Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

 

CANTO 10 - Deel IV

Het Hoogste Goed

 

Inleiding   

Hoofdstuk 69 Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

Hoofdstuk 70 Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

Hoofdstuk 71 De Heer Reist op Aanraden van Uddhava naar Indraprastha

Hoofdstuk 72 Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

Hoofdstuk 73 Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

Hoofdstuk 74 De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

Hoofdstuk 75 Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

Hoofdstuk 76 De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

Hoofdstuk 77 Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

Hoofdstuk 78 Dantavakra Gedood en Romaharshana Geslagen met een Grasspriet

Hoofdstuk 79 Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen

Hoofdstuk 80 Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

Hoofdstuk 81 De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen

Hoofdstuk 82 Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna

Hoofdstuk 83 Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

Hoofdstuk 84 Vasudeva Offert voor de Wijzen die te Kurukshetra de Weg naar het Succes Wijzen

Hoofdstuk 85 Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug

Hoofdstuk 86 Arjuna Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va en S'rutadeva

Hoofdstuk 87 Het Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Veda's in Eigen Persoon

Hoofdstuk 88 Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura

Hoofdstuk 89 Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

Hoofdstuk 90 De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat

 

 

 Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt in zowel India, Amerika als Europa. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie der verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L. Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 17 april 2012.

  

 

 Hoofdstuk 69: Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

(1-6) S'S'uka zei: 'Toen hij hoorde dat Heer Krishna Naraka ter dood had gebracht [zie 10.59] en dat Hij alleen was getrouwd met zo vele vrouwen, wilde Nârada dat wel eens met eigen ogen zien [en dacht]: 'Hoe wonderlijk is het dat Hij met één enkel lichaam met zovele vrouwen getrouwd is en dan tegelijkertijd in zestienduizend afzonderlijke woningen alleen is met hen.' Er benieuwd naar kwam de wijze der goden aldus naar Dvârakâ, de plaats zo bloemrijk met zijn parken en lusthoven die weerklonken van de groepjes vogels en zwermen bijen. Bloeiende blauwe lotussen [indîvara's], overdag bloeiende exemplaren [ambhoja's], witte eetbare lotussen [kahlâra's], bij maanlicht bloeiende lotussen [kumuda's] en waterlelies [utpala's] vulden de vijvers waar men de geluiden van de zwanen en kraanvogels hoorde. Er waren negenhonderdduizend paleiselijke woningen versierd met kristalglas, zilver en grote smaragden, die weelderig waren ingericht met goud en juwelen. De stad was planmatig aangelegd met vele lanen, wegen, kruispunten en pleinen, ontmoetingsplaatsen en bekoorlijke tempels voor de goden. Haar paden en hoven, winkelstraten en veranda's waren allen besprenkeld met water terwijl de zon werd tegengehouden door de vaandels die aan de vlaggenmasten wapperden. (7-8) In de stad bevond zich een luxueuze wijk die geacht werd door al de plaatselijke autoriteiten. Tvashthâ [de architect Vis'vakarmâ] had daar voor de Heer [die er woonde] zijn talenten ten volle tentoongespreid door de zestienduizend woningen van S'auri's echtgenotes zo mooi mogelijk te maken. Nârada ging één van de grote paleizen binnen. (9-12) Het gebouw steunde op zuilen van koraal die zeer fraai waren versierd met vaidûrya ['kattenoog' edelgesteente]. De muren waren bedekt met saffieren en de brandschone vloeren glansden overal. Het was voorzien van baldakijnen die door Tvashthâ waren gebouwd met parels die neerhingen van de randen en kende zitplaatsen en bedden gemaakt van ivoor die versierd waren met de fijnste juwelen. Er waren daar goed aangeklede dienstmaagden met sieraden om en hangers om hun nekken alsook goed geklede mannen met tulbanden en wapenrusting, juwelen en oorhangers. Vele met edelstenen ingelegde lampen verdreven met hun licht het duister en op de met reliëfs versierde dakranden mijn beste, dansten de pauwen, die luidkeels schreeuwden omdat ze de aguru-rook, die ze zagen opkringelen uit het lattenwerk van de ramen, voor een wolk hielden. (13) Binnen zag de wijze man de Heer van de Sâtvata's samen met Zijn vrouw die Hem koelte toewuifde met een yakstaarten-wuifkwast met een gouden handvat. Zij op haar beurt had op ieder moment de beschikking over een duizendtal dienstmeisjes die qua persoonlijke kwaliteiten, schoonheid, jeugd en kledingkeuze haar gelijke waren. (14) De Allerhoogste Heer, de beste verdediger van alle dharma, stond toen Hij hem zag meteen op van S'rî's sofa en bood hem, buigend met samengebrachte handpalmen, Zijn eigen zitplaats. (15) Ondanks dat Hij de Allerhoogste goeroe van het levende wezen is, waste Hij zijn voeten en nam Hij dat water op Zijn hoofd. Hij als de meester aller heiligen draagt met recht de bovenzinnelijke naam van 'de Begunstiger der Brahmanen' [Brâhmanya deva] omdat men het aan het heiligdom van Zijn voeten te danken heeft dat men algehele zuivering vindt [zie ook de verhalen over de Ganges die van Zijn voeten stroomt 5.17 & 9.9]. (16) Na van volle aanbidding te zijn geweest voor de devarishi zoals voorgeschreven door de geschriften, ging Hij, de Grootste Wijze, de Oorspronkelijke Nârâyana, de vriend van Nara, een gesprek met hem aan in afgemeten woorden die zo zoet waren als nectar en vroeg: 'O Meester, o Fortuinlijke, wat mogen Wij voor u betekenen?'

(17) S'rî Nârada zei: 'Het wekt geen verbazing dat U vriendschap toont voor alle mensen, o Almachtige Heerser over Al de Werelden die de afgunstigen onderwerpt. We weten heel goed dat U die alom wordt geprezen, uit eigen beweging bent nedergedaald voor het hoogste goed van de continuering en de bescherming van het Levende Wezen [*]. (18) Na het gezien hebben van Uw twee voeten, die voor Uw toegewijden de weg der bevrijding vormen waarop Heer Brahmâ en de andere goden van onpeilbare intelligentie in het hart mediteren en die voor hen, die gevallen zijn in de put van een materieel bestaan, de toevlucht voor hun verlossing vormen, vraag ik om Uw zegen U te mogen herinneren zodat ik tijdens mijn reizen voortdurend aan U kan denken.'

(19) Vervolgens ging Nârada mijn beste, een ander paleis van een vrouw van Krishna binnen, met het verlangen de mystieke macht der illusie [yogamâyâ] van de Meester Aller Yogameesters te leren kennen. (20-22) En daar zag hij Hem eveneens. Hij was met  Zijn geliefde en Uddhava een potje aan het dobbelen. Hij stond voor hem op, was van eerbetoon met bovenzinnelijke toewijding en liet hem plaatsnemen en zo meer, terwijl Hij hem vroeg - alsof Hij er geen weet van had: 'Wanneer is uw goede zelf hier aangekomen? Hoe kunnen zij [de huishouders] die behoeftig zijn zoals Wij, doen wat men behoort te doen voor hen [de sannyâsî's] die wel geheel [in zichzelf] voldaan zijn? Hoe dan ook, alstublieft vertel Ons o brahmaan, hoe we van deze geboorte een succes kunnen maken.' Maar Nârada was verbluft, stond op en ging zonder iets te zeggen naar een ander paleis. (23) En daar zag hij hoe Govinda Zijn kleine kindjes knuffelde. Vervolgens zag hij in een ander paleis dat Hij Zich voorbereidde op een bad. (24) Op de ene plek zag hij Hem offers brengen, op de andere zag hij Hem de vijf offervuren vereren [zie mahâ-yajña's] met de gebruikelijke rituelen, dan weer gaf Hij brahmanen te eten en ergens anders was Hij de overblijfselen [van offerplechtigheden] aan het eten. (25) Ergens was Hij bezig met zonsondergang-aanbidding en beheerste Hij Zijn spraak met het reciteren van de mantra [ervoor, zie Gâyatrî en japa] en weer elders bewoog Hij zich rond op oefenterreinen met Zijn zwaard en schild. (26) Hier bereed de Oudere broer van Gada, paarden, olifanten en wagens en daar lag Hij op Zijn sofa terwijl Hij werd bezongen door barden. (27) Op deze plek hield Hij ruggespraak met Zijn adviseurs, Uddhava en anderen en op die plek vermaakte Hij Zich in het water omringd door dansmeisjes en andere vrouwen. (28) Ergens schonk Hij excellente, fraai opgesierde koeien weg aan brahmanen en elders luisterde Hij naar de zegenrijke klassieke verhalen [de Purâna's] en historische geschiedenissen [de Itihâsa's]. (29) Lachend en grappen makend met Zijn geliefde in deze woning, beoefende Hij ergens anders de religie [dharma], de economie [artha] en de [regulatie der] fysieke lusten [kâma, zie ook de purushârtha's]. (30) Op één plaats alleen neerzittend om te mediteren op de Oorspronkelijke Persoon Verheven Boven de Materiële Natuur, verrichtte Hij op een andere plaats klusjes voor de ouderen, ze aandachtig van dienst zijnd met dingen die ze op prijs stelden. (31) Samen met een paar mensen plannen makend voor oorlog hier, en daar weer vrede sluitend, zetten Kes'ava en Balarâma zich ergens anders in voor het welzijn der vromen. (32) [Hij zag hoe Hij] groots opgezette huwelijken arrangeerde voor dochters en zoons overeenkomstig de vidhi, op het juiste tijdstip, met echtgenotes en echtgenoten die bij hen pasten. (33) [Hij was er getuige van hoe] tot verbazing van de mensen met groot ceremonieel de kinderen van de Meester der Yogameesters van huis werden weggezonden en [aangetrouwden] in de familie werden opgenomen. (34) Druk in de weer zijnde op de ene plaats met uitvoerige offerandes in aanbidding van al de goden, was Hij op een andere plaats van het dharma door in publieke dienstverlening te voorzien in putten, parken en kloosters en dergelijke. (35) Voor een jachtpartij beklom Hij hier een paard afkomstig uit Sindhî terwijl Hij daar, omringd door de meest ondernemende Yadu's, de dieren doodde die bestemd waren voor de offers [zie **]. (36) De Yogameester bewoog Zich op een andere plaats in vermomming rond in de stad en in andere woningen, om er achter te komen wat de opvattingen van de verschillende mensen waren. (37) Nârada moest bijna lachen over wat zich allemaal van Zijn yogamâyâ, van het aannemen van de menselijke rol, voor hem ontvouwd had en zei daarop tot Hrishîkes'a: (38) 'Door de dienst geleverd aan Uw voeten, kon de kennis over Uw mystieke vermogens zich manifesteren, vermogens die zelfs voor de grote mystici moeilijk voorstelbaar zijn o Heer van de Yoga, o Allerhoogste Ziel. (39) Sta me toe U in nederigheid te volgen o Godheid, ik zal rondtrekken langs Uw plaatsen die overstromen van Uw glorie en luidkeels Uw spel en vermaak bezingen dat al de werelden zuivert.'

(40) De Allerhoogste Heer zei: 'O brahmaan, Ik ben de woordvoerder van het dharma en de uitvoerder ervan. Ook ben Ik degene die de sancties stelt als Ik deze wereld het dharma bijbreng. Wees niet verbijsterd als je er getuige van bent mijn zoon [als Ik een voorbeeld stel].'

(41) S'rî S'uka zei: 'Hij [Nârada] zag aldus [zoals niemand anders dat kon zien ***] Hem aanwezig in één en dezelfde gedaante in al de paleizen waar Hij de spirituele beginselen van het dharma in de praktijk bracht die de huishouders zuivert. (42) Na herhaaldelijk getuige te zijn geweest van Krishna's onbegrensde vermogen in de uitgebreide manifestatie van Zijn yogamâyâ, stond de ziener vol van verwondering verbaasd te kijken. (43) Met [zijn getuigenis van] de artha, kâma en dharma [burgerplichten van het huishoudelijk leven, zie ook 7.14], die aldus door Heer Krishna's trouwe hart grondig werden gerespecteerd, begaf hij zich tevreden op weg met Hem steeds in gedachten. (44) Nârâyana, die Zijn vermogens tentoongespreid had terwille van ieders welzijn mijn beste, genoot met het aldus volgen van de weg van het menselijk bestaan, van de verlegen toegenegen blikken en het tevreden lachen van Zijn zestienduizend allerfijnste echtgenotes. (45) Een ieder o beste Koning, die zingt, luistert of waardering opbrengt [om te lezen over] de ongeëvenaarde activiteiten door de Heer aan de dag gelegd in deze wereld, door Hem die de oorzaak is van het totstandkomen, instandhouden en beëindigen van het universum, zal toewijding ontwikkelen voor de Allerhoogste Heer die het pad der bevrijding vormt.'

*: De paramparâ voegt hier aan toe: 'Zoals aangegeven door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî, zijn alle levende wezens in feite dienaren van de Heer. De âcârya haalt ter verduidelijking er het volgende vers uit de Padma Purâna bij aan:

a-kârenocyate vishnuh
s'rîr u-kârena kathyate
ma-kâras tu tayor dâsah
pañca-vims'ah prakîrtitah

"[In de mantra AUM] betekent de letter a Heer Vishnu, de letter u betekent de godin S'rî, en de letter m heeft betrekking op hun dienaar, die het vijfentwintigste element is." Het vijfentwintigste element is de jîva, het levende wezen. Ieder levend wezen is een dienaar van de Heer, en de Heer is de ware vriend van ieder levend wezen. Zelfs dus als de Heer afgunstigen als Jarâsandha de les leest, leidt die afstraffing tot ware vriendschap, aangezien zowel de Heer Zijn bestraffing als Zijn zegen er zijn voor het heil van het levend wezen.'

**: Hoewel deze activiteit verboden is voor de gewone man en de brahmanen met de vidhi-regel van dayâ, om fundamenteel mededogen te hebben voor alle levende wezens, is het in bepaalde gevallen toegestaan in de Vedische samenleving dieren te doden. S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: "Overeenkomstig de Vedische voorschriften, is het de kshatriya's toegestaan bij bepaalde gelegenheden dieren te doden, dan wel om de vrede in de bossen te handhaven dan wel om dieren te offeren in het offervuur. Kshatriya's wordt het toegestaan de kunst van het doden te beoefenen omdat ze genadeloos vijanden moeten kunnen doden om de vrede in de samenleving te handhaven." [zie ook b.v. 4: 26, 7: 15, 10.1: 4, 10.56: 13 en 10.58: 13-16].

***: De paramparâ voegt hier aan toe: 'Zoals gesteld in tekst 2 van dit hoofdstuk, werden al de handelingen in de vele paleizen van de Heer uitgevoerd door de Heer Zijn enkele geestelijke gedaante (ekena vapushâ), welke zich op vele plaatsen tegelijk manifesteerde. Dit visioen werd Nârada vergund vanwege zijn verlangen het te aanschouwen en de Heer Zijn verlangen het hem te tonen. S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî duidt uit dat de andere ingezetenen van Dvârakâ Krishna alleen maar konden zien in dat deel van de stad waar ze zelf zaten, en niet ergens anders, zelfs al gingen ze soms naar een andere wijk voor zaken. Aldus gunde de Heer Zijn geliefde toegewijde Nârada Muni een bijzondere kijk op Zijn spel en vermaak.'

 

 

 

Hoofdstuk 70: Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

(1) S'rî S'uka zei: 'Bij het aanbreken van de dag werden de kraaiende hanen verwenst door de vrouwen van de Lieve Heer die, met de armen van hun echtgenoot [de Ene Yogamâyâ-Heer in Velen] om hun nek verstoord waren over de [onvermijdelijke] scheiding. (2) De vogels die door de bijen in de bries van de pârijâta-bomen ontwaakten uit hun slaap, wekten Krishna met hun luidruchtig gezang als waren ze de dichters aan het hof. (3) Maar Vaidarbhî [Rukminî] hield niet van die zo gunstige tijd van de dag omdat ze dan de omhelzing van haar geliefde [Krishna] zou moeten missen. (4-5) Mâdhava stond op tijdens de brâhma-muhûrta [het uur voor zonsopgang], beroerde water en maakte Zijn geest vrij om te mediteren op het ongeëvenaarde, enige, zelfverlichtende Zelf voorbij alle traagheid der materie. Dat Ware Zelf verdrijft, onfeilbaar als het is, overeenkomstig zijn [Zijn] eigen aard onophoudelijk de onzuiverheid en geeft aanleiding tot de vreugde van het bestaan. Men kent het als het Brahman dat, met zijn [Zijn] energieën, de oorzaak vormt van de schepping en vernietiging van dit universum [zie ook 3.29: 31 & 36-37, B.G. 7: 5 & 6 en *]. (6) Toen Hij overeenkomstig de vidhi een bad had genomen in zuiver water, volbracht Hij, de Meest Waarachtige, na Zich eerst in boven- en onderkleding te hebben gestoken, de gehele routine van het eerbetoon bij het ochtendgloren en chantte vervolgens, na uitgietingen te hebben gedaan in het vuur, rustig Zijn spraak beheersend, de Vedische mantra [de Gâyatrî, zie ook **]. (7-9) Trouw aan Zijn eigen aard stemde Hij Zijn eigen expansies gunstig met eerbetoon voor de opkomende zon. Met het verschuldigde respect voor de goden, de wijzen en de voorvaderen, alsmede voor de senioren en de geleerden, schonk Hij dag na dag vele, vele gehoorzame koeien weg met goud op hun horens, zilver op hun hoeven en paarlen halssnoeren om hun nekken, koeien die rijk waren aan melk en nog maar één kalf ter wereld hadden gebracht. Fraai opgetuigd werden ze aan de geschoolde brahmanen aangeboden samen met linnen, hertenvellen, sesamzaad en sieraden [zie ook ***]. (10) Met het tonen van respect voor de koeien, de mannen van scholing, de goddelijken, de ouderen, de geestelijk leraren en alle levende wezens die enkel maar expansies van Hemzelf waren, legde Hij [darshan verlenend] Zijn hand op alle [personen en] goedgunstige artikelen. (11) Hij, het sieraad van de samenleving Zelve, sierde zich met de kleren, de goddelijke bloemenslingers, de geurige smeersels en de juwelen die bij Hem pasten. (12) Hij droeg zowel zorg voor de ghee [gebruikt in de offers] als voor de spiegel en bekommerde zich om de koeien, de stieren, de tweemaal geborenen, de goden en de voorwerpen van begeerte. Hij voorzag in giften naar de voldoening van alle maatschappelijke groeperingen die in de stad en het paleis leefden en kwam Zijn ministers tegemoet met het ten volle lenigen van al hun noden. (13) Na eerst bloemenslingers, betelnoot en sandelhoutpasta uitgedeeld te hebben aan de geschoolden, [en dan aan] Zijn vrienden, Zijn ministers en Zijn vrouwen, nam Hij vervolgens Zelf Zijn deel. (14) Zijn menner, die tegen die tijd  Zijn allerprachtigste strijdwagen had gebracht met daarvoor gespannen de paarden Sugrîva enzovoorts [zie 10.53: 5], stond buigend voor Hem klaar. (15) De handen van de wagenmenner beetpakkend klom Hij toen vergezeld door Sâtyaki en Uddhava op de wagen als was Hij de zon die opkomt boven de heuvels in het oosten. (16) Met moeite Zich losmakend van de vrouwen in het paleis die Hem aankeken met verlegen en liefdevolle blikken, vertrok Hij met het tonen van een glimlach die hun geesten vervoerde. (17) Opgewacht door al de Vrishni's betrad Hij de zaal genaamd Sudharmâ [zie ook 10.50: 54] die voor hen die er binnengaan de zes golven [van het materieel bestaan] bestrijdt, mijn beste [zie shath-ûrmi]. (18) De Almachtige, de Beste van de Yadu's, aldaar hoog op Zijn troon gezeten temidden van de Yadu's die de leeuwen onder de mensen waren, verlichtte alle richtingen met Zijn gloed die straalde als de maan aan de hemel omringd door de sterren. (19) Er waren hofnarren o Koning, die de Almachtige met verschillende vormen van amusement dienden, beroepsentertainers [zoals goochelaars] en vrouwen die energiek dansend van dienst waren. (20) Zij dansten op de geluiden van vînâ's, mridanga's en muraja-trommels, fluiten, cymbalen en schelphoorns, terwijl de hofzangers, verhalenvertellers en lofprijzers zongen en de loftrompet staken. (21) Enkele brahmanen reciteerden daar zittend doorlopend Vedische mantra's terwijl anderen verhalen vertelden over koningen uit het verleden die beroemd waren om hun vroomheid.
 
(22) Op een dag kwam er een persoon o Koning, die daar nog nooit eerder gezien was. Via de wachters bij de deur aangekondigd kreeg hij toegang tot de Fortuinlijke. (23) Na zich voor Krishna, de Allerhoogste Heerlijkheid, te hebben verbogen legde hij aan Hem voor dat  [een zeker aantal] koningen te lijden had omdat ze gevangen werden gehouden door Jarâsandha. (24) Tijdens een campagne van hem om al de windrichtingen te veroveren, waren die koningen gevangen genomen die hem niet in volmaakte onderwerping hadden aanvaard. Zij - zo'n twintigduizend van hen - werden met geweld vastgezet in de vesting Girivraja. (25) De koningen stuurden het bericht: 'Krishna, o Krishna, o onmetelijke Ziel, o U die de angst wegneemt van de overgegeven zielen. Wij zo verschillend van mentaliteit, hebben het moeilijk in ons materiële bestaan en komen naar U voor onze toevlucht! (26) De hele wereld die behagen schept in een verkeerde manier van doen is verbijsterd over de plichten alhier om van het eigen eerbetoon te zijn voor U overeenkomstig Uw [varnâs'rama] woord. Mogen er de eerbetuigingen zijn voor U, de Altijd Waakzame ['het open oog van de Tijd'] die plotseling [ten tijde van iemands stervensuur] een einde maakt aan die koppige hoop op een lang leven in dit bestaan. (27) U, de heersende autoriteit van dit universum, bent samen met Uw expansie [Balarâma] nedergedaald om de deugdzamen te beschermen en de kwaadwilligen te onderwerpen. We zouden niet weten o Heer, hoe iemand anders in overtreding met Uw wet [zoals Jarâsandha] of anderen op basis van hun eigen creativiteit [zoals wij] tot iets dergelijks in staat zouden zijn. (28) Met de last van dit sterfelijke lichaam die we altijd vol van angst dragen, is ons geluk als het voorwaardelijke geluk van koningen o Heer, dat [zo vluchtig] is als een droom. Als wij het geluk van de ziel afwijzen dat wordt verworven door onzelfzuchtige dienstverlening aan U, krijgen we de grootste ellende te verduren met Uw verstandsverbijsterende werkelijkheid van mâyâ alhier. (29) Derhalve o Goedheid wiens twee voeten het leed verdrijven, verlos alstUblieft ons overgegeven zielen van de boeien van het karma gevormd door de koning genaamd Magadha. Zoals de koning der dieren schapen te pakken neemt, zette hij in zijn eentje het gezag uitoefenend van een tienduizendtal kwaaie olifanten ons gevangen in zijn paleis. (30) Achttien keer [tegenover hem staand] hebt U [zeventien keer] Uw cakra geheven en hem verpletterd. Slechts één enkele keer slaagde hij erin U te verslaan in de slag toen U, vertrouwend op Uw onbegrensde macht, in beslag werd genomen door menselijke aangelegenheden [zie 10.50: 41 & 10.52: 7]. En nu, kwelt hij vol van trots ons uw onderdanen o Onoverwinnelijke. Zet dat alstUblieft recht!' (31) De boodschapper zei: 'En zo smachten degenen die gevangen worden gehouden door Jarâsandha, ernaar Uw aanblik te mogen genieten in hun overgave aan de basis van Uw voeten. Laat deze arme zielen alstUblieft delen in Uw welvaart!'

(32) S'rî S'uka zei: 'Nadat de boodschapper van de koningen dat had gezegd, verscheen de allerhoogste rishi [Nârada] ten tonele die met zijn geel gekleurde, samengeklitte lokken een uitstraling had als die van de zon. (33) Zo gauw de Allerhoogste Heer Krishna, de Allerhoogste Heerser van de heersers aller werelden, hem zag kwam Hij samen met Zijn volgelingen en de leden van de vergadering verheugd overeind en bewees Hij hem de eer met gebogen hoofd. (34) Nadat de muni  een zitplaats had aanvaard stelde Hij hem tevreden met eerbetoon overeenkomstig de regels en sprak Hij vervolgens de waarachtige, en aangename woorden: (35) 'Het is een feit dat vandaag de drie werelden volledig zijn bevrijd van alle angst, want dat is de kwaliteit van u, de grote en fortuinlijke ziel die rondtrekt door de werelden. (36) In de drie werelden geschapen door de Heer is er niets dat u niet bekend is, laten we daarom van u vernemen wat de plannen van de Pândava's zijn.'

(37) S'rî Nârada zei: 'Ik was vaak getuige van [de vele gedaanten van] Uw ondoorgrondelijke mâyâ o Almachtige, o U die [zelfs] de Schepper van het Universum verbijstert [zie 10.14]. Het verbaast me niet o Alomvattende Ene, dat U, verhuld door Uw eigen energieën, zich rondbeweegt onder de geschapen wezens als een vuur waarvan het licht is afgedekt. (38) Wie is er toe in staat zich een juist begrip te vormen van de bedoeling van U die middels Uw materiële energie dit universum tot stand brengt en ook weer opheft dat zich [voor de levende wezens] manifesteert om met U in relatie te kunnen staan [om de essentie te ervaren]. Alle eer aan U wiens aard niet te doorgronden is. (39) Voor de individuele ziel in samsâra, die geen bevrijding kent uit de problemen die het materiële lichaam met zich meebrengt, ontsteekt Hij Zijn toorts van roem middels het spel en vermaak van Zijn avatâra's. U, die Heer, benader ik voor mijn toevlucht. (40) Ik zal U niettemin o Hoogste Waarheid die de menselijke manier van doen imiteert, vertellen wat Uw toegewijde de koning [Yudhishthhira], de zoon van Uw vaders zuster, zich heeft voorgenomen. (41) De koning, de zoon van Pându, wenst de soevereiniteit en wil terwille van U de grootste offerplechtigheid houden die bekend staat als de Râjasûya. Kan u hier alstUblieft Uw zegen aan geven? (42) O Heer op die beste van alle offerplechtigheden zullen, met de wens om U te aanschouwen, alle verlichte en aanverwante zielen afkomen alsook al de koningen van zege en glorie. (43) Als mensen aan de onderkant van de samenleving al zuivering vinden door te luisteren naar, te zingen over en te mediteren op U, de Volle Manifestatie van het Absolute, wat zou dat dan niet betekenen voor hen die U daadwerkelijk zien en aanraken? (44) De smetteloze reputatie van U welke zich in alle richtingen verspreid, wordt verkondigd in de hemel, in de lagere regionen en op aarde, o Brenger van Al het Geluk voor Al de Werelden. In de vorm van het water dat van Uw voeten spoelt en dat zo het hele universum zuivert, wordt die genade de Mandâkinî [een rivier] genoemd in het goddelijke bereik, de Bhogavatî in de lagere leefwerelden en de Ganges hier op aarde.'

(45) S'rî S'uka zei: 'Toen Zijn aanhangers [de Yâdu's] niet met dit voorstel [voor een Râjasûya] instemden omdat ze de overwinning [op Jarâsandha] verlangden, richtte Kes'ava met een bekoorlijke woordkeuze Zich glimlachend tot Zijn dienaar Uddhava. (46) De Fortuinlijke zei: 'Jij, als Onze oogappel en welgezinde vriend, weet om die reden perfect welke uitdrukking van toepassing zou zijn in dit verband. Zeg Ons alsjeblieft wat er moet worden gedaan, We stellen volkomen vertrouwen in je en zullen doen wat je zegt.'

(47) Met dat verzoek van zijn Behouder die deed alsof Hij, de Alwetende, het niet meer wist, gaf Uddhava, die nederig de opdracht op zijn hoofd aanvaardde, een antwoord.'


*: Wat betreft de aangelegenheid van het Brahman in relatie tot de persoon van Krishna voegt de paramparâ toe: 'Iemand die de gunst geniet van de Heer Zijn inwendige vermogen kan de aard doorgronden van de Absolute Waarheid [of het Brahman]; dit begrip wordt het Krishna bewustzijn genoemd'.

**: Volgens S'rîdhara Svâmî zou Heer Krishna met het in dezen voor zonsopgang eerst brengen van offers en het dan pas doen van de mantra, de erfopvolging volgen van Kanva Muni [vermeld in 9.20].

***: Met de bevestiging in het M.W. woordenboek van de term badva hier gebruikt in de zin van 'een groot aantal' haalt S'rîdhara Svâmî verschillende Vedische geschriften aan om aan te tonen dat in de context van het Vedisch ritueel, een badva hier betrekking heeft op 13.084 koeien en geeft hij er verder bewijs van dat het de gebruikelijke praktijk van grote geheiligde koningen in voorgaande tijdperken was om 107 van zulke badva, of groepen van 13.084 koeien weg te schenken. Aldus kan het totaal aantal koeien weggegeven in dit offer, bekend als Mañcâra, hebben opgelopen tot 14 lakhs, ofwel 1.400.000.


 


 Hoofdstuk 71: De Heer Reist op Aanraden van Uddhava naar Indraprastha

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de begaafde Uddhava de woorden hoorde aldus uitgesproken door de devarishi, sprak hij met begrip voor het standpunt ingenomen door Krishna en de koninklijke vergadering. (2) S'rî Uddhava zei: 'O Heer, U zou moeten doen wat de rishi zegt en Uw neef bijstaan die de offerplechtigheid wil houden. Ook zou U hen [de koningen] die hun toevlucht zoeken moeten beschermen. (3) Aangezien het Râjasûya-offer moet worden uitgevoerd door iemand die in alle richtingen de overhand heeft gekregen o Almachtige, dient U volgens mij beide doeleinden [van het offer èn de bescherming] als U het wint van de zoon van Jarâ. (4) Als U aldus de koningen bevrijdt, zal dat voor ons heel gunstig zijn en ook U tot eer strekken. (5) Hij [Jarâsandha] is een koning die zo sterk is als duizend olifanten en niet kan worden verslagen door andere machthebbers, behalve dan door Bhîma die net zo sterk is. (6) Alleen in een wagen-tot-wagen gevecht kan hij worden verslagen, niet als hij samen is met honderd akshauhinî's. Ook zal hij, met zijn toewijding voor het brahmaanse, nimmer weigeren wat de geschoolden van hem vragen. (7) Bhîma moet aangekleed als een brahmaan bij hem langs gaan, bedelen om liefdadigheid en hem dan zonder aarzeling in een man-tot-man gevecht doden waar U bij bent. (8) Hiranyagarbha ['hij van het gouden licht' ofwel Brahmâ] en S'arva ['hij die met de pijl doodt', te weten S'iva, zie 7.10: 67], zijn enkel maar het instrument van schepping en vernietiging van de Heer van het Universum, van U in de vorm van de vormloze Tijd. (9) In hun huizen zingen de godsbewuste vrouwen van de [gevangengenomen] koningen over Uw onberispelijke daden. Ze zingen erover dat U hun vijand zal doden en hen zal bevrijden. Ze bezingen U zoals de gopî's dat doen [als ze U missen, zie 10.31] en de heer der olifanten [Gajendra dat deed toen hij was vastgegrepen, zie 8.3], net zoals de dochter van Janaka [Sîtâ] het deed [voor Râmacandra, zie 9.10] en Uw ouders [in Kamsa's gevangenis om Uw genade baden, zie 10.3], net zoals de wijzen [dat doen] als ze Uw beschutting hebben verworven [zie b.v. 9.5] en zoals ook wij U nu ook bezingen. (10) Het doden van Jarâsandha o Krishna, zal ons zeker een immens voordeel opleveren, namelijk de uitnemendheid [der koningen] die er dan zal zijn alsook het offer waar U zo prijs op stelt.'

