietend in kracht hebben ze doorgaans korte, instabiele carrières van slagen en mislukken en leiden ze korte levens. Niet ingewijd en verstoken van regulerende beginselen zullen deze barbaren die zich gedragen als koningen, in de greep van onwetendheid en hartstocht, als het ware de burgers verslinden. (40) De mensen in de steden zullen in navolging van het karakter, gedrag en de manier van spreken van deze lieden, geplaagd door die heersers en door elkaar, aldus ten onder gaan [in oorlogen, economische rampspoed en natuurrampen, zie ook kles'a, Kali-yuga en B.G. 16: 6-12].'

*: De paramparâ van ISKCON liet deze eerste regel van de vragenstellende Parîkchit weg, waar andere bronnen zoals S'astri C.L. Gosvâmî dit hoofdstuk er wel mee beginnen.

**: De paramparâ voegt toe: 'De grote historische vertelling het S'rîmad Bhâgavatam, welke begint met de gebeurtenissen voorafgaande aan de kosmische manifestatie, strekt zich nu uit tot in het domein van de moderne geschreven geschiedenis. Moderne geschiedkundigen erkennen zowel de Maurya dynastie als Candragupta, de koning vermeld in het volgende vers.' [p.p. 12.1.11]

***: Volgens een academische vertaler van het Bhâgavatam, Ganesh Vasudeo Tagare [1989, Morilal Banarsidass], zou deze periode in de geschiedenis zich afspelen kort voor de aanvang van de Christelijke jaartelling. Met het analyseren van deze tekst met betrekking tot historische bronnen concludeert hij eveneens, stellend dat er vele discrepanties zijn met de culturele [gemanipuleerde?] verslagen, dat historisch gezien de Kânva-dynastie slechts voor vijfenveertig jaar zou hebben geheerst van 75 tot 30 B.C., en niet voor de driehonderdvijfenveertig jaar zoals de Sanskriet tekst hier stelt. Volgens hem zou dit deel van het Bhâgavatam van een latere datum zijn en bestaan uit een allegaartje van historische kennis uit de tweede hand, hetgeen een stellingname is aangevochten door de paramparâ natuurlijk, daar het waarschijnlijker is dat men zich vergist in de strijdigheid van het wereldse belang dan in de harmonie van het bewustzijn gemotiveerd door een spirituele discipline.

*4: De totale tijdspanne van de generaties die hier behandeld zijn van de eerste Purañjaya af aan tot aan de laatste in de lijn van het verval van Kali-yuga, zou zich zo hebben uitgestrekt van ongeveer 2000 v. Chr. tot ongeveer de twaalfde eeuw n. Chr.

 




Hoofdstuk 2: Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

(1) S'rî S'uka zei: 'En dan o Koning, zullen onder de sterke invloed van de tijd [van Kali-yuga] religiositeit, waarheidliefde, reinheid tolerantie en genade alsook levensduur, lichaamskracht en geheugen dag na dag afnemen [zie ook 1.16]. (2) Onder de mensen in het Kali-tijdperk zal weelde alles zijn wat men bereikt met een goede geboorte, goed gedrag en goede kwaliteiten, terwijl materiële macht de enige factor zal zijn die bepaalt wat rechtvaardig en redelijk is. (3) Relaties tussen mannen en vrouwen zullen gebaseerd zijn op zinsgenoegen, zakelijk zal misleiding de boventoon voeren, mannelijkheid en vrouwelijkheid zijn er voor de seksuele aantrekking en een heilige draad is genoeg om voor geleerd door te gaan. (4) Enkel uiterlijke kenmerken bepalen iemands geestelijke positie en vormen de basis voor onderlinge uitwisselingen, door een gebrek aan middelen is men minder geloofwaardig en geleerdheid bestaat uit gegoochel met woorden. (5) Armoede betekent eenvoudig een gebrek aan deugd en hypocrisie en misleiding maken uit wat deugdzaam is, mondelinge overeenkomst volstaat voor een huwelijk en een bad nemen is genoeg om aan de dag te beginnen. (6) Een heilige plaats is niets meer dan een waterbekken ergens ver weg, schoonheid hangt af van je kapsel, het doel van het leven bestaat eruit je maag te vullen, brutaliteit gaat door voor eerlijkheid, als men een gezin kan onderhouden is men een deskundige en men houdt zich aan religieuze beginselen terwille van een goede naam. (7) Met de aarde vol van burgers die aldus zijn gecorrumpeerd, zal een ieder die de sterkste is onder de intellectuelen, bestuurders, kooplieden en werkende klasse, tot koning worden uitgeroepen. (8) De burgers wiens vrouwen en eigendommen worden weggestolen door een genadeloze, hebzuchtige heersende klasse die zich gedraagt als een stel ordinaire dieven, zullen de bergen en de wouden in vluchten. (9) Lijdend onder droogten, hongersnoden en belastingen raken ze geruïneerd en houden ze zich in leven met bladeren, wortelen, vlees, honing, vruchten, bloemen en zaden [zie ook 1.16: 20, 4.20: 14, 4.21: 24, B.G. 3: 14]. (10) Geplaagd door koude, wind, hitte, regen en sneeuw alsook door ruzies, honger, dorst en ziekten, gaan ze gebukt onder veel leed en zorgen. (11) De maximale levensduur voor menselijke wezens in Kali-yuga zal vijftig jaar bedragen. (12-16) Als de lichamen van alle levende wezens door de besmetting van Kali-yuga in verval verkeren, het plichtsbesef van de leden van alle statusoriëntaties is verloren gegaan, als de Vedische weg voor alle mensen is veranderd in een overwegend atheïstische plichtsopvatting, als de koningen hoofdzakelijk uit dieven bestaan en de mensen van verschillende beroepen misdadig, leugenachtig en van onnodig geweld zijn [m.n. jegens dieren], als de maatschappelijke klassen vrijwel allemaal op betaalde arbeid gericht zijn, de koeien niet meer waard zijn dan geiten, de geestelijke toevluchtsoorden nauwelijks verschillen van materialistische huishoudens, de familiebanden niet verder reiken dan de banden van het huwelijk, als de planten en kruiden overwegend klein van formaat zijn en alle bomen als s'amî-bomen zijn, als het altijd bliksemt in de wolken en in de huizen de eenzaamheid regeert [het onpersoonlijke en de filosofie van de leegte, zie Pranâti], als Kali-yuga op zijn einde loopt en de mensen zich als ezels gedragen, zal de Opperheer nederdalen in de geaardheid der zuivere goedheid om het dharma veilig te stellen.

(17) De geestelijk leraar van al de bewegende en de niet bewegende  levende wezens, Heer Vishnu, de Hoogste Persoonlijkheid en Heerser over Allen, neemt Zijn geboorte voor de bescherming van de religie en om een einde te maken aan het karma van de deugdzame zielen. (18) In de plaats S'ambhala zal Heer Kalki verschijnen in het huis van de grote ziel, de eminente brahmaan Vishnuyas'â ['de glorie van Vishnu']. (19-20) Zijn snelle paard Devadatta bestijgend, zal de Heer van het Universum uitgerust met Zijn zwaard, bovenzinnelijke eigenschappen en acht mystieke volheden [siddhi's], de onverlaten onderwerpen. In grote vaart over de aarde rondbewegend op zijn paard zal Hij, ongeëvenaard in Zijn schittering, de dieven die zich uitdossen als koningen neersabelen. (21) Als de rovers zijn gedood, zullen de geesten van al de stedelingen en plattelanders ophelderen die in aanraking zijn gekomen met de bries die de hoogst gewijde geur meevoert van het [met sandelhoutpasta] opgesierde lichaam van Heer Vâsudeva. (22) Als Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, Zich in de bovenzinnelijke gedaante van Zijn goedheid in hun harten bevindt, zal de productie van nageslacht overvloedig zijn. (23) Nadat de Allerhoogste Heer Kalki, de Heer en Meester van het Dharma, is geïncarneerd zal Satya-yuga zijn aanvang nemen en nageslacht in de geaardheid goedheid worden voortgebracht [zie yuga]. (24) Op het moment dat de zon en de maan samen met Jupiter [Bhrihaspatî] in hetzelfde sterrenteken [Karkatha ofwel Kreeft] in het maanhuis Tishyâ komen te staan [d.w.z. Pushyâ, 3° 20´ tot 16° 40´ zie zodiak], zal [Krita- of] Satya-yuga beginnen.

(25) Ik heb kort al de verleden, huidige en toekomstige koningen beschreven behorend tot de dynastieën van de zon en de maan [zie ook vams'a]. (26) Van de geboorte van uw goede zelf tot aan de kroning van koning Nanda [zie 12.1: 12] zullen elfhonderdvijftig jaren verstrijken [*]. (27-28) Op de [noordwest] lijn tussen de twee sterren  [Pulaha en Kratu] die men als eerste ziet rijzen in het sterrenbeeld der zeven wijzen [Ursa Major, de Grote Beer], ziet men in de nachtelijke hemel hun [heersende] maanhuis. De wijzen [de sterren] in dat maanhuis zullen er voor een honderdtal menselijke jaren mee verbonden blijven. Nu, in uw tijd, bevinden ze zich in de nakshatra genaamd Maghâ. (29) Toen Vishnu de Opperheer, de zon die bekend staat als Krishna, weer terugkeerde naar de hemel, ging deze wereld het Kali-tijdperk binnen waarin de mensen behagen scheppen in zonde. (30) Zolang Hij, de Echtgenoot van Ramâ, de aarde beroerde met Zijn lotusvoeten, kon Kali zich niet op aarde doen gelden. (31) Kali-yuga begint op het tijdstip dat [het sterrenbeeld van] de zeven goddelijke wijzen Maghâ ingaan [ingaat]. Dat tijdperk beslaat twaalfhonderd [goden-]jaren [ofwel 432.000 menselijke jaren, zie ook kâla]. (32) Als de zeven wijzen van Maghâ doorlopen naar het maanhuis Pûrvâsâdhâ, zal dit Kali-tijdperk zijn volle wasdom bereiken beginnend met de tijd van koning [Mahâpadma] Nanda en zijn nageslacht. (33) De geschiedkundigen zeggen dat het Kali-tijdperk begon op dezelfde dag dat S'rî Krishna naar de geestelijke wereld vertrok. (34) Aan het einde van de duizend hemelse jaren van het vierde [Kali-]tijdperk, zal Satya-yuga weer opnieuw beginnen, de tijd dat de geesten van de mensen zelfverlicht zullen zijn.

(35) Aldus werd deze dynastie van [Vaivasvata] Manu opgesomd zoals die bekend is op aarde. De posities van de geleerden, de handelaren en de arbeiders in ieder tijdperk kunnen op dezelfde manier worden begrepen. (36) Van deze persoonlijkheden, deze grote zielen, herinnert men zich alleen maar hun namen; alles wat er van hun roem overblijft op deze aarde zijn hun verhalen. (37) Devâpi, de broer van S'ântanu [9.22: 12-17] en Maru [9.12: 5-6] geboren in de Ikshvâku dynastie, zijn begiftigd met grote mystieke macht en leven beide [vandaag nog] in Kalâpa. (38) Aan het einde van het Kali-tijdperk zullen ze terugkeren naar de menselijke samenleving en het varnâs'rama-dharma uitdragen zoals dat vroeger was, zich baserend op de instructies die ze ontvingen van Vâsudeva [Krishna]. (39) De vier tijdperken van Krita [Satya], Tretâ, Dvâpara en Kali die de levende wezens in deze wereld doorlopen, herhalen zich telkens weer opnieuw in deze volgorde [zie ook mahâyuga]. (40) O Koning, deze koningen, deze goden onder de mensen en de anderen die ik beschreef, die op aarde verschijnend hun bezitsdrang uitoefenen, moeten uiteindelijk allemaal deze wereld opgeven en hun ondergang onder ogen zien. (41) Ook al draagt iemands lichaam de naam van koning is het niettemin voorbestemd te worden gekend als ontlasting, wormen of as. Terwille van dat lichaam stond hij andere levende wezens naar het leven en eindigt hij daarom in de hel. Wat weet zo iemand nu van zijn eigenbelang [vergelijk 6.18: 25, 7.15: 37, 10.10: 10, 10.51: 50]? (42) [Een koning kan denken:] 'Hoe kan deze zelfde wereld zoals beheerst door mijn voorgangers en nu onder mijn controle, in handen blijven van mijn zoon, kleinzoon en andere nakomelingen?' (43) Als men dit lichaam dat bestaat uit aarde, water en vuur aanvaardt met een idee van 'ik' en als men tegen deze aarde 'mijn' zegt, schiet men tekort in intelligentie, want uiteindelijk moet men met het bereiken van zijn eigen afwezigheid zowel dit lichaam als deze aarde opgeven [zie ook 4.9: 34-35]. (44) O Koning, van alles wat koningen met hun macht ook genieten in de wereld laat de Tijd niets meer over dan wat verslagen en verhalen [vergelijk met 2.9: 33, 5.19: 28, 11.19: 16, 11.28: 21].'

*: Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat de Candragupta die na Nanda door Cânakya op de troon werd gezet een andere Candragupta moet zijn geweest dan degene waarvan beweerd wordt dat hij 1500 jaar later Alexander de Grote versloeg in de vierde eeuw voor Chr. De paramparâ voegt hier wat betreft de discrepantie van zo'n drie eeuwen verder nog aan toe: 'Hoewel S'ukadeva Gosvâmî voorheen ongeveer vijftienhonderd jaar aan koninklijke dynastieën heeft beschreven, wordt begrepen dat er sprake is van enige overlapping tussen de koningen onderling.'

 




Hoofdstuk 3: Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de aarde zag hoe druk de koningen ermee bezig waren haar te veroveren, lachte ze en zei: 'Ach, zie hoe deze koningen, deze speeltjes van de dood, mij wensen te veroveren! (2) Deze lust van de heersers der mensen en zelfs van de wijzen, is gedoemd te mislukken; die koningen vertrouwen geheel op een aardklomp die te vergelijken is met een waterbubbel.' (3-4) 'Laten we eerst de zesvoud [van de zinnen en de geest] de baas zijn, dan zullen we de ministers onderwerpen die de leiding hebben en dan verslaan we de adviseurs, de burgers, de vrienden, de olifantenhoeders en de doornen [het boeventuig]. Zo zullen we stap voor stap de aarde veroveren met inbegrip van haar gordel van zeeën', maar zo denkend met hun harten gevangen in verwachtingen, realiseren ze zich niet de eindigheid van hun bestaan [vergelijk B.G 16: 13-18]. (5) Nadat ze de landen aan zee hebben veroverd bevaren ze, met al hun macht, de zeeën. Wat voor zin heeft een dergelijke overwinning van het zelf? Spirituele bevrijding is de vrucht van de zelfoverwinning!

(6) De Manu's en hun zonen o zoon van de Kuru's, gaven het allemaal op [over mij] te heersen en vertrokken [naar het woud] zoals ze kwamen, maar zij die tekortschieten in intelligentie proberen mij te veroveren middels oorlogsvoering. (7) Vanwege mij ontstaat er tussen materialistische personen een conflict tussen vaders en zoons en tussen broeders, want hun harten worden geregeerd door het hebben van macht. (8) Zich voor mij inspannend en zeggend 'Dit hele land is van mij en niet van jou jij dwaas', ruziën de heersers met elkaar, doden ze en worden ze gedood [vergelijk b.v. 2.5: 13, 2.7: 42, 4.29: 5, 5.5: 8, 6.16: 41, 7.8: 7-10, 9.4: 2-12]. (9-13) Prithu, Purûravâ, Gâdhi, Nahusha, Bharata, Kârtavîryârjuna, Mândhâtâ, Sagara, Râma [*], Khathvânga, Dhundhuhâ [ofwel] Kuvalayâs'va [9.6: 23-24], Raghu [9.10: 1], Trinabindu [9.2: 30], Yayâti, S'aryâti [9.3: 1], S'antanu [9.22: 12-13], Gaya [5.15: 6-13], Bhagîratha [9.9: 2-17], Kakutstha [9.6: 12], Naishadha [Nala, 9.9: 16-17,9.23: 20-21, van de nakomelingen van Nishadha, 9.12: 1], Nriga [Nâbhâga, 10.64: 10], Hiranyakas'ipu, Vritra, Râvana die de hele wereld deed weeklagen, Namuci [8.11: 29-49], S'ambara [10.36: 36], Bhauma, Hiranyâksha en Târaka [8.10: 19-24], zowel als vele andere demonen en vorsten die veel macht hadden over anderen, waren stuk voor stuk helden die goed van alles op de hoogte niet te overwinnen waren en allen onderwierpen. Voor mij levend o machtige, gaven ze blijk van een grote bezitsdrang maar, omdat ze in de greep van de Tijd onderworpen waren aan de dood, bereikten ze niet hun doel; er bleven alleen maar historische verhandelingen van hen over [zie ook B.G. 4: 7].

(14) [S'uka ging verder:] Deze verhalen die ik u vertelde over grote koningen wiens roem zich in al de werelden verspreidde en die weer vertrokken, drukken niet het hoogste levensdoel uit o machtige. Ze vormen niet meer dan een weldaad aan woorden [een decor] om uit te kunnen weiden over verzaking en wijsheid. (15) Het is meer het herhaaldelijk bespreken en bezingen van de kwaliteiten van de Heer Geprezen in de Verzen, dat een einde maakt aan alles wat ongunstig is. Hij die Heer Krishna's zuivere toegewijde dienst wenst moet dit [omgang zoeken] daarom regelmatig doen en telkens weer [over Hem] vernemen.'

(16) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Welke methoden, mijn Heer, staan de mensen levend in Kali-yuga ter beschikking om de fouten die zich als gevolg van dat tijdperk ophopen te bestrijden? Alstublieft leg me uit hoe het zit. (17) Hoe zit het met de yuga's, de plichten die bij hen horen, de tijd die ze beslaan en wanneer ze eindigen, alsook de Tijd zelf die de beweging van de Meester vertegenwoordigt, van Heer Vishnu, de Opperziel [zie ook tijdcitaten-pagina].'

(18) S'rî S'uka zei: 'De religie van de mensen in Satya-yuga o Koning, wordt door de mensen van die tijd gehandhaafd met al haar vier poten, de machtige poten van waarheid [satya], mededogen [dayâ], boete [tapas] en liefdadigheid [dâna, of ook wel s'auca, zuivering [**], vergelijk 1.17: 24, 3.11: 21 en zie niyama]. (19) De [hamsa-]mensen [van dat tijdperk] zijn tevreden, genadig, vriendelijk, vreedzaam, zelfbeheerst, tolerant, innerlijk voldaan, gelijkgezind en overwegend ascetisch [zie ook 3.13: 35 en 11.17: 10]. (20) In Tretâ-yuga gaat geleidelijk aan een kwart van [de kracht van ieder van] de poten van het dharma verloren als gevolg van de poten van het adharma ofwel de goddeloosheid: onwaarheid, gewelddadigheid, ontevredenheid en onenigheid [vergelijk 1.17: 25]. (21) Gedurende dat tijdperk zijn de mensen van toewijding met rituelen en boetedoeningen, zonder een overmaat aan geweld of lustige verlangens. Gedijend in hun achting voor de drie Veda's volgen ze de drie wegen [van het reguleren van de religie, de economie en de zinsbevrediging] terwijl de vier klassen overwegend brahmaans georiënteerd zijn o Koning. (22) De dharmische kwaliteiten van verzaking, mededogen, waarheidliefde en liefdadigheid zijn in Dvâpara-yuga teruggedrongen tot de helft [van hun kracht] vanwege de adharmische kenmerken van geweld, misnoegen, leugens en hatelijkheid. (23) Men is [in dat tijdperk] van een hoog moreel gehalte, men houdt van glorie en van Vedische studie. Men is vermogend met grote families en vreugdevol, waarbij van de vier klassen de brahmanen en edelen in aantal overwegen. (24) Door de voortdurende toename van de principes der goddeloosheid, nemen in Kali-yuga de poten van de religiositeit verder af tot een kwart [van hun sterkte, vergelijk 1.17: 25] tot ze uiteindelijk zijn vernietigd. (25) In die tijd zullen de mensen hebzuchtig zijn, ongemanierd, weinig mededogend, geneigd tot zinloos geruzie, onfortuinlijk en geobsedeerd door materiële verlangens terwijl de mensen overwegend zullen bestaan uit arbeiders en minder beschaafde lieden. (26) De kwaliteiten der goedheid, hartstocht en onwetendheid die men aldus [afhankelijk van het tijdperk] waarneemt bij een persoon, wisselen - onder de druk van de [werking der] Tijd - in de geest van samenstelling [***]. (27) De tijd waarin de geest, de intelligentie en de zinnen floreren in de geaardheid goedheid, moet worden begrepen als Satya-yuga, het tijdperk waarin men behagen schept in kennis en verzaking. (28) O man van intelligentie, als de geconditioneerde zielen toegewijd tot hun plicht er nevenmotieven op nahouden en op hun eer uit zijn, moet een dergelijk overwegen van de hartstocht worden beschouwd als het Tretâ-tijdperk. (29) Als begeerte en ongenoegen, valse trots, afgunst en hypocrisie overal de dienst uitmaken en de handelingen worden beheerst door zelfzucht, spreekt men van Dvâpara-yuga, het tijdperk van de hartstocht en onwetendheid.

(30) Kali-yuga staat bekend als het tijdperk der onwetendheid, waarin er sprake is van misleiding, valse getuigenis, luiheid en lethargie, geweld, neerslachtigheid, gejammer, begoocheling, angst en armoede. (31) Als gevolg daarvan zullen de stervelingen kortzichtig zijn, onfortuinlijk, te veel eten, wellustig zijn, gebrek lijden en zullen de vrouwen naar eigen inzicht handelen en onkuis zijn. (32) In de bevolkte gebieden zullen onbeschaafde lieden hoge posities innemen [en zich gedragen als dieven], valse doctrines [ketters] zullen afbreuk doen aan de Vedische geschriften, de politieke leiders zullen de mensen voor zich opeisen [ze 'verslinden'] en de tweemaal geboren zielen zullen hun magen en geslachtsdelen zijn toegewijd. (33) De jongeren [de studenten] zullen zich niet storen aan geloften en onzuiver bezig zijn, de huishouders zullen [met wat ze claimen] zich als bedelaars gedragen, de teruggetrokken zielen [van middelbare leeftijd, zonder een vrije natuur om zich in terug te trekken] zullen in de steden wonen en de wereldverzakende orde zal zich begeertig inspannen voor weelde [aan 'reli-business' doen]. (34) Kleiner van postuur, vraatzuchtig en met vele kinderen aan hun rokken [zullen de vrouwen] hun bedeesdheid hebben afgeschud, zich voortdurend ongevoelig uitlaten met een grote brutaliteit en zo bedrieglijk zijn als dieven. (35) De kooplieden zullen vol van bedrog zijn zodat hun zakelijke overeenkomsten doortrapt zullen zijn terwijl de mensen onnodig ieder verachtelijk beroep [zoals in de seksindustrie en het gokwezen] als een goede baan beschouwen. (36) Dienaren zullen een meester in de steek laten die zijn weelde verloor - zelfs al is hij de beste die er is, meesters zullen een gehandicapte dienaar in de steek laten - zelfs als hij al generaties lang bij de familie hoorde, en men ontdoet zich van koeien [en doodt ze] als ze ophouden melk te geven. (37) Beheerst  door vrouwen zijn de mannen in Kali-yuga er ellendig aan toe en keren ze zich af van hun vaders, broers, vrienden en verwanten, terwijl ze regelmatig omgang hebben met hun zwagers en schoonzussen in een idee van vriendschap gebaseerd op seksueel genoegen. (38) Werklustigen uitgedost als bedelmonniken van verzaking, zullen religieuze liefdadigheid accepteren om aan de kost te komen en op een hoge zetel klimmen om te spreken over religieuze zaken zonder enige kennis van de beginselen van het dharma. (39-40) Met hun geesten voortdurend vol stress, uitgemergeld door hongersnood en belastingen in tijden van schaarste met droogten die de aarde teisteren, zullen de mensen in Kali-yuga worden geplaagd door talloze zorgen en in angst leven. Met een tekort aan kleding, voedsel, drinken, rust, seksuele liefde [vyavâya, ook wel 'verandering' genaamd], zich baden en persoonlijke sieraden zullen ze lijken op geestverschijningen. (41) In het Kali-tijdperk wordt men zelfs al vijanden vanwege een enkele rooie cent [5.14 en 5.14: 26], wijst men vriendschappelijke relaties af, doodt men zichzelf [suïcide] en doodt men zelfs familieleden [huiselijk geweld]. (42) Enkel uit op het armzalige dienen van de maag en de geslachtsdelen zal men, zelfs als men uit een fatsoenlijke familie afkomstig is, niet de bejaarde ouders, de echtgenote en de kinderen beschermen. (43) O Koning, met hun geest afgeleid door atheïsme zullen de stervelingen in Kali-yuga doorgaans niet de Onfeilbare aanbidden, de Persoonlijkheid van God die de Allerhoogste Geestelijk Leraar is van de drie werelden aan wiens voeten de verschillende meesters zich verbuigen. (44) In Kali-yuga zijn de mensen niet van aanbidding voor Hem, ook al is Hij degene door wie een persoon, die op sterven ligt en in zijn leed instortend met een haperende stem hulpeloos Zijn naam herhaalt, bevrijd raakt van de ketenen van het karma en de hoogste bestemming bereikt [zie ook B.G. 8: 10 en 6.2]. (45) De voorwerpen [en het voedsel], de plaatsen en de individuele aard der mensen zijn als gevolg van Kali-yuga allen besmet [verziekt, vol van fouten], maar als men Bhagavân, de Allerhoogste Persoon in zijn hart toelaat, neemt Hij al die onzuiverheid weg.

(46) Van mensen die zelfs maar hoorden, de lof bezongen, mediteerden, baden tot of de Opperheer verheerlijkten, wordt het ongeluk dat zich van duizenden geboorten in hun harten ophoopte weggezuiverd. (47) Net zoals de verkleuring die men als gevolg van andere metalen aantreft in goud teniet wordt gedaan door vuur, worden van yogabeoefenaren de onzuiverheden van de geest teniet gedaan als Heer Vishnu in hun hart is gekomen. (48) Scholing, boete, het beheersen van de adem, vriendschap, het baden in heilige wateren, geloften, liefdadigheid en het bidden met een bidsnoer realiseren niet zo volledig de zuivering van de geest als  de aanwezigheid van Hem, de Onbegrensde Persoonlijkheid van God, in het hart. (49) O Koning, doe daarom uw uiterste best Heer Kes'ava in uw hart een plaats te geven; als u sterft [hier na deze week], zal u met uw aandacht op Hem gericht de hoogste bestemming bereiken. (50) De Persoonlijkheid van God, de Opperheer, de Ziel en Toevlucht van Iedereen, zal hen die op sterven liggen en op Hem mediteren, naar hun ware identiteit leiden mijn beste. (51) In de oceaan van de fouten van Kali-yuga o Koning, bestaat er gelukkig één heel goede kwaliteit: door enkel het bezingen van [en mediteren op] Krishna['s naam, zie bhajans] kan men bevrijd raken van de materiële gebondenheid en de zaligheid bereiken [zie ook bhâgavata dharma en kîrtana]. (52) Hetzelfde resultaat dat men in Satya-yuga bereikt door te mediteren op Vishnu, dat men in Tretâ-yuga bereikt door te aanbidden met offerplechtigheden en dat men in Dvâpara-yuga bereikt door het dienen van de lotusvoeten [van Hem in de gedaante van een koning], bereikt men in Kali-yuga door het bezingen van [en mediteren op de namen van] de Heer [zie ook 11.5: 38-40].'

*: Volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, en zoals bevestigd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura, is de koning Râma hier vermeld niet de incarnatie van God Râmacandra. Dit wordt ondersteund door het M.W. woordenboek dat melding maakt van de halfgod Varuna, schrijvers, leraren en andere grote persoonlijkheden met die naam. Waarschijnlijk wordt Bhârgava bedoeld, die ook wel bekend staat als Us'anâ, die hoogst machtig een dynastie vormde afstammend van de wijzen Bhrigu en Mârkandeya [zie 9.16: 32 en 4.1: 45].

**: In het M.W. woordenboek worden drie betekenissen gegeven voor het woord dâna: 1. doneren, het doen van schenkingen 2. delen of communiceren en 3. zuivering. De laatste betekenis bevestigt het gebruik van de term s'auca in het Eerste Canto van het S'rîmad-Bhâgavatam als de vierde poot van de stier der religie. Deze alternatieve definitie van het woord dânam wordt bevestigd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura.

***: De paramparâ voegt hier aan toe: 'Het tijdperk in kwestie vertegenwoordigd door de goedheid (Satya), de hartstocht (Tretâ), de hartstocht en onwetendheid (Dvâpara) of de onwetendheid (Kali) is in ieder van de andere tijdperken aanwezig als een subfactor.'

 

 


Hoofdstuk 4: Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

(1) S'rî S'uka zei: 'De tijd beginnend met de kleinste eenheid van het atoom en culminerend in de twee helften [of parârdha's] van het leven van Brahmâ] o Koning, werd beschreven [in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's. Verneem nu over de vernietiging van een kalpa. (2) Duizend cycli van vier yuga's heet een kalpa, een dag van Brahmâ, waarin er veertien oervaders van de mensheid zijn [Manu's] o heerser over de burgers. (3) Als zij zijn afgelopen is er een periode van verval van dezelfde duur die wordt omschreven als de nacht van Brahmâ. Gedurende die tijd zijn de drie werelden onderhevig aan vernietiging. (4) Dit wordt de periodieke vernietiging genoemd [of naimittika pralaya] waarin [Nârâyana] de schepper van het universum zich te ruste legt op Zijn slangenbed Ananta om het universum met inbegrip van Heer Brahmâ in Zich op te nemen. (5) Na het verstrijken van twee parârdha's [de twee helften van het totale leven] van het hoogst geplaatste levende wezen, Heer Brahmâ, zijn de zeven elementen [mahat, ahamkâra en de vijf tanmâtra's] onderhevig aan vernietiging. (6) Deze [gebeurtenis] o Koning, waarmee voor dit universele ei, dit samenstel [van deze zeven universele aspecten], de tijd aanbreekt voor zijn beëindiging en het uiteenvalt, vormt de elementaire [prâkritika] vernietiging. (7) Honderd jaar lang zullen o Koning, de wolken geen regen laten vallen op aarde. De mensen verward door die tijd zullen dan, als gevolg van de honger die ze lijden met het daarop volgende voedselgebrek, [zelfs] elkaar gaan eten en stap voor stap hun ondergang vinden. (8) De zon zal met zijn verschrikkelijke stralen alle vocht van de aarde, de oceaan en de levende lichamen doen verdampen, en niet het geringste [aan neerslag] teruggeven [3.11: 30, 8.5: 35]. (9) Vervolgens zal uit de mond van Heer Sankarshana het vuur der vernietiging ontstaan dat aangewakkerd door de kracht van de wind alle niveau's van bestaan op aarde [en de andere planeten] zal verbranden [3.11: 30, 8.5: 35]. (10) Het ei van het universum zal aan alle kanten brandend met de vlammen van het vuur beneden en de zon erboven, gloeien als een bal koeienmest. (11) Daarna zal er meer dan honderd jaar de verschrikkelijke wind van de uiteindelijke vernietiging waaien [sâmvartaka] en zal de hemel grijs worden van het stof. (12) Samengepakte veelkleurige wolken, beste Koning, zullen het dan honderd jaar lang laten regenen met enorme donderslagen. (13) Het omhulsel van het universum zal dan vollopen en één enkele [kosmische] zee van water vormen. (14) Op het momemt dat het water van de vloed de kwaliteit van de geur wegneemt zal het aarde-element, verstoken van haar geur, zich oplossen [zie ook 3.26: 49-61, 11.3: 9, 11.24: 22-27].

(15-19) Vuur neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar unieke kwaliteit, oplost. Dan volgt het vuur dat door de lucht verstoken raakt van zijn vorm omdat het zijn kwaliteit [van aanraking] wegneemt, waarna de lucht de ether binnengaat die die kwaliteit weer wegneemt. Dan o Koning lost de ether op in het oorspronkelijke element van de natuur [âdi,vals ego in onwetendheid] dat zijn kwaliteit van het geluid wegneemt. Vervolgens worden de zinnen gegrepen door de vitale macht van het universum [tejas of vals ego in hartstocht] mijn beste, terwijl de goden worden geabsorbeerd door de  universele omvorming [vikara, het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie [mahat] grijpt het valse ego met al zijn functies waarna mahat wordt geabsorbeerd door de geaardheden van de natuur van sattva enzovoorts. Deze drie hoedanigheden o Koning worden dan, onder aandrang van de Tijd, overvleugeld door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke ongemanifesteerde gedaante van de natuur]. De oorspronkelijke doener is niet onderhevig aan omvorming in tijdverdelingen [shath-ûrmi] en dergelijke kwaliteiten; niet gemanifesteerd zonder een begin en een einde, is het [of Hij] de onfeilbare eeuwige oorzaak. (20-21) Daarin [in Zijn oerstaat] vindt men niet de spraak, de geest, of de geaardheid goedheid, hartstocht of onwetendheid. Ook de elementen van het grote geheel - de levensadem, de intelligentie, de zinnen en zo meer - treft men er niet aan, noch zijn er daar de goden of de orde van de schikking van de verschillende soorten leefwerelden. Er is daar niet het slapen, het waken of de diepe slaap, geen water, lucht, ether, vuur, aarde of zon. Dat wat is als een leegte of als iemand die diep in slaap is, gaat iedere verklaring te boven en vormt de [oer]substantie die dienst doet als de wortel [de pradhâna], zo stellen de autoriteiten. (22) Dit [deze staat] vormt de [prâkritika pralaya] vernietiging waarin al de materiële elementen van de natuur en de energieën van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon door de Tijd volledig worden ontmanteld en reddeloos samenvloeien.

(23) Het is [niets dan] de spirituele kennis [het bewustzijn, de Absolute Waarheid] wat de basis vormt die zich manifesteert in de vorm van deze elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten. Wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is inessentieel, want het heeft geen bestaan dat los staat van zijn oorzaak [het vormt er slechts een aanduiding van, vergelijk 11.28: 21]. (24) Een lamp, een oog dat waarneemt en de vorm die wordt waargenomen staan niet los van het licht [dat door hen behandeld wordt]. Op dezelfde manier staat de intelligentie, staan de zintuigen en de zintuigelijke waarnemingen ook niet los van de [ene Allerhoogste] werkelijkheid [van de Absolute Waarheid] die compleet anders is [zie ook siddhânta en B.G. 9.15]. (25) Het waken, de slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie horen noemt men daarom een begoocheling van de zinnen [ten opzichte van de vierde staat der meditatie genaamd turîya]. Dit o Koning is de dualiteit die de ziel ervaart [11.13: 27-34]. (26) Net zoals wolken wel en niet in de lucht aanwezig zijn, is evenzo dit ganse universum met de verschillende onderdelen die zich ontwikkelden en verdwenen, wel en niet aanwezig in het Absolute van de Waarheid. (27) De samenstellende oorzaak mijn beste, van welke samengestelde bestaansvorm in deze wereld dan ook, is [waarneembaar als] een werkelijk iets zo wordt gesteld [in de Vedânta-sûtra], precies zoals de draden van een stuk stof los kunnen worden waargenomen van het product dat zij vormen [zie ook 6.3: 12, 11.12: 21]. (28) Wat men ook ervaart als hebbende een algemene oorzaak en een bepaald gevolg, is een vorm van illusie; alles wat een begin heeft en een einde is niet wezenlijk vanwege die onderlinge afhankelijkheid [van oorzaak en gevolg]. (29) Hoewel de veranderlijkheid [van de wereld der verschijnselen of] van zelfs maar één enkel atoom voor ons kenbaar is, kan ze op geen enkele manier worden verklaard  zonder [ - als losstaande van -] het Zelf vanbinnen [van de Tijd, de Heer, de expansie van het universum, de 'vierde dimensie'], want als dat zo zou zijn [als er niet zo'n Zelf zou zijn] zou het, gelijk zijnde aan het bewustzijn, moeten blijven zoals het is. (30) Er kunnen geen verschillende soorten Absolute Waarheid zijn; als een onwetende persoon over het Absolute denkt in termen van tegenstellingen is dat als het hebben van twee hemelen, twee daglichten of twee levensadems. (31) Net zoals goud zich voor mensen voordoet in vele vormen naar gelang het wordt gebruikt, wordt  de Allerhoogste Heer Adhokshaja die zintuiglijk niet te doorgronden is, omschreven in verschillende termen door een wereldse persoon en een persoon van Vedische kennis. (32) Een wolk teweeggebracht door de zon wordt zichtbaar gemaakt door de zon maar houdt duisternis in voor de ogen die een gedeeltelijke expansie van de zon vormen. Zo ook vormt het ego, iemands ik-besef, een kwaliteit van het Absolute zichtbaar gemaakt door het Absolute, maar als een gedeeltelijke expansie van het Absolute houdt dat ego duisternis [valsheid] in voor de individuele ziel die gebonden is aan het materiële zelf. (33) Als een wolk voortgebracht door de zon uiteengedreven wordt ziet het oog de vorm van de zon. Als op dezelfde manier het valse ego dat de geestelijke ziel overdekt wordt vernietigd door spiritueel [zelf]onderzoek, zal heugenis [van het Oorspronkelijke Zelf] het resultaat zijn. (34) Als men aldus middels dit zwaard van onderscheid het valse ego voortgebracht door illusie heeft weggesneden dat de ziel bindt en men een gedegen realisatie heeft ontwikkeld van de Onfeilbare Allerhoogste Ziel, spreekt men van de volkomen vernietiging [van je materieel bepaalde leven, âtyantika pralaya], beste Koning.