(11) S'rî S'uka zei: 'De woorden die Uddhava aldus sprak, in ieder opzicht goedgunstig en feilloos o Koning, werden in reactie zowel door de devarishi, de Yadu-ouderen als door Krishna geprezen. (12) De Almachtige Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, nam afscheid van degenen die Hij respect verschuldigd was [met achting voor de menselijke gang van zaken] en droeg toen Zijn dienaren Dâruka, Jaitra en anderen op om zich klaar te maken voor Zijn vertrek. (13) Hij bracht Zijn vrouwen, zoons en bagage bijeen, nam afscheid van Sankarshana [Balarâma] en de Yadu-koning [Ugrasena] o doder van de vijanden en klom vervolgens in Zijn wagen gebracht door Zijn menner, waarop de vlag van Garuda wapperde. (14) Toen, omringd door Zijn aanvoerders en krachtige garde, wagens, olifanten, infanterie, en cavalerie - Zijn persoonlijke leger - trok Hij eropuit, met van alle kanten het weerklinken van de geluiden van mridanga's, bherî-hoorns, gomukha-hoorns, pauken en schelphoorns. (15) In gouden draagstoelen gedragen door sterke mannen volgden Acyuta's vrouwen hun Echtgenoot samen met hun kinderen goed bewaakt door soldaten met schilden en zwaarden in hun handen, gekleed in mooie kleren, met sieraden om en met geparfumeerde olie en bloemenslingers. (16) Daarna kwamen de fraai opgesierde dames van de huishouding en de courtisanes mee op menselijke dragers, kamelen, stieren, buffels, ezels, muildieren, ossenwagens en wijfjesolifanten die [verder] waren volgeladen met grashutten, dekens, kleding en meer van dat soort zaken. (17) Het enorme leger dat een keur aan grote vlaggenstokken, banieren, luxe parasols, yakstaartenwaaiers, wapens, juwelen, helmen en wapenuitrustingen meevoerde, verscheen die dag schitterend en glanzend in de stralen van de zon. Met het gedruis van zijn geluiden klonk het als een woelige oceaan met timingila's en golven. (18) Nadat hij van Zijn plan had vernomen en het had goedgekeurd, verboog de muni [Nârada] zich voor Hem. Vereerd door de Heer van de Yadu's en gelukkig met de ontmoeting die hij met Mukunda had gehad, plaatste hij Hem in zijn hart en vertrok hij door de lucht. (19) Om hem te behagen met Zijn woord kreeg de  boodschapper van de koningen het volgende te horen van de Allerhoogste Heer: 'Vrees niet o gezant, ik wens u [en de uwen] alle geluk. Ik zal er voor zorgen dat de koning van Mâgadha ter dood wordt gebracht.'

(20) Aldus toegesproken vertrok de boodschapper en stelde de koningen tot in detail op de hoogte. Verlangend naar hun bevrijding wachtten ze toen het moment af dat ze S'auri zouden ontmoeten. (21) De Heer reizend door Ânarta [het gebied van Dvârakâ], Sauvîra [oostelijk Gujarat], Marudes'a [de woestijn van Rajasthan] en Vinas'ana [het Kurukshetra district] trok onderweg door [vele] heuvels, rivieren, steden, dorpen, graslanden en delfplaatsen. (22) Na eerst de rivier de Drishadvatî te hebben overgestoken stak Mukunda vervolgens de Sarasvatî over, trok toen door de provincies Pañcâla en Matsya en bereikte tenslotte Indraprastha. (23) Toen hij hoorde dat Hij die zich zo zelden vertoont onder de mensen, was aangekomen, kwam degene wiens vijand nog geboren moest worden [koning Yudhishthhira, om Hem te verwelkomen] verheugd zijn stad uit, omringd door priesters en verwanten. (24) Met een veelheid aan geluiden van gezangen en instrumentale muziek en met het weerklinken van hymnen stapte hij op Hrishîkes'a af vervuld van een eerbied zo groot als die van de zinnen ingesteld op het leven. (25) Toen hij Heer Krishna na zo een lange tijd weer zag, smolt het hart van de Pândava door zijn liefde voor Hem waarna hij Hem, zijn innigste vriend, keer op keer omhelsde. (26) De heerser der mensen die het lichaam van Mukunda in zijn armen sloot, het stralende verblijf van Ramâ, zag al zijn ongeluk vernietigd en bereikte de hoogste verrukking. Daarbij vergat hij in zijn vreugde, met tranen in zijn ogen, de illusoire aangelegenheid van het belichaamd zijn in de materiële wereld. (27) Bhîma  omhelsde vervuld van vreugde Hem, zijn neef van moeder's zijde en lachte het uit van de liefde met ogen overstromend van de tranen. En ook uit de ogen van de tweeling [Nakula en Sahadeva] en van Kirîtî ['hij met de helm' ofwel Arjuna] vloeiden rijkelijk de tranen toen ze met vreugde Acyuta, hun innigste vriend, omhelsden. (28) Na omarmd te zijn door Arjuna en van de tweeling hun eerbetuigingen te hebben ontvangen boog Hij, zoals de etiquette dat voorschreef, voor de brahmanen en de ouderen en eerde Hij [de rest van] de achtenswaardige Kuru's, Sriñjaya's en Kaikaya's. (29) De barden, de geschiedschrijvers, de hemelse zangers, de lofsprekers en de grappenmakers, gebruikmakend van mridanga's, schelpen, pauken, vînâ's, trommeltjes en gomukha hoorns, zongen, dansten en verheerlijkten allen met lofzangen de Lotusogige, zoals ook de brahmanen dat deden. (30) De Allerhoogste Heer, het Kroonjuweel van Alle Vermaarde Zielen der Vroomheid, ging aldus verheerlijkt door Zijn weldoeners om Hem heen, de versierde stad binnen. (31-32) In de stad van de koning der Kuru's zag Hij, in de straten die waren besprenkeld met water en geurden van de mada [het bronstvocht] der olifanten, kleurige vlaggen, doorgangen versierd met gouden potten vol water en jonge mannen en vrouwen die allen waren gestoken in nieuwe kleren met sieraden om, bloemenslingers en sandelhout op hun lichamen. In elk huis waren lampen aangestoken en offergaven als eerbewijs uitgestald. Wierookwolken kringelden door het lattenwerk voor de ramen en wimpels wapperden vanaf de daken die waren gesierd met gouden koepels met een brede zilveren onderbouw. (33) Horend van de aankomst van Hem die voor de ogen van de mens een reservoir vormt om van te drinken, gingen de jonge vrouwen, om dat met eigen ogen te aanschouwen, de hoofdstraat van de koning op. Ze lieten daarbij zonder meer hun huishoudingen - of echtgenoten in bed - achter waarbij in hun geestdrift [soms] de knopen in hun haar en hun kleding waren losgeschoten. (34) Aldaar temidden van de drukte van olifanten, paarden, wagens en soldaten te voet, kregen ze Krishna met Zijn vrouwen in het oog. En terwijl ze Hem in hun harten omhelsden, strooiden de vrouwen die [vanwege de drukte] op de daken waren geklommen, bloemen over Hem uit en bereidden Hem een hartelijk welkom met breed glimlachende blikken. (35) Toen ze Mukunda's vrouwen op straat zagen als sterren rondom de maan, riepen de dames uit: 'Wat hebben zij gedaan dat de Beste van Alle Mannen met enkel het geringe aandeel van Zijn blikken en speelse glimlachen, hun de eer vergunt van de [grootste] vreugde?' (36) De burgers benaderden Hem op verschillende plaatsen met zegenrijke gaven in hun handen en de meesters der gilden, die hun zonden hadden uitgebannen, waren vol van aanbidding voor Krishna. (37) Met het betreden van het paleis van de koning, haastten de leden van de koninklijke huishouding zich om Mukunda vervuld van liefde met stralende ogen te begroeten. (38) Zo gauw Prithâ [koningin Kuntî] de Zoon van haar broer zag, Krishna, de Heerser over de drie Werelden, kwam ze samen met haar schoondochter [Draupadî] met een hart vol van liefde overeind van haar bank om Hem te omhelzen. (39) De koning bracht Govinda, de Allerhoogste God der Goden, naar Zijn vertrekken maar wist, overweldigd door zijn grote vreugde, niet meer precies wat hij allemaal moest doen voor een eerbiedige verering. (40) Krishna o Koning, bracht Zijn eerbetuigingen aan Zijn Tante en aan de oudere vrouwen, waarop Zijn zuster [Subhadrâ] en Krishnâ [Draupadî] zich voor Hem bogen. (41-42) Op aandringen van haar schoonmoeder [Kuntî] vereerde Krishnâ [Draupadî] al Krishna's vrouwen met kleding, bloemenslingers en juwelen en zo meer: Rukminî, Satyabhâmâ, Bhadrâ, Jâmbavatî, Kâlindî, Mitravindâ de nakomelinge van S'ibi, de kuise Nâgnajitî alsook de anderen die waren gekomen. (43) De koning van het dharma [Yudhishthhira] maakte het Janârdana, Zijn leger, Zijn dienaren, ministers en Zijn vrouwen naar de zin en zag erop toe dat het hen nimmer ook maar aan iets zou mankeren. (44-45) Hij verbleef daar enkele maanden omdat Hij de koning een plezier wilde doen en ging sportief met Arjuna en omringd door lijfwachten, uit rijden met Zijn wagen. Samen met Arjuna stelde Hij de vuurgod tevreden door hem het Khândava-woud te bieden. Maya [Dânava, de demon] die Hij toen redde, bouwde voor de koning daarop een hemelse vergaderzaal [in Hastinâpura].' 


 

Hoofdstuk 72: Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Yudhishthhira zat op een dag aan zijn hof temidden van de wijzen, de edelen, de populaire persoonlijkheden, de zakenlieden en zijn broers. Met al de âcârya's, de familie, de ouderen, zijn bloedverwanten, aangetrouwden en vrienden om zich heen luisterend, zei hij tegen Krishna het volgende. (3) S'rî Yudhishthhira zei: 'O Govinda, ik zou graag Uw verschillende heldendaden willen eren met de zuiverende ereplechtigheid die de koning van alle vuuroffers is genaamd Râjasûya. AlstUblieft o Meester sta het ons toe dat offer uit te voeren. (4) Zij die steeds, in volledige dienstbaarheid, mediteren op en van verheerlijking zijn voor Uw slippers, welke de vernietiging afroepen over alles wat ongunstig is, vinden zuivering. Zij en niet andere personen, o U wiens navel als een lotus is, slagen er met hun gebeden in een einde te maken aan hun materiële bestaan of krijgen anders, voor zover ze iets verlangen, de dingen voor elkaar die ze willen. (5) Derhalve o God der Goden, toon de mensen de macht van het dienen van Uw lotusvoeten. AlstUblieft o Almachtige, laat de status zien van zowel de Kuru's en Sriñjaya's die van aanbidding zijn als die van hen die niet van aanbidding zijn. (6) In Uw geest van Absolute Waarheid kan er geen verschil bestaan tussen 'mijn en dijn', daar U de Ziel van Alle Levende Wezens bent die, een ieder gelijkgezind, het geluk binnenin Uzelf ervaart. Degenen die U naar behoren van dienst zijn gunt U, als de wensboom, de verlangde resultaten al naar gelang de geleverde dienst, en hierin [in dit beantwoorden aan verlangens] schuilt geen tegenspraak.'

(7) De Allerhoogste Heer zei: 'Er mankeert niets aan uw voornemen o Koning, hiermee zal de hele wereld getuige zijn van uw zegenrijke roem, o kweller van de vijand! (8) Voor de wijzen, de voorvaderen, de goden en de vrienden o meester van Ons, alsook voor alle levende wezens, is [het uitvoeren van] deze koning aller offers [wat de letterlijke betekenis is van Râjasûja] wenselijk. (9) Breng de aarde onder controle door al de koningen te verslaan, verzamel al de benodigdheden [voor de plechtigheid] en voer [vervolgens] het grote offer uit. (10) Deze broers van u o Koning, werden geboren als deelaspecten van de halfgoden die over de werelden heersen [zie stamboom], en Ik, die niet te overwinnen ben voor hen die zichzelf niet in de hand hebben, geef Me gewonnen voor u die wel van zelfbeheersing bent. (11) Geen persoon, zelfs niet een halfgod - om nog maar te zwijgen van een aardse heerser -, kan middels zijn kracht, schoonheid, roem of rijkdom in deze wereld iemand aan zich onderwerpen die Mij is toegewijd.'

(12) S'rî S'uka zei: 'Met een gezicht bloeiend als een lotus, was de koning blij het lied [de Gîtâ] van de Allerhoogste Heer te horen. Gesterkt door het vermogen van Vishnu, betrok hij zijn broers bij de verovering van de windrichtingen. (13) Hij stuurde Sahadeva met de Sriñjaya's naar het zuiden, Nakula met de Matsya's in westelijke richting, Arjuna met de Kekaya's naar het noorden en Bhîma met de Madraka's naar het oosten. (14) De helden onderwierpen met hun persoonlijke kracht vele koningen en brachten hem van heinde en verre een overvloed aan rijkdommen, want van hem, die van plan was zijn offerplechtigheid uit te voeren, moest de vijand nog geboren worden o Koning. (15) De koning kwam ter ore dat Jarâsandha niet was verslagen en bezon zich daarop. De Heer, de Oorspronkelijke Persoon, stelde hem toen op de hoogte van de werkwijze zoals die door Uddhava was voorgesteld [in 10.71: 2-10]. (16) En zo gingen Bhîmasena, Arjuna en Krishna uitgedost in de kleding van brahmanen gedrieën naar Girivraja mijn beste, alwaar de zoon van Brihadratha [Jarâsandha] zich ophield. (17) Op het uur bestemd voor de ontvangst van [ongenode] gasten kwamen de edelen naar hem toe en bedelden, zich voordoend als brahmanen, bij de religieuze huishouder die van respect was voor de brahmaanse cultuur: (18) 'O Koning, ken ons als gasten in nood die van verre gekomen zijn. We wensen u al het beste toe. Alstublieft geef ons wat we graag willen. (19) Wat kan een geduldig iemand allemaal niet verdragen, waar zou een goddeloze allemaal niet toe in staat zijn, wat kan een vrijgevige allemaal niet wegschenken en wie kan nu iemand buitensluiten die een ieder gelijkgezind beziet? (20) Hij is laakbaar en zielig die, terwijl hij er heel goed toe in staat is, met het tijdelijke lichaam niet de eeuwige roem verwerft die door de heiligen wordt bezongen. (21) Vele zielen zoals Haris'candra, Rantideva, Uñchavritti Mudgala, S'ibi, Bali en de legendarische duif met zijn jager [zie*] bereikten het eeuwige [de Ziel] door middel van het [verzaken van het] tijdelijke.'

(22) S'rî S'uka zei: 'Echter, aan hun stemmen, hun fysieke voorkomen en de sporen van de boogpees op hun armen, kon hij [Jarâsandha] hen herkennen als edelen, als leden van de familie die hij bij nadere beschouwing al eens eerder had gezien. (23) [hij dacht:] 'Deze verwanten van de adelstand met de kentekenen van brahmanen, moet ik geven wat ze ook maar vragen, zelfs iets dat zo moeilijk is om op te geven als mijn eigen lichaam. (24-25) Staat Bali niet bekend als iemand wiens vlekkeloze roem zich wijd en zijd verbreidde, ook al werd hij ten val gebracht door Heer Vishnu [Vâmana] die in de gedaante van een tweemaal geborene, een brahmaan, Indra's rijkdom wilde inpalmen? Willens en wetens schonk hij de ganse aarde weg, ook al werd dat de daitya koning [Bali] afgeraden [door zijn goeroe, zie 8.19]. (26) Wat voor zin heeft het voor iemand uit een kshatriya milieu om in leven te zijn maar, met zijn vergankelijke lichaam, zich niet in te zetten ten gunste van de meerdere eer en glorie van de brahmanen?' (27) Met die mentaliteit zei de genereuze ziel tot Krishna, Arjuna en Vrikodara ['wolvenbuik' ofwel Bhîma]: 'O mannen van de leer, ik zal u geven wat u ook maar wilt, zelfs als u vraagt om mijn eigen hoofd!'

(28) De Opperheer zei: 'Alstublieft hoogmogende Koning, als dat u zint, neem dan de uitdaging aan strijd te leveren met ons in een man-tot-man gevecht. Wij, leden van de adelstand, zijn hier naartoe gekomen met de wens te vechten en verlangen niets anders. (29) Hij daar is Bhîma, de zoon van Prithâ, deze andere hier is zijn broer Arjuna en weet dat Ik Krishna ben, hun neef van moederszijde, uw vijand [zie 10.50].'

(30) Aldus uitgedaagd lachte de koning van Magadha hard en zei hij vol minachting: 'In dat geval, zal ik de strijd met jullie aanbinden, jullie dwazen! (31) Maar met Jou ga ik het gevecht niet aan. Laf verliet Je, tijdens de strijd in kracht tekortschietend, Je stad Mathurâ en vertrok Je naar een veilig plekje in de oceaan. (32) En wat hem betreft hier, Arjuna, hij is niet oud genoeg en ook niet zo sterk, hij is geen partij voor mij en moet niet mijn tegenstander zijn. Bhîma is degene die zo sterk is als ik.'

(33) Dat gezegd hebbende gaf hij Bhîma een grote knots en begaf hij zich buiten de stad, zelf een andere ter hand nemend. (34) Tegenover elkaar in het strijdperk, sloegen de twee helden vervolgens op elkaar in met hun bliksemschicht-gelijke strijdknotsen. Het gevecht dreef hen tot dolle woede. (35) Vaardig naar links en rechts om elkaar heen bewegend, leek het gevecht zo prachtig als van een stel acteurs op een toneel. (36) De klap van de tegen elkaar geslagen knotsen o Koning, leek wel het geluid van een blikseminslag of het gekletter van olifantenslagtanden. (37) Verwoed hevig vechtend als een paar olifanten, werden hun knotsen, die door de snelheid en kracht van hun armen hard tegen elkaars schouders, heupen, voeten, handen, dijen en sleutelbeenderen werden geslagen, in het contact aan stukken geslagen als waren het een stel arka-takken. (38) Met hun strijdknotsen aldus aan gruzelementen, bewerkten de twee grote helden onder de mensen elkaar kwaad met hun ijzerharde vuisten. [En ook] het geluid voortgebracht door de klappen van hun handen leek op dat van tegen elkaar opbotsende olifanten of van luide donderslagen. (39) Het gevecht tussen de twee mannen die elkaar sloegen maar qua training, kracht en uithoudingsvermogen elkaars gelijke waren, bleef aldus onbeslist en hield onverminderd aan o Koning [**]. (40) Krishna die kennis had van de geboorte en dood van de vijand en hoe hij door Jarâ tot leven was gewekt [zie 9.22: 8 en ***], deelde de macht van Zijn denkvermogen toen met de zoon van Prithâ. (41) Hij wiens Visie Onfeilbaar is had vastgesteld wat de manier was om hun vijand te doden en liet dat aan Bhîma zien door bij wijze van teken een twijg in tweeën te splijten. (42) Dat begrijpend greep de immens sterke Bhîma, de beste aller vechters, zijn vijand bij de voeten beet en gooide hij hem op de grond. (43) Met zijn voet boven op één been staand, greep hij met beide handen het andere vast en reet hij, net als een olifant met een boomtak, hem van zijn anus naar boven uiteen. (44) De onderdanen van de koning zagen hem toen in twee stukken gespleten met ieder één been, één dij, één zaadbal, één heup, één rugdeel, één schouder, één arm, één oog, één wenkbrauw en één oor. (45) Nadat de heer van Magadha ter dood was gebracht steeg er een luide jammerklacht op, terwijl Arjuna en Acyuta beiden Bhîma feliciteerden en omhelsden. (46) De Ondoorgrondelijke Ene, Allerhoogste Heer en Handhaver van Alle Levende Wezens bevrijdde toen de koningen die door de koning van Magadha gevangen waren genomen en kroonde zijn zoon Sahadeva tot heer en meester over de Magadha's.'

*: Het verhaal luidt dat de duif en zijn partner hun eigen vlees aan een jager gaven als bewijs van hun gastvrijheid en zo naar de hemel werden overgebracht in een hemels voertuig. Toen de jager hun positie vanuit de geaardheid goedheid doorgrondde, raakte hij ook verzaakt, en gaf hij aldus het jagen op en vertrok hij om boete te doen. Omdat hij bevrijd was van alle zonde werd hij, nadat zijn lichaam in een bosbrand verbrandde, tot de hemel bevorderd.  

**: Sommige âcârya's nemen de volgende twee verzen mee in de tekst van dit hoofdstuk, en S'rîla Prabhupâda vertaalde ze ook in 'Krishna':

evam tayor mahâ-râja
yudhyatoh sapta-vims'atih
dinâni niragams tatra
suhrid-van nis'i tishthhatoh

ekadâ mâtuleyam vai
prâha râjan vrikodarah
na s'akto 'ham jarâsandham
nirjetum yudhi mâdhava

"Aldus, o Koning, gingen ze tweeënzeventig dagen door met vechten. Aan het eind van iedere dag vechten, leefden beiden 's nachts als vrienden in Jarâsandha's paleis. Toen op de achtentwintigste dag, o Koning, zei Vrikodara [Bhîma] zijn neef van moeders zijde, 'Mâdhava, ik kan Jarâsandha niet in de strijd verslaan.' "

***: S'rîla Prabhupâda schrijft "Jarâsandha werd in twee verschillende delen geboren uit twee verschillende moeders. Toen zijn vader zag dat de baby geen nut had, wierp hij de twee delen in het woud, waar ze later werden gevonden door een heks met een zwart hart genaamd Jarâ. Zij slaagde erin de twee delen van de baby van top tot teen samen te voegen. Hiermee bekend, wist Heer Krishna daarom ook hoe hem te doden."

 


Hoofdstuk 73: Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

(1-6)  S'rî S'uka zei: 'De twintigduizend achthonderd [koningen] die in de strijd [door Jarâsandha] waren verslagen kwamen vies en met smerige kleren tevoorschijn uit het fort Giridronî [de hoofdstad]. Uitgemergeld van de honger, met ingevallen gezichten en door hun gevangenschap ernstig verzwakt, dronken ze Hem in met hun ogen en was het alsof ze Hem met hun tongen aan het oplikken waren, alsof ze met hun neusgaten Hem op wilden snuiven en Hem in hun armen wilden sluiten. Voor Hem, donkergrijs als een regenwolk, in gele kleding, gemerkt met het S'rîvatsa-teken, met Zijn vier armen, bekoorlijke ogen roze als de werveling van een lotus, aangename gezicht en glimmende makara [zeemonster-vormige] oorhangers; voor Hem met een lotus, een knots, een schelphoorn en een werpschijf in Zijn handen, gesierd met een helm, een halssnoer, gouden polsbanden, een gordel, armbanden en met het schitterend mooie juweel en een woudbloemenslinger om Zijn nek, voor Hem bogen zij wiens zonden waren verdreven, hun hoofden aan Zijn voeten. (7) En op hetzelfde moment dat de koningen met samengebrachte handen de Meester der Zinnen prezen met hun woorden, werd door de extase van het ontmoeten van Krishna de zwaarmoedigheid van hun gevangenschap weggevaagd.

(8) De koningen zeiden: 'Wij brengen U onze eerbetuigingen o God der Goden, o Heer der Overgegeven Zielen en Verdrijver van het Leed. O Onuitputtelijke, alstUblieft Krishna, redt ons die uit wanhoop over dit verschrikkelijke materiële bestaan bij U onze toevlucht zochten. (9) O Madhusûdana, we willen de heerser van Magadha niet de schuld geven, want door Uw genade o Almachtige, komen de koninkrijken van de heersers der mensen [die zich tegen U keerden] ten val. (10) Ertoe gedreven met de heerschappij en weelde zijn stem te verheffen, slaagt een koning, verbijsterd door Uw mâyâ denkend dat de tijdelijke verworvenheden iets permanents zijn, er niet in het ware voordeel te behalen. (11) Net zoals een kind een luchtspiegeling aanziet voor een plas water, houden zij die het ontbreekt aan onderscheidingsvermogen de illusoire kwestie die onderhevig is aan verandering, voor iets substantieels. (12-13) Wij die in het verleden, met het ons verlustigen over de weelde, verblind raakten en ruzieden met elkaar over de heerschappij over deze aarde, belaagden zeer genadeloos onze  burgers o Meester en hebben met [U in de gedaante van] de dood recht voor ogen, hoogmoedig van U afgezien. Wij o Krishna, werden ertoe gedwongen om afstand te doen van onze weelde en werden in onze trots gekrenkt door Uw genade in de vorm van de onweerstaanbare macht van de Tijd die zich zo geheimzinnig beweegt. Wij bidden U of we alstUblieft mogen leven in de herinnering aan Uw voeten. (14) We smachten van nu af aan niet langer naar een koninkrijk dat, zich manifesterend als een luchtspiegeling, steeds moet worden gediend met het materiële lichaam dat onderhevig is aan verval en een bron van ziekte vormt. Noch o Almachtige, verlangen we naar de vrucht van vrome arbeid in een hiernamaals dat zo verlokkelijk is voor het oor [vergelijk B.G. 1: 32-35]. (15) Vertel ons AlstUblieft op welke manieren we Uw lotusvoeten mogen herinneren, ondanks het feit dat we er niet mee kunnen ophouden telkens weer terug te keren naar deze wereld [zie B.G. 8: 14]. (16) Keer op keer brengen we onze eerbetuigingen aan Krishna, de zoon van Vasudeva, de Heer en Superziel van hen die zich verootmoedigen, aan Govinda, de Vernietiger van het Leed.'

(17) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Verlener van de Toevlucht, in deze geest geprezen door de koningen die waren bevrijd uit hun gebondenheid beste Koning, sprak genadig tot hen in aangename bewoordingen. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'O Koningen, Ik verzeker jullie, van nu af aan zal, zoals jullie het willen, zich bij jullie een gedegen toewijding voor Mij, het Zelf en de Heer van Allen, ontwikkelen. (19) Jullie besluit is een gelukkig besluit o heersers, want Ik zie dat jullie naar waarheid spreken over de schaamteloze verdwazing met de weelde en de macht die de mensheid tot waanzin drijft. (20) Haihaya [of Kârtavîryârjuna 9.15: 25], Nahusha [9.18: 1-3], Vena [zie 4.14], Râvana [9.10], Naraka [of Bhauma 10.59: 2-3] en anderen kwamen ten val uit hun posities als goden, demonen en mensen omdat ze bezeten raakten van de weelde. (21) Met in gedachten dat dit materiële lichaam en wat er bij komt kijken een begin en een eind heeft, hebben jullie de taak om, verbonden met Mij met gebeden en [Vedische] offers, jullie burgers overeenkomstig het dharma te beschermen. (22) Ermee bezig generaties nageslacht te verwekken en geplaatst voor lief en leed, geboorte en dood, moeten jullie je geesten fixeren op Mijn eerbetoon. (23) Neutraal met betrekking tot het lichaam en alles wat erbij hoort en standvastig in de geloften innerlijk tevreden, zullen jullie, je ten volle op Mij concentrerend, uiteindelijk Mij, het Absolute van de Waarheid, bereiken [vergelijk B.G. 4: 9; 8: 7; 9: 28; 12: 3-4].'

(24) S'rî S'uka zei: 'Krishna, de Allerhoogste Heer en Meester van al de Werelden, die aldus de koningen instrueerde, zette vervolgens dienaren en dienstmaagden aan het werk om ze een bad te geven. (25) O afstammeling van Bharata, Hij zorgde ervoor dat Sahadeva [Jarâsandha's zoon] hen voorzag van kleding, versieringen, bloemenslingers en sandelhoutpasta, zoals die bij hen pasten. (26) Naar behoren gebaad en goed uitgedost werden ze voorzien van uitstekend voedsel en bedacht met verschillende genoegens koningen waardig, zoals betelnoot en dergelijke. (27) Geëerd door Mukunda straalden de koningen verlost van hun ellende prachtig met hun glimmende oorhangers als waren ze de planeten aan het eind van het regenseizoen. (28) Na hen wagens versierd met goud en edelstenen en getrokken door fijne paarden te hebben toegewezen, stuurde Hij, ze behagend met aangename woorden, weg naar hun koninkrijken. (29) Zij die aldus door Krishna, de grootste van alle persoonlijkheden, waren bevrijd van hun misère gingen weg met niets anders in gedachten dan de daden van Hem, de Heer van het Levende Wezen dat het Universum is. (30) Met hun ministers en overige medewerkers bespraken ze wat de Hoogste Persoonlijkheid had gedaan en voerden toen oplettend uit wat de Heer had opgedragen. (31) Na Jarâsandha door Bhîmasena te hebben laten doden, liet Kes'ava zich vereren door Sahadeva en vertrok toen vergezeld door de twee zoons van Prithâ. (32) Arriverend in Indraprastha bliezen ze op de schelphoorns die voorheen de vijanden ongeluk hadden gebracht die ze versloegen, maar nu hun weldoeners vreugde verschaften. (33) De ingezetenen van Indraprastha waren in hun harten blij dat geluid te horen. Ze begrepen dat Jarâsandha het had afgelegd en dat de koning [Yudhishthhira] zijn doel had bereikt. (34) Na de koning hun eerbetuigingen te hebben gebracht, vertelden Arjuna, Bhîma en Janârdana wat ze allemaal gedaan hadden. (35) De koning van het dharma kon geen woord uitbrengen toen hij dat hoorde. In extase door Krishna's genade liet hij uit liefde zijn tranen de vrije loop.'