(35) O onderwerper van de vijanden, sommige deskundigen van de subtiele alomtegenwoordige geest stellen dat de schepping en vernietiging van al de levende wezens beginnende bij Brahmâ, een nimmer eindigend proces [nitya] vormt. (36) De [min of meer gunstige levens]omstandigheden van alle levende wezens die onderhevig zijn aan verandering, worden snel en voortdurend weggevaagd door de machtige kracht van de stroom der Tijd en vormen de oorzaken van hun geboorte en dood. (37) Deze staten van zijn geschapen door de Tijd, de gedaante van de Heer zonder een begin en een eind, worden niet [direct] waargenomen, net zoals [de bewegingen van] de planeten in de hemel niet [direct] worden gezien [zie ook 3.10: 10-14]. (38) Vernietiging in de zin van een voortdurende [nitya], periodieke [naimittika], natuurlijke [elementaire of prâkritika] en volkomen [âtyantika] teloorgang werd beschreven. Dit is hoe de Tijd [kâla] zijn werk doet.

(39) Deze vertellingen over de lîlâ van de schepper van het universum, Nârâyana, het reservoir van alle bestaansvormen, werden kort en helder voor u uiteengezet o beste van de Kuru's. Zelfs niet de Ongeborene [Heer Brahmâ] zou in staat zijn ze volledig op te sommen. (40) Voor een persoon lijdend onder het vuur van de ellende van het leven en de verlangens om de moeilijk te bevaren oceaan van het materieel bestaan over te steken, bestaat er geen andere boot dan die van het toegewijd zijn met een voorkeur voor de vertellingen over de avonturen van de Fortuinlijke, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (41) De onfeilbare Heer Nara-Nârâyana onderwees lang geleden dit essentiële compendium van al de klassieke verhalen, aan Nârada die het doorgaf aan Krishna Dvaipâyana [Vyâsa, de auteur; zie 5.19: 10-15]. (42) Hij, die machtige heer Bâdarâyana, schiep er daarop genoegen in mij dit Bhâgavatam bij te brengen o Mahârâja, deze bloemlezing die een status geniet gelijk aan die van de vier Veda's. (43) Sûta Gosvâmî, die hier bij ons zit o beste van de Kuru's, zal het [op zijn beurt] doorvertellen als hij wordt ondervraagd door wijzen aangevoerd door S'aunaka tijdens een langdurige offerplechtigheid in het Naimishâranyawoud [zie 1.1].'





Hoofdstuk 5: De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

(1) S'rî S'uka zei: 'In deze [vertelling] ben ik uitgebreid ingegaan op de Allerhoogste Heer Hari, de Ziel van het Universum, door wiens genade Heer Brahmâ werd geboren [3.8] uit wiens woede Heer S'iva [3.12: 7] geboorte nam. (2) O Koning, u die denkt 'Ik ga sterven', moet deze dierlijke mentaliteit opgeven; het is niet zo dat u - net als het lichaam  - [als een ziel] werd geboren terwijl u er voorheen niet was. Zo ook zal u vandaag niet sterven [zie ook B.G. 2: 12 & 2: 20]. (3) U zal niet opnieuw een leven krijgen als een kind van u of in de gedaante van een kleinkind, zoals een plant uit zijn eigen zaad voortspruit; u verschilt net zo van het lichaam en dat wat erbij hoort als een vuur [verschilt van het hout dat het verbrandt *].  (4) Zoals je in een droom erbij kan zijn dat je eigen hoofd wordt afgehakt [terwijl je gewoon verder leeft] ben je ook getuige van het fysieke lichaam dat is samengesteld uit de vijf elementen en zo meer. Om die reden is de ziel van het lichaam ongeboren en onsterfelijk van aard [zie ook B.G. 2: 22]. (5) Als er een pot wordt gebroken zal de lucht in de pot weer zijn als de lucht voordien; zo ook hervindt het individu zijn oorspronkelijke geestelijke staat als het lichaam dood is. (6) De  materiële lichamen, kwaliteiten en handelingen van de geestelijke ziel worden voortgebracht door een materieel georiënteerde geest; en het is mâyâ, het begoochelend vermogen van de Heer, dat de materiële geest en het erbij behorende [herhaalde] materiële bestaan van het individuele levende wezen in het leven roept [middels het ahankâra, zie ook 2.5: 25, 3.26: 31-32, 3.27: 2-5]. (7) De combinatie van olie, een houder, een pit en vuur is wat men samen ziet met het branden van een lamp. Zo ook ziet men hoe door de wisselwerking van de geaardheden hartstocht, goedheid en onwetendheid het materieel bestaan van het lichaam zich ontwikkelt en vernietiging vindt. (8) De ziel die verschilt van het grofstoffelijke [deha-] en het subtiele [linga-]lichaam, is zelf-verlicht en vormt, omdat ze zo onveranderlijk is als de ether, de basis [âdhâra] die eeuwig is en alle beschrijving te boven gaat. (9) O prabhu, door aldus uw verstand met logische gevolgtrekkingen aan het werk te zetten in meditatie op Heer Vâsudeva, moet u zorgvuldig uw essentie, uw ware zelf, in overweging nemen die door het stoffelijk omhulsel wordt omsloten. (10) Takshaka [de slangenvogel] die werd afgeroepen door de woorden van de brahmaan [1.18] zal u niet verbranden; de boodschappers van de dood kunnen u [uw ziel] niet overtreffen die deze oorzaken van de dood en de dood zelve [nu] de baas bent [zie ook 11.31: 12]. (11-12) Met de overweging 'Ik ben de Oorspronkelijke, Allerhoogste Geest, de Verblijfplaats van het Absolute en de Hoogste Bestemming' moet u zichzelf plaatsen in het Allerhoogste Zelf dat vrij is van materiële aanduidingen. U zal [als u dat gedaan hebt] met de ganse wereld aldus onderscheiden van het zelf, zelfs geen weet hebben van Takshaka of uw eigen lichaam als hij, zijn lippen likkend en met zijn bek vol gif, in uw voet bijt. (13) Beste ziel, wat wilt u nog meer weten na wat ik in antwoord op uw vragen o Koning, allemaal vertelde over de handelingen van de Heer?'

*:  In de s'ruti-mantra wordt gezegd: pitâ putrena pitrimân yoni-yonau: "Een vader heeft een vader in zijn zoon, zodat hij geboorte kan nemen als zijn eigen kleinzoon."



 

Hoofdstuk 6: Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

(1) S'rî Sûta zei: "Nadat Mahârâja Parîkchit, hij die door Vishnu beschermd wordt, had vernomen wat gezegd werd door de wijze, de gelijkmoedige ziener van de Opperziel, de zoon van Vyâsa, naderde hij zijn lotusvoeten, boog hij zijn hoofd voorover en zei hij met gevouwen handen het volgende tot hem. (2) De koning zei: 'Met de grote genade getoond door uwe goedheid vol van mededogen, heb ik de perfectie bereikt omdat u rechtstreeks voor mij de Heer Zonder een Begin en Einde hebt beschreven. (3) Het is geenszins verrassend voor grote zielen verzonken in de Onfeilbare om van genade te zijn voor onwetende geconditioneerde zielen die worden gekweld door leed. (4) Wij vernamen [aldus] van u deze verzameling van klassieke verhalen waarin de Allerhoogste Heer Uttamas'loka wordt beschreven [*]. (5) Mijn heer, ik vrees Takshaka niet of enig ander levend wezen, noch ben ik bang voor een herhaald sterven; Ik ben de Geest van het Absolute binnengegaan die u onthulde als [nirvâna, als] losstaand van al het materiële, en [ben nu] vrij van angst. (6) Sta het me alstublieft toe o brahmaan, dat ik mijn spraak [en andere zintuiglijke functies] een plaats geef in Adhokshaja zodat ik, met het in een verzonken geest verzaakt hebben van alle zinnelijke verlangens, mijn leven op kan geven. (7) Met behulp van u die de alleszins gunstige, allerhoogste toevlucht toonde van de Opperheer, heb ik me kunnen concentreren op de onstoffelijke kennis en wijsheid en is mijn onwetendheid uitgebannen.' "

(8) Sûta zei: "Aldus toegesproken verleende de machtige heilige, de zoon van Vyâsa, hem de toestemming. Nadat de koning, die god onder de mensen, samen met de verzaakte wijzen hem hadden vereerd, ging hij weg. (9-10) Parîkchit, de heilige koning, plaatste met de macht van de rede daarop zijn geest in zijn ziel, mediteerde op de Allerhoogste Waarheid en stopte zijn ademen zodat hij zo bewegingloos als een boom werd. Aan de oever van de Ganges zittend op darbha gras dat naar het oosten was gelegd brak de grote yogi, met zijn gezicht naar het noorden gericht, met alle twijfels in het volmaakte besef van de Absolute Geest. (11) Beste geleerden, toen Takshaka, ertoe aangezet door de kwaad geworden zoon van de brahmaanse wijze [Samika], op weg was om de koning te doden, kwam hij Kas'yapa Muni tegen [zie 1.18]. (12) Hij was een deskundige op het gebied van het bestrijden van vergif, maar werd door Takshaka tevreden gesteld met kostbaarheden en ertoe overgehaald huiswaarts te keren. Vervolgens vermomde hij, die elke gewenste gedaante kon aannemen, zich als een brahmaan en beet de koning. (13) Voor ogen van al de belichaamde zielen werd het lichaam van de volledig zelfverwerkelijkte heilige onder de koningen verteerd door het vuur van het slangengif en veranderde het terstond in as. (14) Uit alle richtingen van de aarde en de hemel klonk er een luide jammerkreet van ontzetting van vrijwel al de halfgoden, demonen, menselijke wezens en andere schepselen. (15) De pauken van de halfgoden weerklonken, de Gandharva's en Apsara's zongen en de zelfgerealiseerde zielen spraken lovende woorden en lieten een regen van bloemen neerdalen. (16) Toen Janamejaya hoorde dat zijn vader door Takshaka was gebeten, ontstak hij in woede en offerde hij gepast samen met de brahmanen al de slangen [van de wereld] als offergaven in een offerplechtigheid. (17) Takshaka die zag hoe de grote serpenten werden verbrand in het laaiende vuur van het slangenoffer, ging zeer van streek door zijn angst naar Indra om bij hem zijn toevlucht te zoeken. (18) Koning Janamejaya die Takshaka er niet bij zag, zei tot de brahmanen: 'Waarom is Takshaka, de laagste van alle serpenten, niet verbrand?'

(19) [Ze antwoordden:] 'O beste der koningen, hij houdt zich schuil, hij nam zijn toevlucht tot Indra. De slang wordt door hem beschermd en belandde daarom niet in het vuur.

(20) Nadat de hoogst intelligente zoon van Parîkchit deze woorden hoorde zei hij tegen de priesters: 'Beste geleerden, waarom gooien we niet zowel Takshaka als Indra in het vuur?'

(21) Toen zij dat hoorden voerden de priesters het ritueel uit om Takshaka samen met Indra te offeren. [Ze baden:] 'O Takshaka, moge je spoedig hier in het vuur belanden samen met Indra en zijn schare halfgoden.' (22) Indra die samen met Takshaka en zijn vimâna door de beledigende woorden van de brahmanen uit zijn positie werd gestoten, raakte er zeer door verstoord. (23) Brihaspati, de zoon van Angirâ, die hem met Takshaka in zijn vimâna uit de hemel zag vallen, richtte zich tot de koning: (24) 'Deze slangenvogel verdient het niet door u te worden gedood o heerser over de mensen. Hij, deze koning der slangen, dronk van de nectar [der goden] en is derhalve zonder twijfel vrij van veroudering en onsterfelijk! (25) Het leven en de dood van een levend wezen en zijn bestemming [in een volgend leven] o Koning, zijn enkel het resultaat van zijn karma; geen andere instantie dan deze verschaft hem geluk en ongeluk. (26) Een levend wezen dat sterft vanwege slangen, dieven, vuur en bliksem, honger, dorst, ziekte en andere instanties o Koning, ondergaat dat vanwege het karma dat hij opbouwde. (27) Daarom o Koning moet worden gestopt met dit offer dat wordt uitgevoerd om anderen te schaden. Mensen die onschuldige slangen verbranden zullen zelf dat lot moeten ondergaan [zie ook de Mahâbhârata 1.43].' "

(28) Sûta zei: "Aldus toegesproken zei hij: 'Zo zij het!', en met achting voor de woorden van de grote wijze maakte hij een einde aan het slangenoffer en vereerde hij die meester van de spraakkunst [Brihaspati]. (29) Het is deze grote materiële begoocheling [mahâmâyâ] eigen aan Vishnu die ongeluk brengt en niet tegen te gaan is als gevolg van de wisselwerking van de kwaliteiten [de guna's] van de materiële natuur, waardoor de zielen die deel en geheel van Hem uitmaken verbijsterd raken en gevangen in materiële lichamen. (30-31) De zichtbare begoochelende energie waarin men verkerend en de vrede ontberend, denkt in de trant van 'dat is een bedrieger', zal niet [overwegen] als men steeds onderzoekt wat er in de ziel omgaat. Dit omdat men in dat waarvan de transcendentalisten spreken niet de materialistische argumenten heeft die zo vele vormen aannemen en men ook niet de geest heeft vol van beslissingen en twijfels die daaruit voortvloeit. Daarin [in dat bovenzinnelijk bewustzijn] is het levende wezen niet van wereldse zaken of dat wat daartoe leidt en ook niet van de voordelen die men door hen behaalt, noch van het ik-besef dat zo sterk is in het verbonden zijn met de geaardheden. Deze zaken vallen daarbuiten. Een wijs iemand behoort er behagen in te scheppen zich verre te houden van de golven van de wereldse conditioneringen alsmede van een ieder die aldus verstrikt is [zie ook b.v. 6.4: 31-32]. (32) De allerhoogste toevlucht van Heer Vishnu wordt, door hen die ernaar verlangen alles op te geven wat niet essentieel is, omschreven als dat wat 'noch dit, noch dat' is [zie ook neti neti]. Het immorele [materialisme] afwijzend en met hun emoties nergens anders op gericht, omarmen ze in hun harten het 'niet-dat' [van de Ziel, van Hem] waaraan ze diep verzonken in meditatie [in samâdhi] vasthouden. (33) Zij voor wie er niet de corruptie is van het 'ik' en 'mijn' dat is gebaseerd op het hebben van een huis en een lijf, komen er op die manier dan achter wat de allerhoogste toevlucht van Vishnu is. (34) Beledigende woorden moet men verdragen en nimmer moet men iemand minachten, noch moet men zich identificeren met dit materiële lichaam of wrok koesteren jegens wie dan ook. (35) Ik biedt Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid S'rî Krishna, mijn eerbetuigingen, Hij wiens kennis altijd nieuw is en op wiens lotusvoeten mediterend ik mij deze verzameling wijsheden [Samhitâ] eigen heb gemaakt'."

(35) S'rî S'aunaka zei: "Alstublieft o beminnelijke ziel [Sûta], zeg ons dit: hoe spraken Paila en de andere hoogst intelligente discipelen van Vyâsa die het Vedisch  gezag vormen, over de Veda's en hoe hebben ze die verdeeld?"

(37) Sûta zei: "O brahmaan, Heer Brahmâ, het meest verheven levende wezen, had zijn geest volmaakt in bedwang en hoorde in zijn hart het subtiele bovenzinnelijke geluid [van ta-pa, 2.9: 6] dat oprees vanuit de ether. Men kan dat geluid horen als men zijn oren sluit [voor geluiden van buitenaf. Zie ook s'abda]. (38) Door dat geluid te aanbidden o brahmaan, zuiveren yogi's hun harten van de besmetting van wat men de substantie, de handeling en de doener [**] noemt, en raken ze bevrijd van wedergeboorte. (39) In die activiteit vond de drieledige omkâra [A-U-M] zijn bestaan die, zich ongezien manifesterend, de representatie vormt van de Opperheer [Bhagavân], de Absolute Waarheid [Brahman] en de Superziel [Paramâtmâ, zie ook 1.2: 11, B.G. 7: 8]. (40-41) Men neemt dit [eeuwige, zich ongezien voordoende] geluid waar buiten de fysieke gehoorzin en het visueel vermogen om. Het geheel aan Vedisch geluid waar men zich van bedient is een uitwerking van de zich vanuit de ziel in de ether manifesterende omkâra. Hij vormt de rechtstreekse uitdrukking van de zichzelf genererende Absolute Waarheid en de Superziel, hij vormt het eeuwige zaad van de Veda's en vormt het geheim van alle mantra's [zie ook 7.15: 31, 9.14: 48, 11.14: 34-35, 11.21: 36-40]. (42) O eminentie van Bhrigu, de drie klanken van het alfabet beginnende met de A die hun bestaan vonden [de klanken A, U, en M], liggen ten grondslag aan [al] de drievoudige vormen van materieel bestaan: de geaardheden [de guna's], de namen [van de drie Veda's], de bestemmingen [de drie soorten loka's] en de staten van bewustzijn [avasthâtraya]. (43) De machtige ongeboren heer [Brahmâ] schiep daaruit [uit die drieklank] de verschillende geluiden die het geheel vormen van klinkers, sisklanken, halfklinkers en medeklinkers zoals men ze kent in hun lange en korte vormen. (44) Met de bedoeling uitleg te verschaffen over de vier offerplechtigheden [zie ritvik] schiep de almachtige met al deze klanken vanuit zijn vier gezichten de vier Veda's, samen verschijnend met de omkâra en vyâhriti aanheffingen [van de namen van de zeven loka's]. (45) Hij onderwees ze [als een geheel] aan zijn zoons, de grote rishi's onder de brahmanen hoogst bedreven in de kunst der Vedische recitatie, en zij op hun beurt gaven ze als leraren van het dharma [âcârya's] door aan hun zoons. (46) Gedurende de vier yuga's ontving generatie na generatie de ene na de andere discipel standvastig in zijn geloften, hen [deze Veda's] in geestelijke erfopvolging [paramparâ]. Ze werden aan het einde van Dvâpara-yuga verdeeld onder de vooraanstaande wijzen. (47) De brahmaanse wijzen, geïnspireerd door de Onfeilbare Heer in hun hart, kwamen tot dat onder elkaar verdelen van de Veda toen ze zagen dat onder de invloed van de tijd de intelligentie [van de mensen] afnam, de levensduur korter werd en de kracht verminderde [zie ook 1.4: 16-18]. (48-49) O brahmaan, in deze periode [van Manu] verzochten Brahmâ, S'iva en andere heersers over de werelden de Allerhoogste Heer, de Beschermer van het Universum, de principes van de religie te beschermen. O hoogst fortuinlijke ziel, de Heer [in de gedaante van Krishna Dvaipâyana Vyâsa] daalde toen, door Parâs'ara verwekt in de schoot van Satyavatî, neder als een deelaspect van Zijn volkomen expansie [Sankarshana], en verdeelde de Veda in vieren. (50) Als iemand die juwelen sorteert, deelde hij de groep mantra's op in vier categorieën verzamelingen [of Samhitâ's]: de Rig, Atharva, Yajur en Sâma Veda [zie Veda's]. (51) De hoogst intelligente en machtige wijze, riep vier van zijn leerlingen de een na de ander bij zich o brahmaan, om aan ieder van hen een van de [vier] verzamelingen over te dragen. (52-53) Hij bracht Paila de eerste verzameling [de Rig Veda] bij genaamd Bahvrica ['vele verzen'], voor Vais'ampâyana sprak hij de verzameling van de Yajur-mantra's die Nigada heet ['het gereciteerde'], de Sâma-mantra's getiteld Chandoga ['de zanger van het metrum'] leerde hij Jaimini en de [Atharva-]mantra's van [de wijzen] Atharva en Angirâ vertrouwde hij zijn geliefde leerling Sumantu toe [zie ook 4.21: 22]. (54-56) Paila vertelde zijn Samhitâ [die hij in tweeën deelde] aan Indrapramiti en Bâshkala. De laatstgenoemde o zoon van Bhrigu [S'aunaka], verdeelde zijn verzameling in vier stukken die hij doorgaf aan zijn discipelen Bodhya, Yâjñavalkya, Parâs'ara en Agnimitra. De zelfbeheerste wijze Indrapramiti onderwees zijn verzameling aan de geschoolde ziener [zijn zoon] Mândûkeya en zijn discipel Devamitra droeg hem over aan Saubhari en anderen. (57) S'âkalya, zijn zoon, verdeelde zijn verzameling in vijf stukken die hij doorgaf aan Vâtsya, Mudgala, S'âlîya, Gokhalya en S'is'ira. (58) De wijze Jâtûkarnya, ook een leerling van hem, voegde aan de collectie die hij ontving een woordenlijst toe en gaf hem door aan Balâka, Paila, Jâbâla en Viraja. (59) Bâshkali [de zoon van Bâshkala] stelde uit de verschillende afdelingen [van de Rig Veda] de verzameling genaamd de Vâlakhilya-Samhitâ samen die door [de daitya zonen] Vâlâyani, Bhajya en Kâs'âra in ontvangst werden genomen. (60) Dit is hoe die vele verzamelingen van de Rig Veda [in erfopvolging] werden hoog gehouden door deze brahmaanse zieners. Een ieder die verneemt over de verdeling van deze heilige verzen raakt bevrijd van alle zonden.