 

 



Hoofdstuk 74: De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

(1) S'rî S'uka zei: 'Koning Yudhishthhira, die aldus vernam over de dood van Jarâsandha en het machtsvertoon van de almachtige Krishna, was daar blij over en richtte zich tot Hem. (2) S'rî Yudhishthhira zei: 'Al de geestelijk leraren, de bewoners en de grote heersers die er zijn in de drie werelden, dragen de moeilijk te verwerven opdracht [van U] op hun hoofden. (3) Dat Uzelf, de Lotusogige Heer, instructies aanvaardt van bij de dag levende mensen [zoals wij] die denken dat ze heersers zijn, is o Allesdoordringende, een enorme schijnvertoning [van U die ons na zit te apen]. (4) Zoals dat met de bewegingen van de zon gaat, neemt met [Zijn] handelingen de macht van de Ene Zonder Zijns Gelijke, de Absolute Waarheid, de Superziel, niet af noch toe [zie B.G. 2: 40]. (5) O Mâdhava, de geperverteerde dierlijke mentaliteit van onderscheid maken tussen 'ik en mijn' en 'jij en het jouwe' is waarlijk niet de Uwe o Onoverwinnelijke, noch die van Uw bhakta's.'

(6) S'rî S'uka zei: 'Nadat de zoon van Prithâ dat gezegd had, koos hij, op een voor de offerplechtigheid geëigend tijdstip, met de toestemming van Krishna, de geschikte priesters uit, brahmanen die Vedische experts waren: (7-9) Dvaipâyana [Vyâsa], Bharadvâja, Sumantu, Gotama, Asita, Vasishthha, Cyavana, Kanva, Maitreya, Kavasha, Trita, Vis'vâmitra, Vâmadeva, Sumati, Jaimini, Kratu, Paila, Parâs'ara, Garga, Vais'ampâyana, alsook Atharvâ, Kas'yapa, Dhaumya, Râma van de Bhârgava's [Pâras'urâma], Âsuri, Vîtihotra, Madhucchandâ, Vîrasena en Akritavrana. (10-11) Ook anderen waren uitgenodigd zoals Drona, Bhîshma, Kripa, Dhritarâshthra met zijn zoons en de hoogst intelligente Vidura. Koningen met hun koninklijk gevolg, brahmanen, kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's die graag het offer wilden bijwonen, kwamen allen o Koning. (12) De brahmanen trokken toen met gouden ploegscharen voren op de plaats voor het aanbidden van de goden en wijdden er de koning in overeenkomstig de voorschriften. (13-15) De gebruiksvoorwerpen waren van goud zoals dat in het verleden met het offer van Varuna ook het geval was geweest [vergelijk 9.2: 27]. De heersers der werelden met Indra voorop, met inbegrip van Brahmâ en S'iva, de vervolmaakten en de hemelse zangers met hun gevolg, de geleerden, de grote serpenten [v.i.p.'s, ego's], de wijzen, de behoeders van de rijkdom en de wildemannen, de vogels van de hemel [zie khaga], de machtigen, de achtenswaardigen en de aardse koningen alsook de vrouwen van de koningen die waren uitgenodigd, kwamen van overal naar het Râjasûya-offer dat zij, in het geheel niet verrast [over al die weelde], voor een toegewijde van Krishna heel gepast vonden. (16) De priesters die zo machtig waren als de goden voerden voor de grote koning volgens de Vedische voorschriften het Râjasûya offer uit, precies zoals de halfgoden dat hadden gedaan voor Varuna. (17) Op de dag vastgesteld voor het onttrekken van het soma-sap, vereerde de koning zoals het hoorde, heel aandachtig de offeraars en de meest verheven persoonlijkheden van de vergadering. (18) De leden van de vergadering bezonnen zich op wie van hen als eerste diende te worden vereerd, maar konden niet tot een besluit komen daar er velen waren [die ervoor in aanmerking kwamen]. Toen nam Sahadeva [de Pândava] het woord: (19) 'Het is Acyuta die de allerhoogste positie verdient, Hij is de Opperheer, de leider van de Sâtvata's. Hij staat voor al de halfgoden zowel als de plaats, de tijd en de benodigdheden en dergelijke. (20-21) Dit universum zowel als de grote offerplechtigheden, het offervuur, de offergaven en de bezweringen zijn op Hem gebaseerd. De analytische zienswijze en de wetenschap van de yoga doelen op Hem. Hij is de Ene zonder Zijns gelijke waarop het levende wezen [het universum] berust o leden van de vergadering. Hij is de Ongeborene die, enkel op Zichzelf vertrouwend, schept, handhaaft en vernietigt. (22) Zijn genade brengt de verschillende handelingen alhier teweeg en vanwege Zijn genade spant de hele wereld zich in voor de idealen gekenmerkt door religiositeit en dergelijke [de purushartha's]. (23) Daarom moeten we Krishna, de Allerhoogste, de grootste eer toekennen. Als we dat doen, doen we alle levende wezens eer aan, onszelf inbegrepen. (24) Het moet Krishna worden gegund, de Ziel die alle levende wezens omvat en die niemand als losstaand van Hemzelf beziet, de Ene der Vrede die Volmaakt en Volkomen is en die voor een ieder die Zijn liefde graag beantwoord ziet het Onbegrensde vormt [van een Eeuwige Wederkerigheid].'

(25) Nadat Sahadeva wel bekend met Krishna's waardigheid zich aldus had uitgelaten, viel hij stil waarop alle goede en waarachtige lieden die dit hoorden, vervuld van geluk zeiden: 'Dit is uitstekend, heel goed!'

(26) Toen de koning de tweemaal geboren zielen dit hoorde zeggen, aanbad hij, blij te weten wat er in de leden van de vergadering omging, overweldigd door liefde Hrishîkes'a ten volle. (27-28) Hij waste Zijn voeten en nam het water dat de wereld zuivert op zijn hoofd. Vervolgens bracht hij het vreugdevol naar zijn vrouw, zijn broers, zijn ministers en familie. En terwijl hij Hem vereerde met kostbare zijden kledingstukken en juwelen, was hij door de tranen in zijn ogen niet in staat Hem recht aan te kijken. (29) Toen ze Hem aldus vereerd zagen riepen al de mensen met samengebrachte handpalmen uit: 'Onze eerbetuigingen aan U, U zij de glorie!' en terwijl ze dit zeiden bogen ze voor Hem en lieten ze een regen van bloemen neerdalen.

(30) De zoon van Damaghosha [S'is'upâla, zie 10.53] die dit hoorde kwam, geïrriteerd door de beschrijvingen van Krishna's kwaliteiten, kwaad met zijn armen zwaaiend van zijn zitplaats overeind en zei, zich verontwaardigd in ruwe taal tot de Fortuinlijke richtend, het volgende temidden van de vergadering: (31) 'Het Vedische woord van waarheid dat de Tijd de onvermijdelijke heerser is, is hiermee bewezen, want zelfs de intelligentie van de ouderen kon door de woorden van een jongen op een dwaalspoor worden gezet! (32) Jullie weten het beste wie er de meest prijzenswaardige is! Alstublieft, o leiders van de vergadering, besteed geen aandacht aan de uitspraken van de jongen dat Krishna zou moeten worden verkozen om te worden geëerd. (33-34) U gaat voorbij aan de leiders in de vergadering die de besten onder de wijzen zijn, aan hen die de Absolute Waarheid zijn toegewijd en door de heersers over de wereld worden vereerd. Het zijn mensen die door spiritueel begrip, verzaking, Vedische kennis en het naleven van geloften hun onzuiverheden hebben uitgebannen. Hoe kan een koeherder die een schande voor Zijn familie vormt, het nu verdienen te worden aanbeden? Hij verdient het net zo min als een kraai de heilige rijstcake verdient! (35) Hoe kan Hij die, op eigen gezag handelend, de perken te buiten gaat van alle dharmische verplichtingen en het ontbreekt aan kula [de juiste opvoeding] varna [beroepsmatig behoren] en âs'rama [plichtsbesef naar leeftijd], aldus de kwaliteiten missend, het nu verdienen te worden vereerd? (36) Met de dynastie [der Yadu's] vervloekt door Yayâti [zie 9.18: 40-44], uitgestoten door personen van goed gedrag [zie 10.52: 9] en begeertig verslaafd aan de drank [b.v. 10.67: 9-10], hoe kan zo iemand de aanbidding waard zijn? (37) Met het achter zich laten van de gronden [van Mathurâ] gezegend door de brahmaanse wijzen, namen Hij en de Zijnen hun toevlucht tot een vesting in zee [10.50: 49] alwaar de brahmaanse orde niet wordt nageleefd [10.57: 30] en Ze als dieven de mensen veel moeilijkheden bezorgen [b.v. 10.61].'

(38) De Allerhoogste Heer zei geen stom woord tegen hem die zich bediende van dergelijke en nog meer grove bewoordingen en wiens kansen zich daardoor hadden gekeerd. Hij was zo stil als een leeuw tegenover het gehuil van een jakhals. (39) Toen de leden van de vergadering die onverdragelijke kritiek hoorden, bedekten ze hun oren en liepen ze weg terwijl ze de koning van Cedi kwaad vervloekten. (40) Een persoon die niet weggaat van de plaats waar men kritiek op de Opperheer of Zijn toegewijde uitoefent, verspeelt zijn moreel tegoed en zal ten val komen. (41) Toen stonden de zoons van Pându alsook de Matsya's, Kaikaya's en Sriñjaya's kwaad op, met geheven wapens klaar om S'is'upâla te doden. (42) Daarop o nazaat van Bharata, nam S'is'upâla geenszins onder de indruk zijn zwaard en schild ter hand, en daagde met beledigingen de koningen in de vergadering uit die de voorstanders van Krishna waren. (43) Op dat moment stond de Opperheer op en hield Zijn toegewijden tegen. Misnoegd viel Hij Zijn vijand aan met Zijn scherpgerande schijf en scheidde Hij zijn hoofd van zijn romp. (44) Met S'is'upâla ter dood gebracht ontstond er een enorm tumult onder de aanwezigen. De koningen die aan zijn kant stonden vreesden voor hun leven en sloegen op de vlucht. (45) Recht voor ogen van al de levenden, rees uit het lichaam van S'is'upâla een licht op dat Krishna binnenging als was het een meteoor die vanuit de hemel op de aarde viel [zie 10.12: 33]. (46) Zich uitstrekkend over drie geboorten was hij door die geest [van vijandigheid] bezeten geweest en aldus mediterend bereikte hij [nu uiteindelijk] de Eenwording met Hem [B.G. 4: 9]. Het is inderdaad zo dat iemands levenshouding de oorzaak is van zijn wedergeboorte [zie B.G. 8: 6 & Jaya en Vijaya]. (47) De keizer beloonde de priesters en de leden van de vergadering overvloedig met geschenken, ze allen naar behoren respecterend zoals de geschriften dat voorschreven en voerde vervolgens de avabhritha ceremonie uit [van het wassen van zichzelf en de gebruiksartikelen om het offer af te sluiten]. (48) Krishna, de  Meester van de Meesters der Yoga, zag erop toe dat de grote offerplechtigheid van de koning werd afgerond en bleef op het verzoek van Zijn weldoeners nog een paar maanden [in Indraprastha]. (49) De zoon van Devakî, Îs'vara, nam toen afscheid van de koning - die daar helemaal geen zin in had - en keerde met Zijn vrouwen en Zijn ministers terug naar Zijn stad. (50) Het verhaal over de twee ingezetenen van Vaikunthha die als gevolg van een vloek van de wijzen [de Kumâra's] herhaaldelijk geboorte moesten nemen, heb ik u gedetailleerd uiteengezet [zie 3.16]. (51) Toen koning Yudhishthhira zich baadde met de avabhritha van de Râjasûja, straalde hij temidden van de brahmanen en kshatriya's zo schitterend als de koning der halfgoden. (52) Al de goden, mensen en hemelreizigers [de mindere goden, de Pramatha's] keerden, geëerd door de koning,  gelukkig terug naar hun verblijfplaatsen, vol van lof over Krishna en de offerplechtigheid. (53) [Allen waren gelukkig], met uitzondering van de zondige Duryodhana die de plaag van de Kuru-dynastie was en de verpersoonlijking vormde van het Tijdperk van de Redetwist. De confrontatie met de bloei van de weelde der Pândava's was iets dat hij niet kon verdragen.

(54) Hij die de woorden reciteert betreffende deze handelingen van Heer Vishnu, het bevrijden van de koningen, de offerplechtigheid en het doden van de koning van Cedi en dergelijke, raakt verlost van alle zonde.'

 



Hoofdstuk 75: Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

(1-2) De achtenswaardige koning zei: 'Al de mensen van God o brahmaan, die bijeenkwamen voor het Râjasûya-offer van Ajâtas'atru [hij wiens vijand nog geboren moest worden, ofwel Yudhishthhira], waren verrukt over de grote feestelijkheid die ze zagen: al de koningen, de wijzen en verlichte zielen zo vernam ik mijn heer, behalve dan Duryodhana. Alstublieft vertel ons wat de reden hiervan was.'

(3) De zoon van Vyâsa zei: 'Bij het Râjasûya-offer van de grote ziel die je grootvader is, waren de familieleden die waren verbonden in goddelijke liefde, er in alle bescheidenheid mee bezig zijn zaak te dienen. (4-7) Bhîma was belast met de keuken, Duryodhana zag toe op de financiën, Sahadeva regelde de ontvangst en Nakula bracht de benodigdheden bij elkaar. Arjuna was de leermeesters van dienst, Krishna waste de voeten, de dochter van Drupada diende het voedsel op en de edelmoedige Karna deelde de giften uit. Yuyudhâna, Vikarna, Hârdikya, Vidura en anderen zoals de zonen van Bâhlîka met Bhûris'ravâ voorop en Santardana, waren, ijverig de koning te behagen, ertoe bereid zich tijdens de uitvoerige offerplechtigheid in te zetten voor de verschillende plichten o beste der koningen. (8) Nadat de koning van Cedi de voeten van de meester der Sâtvata's was binnengegaan, voerden de priesters, de prominente voorgangers, de hooggeleerden en allen die goed en welgezind waren en die op gepaste wijze waren vereerd met aangename woorden, zegenrijke gaven en geschenken uit dankbaarheid, het avabhritha-ritueel uit in de hemelse rivier. (9) Tijdens de avabhritha-viering weerklonk de muziek van een keur aan gomukha hoorns, pauken, grote trommen, mridanga's, kleinere trommels en schelphoorns. (10) Dansmeisjes dansten en zangers zongen vreugdevol in groepen toen de luide klanken van hun vînâ's, fluiten en handcymbalen tot de hemel reikten. (11) De koningen begaven zich met ketenen van goud om op weg samen met voetvolk, fraaie vlaggen en banieren van verschillende kleuren en fijn opgetuigde majestueuze olifanten en paarden en wagens. (12) De Yadu's, Sriñjaya's, Kâmboja's, Kuru's, Kekaya's en Kos'ala's met hun legers aangevoerd door [de koning,] de uitvoerder van het offer, deden de aarde schudden. (13) De voorgangers, de priesters en deskundige brahmanen lieten luid Vedische mantra's weerklinken, terwijl de halfgoden en de wijzen, de voorvaderen en de zangers van de hemel lofzangen zongen en bloemen lieten neerregenen. (14) Mannen en vrouwen die fraai waren opgesierd met sandelhoutpasta, bloemenslingers, juwelen en kleding, besmeurden en besprenkelden elkaar spelend met verschillende vloeistoffen. (15) De courtisanes werden door de mannen speels met olie, yoghurt en geparfumeerd water vol turmeric- en vermiljoenpoeder ondergesmeerd, en zij besmeurden hen op hun beurt [*]. (16) De koninginnen bewaakt door de soldaten gingen eropaf om dit met eigen ogen te aanschouwen, net zoals de vrouwen van de goden dat deden in hun hemelwagens in de lucht. Door hun neven en vrienden op hun beurt natgespoten, zagen ze er prachtig uit met hun bloeiende gezichten en bedeesde glimlachen. (17) Terwijl ze hun zwagers, hun vrienden enzovoorts natspoten met spuiten, raakten in hun opwinding hun armen, borsten, dijen en middel ontbloot omdat hun kleren doorweekt en uit hun verband raakten en de bloemen die ze in hun haar hadden gevlochten losschoten. Aldus brachten ze met hun bekoorlijke spel hen van streek die onrein van geest waren. (18) De keizer klom in zijn wagen ingespannen met de beste paarden en straalde, met goud omhangen, in alle richtingen met zijn vrouwen als was hij de koning der offers, de Râjasûya met al zijn rituelen, in eigen persoon. (19) Nadat de priesters hem begeleid hadden in de patnî-samyâja- [**] en avabhritha-plechtigheden, lieten ze hem de âcamana uitvoeren van het sippen van water ter zuivering en hem samen met Draupadî een bad nemen in de Ganges. (20) De pauken van de goden weerklonken tezamen met die van de mensen, terwijl de halfgoden, de wijzen, de voorvaderen en de mensen een stortvloed van bloemen lieten neerregenen. (21) Hierna namen de mensen van alle rangen en standen een bad op die plaats waar zelfs de grootste zondaar op slag kan worden bevrijd van alle smetten. (22) Daarna trok de koning een nieuw stel zijden kleren aan en vereerde hij fraai opgesierd de priesters, de voorgangers en de brahmanen met juwelen en kleding. (23) De koning, Nârâyana toegewijd, putte zich op verschillende manieren uit in respectbetoon voor de koningen, zijn vrienden, weldoeners, naaste verwanten, aangetrouwde familie alsook voor anderen. (24) Al de mannen met hun juwelen en oorhangers, bloemen en tulbanden, jasjes en zijden kleding alsook met de meest kostbare parelkettingen om, straalden als de halfgoden. De vrouwen schitterden tevens prachtig met de schoonheid van hun gezichten opgesierd door paren oorhangers en hun haarlokken en met een gouden gordel om. (25-26) O koning, de hoog gekwalificeerde priesters, de voorgangers, de Vedische experts, de brahmanen, de kshatriya's, de vais'ya's, de s'ûdra's en de koningen die waren gekomen en samen met hun gevolg, de planetaire heersers, de geesten, de voorvaderen en de halfgoden waren vereerd, keerden toen, met zijn permissie, allen terug naar hun verblijfplaatsen. (27) Net als sterfelijke mensen die amrita drinken, konden ze er geen genoeg van krijgen zich lovend uit te laten over de grote viering van het Râjasûya-offer georganiseerd door de wijze koning, de dienaar van de Heer. (28) Door liefde gedreven hield hij zijn familieleden, vrienden en verwanten toen tegen. Koning Yudhishthhira had het er moeilijk mee dat hij van Krishna zou worden gescheiden.  (29) Mijn beste, om hem een plezier te doen bleef de Allerhoogste Heer daar toen. De Yaduhelden die door Sâmba werden aangevoerd stuurde Hij weg naar Dvârakâ. (30) De koning, de zoon van Dharma [van Yamarâja ofwel Dharma, de heer der plichten] door Krishna bevrijd van zijn koortsige toestand [zie ook 10.63: 23], slaagde er aldus in met succes de zo moeilijk te overwinnen oceaan van zijn grote ambities over te steken.

(31) Toen Duryodhana op een dag de weelde in het paleis zag, stoorde hij zich aan de grootheid van zowel de Râjasûya als van hem [Yudhishthhira] wiens hart en ziel Acyuta toebehoorde. (32) In dat paleis was de uiteenlopende weelde te zien van de koningen van de mensen, de demonen en de goden. Met die weelde verschaft door de kosmische architect [Maya Dânava] was de dochter van koning Drupada haar echtgenoten [de Pândava's] dienstbaar. De Kuru-prins treurde omdat zijn hart op haar gefixeerd was. (33) De duizenden koninginnen van de Heer van Mathurâ waren er op dat moment ook, zich hoogst aantrekkelijk met hun tailles en volle heupen er langzaam rondbewegend op hun voeten die charmant tinkelden, met hun paarlen halskettingen om die rood waren van de kunkum van hun borsten en met hun mooie gezichten die rijk versierd waren met oorbellen en haarlokken. (34-35) In de ontvangstzaal gebouwd door Maya viel het zo voor dat de zoon van Dharma, de keizer in eigen persoon, in het gezelschap van zijn metgezellen, zijn familie en ook Krishna - die zijn Eigenlijke Blik was - was gezeten op een troon van goud en uitgerust met de rijkdom van het hoogste leiderschap, terwijl hij werd geprezen door de hofdichters alsof hij Indra was. (36) Daar o Koning, kwam toen Duryodhana binnen omringd door zijn broers. Zo trots als een pauw een kroon dragend en een halsketting, was hij met een zwaard in zijn hand kwaad aan het fulmineren [tegen de deurwachters]. (37) Begoocheld door de toverkunsten van Maya zag hij de harde vloer aan voor water en hield hij het einde van zijn kleed omhoog, maar even verderop tuimelde hij in water dat hij aanzag voor een vaste vloer. (38) Bhîma die het zag schaterde het uit zoals ook de vrouwen, de koningen en de rest mijn beste. Ondanks dat de koning hen de wacht aanzegde, kon het de goedkeuring van Krishna wegdragen. (39) Hij [Duryodhana], laaiend van de woede, vertrok daarop beschaamd, met zijn gezicht naar beneden, innerlijk ontdaan naar Hastinâpura waaropvolgend er onder de vromen een zeer luidruchtig 'helaas, helaas!' oprees. Ajâtas'atru [de koning] zag het somber in en de Opperheer, uit wiens blik de verbijstering was voortgekomen, hield Zich stil. Hij was er klaar voor om de last van de aarde weg te nemen [zie ook 1.15: 25-26, 10.2: 38 en 10.63: 27].

(40) O Koning, dit is wat ik u te zeggen heb naar aanleiding van uw vraag over de kwade zin van Duryodhana gedurende het grote Râjasûya-offer.'

*: In het huidige India kent men de traditie van het Holi-feest, of kleurenfeest eens per jaar op de ochtend na volle maan begin Maart, waarbij men dit spel speelt. Men viert er het begin van de lente mee en de dood van de demone Holika. Holika was de zuster van Hiranyakas'ipu die met het bestrijden van Prahlâda er maar niet in slaagt hem te doden [zie 7.5]. Zij, tegen vuur bestand zo heette het, zittend met hem in een vuur kan hem echter zo niet deren. Hij blijft ongedeerd, maar zij gaat in vlammen op. Zo worden er met Holi de nacht tevoren ook grote vreugdevuren ontstoken ter nagedachtenis aan dit verhaal. Hoewel Holi over het gehele noorden van India wordt gevierd, is er speciale aandacht en vreugde voor in Mathurâ, Vrindâvana, Nandgaon, en Barsnar (de plaatsen waar Heer Krishna en S'rî Râdhâ opgroeiden). Heer Krishna, toen Hij opgroeide in Vraja, maakte het feest populair met Zijn inventieve streken. De gopî's van Vraja reageerden met een gepast enthousiasme en de festiviteiten zijn sedertdien volgehouden. Rolomdraaiing met travestie, feminisme etc. zijn aanvaarde gebruiken gedurende dit festival. Mannen en vrouwen in Vraja vechten met elkaar in een kleurig vertoon van een nepgevecht tussen de sexen. Een in de natuur gevonden roodoranje kleurstof, kesudo, wordt gebruikt om alle deelnemers te besmeuren en doordrenken.

**: Het patnî-samyâja ritueel is het ritueel dat uitgevoerd wordt door de sponsor van het offer en zijn vrouw; het bestaat uit uitgietingen voor Soma, Tvashthâ, de vrouwen van bepaalde halfgoden, en Agni.

 

     

Hoofdstuk 76: De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

(1) S'rî S'uka zei: 'Alstublieft, o Koning, luister nu hoe Krishna, in Zijn lichaam voor mens spelend, met nog weer een andere wonderbaarlijke heldendaad de heer van Saubha ter dood bracht. (2) Hij die S'âlva werd genoemd, was een vriend van S'is'upâla. Hij kwam naar Rukminî's huwelijk en werd tezamen met Jarâsandha en anderen door de Yadu's verslagen in de strijd [zie 10.54 en ook 10.50]. (3) Voor een gehoor van al de koningen zwoor hij: 'Wacht maar, ik zal met al wat in me is de aarde van de Yâdava's bevrijden!'

(4) De dwaze koning at met die eed slechts eenmaal daags een handje stof terwijl hij als zijn meester de heer aanbad die de dierlijke mens beschermt [Pas'upati ofwel S'iva *]. (5) Nadat een jaar was verstreken verleende Âs'utosha [S'iva, hij die snel te behagen is], de meester van Umâ, S'âlva die bij hem zijn toevlucht had gezocht, een gunst naar zijn keuze. (6) Hij koos voor een voertuig dat een verschrikking vormde voor de Vrishni's, waaree hij naar believen kon reizen en dat niet kon worden vernietigd door de goden, de demonen, de mensen, de zangers van de hemel, de serpenten of de wildemannen. (7) Giris'a zei 'zo zij het' en gaf vervolgens Maya Dânava, die er was om de steden van de vijanden te verslaan [zie 7.10: 53], de opdracht een [vliegend] fort van ijzer te bouwen genaamd Saubha en dat aan S'âlva aan te bieden. (8) Het voertuig vol van duisternis bewoog zich naar believen en was ongenaakbaar. Toen S'âlva het kreeg ging hij, terugdenkend aan de vijandschap die de Vrishni's hadden getoond, er mee naar Dvârakâ. (9-11) O beste van de Bharata's, S'âlva belegerde de stad met een grote strijdmacht en vernielde de parken, de tuinen en de torens, de stadspoorten, de woningen, de buitenmuren, de uitkijkposten en de omliggende recreatiegebieden. Vanaf zijn superieure vimâna kwam er een stortvloed aan wapens naar beneden vergezeld door stenen, bomen, bliksemschichten, slangen en hagelstenen. Er stak een heftige wervelwind op die alle richtingen overdekte met een laag stof. (12) De stad van Krishna die aldus verschrikkelijk werd geteisterd door Saubha o Koning, kon geen vrede vinden, net zoals de aarde dat niet kon met [de belegering door het vliegende drievoudige fort] Tripura [zie 7.10: 56].

(13) Toen de Grote Heer Pradyumna zag hoe Zijn onderdanen werden belaagd, zei Hij tot hen: 'Wees niet bang!', waarna de grote held, die van een ongekende glorie was, in Zijn strijdwagen klom. (14-15) Eminente aanvoerders onder de strijdwagenhelden als Sâtyaki, Cârudeshna, Sâmba, Akrûra en zijn jongere broers, Hârdikya, Bhânuvinda alsook Gada, S'uka, Sârana en andere boogschutters, kwamen in kuras gestoken [uit de stad] tevoorschijn beschermd door strijdwagens, olifanten, cavalerie en infanterie. (16) Daarop nam tussen de Yadu's en de volgelingen van S'âlva een huiveringwekkende strijd zijn aanvang die zo heftig was als de strijd tussen de demonen en de halfgoden [zie 8.10]. (17) Zoals de duisternis van de nacht wordt verdreven door de warme stralen van de zon, werden door de zoon van Rukminî met zijn door God gezegende wapens in een oogwenk de toverkunsten van de meester van Saubha vernietigd. (18-19) Met vijfentwintig ijzer gepunte, in hun knopen perfect vereffende pijlen met gouden schachten trof Hij S'âlva's opperbevelhebber [Dyumân]. Met een honderdtal trof Hij S'âlva en met één pijl trof Hij ieder van zijn soldaten, met tien pijlen doorboorde Hij ieder van zijn wagenmenners en met drie pijlen trof Hij ieder van zijn draagdieren. (20) Toen ze dat verbazingwekkende, machtige wapenfeit zagen van Pradyumna, de grote persoonlijkheid, bewezen al Zijn troepen zowel als de soldaten van de vijand Hem de eer. (21) De magische illusie geschapen door Maya die dan weer werd waargenomen in vele vormen, dan weer als een enkele vorm werd gezien en dan weer helemaal niet te zien was, vormde een veranderlijkheid die het de tegenstander onmogelijk maakte hem te lokaliseren. (22) Zich her en der bewegend als een wervelende toorts bleef het luchtschip van Saubha nooit op één plaats; van het ene op het andere moment zag men het op de aarde, in de lucht, op een bergtop of in het water. (23) Waar S'âlva ook met zijn Saubha-schip opdook met zijn soldaten, richtten de legerbevelhebbers van de Yadu's op die plek hun pijlen. (24) S'âlva verloor zijn greep als gevolg van de vijand, want zijn leger en fort hadden te lijden onder de afgevuurde pijlen die, als vuur en de zon hun doel treffend, zo ondragelijk waren als slangengif. (25) Ondanks dat de Vrishni-helden, begerig naar de overwinning hier en in het hiernamaals, heftig geteisterd werden door de stortvloed aan wapens van S'âlva's bevelhebbers, gaven ze hun stellingen niet op. (26) S'âlva's metgezel genaamd Dyumân die voordien gewond was geraakt door Pradyumna, stelde zich toen op met een strijdknots van maura-ijzer en sloeg Hem met een machtige brul. (27) Pradyumna, de onderwerper van de vijanden, werd vol in de borst getroffen. Zijn wagenmenner, de zoon van Dâruka, wist wat hem te doen stond en voerde Hem af van het slagveld.

(28) De zoon van Krishna kwam snel weer bij bewustzijn en zei tot Zijn wagenmenner: 'Het is niet goed voor Mij o wagenmenner, om van het slagveld te zijn verwijderd! (29) Buiten Mij, was er nog nooit van iemand geboren in het huis van Yadu bekend dat hij het slagveld verliet. Nu is Mijn eer bezoedeld door een wagenmenner die denkt als een eunuch! (30) Wat moet Ik weggevlucht van het slagveld nu zeggen als Ik Mijn vaders Râma en Krishna onder ogen kom? Hoe moet Ik Me desgevraagd nu excuseren? (31) Mijn schoonzussen zullen ongetwijfeld de spot met Me drijven en zeggen: 'O held, hoe is het Je vijanden nu gelukt om van Jou zo'n lafaard in de strijd te maken?'

(32) De wagenmenner zei: 'O Langlevende, wat ik deed heb ik gedaan in het volle besef van mijn voorgeschreven plicht o Heer. Een wagenmenner behoort zijn meester te beschermen als hij gevaar loopt, net zoals de meester zijn menner moet beschermen. (33) Met dat in gedachten heb ik U van het slagveld afgevoerd. Door de knots van de vijand buiten westen geslagen, dacht ik dat U gewond was geraakt!'

*: Het Monier-Williams woordenboek stelt: "Volgens een legende achtte iedere godheid zich als niet meer waard dan een pas'u of een dier toen ze  S'iva verzochten om de Asura Tri-pura te vernietigen."





 

Hoofdstuk 77: Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

(1) S'rî S'uka zei: 'Na het beroeren van water, aansjorren van Zijn kuras en het oppakken van Zijn boog zei Hij [Pradyumna] tot Zijn wagenmenner: 'Breng Me naar de krijger Dyumân.'  (2) Dyumân had [in Zijn afwezigheid] huisgehouden onder Zijn troepen, maar nu sloeg Rukminî's zoon in de tegenaanval glimlachend terug met acht nârâca-pijlen [van ijzer]. (3) Met vier van hen trof Hij de vier paarden, met één de menner, met twee de boog en vlag en met één zijn hoofd. (4) Gada, Sâtyaki, Sâmba en anderen maakten een einde aan het leger van de meester van Saubha. Allen die in de Saubha zaten vielen met hun halzen doorgesneden in de oceaan. (5) Zevenentwintig dagen en nachten hield toen de tumultueuze en angstwekkende strijd aan tussen de elkaar aanvallende Yadu's en de volgelingen van S'âlva. (6-7) Krishna die was weggeroepen door de zoon van Dharma [Yudhishthhira] bevond zich in Indraprastha [zie 10.71] en nam daar, nadat de Râjasûya was afgelopen en S'is'upâla ter dood was gebracht, zeer kwade voortekenen waar. Hij nam afscheid van de Kuru-ouderen, de wijzen en Prithâ en haar zoons en begaf zich naar Dvârakâ. (8) Hij zei tot Zichzelf: 'Nu dat Ik hier naartoe gekomen ben vergezeld door Mijn achtenswaardige oudere broer, zouden de koningen samenspannend met S'is'upâla wel eens Mijn stad aan het belegeren kunnen zijn.'

(9) Toen Hij koning S'âlva's Saubha zag en de vernietiging die zich voltrok van al het Zijne, trof Kes'ava Zijn maatregelen om de stad te beschermen en zei Hij tot Dâruka: (10) 'Haal Mijn strijdwagen o menner en breng Me snel in de buurt van S'âlva; en pas op, laat je niet in de luren leggen door deze heer van Saubha, hij is een groot magiër.' 

(11) Met die opdracht de teugel ter hand nemend reed Dâruka de wagen ernaartoe zodat, met Hem daar arriverend, al Zijn troepen en die van de tegenpartij [het embleem van] Garuda ['de jongere broer van Aruna] konden zien. (12) S'âlva, die als de aanvoerder van een vrijwel geheel vernietigde strijdmacht Heer Krishna op het slagveld zag, smeet zijn speer, die een angstwekkend geluid voortbracht, in de richting van Krishna's wagenmenner. (13) In zijn vlucht alle richtingen verlichtend als was hij een grote meteoor, werd hij snel door Krishna in de lucht in honderd stukken gebroken. (14) Als was Hij de zon die staat te stralen aan de hemel doorboorde Hij hem met zes pijlen en trof Hij met een stortvloed aan pijlen het rond bewegende Saubha-fort. (15) Maar toen S'âlva S'auri's linkerarm trof, de arm met Zijn boog, viel, hoogst verbazingwekkend, de S'ârnga uit S'ârngadhanvâ's handen. (16) Van al de levende wezens die er getuige van waren rees een grote schreeuw van teleurstelling op. De heer van Saubha brulde luid en zei hij het volgende tegen Janârdana:  (17-18) 'Omdat Jij o dwaas, recht onder onze ogen de bruid van onze broeder en vriend [S'is'upâla] wegstal [10.53] en hij in een onbewaakt ogenblik door Jou temidden van de vergadering werd gedood [10.74], zal Jij die zo overtuigd bent van Je onoverwinnelijkheid, nu vandaag Zelf door mijn scherpe pijlen naar een andere wereld worden gestuurd, als Je het lef hebt tenminste Je tegenover mij op te stellen!'

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Jij sufkop, staat te snoeven zonder door te hebben dat je dood nabij is. Helden staan niet te ratelen, maar laten liever zien waar ze toe in staat zijn!'

(20) Dat gezegd hebbende sloeg de Allerhoogste Heer vertoornd met een schrikwekkende kracht en snelheid hem met Zijn knots bovenop het sleutelbeen zodat hij wankelde op zijn benen en bloed moest spuwen. (21) Maar toen Hij Zijn knots weer ophief was S'âlva verdwenen en verscheen een ogenblik later voor Krishna een man die met gebogen hoofd jammerend de woorden sprak: 'Moeder Devakî heeft me gestuurd! (22) Krishna, o Krishna, o Machtig Gearmde vol van liefde voor Uw ouders, Uw vader is gevangen genomen en meegevoerd door S'âlva als was hij een tam beest dat door een slachter wordt weggeleid.'

 
(23) Deze verontrustende woorden horend sprak Krishna, die de menselijke aard had aangenomen, uit liefde ontgoocheld en met mededogen alsof Hij een gewoon mens was: (24) 'Hoe kan die zielige S'âlva nu Mijn vader ontvoeren en Balarâma verslaan die niet van Zijn stuk te brengen is, noch door Sura of Asura kan worden verslagen? Het lot is werkelijk machtig!'
 
(25) Nadat Govinda dit gezegd had kwam de meester van Saubha op Krishna af alsof hij Vasudeva vooruit duwde en zei hij het volgende: (26) 'Hij hier is degene die Jou verwekte en voor wie Jij leeft in deze wereld. Ik zal hem hier recht voor je neus doden. Redt hem maar als Je kan, stuk onbenul!'

(27) Nadat de magiër aldus zijn minachting had getoond sloeg hij het hoofd van de 'Ânakadundubhi' eraf, nam het beet en stapte in het Saubha-voertuig dat in de lucht zweefde. (28) Ondanks Zijn volle kennis en grote onderscheidingsvermogen, bleef Hij uit liefde voor degenen die Hem dierbaar waren, voor een ogenblik verzonken in Zijn normale menselijkheid. Maar toen drong het tot Hem door dat S'âlva zich van een demonische goocheltruc had bediend die was ontworpen door Maya Dânava. (29) Gealarmeerd op het slagveld ontwakend als uit een droom, zag Hij nergens de boodschapper noch het lichaam van Zijn vader. Toen Hij merkte dat Zijn vijand boven Zijn hoofd in zijn Saubha rondzweefde, besloot Acyuta hem te doden. (30) Dit is hoe sommige wijzen die het niet goed beredeneren, het onder woorden brengen o ziener onder de koningen. Zeker verkeren ze dan in tegenspraak met de uitlatingen die ze zelf deden maar weer hebben vergeten [vergelijk b.v. 10.3: 15-17; 10.11: 7; 10.12: 27; 10.31: *; 10.33: 37; 10.37: 23; 10.38: 10; 10.50: 29; 10.52: 7 en 10.60: 58]. (31) In welk opzicht zou het weeklagen, de verbijstering, de emotie of de angst die allemaal voortkomt uit onwetendheid bij de Oneindige horen in wie men de onverdeelde volledigheid aantreft van de wijsheid, de geestelijke kennis en de weelde? (32) Zij die, gesterkt door het in zelfverwerkelijking dienst verlenen aan Zijn voeten, het lichamelijk levensbegrip uitbannen dat van oudsher de mens verbijstert, bereiken de eeuwige glorie in een persoonlijke relatie met Hem [svarûpa] - hoe zou er dan sprake kunnen zijn van enige verbijstering met de Hoogste Bestemming der Waarachtigen? (33) En terwijl S'âlva met veel geweld Hem aanviel met een stortvloed aan wapens, doorboorde Heer Krishna wiens vermogen nimmer faalt, met Zijn pijlen zijn kuras, boog en kroonjuweel en sloeg Hij met Zijn knots het Saubha-voertuig van Zijn vijand stuk. (34) In duizenden stukken uiteen geslagen door de knots in Krishna's handen, stortte het in het water. S'âlva kroop eruit, nam een positie in en stormde toen met zijn knots in de hand op Krishna af. (35) Terwijl hij op Hem afkwam met een geheven knots scheidde Krishna met een bhalla snij-pijl zijn arm van zijn romp. Om S'âlva te doden hief Hij vervolgens Zijn wapenschijf. Eruitziend als een berg met daarboven een rijzende zon straalde Hij met een schittering gelijk het licht aan het einde der tijden. (36) De Heer scheidde het hoofd van de romp van die meester der toverkunsten ermee, compleet met oorhangers en kroon, net zoals heer Indra Vritrâsura onthoofdde met zijn bliksemschicht [zie 6.12]. Van de kant van zijn mannen klonk er toen een luid uitgeroepen 'helaas, helaas!'

(37) Nadat de zondaar was gevallen en het Saubha-fort door de knots was vernietigd, weerklonken er pauken in de hemel bespeeld door een verzameling halfgoden o Koning. En toen... was het Dantavakra die om zijn vrienden te wreken woedend naar voren stormde.'

 

 

Hoofdstuk 78: Dantavakra Gedood en Romaharshana Omgebracht met een Grasspriet

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Uit vriendschap voor de afwezige S'is'upâla, S'âlva en Paundraka die allen naar een andere wereld waren geholpen, vertoonde zich de booswicht [Dantavakra, zie 9.24: 37] die geheel in zijn eentje, te voet en met een knots in zijn hand o grote Koning, furieus de aarde deed schudden onder zijn voeten met zijn fysieke macht. (3) Toen Hij hem op Zich af zag komen nam Heer Krishna snel Zijn knots ter hand, sprong van Zijn wagen en bracht Hij hem tot stilstand zoals de kust dat doet met de zee. (4) De koning van Karûsha hief zijn strijdknots en zei arrogant tegen Mukunda: 'Wat een geluk, wat een geluk heb ik vandaag om Jou mijn weg te zien kruisen. (5) Jij o Krishna die als onze neef van moeders zijde gewelddadig tekeer bent gegaan tegen mijn vrienden, wil mij doden. Daarom zal ik Jouw o dwaas, doden met mijn bliksemknots. (6) Alleen dan, Jij onbenul, zal ik, die om zijn vrienden geeft, met het doden van de vijand in de gedaante van een familielid die is als een ziekte in je lichaam, mijn schuld aan mijn vrienden hebben ingelost.'

(7) Aldus met grove taal Krishna rakend zoals men een olifant met stokken port, brulde hij als een leeuw en sloeg hij Hem met zijn strijdknots op het hoofd. (8) Krishna, de verlosser van de Yadu's, week ondanks dat Hij door de knots was geraakt geen centimeter van het slagveld en sloeg hem met Zijn Kaumodakî [Zijn knots] zwaar midden op zijn borst. (9) Met zijn hart verpletterd door de knots spuwde hij bloed en stortte hij levenloos neer met zijn haar, armen en benen wijd uitgespreid. (10) Toen o koning, ging voor ogen van alle levende wezens, een zeer subtiel, wonderbaarlijk licht Heer Krishna binnen, net zoals dat gebeurde bij S'is'upâla [zie 10.74: 45]. (11) Maar toen kwam zijn broer Vidûratha, in treurnis verzonken over zijn verwant, met zwaard en schild naar voren, zwaar ademend in zijn verlangen Hem te doden. (12) Toen hij Hem aanviel o Koning der koningen, sneed Krishna met de messcherpe rand van Zijn cakra zijn hoofd eraf compleet met zijn helm en oorhangers. (13-15) Na aldus de, voor anderen onoverkomelijke, S'âlva met zijn Saubha-fort alsook Dantavakra en zijn jongere broer Vidûratha te hebben gedood, werd Hij geprezen door de goden en de mensen, de wijzen en vervolmaakten. De zangers van de hemel en de wetenschappers, de excellenten en de dansmeisjes, de voorvaderen en de hoeders der weelde, zowel als de achtenswaardigen en de machtigen bezongen allen onder het uitstrooien van bloemen Zijn heerlijkheid op het moment dat Hij temidden van de meest eminente Vrishni's Zijn versierde hoofdstad binnenkwam. (16) Dit is hoe de Heer van de Yoga, Krishna de Allerhoogste Heer en Meester van het Levende Wezen zegeviert. Het is in de ogen van hen die er een dierlijke zienswijze op nahouden dat Hij onder nederlagen gebukt lijkt te gaan [*].

(17) Toen Heer Balarâma hoorde dat de Kuru's en de Pândava's zich op oorlog aan het voorbereiden waren, vertrok Hij die neutraal was onder het voorwendsel dat Hij Zich wilde baden in de heilige plaatsen. (18) Na te Prabhâsa hebben gebaad en [er] de halfgoden en wijzen, de voorvaderen en menselijke wezens te hebben vereerd, ging Hij, omringd door brahmanen, naar de Sarasvatî [waar] die in de westelijke richting naar de zee stroomt. (19-20) O zoon van Bharata, Hij bezocht de grote watervlakte van Bindu-saras, Tritakûpa, Sudars'ana, Vis'âla en Brahma-tîrtha, Cakra-tîrtha, de Sarasvatî waar ze naar het oosten stroomt en al [de heilige plaatsen] langs de Yamunâ en de Ganges. Ook ging Hij naar het Naimishâ[ranya] woud waar de rishi's bezig waren met het uitvoeren van een uitgebreide offerplechtigheid [zie ook 1.1: 4]. (21) Zij die al heel lang met het offer bezig waren herkenden Hem bij Zijn aankomst en begroetten Hem door netjes eerbiedig op te staan en zich te verbuigen. (22) Nadat Hij samen met Zijn metgezellen was vereerd en een zitplaats had ingenomen merkte Hij op dat de leerling [Romaharshana, zie tevens 1.4: 22] van de grootste der wijzen [Vyâsa] was blijven zitten. (23) Toen Hij zag dat de sûta [een zoon van een gemengd huwelijk van een brahmaanse vader en een kshatriya moeder] die zich niet had verbogen of zijn handen had samengebracht, hoger zat dan de rest van de geschoolden, raakte de lieve Heer vertoornd: (24) 'Omdat hij, geboren als een pratiloma, hoger gezeten is dan deze brahmanen en ook hoger dan Ik die de Beschermer der Religie ben, verdient hij het, arrogant als hij is, om te sterven. (25-26) Als een leerling van de Heer onder de wijzen [Vyâsa dus] heeft hij ten volle de vele Itihâsa's, Purâna's en S'âstra's over de religie bestudeerd, maar dit heeft niet geleid tot goede kwaliteiten. Zichzelf niet in de hand hebbend, houdt hij ijdel de nederigheid missend en niet zijn geest onderworpen hebbend, zichzelf voor een geleerde autoriteit en is hij aldus bezig als een acteur. (27) Het is inderdaad voor dit doel dat Ik nederdaalde in deze wereld: om een einde te maken aan hen die zich voordoen als religieus maar in feite het meest zondig zijn.'

(28) Hoewel Hij op bedevaart was en er dus mee was opgehouden de ongelovigen te doden, deed de Opperheer nadat Hij dit gezegd had, dat wat onvermijdelijk was geworden. De Heer maakte een einde aan hem met de punt van een grasspriet die Hij in Zijn hand hield. (29) 'Ohhh, ohhh' riepen al de wijzen uit en zeiden verstoord tot Sankarshana deva: 'U hebt zich schuldig gemaakt aan een goddeloze daad o Meester. (30) We hebben hem de zitplaats van de meester vergund voor de duur van de offerplechtigheid o Lieveling van de Yadu's, samen met een lang leven en vrijheid van materiële zorgen. (31-32) Hoewel voor U, Meester der Mystieke Macht, de schriftuurlijke voorschriften natuurlijk niet de dienst uitmaken, hebt U zonder het te weten een brahmaan gedood. Maar als U boete doet voor Uw doden van een brahmaan o Zuiveraar van de Wereld, zal de gewone man die zich aan niemand anders spiegelt, zijn voordeel doen met Uw voorbeeld.'

(33) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik wil mededogen hebben voor de gewone man en zal de boete opbrengen voor dit doden. Alstublieft schroom niet te zeggen wat het voorgeschreven ritueel is dat allereerst zou moeten worden uitgevoerd. (34) Alstublieft, zegt u het maar en Ik zal met Mijn mystiek vermogen het lange leven, de kracht en het zinnelijk vermogen tot stand brengen dat u [hem] beloofde.'

(35) De wijzen zeiden: 'AlstUblieft o Balarâma, regel het zo dat zowel Uw vermogen te doden met dat [gras-]wapen als dat wat wij gezegd hebben zal worden gehandhaafd.'

(36) De Opperheer zei: 'De Veda's zeggen ons dat het kind dat van je geboren wordt waarlijk je zelf is. Daarom moet zijn zoon [Sûta Gosvâmî, zie 1.2: 1] de spreker worden [van de Purâna, die is begiftigd] met een lang leven, sterke zinnen en fysiek vermogen [zie ook **]. (37) O besten der wijzen, zeg Me alstublieft wat u wilt. Ik zal het doen, en nogmaals, bedenk alstublieft o intelligenten, wat de juiste vorm van boete zou zijn, want Ik heb er geen idee van.'

(38) De rishi's zeiden: 'De angstaanjagende duivel Balvala, de zoon van Ilvala, komt hier iedere nieuwe maan en bederft onze offerplechtigheid. (39) Het beste wat U voor ons kan doen is die zondaar die pus, bloed, uitwerpselen, urine, wijn en vlees over ons uitstort, te verslaan o afstammeling van Das'ârha. (40) Vervolgens moet U voor de duur van twaalf maanden boete doen door sereen rond te trekken door het land van Bhârata [India] en zuivering vinden middels het baden in de heilige plaatsen.'

*: In deze verzen van het Bhâgavatam staat beschreven dat men denkt als een beest als men veronderstelt dat de Heer ooit ten onder zou gaan zoals dat het geval leek te zijn toen Krishna wegvluchtte voor Jarâsandha [10.52], toen Krishna deed alsof Hij onder de indruk was van S'âlva's trucs [10.77: 27-32], toen de Boeddha bezweek aan voedselvergiftiging of toen Jezus Christus werd gekruisigd. Uiteindelijk is er met Zijn neiging tot verdwijnen de victorie, de verlichting, de wederopstanding en de tweede geboorte in het aanvaarden van de leringen.

**: Om het principe te verduidelijken dat hier wordt verkondigd door Heer Balarâma, wordt door de paramparâ in de persoon van S'rîla S'rîdhara Svâmî het volgende Vedische vers aangehaald, dat zowel te vinden is in de S'atapatha Brâhmana (14.9.8.4) als in de Brihad-âranyaka Upanishad (6.4.8):

angâd angât sambhavasi
hridayâd abhijâyase
âtmâ vai putra-nâmâsi
sañjîva s'aradah s'atam

"U bent geboren uit mijn verschillende ledematen en bent ontsprongen aan mijn eigen hart. U bent mijn eigen zelf in de gedaante van mijn zoon. Moge een honderd herfsten uw deel zijn."

 




Hoofdstuk 79: Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen, op de dag van de nieuwe maan, stak er een hevige, angstaanjagende wind op die het stof deed opwaaien, o Koning, met overal de geur van pus. (2) Daarop daalde er in het offerperk een regen van abominabele zaken neer teweeggebracht door Balvala, waarna hij zelf ten tonele verscheen met een opgeheven drietand. (3-4) De aanblik van dat immense lichaam dat er uitzag als een berg houtskool met een haarknot en een baard van vlammend koper, zijn angstaanjagende tanden en een gezicht met samengeknepen wenkbrauwen, deed Râma denken aan Zijn knots, die vijandige legers neerslaat, en Zijn ploeg, die de Daitya's onderwerpt. De wapens presenteerden zich beiden terstond aan Zijn zijde. (5) Met de punt van Zijn ploeg trok Balarâma Balvala, die zich door de lucht bewoog, dichter naar zich toe en verkocht toen met Zijn knots de plaaggeest der brahmanen kwaad een dreun op zijn hoofd. (6) Hij slaakte een noodkreet en stortte met zijn voorhoofd opengebarsten, stromend van het bloed ter aarde als een roodaarden berg getroffen door een blikseminslag. (7) De wijzen staken gezamenlijk de loftrompet en beloonden Râma met praktische zegeningen, waarbij ze Hem ceremonieel besprenkelden met water, net zoals de grote zielen dat deden met [Indra] de doder van Vritrâsura [Indra, zie 6.13]. (8) Ze gaven Râma een Vaijayantî bloemenslinger van nimmer verwelkende lotussen waarin S'rî huisde en een goddelijk stel kleren samen met hemelse sieraden.

(9) Na afscheid van hen genomen te hebben ging Hij samen met [een groep] brahmanen naar de Kaus'ikî rivier waar Hij een bad nam. Vandaar ging Hij verder naar het meer waar de Sarayû zijn oorsprong heeft. (10) De loop van de Sarayû volgend kwam Hij aan in Prayâga waar Hij een bad nam om de halfgoden en andere levende wezens gunstig te stemmen. Vervolgens begaf Hij zich naar de hermitage van Pulaha Rishi [zie ook 5.7: 8-9]. (11-15) Na zich te hebben ondergedompeld in de Gomatî, de Gandakî, de S'ona en de Vipâs'â rivier, ging Hij naar Gayâ om Zijn voorvaderen te aanbidden en naar de monding van de Ganges om rituele wassingen uit te voeren. Op de berg Mahendra zag Hij Heer Paras'urâma. Na Hem daar Zijn eerbetuigingen te hebben gebracht nam Hij vervolgens een bad in de Saptagodâvarî ['zeven Godâvarî's] alsook in de rivieren de Venâ, de Pampâ en de Bhîmarathî. Na Heer Skanda [Kârttikeya] te hebben vereerd met een bezoek, ging Balarâma naar S'rî-s'aila, de verblijfplaats van Heer Giris'a [S'iva] en zag Hij de Meester in Dravida-des'a [de zuidelijke provincies], de berg die het heiligst is, de Venkatha [van Bâlajî]. Na daarop de steden Kâmakoshnî en Kâñcî te hebben bezocht, ging Hij naar de rivier de Kâverî en naar de grootste van hen allen, de allerheiligste S'rî-ranga, alwaar de Heer zich manifesteerde [als Ranganâtha]. Hij bezocht de berg van de Heer de Rishabha, ging naar zuidelijk Mathurâ [Madurai waar de godin Mînâkshî verblijft] en vervolgens naar Setubandha [Kaap Comorin], waar men zelfs van de zwaarste zonden verlost raakt. (16-17) Daar schonk de Hanteerder van de Ploeg, Halâyudha, een groot aantal koeien weg aan de brahmanen. Toen begaf Hij zich naar de rivieren de Kritamâlâ en de Tâmraparnî, alsmede naar de Malaya bergketen, alwaar Hij Zich verboog om Âgastya Muni de eer te bewijzen die neerzat in meditatie en Hem zijn zegen gaf. Met zijn toestemming reisde Hij verder naar de zuidelijke oceaan waar Hij de godin Durgâ zag die bekend staat als Kanyâ. (18) Toen Phâlguna bereikend nam Hij een bad in het heilige meer van de vijf Apsara's alwaar Heer Vishnu Zich vertoonde en schonk Hij nogmaals een talloos aantal koeien weg. (19-21) Vervolgens reisde de Opperheer door Kerala en Trigarta waarna Hij in Gokarna [noordelijk Karnataka] aankwam, een plaats heilig vanwege de manifestatie van Dhûrjathi ['hij met de massa samengeklitte lokken'], S'iva. Na een bezoek aan de vereerde godin [Pârvatî] die verblijft op een eiland voor de kust, ging Balarâma naar S'ûrpâraka om Zich onder te dompelen in de wateren van de Tâpî, de Payoshnî en de Nirvindhyâ. Toen betrad Hij het Dandakawoud en ging Hij naar de Revâ waar zich de stad Mâhishmatî bevindt. Daar beroerde Hij het water van de Manu-tîrtha en keerde Hij terug naar Prabhâsa.

(22) Van de brahmanen [aldaar] vernam Hij over de vernietiging van al de koningen in een veldslag [te Kurukshetra] tussen de Kuru's en de Pândava's. Hij concludeerde dat de aarde verlost werd van haar last [zie ook b.v. 10.50: 9]. (23) Hij, de geliefde Zoon van de Yadu's, ging toen naar het slagveld alwaar Hij Bhîma en Duryodhana probeerde te stoppen die elkaar bestreden met knotsen [zie ook 10.57: 26]. (24) Maar toen Yudhishthhira, de tweeling Nakula en Sahadeva, Krishna en Arjuna Hem zagen, waren ze stil terwijl ze hun eerbetuigingen brachten met de brandende vraag: 'Wat wil Hij met Zijn komst hier ons nu vertellen?' (25) Hij zag hoe de twee met knotsen in hun handen zich vaardig in cirkels bewogen en verwoed streefden naar de overwinning. Hij zei: (26) 'O Koning, o Grote Eter, jullie twee krijgsheren zijn ongeveer even sterk. De een heeft denk Ik een grotere lichaamskracht, terwijl de ander technisch beter getraind is. (27) Ik zie niet in hoe van wie van jullie twee, die volkomen aan elkaar zijn gewaagd, nu een zege of verlies kan worden verwacht. Stop daarom met dit zinloze gevecht.'

(28) Hoewel ze beiden goed bij hun verstand waren, sloegen de twee, die verbeten in hun vijandigheid steeds elkaars beledigingen en misdragingen in gedachten hielden, geen acht op Zijn woorden o Koning. (29) Balarâma besloot dat het hun lot was en begaf Zich naar Dvârakâ waar Hij werd begroet door een opgetogen familie onder leiding van Ugrasena. (30) Toen Hij [een tijd later] weer terugkeerde naar Naimishâranya, betrokken de wijzen Hem, de Verpersoonlijking Aller Offers die van alle oorlog had afgezien, met genoegen bij de verschillende soorten rituelen [*]. (31) De Allerhoogste Heer, de Almachtige, verleende hen de volmaakt zuivere, geestelijke kennis waarmee ze toen dit universum konden waarnemen als zich in Hem bevindend en ook Hemzelf als alomtegenwoordig in de schepping. (32) Nadat Hij tezamen met Zijn vrouw [Revatî, zie 9.3: 29-33] het afsluitende rituele avabhritha bad had uitgevoerd kwam Hij, goed gekleed, fraai opgesierd en omringd door Zijn familie en andere verwanten en vrienden, zo schitterend voor de dag als de maan in haar volle glorie [vol en met de sterren eromheen].

(33) Er bestaat nog veel meer van dit soort [spel en vermaak] van de machtige, onbegrensde en ondoorgrondelijke Balarâma die zich middels Zijn begoochelende vermogen vertoont als een menselijk wezen. (34) Wie ook regelmatig, bij zonsopkomst en zonsondergang, zich de handelingen van de onbegrensde Balarâma herinnert die allen even verbazingwekkend zijn, zal Heer Vishnu dierbaar zijn.'

*: S'rîla Prabhupâda schrijft hier: 'Feitelijk heeft Heer Balarâma niets van doen met het houden van offerplechtigheden die voor de gewone man zijn weggelegd. Hij is de Hoogste Persoonlijkheid van God en daarom is Hij de genieter van al dat soort offers. Als zodanig was Zijn voorbeeldige handelen met het uitvoeren van de offers er alleen maar om de gewone man te laten zien hoe men zich aan voorschriften van de Veda's moet houden.'

 




 Hoofdstuk 80: Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Mijn heer, ik zou graag vernemen, o meester, welke heldendaden er nog meer zijn van Heer Krishna, de Opperziel van Onbegrensde Macht. (2) Wie dan ook die moe is van het najagen van materiële verlangens en weet heeft van de essentie o brahmaan, is ertoe in staat om van die bovenzinnelijke onderwerpen van de Heer Geprezen in de Geschriften af te zien als hij er bij herhaling kennis van heeft genomen? (3) De eigenlijke macht van het woord is de macht die Zijn kwaliteiten beschrijft, de handen die feitelijk werken zijn degene die Zijn werk doen, de ware geest is de geest die zich Hem herinnert als zich ophoudend onder hen die zich wel en niet rond bewegen en het oor dat echt luistert is het oor dat is gespitst naar Zijn heiligende onderwerpen [vergelijk 2.3: 20-24]. (4) Het gaat om het hoofd dat buigt voor Zijn beide manifestaties [onder de bewegende en niet bewegende wezens], om het oog dat enkel Hem ziet en om de ledematen die regelmatig het water eren dat de voeten waste van Vishnu of Zijn toegewijden.' "

(5) Sûta [1.2: 1] zei: "Nadat Vishnurâta [Parîkchit als zijnde door Vishnu gezonden] deze vraag gesteld had, nam de machtige wijze, de zoon van Vyâsa wiens hart volledig was verzonken in Vâsudeva, het woord. (6) S'rî S'uka zei: 'Er was een zekere vriend van Krishna [genaamd Sudâmâ, niet dezelfde als vermeld in 10.41: 43], een brahmaan goed thuis in de Veda's, die, vreedzaam van geest en met zijn zinnen in bedwang, onthecht was van de zinsobjecten. (7) Als een huishouder leefde hij van alles wat zonder moeite voor handen was. Zijn vrouw was, net als hij, armzalig gekleed en uitgemergeld van de honger. (8) Gebukt onder de armoede benaderde ze met een ingevallen gezicht en trillend op haar benen, trouw als ze was, haar echtgenoot en zei: (9) 'Is het niet zo o brahmaan, o meester der toewijding, dat de Echtgenoot van S'rî je vriend is en dat die beste der Sâtvata's vervuld is van mededogen voor de brahmanen en bereid is hen bescherming te bieden? (10) Benader Hem alsjeblieft o genadige man, want dan zal Hij, de Uiteindelijke Toevlucht der Gelouterde Zielen, je weelde verschaffen in overvloed omdat je het zo moeilijk hebt met het onderhouden van je gezin. (11) Als de Heer van de Bhoja's, Vrishni's en Andhaka's die nu aanwezig is in Dvârakâ, Zich zelfs wegschenkt aan iemand die zich [enkel maar] Zijn lotusvoeten herinnert, wat zou de Geestelijk Leraar van het Universum dan wel niet doen voor personen die van aanbidding zijn en niet zozeer verlangen naar economisch succes en zinnelijke bevrediging?'

(12-13) De brahmaan die aldus herhaaldelijk, op verschillende manieren door zijn vrouw ertoe was verzocht dacht toen: 'De aanblik van Uttamas'loka is waarlijk het hoogste dat men kan bereiken.' Hij besloot om Hem te bezoeken en vroeg aan haar: 'Als we iets in huis hebben dat als een gift kan dienen mijn beste vrouw, geef het me dan alsjeblieft!' (14) Ze bedelde bij andere brahmanen vier handen vol gepelde en geroosterde rijst bij elkaar, wikkelde het in een stuk stof en gaf het aan haar man mee om als gift te dienen.

(15) Hij, de beste onder de geleerden, nam het mee en dacht op weg naar Dvârakâ: 'Hoe krijg ik nu een ontmoeting met Krishna voor elkaar?' (16-17) Samen met een aantal lokale brahmanen passeerde de geleerde man drie poorten en drie wachtposten en liep toen tussen de huizen van Acyuta's trouwe volgelingen, de Andaka's en de Vrishni's. Daar kon men zich normaal niet begeven en dus voelde hij zich alsof hij de gelukzaligheid van de Zuivere Geest had bereikt. Hij betrad vervolgens een van de zestienduizend weelderige verblijven van de koninginnen van de Heer [*]. (18) Acyuta, die op het bed van Zijn gemalin zat, zag hem van verre aankomen, kwam onmiddellijk overeind en trad naar voren om hem verheugd in Zijn armen te sluiten. (19) De Lotusogige in aanraking met het lichaam van Zijn beminde vriend, de wijze brahmaan, liet in opperste staat van vervoering een paar tranen de vrije loop. (20-22) Hij liet hem plaatsnemen op het bed en haalde wat zaken om Zijn vriend te eren en zijn voeten te wassen. De Opperheer Aller Werelden nam het water op Zijn hoofd o Koning. Daarna smeerde de Zuiveraar hem in met goddelijk geurende sandel- en aloëhout[lignaloes of aguru]pasta en kunkuma. Verheugd vereerde Hij Zijn vriend met geurige wierook en reeksen lampen en bood Hij hem betelnoot en een koe aan. Vervolgens heette Hij hem welkom. (23) De godin [Rukminî] was persoonlijk van dienst door zorgvuldig de vuile en schamel geklede, uitgehongerde tweemaal geboren ziel van wie je de aderen kon zien, koelte toe te wuiven met een yakstaart. (24) De mensen in het paleis die Krishna zo onberispelijk in Zijn reputatie bezig zagen, verbaasden zich over de intense liefde waarmee de er wanordelijk uitziende ziel [de avadhûta] werd geëerd: (25-26) 'Welke vrome daden heeft deze ongewassen, verstoten en laagstaande bedelaar verstoken van alle weelde in de wereld, wel niet verricht? Hoe kan hij met eerbied worden bediend door de Geestelijk Leraar van de Drie Werelden die het verblijf vormt van S'rî? Hij liet de godin op haar bed zitten en omhelsde hem als een oudere broer!'