(61) [Sommige] leerlingen van Vais'ampâyana stonden bekend als de Caraka's ['de gezworenen'] omdat ze een gelofte naleefden namens hun goeroe om te boeten voor de zonde van het doden van een brahmaan. Zij werden autoriteiten op het gebied van de Atharva Veda. (62) Yâjñavalkya, een andere discipel, zei: 'O meester, wat zijn de pogingen van deze zwakke broeders nu waard? Ik zal een heel lastige boetedoening uitvoeren!'

(63) Aldus toegesproken werd zijn geestelijk leraar kwaad en zei: 'Ga weg, genoeg heb ik van jou, een discipel die geleerden beledigd; geef onmiddellijk alles op wat ik je heb bijgebracht!'

(64-65) De zoon van Devarâta hoestte toen de verzamelde Yajur-mantra's op. Toen hij was vertrokken keken de wijzen begeertig naar deze Yajur-mantra's en veranderden in patrijzen die ze oppikten. Aldus raakten deze gedeelten van de Yajur Veda bekend als de wonderschone Taittirîya-Samhitâ ['de patrijzenverzameling']. (66) O brahmaan, Yâjñavalkya, op zoek naar extra mantra's die zijn geestelijk leraar niet kende, aanbad daarop aandachtig de Heer van de zon.

(67) S'rî Yâjñavalkya zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de Hoogste Persoonlijkheid van God die, verschijnend als de zon en net als de ether in de vorm van de Superziel vanbinnen en de Tijd vanbuiten, aanwezig is in de harten van de vier soorten levende wezens van Brahmâ tot aan de grassprieten [als geboren uit eieren, baarmoeders, vocht en zaad, zie ook 2.10: 37-40]. U die niet in materiële termen te vatten bent, volbrengt geheel alleen, met de stroom der jaren die bestaat uit de kleine fragmenten van de kshana's, lava's en nimesha's [zie 3.11: 7], de handhaving van dit universum middels het wegnemen en weer retourneren van haar water [in de vorm van regen]. (68) O Heer van de Zon, o Stralende, o Beste onder de Ontwaakten, met de regels van de heilige traditie mediteer ik dagelijks, tijdens de [drie] keerpunten van de dag, met volle aandacht op Uw gloeiende schijf, op U de machtige heerser, die van een ieder die gebeden opdraagt al de zonden verbrandt, alsook het resulterende lijden en wat tot hen leidde [zie ook 11.14: 35 en de Gâyatrî]. (69) U, die in deze wereld de Heer bent wonend in de harten van al de van Uw beschutting afhankelijke bewegende en niet-bewegende levende wezens, wekt hun onbewuste, materiële geest, zinnen en verschillende soorten vitale adem [de vâyu's] tot leven. (70) Deze wereld werd gegrepen en verzwolgen door de schrikwekkende bek van de python die bekend staat als de duisternis en verviel daardoor in het onbewuste als ging ze dood. U alleen, die met het grootste mededogen genadevol Uw blik werpt, wekt [de slapende geesten] op met het schenken van inzicht. Aan het begin, halverwege en aan het eind van de dag betrekt U zo, dag na dag, [de vromen] in het heil dat bekend staat als de eigen aard van dienstverlenen in een spiritueel bestaan [svadharma]. (71) Gelijk een aardse koning trekt U rond [in de gedaante van de zon] overal angst wekkend bij de zondaren, terwijl de goden van de windrichtingen met lotusbloemen in hun handen, met hun handpalmen bijeen hun eer betuigen. (72) Hopend op Yajur-mantra's onbekend bij anderen, benader ik daarom met gebed o Heer, Uw twee lotusvoeten die worden vereerd door de geestelijk leraren van de drie werelden [de loka's, en zie 5.23: 8].' "

(73) Sûta zei: "Hij, de Allerhoogste Heer van de Zon aldus verheerlijkt tevreden gesteld, nam de gedaante van een paard aan en presenteerde aan de wijze de Yajur-mantra's nimmer eerder gekend door een andere sterveling [zie ook 5.18: 6]. (74) De machtige wijze verdeelde de honderden Yajur-mantra's in vijftien afdelingen die werden ontvangen door de discipelen Kânva, Mâdhyandina en anderen onder de naam Vâjasaneyi: 'stammend van de manen van het paard.' (75) Van Jaimini Rishi, de beheerder van de Sâma Veda, was er een zoon Sumantu alsook een kleinzoon Sutvân. Aan ieder van hen vertelde hij een helft van de verzameling. (76-77) Sukarmâ, een andere leerling [van Jaimini] en een groot denker, verdeelde de boom van de Sâma Veda in een duizendtal verzamelingen van Sâma-mantra's waarna o brahmaan, de discipelen Hiranyanâbha - de zoon van Kus'ala - Paushyañji en een andere genaamd Âvantya met een hoog ontwikkeld spiritueel inzicht, de zorg voor hen op zich namen. (78) Van Paushyañji en Âvantya bestonden er vijfhonderd discipelen die de Sâma Veda-zangers van het noorden worden genoemd, of ook wel [in latere tijden, sommigen van hen] die van het oosten. (79) Laugâkshi, Mângali, Kulya, Kus'îda en Kukshi, [vijf] andere leerlingen van Paushyañji, namen ieder de zorg op zich voor een honderdtal mantraverzamelingen. (80) Krita, een discipel van Hiranyanâbha, droeg vierentwintig Samhitâ's over aan zijn leerlingen en de resterende Samhitâ's werden doorverteld door de zelfverwerkelijkte wijze Âvantya."

*: Het S'rîmad Bhâgavatam staat ook bekend onder de naam 'Paramahamsa Samhitâ': de verzameling van verhalen over de Allerhoogste Zwaangelijke Heer.

**: De substantie, de handeling en de doener als onzuiverheden worden begrepen als manifestaties van de tot ego inspirerende geaardheden van de onwetendheid van de inerte materie, de hartstocht van de beweging en de goedheid van de kennis, ookwel bekend als de adhibhautika hindernis van het lichaam, de adhyâtmika hindernis van de organen van handelen en de adhidaivika hindernis van de waarnemende zinnen [zie kles'a].

 



 Hoofdstuk 7: De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

(1) S'rî Sûta zei: "Sumantu Rishi, de kenner van de Atharva Veda onderrichtte [zie 12.6: 52-53] zijn mantraverzameling aan zijn leerling [Kabandha], die hem [in tweeën deelde en] vertelde aan Pathya en Vedadars'a. (2) Alstublieft luister: S'auklâyani, Brahmabali, Modosha en Pippalâyani, de discipelen van Vedadars'a en de discipelen Kumuda, S'unaka en Jâjali van Pathya mijn beste brahmaan, waren ook allemaal autoriteiten op het gebied van de Atharva Veda. (3) Vervolgens leerden Babhru en Saindhavâyana, twee discipelen van S'unaka [Angirâ], op dezelfde manier twee Samhitâ's en leerden andere discipelen met Sâvarna voorop ze [weer van hen] op hun beurt. (4) Ook Nakshatrakalpa, S'ântikalpa, Kas'yapa en Ângirasa behoren tot deze âcârya's van de Atharva Veda. Verneem nu o wijze, over de autoriteiten van de Purâna's.

(5) Trayyâruni, Kas'yapa, Sâvarni, Akritavrana, Vais'ampâyana en Hârîta vormen de zes meesters van de Purâna's. (6) Ieder van hen nam kennis van één verzameling uit de mond van Vyâsa's leerling, mijn vader [Romaharshana] en ik, als een discipel van [al] deze [meesters], raakte goed onderlegd in al [de verzamelingen]. (7) Kas'yapa, ik, Sâvarni en Akritavrana, die een leerling is van Râma [Pâras'urâma, zie ook 10.74: 7-9], leerden vier basisverzamelingen van [Romaharshana,] de leerling van Vyâsa. (8) O brahmaan, luister alstublieft aandachtig naar wat de kenmerken zijn van een Purâna zoals vastgesteld door de intelligentste brahmaanse zieners in overeenstemming met de Vedische geschriften. (9-10) De schepping [van dit universum, sarga], de daaropvolgende schepping [van verschillende werelden en wezens, visarga], de handhaving [het onderhoud, de vritti of sthâna] en de bescherming [de rakshâ of poshana van de levende wezens], de tijdperken van heersen [van de verschillende Manu's], de dynastieën [de vams'a's], de vertellingen over hen [vams'a-anucaritam], de vernietiging [van verschillende aard, pralaya of samsthâ], de reden [het individuele levende wezen of hetu] en de allerhoogste toevlucht [van de Fortuinlijke of apâs'raya] o brahmaan, vormen de tien onderwerpen van een Purâna zoals begrepen door de autoriteiten op dit gebied. Sommigen stellen dat in verhouding tot de grotere, de kleinere Purâna's over slechts vijf van deze onderwerpen handelen [zie ook S'uka hierover 2.10: 1-7 en *].

(11) Schepping [sarga] is wat men het genereren uit de oerstaat noemt. Uit die staat wekte de onrust der geaardheden de kosmische intelligentie op waaruit de identificatie met de materie zich voordeed die is verdeeld in drie aspecten [of soorten van wezens overeenkomstig de geaardheden]. Dit leidde verder tot de manifestatie van de subtiele vormen van waarnemen, de zintuigen en de voorwerpen der zintuiglijke waarneming [formatie door de conditionering van en identificatie met de Tijd, vergelijk 2.10: 3].

(12) De secundaire schepping [visarga] bestaat uit de verzameling van ideeën [indrukken, verlangens, verwachtingen, de vâsanâ's] van de bewegende en niet-bewegende levende wezens. Deze geneigdheden worden, bij genade van de Oorspronkelijke Persoon [de purusha], op dezelfde manier voortgebracht als zaad dat [nog meer] zaad voortbrengt.

(13) Levende wezens houden zich in leven met levende wezens die zich rondbewegen dan wel zich niet rondbewegen. Voor menselijke wezens in het bijzonder houdt dit [deze vritti] in dat men in dezen handelt in overeenstemming met de persoonlijke aard, met zijn lust of met schriftuurlijke regelingen.

(14) Rakshâ [of bescherming] betreft de [activiteiten van] de incarnaties van de Onfeilbare die hier tijdperk na tijdperk aanwezig zijn onder de dieren, de stervelingen, de zieners en de halfgoden van dit universum, en de vijanden van de drievoudige Veda doden [zie ook B.G. 4: 7].

(15) In ieder tijdperk waarin een Manu heerst spreekt men van de Heer in zesvoud [gemanifesteerd]: de Manu, de halfgoden, de zonen van Manu, de verschillende heersers over de verlichte zielen [de Indra's], de zieners [of rishi's] en de gedeeltelijke incarnaties [van de Heer, de ams'a-avatâra's].

(16) Dynastieën [vams'a's] stammend van Brahmâ strekken zich als series van koningen uit in verleden heden en toekomst [trikâlika] en hun geschiedenissen [vams'a-anucaritam] beschrijven de handelingen van de elkaar opvolgende vooraanstaande leden.

(17) De periodieke, natuurlijke, voortdurende en volkomen vernietiging die als gevolg van Zijn vermogen plaatsvindt vormt de vier aspecten van wat de geleerden omschrijven als het zich oplossen van dit universum [de samsthâ of de pralaya, zie ook 12.4].

(18) De reden [hetu] van [het bestaan van] de schepping [sarga] en alles wat erbij hoort [de handhaving en vernietiging] van dit [universum], wordt gevormd door de individuele levende ziel [de spirituele en persoonlijke jîva], die uit onwetendheid resultaat gericht handelt [karma verzamelt], iemand waarvan anderen spreken als het ongemanifesteerde [onpersoonlijke en geconditioneerde] zelf.

(19) De Absolute Waarheid ['God', brahma, devadeva] als de allerhoogste toevlucht [apâs'raya] bestaat zowel afzonderlijk van als verbonden met [of in] het waken, slapen en de droomloze slaap, de vormen voorgesteld door de begoochelende energie en de individuele [morele] gedragswijze. (20) Net zoals de basissubstantie van materiële voorwerpen bestaat zowel afzonderlijk van als verbonden met bestaande dingen met een naam en vorm, bestaat het [de Absolute Waarheid] door de verschillende fasen van een fysiek bestaan heen, verbonden met en losstaand van het zaad in het begin tot aan de vijf elementen [waarnaar men terugkeert] op het eind [vergelijk 8.6: 10]. (21) Als de geest uit zichzelf stopt door het loslaten van de drie bewustzijnsfuncties [vritti-traya] of door het beoefenen van [bhakti-]yoga, kent men de Opperziel en geeft men het op nog materieel te ondernemen  [zie ook 3.25: 32-33].

(22) De wijzen thuis in de antieke verhalen, zeggen dat, aldus onderscheiden in hun kenmerken, er achttien grote en [achttien] kleine Purâna's zijn [van 9.000 tot aan 81.000 verzen, zie ook Upa-purâna]. (23-24) Zij [de groten] staan bekend als de drie keer zes Purâna's [overeenkomstig iedere guna-avatâra] genaamd Brahmâ, Padma, Vishnu, S'iva, Linga, Garuda, Nârada, Bhâgavata, Agni, Skanda, Bhavishya, Brahma-vaivarta, Mârkandeya, Vâmana, Varâha, Matsya, Kûrma en Brahmânda [zie Purâna's]. (25) O brahmaan, ik beschreef aldus grondig de takken [van Vedische kennis] bevorderlijk voor het spiritueel vermogen zoals die werden opgedeeld door de wijze [Vyâsadeva], zijn discipelen en de discipelen van zijn discipelen."

*: Het Vedische vers (Amarkhasa) betreffende deze secundaire status van een Purâna stelt: sargas' ca pratisargas' ca vams'o manvantarâni ca vams'ânucaritam ceti purânam pañca-lakshanam; "Schepping, secundaire schepping, de dynastieën van de koningen, hun handelingen en de regeerperioden van de Manu's zijn de vijf kenmerken van een Purâna."

S'rîla Jîva Gosvâmî heeft hierbij duidelijk gemaakt dat de tien belangrijkste onderwerpen van het S'rîmad-Bhâgavatam terug te vinden zijn in ieder van de twaalf Canto's. Men moet niet proberen ieder van de tien toe te wijzen tot één canto apart. Noch moet het S'rîmad-Bhâgavatam kunstmatig worden uitgelegd om te bewijzen dat het in opeenvolging die onderwerpen behandelt. Het is eenvoudigweg zo dat alle aspecten van kennis belangrijk voor menselijke wezens, samengevat in de tien categorieën hierboven vermeld, worden besproken met wisselende graden van nadruk en analyse door het hele S'rîmad-Bhâgavatam heen [pp. 12.7: 9-10].

 

Hoofdstuk 8: Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

(1) S'rî S'aunaka zei: "O Sûta, moge u lang leven, o heilige man; o beste der sprekers, spreekt u alstublieft tot ons, omdat u voor een mensheid die in de eindeloze duisternis ronddoolt de ziener bent van het tegendeel. (2-5) Mensen zeggen dat de zoon van Mrikandu, de ziener [genaamd Mârkandeya] die gezegend is met een buitengewoon lange levensduur, de enige was die overbleef aan het einde van de kalpa als dit gehele universum wordt overspoeld. Hij, de meest vooraanstaande afstammeling van Bhrigu, werd deze kalpa geboren in mijn eigen familie en we hebben in ons tijdperk tot nu toe nog geen grote zondvloed die de hele schepping omvat zien plaatsvinden. Geheel alleen in deze grote oceaan ronddolend trof hij, zo gaat het verhaal, één enkele, wonderbaarlijke persoonlijkheid aan, een babyjongetje dat in de vouw van een banyan-blad lag. Hierover verkeren wij in grote twijfel; alstublieft, o yogi die door iedereen beschouwd wordt als zijnde de grootste autoriteit op het gebied van de Purâna's, maak voor ons die er zo begerig naar uitzien daar een einde aan."