(27) Elkaars handen vastgrijpend o Koning, bespraken ze de bekoorlijke onderwerpen uit het verleden toen ze samenleefden in de school van hun geestelijk leraar [zie 10.45: 31-32]. (28) De Allerhoogste Heer zei: 'O brahmaan, nadat de goeroe zijn vergoeding van jou ontving en je weer terugkeerde [naar huis] o kenner van het dharma, ben je toen met een geschikte vrouw getrouwd of niet? (29) Met je geest in beslag genomen door huishoudelijke zaken, liet je je niet leiden door begeerten en Ik ben er ook van op de hoogte o wijze ziel, dat je niet veel behagen schept in het najagen van materieel geluk. (30) Sommige mensen kwijten zich van hun wereldse verplichtingen zonder dat hun geesten verstoord zijn door begeerten. Handelend om een voorbeeld te vormen zoals Ik, schudden ze de materiële neigingen van zich af die zich van nature opwerpen. (31) Kan jij, o brahmaan, je nog herinneren dat we leefden in de gurukula? Het is daar dat een tweemaal geboren persoon begrip ontwikkelt voor wat moet worden geweten en zo zijn onwetendheid te boven komt. (32) Men wordt tweemaal geboren mijn vriend: na eerst materieel ter wereld te zijn gekomen manifesteert men [zich ten tweede] via een geestelijk leraar, iemand die je de geestelijke kennis bijbrengt zoals Ikzelf, iemand die je leert wat de plichten zijn voor alle afdelingen van het geestelijk leven [of de levensstadia, zie âs'rama en 7.12]. (33) Van hen die deel uitmaken van het varnâs'rama systeem [zie ook B.G. 4: 13] in deze wereld zijn zij [die aldus tweemaal geboren werden] de kennisexperts van de ware welvaart o brahmaan, omdat ze de oceaan van het materieel bestaan oversteken met behulp van de woorden die van Mij in de vorm van de geestelijk leraar afkomstig zijn. (34) Ik, de Ziel van Alle Levenden, ben niet zo tevreden met rituele aanbidding, een nieuw leven, verzaking of zelfbeheersing als Ik ben met dienstverlening aan de geestelijk leraar [vergelijk 7.14: 17]. (35-36) O brahmaan, herinner je je nog wat we, toen we bij onze geestelijk leraar leefden, deden toen we eens door de vrouw van onze goeroe eropuit werden gestuurd voor sprokkelhout? Na een groot bos te zijn ingelopen stak er o brahmaan, geheel tegen het seizoen in, een felle, zwaar bulderende wind op met regen. (37) Met de zon reeds onder konden we, overvallen door de duisternis en met al het water om ons heen, onze richting niet meer bepalen of hoog en laag gebied onderscheiden. (38) Onophoudelijk zwaar geteisterd door de hevige wind en het water in die stortvloed, wisten we de weg niet meer en hielden we dwalend door het bos in onze nood elkaar bij de handen vast. (39) Onze goeroe Sândîpani wist wat er aan de hand was en ging bij zonsopkomst eropuit om ons, zijn leerlingen te zoeken. De âcârya trof ons toen aan in diepe ellende. (40) 'Oh kinderen, terwille van mij hebben jullie het zwaar te verduren! In jullie toewijding voor mij hebben jullie afgezien van dat wat alle levende wezens het dierbaarst is: je lichaam[sgemak]! (41) Welnu, dit is wat leerlingen moeten doen om de schuld aan hun goeroe in te lossen: volkomen zuiver in hun liefde, moeten ze bereid zijn zichzelf en hun bezittingen aan de geestelijk leraar toe te vertrouwen. (42) Ik ben tevreden over jullie mijn beste jongens, o besten der brahmanen. Mogen jullie verlangens in vervulling gaan en mogen in deze wereld en de wereld hierna jullie woorden, jullie mantra's, nimmer hun aantrekking verliezen ['hun nieuwwaarde', vergelijk 10.45: 48 en 1.7: 10].' (43) Er deden zich vele dingen als deze voor toen we bij onze goeroe in huis woonden. Het is enkel door de genade van de geestelijk leraar dat een persoon [geestelijk] vervuld raakt en de vrede bereikt.'

(44) De brahmaan zei: 'Wat valt er voor mij nog meer te bereiken in dit leven o God der Goden, o Goeroe van het Universum, na bij onze geestelijk leraar thuis te hebben geleefd samen met Jou, de persoon van wie alle verlangens in vervulling gaan? (45) O Almachtige, Jouw lichaam, dat de vruchtbare akker vormt voor alle welstand, omvat de Absolute Waarheid van de lof [der Veda's]. Jouw wonen bij geestelijk leraren is niets anders dan een buitengewoon rollenspel [zie ook b.v. 10.69: 44 en 10.77: 30]!'

*: S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî citeert uit de Padma Purâna, Uttara-khanda, die zegt dat de brahmaan in feite het paleis van Rukminî betrad: 'sa tu rukminy-antah-pura- dvâri kshanam tûshnîm sthitah'; 'Voor een ogenblik stond hij in stilte bij de ingang van koningin Rukminî's paleis'.

 

 

 

Versie drie tot zover, ......vanaf hier nog de vorige versie. 

Hoofdstuk 81

De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Hij, Bhagavân Krishna, het Ware Doel van de Toegewijden, de Heer Volmaakt Bekend met wat er Omgaat in Alle Levende Wezens, die Zich aldus onderhield met deze beste ziel onder de brahmanen, sprak toen, in Zijn toewijding voor de geschoolden, tot hem met een liefdevolle blik in Zijn ogen, almaar glimlachend en lachend naar Zijn beminde vriend. (3) De Allerhoogste Heer zei: 'Wat voor een gift heb je voor Mij van huis meegebracht, o brahmaan; zelfs het geringste geofferd door toegewijden in zuivere liefde verandert in iets enorms voor Mij, terwijl zelfs niet het grootste gepresenteerd door niet-toegewijden in staat is Mij tevreden te stellen. (4) Wie Mij ook een blad, een bloem, een vrucht en water met toewijding aanbiedt, dat offer vanuit het hart door een ziel van goede gewoonten gebracht aanvaardt Ik [hetzelfde als in B.G. 9: 26].'

(5) De tweemaal geborene echter, aldus aangesproken, was, zijn hoofd vooroverbuigend, te zeer in verlegenheid met Hem, de Echtgenoot van de Godin van het Geluk, en bood niet de paar handjes rijstkorrels aan, o Koning. (6-7) Hij als de rechtstreekse getuige in het hart van alle levende wezens volledig op de hoogte zijnde van de reden waarom hij was gekomen dacht toen: 'Hij aanbad Me in het verleden en begeerde nimmer de weelde, maar omdat hij, Mijn vriend, om zijn kuise en dienstbare echtgenote tevreden te houden, nu naar Mij toe is gekomen, zal Ik hem de rijkdom schenken die [zelfs] buiten het bereik van de onsterfelijken ligt [zie ook B.G. 9: 22].' (8) Met dit in gedachten griste Hij Zelf van onder de kleding van de tweemaal geborene de in een lap gewikkelde rijstkorrrels weg, en zei toen: 'Wat is dit? (9) Heb je dit voor Mijn genoegen meegebracht Mijn beste vriend? Deze rijstkorrels verzadigen Mij en het hele universum [dat Ik ben]!'

(10) Dat gezegd hebbende nam Hij een handjevol om te eten en toen nog een handje, waarop S'rî [Rukminî devî] Hem, de Allerhoogste die zij was toegewijd, Zijn hand beetgreep [daar de gepelde rijstkorrels moeilijk te verteren waren]. (11) 'Dat, o Ziel van het Universum, is toereikend om een persoon die uit is op Jouw voldoening te laten gedijen in deze wereld en de volgende met alle weelde die er bestaat.'

(12) De brahmaan die daarna de nacht doorbracht in Acyuta's paleis, voelde zich, met het naar zijn genoegen hebben gegeten en gedronken, alsof hij in de hemel was beland. (13) De dag erna ging hij die door Hem, de In Zichzelf Voldane Handhaver van het Universum, was vereerd, terug naar zijn woonplaats mijn beste, er tijdens zijn reis helemaal verguld over wat hem was overkomen. (14) Hoewel hij geen rijkdommen van Krishna had ontvangen en er uit verlegenheid uit zichzelf ook niet om gebedeld had, liep hij op weg naar huis over van vreugde over de audiëntie die de Grote hem vergund had. (15) 'Ah, wat een voorrecht om te hebben mogen ervaren hoezeer Hij, de Godheid der tweemaal geborenen, van toewijding is voor de brahmanen; Hij die Lakshmî in Zijn borst draagt omhelsde de armste sloeber! (16) Wie ben ik nou? Iemand arm en zondig! En wie is Krishna? De tempel van S'rî! En Hij, deze brahmanenvriend, sloot mij zomaar in Zijn armen! (17) Als een broeder liet Hij me plaats nemen op het bed van Zijn lief, en, vermoeid als ik was,werd me door Zijn koningin koelte toegewuifd met een haarwaaier die ze vasthield. (18) Van harte bediend en met mijn voeten gemasseerd en dergelijke werd ik als een halfgod aanbeden door de God der Goden, de Godheid der Geschoolden! (19) De verering van Zijn voeten vormt de grondslag van alle perfecties die een persoon kan verwerven in de hemel, in zijn emanciperen, in de lagere regionen en op aarde. (20) 'Als deze armoedzaaier rijkdom verwerft zal hij, genietend in overvloed, zich Mij niet herinneren', zo moet Hij gedacht hebben, zo genadig zijnd me niet de geringste weelde toe te denken.'

(21-23) Aldus in beslag genomen door deze gedachten kwam hij in de buurt van zijn huis. Daar kwam hij te staan voor hoog oprijzende paleizen die wedijverden met de zon, het vuur en de maan, aan alle kanten omringd door wonderschone hoven en tuinen vol van hordes tjilpende vogels, vijvers vol met lelies en 's nachts en overdag bloeiende witte lotussen en rijkelijk uitgedoste en met sieraden behangen mannen en vrouwen met ogen als die van reeën. 'Wat is dit nu, wie heeft dit in bezit, hoe kon dit hier ontstaan?' (24) Op die manier zijn geest pijnigend werd hij welkom geheten door de mannen en vrouwen met verschijningen stralend als de halfgoden, die allergunstigst luid zongen met instrumentale muziek. (25) Horend dat haar echtgenoot was gearriveerd, kwam zijn opgewonden echtgenote buitenmate opgetogen, snel het huis uit als was het de godin van het geluk die zich manifesteerde vanuit haar hemelverblijf. (26) Toen ze de echtgenoot zag die ze zo toegewijd was, boog ze, met haar ogen vol tranen met de aandrang der liefde gesloten, plechtig haar hoofd voorover, hem vanbinnen in haar hart omhelzend. (27) Met de aanblik van zijn vrouw die zo luisterrijk verscheen als een godin in een vimana, stralend temidden van dienstmaagden met gouden hangers om hun halzen, stond hij versteld. (28) Er zelf blij mee haar aan zijn zijde te hebben zag hij, naar binnen gegaan, hoe zijn huis met de honderden met edelstenen ingelegde zuilen eruit zag als het paleis van de grote Indra. (29-32) Er waren daar ivoren bedden versierd met goud [met beddengoed] wit als schuim en sofa's met gouden poten, yakstaart-waaiers, gouden zetels met zachte kussens en baldakijnen waarvan strengen parels neerhingen. Toen hij de stralend heldere muren van kwarts ingelegd met kostbare smaragden zag alsook de lampen met edelstenen en de vrouwen behangen met juwelen, overdacht de brahmaan daarmee, vrij van zorgen met al de bloeiende weelde, waar hij al die onverwachte voorspoed aan te danken had: (33) 'Het moet wel zo zijn dat de oorzaak van mijn voorspoed hier, van mij die armoedig altijd zo onfortuinlijk was, niets anders kan zijn dan de blik die Hij, de Beste der Yadu's, die van de Grootste Volkomenheid is, op me geworpen heeft. (34) Uiteindelijk is het zo dat Hij, mijn Vriend, de meest verhevene onder de Das'arha's en de Genieter van Alle Weelde, zo gul als een wolk heeft gegeven toen Hij met mij bij Zich niets zei toen Hij mijn bedoeling doorhad om te gaan bedelen. (35) In tegenstelling tot het kleine dat Hij maakt van het grote dat Hij Zelf geeft wordt het onbeduidende gegeven door een welgezinde vriend door Hem omgetoverd in iets groots; dat is hoe de Allerhoogste Ziel met genoegen de handvol rijstkorrels aanvaardde die ik meebracht. (36) Laat er enkel leven na leven herhaaldelijk mijn liefde [sauhrida], vriendschap [sakhya], welgezindheid [maitrî] en dienstbaarheid [dâsya] met Hem zijn, het Goddelijk, Mededogende Reservoir van Bovenzinnelijke Eigenschappen, en moge ik stevig verankerd raken in gehechtheid aan de waardevolle omgang met Zijn toegewijden. (37) De Opperheer verleent Zijn toegewijde niet de wonderbaarlijke volheden - een koninkrijk en materiële voordelen - als hij, niet wedergeboren zijnde [zie 10.80: 32], tekort schiet in begrip. Hij ziet in Zijn wijsheid hoe de verrukking [de arrogantie, de verbeelding ofwel de mada] leidt tot de neergang der welgestelden.'

(38) Op deze manier hecht verankerd in intelligentie was hij Janârdana hoogst toegewijd en genoot hij vrij van wellust samen met zijn vrouw. Daarbij hield hij in gedachten dat hij zich [steeds weer] moest losmaken van de zinsobjecten. (39) Door Hem, de God der Goden, Hari, de Heer en Meester van het Offer, zijn de brahmanen waarlijk de meesters; er is geen hogere goddelijkheid van aanbidding te vinden dan zij [zie ook 7.11: 14, 7.14: 17-18, 10.24: 25, 10.45: 32]. (40) Met het aldus herkennen van de Onoverwinnelijke overwonnen als Hij is door Zijn eigen dienaren [zie ook 9.4: 63 en 10.9: 19] werd hij, de geschoolde vriend van de Opperheer, door de werking van zijn mediteren op Hem, verlost uit zijn gebondenheid aan het [materiële] zelf en bereikte hij spoedig Zijn hemelverblijf, de eindbestemming der waarachtigen. (41) Hij die verneemt van deze sympathie voor de tweemaal geborenen van de Godheid van de brahmanen, zal liefde opvatten voor de Allerhoogste Heer en bevrijd raken van de gebondenheid van het baatzuchtig handelen [zie ook 7.11: 35].'

 

 

Hoofdstuk 82

Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'In de tijd dat Râma en Krishna in Dvârakâ leefden, was er op een dag [*] een zonsverduistering die zo indrukwekkend was als het einde van de dag van Brahmâ. (2) De mensen die dat van tevoren reeds wisten, o Koning, kwamen van overal naar het veld van Samanta-pañcaka ['de vijf meren' te Kurukshetra] in de hoop daarmee hun voordeel te doen. (3-6) Het is de plaats waar Heer Paras'urâma, de grootste held op wapengebied, met het met de aarde verlossen van haar overheersers met de stromen bloed van de koningen de grote meren schiep [zie 9.16: 18-19]. Bhagavân Paras'urâma was daartoe, hoewel karmische terugslagen geen vat op Hem hadden, als de Beheerser om de wereld in het algemeen instructie te verschaffen, daar van aanbidding als was hij een andere [een gewone] persoon die het wenst de zonde van zich af te schudden. Aldus kwam, o zoon van Bharata, voor die gelegenheid een groot aantal mensen uit Bhârata daar naartoe voor een heilige bedevaart. De Vrishni's, met inbegrip van Akrûra, Vasudeva, Âhuka [Ugrasena] en anderen die een punt wilden zetten achter hun zonden, gingen allen naar die heilige plaats terwijl Gada, Pradyumna en anderen met Sucandra, S'uka en Sârana en de legeraanvoerder Kritavarmâ, thuisbleven om de wacht te houden. (7-8) Als stralende Vidyâdhara's kwamen ze in wagens die leken op die waar de goden in zitten, zich bewegend in grote golven met paarden en trompetterende olifanten en massa's voetvolk. Schitterend met hun vrouwen, met gouden halskettingen, bloemenslingers, uitdossing en kuras, kwamen ze tijdens hun reis zo verheven goddelijk en majesteitelijk over als zij die door de hemel reizen. (9) De zeer vrome Yâdava's aldaar badend en vastend, droegen er nauwlettend zorg voor dat de brahmanen koeien werden gegeven, kledingstukken, bloemenslingers, goud en halskettingen. (10) In de meren van Paras'urâma zoals voorgeschreven nogmaals een bad nemend [de volgende dag ter afsluiting van het vasten], baden de Vrishni's, met het de tweemaal geborenen rijkelijk voorzien van de meest uitgelezen spijzen: 'Moge er onze toewijding voor Krishna zijn.' (11) Toen genoten de Vrishni's, met Krishna als hun enige echte godheid, met Zijn permissie van de maaltijd, waarbij ze comfortabel in de koele schaduw van de bomen zaten. (12-13) Zij, daar aangekomen, ontmoetten hun vrienden en verwanten, de koningen van de Matsya's, Us'înara's, Kaus'alya's, Vidarbha's, Kuru's, Sriñjaya's, Kâmboja's, Kaikaya's, Madra's, Kuntî's, Ânarta's, Kerala's en anderen, alsook honderden medestanders en tegenstanders o Koning. Ook zagen ze er hun vrienden de gopa's en gopî's aangevoerd door Nanda die er al zo lang naar uitzagen [om hen te zien]. (14) Elkaar weer treffend omhelsden ze hen krachtig met stromen tranen, kippenvel en een verstikte stem in de hoogste staat van vervoering waarbij, door hun emoties, hun harten en gezichten zo prachtig opbloeiden als lotussen. (15) De vrouwen die elkaar weer zagen glimlachten met grote ogen gevuld met tranen van pure liefde en sloten elkaar met de grootste vriendschap in hun armen, borsten tegen borsten drukkend die waren ingesmeerd met kunkuma-pasta. (16) Vervolgens bewezen ze de ouderen hun respect en namen ze de eerbetuigingen in ontvangst van jongere verwanten. Nadat ze elkaar hadden gevraagd naar hun welzijn en het gemak van hun reis begonnen ze onderling te praten over Krishna.

(17) Kuntî die haar broers en zusters zag, alsook haar ouders, haar schoonzussen en Mukunda, vergat haar verdriet op het moment dat ze met hen sprak. (18) Kuntî zei: 'O achtenswaardige, o broer van me, ik voel me zeer gefrustreerd in mijn verlangens omdat jullie, hoe heilig je ook bent, niet hebben gedacht aan wat me allemaal overkwam in mijn tegenspoed [zie ook 1.8: 24]! (19) Vrienden, verwanten - zoons, broers en ouders zelfs - vergeten makkelijk degene onder hen die het minder goed treft in het leven.'

(20) S'rî Vasudeva zei: 'Mijn beste, wees niet boos op ons, de mens is een speelbal van het lot, een persoon immers, of hij nu op eigen houtje bezig is of handelt in opdracht, valt altijd onder het gezag van de Heer. (21) Zwaar belaagd door Kamsa hebben we ons in alle richtingen verspreid [zie 10.2: 7 en 10.4]; pas nu keerden we door Goddelijke Voorbeschikking terug naar onze eigenlijke posities, o zuster.'

(22) S'rî S'uka zei: 'Al de koningen daar geëerd door Vasudeva, Ugrasena en de andere Yâdava's, vonden vrede in de opperste extase Acyuta te zien. (23-26) Bhîshma, Drona, de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra], Gândhârî met haar zoons alsook de Pândava's en hun echtgenotes, Kuntî, Sañjaya, Vidura en Kripa; Kuntîbhoja en Virâtha, Bhîshmaka, de grote Nagnajit, Purujit, Drupada, S'alya, Dhrishthaketu, en hij, de koning van Kâs'i; Damaghosha, Vis'âlâksha, de koningen van Maithila, Madra en Kekaya, Yudhâmanyu en Sus'armâ en Bâhlika en anderen met hun zoons, alsook, o beste der koningen, vele andere koningen ressorterend onder Yudhishthhira, waren allen vol van verwondering om het verblijf van S'rî, de persoonlijke gedaante van S'âuri, samen met Zijn vrouwen te aanschouwen. (27) Toen ze van Râma en Krishna gepast de eerbewijzen in ontvangst hadden genomen prezen de koningen op hun beurt vervuld van vreugde enthousiast de Vrishni's, de persoonlijke metgezellen van Krishna: (28) 'O meester van de Bhoja's [Ugrasena], u bent van een geboorte die de moeite waard is onder de mensen in deze wereld, omdat u herhaaldelijk Krishna ziet die zelfs door de yogi's maar zelden wordt gezien. (29-30) Zijn faam zoals uitgedragen door de Veda's, het water dat van Zijn voeten afspoelt en de woorden van de geopenbaarde geschriften zuiveren grondig dit universum [zie ook B.G. 15: 15]. Door de aanraking van Zijn lotusgelijke voeten is, ookal was haar goede geluk verwoest door de Tijd, de vitaliteit van de aarde ontwaakt en laat ze in overvloed op ons neerregenen alles wat we maar verlangen. Met het door u zien van Hem in eigen persoon, het Hem aanraken en met Hem rondlopen, converseren, neerliggen, zitten, eten, getrouwd zijn en het als bloedverwant verbonden zijn met Hem, hebt u die het [normaal gesproken] helse pad van het gezinsleven bewandelt nu Vishnu gevonden, de hemel en bevrijding die het einde vormt [van iemands zoeken. Zie ook 5.14 en 7.14 en B.G. 11: 41-42].'

(31) S'rî S'uka zei: 'Toen Nanda erachter kwam dat de Yadu's onder leiding van Krishna daar waren aangekomen, ging hij op pad om Hem te ontmoeten, vergezeld door de gopa's met hun bezittingen op hun wagens. (32) Erover verrukt Hem te zien leefden de Vrishni's helemaal op als ontwaakten ze uit de dood en omhelsden ze Hem stevig, erover opgewonden na zo een lange tijd Hem voor zich te zien. (33) Vasudeva, die door de liefde buiten zichzelf van vreugde aan het omhelzen was, herinnerde zich de moeilijkheden zoals ze veroorzaakt waren door Kamsa en om reden waarvan hij zijn zoons in Gokula had moeten achterlaten [zie 10.3 & 10.5]. (34) Krishna en Râma betoonden met het omhelzen van Hun [pleeg-]ouders hen de eer en brachten, met Hun kelen vol van tranen van liefde, niets uit, o grootste held van de Kuru's. (35) Hen op hun schoten hijsend en Ze in hun armen houdend gaven de twee zo fortuinlijke zielen, hij en Yas'odâ, hun verdriet op [van het zo lang gescheiden te zijn geweest]. (36) Rohinî en Devakî die daarna de koningin van Vraja omhelsden met in gedachten wat ze allemaal [voor hen] gedaan had uit vriendschap, spraken haar toe met kelen vol met tranen: (37) 'Welke vrouw kan nu de aanhoudende vriendschap vergeten van jou en Nanda, o koningin van Vraja; zelfs niet het verwerven van de rijkdom van Indra zou afdoende zijn om het jullie in deze wereld te vergoeden. (38) Voordat deze Twee hun ouders konden ontmoeten ontvingen Ze, verblijvend bij jullie twee als Hun [stief-]ouders, de opvoeding en genegenheid, de voeding en bescherming, mijn beste dame. Onder de vleugels van jullie heiligen, die voor niemand een vreemde zijn en zo goed van bescherming zijn als oogleden voor de ogen, hadden Ze niets te vrezen.'

(39) S'rî S'uka zei: 'De gopî's nu ze na zo'n lange tijd Krishna, het voorwerp van hun verlangen, weer terugzagen - voor de aanblik van wie ze de schepper van hun oogleden wel konden verwensen [zie 10.31: 15] - sloten allen via hun ogen Hem in hun harten om Hem daar naar hartelust te omhelzen en bereikten zo de extatische vervoering die zelfs voor hen die voortdurend bezig zijn met mediteren moeilijk te bereiken is. (40) De Allerhoogste Heer, ze meer privé benaderend, vroeg hen, ze omhelzend, naar hun gezondheid en zei lachend dit: (41) 'Beste vriendinnen, herinneren jullie je Ons nog, Wij die eropuit om de partij van onze vijanden te vernietigen, omwille van die plicht zo lang wegbleven? (42) Misschien denken jullie wel slecht over Ons ervan uitgaande dat We jullie uit ons hoofd gezet zouden hebben - maar in feite is het de Opperheer die de levende wezens samenbrengt en scheidt. (43) Zoals de wind massa's wolken, gras, zaadpluizen en stof samenbrengend, ze weer uit elkaar gooit, gaat op dezelfde manier de Schepper van de levenden tewerk met Zijn wezens [vergelijk 10.5: 24-25]. (44) Bij genade van de liefde voor Mij die zich fortuinlijk genoeg ontwikkelde van de kant van jullie goede zelven, hebben jullie Mij verworven; en inderdaad is het de toegewijde dienst aan Mij wat de levenden naar de onsterfelijkheid leidt [vergelijk B.G. 9: 33]. (45) Zoals de ether, het water, de aarde, de lucht en het vuur van materiële zaken, o dames, ben Ik waarlijk binnen en buiten, het begin en het einde van alle geschapen wezens [zie b.v. 10.9: 13-14]. (46) Deze materiële levensvormen, die aldus bestaan temidden van de elementen der schepping en eveneens er zijn als het âtmâ [de Ziel, het zelf en de persoon] dat overeenkomstig zijn eigenlijke aard alles doorvaart, moeten jullie beide zien als zich bevindend in Mij, in de Onvergankelijke, Opperste Waarheid [zie ook b.v. 1.3: 1, 3.26: 51, 10.59: 29, B.G. 9: 15 en siddhânta].'

(47) S'rî S'uka zei: 'De gopî's die aldus met de instructie over het âtmâ door Krishna waren onderricht, deden door voortdurend te mediteren op Hem de subtiele overdekking van de ziel teniet [zie linga, 7.2: 47 en 4.29] en kwamen tot het volle begrip van Hem. (48) Ze zeiden: 'Met dat wat Je zei, o Heer met de Lotusnavel, wensen we dat onze geesten, hoezeer ze ook in beslag zijn genomen door het huishouden, immer alert zijn op Jouw Lotusvoeten die door de grote yogi's en hoog geleerde filosofen in hun harten worden gehouden om op te mediteren, want ze vormen, voor hen die vielen in de overwoekerde put van een materieel bestaan, de enige toevlucht om de oversteek te maken [zie ook 7.5: 5, 10.51: 46, 7.9: 28, 7.15: 46].'  

Voetnoot

* Volgens S'rîla Sanâtana Gosvâmî in zijn Vaishnava-toshanî commentaar zou deze gebeurtenis, beschreven in terugblik, zich hebben voorgedaan na Balarâma's bezoek aan Vraja (10.65) en voor Mahârâja Yudhishthhira's Râjasûya offerplechtigheid (in 10.74) daar direct na de plechtigheid de vijandschap binnen de Kuru-familie, de verbanning van de Pândava's en de daaruit volgende oorlog te Kurukshetra zich voordeed.

 

 

Hoofdstuk 83

Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de geestelijk leraar en het doel van de gopî's, die op deze manier van Zijn genade blijk gaf, ontmoette toen Yudhishthhira en de rest van Zijn verwanten en informeerde naar hun welzijn. (2) Zij, die bij de aanblik van Zijn voeten hun zonden van zich af zagen vallen, voelden zich aldus ondervraagd door de Heer van de Wereld zeer vereerd en gaven blij ten antwoord: (3) 'Hoe kan er zich nou ongeluk voordoen voor hen die van Uw lotusvoeten ooit de bedwelmende nectar dronken die wordt uitgegoten door de geesten en monden van de grote zielen? Hoe kunnen zij die met de drinkbekers van hun oren zich voldronken nu niet het geluk ervaren, o Meester, o vernietiger der vergeetachtigheid over de Schepper die de belichaamden hun fysieke bestaan schenkt? (4) Waarlijk raken we bij het licht van Uw persoonlijke gedaante verlost van de banden van de drie materiële bewustzijnstoestanden [van het waken, dromen en slapen] en zijn we, volledig verzonken, van spiritueel geluk met het ons vooroverbuigen voor U, het doel van de vervolmaakte heiligen [de paramahamsa's] die met de macht van Uw begoochelend vermogen deze gedaante heeft aangenomen ter bescherming van de onbegrensde en altijd nieuwe Vedische kennis die wordt bedreigd door de tijd.' 

(5) De grote wijze zei: 'Met het door Zijn mensen aldus verheerlijken van het kroonjuweel van alle persoonlijkheden geprezen in de geschriften, kwamen de vrouwen van de Andhaka- en Kauravaclans bij elkaar om samen de onderwerpen van Govinda te bespreken waarover men zingt in de drie werelden; alstublieft luister naar de beschrijving die ik van hen geef. (6-7) S'rî Draupadî zei: 'O Vaidarbhî [Rukminî], Bhadrâ, Jâmbavatî en Kaus'alâ [Nâgnajitî]; o Satyabhâmâ, Kâlindî, S'aibyâ [Mitravindâ], Rohinî [zie voetnoot* en 10.61*] en Lakshmanâ [Mâdrâ] en de andere vrouwen van Krishna, alsjeblieft vertel ons hoe het kon gebeuren dat Acyuta, de Allerhoogste Heer Zelve, die middels Zijn mystieke macht leefde zoals men in de wereld leeft, met jullie getrouwd raakte?' 

(8) S'rî Rukminî zei: 'Als een leeuw die zijn deel opeist van een kudde geiten of schapen, nam Hij die het stof van Zijn voeten plaatst op de hoofden van onoverwinnelijke strijders, me mee toen de koningen met hun bogen op het punt stonden me weg te geven aan S'is'upâla; moge de voeten van Hem, de verblijfplaats van S'rî, mijn voorwerp van aanbidding zijn [zie 10.52-54].' 