(6) Sûta zei: "O grote wijze, deze vraag van u neemt de lichtzinnigheid weg van de ganse wereld omdat ze leidt tot de bespreking van het verhaal van Nârâyana dat het vuil van Kali-yuga wegneemt. (7-11) Mârkandeya die, ordelijk de vedische lofzangen met inbegrip van de religieuze verplichtingen bestuderend, van zijn vader de wedergeboorte-initiatie rituelen had ontvangen, was volkomen in zijn verzakingen en studies. Zich aan de grote gelofte houdend [zie yama] droeg hij vredig met samengeklit haar en met boombast als zijn kleren de waterpot, de bedelstaf, de heilige draad en de gordel van het celibaat. Met het vel van een zwart hert en gebedskralen van lotuszaden aanbad hij voor het heil van zijn geregelde praktijk [zie niyama] bij de overgangen van de dag tot de Heer in de gedaante van het vuur, de zon, de goeroe, de geschoolden en de Allerhoogste Ziel. 's Ochtends en 's avonds bracht hij met zijn stem onder controle dat wat hij had ingezameld met bedelen naar zijn geestelijk leraar en at hij mee als hij ertoe was uitgenodigd of vastte hij indien dat niet zo was [zie ook 7.12; 5 en 7.14: 17]. Toen hij op deze manier van boete en studie voor een eindeloos aantal [miljoenen] jaren van aanbidding was geweest voor de Meester der Zinnen, had hij overwonnen wat onmogelijk te overwinnen was: de dood. (12) Brahmâ, Bhrigu, S'iva, Daksha, de zoons van Brahmâ en de andere menselijke wezens, de halfgoden, de voorvaderen en de geesten verbaasden zich daar allen over. (13) Met het op deze manier middels zijn verzakingen, recitaties en zinsbeteugeling standhouden met de grote gelofte, mediteerde de yogi op de Heer in het Voorbije en ontdeed zich zo met zijn geest inwaarts gekeerd van alle hindernissen. (14) Met het aldus middels de yoga concentreren van zijn geest, verstreek de enorme tijdspanne van zes manvantara's [van 71 mahâyuga's ieder]. (15) In de zevende periode van Manu vernam Purandara [Indra] van de verzakingen. Hij raakte bevreesd, o brahmaan, en besloot hij hem te dwarsbomen. (16) Hij stuurde hemelse zangers en dansmeisjes, Cupido, het lenteseizoen, de [naar sandelhout geurende] Malaya-bries, het kind van de hartstocht en het kind van de bedwelming op de wijze af. (17) O machtige, zij begaven zich allen naar zijn hermitage die aan de noordzijde van de Himalaya's was gesitueerd alwaar men de rivier de Pushpabhadrâ en de bergpiek genaamd Citrâ aantreft. (18-20) De goede plek van de âs'rama waar vele tweemaal geboren zielen op af waren gekomen om er te leven, werd omlijst door fijn geboomte en klimplanten en kende overal bekkens vol van kristalhelder water. Zoemend van de doldwaze bijen was er een drukte van allerlei vogelfamilies - opgewonden roepende koekoeken en druk dansende, trotse pauwen. De winden die er waaiden voerden de verkoelende mistdruppels van de watervallen met zich mee en vormden, omarmd door de bekoring der bloemen, een uitnodiging voor de god van de liefde. (21) Met de maan die in de nacht rijzend zijn gezicht toonde, deed zich daar de lente voor in reeksen van nieuwe spruiten en bloesems met de veelvoud aan klimplanten die innig verstrengeld waren met de bomen. (22) Gevolgd door groepen zingende en muziekinstrumenten bespelende Gandharva's, liet de god van de liefde, de meester van hordes van hemelse vrouwen, zich daar zien met zijn boog en pijlen in zijn hand. (23) De dienaren van Indra troffen hem daar op die plek aan, hij die, met het gebracht hebben van zijn offers, met gesloten ogen neerzat in meditatie zo onoverwinnelijk als het vuur zelve. (24) De vrouwen dansten recht voor zijn neus en de zangers van de hemel zongen en maakten muziek met trommels, cimbalen en vînâ's. (25) Terwijl de dienaren van Indra, het kind van de lente en het kind van de begeerte poogden de geest van de wijze af te leiden, legde de vijfkoppige Cupido (naar het zien, het horen, het ruiken, het voelen en het proeven) een pijl aan op zijn boog. (26-27) Uit de haarvlecht van Puñjikasthalî [een Apsara] die met haar middel zwaar overhangen door haar geweldige borsten aan het spelen was met een aantal ballen, vielen de bloemen naar beneden. Achtera de ballen aanhollend, met haar ogen van links naar rechts schietend, gleed de gordel van haar dunne kleed los en tilde de wind de fijne stof van haar kledingstuk op [zie ook 3.20: 35-36, 3.22: 17, 5.2: 14, 8.12: 17-24]. (28) Cupido, denkend dat hij hem verslagen had, schoot toen zijn pijl op hem af. Maar dit alles gericht op de wijze bleek zo nutteloos als de pogingen van een ongelovige. (29) O wijze, op deze manier trachtend de wijze in verlegenheid te brengen, voelden ze hoe ze zich brandden aan zijn vermogen en dus zagen ze ervan af als waren ze kinderen die een slang hebben uitgelokt. (30) O brahmaan, hoewel de volgelingen van Indra de grote muni grof hadden verstoord, gaf hij geen strobreed toe aan de sentimenten van het ego. En dat is voor een grote ziel helemaal niet zo verrassend.

(31) Ziend en horend hoe, door de kracht van de brahmaanse ziener, Kâmadeva samen met zijn metgezellen machteloos stonden, stond de machtige koning van de hemel versteld. (32) Toen Mârkandeya in zijn verzaking met recitatie en ingetogenheid aldus zijn geest concentreerde, manifesteerde de Allerhoogste Heer Zichzelf om als Nara-Nârâyana Zijn genade te tonen. (33-34) Van Hen twee was de ene blank en de andere zwart; Hun ogen waren als bloeiende lotussen, van Hun armen waren er vier, Hun kleding bestond uit zwart hertenvel en uit boombast, Hun handen allerzuiverst, droegen een waterpot en een rechte staf van bamboe, en Hun heilige draad bestond uit drie draden. Met gebedskralen van lotuszaden die alle menselijke wezens zuiveren en met de Veda's [in de vorm van bundels darbha] representeerden zij, aanbeden door de belangrijkste halfgoden, gloedvol geel van kleur en lang van stuk, stralend van het licht de verzaking. (35) Toen hij Nara en Nârâyana zag, de directe persoonlijke manifestaties van de Hoogste Persoonlijkheid van God, stond hij op om met het grootste respect zijn eer te betonen en zich plat voorover te werpen. (36) Omdat hij, toen hij Hen te zien kreeg, geluk ervoer door zijn hele lijf, geest en zinnen waarbij de haren op zijn lichaam recht overeind gingen staan, kon hij, door de tranen die zijn ogen vulden, zijn blik niet meer helder op Hen richten. (37) Deemoedig voor Hen staand met gevouwen handen richtte hij zich vol verlangen tot Hen als wilde hij Hen omarmen en uitte hij verstikt tegenover de twee Heren de lettergrepen 'na-ma-ha, na-ma-ha' (mijn eerbetuigingen, mijn eerbetuigingen). (38) Hij bood Hen zitplaatsen, waste Hun voeten, smeerde met sandelhout en andere geurige substanties en was van aanbidding met wierook en bloemenslingers. (39) Toen ze comfortabel zaten op Hun zitplaatsen en er klaar voor waren om Hun genade te tonen zei hij, opnieuw voor Hun voeten neerbuigend, het volgende tot de Hoogst Aanbiddelijke Persoonlijkheden.

(40) S'rî Mârkandeya zei: 'O Almachtige hoe kan ik U onder woorden brengen dankzij wie van alle belichaamde levende wezens zowel als van Brahmâ, S'iva als van mijzelf de vitale adem met daaraan gekoppeld het spraakvermogen, de geest en de zinnen in gang wordt gezet; niettemin wordt U [ondanks deze fysieke dwang] de liefdevolle vriend van hen die van aanbidding zijn. (41) Deze persoonlijke gedaante van de Fortuinlijke, o Opperheer, toont U voor het uiteindelijke heil van het beëindigen van de materiële ellende en het overwinnen van de dood; en net zoals U, voor de bescherming op verschillende manieren andere bovenzinnelijke lichamen manifesteert, verzwelgt U als U eenmaal dit universum hebt geschapen, net als een spin, het in zijn geheel weer. (42) Vanwege Hem, de Beschermer, de Allerhoogste Beheerser van hen die zich wel en niet rondbewegen, raakt degene die zich bevindt aan Zijn voetzolen nimmer in de greep van de emoties van karma, guna en kâla; U bent degene voor wie de wijzen met de Veda in hun hart zich ieder moment ter verering en meditatie in lof neerbuigen om U te kunnen bereiken. (43) Niets anders dan het bereiken van Uw voeten, de eigenlijke vorm van de bevrijding, brengt de persoon, die van alle kanten te vrezen heeft o Heer, zijn heil. We weten dat Brahmâ, wiens tijd twee parârdha's beslaat, op grond hiervan hoogst bevreesd is, hij is bang vanwege de Tijd die U bent - en hoezeer geldt dat dan niet voor de wereldse levensvormen die door hem zijn geschapen [zie 10.13: 56]? (44) Laat mij om die reden deze overdekking van het zelf verzaken, het materiële lichaam en alles wat erbij hoort dat tijdelijk van aard, slechts voor een ogenblik herinnerd, niet-essentieel zijnde zo betekenisloos is. Laat me van aanbidding voor Uw voetzolen, U die de Intelligentie bent van wat werkelijk is en de Meester van de Ziel die de Absolute Waarheid is van Wie men alles krijgt wat men zich maar wensen kan. (45) O Heer, o Vriend van de Ziel, alhoewel de voortbrengselen van Uw begoochelende vermogen bekend onder de namen sattva, rajas en tamas, er voor de doelstellingen van de handhaving, vernietiging en schepping van dit universum zijn bij wijze van [Uw] vermaak, is het de [sattvische] goedheid die [met U] voortbestaat voor de bevrijding en niet de andere twee [van de hartstocht en de onwetendheid] die de mens gevaar, verbijstering en angst bezorgen [zie ook guna-avatâra's en 10.89: 18]. (46) Omdat de onbevreesdheid, het geluk van de ziel en de geestelijke wereld worden bereikt via de geaardheid der goedheid zijn de Sâtvata's van die overtuiging en nimmer van enige andere [geaardheid of] vorm van de Oorspronkelijke Persoon. Om die reden aanbidden de geestelijke autoriteiten in deze wereld Uw transcendentale persoonlijke gedaante [Vishnu], alsmede de gedaante van degenen met enkel U voor ogen [de Vaishnava's], als zijnde het dierbaarst, o Allerhoogste Heer [zie ook 1.2: 26]. (47) Hij, de Allesdoordringende, Alomvattende Manifestatie en Meester van het Universum, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, bied ik mijn eerbetuigingen, daar Hij de hoogst aanbiddelijke godheid Nârâyana is, de wijze die de beste der mensen is die zich bevindt in volmaakte zuiverheid als de meester van de vedische geschriften die Zijn woord beheerst [zie hamsa]. (48) Hij inderdaad van wie, misleid door de begoochelende sluier over zijn ogen, zijn intelligentie op een dwaalspoor raakt wat betreft Zijn aanwezigheid in zijn eigen zinnen, zijn hart en zelfs in waargenomen voorwerpen, kan U, de Geestelijk Leraar van Allen, kennen als hij de vedische kennis verwerft, ook al was zijn begrip oorspronkelijk overdekt door Uw mâyâ. (49) De visie van de Opperziel, het mysterie onthuld door de vedische teksten, is waar de grote geleerden met de Ongeborene [Brahmâ] voorop verbijsterd over raken als ze proberen met allerlei filosofieën de kwestie van Zijn persoon aan hun manier van leven aan te passen. Want het is Hij die het begrip van de [geconditioneerde] geestelijke ziel tebovengaat, Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid die ik de eer betuig [vergelijk 1.3: 37, 4.31: 11, 4.18: 5, 5.6: 11, 5.14: 1, 7.15: 58, 11.19: 1, 11.20: 7 en B.G. 16: 23-24].

 

 




Hoofdstuk 9: Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

(1) S'rî Sûta zei: "De Allerhoogste Heer Nârâyana, de Vriend van Nara, die aldus door Mârkandeya, de intelligente wijze, naar behoren was gerespecteerd, sprak daarop voldaan tot de eminente navolger van Bhrigu. (2) De Opperheer zei: 'O beste man volmaakt verzonken in de ziel, u bent de beste van alle brahmaanse zieners want door uw verzakingen, recitaties en concentratie wijkt u niet af in uw toegewijde dienst aan Mij. (3) We zijn volkomen tevreden over uw gedurige vasthouden aan de grote gelofte. Ik wens u het beste. Doe alstublieft een wens naar keuze. Ik ben de Verlener van Alle Zegeningen die u wenst.'

(4) De achtenswaardige rishi zei: 'U o Heer der Heerscharen, o Onfeilbare, zegeviert als de Verdrijver van Al het Leed van de Overgegeven Ziel. We hebben genoeg aan de zegening Uw goede Zelf te hebben mogen aanschouwen. (5) Brahmâ en anderen kregen met een geest gerijpt in de yoga allen het zicht op Uw almachtige lotusvoeten en nu bent U in eigen persoon waarneembaar voor mijn ogen. (6) Niettemin zou ik o Lotusogige Kroonjuweel van de Roem, graag getuige willen zijn van het begoochelende vermogen waardoor de ganse wereld met inbegrip van haar leiders de Absolute Waarheid als een materiële verscheidenheid kennen [vergelijk B.G. 11: 3-4].'

(7) Sûta zei: 'O wijze [S'aunaka], de Opperheer die met deze woorden van de rishi naar wens was verheerlijkt en aanbeden zei met een glimlach tot hem 'Zo zij het'. Daarna vertrok de Heer naar Badarikâs'rama. (8-9) De rishi bleef enkel aan dat doel denkend [van het getuige zijn van de energie van de Heer] achter in zijn hermitage, en vereerde en bemediteerde onder alle omstandigheden de Heer zo goed hij kon [als aanwezig] in het vuur, de zon, de maan, het water, de aarde, de wind, de bliksem alsook in zijn hart. Verzonken in de stroom van zuivere liefde [prema] vergat hij dan soms zijn eerbetoon. (10) O beste van Bhrigu, toen de wijze op een dag met zijn avondritueel bezig was aan de oever van de Pushpabhadrâ, stak er een hevige wind op o brahmaan. (11) Die gaf een verschrikkelijk rumoer gevolgd door het verschijnen van dreigende wolken zo compact als wagenwielen die luid rommelden met blikseminslagen en overal striemende regenbuien. (12) Toen verschenen van alle kanten de vier oceanen die het aardoppervlak verzwolgen met hoog door de wind opgestuwde golven waarin zich samen met onheilspellende geluiden, angstwekkende draaikolken en verschrikkelijke zeemonsters bevonden. (13) Verbijsterd sloeg de wijze de schrik om het hart toen hij zag hoe de aarde onderstroomde en al de vier soorten bewoners van het universum [zoals geboren uit vocht, zaad, embryo's en eieren], met inbegrip van hemzelf, vanbinnen en vanbuiten werden geteisterd door de felle winden, de bliksemschichten en de golven water die hoger reikten dan de hemel. (14) Voor zijn ogen werd het water van de grote oceaan door orkanen tot kolken gebracht met angstwekkende golven terwijl het aanzwol door de regen uit de wolken en de ganse aarde met zijn continenten, eilanden en bergen overdekte. (15) Met de drie werelden, de aarde, de ruimte, de hemellichamen en hemelse oorden overstroomd aan alle kanten zwierf de wijze met zijn samengeklitte haar in wanorde rond als de enige overgebleven ziel, als was hij een blinde zonder verstand. (16) Honger en dorst lijdend, aangevallen door monsterachtige krokodillen en walvis-eters en geplaagd door de winden doolde hij, gekweld door de golven en overmand door vermoeidheid, door het eindeloze duister waarin hij was beland, niet meer wetend in welke richting van de hemel of de aarde hij zich begaf. (17-18) Soms verdrinkend in een grote draaikolk en dan weer gegeseld door de golven werd hij belaagd door monsters die hem het ene moment wilden opeten en het volgende moment elkaar aanvielen. In nood voelde hij zich soms ziek en leed hij pijnen met bij gelegenheid depressies, verbijstering, geluk en ongeluk, en vreesde hij dan weer voor zijn leven. (19) Talloze en talloze, honderden en duizenden jaren verstreken met hem verbijsterd ronddolend in die mâyâ, die begoochelende materiële energie van Vishnu.

(20) Op een dag, toen hij daar zo rondzwierf, ontdekte de tweemaal geboren ziel op een hoger gelegen stukje aarde een prachtige, jonge banyanboom met vruchten en bloesems. (21) Op een tak ervan in noordoostelijke richting zag hij in de vouw van een blad een baby jongetje liggen dat met Zijn uitstraling de duisternis opslokte [zie ook 3.33: 4]. (22-25) Verbaasd laafde die koning onder de geleerden zich met zijn ogen aan de aanblik van Zijn huidskleur die zo blauw was als een grote edelsteen, Zijn mooie lotusgezichtje, Zijn als een schelphoorn gestreepte nek, Zijn brede borst, fijne neusje en prachtige wenkbrauwtjes. Zijn mooie haartjes trilden mee met Zijn ademhaling, Zijn fraaie schelpvormige oortjes leken op de bloemen van een granaatappel, Zijn lippen van koraal kleurden met hun gloed de nectargelijke  bekoorlijke glimlach op Zijn gezicht rood en Zijn ooghoeken waren zo roze als de werveling van een lotus. Zijn ademen bewoog de plooien in Zijn buikje diep doorsneden door zijn naveltje dat leek op een blaadje en ... hij zag hoe het kindje met de genadige vingertjes van Zijn twee handjes een van Zijn lotusvoetjes beetgreep en die in Zijn mondje stak [*]. (26) Toen hij dat zag was zijn matheid bij toverslag verdwenen en spreidden zich van vreugde de lotus van zijn hart en zijn lotusogen wijd open. Met zijn haren te berge vroeg hij zich af wie die wonderlijke verschijning zou kunnen zijn en ging hij recht op het kindje af om een antwoord te vinden. (27) Precies op dat moment werd de man van Bhrigu met de adem van de baby als een mug in Zijn lichaam gezogen en stond hij hoogst verrast versteld toen hij vanuit die positie het ganse universum weer zag in zijn oorspronkelijke staat [van voor de vernietiging]. (28-29) Hij aanschouwde het ganse uitspansel van al de sterren, de bergen en de oceanen, de richtingen van de grote eilanden en de continenten. Hij zag de verlichte en onverlichte zielen, de bossen, de landen, de rivieren, steden en mijnen, de boerengehuchten, de weilanden en de verschillende bezigheden van de varnâs'rama samenleving. In dit als echt gemanifesteerde universum nam hij de basiselementen van de natuur waar en al hun grofstoffelijke manifestaties alsook de Tijd zelf in de vorm van de verschillende yuga's en kalpa's en elk ander voorwerp van nut in het materieel bestaan. (30) Toen hij met het universum voor zich de Himalaya's zag, de Pushpabhadrâ rivier en zijn hermitage waar hij de rishi's had ontmoet [Nara en Nârâyana], werd hij via de adem van de baby weer naar buiten gestoten en viel hij  terug in de oceaan der vernietiging. (31-32) En daar, op het hoge stuk grond in het water waar de banyan groeide, was er het kind weer liggend in de vouw van zijn blad, dat hem met een nectargelijke blik vol liefde aankeek vanuit Zijn ooghoeken. De aanblik van de baby in zijn hart plaatsend haastte hij zich hoogst opgewonden naar de Heer van het Voorbije om Hem in zijn armen te sluiten. (33) Datzelfde moment werd Hij, de Allerhoogste Heer, de meester van de yoga in eigen persoon die schuilt in het hart van alle levende wezens, opeens onzichtbaar voor de rishi, net zoals zaken die door een incompetent iemand zijn vervaardigd het plots kunnen laten afweten. (34) O brahmaan, Hem volgend verdwenen daarop meteen ook de banyan en de wateren der vernietiging van de wereld en trof hij zichzelf als voorheen aan recht voor zijn âs'rama."

*: Het kindje dat Zijn voetje in Zijn mondje stak werd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura geïnterpreteerd als zijnde de Heer die zegt, 'zie hoe lieflijk mijn voeten zijn naar de smaak van de toegewijde'.

 

 


Hoofdstuk 10: S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

(1) S'rî Sûta zei: "Hij die op deze manier de macht ervoer van de yoga-mâyâ zoals beschikt door Nârâyana, nam zijn toevlucht bij Hem. (2) S'rî Mârkandeya zei: 'Ik val aan de voetzolen van U die de angst wegneemt van hen die U benaderen, o Heer die met Uw begoochelende macht in de vorm van de kennis zelfs de geleerden verbijstert.' "

(3) Sûta zei: "De grote Heer Rudra [S'iva] die vergezeld door Rudrânî [Umâ] en omringd door zijn gevolg, door de hemel reisde op zijn stier, zag hoe hij aldus verzonken was in meditatie. (4-5) Toen Umâ de ziener gadesloeg zei ze tot Giris'a: 'Zie deze man van scholing, die met zijn lichaam, zinnen en geest roerloos zo rustig is als het water en de scholen vissen van de oceaan als de wind is gaan liggen. Alsjeblieft o jij die de verlener ervan bent, schenk hem de perfectie van zijn boetedoeningen.'

(6) De machtige Heer zei: 'Ik ben er zeker van dat de brahmaanse ziener op geen enkel terrein welke zegening dan ook verlangt, zelfs niet de bevrijding, hij heeft immers de bovenzinnelijke toegewijde dienst bereikt aan de Allerhoogste Heer, de Onuitputtelijke Oorspronkelijke Persoon. (7) Laten we niettemin gaan praten met deze zuivere toegewijde Bhavânî. Omgang te krijgen met de heilige zielen is inderdaad het hoogste wat de mens kan bereiken.' "

(8) Sûta zei: "Na dat gezegd te hebben ging hij, de meester van alle kennis, de meester van al de belichaamden en de grote Heer en toevlucht van de rechtschapen zielen, naar hem toe. (9) Met het stoppen van de functies van zijn denken, had hij [de wijze] noch weet van zichzelf of van de wereld om hem heen, noch van de aankomst van de twee over het universum heersende machten in eigen persoon. (10) Dat begrijpend drong Giris'a de meester, de grote Heer, de etherische beslotenheid van Mârkandeya's hart binnen middels zijn mystiek vermogen, zoals de wind door een opening waait. (11-13) S'iva verscheen bij hem vanbinnen met haarlokken helder als de bliksem, in het bezit van drie ogen en tien armen en zo hoog oprijzend als de zon. Samen met een tijgervel als kledingstuk, toonde hij zijn boog en drietand, pijlen en zwaard, schild, gebedskralen, damaru (een klein trommeltje), een bijl en een schedel. Toen hij hem zich plotseling voor zijn geestesoog zag manifesteren, zag de wijze af van zijn staat van vervoering en vroeg hij zich verwonderd af: 'Wie is dit en waar komt hij vandaan?'

(14) Zijn ogen openend en ziend dat Heer Rudra was gearriveerd met zijn metgezellen en met Umâ, bracht de wijze met zijn hoofd zijn eerbetuigingen voor de ene goeroe der drie werelden. (15) Hij vereerde hem samen met zijn gezelschap en Umâ met woorden ter verwelkoming, zitplaatsen, water voor de voeten, water om te drinken, geparfumeerde olie, bloemenslingers, wierook en lampen. (16) Hij zei: 'O machtige, wat kan ik voor u betekenen o Heer die het universum tot vrede beweegt middels de complete voldoening van uw extatische ervaring?  (17) Ik betuig u de eer die behagen schept in de geaardheid onwetendheid, u die de hartstocht toegewijd, schrikwekkend bent en u die plezier verschaft in de geaardheid goedheid.' "

(18) Sûta Gosvâmî zei: "Geprezen met deze woorden richtte hij, de machtige Heer, de belangrijkste van de halfgoden en de toevlucht voor de waarachtige ziel, volmaakt tevredengesteld met een gelukkige geest glimlachend het woord tot hem. (19) De grote Heer zei: 'Alstublieft, doe een wens naar uw keuze, want van al de [halfgoden] wensvervullers zijn wij drieën de [guna-avatâra] Heren door de aanblik van wie een sterfelijk wezen de onsterfelijkheid vindt. (20-21) De plaatselijke heersers en bewoners van alle werelden, ik, de grote Heer Brahmâ en Heer Hari, verheerlijken, aanbidden en staan hen bij die zowel vroom, vredig als vrij van gehechtheid zijn, die zorg dragen voor alle levende wezens en vrij van vijandigheid en iedereen gelijkgezind, doelbewust onze toegewijde is. (22) Zij [deze toegewijden] maken zelfs niet het geringste onderscheid tussen mij, de Onfeilbare en de ongeborene, noch tussen henzelf en andere mensen en daarom prijzen wij u. (23) Watervlakten zijn op zich nog geen heilige oorden en beeltenissen zijn op zich levenloos; zij zuiveren de ziel pas na een lange tijd, maar u doet dat door enkel gezien te worden [zie ook 10.48: 31]. (24) Wij bewijzen de brahmanen de eer die onze gedaanten zoals vertegenwoordigd door de drie Veda's bij zich dragen en die door boetedoeningen, studie en concentratie in yoga, [samyama] verzonken zijn in het Ware Zelf. (25) Zelfs de grootste zondaars en uitgestotenen vinden zuivering als ze u zien en over u vernemen, en wat houdt dat wel niet in als men rechtstreeks met u spreekt [zie ook 7.14: 17, 10.64: 41-42]?' "

(26) Sûta Gosvâmî zei: "Aldus met zijn oren drinkend van het nectarreservoir van woorden vol van het geheim van het dharma van de-met-de-maan-gesierde, was de wijze niet voldaan. (27) Hij die vanwege Vishnu's mâyâ zo lang ronddolend enorm was uitgeput, was door S'iva's nectargelijke woorden bevrijd van een berg moeilijkheden en sprak tot hem. (28) S'rî Mârkandeya zei: 'Ach, hoe ondoorgrondelijk voor de belichaamden is dit spel van de grote heren: ze bieden hun eerbetuigingen aan degenen die onder hun controle staan en die hen als de heersers van het universum vereren! (29) Doorgaans zetten de gezaghebbende sprekers zich in voor het aanvaarden van de religie en geven ze voor dat doel uiting aan hun medeleven en waardering voor het juiste gedrag van de geconditioneerde zielen. (30) Zo'n opstelling van de Fortuinlijke [en Zijn metgezellen] doet niets af aan de macht van Zijn activiteiten gevormd door Zijn begoochelende energie mâyâ, net zoals de trucs van een goochelaar niets afdoen aan zijn kunnen. (31-32) Hij die als de Superziel vanuit Zijn geest [middels Zichzelf in de vorm van de Tijd] dit universum schiep en er vervolgens in binnenging [als avatâra's], manifesteert Zich als zijnde de doener middels de werkende geaardheden der natuur, net als iemand getuige van een droom. Laat me mijn eerbetuigingen brengen voor Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid die optredend middels de drie guna's het ware Zelf is dat over hen heerst. Hij is de zuivere ongeëvenaarde geestelijk leraar die de oorspronkelijke gedaante van de Absolute Waarheid is [zie B.G. 4: 13, 13: 30, 14: 19]. (33) Met u voor ogen kan een persoon alles bereiken wat hij zich maar wenst, ongeacht wat. Maar welke andere zegening moet ik nu van u verlangen o alles doorvarende Heer wiens aanwezigheid zelf het hoogste is [dat men kan bereiken]? (34) Niettemin vraag ik u die staat voor het Volkomene dat de vervulling van alle wensen inhoudt, om één zegening: de niet aflatende toegewijde dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid van God en zowel aan u als aan hen die Hem zijn toegewijd.' "

(35) Sûta Gosvâmî zei: "Aldus aanbeden en verheerlijkt met de goed geformuleerde woorden van de wijze, zei S'arva de grote Heer, daartoe aangemoedigd door zijn wederhelft: (36) 'O grote wijze vol devotie voor Adhokshaja, moge alles wat u verlangt in vervulling gaan. En ook wens ik u tot het einde van de kalpa roem, vroomheid en vrijheid van ouderdom en dood toe. (37) Moge u kennis hebben van de drievoudige aard van de tijd [tri-kâlika] o brahmaan, alsmede wijsheid in combinatie met een vrij hart. Moge er voor u die met brahmaanse macht gezegend bent de status zijn van leraar van de Purâna.' "

(38) Sûta Gosvâmî zei: "Nadat hij de wijze deze zegeningen had toegekend ging hij, de Heer met de drie ogen, weg waarbij hij de godin [Pârvatî] vertelde wat hij [Mârkandeya] in het verleden had volbracht en ondervonden. (39) Hij, die beste ziel van Bhrigu, die in de yoga de glorie van de hoogste perfectie had bereikt, reist zelfs vandaag de dag nog aantoonbaar rond op zijn weg van het dienen van de Heer in exclusieve toewijding. (40) Dit is wat ik u kon beschrijven van het verbazingwekkende vermogen van de begoochelende energie van de Hoogste Persoonlijkheid zoals ervaren door de intelligente Mârkandeya. (41) Sommigen beweren dat dit ongekende leven [van de wijze niets meer dan] het herhaaldelijk geboren worden is van de mens in de begoochelende schepping van de Allerhoogste Ziel, maar ze hebben er geen idee van waar ze het over hebben. (42) O beste van Bhrigu [S'aunaka], het verhaal dat ik beschreef is doortrokken van de macht van de Heer met het Wagenwiel in Zijn Hand [Krishna, de Heer van de Tijd]; voor een ieder die het hoort dan wel een ander er naar doet luisteren zal er nimmer een herhaling van geboorten, een werelds geconditioneerd bestaan zijn, gebaseerd op karma."

 

 


Hoofdstuk 11: Vishnu's Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

(1) S'rî S'aunaka zei: "O grote toegewijde van de Allerhoogste Heer welbekend met de essentie. U o beste kenner die zo veel weet, vragen wij nu over deze kwestie van de uiteindelijke conclusie van al de aanvullende geschriften [de tantra's]. (2-3) We wensen u alle geluk! Beschrijf alstublieft voor ons die het graag willen weten, de kriyâ-yoga methode van tewerk gaan met Zijn gedaante waarmee deskundig uitgevoerd, een sterfelijk iemand de onsterfelijkheid kan bereiken. Hoe halen de volgers van de tantrische voorschriften [de tântrika's] in hun gebruikelijke aanbidding zich de ledematen, metgezellen, wapens en ornamenten voor de geest van de Meester van de Godin van het Geluk die het zuivere bewustzijn is in eigen persoon?"

(4) Sûta zei: "Mijn eerbetuigingen voor de goeroes! Ik zal spreken over de volheden van Heer Vishnu die door de gevestigde autoriteiten beginnende bij Padmaja [Heer Brahmâ geboren op de lotus] worden beschreven in de Veda's en tantra's. (5) Hij, de universele gedaante [het complete universum, de virâth-rûpa], bestaat uit de negen elementen der schepping [de tattva's] beginnende met mâyâ [of prakriti] en hun [zestien] transformaties [vikâra's]. In dat bewuste bestaan worden de drie voortgebrachte werelden [loka's] waargenomen [zie ook 11.22: 4-25]. (6-8) Deze gedaante van de Purusha heeft de aarde als Zijn voeten, de hemel als Zijn hoofd, de [interplanetaire] ruimte als Zijn navel, de zon als Zijn ogen, de lucht als Zijn neusgaten en de windrichtingen als Zijn oren. De Meester, de Heer heeft de Prajâpati als Zijn geslachtsdeel en de dood als Zijn anus. De Absolute Heerser heeft de plaatselijke heersers [de halfgoden] als Zijn vele armen, de maan als Zijn geest, yama [of Yama] als Zijn wenkbrauwen, de schaamte als Zijn bovenlip en begeerte als Zijn onderlip. Het maanlicht vormt de tanden, begoocheling vormt de glimlach, de bomen vormen de haren op het lichaam van de Almachtige Heer en de wolken zijn het haar op het hoofd van de Purusha [zie ook b.v. 2.6: 1-11, 2.10: 24-32, 10.40: 13-14, 11.12: 18-20]. (9) Net zoals men de afmetingen van een normaal individu kan bepalen door de spreiding van zijn ledematen te meten, kan men de afmetingen van Hem, de Gigantische Persoon, vaststellen aan de hand van de spreiding der zonnestelsels [zie ook 5.20-24]. (10) Het Kaustubha-juweel dat de Ongeborene draagt vertegenwoordigt het geestelijk licht van de individuele ziel. Het S'rîvatsa-teken op de borst van de Almachtige vertegenwoordigt de zich uitbreidende gloed daarvan [van dat juweel/van de ziel]. (11-12) Zijn materiële energie bestaande uit verschillende combinaties van de natuurlijke geaardheden wordt vertegenwoordigd door Zijn bloemenslinger, het gele gewaad dat Hij draagt staat voor de Vedische versmaten en Zijn heilige draad staat voor het drie letters tellende AUM. Het proces van sânkhya en yoga draagt de Godheid in de vorm van Zijn makara ['zeemonster'] oorhangers, en Zijn kroon, die al de werelden bevrijdt van angst, vertegenwoordigt de superieure [bovenzinnelijke] positie. (13) De zitplaats waarop Hij zich bevindt wordt Ananta genoemd [het slangenbed] - het is de niet-geëvolueerde materie [pradhâna, de oerether] en de lotus [de troon van de Heer] daarop is de goedheid geassocieerd met dharma, spirituele kennis en zo meer. (14-15) De knots die Hij draagt vormt het hoofdelement [de prâna of vitale adem] met betrekking tot het zinsvermogen, de lichaamskracht en de geesteskracht, Zijn excellente schelphoorn staat voor het waterelement en Zijn Sudars'ana-schijf is het principe van tejas [het vitaal vermogen, de waardigheid, het vuur in de strijd]. Zijn zwaard is, [zuiver] als de atmosfeer, het ether-element, Zijn schild bestaat uit de geaardheid onwetendheid, Zijn boog S'ârnga is de specifieke orde [of geest, de rûpa] van de tijd, en Zijn pijlenkoker bestaat uit het karma [de arbeid der karmendriya's]. (16) Zijn pijlen, zo zegt men, staan voor de zinnen, Zijn strijdwagen vormt de aanzet tot actie [de geest], Zijn uiterlijke verschijning vormt de voorwerpen der waarneming [de tanmâtra's], en Zijn gebaren [mudrâ's] representeren de essentie van het doelbewust handelen. (17) De cyclische orde [van de tijd, te weten de zon en de maan] vormt de grondslag voor het oefenen van respect voor de Godheid, spirituele initiatie [dîkshâ] vormt het zuiveringsproces van de geestelijke ziel en toegewijde dienst voor de Fortuinlijke is hoe men een einde maakt aan een slechte gang van zaken (zonde). (18) De verheven lotus van Bhagavân's spel en vermaak verwijst naar de betekenis van het woord bhaga [Zijn volheden] en de waaier en de wuifkwast die de Opperheer heeft aanvaard voor Zijn aanbidding zijn de religie en de roem. (19) Beste brahmanen, Zijn parasol is Vaikunthha, de plaats vrij van dwaasheid en hij die Suparna heet [Garuda] en de drager is van de Persoonlijkheid van het Offer [Vishnu of Yajña], verpersoonlijkt de drievoudige Veda [zie voetnoot]. (20) De van de Heer onafscheidelijke godin S'rî vormt Zijn waarneembaar innerlijk vermogen [*], Vishvaksena staat bekend als de verpersoonlijking van de tantra-geschriften en de acht wachters met Nanda aan het hoofd [**] staan voor de Heer Zijn kwaliteiten van animâ en dergelijke [siddhi's]. (21) Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha zijn, zoals u weet, de namen van de manifeste gedaanten [de vyûha expansies] van de Oorspronkelijke Persoon Zelf o brahmaan [S'aunaka]. (22) Bhagavân, de Allerhoogste Heer, kan worden besproken in termen van [de staten van bewustzijn betreffende] het gehele universum [vis'va], het gepassioneerde ego [taijasa], het individuele leren [prâjnã] en de transcendentie [turîya] die staan voor [respectievelijk Zijn] functies van [het alomtegenwoordige waarnemen van] de uiterlijke voorwerpen [zoals belichaamd door de expansie van Zijn geest Pradyumna], van de waarnemingszin zelf [van de kracht, door de expansie van Zijn ego Sankarshana], van degene die waarneemt [van de expansie van Zijn persoonlijke intelligentie Aniruddha] en van de spirituele zelfrealisatie [de bovenzinnelijke zaligheid van Hem, Vâsudeva]. (23) In Zijn vier persoonlijke gedaanten [Zijn expansies] handhaaft Bhaga-vân [Hij in het bezit van de volheden], de Heer en Beheerser, deze vier staten met Zijn grotere [armen; zoals in vers 14-15] en kleinere ledematen [Zijn toegevoegde leden, Zijn wachters], Zijn wapens en Zijn sierselen. (24) O beste der brahmanen, Hij alleen is de zelfverlichte bron van de Absolute Waarheid [de Veda's] die, volmaakt in Zijn eigen grootheid en volledigheid, middels Zijn eigen materiële energie dit universum schept, handhaaft en terugtrekt. In die hoedanigheid [als de uitvoerder van verschillende materiële functies] wordt Hij, die niet versluierd wordt in Zijn transcendentale bewustzijn, [soms] beschreven als zijnde materieel ontvouwd [als verdeeld]. [Maar] door hen die Hem zijn toegewijd kan Hij worden gerealiseerd als hun ene ware zelf, hun eigen Ziel. (25) S'rî Krishna, vriend van Arjuna, leider van de Vrishni's,  Vernietiger van de Opstandige Adellijke Geslachten wiens kunnen nimmer vergaat, o Govinda, bedevaartsoord wiens heerlijkheden, die het heil brengen door er enkel maar over te vernemen, worden bezongen door Vraja's koeherdersmannen en -vrouwen en zij die van hen afhankelijk zijn, alstUblieft bescherm Uw dienaren! (26) Een ieder die 's morgens vroeg opstaat en met zijn geest in Hem [in tat] verzonken voor zichzelf deze kenmerken van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon bemediteert, komt tot de realisatie van de Absolute Waarheid aanwezig in zijn hart."