(9) S'rî Satyabhâmâ zei: 'Naar mijn vader wiens hart treurde over de dood van zijn broer, bracht Hij, beschuldigd zijnde, om Zijn naam te zuiveren, het juweel terug nadat hij de koning van de beren [Jâmbavân] verslagen had; hierover bevreesd bood mijn vader mij aan de Heer aan hoewel er reeds aanspraak op mij gemaakt was [zie 10.56].'

(10) S'rî Jâmbavatî zei: 'Hij die dit lichaam op de wereld zette zonder zich bewust te zijn van Hem, de Echtgenoot van Sîtâ, als zijnde zijn meester en aanbiddelijke godheid, vocht zevenentwintig dagen lang met Hem. Weer bij zinnen gekomen Hem herkennend, presenteerde hij, Zijn voeten beetgrijpend, me aan Hem samen met het juweel; ik ben Zijn dienstmaagd [zie ook 10.56].'

(11) S'rî Kâlindî zei: 'In de wetenschap dat ik met het verlangen Zijn voeten te beroeren boetedoeningen aan het volbrengen was, kwam Hij samen met Zijn vriend [Arjuna] en nam Hij mijn hand; ik ben degene die Zijn verblijf schoonmaakt [10.58: 12-23].' 

(12) S'rî Mitravindâ zei: 'Tijdens mijn svayamvara naar voren tredend kaapte Hij me weg zoals de vijand der olifanten [een leeuw] zijn deel opeist temidden van een troep honden; na de koningen en mijn broers die Hem beledigden te hebben verslagen, nam Hij me mee naar Zijn hoofdstad waar S'rî zich ophoudt; moge ik daar leven na leven Hem van dienst zijn met het wassen van Zijn voeten [10.58: 31].' 

(13-14) S'rî Satyâ zei: 'Zeven grote stieren allersterkst en vitaal met scherpe hoorns, die door mijn vader waren geregeld om de koningen op de proef te stellen, versloegen de trots van de helden; maar ze werden door Hem rap onderworpen en vastgebonden met het gemak van een kind dat met een geitje speelt. Op deze wijze voor mij betalend met Zijn heldenmoed nam Hij mij, onder de hoede van dienstmaagden, met Zich mee, waarbij Hij met een leger van vier divisies onderweg de koningen versloeg; moge er mijn dienstbaarheid aan Hem zijn [10.58: 32-55].' 

(15-16) S'rî Bhadrâ zei: 'Met mij verliefd op Hem, o Krishnâ [Draupadî], nodigde mijn vader op eigen gelegenheid mijn neef van moederszijde Krishna uit en schonk hij mij weg aan Hem tezamen met een gevolg aan vrouwelijke metgezellen en een militaire escorte bestaande uit een akshauhini; laat er voor mij, leven na leven ronddolend door mijn karma, er die beterschap zijn van mezelf in het aanraken van Zijn voeten [10.58: 56].' 

(17) S'rî Lakshmanâ zei: 'O Koningin, telkens weer Nârada horend die Acyuta's geboorten en handelingen verheerlijkte, raakte mijn hart gefixeerd op Mukunda, Hij die na rijp beraad in afwijzing van de heersers van de wereld, inderdaad werd uitverkoren door zij [de godin S'rî] met de lotus in haar hand. (18) Mijn vader die ook wel bekend staat als Brihatsena, o gelouterde dame, trof, op de hoogte zijnde van mijn geestesgesteldheid, in zijn liefde voor zijn dochter hiervoor zijn maatregelen. (19) Net als in jouw svayamvara, o Koningin, werd er een vis gebruikt die [opgehangen als doelwit] door Arjuna moest worden geraakt. Maar aan het gezicht onttrokken, kon hij alleen maar als een weerspiegeling in het water worden gezien [in een vat eronder]. (20) Hierover vernemend kwamen van heinde en verre al de koningen bedreven in de boogschietkunst en het hanteren van andere wapens naar mijn vaders stad tezamen met hun duizenden leermeesters. (21) Mijn vader eerde hen allen ten volle, ieder overeenkomstig zijn kracht en leeftijd, waarna zij die hun zinnen op mij gezet hadden, in de bijeenkomst hun boog en pijlen ter hand namen om een schot te wagen. (22) Sommigen van hen waren na het heffen [van de boog] niet in staat die te spannen en sommigen die de boogpees gespannen hadden mislukten omdat ze er door werden geraakt. (23) Andere helden, de koningen van Magadha [Jarâsandha], Cedi [S'is'upâla] en Ambashthha alsook Bhîma, Duryodhana en Karna, slaagden erin de boog te spannen maar slaagden er niet in uit te maken waar het doelwit zich bevond. (24) Arjuna die er wel in slaagde het te herkennen, waagde, zorgvuldig mikkend terwijl hij in de weerspiegeling naar de vis keek, een schot, maar de pijl trof zijn doel niet, het was een schampschot. (25-26) Toen de koningen in hun trots verslagen het opgegeven hadden, wist de Opperheer, speels de boog ter hand nemend, hem spannend en een pijl aanleggend, met een enkele blik in het water de vis met Zijn pijl te doorboren op het moment dat de zon in Abhijit stond [in 'victorie', of midhemel]. (27) Pauken weerklonken in de hemel samen met de geluiden van 'jaya' van de goddelijken op aarde die door vreugde overweldigd bloemen in stromen deden neerregenen. (28) Vervolgens deed ik, met een verlegen glimlach op mijn gezicht en bloemen gevlochten in mijn haar, mijn intrede in het offerperk met zachtjes tinkelende belletjes aan mijn voeten, een gouden halsketting om met schitterende edelstenen en een stel fijn zijden, nieuwe kleren aan, bijeengehouden door een ceintuur. (29) Mijn gezicht opheffend met de vele haarlokken eromheen en de wangen in de gloed van de oorhangers, keek ik overal om me heen naar de koningen. Met een koele glimlach zijdelings blikken werpend plaatste ik langzaam mijn halsketting om de hals van Murâri die mijn hart had gestolen. (30) Op dat moment weerklonken schelphoorns, mridanga's, trommeltjes, pauken en oorlogstrommen en dergelijke, en zongen de zangers terwijl de mannelijke en vrouwelijke dansers dansten. (31) Mijn keus die ik aldus liet vallen op de Allerhoogste Heer als mijn meester was voor de koningen die de leiding hadden niet acceptabel o Draupadî, ze begonnen van streek geraakt met een vloekend hart ruzie te zoeken. (32) Voor die situatie geplaatst tilde Hij me in de strijdwagen met de vier uitmuntende paarden en stond Hij, Zijn S'ârnga gereedmakend en Zijn kuras aantrekkend, klaar om slag te leveren met Zijn vier armen [ten volle gemanifesteerd]. (33) Dâruka reed weg met de met goud afgewerkte wagen o Koningin, terwijl de koningen toekeken als waren het een stel diertjes opgeschrikt door koning leeuw. (34) De koningen gingen, als een stelletje dorpshonden met een leeuw, Hem achterna. Daarbij probeerden sommigen van hen de weg te blokkeren door hun bogen tegen Hem op te heffen. (35) Door de stortvloed van pijlen afkomstig van S'ârnga vielen sommigen van hen met hun armen, benen en nekken doorkliefd neer, terwijl een paar anderen het opgaven en er vandoor gingen. (36) Toen betrad de Heer der Yadu's als de zon die zijn thuishaven bereikt [ofwel de westelijke horizon] Dvârakâ, Zijn stad bezongen in de hemel en op aarde, die uitvoerig versierd was met prachtige erebogen en banieren aan vlaggenmasten die de zon tegenhielden. (37) Mijn vader vereerde zijn vrienden, naaste verwanten en andere familieleden met de meest kostbare kleding en juwelen en met bedden, zetels en ander meubilair. (38) Hij schonk de Heer der Volledigheid [Pûrnasya] uit toewijding de meest kostbare wapens, tezamen met dienstmaagden die van alle rijkdommen waren voorzien, voetsoldaten, strijders op olifanten, in strijdwagens en strijders te paard. (39) Door van verzaking te zijn met het abrupt verbreken van onze materiële banden werden we allen dienstmaagden bij Hem in huis, bij Hem die in Zichzelf Volkomen Tevreden is.'

(40) De andere koninginnen zeiden [bij monde van Rohinî]: 'Hij leerde ons kennen nadat Hij in de strijd de demon Bhauma met zijn aanhangers had gedood. Wij die door de demon waren verslagen en gevangen gezet, zijn de dochters van de koningen die Bhauma versloeg tijdens zijn campagne om de aarde te veroveren. Nadat Hij ons had bevrijd, herinnerden we ons steeds Zijn lotusvoeten als de bron van de bevrijding uit een materieel bestaan, en is Hij, van Wie Alle Wensen in Vervulling gaan, met ons getrouwd. (41-42) O heilige dame, we verlangen niet naar de heerschappij over de aarde, een hemels koninkrijk, een onbeperkt genieten zelfs of mystieke macht, de allerhoogste goddelijkheid, onsterfelijkheid of naar de verblijfplaats van Hari, we verlangen ernaar op onze hoofden het stof te dragen van de goddelijke voeten van Hem die de Knots Hanteert, het stof dat verrijkt is door de geur van de kunkuma van de boezem van S'rî [zie ook 10.47: 60 , ** en de S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 4]. (43) Wij verlangen hetzelfde als waar de Pulindavrouwen [de gopî's] naar verlangen, als waar het gras, de planten, de grazende koeien en de gopa's van Vraja naar verlangen: aangeraakt te worden door de voeten van de Allerhoogste Ziel.'

Voetnoten

* Zij die hier Rohinî heet is niet Rohinî, de moeder van Balarâma, maar de ene koningin die de 16000 koninginnen vertegenwoordigt waarmee Krishna trouwde naast Zijn acht hoofdkoninginnen.

** De paramparâ geeft aan dat de S'rî waar hier naar verwezen wordt de allerhoogste godin van het geluk is zoals herkend in de 'Brihad-gautamîya-tantra':

devî krishna-mayî proktâ
râdhikâ para-devatâ
sarva-lakshmî-mayî sarva
kântih sammohinî parâ

"De bovenzinnelijke godin S'rîmatî Râdhârânî is de rechtstreekse tegenhanger van Heer S'rî Krishna. Ze is de centrale figuur voor al de godinnen van het geluk. Haar is het vermogen verleend om de al-aantrekkelijke Persoonlijkheid van God aan te trekken. Zij is het voorwereldlijk innerlijk vermogen van de Heer."

 

Hoofdstuk 84

Vasudeva Offert voor de Wijzen die te Kurukshetra de Weg naar het Succes Wijzen

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Prithâ, de dochter van de koning van Subala [Gândhârî] en Draupadî, Subhadrâ en de vrouwen van de koningen zowel als Zijn gopî's, vernamen over de liefdevolle gehechtheid [van de echtgenotes] aan Krishna, Heer Hari, de Ziel van Allen, waren ze allen, met tranen in hun ogen, zeer verwonderd. (2-5) Terwijl de vrouwen zich aldus onderhielden met de vrouwen en de mannen met de mannen, arriveerden ter plekke met het verlangen Krishna en Râma te zien, de wijzen Dvaipâyana, Nârada, Cyavana, Devala en Asita; Vis'vâmitra, S'atânanda, Bharadvâja en Gautama; Heer Paras'urâma en zijn discipelen, Vasishthha, Gâlava, Bhrigu, Pulastya en Kas'yapa; Atri, Mârkandeya en Brihaspati; Dvita, Trita, Ekata en de zonen van Brahmâ [de vier Kumâra's] alsook Angirâ, Âgastya, Yâjñavalkya en anderen met Vâmadeva aan het hoofd. (6) Toen ze hen zagen stonden de Pândava's, Krishna, Râma, de koningen en anderen die gezeten waren, meteen op om zich te verbuigen voor hen die door het ganse universum worden geëerd. (7) Zij allen, met inbegrip van Râma en Acyuta, bewezen hen samen naar behoren de eer met begroetingen, zitplaatsen, water om hun voeten te wassen en om te drinken, bloemenslingers, wierook en sandelhoutpasta. (8) De Allerhoogste Heer die met Zijn belichaming het dharma verdedigt, sprak in de met stille aandacht luisterende vergadering van de er comfortabel gezeten grote zielen toe. (9) De Opperheer zei: 'Wij die deze geboorte verwierven plukken er nu gezamenlijk de vrucht van: de aanwezigheid van de meesters van de yoga die zelfs door de halfgoden maar zelden wordt verkregen. (10) Hoe kan het zo zijn dat menselijke wezens die pover in hun verzaking God in de gedaante van de beeltenis in de tempel voor ogen hebben, nu in uw gezelschap mogen verkeren en u aan mogen raken, vragen mogen stellen, zich voorover mogen buigen en van eerbetoon mogen zijn aan uw voeten en dat alles? (11) Door enkel maar u, de heiligen, te zien raakt men terstond gezuiverd, terwijl dat niet zo is met de heilige plaatsen bestaande uit water of de beeltenissen vervaardigd uit klei waarmee het slechts geleidelijk aan plaatsvindt [1.13: 10]. (12) Niet het vuur, noch de zon, de maan of het firmament, niet de aarde, het water, de ether, de adem, de spraak, noch de geest nemen, als ze worden aanbeden, de zonden weg van hen die in materiële tegenstellingen zijn gevangen; maar ze worden weggevaagd door slechts een enkel moment een man van [brahmaanse] scholing van dienst te zijn. (13) Hij met het idee van zichzelf als zijnde het lichaam dat zo kan stinken met zijn drie elementen [van slijm, gal en lucht], met de notie van een echtgenote en dat alles als zijnde zijn eigendom, met zijn omzien naar klei als iets aanbiddelijks, met de gedachte van water als zijnde een bedevaartsoord, is, [door de uiterlijkheden beheerst zijnde en] nimmer op het wijze in de man afgaande, werkelijk niet veel beter dan een koe of een ezel.'

(14) S'rî S'uka zei: 'Toen ze dit vernamen uit de mond van de Allerhoogste Heer Krishna die Onbegrensd is in Zijn Wijsheid, waren de geschoolden stil, onthutst over de woorden die ze maar moeilijk konden verteren. (15) De wijzen moesten een tijdje peinzen over de Allerhoogste Heer en [de manier waarop Hij zich verplaatste] in een ondergeschikte positie. Ze kwamen tot de conclusie dat het was bedoeld om de mensen een licht op te steken en richtten zich toen met een glimlache tot Hem, de Geestelijk Leraar van het Universum. (16) De achtenswaardige wijzen zeiden: 'Ach, wij, de beste kenners der waarheid en belangrijkste scheppers van het universum, zijn begoocheld door de macht van de materiële illusie teweeggebracht door de handelingen van de Opperheer, van Hem die zo verbazingwekkend verdekt in Zijn praktijken doet alsof Hij degene is die beheerst wordt. (17) Moeiteloos schept Hij, geheel op eigen kracht, de veelvoud van dit universum en handhaaft Hij en vernietigt Hij zonder Zelf verstrikt te raken. Hij is in Zijn handelingen net als het element aarde met de vele namen en vormen van zijn transformaties; och, wat een acteur is de Almachtige met al wat Hij doet [zie ook 8.6: 10]! (18) Niettemin neemt Uw goede Zelf, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Ziel, bij tijden, om Uw mensen te beschermen en de slechten af te straffen, de geaardheid van de goedheid aan, de geaardheid waarin U middels Uw spel en vermaak het eeuwige Vedische pad van de varnâs'rama statusoriëntaties handhaaft [zie ook sanâtana dharma]. (19) Het spirituele [het 'brahma'] is Uw zuivere hart waarin met verzakingen, studie en het zich inwaarts keren geconcentreerd in meditatie [samyama] het eeuwige manifeste en niet-manifeste wordt gerealiseerd alsook het transcendentale erbij [zie ook B.G. 7: 5]. (20) Om die reden bewijst U, o Absolute Waarheid, Uw respect voor de gemeenschap der brahmanen waarvan men met de hulp van de perfecten onder hen de geopenbaarde geschriften kan begrijpen, en zo geeft U dan leiding aan hen die van respect zijn voor het brahmaanse. (21) Vandaag zien we [inderdaad] onze geboorte, opleiding, verzakingen en visie vrucht dragen, omdat het het doel is van de gelouterden om omgang te verkrijgen met U, de Gulden Middenweg, het Uiteindelijke van alle Welzijn. (22) Onze eerbetuigingen voor Hem, de Allerhoogste Heer wiens wijsheid steeds weer nieuw is, [U] Krishna, de Superziel die met Zijn yogamâyâ Zijn eigen glorie overdekt. (23) Geen van deze koningen die Uw gezelschap genieten, noch de Vrishni's, kennen U, die bent verhuld door het gordijn van mâyâ, als de Allerhoogste Ziel, de Tijd en de Beheerser [B.G. 6: 26]. (24-25) Zoals een persoon in slaap zichzelf een alternatieve werkelijkheid voorstelt met de namen en gedaanten die hij zich voor de geest haalt en daarmee geen weet heeft van een aparte werkelijkheid die daar los van staat, heeft men, op dezelfde manier namen en gedaanten hebbend, met U geen idee omdat de heugenis niet constant is als gevolg van de activiteit van de zinnen die met Uw mâyâ het bewustzijn verbijsteren [vergelijk B.G. 4: 5 en 4.29: 1b, 10.1: 41 en 7.7: 25]. (26) Heden hebben we van U de voeten, de oorsprong van de Ganges die de overmaat aan zonden wegwast, mogen aanschouwen; [met hen] goed geïnstalleerd in het hart wordt door hen wiens yogapraktijk rijpte en de toegewijde dienst zich volledig ontwikkelde, de materiële mentaliteit, de overdekking van hun individuele zielen, vernietigd en de bestemming van U bereikt - dus alstUblieft, toon Uw toegewijden Uw genade.'

(27) S'uka zei: 'Nadat ze dit gezegd hadden, namen de wijzen afscheid van Das'ârha [Krishna], Dhritarâshthra en Yudhishthhira, o wijze onder de koningen, en troffen ze voorbereidingen om terug te keren naar hun hermitages. (28) Toen de alom geroemde Vasudeva dit zag benaderde hij hen en greep hij, zich verbuigend, hun voeten beet met het zorgvuldig onder woorden brengen van de volgende afweging. (29) S'rî Vasudeva zei: 'Mijn eerbetuigingen voor u die al de goden vertegenwoordigt [*]. O zieners, alstublieft luister, zeg ons dit: hoe kunnen we van ons karma verlost raken door het verrichten van arbeid?'

(30) S'rî Nârada zei: 'Beste geleerden, deze vraag die Vasudeva zo leergierig stelde wat betreft zijn hoogste levensdoel is niet zo verrassend, omdat hij over Krishna denkt als zijnde een kind [van hem, zijn zoon]. (31) Als stervelingen in deze wereld met elkaar omgaan gaat dat al gauw ten koste van de achting die men voor elkaar heeft, zoals men dat b.v. zoals men dat b.v. ook kan zien met iemand die aan de oever van de Ganges woont maar elders zijn heil zoekt om zuivering te vinden. (32-33) [De Heer] Zijn bewustzijn wordt om geen enkele reden, noch uit zichzelf noch als gevolg van een invloed van buitenaf, in zijn kwaliteiten ooit verstoord door het destructieve en creatieve dat wordt teweeggebracht door de tijd van dit [universum, zie B.G. 4: 14 en 10: 30]. Hij, de Ene Beheerser zonder een Tweede, wiens bewustzijn niet is aangedaan door hindernissen, materiële handelingen en hun gevolgen en de geaardheden en hun stroom van veranderingen [kles'a, karma en guna], wordt door iemand anders [onwetend] beschouwd als zijnde overdekt door Zijn eigen expansies van prâna en andere elementen, precies zoals de zon wordt overdekt door wolken, sneeuw of verduisteringen.'

(34) Toen, o Koning, richtten de wijzen zich tot Vasudeva en zeiden ze terwijl al de koningen alsook Acyuta en Râma toehoorden: (35) 'Als zijnde juist is vastgesteld dat het karma wordt tegengegaan door dit werk: dat men met geloof met offers [levendig, als in een kirtan] Vishnu aanbidt, de Heer van Alle Offers. (36) Dit is waarlijk wat de geleerden door het oog van de S'âstra's aantoonden als zijnde de makkelijkste manier om de geest tot vrede te brengen; het is het yoga-dharma dat het hart genoegen verschaft. (37) De tweemaal geborene die thuis offers aan het brengen is behoort zuiver en onzelfzuchtig met de toevertrouwde bezittingen van aanbidding te zijn voor de Persoonlijkheid van God; dit is het pad dat naar succes leidt [**]. (38) Iemand die intelligent is behoort het verlangen naar rijkdom te verzaken door offers te brengen en liefdadig te zijn, het verlangen naar een vrouw en kinderen te verzaken door zich bezig te houden met huishoudelijke zaken en het verlangen naar een wereld voor zichzelf [of een ander leven] te verzaken, o Vasudeva, met behulp van de Tijd [door zijn effecten te bestuderen, zie ook 9.5 en B.G. 3: 16]; allen die nuchter waren verzaakten hun verlangens naar een huiselijk bestaan en begaven zich voor boetedoeningen het bos in [zie ook B.G. 2: 13]. (39) Prabhu, een tweemaal geboren iemand wordt geboren met drie schulden: de schuld aan de goden, de wijzen en aan de voorvaderen; ze niet inlossend door [respectievelijk] offers te brengen [het celibaat b.v.], de geschriften te bestuderen en met het leveren van bijproducten [kinderen, leerlingen of boeken, zie ***] zal hij, bij het verlaten van het lichaam, ten val komen [terug in de materiële wereld]. (40) In feite bent u echter reeds bevrijd van de twee van die schulden, de schuld aan de wijzen en de schuld aan de voorvaderen o grootmoedige. Maak uzelf nu vrij van schuld door aan de goden te offeren en huis en haard achter te laten. (41) O Vasudeva, aangezien Hij de rol als zijnde uw zoon op Zich nam, moet uw goede zelf [in een voorgaand leven] inderdaad wel met toewijding grondig van aanbidding zijn geweest voor de Allerhoogste Heer en Beheerser Aller Werelden [zie ook 10.3: 32-45 en 11.5: 41].'

(42) S'rî S'uka zei: Toen hij gehoord had wat ze hadden te zeggen, koos Vasudeva voor de wijzen als zijn priesters en stemde hij ze gunstig door zijn hoofd voorover te buigen. (43) De rishi's, o Koning, hielpen hem toen met het strikt volgens de religieuze voorschriften op het heilige veld [van Kurukshetra] uitvoeren van vuuroffers met excellente rituele voorzieningen. (44-45) Toen zijn inwijding aan de orde was, kwamen verheugd de Vrishni's, gebaad en goed gekleed, met bloemenslingers om en rijkelijk opgesierd naar de offertent. Ze kwamen samen met hun koninginnen die gouden hangers om hun nekken hadden, in de fijnste kleren waren gestoken en ingesmeerd met sandelhoutpasta o Koning, en daarbij de artikelen voor de aanbidding in hun handen hielden. (46) Tweezijdige kleien trommels, kleine trommeltjes, pauken en drums, schelphoorns en andere muziekinstrumenten weerklonken, mannelijke en vrouwelijke dansers dansten en de hofzangers en lofprijzers zongen zoetgevooisd mee met de zangeressen uit de hemel en hun echtgenoten. (47) Zoals schriftuurlijk voorgeschreven door de priesters besprenkeld met gewijd water [voor zijn inwijding], zag hij met zijn ogen zwart opgemaakt en zijn lichaam ingesmeerd met verse boter, er met zijn achttien vrouwen [zie 9.24: 21-23 & 45] uit alsof hij [- als de maan -] omringd was door de sterren. (48) Met hen allen allerfijnst opgesierd zijden sârî's dragend, met armbanden om, halskettingen, enkelbelletjes, en oorbellen, straalde hij, geïnitieerd en gehuld in een hertenvel, prachtig. (49) O grote Koning, zijn supervisors en priesters schitterden met hun juwelen en kledingstukken van zijde als bevonden ze zich in het offerperk van de doder van Vritra [Indra, zie 6.11]. (50) Op dat moment traden ook de twee Heren Râma en Krishna evenzo glansrijk naar voren, ieder begeleid door Hun eigen macht aan vrouwen, zonen en familieleden als expansies van Henzelf. (51) Vasudeva was volgens de regels respectvol met alletwee de soorten van offeren die men omschrijft als primair [naar de s'ruti] en secundair [aangepast naar andere bronnen, zie *4]. En zo was hij dan met uitgietingen in het vuur en dergelijke van aanbidding voor de Heer van de Benodigdheden, de Mantra's en de Rituelen. (52) Vervolgens gaf hij, op de aangegeven tijd, aan de priesters die reeds rijkelijk opgesierd waren, giften uit dankbaarheid die hen nog meer opsierden, alsook huwbare meisjes, koeien en land van grote waarde. (53) Na het volbrengen van de plechtigheid uitgevoerd door de sponsor [patnî-samyâja] en het afsluitende ritueel [avabhrithya], baadden de grote wijzen, met het voorop plaatsen van de geschoolden en de sponsor van de yajña, in het meer van Heer Paras'urâma [9.16: 18-19]. (54) Na dat bad schonk hij sieraden en kleding weg aan de hofzangers en de vrouwen en vereerde hij vervolgens in zijn mooiste kleren al de klassen van mensen en zelfs de honden met voedsel. (55-56) Met de weelde aan giften namen zijn verwanten en hun vrouwen en kinderen, de leiders van de Vidarbha's, Kos'ala's, Kuru's, Kâs'î's, Kekaya's en Sriñjaya's; de supervisoren, de priesters, de verschillende soorten van verlichte zielen, de gewone mensen, de paranormalen ['de geesten'], de voorvaderen en de achtenswaardigen, allen afscheid van het Verblijf van S'rî en vertrokken ze vol van lof zijnde over het offer dat was gebracht. (57-58) De naaste familieleden Dhritarâshthra en zijn jongere broer [Vidura], Prithâ en haar zoons [Arjuna, Bhîma en Yudhishthhira], Bhîshma, Drona, de tweelingen [Nakula en Sahadeva], Nârada, en Bhagavân Vyâsadeva en andere verwanten keerden toen, hun vrienden en verwanten, de Yadu's, omhelzend en in hun hart bewogen over de scheiding, met moeite terug naar hun respectievelijke woonplaatsen zoals ook de rest van de gasten dat deed. (59) Nanda samen met de koeherders bleef uit genegenheid voor zijn verwanten en werd door Krishna, Râma, Ugrasena en de rest in aanbidding zeer ruimhartig vereerd. (60) Vasudeva die met gemak de oceaan was overgestoken van zijn grote ambitie [zie ook 10.3: 11-12], was er zeer mee in zijn sas en richtte zich, omringd door zijn weldoeners, tot Nanda, waarbij hij zijn hand beroerde terwijl hij sprak.

(61) S'rî Vasudeva zei: 'De door God gesmede band van de mens die genegenheid wordt genoemd is, zo meen ik, voor krijgslieden net zo moeilijk op te geven als voor yogi's. (62) Ookal wordt de vriendschap die jullie die zo heilig zijn bieden niet beantwoord door ons die zo makkelijk vergeten wat jullie gedaan hebben, neemt ze niettemin nimmer af want ze gaat alles te boven. (63) In het verleden [door Kamsa gevangen gezet] waren we er niet toe in staat zorg te dragen voor jullie en nu het ons goed gaat, o broeder, zien we met jullie recht voor ons, jullie niet werkelijk staan blind als we zijn onder de invloed van de weelde. (64) Moge voor een persoon die uit is op het ware voordeel in het leven zich nimmer het fortuin der koningen opwerpen, o jullie vol van respect, daar hij met zijn blik aldus verduisterd zelfs zijn eigen soortgenoten of vrienden niet ziet staan [vergelijk 10.10: 8].'

(65) S'rî S'uka zei: 'Zich aldus met tranen in zijn ogen herinnerend wat hij allemaal gedaan had uit vriendschap, moest Ânakadundubhi, in zijn hart ontroerd door de intimiteit, huilen. (66) Nanda hield ook veel van zijn zo heel warmhartige vriend en zei: 'Ik ga wel later, ik ga morgen wel', maar bleef uit liefde voor Govinda en Râma toen drie maanden langer met al de eer die hij ontving van de Yadu's. (67-68) Nadat ze een keur aan begerenswaardige zaken aangeboden hadden gekregen zoals de meest kostbare sieraden, het fijnste linnen en verschillende meubelstukken van onschatbare waarde, vertrok hij, uitgewuifd door de Yadu's, samen met de luitjes van Vraja en zijn familie. Ze hadden al de geschenken van Vasudeva, Ugrasena, Krishna, Uddhava en anderen geaccepteerd en namen ze met zich mee. (69) Nanda, de gopa's en de gopî's, niet in staat Govinda's lotusvoeten uit hun hoofd te zetten, keerden bijgevolg [heel wat keren] achterom kijkend, weer terug naar Mathurâ. (70) Met hun verwanten vertrokken merkten ze dat het regenseizoen zich aandiende en gingen de Vrishni's, die Krishna als hun aanbiddelijke godheid hadden, weer terug naar Dvârakâ. (71) Aan de mensen [daar] deden ze verslag van de grote festiviteit en van alles wat zich in relatie tot de heer van de Yadu's [Vasudeva] en tot allen hen toegenegen die ze tijdens hun bedevaart hadden ontmoet had afgespeeld [zie 10.82].' 

Voetnoten

* Deze uitspraak, zo brengt ons de paramparâ in herinnering, wordt ondersteund in de gezaghebbende s'ruti-mantra's, welke verklaren 'yâvatîr vai devatâs tâh sarvâ veda-vidi brâhmane vasanti': "Welke halfgoden er ook bestaan, ze houden zich allen in een brâhmana op die de Veda kent."

** De paramparâ voegt toe: 'Zowel S'rîdhara Svâmî als S'rî Jîva Gosvâmî zijn het op dit punt eens dat het rituele karma van Vedische offers met name is bedoeld voor gehechte huishouders. Zij die reeds gelouterd zijn in Krishnabewustzijn, zoals Vasudeva zelf, hoeven alleen maar hun geloof te cultiveren in de Heer Zijn toegewijden, de beeltenis die men van Hem heeft, Zijn naam, de overblijfselen van Zijn maaltijd en Zijn leringen zoals geboden in de Bhagavad Gîtâ en het S'rîmad Bhâgavatam.'

*** Het woord putra hier gebruikt heeft gewoonlijk betrekking op een kind, maar betekent ook een pop of enig kunstmatig iets om zorg voor te dragen zoals een huis, of kunstwerken, een boek of een ander bijproduct zoals Prabhupâda en zijn leerlingen het hebben genoemd in b.v. 3.28: 38 en 11.20: 27-28. Letterlijk betekent het 'het redden uit de hel genaamd Put', de plaats waar zij die kinderloos zijn verblijven.'