(27-28) S'rî S'aunaka zei: "De grote wijze S'uka beschreef voor de luisterende koning Parîkchit ['de genade van Vishnu'] de zeven [paren van] begeleiders van de zonnegod die iedere maand een verschillende positie innemen. Spreek alstublieft voor ons zo trouw, over de namen en bewegingen van deze expansies van de Heer Zijn manifestatie als Sûrya, en de godheden die erbij betrokken zijn [zie ook 5.21: 18]."

(29) Sûta zei: "Deze regulator van al de planeten [de zon] die in hun midden ronddraait [rondom de berg Meru, zie 5.22: 2] werd [door de Heer in de gedaante van de Tijd] geschapen uit de [proto-]materiële oerenergie [pradhâna] van Vishnu, de Opperziel van alle belichaamde wezens. (30) De zon als de enige echte Heer, de oorspronkelijke schepper en het zelf, van al de [planetaire] werelden, vormt de basis voor alle rituele activiteiten van de Veda's die door de wijzen verschillend worden omschreven. (31) O brahmaan, de materiële energie van de Heer wordt aldus in negenen beschreven: de tijd, de plaats, de onderneming, de uitvoerder, het instrument, het specifieke ritueel, de schrift, de hulpmiddelen en het resultaat  [vergelijk B.G. 18: 13-15].

(32) De Opperheer is er, met het aannemen van de gedaante van de Tijd, voor de [regulatie van de] planetaire beweging overeenkomstig de regel van twaalf [maanden of mâsa's, zie ook B.G. 10: 21], beginnende met Madhu. In ieder van de twaalf beweegt Hij zich [als de begeleider van de zonnegod zich] verschillend met Zijn [zes] metgezellen [Hij als een bepaalde Deva met een zekere Apsara, Râkshasa, Nâga, Yaksha, wijze en Gandharva]. (33) Dhâtâ [als de Sûrya Deva], Kritasthalî [als de Apsara], Heti [als de Râkshasa], Vâsuki [als de Nâga], Rathakrit [als de Yaksha], Pulastya [als de wijze] en Tumburu [als de Gandharva] zijn degenen die heersen over de maand Madhu [of Caitra bij de lente-equinox, maart/april]. (34) Aryamâ, Puñjikasthalî, Praheti, Kacchanîra, Athaujâ, Pulaha en Nârada zijn [op dezelfde manier zo respectievelijk] degenen die heersen over de maand Mâdhava [Vais'âkha, april/mei]. (35) Mitra, Menakâ, Paurusheya, Takshaka, Rathasvana, Atri en Hâhâ zijn degenen die heersen over de maand S'ukra [Jyaisthha or Jeshthha, mei/juni]. (36) Varuna, Rambhâ, Citrasvana, S'ukra, Sahajanya, Vasishthha en Hûhû zijn degenen die heersen over de maand S'uci [Âshâdha, juni/juli]. (37) Indra, Pramlocâ, Varya, Elâpatra, S'rotâ, Angirâ en Vis'vâvasu zijn degenen die heersen over de maand Nabhas [S'râvana, juli/augustus]. (38) Vivasvân, Anumlocâ, Vyâghra, S'ankhapâla, Âsârana, Bhrigu en Ugrasena zijn degenen die heersen over de maand Nabhasya [Bhâdrapada, augustus/september ***]. (39) Pûshâ, Ghritâcî, Vâta, Dhanañjaya, Suruci, Gautama en Sushena zijn degenen die heersen over de maand Tapas [Mâgha, januari/februari]. (40) Parjanya, Senajit, Varcâ, Airâvata, Ritu, Bharadvâja en Vis'va zijn degenen die heersen over de maand Tapasya [Phâlguna, februari/maart]. (41) Ams'u, Urvas'î, Vidyucchatru, Mahâs'ankha, Târkshya, Kas'yapa en Ritasena zijn degenen die heersen over de maand Sahas [Mârgas'îrsha, november/december]. (42) Bhaga, Pûrvacitti, Sphûrja, Karkothaka, Ûrna, Âyu en Arishthanemi zijn degenen die heersen over de maand Pushya [Pausha, december/januari]. (43) Tvashthâ, Tilottamâ, Brahmâpeta, Kambalâs'va, S'atajit, Jamadagni de zoon van Ricîka en Dhritarâshthra als de Gandharva zijn degenen die heersen over de maand Isha [Âs'vina, september/oktober]. (44) En Vishnu, Rambhâ, Makhâpeta, As'vatara, Satyajit, Vis'vâmitra en Sûryavarcâ zijn degenen die heersen over de maand Ûrja [Kârttika, oktober/november].

(45) Al dezen [deze persoonlijkheden] vormen de heerlijkheden van Vishnu, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van de zonnegod; zij nemen van hen die dag na dag, 's morgens en 's avonds aan hen denken, de terugslagen van de zonde weg. (46) De Heer die zich [als de Deva] met zijn metgezellen aldus in alle richtingen door dit universum beweegt, verspreidt daarmee in ieder van de twaalf maanden een zuiver bewustzijn voor zijn bewoners in dit en een volgend leven. (47-48) Terwijl de wijzen Hem verheerlijken met de Sâma-, Rig- en Yajur-hymnen die Zijn identiteit openbaren, zingen de Gandharva's hardop over Hem, dansen de Apsara's recht voor Hem, maken de Nâga's de wagen klaar, spannen de Yaksha's de paarden in en duwen de sterke Râkshasa's hem vooruit. (49) Voor de wagen uit gaan de zestigduizend zuivere Vâlakhilya brahmaanse wijzen van eerbetoon met gebeden voor de Almachtige [zie ook 4.1: 39]. (50) De Ongeboren Heer Hari, de Hoogste Meester, Hij van alle vermogens die Zijn begin en einde niet kent, beschermt de werelden door zich aldus in iedere kalpa in [al deze] verschillende gedaanten uit te breiden."

Drievoudige Veda: De Rig- Yajur- en Sâma Veda zijn de drie Veda's van de belangrijkste oorspronkelijke verdeling van de Vedische verzen die ook wel trayî vidyâ wordt genoemd. Ze gaan over het reciteren van hymnen (Rig), het uitvoeren van offers (Yajur) en het zingen van liederen (Sâma). De Atharva Veda is een latere toevoeging die handelt over de zogenaamde âtharvanas, de procedures voor het dagelijks leven.

*: Volgens de Skanda Purâna in de verzen beginnend met 'aparam tv aksharam yâ sâ' zijn er drie onfeilbare energieën aldus: de uitwendige materiële energie van mâyâ, het inwendig vermogen van Sr'î en de Allerhoogste energie van de Purusha, de Heer Zelve.  

**: De Padma Purâna (256.9-21) somt achttien bewakers of begeleiders van de Heer op: Nanda, Sunanda, Jaya, Vijaya, Canda, Pracanda, Bhadra, Subhadra, Dhâtâ, Vidhâtâ, Kumuda, Kumudâksha, Pundarîksha, Vâmana, S'ankukarna, Sarvanetra, Sumukha en Supratishthhita.  

***: Op dit punt is gebroken met de reguliere orde van de maanden. De verschillende vertalers zijn het niet eens over de oorzaak van deze volgorde en sommigen hebben het voorstel gedaan om de volgorde van de verzen aan te passen om dit recht te zetten.

 

 


Hoofdstuk 12: De Onderwerpen van het S'rîmad Bhâgavatam Samengevat

(1) Sûta zei: "Met mijn eerbetuigingen voor Heer Krishna, voor de schepper, voor de brahmanen en voor het allerhoogste van het dharma, zal ik nu de eeuwige aard der religie bespreken [in termen van de onderwerpen besproken in het Bhâgavatam]. (2) O wijzen, ik vertelde u op uw verzoek over de wonderbaarlijke wederwaardigheden van Heer Vishnu die zich bij uitstek lenen voor mensen met respect voor de persoon. (3) In dit [verhaal] gaat het zonder meer om de verheerlijking van de Heer, Hij Die Alle Zonden Wegneemt, Nârâyana, de Heer der Zinnen, de Allerhoogste Persoonlijkheid en Meester van de Sâtvata's. (4) Hierin wordt de schepping en vernietiging van dit universum en de vertrouwelijke kennis van de Ene Op-zichzelf-bestaande Allerhoogste Geest besproken, met inbegrip van het zuivere waarnemen en hoe die [zelf-]realisatie moet worden gecultiveerd.

(5-6) Bhakti-yoga en de verzaking die erbij hoort wordt uitvoerig besproken [in 1.2, 7.5-10 en 11.29], evenals de geschiedenis van Nârada [1.4-6] en het verhaal van Parîkchit dat beschrijft hoe de wijze onder de koningen vast tot de dood erop volgt vanwege een vloek van [de zoon van] een wijze waarbij hij een gesprek had met S'uka, de beste der brahmanen [zie 1.8-18]. (7) Wat volgt is een bespreking van hoe men geconcentreerd in de yoga kan heengaan [2.2.15-21], een gesprek tussen Nârada en Brahmâ [2.5], de reeks van avatâra's [1.3 en 2.7] en hoe het evolutieproces zich voltrekt vanuit de primaire natuur [de pradhâna, 3.26.10-72]. (8) Vervolgens is er het gesprek dat Vidura voerde met Uddhava [3.1: 25 - 3.4], het gesprek dat Vidura had met Maitreya [3.5 - 4.31], [voorafgegaan door] wat een Purâna inhoudt [in algemene zin, zie 2.10: 1 en 12.7: 9-10], waarop een bespreking volgt van het onderwerp van het weer in Zich opnemen van de schepping door de Mahâpurusha [2.10: 6, 3.11: 30, 8.5: 35, 11.3: 8-15, 12.4]. (9) Wat volgt is de schepping zoals die plaatsvindt vanuit de [geaardheden van de] materiële natuur en de totstandkoming van de zeven afgeleiden [van mahat, ahamkâra en de tanmâtra's, zie 3.20: 12-17], die ontstaan met de evolutie van het ei van het universum waaruit zich de universele gedaante van de Heer ontwikkelt [3.6]. (10) De grove en subtiele bewegingen van de tijd [3.11, komen eveneens aan bod alsook] hoe de lotus tot stand komt [3.8] en het doden van Hiranyâksha om de aarde te bevrijden uit de oceaan [3.17-19]. (11) [Dan is er een bespreking van] de schepping van de hogere wezens, de dieren en de lagere schepselen [3.12: 37-48], de geboorte van Rudra [3.12] en het verschijnen van Svâyambhuva Manu vanuit de man/vrouw verdeling van de Heer [zie 3.12: 49-53, 4.1]. (12-13) [Besproken zijn] de nakomelingen van de eerste vrouw S'atarûpâ de uitnemende gemalin [van Manu], het nageslacht van [de negen dochters van Devahûti] de vrome echtgenote van de stamvader Kardama [zie 3.24: 20-25 en 4.1], het nederdalen van de Opperziel, de Allerhoogste Persoon Heer Kapila en de conversatie die de geleerde Kapila had met Devahûti [Zijn moeder, 3.25-33]. (14-15) De verhalen over de nakomelingen van de negen brahmanen [die met Kardama's dochters trouwden, 4.1], de vernietiging van Daksha's offerplechtigheid [4.2-7] en de geschiedenis van Dhruva [4.8-13] worden dan gevolgd door die over Prithu [4.15-23] en Prâcînabarhi [4.24-29], zijn gesprek met Nârada [4.29] en de verhalen over Priyavrata [5.1], Nâbhi [5.3] en het leven van Rishabha [5.3-6] en Bharata Mahârâja o brahmanen  [5.7-13]. (16) De continenten, subcontinenten en de oceanen, de bergen en rivieren worden in detail beschreven [5.19-20] alsmede het geheel van het uitspansel [5.21-23] en de situatie van de lagere werelden en de hel [5.24-26]. (17) [Er zijn dan de beschrijvingen van] Daksha's [weder-]geboorte als de zoon van de Pracetâ's [6.4] en de nakomelingen van zijn dochters die de halfgoden, de demonen en de menselijke wezens vormen, de [zoog-]dieren, de serpenten, de vogels en andere diersoorten [6.6]. (18) [Ook is er melding van] de geboorte en dood van [Vritra, 6.9-12] de zoon van Tvashthâ en de twee zoons van Diti, Hiranyâksha [3.14-19] en Hiranyakas'ipu o brahmanen, alsmede de geschiedenis van de grote ziel Prahlâda, de heer der Daitya's [7.2-8]. (19-20) De regeerperioden van de Manu's worden tot in detail beschreven [8.1], de verlossing van de koning der olifanten [Gajendra, 8.2-4] en de avatâra's van Heer Vishnu voor iedere periode van Manu [8.5 en 13], zoals Hayas'îrshâ [8.24: 8 en 57; 5.18: 1], Nrisimha [7.9-10], Vâmana [8.18-22], Mâtsya [8.24] en de nederdaling van Kûrma om het karnen door de bewoners van de hemel [te ondersteunen] van de nectar uit de melkoceaan [8.7-8]. (21) [Dan is er een verslag van] de grote oorlog tussen de demonen en de goden [8.10] alsook van de opeenvolging van de dynastieën der koningen [9.2, 7, 9, 12, 13, 17, 20-24], die van de grote ziel Sudyumna [9.1] en de geboorte van Ikshvâku en zijn dynastie [9.6]. (22) In dit boek worden de verhalen over Ilâ [9.1: 16-27] en Târâ [9.14: 4-13] besproken met inbegrip van een relaas over de afstammelingen van de Sûrya-vams'a, zoals S'as'âda [Vikukshi, 9.6: 6-11] en Nriga [9.1: 11-12, 9.2: 17 en 10: 64]. (23) Dan zijn er de verhalen over Sukanyâ [9.3], [de dochter van] S'aryâti, de intelligente Kakutstha [Purañjaya, 9.6: 12-19], Mândhâtâ [9.6: 33-37 en 9.7], Saubhari [9.6], Sagara [9.8] en Khathvânga [9.9: 41-47]. (24) De handelingen van Heer Râmacandra, de Koning van Kos'ala, die alle zonde verdrijven [komen aan de orde, 9.10 en 11], Nimi, die zijn materiële lichaam opgaf [9.13], en ook het verschijnen van de nakomelingen van koning Janaka [ofwel S'îradhvaja, wordt besproken 9.13: 18-27]. (25-26) De uitroeiing van de heersende klasse door Heer Paras'urâma, de grootste navolger van Bhrigu [wordt besproken, 9.15 en 16] alsmede Aila [Purûravâ, 9.14 en 15], Nahusha [9.18: 1], Yayâti [9.18 en 19], Dushmanta's zoon Bharata [9.20], S'ântanu [9.22: 12-13] en S'ântanu's zoon Bhîshma [9.22: 18-19] van de Candra-vams'a en de beroemde dynastie van Yadu, de oudste zoon van Yayâti [9.23: 18-29]. (27) [Het is] de dynastie waarin de Opperheer die we kennen als Krishna, de Meester van het Universum, nederdaalde in het huis van Vasudeva. Vervolgens wordt Zijn geboorte [10.3] beschreven en hoe Hij opgroeide in Gokula [10.4-10]. (28-30) Daarop worden Zijn talloze wapenfeiten verheerlijkt: hoe Hij de melk samen met de levensadem wegzoog uit Pûtanâ [10.6], hoe Hij als een kind de kar kapot maakte en Trinâvarta eronder kreeg [10.7], Hij Baka, Vatsa [10.11] en Agha doodde [10.12], [en hoe Hij tewerk ging met] Brahmâ die de kalveren en jongens had verborgen [10.13 en 14], hoe Hij met Zijn kameraden een eind maakte aan Dhenuka [10.15] en Pralamba [10.18] en hoe Hij hen [de gopa's] redde uit een bosbrand die hen had ingesloten [10.17 en 19]. (31-33) Er is [het verhaal over] het temmen van de slang Kâliya [10.16-17]; de tevredenheid van de Onfeilbare over de  geloften in acht genomen door de jonge gopî's [10.21 en 22], de genade voor de spijtige vrouwen van de brahmanen die een offer brachten [10.23], het optillen van de berg Govardhana [10.25], de aanbidding en het rituele baden daarop uitgevoerd door Indra en Surabhi [10.27], Krishna's nachtelijke spel en vermaak met de gopî's [10.29-33], het redden van Nanda Mahârâja [uit de bek] van een groot serpent [10.34] en het doden van de dwaze S'ankhacûda [10.34], Arishtha [10.36] en Kes'î [10.37]. (34) [Er is de beschrijving van] Akrûra [10.38] die arriveert en het erop volgende vertrek van Râma en Krishna, de treurnis van de vrouwen van Vraja [10.39] en de rondgang [van de Heren] in Mathurâ [10.41]. (35) Het doden van de olifant Kuvalayâpîda [10.43], van de worstelaars Mushthika en Cânûra, en van Kamsa en anderen [10.44] wordt besproken, alsook het weer terughalen van de zoon van Sândîpani, de goeroe [10.45]. (36) Verblijvend in Mathurâ in het gezelschap van Uddhava en Balarâma o brahmanen, was er het spel en vermaak van de Heer om de kring der Yadu's te behagen [10.48]. (37) [Daarop volgen de verhalen over] de vele malen herhaalde vernietiging van de troepen die door Jarasândha werden bijeengebracht [10.50], de grondvesting van Dvârakâ en het doden van de koning der barbaren [Kâlayavana, 10.51]. (38) [Dezen worden gevolgd door beschrijvingen van] de ontvoering van Rukminî waarbij de Heer Zijn rivalen in de strijd versloeg [10.53] en het verwerven van de pârijâta-boom en de Sudharmâ-zaal uit de hemel van de halfgoden [van Indra, 10.50: 54]. (39) Het ter dood brengen van de meester van Prâgjyotishapura [Bhauma ofwel Naraka] en het wegbrengen van de jonge maagden [komt ter sprake in 10.59] met daarop volgend het afgedwongen gapen van S'iva in de slag met Bâna en het afsnijden van Bâna's armen [10.63]. (40-41) Het [Bhâgavatam bespreekt tevens] de macht en de dood van Pañcajana [10.45: 40-41], S'ambara [10.55], Pîthha [10.59], Mura [10.59], Dvivida [10.67], de koning van Cedi [10.74], S'âlva [10.76-77], de dwaze Dantavakra [10.78] en anderen, hoe de Pândava's [voor Krishna] de directe aanleiding vormden om de last van de aarde weg te nemen [10.49] en hoe het afbranden van Vârânasî tot stand kwam [10.66]. (42-43) [Er is het verhaal van] het terugtrekken van Zijn eigen familie [11.30] onder het voorwendsel van de vloek van de brahmanen [11.1] en de schitterende conversatie die Vasudeva's Zoon had met Uddhava waarin de wetenschap van het ware zelf zijn volle uitdrukking vond met het vaststellen van het dharma [hoe men met Krishna moet leven als Hij fysiek niet meer aanwezig is, zie 11.6-29]. Vervolgens [wordt] Zijn verzaken van de wereld der sterfelijke zielen bij machte van Zijn eigen mystieke vermogen [besproken, 11.31]. (44) [Ook besproken zijn] de kenmerken van de verschillende yuga's en de met hen samenhangende gedragingen [11.17 en 12.3], de verstoordheid van de mensen in Kali-yuga [12.1-3], de vier typen van vernietiging en drie [guna] soorten van schepping [12.4]. (45) [Ten slotte is er een verslag over] Vishnurata [Parîkchit], de intelligente vrome koning die zijn lichaam moest opgeven [12.6-7], het verhaal over hoe de ziener [Vyâsa en anderen] de verschillende takken van de Veda overdroeg [12.6-7], de vrome geschiedenis van Mârkandeya [12.8-10] en een beschrijving van de samenstelling van de [universele gedaante van de] Mahâpurusha alsmede de regeling [van de tijd] in relatie tot de zon, het zelf van het universum [12.11].