*4 De paramparâ verklaart: 'Het Brâhmana gedeelte van de Vedische s'ruti specificeert de volledige stap-voor-stap procedure van enkel maar een paar prototypische offerplechtigheden, zoals het Jyotishthoma en het Dars'a-pûrnamâsa. Dezen worden de prâkrita, of de oorspronkelijke, yajña's genoemd; de details van andere yajña's moeten worden afgeleid uit de patronen van deze prâkrita voorschriften overeenkomstig de strenge regels van de Mîmâmsâ-s'âstra. Aangezien andere yajña's dus bekend staan door afleiding uit de prototypische offers worden ze vaikrita, of "veranderd" genoemd.'

 

 

Hoofdstuk 85

Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Toen, bezochten op een dag Sankarshana en Acyuta, de twee zoons van Vasudeva, Hun vader die, nadat Ze zijn voeten hadden geëerd, Hen liefdevol begroette en Hen toesprak. (2) Nadat hij de woorden van de wijzen had gehoord met betrekking tot de vermogens van zijn twee zoons, was hij mede door Hun dappere daden van Hen overtuigd geraakt en zei hij, Ze bij hun naam aansprekend: (3) 'Krishna, o Krishna, o grootste yogi; o eeuwige Sankarshana, ik weet dat Jullie twee hier de rechtstreekse vertegenwoordigers zijn van de primaire natuur [of pradhâna] en het mannelijk principe [de purusha of persoon]. (4) Wat, hoe en wanneer ook, in, door, van, met of voor dit [universum] zijn bestaan vindt, vertegenwoordigt allemaal rechtstreeks Hem van het Overwicht, de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke natuur en persoon. (5) Dit gevarieerde universum dat Je uit Jezelf schiep, o Heer van het Voorbije, handhaaf Jij, o Ongeborene, er Zelf in binnengaand, als de Opperziel en het levensbeginsel van de vitaliteit en de individualiteit. (6) Van beide [de levende en niet levende] bestaansvormen welke, verschillend als ze zijn en allen behorend tot het Allerhoogste, dus afhankelijk zijn, ben Jij de Ene die het creatieve vermogen vormt dat schuilt in de levensadem en in de overige basiselementen van het universum [zie ook 2.5: 32-33]. (7) De gloed, de glans, de helderheid, het afzonderlijke van de maan, het vuur, de zon, de sterren en de bliksem [B.G. 15: 12], het permanente van de bergen en de geur en ondersteunende kracht van de aarde, zijn allen Jou in werkelijkheid. (8) Het lessende, het levenbrengende van water alsook het water zelf en haar smaak ben Jij o Heer. O Beheerser, van Jouw is er op basis van de lucht [zoals men dat zegt] de lichaamswarmte, de levenskracht op lichamelijk en geestelijk gebied, de ondernemingszin en het zich bewegen [zie ook B.G. 11: 39]. (9) Jij bent de windrichtingen en de gebieden die ze beschrijven, de alomtegenwoordige ether en het elementaire geluid dat erbij hoort. Jij bent de oerklank die de lettergreep AUM vormt en de differentiatie ervan in bepaalde vormen [van taal, zie ook B.G. 7: 8]. (10) Jij bent van de zinnen de macht van het waarnemen, Je bent hun goden [zie ook 3.12: 26] en van hen ben Je de genade; Jij bent van de intelligentie de macht te beslissen en van het levend wezen ben Je het vermogen zich de dingen te herinneren zoals ze zijn [B.G. 7: 10 & 15: 15]. (11) Jij, de voorwereldlijke Oorzaak aller Oorzaken, bent de bron van de stoffelijke elementen [tamas], de hartstochten der zinnen [rajas] en de stroom van bewustzijn van de scheppende goden [sattva, zie ook B.G. 14]. (12) Van de bestaansvormen die onderworpen zijn aan vernietiging in deze wereld ben Jij het onvergankelijk wezen, zoals de grondstof is in verhouding tot haar transformaties. (13) De geaardheden der goedheid, hartstocht en onwetendheid en hun functies zijn op deze manier binnenin Jou, binnen de Allerhoogste Absolute Waarheid, gereguleerd door het inwendig vermogen [de yogamâyâ van Je spel en vermaak]. (14) Op basis daarvan worden deze bestaansvormen niet [werkelijk] vernietigd als ze - andere keren inderdaad niet materieel zijnde - geconditioneerd in Jou als voortbrengselen van de schepping, Jou ook in hen aanwezig hebben [als een gelover, als de levenskracht caitanya, een eeuwig bevrijde, nitya-mukta, bewuste ziel of een jîvâtmâ, zie B.G 2: 12, 9: 4-5 & 8: 19]. (15) Zij dan zijn in deze wereld onwetend die, falend in het doorgronden van de bestemming die de Ziel van Alles is, er door hun karma toe gedreven zijn zich rond te bewegen in de stroom van de materiële oceaan. (16) Op de een of andere manier in dit leven de felst begeerde status van een menselijke leven te hebben bereikt - een status die zo moeilijk te verwerven is -, kan iemand die begoocheld is door de materiële energie [zoals ik], o Beheerser, [niettemin] zijn hele leven in verwarring hebben doorgebracht over wat zijn eigenbelang zou zijn. (17) Met Jij die allen in deze wereld samenbindt met de touwen der genegenheid is er met het lichaam en het nageslacht en andere relaties het 'dit ben ik' en 'dezen zijn van mij' dat erbij komt kijken [zie ook b.v. 2.9: 2, 4.28: 17, 4.29: 5, 5.5: 8 en 6.16: 41]. (18) Jullie twee zijn niet onze zoons maar duidelijk de Beheersers van pradhâna en purusha die nederdaalden om de last aan heersers weg te nemen van de aarde, zoals Jullie het Zelf gezegd hebben [10.50: 7-10]. (19) Daarom zoek ik vandaag Je beschutting, de lotusvoeten welke, van hen die zich overgaven, zij die te lijden hebben, de angst wegnemen van het verstrikt zijn o Vriend, en dat is alles. Genoeg, genoeg heb ik van dat gesmacht naar zinsbevrediging dat me bindt aan mijn sterfelijkheid en me Jou, de Allerhoogste, doet beschouwen als zijnde mijn kind. (20) In de kraamkamer zei Je inderdaad [zie 10.3: 44] dat Jij, toen Je ter wereld kwam met ons, de Ongeborene was die zo tijdperk na tijdperk optreedt ter verdediging van Je dharma en daarbij als een wolk verschillende lichamen aanneemt en weer loslaat [zie B.G. 4: 8]; o, wie kan het mystiek vermogen en de veelvoud doorgronden van Jou, de Heer die alles doordringt en alom gevierd wordt?'

(21) S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij had gehoord wat Zijn vader zo zei, gaf de Allerhoogste Heer, de beste der Sâtvata's nederig buigend en breed glimlachend met een vriendelijke stem antwoord. (22) De Opperheer zei: 'Ik beschouw deze woorden van u als zeer toepasselijk vader, omdat u met het naar Ons, uw Zoons, verwijzen u het volledige van de werkelijkheid onder woorden hebt gebracht. (23) Ik, u, Hij, Mijn broer, en deze bewoners van Dvârakâ, moeten tezamen met alles wat rondbeweegt en niet rondbeweegt, allen op dezelfde manier worden bekeken [als expansies van Mij], o beste van de Yadu's [B.G. 9: 5 & 15 en de siddhânta]. (24) De Allerhoogste Ziel is waarlijk één, zelfverlicht, eeuwig en van de rest onderscheiden; terwijl Hij vrij is van de geaardheden ziet men Hem als veelvormig, met Zijn met behulp van de geaardheden uit Zichzelf geschapen hebben van de materiële verschijningsvormen die bij die geaardheden horen. (25) Het is als met de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde die - een enkel element zijnde - afhankelijk van waar ze zich bevinden, in hun voortbrengselen, of ze nu gemanifesteerd of niet gemanifesteerd zijn, klein dan wel groot, zich vertonen als een veelvoud [zie ook B.G. 13: 31].'

(26) S'rî S'uka zei: 'Vasudeva die op die manier werd toegesproken door de Allerhoogste Heer, o Koning, raakte bevrijd van zijn denken in tegenstellingen en werd, innerlijk voldaan, stil. (27-28) Toen op die plaats, o beste der Kuru's, verzocht duidelijk en helder Devakî, de aanbiddelijke godin van een ieder die tot haar grote verbazing had vernomen van [het terughalen van] de zoon van Hun goeroe [10.45], Krishna en Râma om haar eigen zoons die door Kamsa waren vermoord terug te brengen; en terugblikkend bij die gedachten was ze verdrietig en sprak ze innerlijk verscheurd met tranen in haar ogen. (29) S'rî Devakî zei: 'Râma, o Râma, o Onpeilbare Ziel; o Krishna, Leraar der Yogaleraren, ik weet dat Jullie beiden de Oorspronkelijke Persoonlijkheden zijn, de Meesters van de Scheppers van het Universum [zie ook catur-vyûha]. (30) Jullie zijn nu uit mij geboren nedergedaald vanwege de koningen die, in weerwil van de geschriften levend en met hun goede eigenschappen vernietigd door de tijd [van Kali-yuga], een overlast voor de wereld werden. (31) O Ziel van Allen der Schepping, vandaag kwam ik voor mijn beschutting naar Hem toe, naar Jou, die door een gedeeltelijke expansie [de geaardheden] van een expansie [de materiële energie] van een expansie [Nârâyana] aanleiding geeft tot het voortbrengen, gedijen en weer teloorgaan van het universum [zie ook 2.5]. (32-33) Er word beweerd dat Jullie, die van Je goeroe de opdracht kregen zijn reeds lang geleden gestorven zoon terug te halen, hem vanuit het bereik van de voorvaderen weer terughaalden als een gift uit dankbaarheid voor Jullie geestelijk leraar. AlsJeblieft, o Jullie twee Meesters van de Yogameesters, beantwoordt op dezelfde manier aan mijn verlangen: ik zou graag mijn zoons teruggebracht zien die door Kamsa ter dood werden gebracht [zie 10.4].'

(34) De rishi [S'uka] zei: 'Aldus ertoe verzocht door Hun moeder, o afstammeling van Bharata gingen Râma en Krishna met gebruik van Hun inwendig vermogen de lagere wereld van Sutala binnen [zie 5.24: 18]. (35) Daar binnentredend stond de daitya koning [Bali] meteen op om tezamen met zijn hofhouding voor Hen te buigen. Hij was overmand door de vreugde Hen te zien, de Opperziel en Godheid van het Universum die zijn favoriete goddelijkheid van aanbidding vormden. (36) Koninklijke zetels voor Ze halend, was hij, toen Ze waren gezeten, er gelukkig mee de twee Grote Zielen Hun voeten te wassen, en daarvan nam hij samen met zijn volgelingen het water [op hun hoofden] dat zuiverde tot aan Brahmâ toe. (37) Hij, van aanbidding met al de weelde die hij en zijn familie bezaten, bood Hen aldus de meest kostbare rijkdommen, kleding, sierselen, geurige smeersels, betelnoot, lampen, nectargelijk voedsel en zo meer [*]. (38) Hij die Indra had overwonnen [zie 8.15] sprak, telkens weer opnieuw de voeten van de Opperheer vastgrijpend, met een hart vertederd van liefde, met tranen in zijn ogen van de vervoering en zijn haren overeind, o Koning, toen met een verstikte stem. (39) Bali zei: 'Mijn eerbetoon voor Ananta, het Grootste Wezen; mijn eerbetuigingen voor Krishna, de Absolute Waarheid, de Superziel, de Verbreider en Schepper van de analytische kennis [sânkhya, zie 3.25-32] en de wetenschap van de [bhakti-]yoga. (40) U voor ogen hebben is inderdaad iets dat, hoewel door de levende wezens zelden bereikt, niettemin nog steeds voor mensen als wij, die van nature in de hartstocht en de onwetendheid verkeren, niet moeilijk voor elkaar te krijgen is met de inspanning die U zich getroost om ons op Uw eigen initiatief te bereiken [zie B.G. 3: 21-23]. (41-43) De zonen van Diti en Dânu, de zangers van de hemel, de vervolmaakten, de wetenschappers, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders, de wilden, de vleeseters en de paranormalen, de mystici, de politici, wij en anderen zoals zij, voelen ons tot Je aangetrokken ondanks het feit dat we voortdurend ons verbijten in een zekere rancune tegen de Rechtstreekse Belichaming van de Zuivere Goedheid in de goddelijke gedaante van de geopenbaarde geschriften; sommigen zijn bijzonder obstinaat met hatelijkheid, sommigen zijn van toewijding met nevenmotieven, terwijl de verlichte zielen en de rest die zich verlustigt in de goedheid, zich in het geheel niet zo aangetrokken voelen [vergelijk: het âtmârâma-vers 1.7: 10]. (44) O Man der Beheersing, als zelfs niet de meesters van de begoochelende macht van Uw yoga kennen die hoofdzakelijk in dit soort termen [van het svarûpa en vis'esha identiteitsspel] wordt gekenschetst, wat houdt dat dan wel niet voor ons in? (45) Daarom, o toevlucht van de lotusvoeten waar de onzelfzuchtigen hun geest op richten, heb genade met me en leidt me weg uit de donkere put van het huishoudelijk bestaan, zodat ik in vrede alleen moge rondtrekken of dat anders samen kan doen met de vrienden van allen [de heiligen, toegewijden, Vaishnava's, wensbomen] die een ieder in de wereld behulpzaam zijn en aan wiens voeten men kan vinden wat men in het leven nodig heeft [de 'vritti']. (46) AlstUblieft geef ons leiding o beheerser van hen die beheerst zijn, maak ons zondeloos o Meester, maak van ons een persoon die met geloof tewerkgaand vrijkomt van [schriftuurlijke] fixaties.'

(47) De Opperheer zei: 'Eens, ten tijde van de eerste Manu, waren er van Marîci zes zonen geboren uit Ûrnâ, halfgoden, die lachten toen ze zagen dat hij die van de liefde is ['kam', of Brahmâ in dit geval] wilde copuleren met zijn dochter [genaamd Vâk, zie 3.12: 28-35, vergelijk 3.20: 23]. (48-49) Vanwege die overtreding belandden ze prompt in een baarmoeder waar ze door Hiranyakas'ipu verwekt waren. Ze werden toen door Yogamâyâ overgebracht om geboorte te nemen uit de schoot van Devakî, o Koning, en werden door Kamsa vermoord. Zij weeklaagt over hen als zijnde haar zoons; zij, deze zelfde zoons leven hier nu bij u [zie ook ** en 10.2*]. (50) We willen ze hier weghalen om een einde te maken aan de droefenis van hun moeder; als daarna de vloek is opgeheven zullen ze bevrijd van de ellende naar hun eigen wereld terugkomen. (51) Bij Mijn genade zullen deze zes - Smara [Kîrtimân, zie 10.1: 57], Udgîtha, Parishvanga, Patanga, Kshudrabhrit en Ghrinî - terugkeren naar de bestemming der geheiligden.'

(52) Na aldus te hebben gesproken namen Ze, beiden geëerd door Bali, hen mee terug naar Dvârakâ en presenteerden Ze de zoons aan hun moeder. (53) Toen de godin de jongens weer zag deed de liefde voor haar zoons haar borsten vloeien. Ze nam ze op haar schoot en omhelsde ze, waarbij ze keer op keer hun hoofden besnuffelde. (54) Verbijsterd door Vishnu's begoochelend vermogen als gevolg waarvan de schepping zijn bestaan vindt, liet ze liefdevol haar zoons drinken van haar borsten die nat waren zo gauw ze hen aanraakten. (55-56) Nadat ze van haar nectargelijke melk hadden gedronken die over was van de melk die de hanteerder van de Knots dronk [voordat Vasudeva Hem naar Gokula droeg], herkregen ze, omdat ze in aanraking kwamen met het lichaam van Nârâyana, het bewustzijn van hun oorspronkelijke zelven. Buigend voor Govinda, Devakî, hun vader en Balarâma gingen ze, voor ogen van iedereen, naar de plaats waar de goden zich ophouden. (57) Met het aanschouwen van dit wederkeren en weer vertrekken van de doden, dacht de goddelijke Devakî in grote verwondering na over de magie zoals die was beschikt door Krishna, o Koning. (58) Van Krishna, de Opperziel die onbegrensd is in Zijn heldenmoed, bestaan er eindeloos veel heldendaden als deze, o nazaat van Bharata.'

(59) S'rî Sûta zei [te Naimishâranya, 1.1: 4]: "Wie ook die, zoals beschreven door Vyâsa's gerespecteerde zoon, devoot luistert naar of vertelt over deze wederwaardigheid van Murâri aan wiens glorie geen grenzen gesteld zijn, zal, met deze ware verrukking voor de oren van Zijn toegewijden die de zonden van het levend wezen totaal uitbant, met het vestigen van zijn geest op de Allerhoogste Heer, naar Zijn aan alle zegeningen rijke hemelse verblijfplaats gaan."

Voetnoten

* De paramparâ voegt hier aan toe dat er negen standaardprocessen van toegewijde dienst zijn zoals Prahlâda dat aangeeft in 7.5: 23-24, en dat de laatste, âtma-samarpanam, het overdragen van je rijkdom zoals voorgeleefd door Bali Mahârâja ter wille van de âtma-nivedanam van zelfcommunicatie met de Heer, de culminatie is waar ieder ondernemen op uit zou moeten zijn. Als men poogt de Heer onder de indruk te brengen met rijkdom, macht, intelligentie enzovoorts maar er niet in slaagt zichzelf nederig te begrijpen als zijnde Zijn dienaar, is iemands zogenaamde toewijding slechts een aanmatigende vertoning. De paramparâ waarschuwt hier aldus tegen de valse religie van pompeuze ceremoniën zonder achting voor het zich terugtrekken in de yoga als met Daksha in 4.2. Zie ook B.G 2: 42-43.

** De paramparâ legt met de âcârya's S'rîdhara Svâmî en Vis'vanâtha Cakravartî uit dat na het van Hiranyakas'ipu wegnemen van Marîci's zes zoons, Heer Krishna's Yogamâyâ ze eerst deed belanden in nog een extra leven als de kinderen van een andere grote demon, Kâlanemi [de voorgaande incarnatie van Kamsa, zie 10.1: 68], en toen bracht ze ze tenslotte over naar de schoot van Devakî. Zie voor het volledige verhaal voetnoot 10.1***.

 

 Hoofdstuk 86  

Arjuna Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va en S'rutadeva

(1) De achtenswaardige koning (Parîkchit) zei: 'O brahmaan, we willen graag weten hoe zij die mijn grootmoeder is, de zuster van Krishna en Râma [Subhadrâ, zie 9.24: 53-55], getrouwd raakte met Arjuna.'

(2-3) S'rî S'uka zei: 'Arjuna, de grote heer, weg op een bedevaart naar Prabhâsa, hoorde rondtrekkend over de aarde dat Râma van plan was Zijn nicht van moeders zijde weg te schenken aan Duryodhana en aan niemand anders, en zo ging hij, haar begerend, naar Dvârakâ veranderd in een asceet met een tridanda [*]. (4) Vastberaden zijn doel te bereiken, hield hij zich aldaar op gedurende de maanden van het regenseizoen en werd hij [zoals de gebruiken het voorschreven] geëerd door de burgers en door Râma zonder dat ze zich ervan bewust waren wie hij was. (5) Op een dag uitgenodigd als gast werd hij naar Balarâma's huis gebracht alwaar Hij hem gewetensvol een maaltijd voorzette. (6) Toen hij daar, met ogen opbloeiend van geluk, het wonderschone meisje zag dat helden het hoofd op hol bracht, zette hij, hevig verliefd, zijn zinnen op haar. (7) Zij met hem voor ogen die iedere vrouw het hart stal, richtte haar hart en ogen op hem terwijl ze vol van verlangen hem een bedeesde glimlach en blik toewierp. (8) Aan niets anders dan aan haar denkend wachtte Arjuna het juiste ogenblik af en kon hij, met zijn hart trillend van het hevigste verlangen, geen rust vinden. (9) Toen ze tijdens een belangrijke feestdag vanuit de vesting wegreed in een wagen, greep de machtige krijgsheer de kans het meisje dat zijn hart had gestolen te ontvoeren. Dat gebeurde met de instemming van haar ouders [zie 10.1: 56] en Krishna. (10) Met zijn boog opgeheven op zijn wagen staand dreef hij, als de koning der dieren zijn deel opeisend, de helden en wachters terug die, onder de woedende kreten van haar verwanten, hem probeerden tegen te houden. (11) Toen dit Râma ter ore kwam raakte Hij zo van streek als de oceaan tijdens een verkeerde maanstand [astrologische conjunctie of oppositie]. Hij moest door Heer Krishna en Zijn familie respectvol bij Zijn voeten worden gegrepen om tot vrede te worden bewogen. (12) Hij schiep er daaropvolgend genoegen in cadeaus van grote waarde, olifanten en paarden en mannelijke en vrouwelijke bedienden te sturen als huwelijkscadeau voor de bruid en bruidegom. '

(13) S'rî S'uka ging verder: 'Van Heer Krishna was er S'rutadeva, een van de besten onder de tweemaal geborenen, die bekend stond om de volkomenheid van zijn realisatie - zijn sereniteit, geleerdheid en vrij zijn van zinsbevrediging - in een toewijding tot Krishna alleen. (14) Hij, als een huishouder woonachtig in Mithilâ in het koninkrijk Videha, kwam zijn verplichtingen na zonder zich te bekommeren om datgene wat hem voor zijn levensonderhoud ten deel viel. (15) Hij kwam iedere dag zijn plichten na zoals vereist en was gelukkig met slechts dat - en niets meer dan dat - wat hem bij lotsbeschikking werd toebedeeld als zijn karige levensonderhoud. (16) De heerser van dat koninkrijk van de lijn van Koning Mithilâ [Janaka] stond bekend als Bahulâs'va en was evenzo onzelfzuchtig van aard, mijn beste. Ze waren Acyuta beiden even lief. (17) Tevreden als Hij was met hen beiden klom de Opperheer in Zijn wagen die door Dâruka werd voorgereden, en ging de Meester samen met een groep wijzen op reis naar Videha. (18) Mee kwamen Nârada, Vâmadeva, Atri, Krishna Dvaipâyana Vyâsa, Paras'urâma, Asita, Aruni, ikzelf [S'uka], Brihaspati, Kanva, Maitreya en Cyavana en anderen. (19) Overal waar Hij kwam naderden de burgers en dorpelingen met arghya [wateroffers] om Hem te begroeten die als de rijzende zon was omringd door de planeten. (20) In Ânarta [waar zich Dvârakâ bevind], Dhanva [het woestijngebied], Kuru-jângala [Thaneswar en Kurukshetra], Kanka, Matsya [Jaipur en Aloyar], Pañcâla [het gebied van de Ganges], Kunti, Madhu, Kekaya [noordoost Punjab], Kos'ala [van Kâs'î tot aan de Himalaya's], Arna [ten oosten van Mithilâ] en in vele andere koninkrijken, dronken de mannen en vrouwen met hun ogen het lotusgezicht in dat zo gul was met Zijn glimlachen en liefdevolle blikken, o Koning. (21) Als de Geestelijk Leraar van de Drie Werelden schonk Hij, de blindheid van hun ogen wegnemend, hen de onbevreesdheid van de spirituele visie, en hoorde Hij, geleidelijk aan Videha bereikend, hoe door de godsbewusten en de gewone mensen Zijn heerlijkheden werden bezongen, de heerlijkheden die alle ongeluk verdrijven en iedere hoek van het universum zuiveren. (22) Zo gauw de dorpelingen en stadsbewoners hoorden dat Acyuta was gearriveerd, o Koning, kwamen ze verheugd op Hem af met offergaven in hun handen. (23) Met het zien van Hem Die Geprezen Wordt in de Verzen, bogen ze zich met hun gezichten en hun harten bloeiend van de liefde voorover met hun palmen bijeen gehouden bij hun hoofden, zoals ze dat ook deden voor de wijzen die ze kenden van horen zeggen. (24) De koningen van Mithilâ en S'rutadeva wierpen zich ieder ter aarde aan de voeten met ieder de gedachte dat de Geestelijk Leraar van het Universum speciaal om voor hen van genade te zijn was gekomen. (25) Bahulâs'va en S'rutadeva die gelijktijdig hun handen bijeenbrachten, nodigden toen de Nakomeling van Das'ârha en de tweemaal geborenen uit hun gasten te zijn. (26) De Allerhoogste Heer die graag beiden een plezier wilde doen nam ieder hun aanbod aan door ieder zijn huis binnen te gaan zonder dat ze dat van elkaar wisten [dat Hij dat tegelijkertijd deed in vaibhava-prakâs'a]. (27-29) De afstammeling van Janaka [Bahulas'va] die ze later die dag op een afstand vermoeid naar zijn huis zag komen, droeg voor hen zorgzaam fijne zetels naar buiten zodat ze comfortabel konden zitten. Met een hart vol vreugde, met intense toewijding en ogen wazig van de tranen boog hij zich voorover om die voeten te wassen waarvan het water in staat is de hele wereld te zuiveren. Het samen met zijn familie op zijn hoofd nemend, vereerde hij de Heer der Heerscharen [en de wijzen] met sandelhoutpasta, bloemenslingers, kleding, sieraden, wierook, lampen, arghya, koeien en stieren. (30) Toen ze klaar waren met eten zei hij, terwijl hij gelukkig de voeten van Vishnu op zijn schoot masseerde, om ze te behagen langzaam met een vriendelijke stem het volgende.

(31) S'rî Bahulâs'va zei: 'U, waarlijk de Zelfverlichte Getuige en Ziel van Alle Geschapen Wezens, o Almachtige, bent nu voor ons die Uw voeten in gedachten houden zichtbaar geworden. (32) Om Uw uitlating gestand te doen van 'Niemand, zelfs niet Ananta, S'rî of de Ongeboren Brahmâ is Mij zo lief als de zuivere toegewijde', hebt U Zich voor onze ogen vertoond [zie ook 7.7: 51-52, 10.9: 20-21, 10.47: 58-63]. (33) Welke persoon van kennis in dezen, zou zich nu van Uw lotusvoeten afwenden als U Zichzelf geeft aan de wijzen die van de vrede zijn door geen bezit na te streven? (34) Nederdalend in de Yadu-dynastie terwille van de mensen die verstrikt zijn in de wereldse liefde [samsâra] hebt U, om dat een halt toe te roepen, Uw faam verbreid die de zonden van de drie werelden wegvaagt. (35) Alle eer aan U Krishna, de Allerhoogste Heer die van een onbegrensde intelligentie is, aan Nara-Nârâyana, die volmaakt van de vrede is in het ondergaan van de boetedoeningen. (36) AlstUblieft o Alomtegenwoordige, verblijf, vergezeld van de tweemaal geborenen, een paar dagen bij ons thuis en zegen met het stof van Uw voeten deze dynastie van Nimi.'

(37) S'rî S'uka zei: 'Aldus door de koning uitgenodigd bleef de Opperheer en Handhaver van de Ganse Wereld en bracht daarmee de mannen en vrouwen van Mithilâ het geluk. (38) S'rutadeva, die net als Bahulas'va Krishna bij hem thuis ontving, boog neer voor de wijzen en bij die gelegenheid danste hij verrukt met wapperende kleren. (39) Hij liet ze plaatsnemen op matten van darbha-gras welke hij aansleepte, begroette hen met woorden ter verwelkoming en waste hen toen tevreden samen met zijn vrouw hun de voeten. (40) Met het water besprenkelde hij, dolblij dat al zijn wensen in vervulling waren gegaan, allervroomst zichzelf, zijn huis en zijn familie. (41) Met offers van vruchten, geurige wortel [us'îra], zuiver nectarzoet water, aromatische klei, tulsîblaadjes, kus'a-gras en lotusbloemen vereerde hij hen met alle middelen van aanbidding die hem ter beschikking stonden en met voedsel dat bevorderlijk is voor de geest der goedheid [zie B.G. 17: 8]. (42) Hij vroeg zich af: 'Hoe kon het mij, ik die belandde in de overwoekerde put van het gezinsleven, overkomen om te mogen gaan met Krishna en deze goddelijke mensen waarin Hij zich ophoudt; het is waarlijk het stof van hun voeten dat de waardigheid vormt van alle heilige plaatsen.' (43) Met hen comfortabel gezeten en de gastvrijheid betoond, sprak S'rutadeva, met zijn vrouw, verwanten en kinderen nabij gezeten,terwijl hij Zijn voeten masseerde.

(44) S'rutadeva zei: 'Het is niet voor het eerst dat we de Allerhoogste Persoonlijkheid voor ons aanwezig zien; in feite doet zich dat al voor sedert Hij, met het middels Zijn energieën scheppen van dit universum, het universum binnenging in Zijn eigen staat van [bovenzinnelijk] zijn [als een avatâra]. (45) Hij gaat deze wereld binnen zoals een slapende persoon verschijnt in zijn eigen droom: alleen met zijn geest creëert hij met zijn eigen voorstellingsvermogen een wereld apart. (46) U verschijnt in het hart van die mensen die met zuivere geesten keer op keer over U vernemen, over U spreken, U verheerlijken, U aanbidden en converseren over U. (47) Ookal bevindt U zich in het hart, U houdt zich verre van geesten die zich opwinden over materiële zaken, en hoewel men op eigen kracht geen vat op U kan krijgen, staat U hen bij die waardering hebben voor Uw kwaliteiten [zie ook B.G. 7: 25]. (48) Mogen er mijn eerbetuigingen zijn voor U, de Superziel door wie wij de Allerhoogste Waarheid kennen, de Ene die [als de Tijd] voor de geconditioneerde ziel de Dood afroept; Hij die gedaanten aanneemt die een oorzaak hebben [het universum] en zonder een oorzaak zijn [het transcendentale], en zo [respectievelijk] zaken blokkeert en [dan weer nederdalend voor Uw toegewijden] de blik verruimt middels Uw eigen begoochelende vermogen. (49) U als die Superziel, gebiedt ons Uw dienaren. Wat o God moeten we doen? Oh, het voor ogen hebben van Uw goede Zelf is wat een einde maakt aan de moeilijkheden van de mensheid!'