(46) Aldus werd door mij o beste der brahmanen, hier alles besproken waar u om vroeg. Daarmee heb ik het geheel van de handelingen geprezen van de lîlâ-avatâra's van de Heer. (47) Als men valt, struikelt, zich bezeert of niest en dan spontaan hardop uitroept 'haraye namah' (eerbetuigingen aan Hari), raakt men bevrijd van alle [terugslagen van de] zonde. (48) Van personen die de Allerhoogste Heer prijzen en vernemen over de macht van de Onbegrensde, wordt al de kwaadheid die het hart binnendringt geheel weggewassen, precies zoals de zon de duisternis wegneemt of een sterke wind de wolken verdrijft. (49) Valse, zinledige, loze woorden zijn al die discussies waarin niet de Allerhoogste Heer in het Voorbije wordt besproken. Alleen die verhalen zijn waar, zijn gunstig en verdienstelijk die de kwaliteiten van de Fortuinlijke als conclusie hebben. (50) Die woorden zijn aangenaam, aantrekkelijk en steeds weer nieuw die de heerlijkheden van Uttamas'loka, Hij die Geprezen wordt in de Verzen, bezingen; voor de geest houden ze een onophoudelijke grote viering in die voor iedereen de zee van ellende doet opdrogen. (51) Een gebruik van kleurrijke woorden die nimmer de heerlijkheden van de Heer beschrijven  die het ganse universum heiligen, is te vergelijken met een bedevaartsoord voor kraaien en wordt nimmer gevolgd door de zwaangelijke, zuivere heilige toegewijden die enkel aan Acyuta denken [als in 1.5: 10]. (52) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door hen die gezuiverd en oprecht zijn [identiek aan 1.5: 11]. (53) Zelfs als men vrij van materiële motieven onderneemt, ziet geestelijke kennis die is verstoken van de liefde van de Onfeilbare er eigenlijk niet goed uit. Wat voor zin heeft altijd stressvolle vruchtdragende arbeid - zelfs perfect uitgevoerd - als die niet wordt opgedragen aan de Heer [als in 1.5: 11]? (54) De grote inspanning met het boetvaardig en schriftgetrouw verrichten van plichten en zo meer in het varnâs'rama systeem, leidt slechts tot een goede naam en weelde. Maar als men luistert en respect oefent met het bezingen van Zijn kwaliteiten, verkrijgt men de heugenis van de lotusvoeten van de Handhaver van de Godin van het Geluk. (55) De heugenis van Heer Krishna's lotusvoeten doet al het ongunstige teniet en leidt tot het grootste geluk. Verbonden in kennis, wijsheid en onthechting komt men  met toewijding voor de Opperziel tot zuivering van het hart.  (56) U allen o hoogst eminente brahmanen, bent zo gelukkig uw stabiliteit gevonden te hebben met een vaste plaats voor Nârâyana, de Oorspronkelijke Ziel en Godheid van allen in uw hart. Wees met die liefde voor de Heer van de Hemel Voorbij Wie er Geen Andere te Vinden is, onophoudelijk van aanbidding! (57) Ook ik werd herinnerd aan deze wetenschap van de Ziel toen ik die in het gezelschap van de aandachtig luisterende grote wijzen vernam uit de mond van S'uka, de meest verheven wijze, toen koning Parîkchit vastte tot de dood erop volgde. (58) O brahmanen, dit wat ik u vertelde over de glorie van Vâsudeva wiens grootse handelingen zo beschrijvenswaardig zijn, maakt volledig een eind aan al het ongunstige. (59) Iemand die met constante aandacht iedere yâma [periode van drie uur] en iedere kshana [een moment of 1.6 seconde] met geloof anderen doet luisteren of zelf trouw luistert naar slechts een enkel vers of zelfs maar een half vers, een enkele versregel of zelfs maar een halve regel, zuivert [daarmee] zeker zijn ziel. (60) Als men, afziend van eten, nauwlettend reciteert uit of luistert naar [het Bhâgavatam] op de elfde dan wel de twaalfde dag [Ekâdas'î of Dvâdas'î van een vijftiendaagse halve maanmaand, zie 3.11: 10], zal men een hoge leeftijd bereiken en verlost worden van alles wat tot een val leidt. (61) Als men zelfbeheerst en vastend deze verzameling van verzen bestudeert in [de heilige plaatsen] Pushkara, Mathurâ of Dvârakâ, raakt men bevrijd van de angst [voor de tijd, of voor een materieel leven, zie ook 1.13: 19]. (62) De halfgoden en de wijzen, de vervolmaakte zielen en de voorvaderen, de stamvaders en de koningen, zullen alles schenken wat men verlangt, als men deze verzen looft door ze uit te dragen of ernaar te luisteren. (63) Een tweemaal geboren ziel die ze bestudeert krijgt als resultaat dezelfde rivieren van honing, ghee en melk die men verwerft met het bestuderen van de Rig-, Yajur- en Sâma-verzen. (64) IJverig deze essentiële verzameling van klassieke verhalen bestuderend zal een tweemaal geborene die allerhoogste positie bereiken waar de Fortuinlijke over sprak. (65) Een man van scholing die ze bestudeert verwerft kennis van zaken, een koning verwerft het domein omringd door de oceanen, een zakenman verwerft de zeggenschap over schatten en een werknemer ontdoet zich ermee van alles wat hem ten val brengt. (66) Terwijl de Fortuinlijke in Zijn talloze gedaanten uitvoerig in de vorm van verhalen wordt beschreven in ieder van deze verzen, wordt Heer Hari, de Heer van een ieder die al de smetten van Kali-yuga vernietigt, daarentegen elders [in andere geschriften] niet aanhoudend verheerlijkt. (67) Ik buig me voor Hem, het  Ongeboren, Onbegrensde, Ware Zelf dankzij wiens energieën er de schepping, handhaving en vernietiging van het universum is, voor Hem de Onfeilbare Heer wiens heerlijkheid moeilijk te begrijpen valt voor [zelfs] de meesters van de hemel geleid door de ongeziene [Aja of Brahmâ], de machtige [S'akra of Indra] en de goedgunstige [S'ankara of S'iva]. (68) Mijn eerbetuigingen voor de Eeuwige Heer, de beste van Al de Goden, voor de Fortuinlijke wiens Manifestatie Zuiver Bewustzijn is en die middels Zijn verzameling van negen machten [s'akti's of vermogens] voorzag in Zijn eigen Zelf als de toevlucht voor de zich bewegende en niet bewegende levende wezens.

(69) Ik buig me voor hem, de zoon van Vyâsa die al het ongunstige verslaat, hij die, aangetrokken in zijn hart door de aangename wederwaardigheden van de Onoverwinnelijke Heer, in ontkenning echter van ieder ander soort van bewustzijn zo genadevol was zijn solitaire geluk op te geven en de [Bhâgavata] Purâna, het licht van de werkelijkheid, betreffende Zijn handelingen te openbaren."

 

 


Hoofdstuk 13: De Heerlijkheden van het S'rîmad Bhâgavatam

(1) Sûta zei: "Ik biedt Hem mijn eerbetuigingen, de Godheid die met bovenzinnelijke gebeden bestaande uit arrangementen van mantra's uit de Veda's, hun takken [de anga's] en de Upanishads wordt geprezen door Brahmâ, Indra, Rudra en de kinderen van de hemel [de Maruts], de Godheid waar de Sâma Veda-zangers over zingen, de Godheid waar de yogi's die Hem in hun geest zien zich in meditatie op concentreren, Hem wiens einde niet gekend wordt door welke verlichte of onverlichte ziel ook. (2) De Hoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van een schildpad [Kûrma] werd slaperig van de schurende randen van de stenen van de berg Mandara die allerzwaarst op Zijn rug roteerde. Mogen jullie allen beschermd worden door de winden die de sporen vormen achtergelaten door het ademen van de Heer en door de immer actieve getijden van eb en vloed van het water dat tot op de dag van vandaag het voorbeeld van Zijn in- en uitademen volgt. (3) Luister alstublieft nu naar een opsomming van het aantal [verzen] van de Purâna's, wat de onderhavige verhandeling beoogt, hoe dit boek moet worden geschonken, wat de glorie van een dergelijk schenken is en wat de zegen is van het voorlezen en zo meer van deze tekst.

(4-9) De Brahmâ Purâna heeft tienduizend verzen, de Padma Purâna telt er vijfenvijftigduizend, de S'rî Vishnu Purâna drieëntwintigduizend en de S'iva Purâna vierentwintigduizend. Het S'rîmad Bhâgavatam telt er achttienduizend, de Nârada Purâna heeft er vijfentwintigduizend, de Mârkandeya Purâna negenduizend en de Agni Purâna vijftienduizend-vierhonderd. De Bhavishya Purâna heeft veertienduizend-vijfhonderd verzen, de Brahma-vaivarta Purâna heeft er achttienduizend en de Linga Purâna elfduizend. De Varâha Purâna telt vierentwintigduizend verzen, de Skanda Purâna eenentachtigduizend-eenhonderd verzen en de Vâmana Purâna wordt beschreven in tienduizend verzen. Van de Kûrma Purâna zegt men dat het er zeventienduizend zijn, de Matsya Purâna heeft er veertienduizend, verder zijn er de Garuda Purâna met negentienduizend verzen en de Brahmânda Purâna met twaalfduizend. In totaal worden de Purâna's uitgedrukt in zo'n vierhonderdduizend verzen [*]. Achttienduizend van hen, zoals gezegd, vormen het Bhâgavatam [zie verder onder Purâna].

(10) Dit [relaas van wijsheid] werd door de Allerhoogste Persoonlijkheid van God [Narâyâna, zie 3.8-10] genadig voor het eerst in zijn geheel geopenbaard aan Brahmâ die beducht voor een materieel bestaan op de lotus zat die groeide uit Zijn navel [zie ook 1.1: 1]. (11-12) Van het begin tot het einde vol van verslagen over verzaking brengt het de heilige en goddelijke zielen in verrukking met de nectar van zijn vele vertellingen over het spel en vermaak van de Heer. Met de zaligheid [of het eeuwige geluk door emancipatie in toegewijde dienst] als het ene uiteindelijke doel, heeft het als zijn belangrijkste onderwerp de Ene Werkelijkheid die Zijns Gelijke Niet Kent - de essentie van alle Vedânta filosofie - die wordt gekenmerkt door het niet verschillen van de Absolute [onpersoonlijke] Waarheid [brahman] en de Ene [persoonlijke] Ziel [âtma, **]. (13) Hij die het Bhâgavatam als geschenk cadeau doet op de dag van de volle maan in de maand Bhâdra [augustus/september, in zijn volle glorie als de koning van alle literatuur] gezeten 'op een gouden troon' [in het sterrenbeeld leeuw], bereikt de hoogste bestemming. (14) Andere klassieke verzamelingen van verhalen [andere bijbels, Purâna's, of heilige geschriften] staan in de samenkomst der vromen alleen maar op de voorgrond zolang als de grote oceaan van nectar die het Bhâgavatam is niet wordt gehoord. (15) Het S'rîmad Bhâgavatam vormt de essentie van alle Vedânta filosofie zo zegt men, iemand die bevrediging vond door de smaak van die nectar zal zich nimmer aangetrokken voelen tot iets anders [tot andere heilige boeken]. (16) Van alle Purâna's komt deze overeen met wat de Ganges betekent in relatie tot al de rivieren die naar de zee stromen, wat Acyuta, de Onfeilbare, betekent in relatie tot al de godheden en wat S'ambhu [S'iva] betekent in relatie tot al de Vaishnava's. (17) Net zo onovertroffen als Kâs'î [Benares] is onder al de heilige plaatsen, kent het S'rîmad Bhâgavatam zijns gelijke niet onder de Purâna's o brahmanen. (18) Het S'rîmad Bhâgavatam is de onberispelijke en onder de Vaishnava's meest geliefde Purâna waarin de volmaakt zuivere en allerhoogste spirituele, geestelijke kennis wordt bezongen van niemand minder dan de allerbeste toegewijden. Daarin wordt de vrijheid van alle vruchtdragende arbeid geopenbaard, in combinatie met de [daarmee samenhangende] kennis, onthechting en toewijding, welke de persoon zal verlossen die in overweging van de bovenzinnelijkheid met zijn toegewijde dienst erin slaagt te luisteren en de mantra's te beoefenen zoals het hoort.

(19) Ik mediteer op het onvergelijkelijke licht van de toorts van de Onvergankelijke Smetteloos Zuivere Allerhoogste Waarheid Vrij van Zorgen die lang geleden deze transcendentale kennis openbaarde aan de godheid ['Ka' ofwel Brahmâ] die haar overdroeg aan Nârada, de grote wijze die haar in de gedaante van zijn persoon doorgaf aan Krishna Dvaipâyana Vyâsa, die vervolgens de koning van de yogi's [S'ukadeva] van haar op de hoogte stelde die op zijn beurt haar toen uit mededogen doorvertelde aan [Parîkchit] de genade van de Fortuinlijke. (20) Ik breng Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, Heer Vâsudeva, mijn eerbetuigingen, de Opperste Getuige die dit [verhaal, deze wetenschap] genadevol overdroeg aan [Brahmâ] de godheid die verlangde naar bevrijding. (21) Ik breng hem, de koning van de yogi's, S'ukadeva Gosvâmî mijn eerbetuigingen, de persoonlijke manifestatie van de Absolute Waarheid die [Parîkchit] de genade van Vishnu bevrijdde die werd gebeten door de slang van het materieel bestaan. (22) O Heer Aller Heren, U bent onze Meester, zorg er daarom alstUblieft voor dat wij leven na leven in toewijding mogen opstaan aan Uw voeten. (23) Ik breng Hem, de Allerhoogste Heer mijn eerbetuigingen, wiens gezamenlijke zingen van de heilige naam alle zonde vernietigt en voor wie buigend aan alle ellende een einde komt."

Aldus eindigt het twaalfde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: Het Tijdperk van Verval. 

Met dit laatste Canto eindigt het Verhaal van de Fortuinlijke, de Bhâgavata Purâna, ook wel bekend als het S'rîmad Bhâgavatam en de Paramahamsa Samhitâ. Alle eer aan de Brahmâ-Mâdhva-Gaudiyâ Sampradâya paramparâ van de voorgaande Vaishnava âcârya's met Heer Gauranga, S'rî Krishna Caitanya Mahâprabhu voorop, die door hun commentaren, vertalingen, bhajans en lezingen deze presentatie mogelijk maakten en het geheel van de Vaishnava-cultuur naar de nederige dienaar van Krishna, Anand Aadhar Prabhu, hebben gebracht die in waarheid nimmer klaar is met zijn werk.

 

*: Vervolgens, zo bevestigt de Matsya Purâna, zijn er naast de Purâna ook nog eens de honderdduizend verzen die men vindt  in de Itihâsa (het afzonderlijke verhaal) van Vyâsa's Mahâbhârata en zo'n vijfentwintigduizend van de Itihâsa van Vâlmîki's Ramâyana. Aldus bedraagt het totale aantal verzen van de volledige verzameling van klassieke verhalen vijfhonderdvijfentwintigduizend [de kleinere Upa-purâna's niet meegerekend].

**: Dit herinnert aan het thema van Krishna als zijnde de Tijd, Kâla, en Krishna als zijnde de persoon, de Opperziel, de Oorspronkelijke Persoon manifest voor onze ogen en aanwezig in het voorbije. De wereld lijkt verdeeld te zijn in impersonalistische wetenschap, filosofie en regeren enerzijds en personalistische religie van onthechting en persoonlijk sentiment in burgerlijke gehechtheid anderzijds. Maar als men met het zoals-het-hoort respecteren van de Tijd [van de natuur] de persoon vindt en met het respecteren van de persoon [in Krishna-bewustzijn] zoals het hoort de oorspronkelijke Tijd vindt, is het probleem opgelost wetende dat de eenheid van de persoonlijke/onpersoonlijke tegenstelling onze gelijkgezinde vriend en begeleidende vader in het voorbije Heer Krishna is. Als Zijn laatste woord bij deze tweevoudige zaak van respect voor Zijn werkelijkheid voegt Hij daar aan toe: (in B.G. 18: 6) 'Maar met al deze handelingen moet zonder twijfel, ze verrichtend uit plichtsbesef, de associatie met hun resultaten worden opgegeven; dat, o zoon van Prithâ, is Mijn laatste en beste woord erover.' Daarom zijn we van emancipatie in toegewijde dienst, vrij van nevenmotieven.

 

 

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/