(50) S'rî S'uka zei: 'Na gehoord te hebben wat hij aldus tot Hem zei, sprak de Opperheer, de Vernietiger van het Leed van de Overgegeven zielen, tot hem en nam daarbij met een brede glimlach zijn hand in de Zijne. (51) De Opperheer zei: 'O brahmaan, u moet weten dat deze wijzen meekwamen met de bedoeling u te zegenen; met Mij rondtrekkend, zuiveren ze alle werelden met het stof van hun voeten. (52) De beeltenissen, bedevaartsoorden en heilige rivieren bezocht, aangeraakt en aanbeden zuiveren geleidelijk aan, maar door de blik van hem die het meest aanbiddelijk is wordt dat alles in één keer bereikt [zie ook 4.30: 37, 7.9: 44, 10.9: 21, 10.84: 11]. (53) Een brahmaan is van geboorte de beste van alle levende wezens, en hoeveel meer betekent hij niet voor Me als hij door zijn ascese, zijn geleerdheid en zijn tevredenheid begiftigd is met een greep op de tijd [van dit Kali-tijdperk, zie ook ** en kâla]! (54) Deze vierarmige gedaante is Me niet zo dierbaar als een brahmaan is; zoals Ik al de goden omvat, omvat een man van [brahmaanse] geleerdheid al de Veda's [zie ook 10.84: 12]. (55) Zij die bedorven in hun intelligentie er niet in slagen het op deze manier te begrijpen, gedragen zich, nalatig, afgunstig jegens de man van [brahmaanse] geleerdheid, hun goeroe, Mij in feite, hun eigenlijke Zelf; terwijl ze de zichtbare vorm van een godsbeeld wel het aanbidden waard vinden. (56) Het bewegende en niet-bewegende van dit universum zowel als de elementaire categorieën daaraan ten grondslag liggend, worden door de geleerde met achting voor Mij in gedachten gehouden als zijnde vormen van Mij [zie ook B.G. 5: 18]. (57) O brahmaan, aanbidt derhalve enkel, met hetzelfde geloof als je in Mij stelt, deze brahmaanse zieners, en aldus tewerkgaand zal Ik daar rechtstreeks mee aanbeden zijn, niet op enige andere wijze zoals met [b.v. het aanbieden van] grote schatten [en dergelijke].'

(58) S'rî S'ûka zei: 'Hij en de koning van Mithilâ die op deze manier instructie ontvingen van de Heer, bereikten door met doelbewuste toewijding Krishna en Zijn gezelschap van meest verheven tweemaal geborenen te aanbidden, de bovenzinnelijke bestemming. (59) De Opperheer van Toewijding voor Zijn Eigen Toegewijden, die daar op die manier verbleef met het onderrichten van de twee toegewijden over het pad der waarachtigen [***] o Koning, keerde toen terug naar Dvârakâ.'

Voetnoten

* De tridanda is een staf meegevoerd door de vaishnava sannayâsî's die het drievoudige symboliseert van de verzaking in gedachten, spraak en handelen. In al deze drie heeft de verzaker de gelofte afgelegd Vishnu te dienen. De staf bestaat uit drie stokken gewikkeld in saffraankleurige stof met een klein stokje extra erbij gewikkeld aan de bovenkant.

** De Tijd is de Heer Zijn onpersoonlijke aspect. De paramparâ zegt: 'Het wordt verstaan van de Vedische wetenschap der epistemologie, de 'Nyâya-s'âstra', dat kennis van een object (prameya) afhangt van een valide methode van kennen (pramâna)' (pp 10.86: 54). Zo zou het kennen van Krishna in de vorm van de Tijd zoals-Hij-is (Ik ben de Tijd, het licht van de zon en de maan, zoals Hij in de Gîtâ zegt), door middel van klokken valide lopend naar Zijn natuur, de zon, zoals met een zonnewijzer, en kalenders geldig ingesteld naar Zijn orde, de maan, zoals met de maanfasen, de juiste brahmaanse gedragswijze vormen. Met weken naar de maan en klokken naar de zon, zou de standaardtijd met de doodsheid van de gemiddelde tijd, de willekeurige valse eenheid van de zonetijd en de instabiliteit van de zomertijd, dan de tijd van onwetendheid zijn in ontkenning van Krishna, de vader van de Tijd, zelfs hoewel Krishna de aanbidding van het pragmatische en dus karmische dictaat van de standaardtijd erkent, maar niettemin die halfgodenaanbidding verkeerd en minder aantrekkelijk noemt [in 1.2: 26]. [zie ook cakra, kâla en B.G. 9: 23, 10: 21, 30 & 33, 7: 8 en Bhâgavatam time quotes]

*** Prabhupâda voegt hier aan toe: "De les die we leren uit dit verhaal is dat Koning Bahulâs'va en S'rutadeva de brâhmana door de Heer werden geaccepteerd op hetzelfde nivo omdat ze beiden zuivere toegewijden waren. Dit is de ware kwalificatie om erkend te worden door de Allerhoogste Persoonlijkheid van God."

 

Hoofdstuk 87

Het Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Veda's in Eigen Persoon

(1) S'rî Parîkchit zei: 'O brahmaan, hoe kunnen de heilige geschriften [de s'ruti, de Veda's], die de verschillende geaardheden der natuur behandelen, zich nu uitspreken over de onuitsprekelijke [*] Absolute Waarheid die verheven is boven oorzaak [het subtiele] en gevolg [het grofstoffelijke]?'

(2) S'rî S'uka zei: 'De intelligentie, de zinnen, de geest en de levenskracht van de levende wezens werden door hun Heer en Meester tot ontwikkeling gebracht terwille van de sensualiteit, voor het verwerven van een leven en voor het doel van [de emancipatie van de] ziel en zijn uiteindelijke bevrijding. (3) Deze zelfde filosofische oefening wat betreft de Absolute Waarheid werd in acht genomen door de voorgangers [zoals de Kumâra's] van onze voorgangers [zoals Nârada]. Een ieder die er zich op concentreert zal vrij zijn van materiële gehechtheid en rust en vrede vinden [zie ook 8.24: 38]. (4) Terwille hiervan zal ik u verslag doen van een relaas aangaande Heer Nârâyana. Het betreft een gesprek tussen Nârâyana Rishi en Nârada Muni.

(5) Ooit eens ging de Opperheer Zijn geliefde Nârada tijdens zijn reizen door de werelden langs bij de âs'rama van de Eeuwige Ziener Nârâyana. (6) Vanaf het begin van de dag van Brahmâ heeft Hij [Nârâyana Rishi], enkel voor het welzijn in dit en het volgende leven van de menselijke wezens die zich houden aan het dharma, de jñâna en de zelfbeteugeling, zich in Bhârata-varsha beziggehouden met boetedoeningen [zie kalpa]. (7) Daar aangekomen boog hij voor Hem die daar zat omringd door wijzen van Kalâpa, het dorp waar Hij zich ophield, en stelde hij deze zelfde vraag o beste van de Kuru's. (8) Terwijl de zieners luisterden deed de Allerhoogste Heer verslag van dit klassieke gesprek over de Absolute Waarheid dat de bewoners van de wereld der stervelingen hadden [Janaloka]. (9) De Allerhoogste Heer zei: 'O zoon van de uit zichzelf geboren Heer [Brahmâ], in het verleden werd er door hen die verblijven in de wereld der stervelingen een offerplechtigheid gehouden terwille waarvan de [ûrdhva-retah] celibataire wijzen die hun leven hadden gevonden in Brahmâ [- uit hem waren geboren -] hun spiritualiteit oefenden. (10) Met u vertrokken naar S'vetadvîpa om daar de Heer te treffen, volgde over Hem [Vishnu in de rol van Aniruddha] in wie de Veda's ten ruste liggen [na de vernietiging van de materiële wereld], een waarlijk levendige uiteenzetting welke de vraag opwierp die u Mij nu weer stelt. (11) Hoewel ze even gekwalificeerd waren door hun boetedoening en hun studie van de s'ruti en gelijk waren naar vrienden, vijanden en onpartijdigen, stelden ze één van hen aan als hun spreker terwijl de rest gretig luisterde.'

(12-13) S'rî Sanandana zei: 'Toen Hij na dit universum geschapen te hebben in verband met de beëindiging ervan zich terugtrok en lag te slapen, wekten de Veda's in eigen persoon de Allerhoogste met beschrijvingen van Zijn kenmerken, op dezelfde manier als een slapende koning door zijn hofdichters wordt gewekt als ze hem als zijn dienaren bij het ochtendgloren benaderen met [recitaties van] zijn heroïsche daden. (14) De Veda's zeiden: 'Alle eer, alle eer aan U, alstUblieft o Onoverwinnelijke versla de eeuwige illusie die de vorm van de geaardheden aannam die het nadelige in het leven roepen. Omdat U zich bezighoudt met de uit Uw innerlijk voortspruitende energieën van de bewegende en zich niet rondbewegende belichaamden, kunnen wij, de Veda's, U bij tijden herkennen die in Uw oorspronkelijke status volkomen bent in Uw vormen van weelde [**]. (15) Deze wereld wordt door de zieners beschouwd als zijnde het eindproduct van een groter geheel [van brahman], want het is als met klei die in haar omvorming leidt tot vormen die weer verloren gaan maar daarbij zelf geen verandering ondergaat. Daarom hebben de zieners hun geesten, woorden en handelingen gewijd aan U. Waar kunnen de voetsporen van mensen nu anders worden gezet dan op de aarde die ze betreden [zie ook 6.16: 22, 11.24: 18 en B.G. 7: 20-25]? (16) Aldus ontdoen Uw verlichte zielen o Meester van Alledrie de Werelden, zich van hun problemen door diep in de oceaan te duiken van de nectar der vertellingen [de kathâ] die de besmetting uitbant. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat zij die door de macht van hun eigen geesten de kwaliteiten van het tijdelijke verdreven o Allerhoogste, in hun aanbidding het ononderbroken geluk ervaren van Uw verblijfplaats. (17) Zij die maar wat lucht verplaatsen als ze ademen [zie B.G. 18: 61] leven pas werkelijk als ze Uw trouwe volgelingen zijn, omdat U, boven oorzaak en gevolg verheven, de onderliggende werkelijkheid bent uit wiens genade het universele ei van het materiële geheel, het afzonderlijk bestaan en de andere aspecten en materiële elementen van de persoon werden voortgebracht [zie 3.26: 51-53]. Naar gelang de specifieke vormen die er verder nog werden voortgebracht, verschijnt U daarbij als de Uiteindelijke Gedaante onder de meer of minder materiële, lichamelijke omhulsels [de kos'a's en B.G. 18: 54]. (18) Onder hen die zich houden aan de leefregels van de zieners zijn zij die er een grofstoffelijke zienswijze op nahouden van aanbidding voor de onderbuik [de lagere centra] en richten de Âruni's [de superieure yogi's] allereerst hun aandacht op de prâna-knoop van de subtiele energieën [zie cakra] van het hart, waarna ze, o Onbegrensde, opstijgen naar het hoofd dat Uw verblijfplaats is en dan doorgaan naar de hoogste bestemming vanwaar ze, als ze hem bereikt hebben, nimmer weer terug zullen vallen in de mond van de dood [zie ook B.G. 8: 16]. (19) Klaarblijkelijk als hun motivator [voor of tegen] binnengaand in de door U verschillend geschapen levensvormen, wordt U naar gelang de situatie in Uw eigen schepping zichtbaar ongeveer zoals vuur zich vertoont [afhankelijk van de vorm die ze in vlammen zet]. U die zich aldus onder hen bevindt als zijnde het ware [aan Zichzelf gelijke en eeuwige] onder het onware [de uitgebreide verscheidenheid van het tijdelijke], wordt door hen die verbonden zijn met Uw manifestatie en die niet verstrikt zijnd zuivere geesten hebben, begrepen als zijnde een [onveranderlijke, permanente] staat van liefde [zie ook B.G. 2: 12]. (20) De persoon zich ophoudend in de lichamen die hij te danken heeft aan zijn eigen handelen is in feite als zijnde een expansie van U, die de eigenaar bent van alle energieën zoals wordt gezegd [door de Veda's], niet van het uiterlijke [het grofstoffelijke lichaam, de deha], noch van het innerlijke [het subtiele lichaam, de linga] maar wordt [door deze lichamen] omsloten. En zo aanbidden, als ze eenmaal geloof ontwikkeld hebben met het zich verzekeren van de status van het levende wezen als zijnde gemanifesteerd op deze manier, zij die geschoold zijn in de heilige voorschriften Uw voeten als de bron der bevrijding en het veld waarin alle offers worden gezaaid. (21) Door diep te duiken in de uitgestrekte oceaan van de nectar van de wederwaardigheden van de gedaanten die U aannam om het moeilijk te vatten principe van de ziel uit te dragen, wensen de weinigen die de vermoeienis [van een materieel leven] van zich afschudden het zelfs niet van deze wereld verlost te raken, o Heer. Dit is zo omdat ze met het verlaten van hun huizen omgang kregen met de gemeenschap der zwanen [de bovenzinnelijke personen] aan Uw lotusvoeten [zie b.v. 4.24: 58, 4.30: 33, 5.12: 16, 5.13: 21, 7.6: 17-18, 7.14: 3-4]. (22) Dit lichaam dat nuttig is om U van dienst te zijn, fungeert als iemands zelf, iemands vriend en geliefde. Echter, hoewel U als hun eigenlijke Zelf behulpzaam en toegenegen hen gunstig gezind bent, vinden zij die helaas er niet in slagen genoegen in U te scheppen eerder het verval van het lichamelijk omhulsel [in opeenvolgende geboorten], suïcidaal als ze zijn in de aanbidding van het onware als ze steeds maar niet weten waar ze het moeten zoeken in hun angst voor het bestaan [zie ook B.G. 16: 19]. (23) Dat wat door wijzen met hun ademen, hun geest en zinnen onder controle gebracht in standvastige yoga wordt aanbeden in het hart, wordt ook bereikt door hen die zich U herinneren in vijandschap [zie ook 3.2: 24 en 10.74: 46]. Zo ook zullen wij U bereiken en dezelfde nectar van de lotusvoeten genieten als de vrouwen genieten [de gopî's, de echtgenotes] die in hun geest en met hun ogen zijn aangetrokken tot Uw armen die zo sterk zijn als machtige slangenlijven. (24) Ach, wie alhier die nog maar pas werd geboren en al spoedig weer zal sterven heeft er een idee van wie de eerste was uit wie de ziener zich voordeed [Brahmâ] op wie de twee groepen van halfgoden volgden [naar de zinnen en de principes] [zie B.G. 7: 26]? Als Hij neerligt om zich terug te trekken is er te dien tijde noch het grofstoffelijke, noch het subtiele, noch dat [de lichamen] wat beiden omvat; noch is er het verloop van de Tijd of zijn de S'âstra's er [B.G. 9: 7]. (25) Zij die met gezag onderricht gevend verklaren dat leven uit dode materie voortkomt en dat er eindigheid zou zijn van het eeuwige [zie B.G. 2: 16], dat de ziel niet één zou zijn [zie 10.14: 9] en dat de dualiteit van wereldse aangelegenheden iets werkelijks is [zie B.G. 17: 28], hebben het bij het verkeerde eind in hun uit onwetendheid geboren dualistische opvatting dat het levende wezen aldus zou zijn voortgebracht door de drie geaardheden [alleen, d.w.z. zonder U, Uw Eenheid in het Voorbije, zie B.G. 14: 19 en 13: 28]; dat is wat men ervan krijgt als men met betrekking tot dergelijke bovenzinnelijke zaken niet in [kennis met] U verkeert, de essentie van de Volledige Waarneming [zie ook 5.6: 9-11]. (26) Het [tijdgebondene van de vorm en dus] onware drievoudige en haar [geest-]verschijningen tot aan die van de menselijke wezens toe, doen zich in U voor alsof ze waar zijn, maar worden desondanks door de kenners van de Ziel die het geheel van deze wereld als waar beschouwen [te weten als Uw lichaam] niet verworpen omdat ze transformaties zijn die niet van Hem verschillen. Zij, geschapen door Hem die Zelf [Zijn schepping] binnengaat, worden in die zin herkend als zijnde van het Ware Zelf, zo goed als goud niet anders wordt als het verschillende vormen krijgt toegekend [zie ook 6.16: 22]. (27) Zij die U aanbidden als de toevlucht van alle geschapen wezens bekommeren zich niet om de Dood en zetten simpelweg hun voeten op zijn hoofd, maar zelfs de wijzen [onder hen] legt U met Uw woorden aan banden zoals men dieren vastbindt. Zij die zich tot Uw vrienden rekenen komen [zo] tot zuivering, niet zo zeer zij die zich daarvan afwendden. (28) U die zelfverlicht geen arbeid verricht bent de handhaver van allen die wel karma hebben [gebonden als ze zijn aan hun zintuigen]; de goddelijken waakzaam met de materiële natuur dragen offers aan U op en genieten dezelfde achting van offeren die hen ten deel valt, precies zoals dat gaat met de lokale autoriteiten in een koninkrijk in relatie tot de vorst die over het ganse land heerst - dat is hoe zij die van succes zijn in vrees voor U zich van de hun toegewezen taken kwijten. (29) Door Uw materiële energie worden de levensvormen, die zich manifesteren als zijnde onbeweeglijk en bewegend, aangezet tot gemotiveerd handelen, maar dat kan alleen maar gebeuren als U, die overal los van staat, o Eeuwig Bevrijdde, Uw kortstondige blik werpt met het aannemen van de gedaanten voor Uw spel en vermaak in de materiële wereld. Voor [U] het Allerhoogste kan feitelijk niemand een vreemde of een vriend zijn, precies zoals de ether geen waarneembare kwaliteiten kan hebben. Wat dat betreft bent U als de lege ruimte.(30) Als de talloze belichaamde wezens niet tijdgebonden zouden zijn, dan zou het alomtegenwoordige niet zo'n soevereine macht vormen, o Onveranderlijke. Omdat men de substantie niet los kan zien van dat waaruit zij werd voortgebracht [ - pradhâna, de oer-ether, de tijdruimte -] moet [U] de Regulator [van de Tijd] worden gekend als zijnde overal in gelijke mate aanwezig en niet als Zich ergens anders bevindend. Om die reden heeft men het bij het verkeerde eind als men ervan uitgaat dat men weet zou hebben [van het volledige van U], men is immers van het onvolkomene [de lokale orde] met wat men zo kent [zie 6.5: 19]. (31) Het genereren van de materiële natuur en haar genieter [het mannelijke principe, de persoon, de purusha], is niet iets dat zich afspeelt. Het is te danken aan de combinatie van die twee ongeboren elementen dat levende lichamen in U hun bestaan vinden als waren het bubbels in water [in combinatie met lucht]. En zoals rivieren in de zee uitmonden en alle smaken van de nectar zich samenvoegen in de honing gaan de levende wezens met al hun verschillende namen en kwaliteiten [later dan weer] op in het Allerhoogste [zie ook B.G. 9: 7]. (32) Zij die van de wijsheid zijn en er terdege van doordrongen zijn hoezeer Uw mâyâ de menselijke wezens begoochelt, zijn U op een krachtige manier liefdevol toegewijd van dienst, U die de bron der bevrijding bent. Hoe zou er in hen die U trouw aanhangen, ook maar iets van angst kunnen zijn voor een materieel bestaan, een angst die het drie-gerande [wiel van de Tijd van verleden, heden en toekomst] van Uw fronsende wenkbrauwen steeds weer oproept in hen die niet bij U hun heil zoeken [zie ook B.G. 4: 10, 7: 14 & 14: 26]? (33) In de ban van de zinnen en de ademhaling is de geest als een paard dat men niet in bedwang heeft [B.G. 2: 60 en 5.11: 10]. Zij die alhier naar regulatie streven maar van de voeten van de goeroe hebben afgezien, vinden vol van leed en onstandvastig in de verschillende controlemethoden honderden obstakels op hun weg, o Ongeborene. Ze zijn als kooplieden die voor een bootreis op zee geen stuurman in de arm genomen hebben [zie 10.51: 60 & B.G. 4: 34]. (34) Wat hebben dienaren, kinderen, een lichaam, een echtgenote, geld, een thuis, land, vitaliteit, en voertuigen nu te betekenen voor mensen voor wie U het eigenlijke Zelf werd, de Belichaming van Alle Genoegen? En wat zou allemaal voor hen die met het vasthouden aan hun verlustiging in seksuele zaken er niet in slagen de waarheid [van Hem] te waarderen, [waar] geluk brengen in deze wereld die onderhevig is aan vernietiging en op zichzelf verstoken is van inhoud [zie ook B.G. 13: 8-12]? (35) De zieners vrij van valse trots die met de grootste vroomheid op deze aarde zich richten op de pelgrimsoorden en plaatsen van Zijn spel en vermaak hebben zo Uw voeten in hun hart geïnstalleerd en doen zelf met het water van hun voeten de zonden teniet. Zij die maar één enkele keer hun geest richten op U, de Oorspronkelijke Ziel die Eeuwig Gelukkig is, zullen zich nimmer meer wijden aan de huiselijke aangelegenheid [van een gezinsleven] die een persoon berooft van zijn essentiële kwaliteiten. (36) 'Vanuit het ware verscheen het ware' kan men beweren, maar dat moet worden weerlegd als zijnde een drogrede. Omdat het in een aantal gevallen niet onwaar is gaat deze samenhang nog niet altijd op. Daar de twee soms wel samengaan worden door een reeks van mensen die in het duister tasten de zaken van het alledaagse leven anders voorgesteld en dan wekken Uw talrijke woorden van wijsheid verbijstering en verliest men zijn oplettendheid met de aanheffingen die men doet tijdens de rituelen. (37) Daar dit alles in den beginne niet bestond en bijgevolg ook niet zal bestaan na zijn vernietiging, kan worden geconcludeerd dat dat wat zich in de tussentijd voordoet in Uw schepping, het onware is dat moet worden vermeden. En aldus is het [tussentijds bestaan] voor hen die stabiel zijn in hun spiritualiteit maar een vrucht van het voorstellingsvermogen, ookal kan het allemaal worden vergeleken in categorieën van materiële substantie die zich vertonen in een keur aan verschillende transformaties [zie tekst 26], transformaties waarvan de minder intelligenten daarentegen denken dat het iets zou zijn dat het aanbidden waard is [zie B.G. 6: 8]. (38) Hij [het levende wezen] legt zich vanwege het onoverkomelijke van de materie neer bij die energie en neemt, met het zich eigen maken van haar kwaliteiten, dienovereenkomstig gedaanten aan. In zijn gehechtheid aan die gedaanten is hij verstoken van Zijn voordeel en wordt hij geplaatst voor [de feiten van het geboren worden en] de dood. U daarentegen laat met de genade die U heeft haar als een slang die zijn huid afwerpt links liggen en wordt in Uw achtvoudige grootsheid [zie siddhi's] verheerlijkt als Hij die Onbegrensd is in Zijn Heerlijkheid. (39) Als zij die zich wijdden aan een leven van verzaking niet de sporen van materiële verlangens uit hun harten bannen en als yogabeoefenaren [enkel maar] leven om hun dierlijke behoeften te bevredigen, hebben ze, ongelukkig als ze zijn in het zich niet van de dood hebben afgekeerd in beide gevallen [van dit leven en het leven hierna], Uw hemelse koninkrijk gemist. Het is voor de onzuiveren onmogelijk om dat doel te bereiken als ze U hebben vergeten terwijl ze U met zich meedragen als een juweel om hun nek [zie ook B.G. 6: 41-42]. (40) Iemand met begrip voor U slaat geen acht op de goede of kwade gevolgen van het gunstige en ongunstige dat zich in het moment voordoet van U [in het hier en nu], noch trekken ze zich de woorden aan van andere levende wezens. Iedere dag, o U van Alle Kwaliteiten, is hij van het lied dat in ieder tijdperk gehoord wordt via de geestelijke erfopvolging van de kinderen van Manu [zie 3.22: 34-39 en 5.13: 25]. En zo wordt U door hem beschouwd als het uiteindelijke doel van de bevrijding. (41) Noch de meesters van de hemel kunnen het einde bekennen van de heerlijkheid van U die zo Onbegrensd bent, noch kan U dat zelfs, U in wie het veelvoud aan universa - ieder in zijn eigen omhulling - met de Gang der Tijd worden rondgeblazen in de hemel als waren het stofdeeltjes. Omdat de s'ruti's in U hun uiteindelijke conclusie vinden dragen ze vrucht door [neti neti] dat te elimineren wat niet het Absolute van U is [zie siddhânta]'.

(42) De Allerhoogste Heer zei: 'Na aldus deze instructie te hebben aangehoord over het Ware Zelf, begrepen de zoons van Brahmâ wat hun eindbestemming was en aanbaden ze daaropvolgend volmaakt bevredigd de wijze Sanandana. (43) Alzo werd door de klassieke wijzen die ter wereld kwamen om zich op hogere gebieden te bewegen, uit al de Veda's en Purâna's de nectar van het onderliggende mysterie [van de filosofie van de Upanishads] gedestilleerd. (44) O u erfgenaam van Brahmâ [Nârada], trek rond over de wereld zoals u wenst, met geloof mediterend op deze instructie over de Ziel die de begeerten van de mens tot as verbrandt.'

(45) S'ri S'uka zei: 'Hij, de kalmte zelve, die aldus van de wijze de opdracht had ontvangen aanvaarde die trouw o Koning, en nam het woord nadat hij, nu volledig van succes zijnde, standvastig in zijn geloof eerst gemediteerd had op wat hij had gehoord. (46) S'rî Nârada zei: 'Mijn eerbetuigingen voor Hem, de Allerhoogste Heer Krishna volkomen in Zijn heerlijkheden die Zijn al-aantrekkelijke expansies manifesteert voor de verlossing van alle zielen [1.3: 28].'

(47) Na aldus te hebben gesproken boog hij voor de Oorspronkelijke Rishi [Nârâyana] en voor de grote zielen die Zijn leerlingen waren en begaf hij zich vandaar naar de hermitage van mijn fysieke vader, Dvaipâyana Vedavyâsa. (48) Nadat de grote toegewijde hem de eer had bewezen en hij een zitplaats van hem had aanvaard, beschreef hij voor hem dat wat hij vernomen had uit de mond van S'rî Nârâyana. (49) Zo is er antwoord gegeven op de vraag die u stelde o Koning, over hoe in de Absolute Waarheid - dat wat zonder materiële kwaliteiten zo ongrijpbaar is voor woorden - de geest zijn weg zou vinden. (50) Hij die waakt over dit universum in den beginne, in het midden en op het eind; Hij die de Heer is van het ongemanifesteerde van de individuele ziel; Hij die, dit universum in het bestaan roepend, erin binnenging tezamen met de individuele ziener en [met hem] lichamen voortbrengt die Hij reguleert; Hij voor wie degene [die begoocheld is en] die niet [weder-]geboren is zich overgeeft en net als in zijn slaap het lichaam vergeet dat hij koestert; Hij dankzij wiens zuivere spirituele status men voor een materiële geboorte wordt behoed, is de Allerhoogste Persoonlijkheid op wie men zonder ophouden dient te mediteren [zie B.G. 16: 11-12, 1.9: 39 en de bhajan Sarvasva Tomâra].'

Voetnoten

* S'rîla S'rîdhara Svâmî analyseert dit probleem, van het beschrijven van de onuitsprekelijke waarheid in te definiëren termen, uitvoerig met behulp van de traditionele discipline van de Sanskrit poëtica die stelt dat woorden drie soorten van expressief vermogen hebben, genaamd s'abda-vrittis. Dit zijn de verschillende manieren waarop een woord betrekking heeft op zijn betekenis, onderscheiden als mukhya-vritti - letterlijke betekenis (verdeeld in rudhi, conventioneel gebruik en yoga, het gebruik ontleend als in de etymologie), lakshanâ-vritti - metaforische betekenis, en de nauw verwante gauna-vritti, - een vergelijkende betekenis; bijvoorbeeld: het woord leeuw kent de drie expressieve vormen van: het is een leeuw - letterlijk, hij is een leeuw - metaforisch en hij is als een leeuw - vergelijkend qua betekenis. Dus is het in feite de vraag hoe de Absolute Waarheid kan worden gedekt in temen van letterlijke betekenis, in metaforen en in vergelijkingen.

** Volgens S'rîla Jîva Gosvâmî, vertegenwoordigen de achtentwintig verzen van de gebeden van de Veda's in eigen persoon (teksten 14 - 41) de meningen van ieder van de achtentwintig belangrijkste s'ruti's. Deze hoofd-Upanishads en andere s'ruti's handelen over de verschillende benaderingen van de Absolute Waarheid. Zie de betekenisverklaringen pp 10.87 van dit hoofdstuk van de paramparâ voor specifieke citaten.

 

 

Hoofdstuk 88

Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura

(1) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'De goddelijken, zij die van de duisternis zijn en de mensen die de ascetische Heer S'iva aanbidden, zijn gewoonlijk rijk en genieten van het leven, maar niet zij die van Lakshmî en haar Echtgenoot de Heer Hari zijn. (2) Onzerzijds daarin werkelijk van grote twijfel, zouden we graag de zaak doorgronden van de lotsbestemmingen van de aanbidders van de twee Heren die zo tegengesteld zijn qua karakter.'

(3) S'rî S'uka zei: 'S'iva, die altijd verenigd is met zijn s'akti, wordt aanbeden in zijn drie manifeste guna-aspecten: de emotie [zijn sattva], de autoriteit [zijn rajas] en de traagheid [zijn tamas], en is aldus [de belichaming van] het drievoudige van het ego. (4) Daarvan hebben de zestien transformaties [linga's] zich gemanifesteerd waarvan iemand, met het navolgen van elk van dezen, het verwerven van materiële bezittingen geniet [zie onder S'iva]. (5) Heer Hari echter is, werkelijk absoluut onaangedaan door de geaardheden, de Oorspronkelijke Persoon transcendentaal aan de materiële natuur; Hij is de getuige die alles ziet, door Hem te aanbidden raakt men bevrijd van de guna's. (6) Uw grootvader de koning [Yudishthhira] vroeg dit aan Acyuta toen hij van Hem vernam over het dharma. (7) Hij, de Opperheer, zijn Meester, die terwille van het uiteindelijk heil van alle mensen was nedergedaald in de Yadu-familie, sprak toen behaagd tot hem die gretig luisterde. (8) De Allerhoogste Heer zei: 'Van hem die Ik begunstig neem ik geleidelijk de rijkdom weg, waarna dan armlastig, met het ondergaan van de ene tegenspoed na de andere, die persoon in de steek gelaten zal worden door zijn eigen [gehechte] mensen [zie ook 7.15: 15, 9.21: 12, 10.81: 14 & 20, 10.87: 40, B.G. 9: 22]. (9) Als hij, zinloos bezig pogend het kapitaal te dienen, gefrustreerd raakt en vriendschap sluit met hen die Mij toegewijd zijn, zal Ik Mijn genade tonen. (10) Nuchter met de wijsheid begrijpend dat de subtiele, zuivere, eeuwige geest van het Opperste Brahman iemands ware zelf is, raakt men bevrijd uit samsâra. (11) Mij buiten beschouwing latend omdat Ik moeilijk te aanbidden ben, aanbidden mensen anderen waarmee zij dan snel bevrediging vinden met het in de wacht slepen van koninklijke rijkdom. Arrogant, trots en onachtzaam geworden beledigen ze, verrassend genoeg, dan hen aan wie ze de zegeningen te danken hebben [zie ook B.G. 2.42-44; 4: 12; 7: 20-25; 17: 22, 18: 28].'

(12) S'rî S'uka zei: 'Brahmâ, S'iva en anderen zijn er toe in staat te vervloeken en gunsten te verlenen. Brahmâ en S'iva zijn snel met hun veroordelingen en zegeningen, mijn beste Koning, maar de Onfeilbare [Vishnu] is niet zo. (13) In dit verband wordt als voorbeeld de volgende oude geschiedenis verteld van Giris'a die in gevaar kwam door de demon Vrikâsura de keuze van een gunst te bieden. (14) Een Asura genaamd Vrika, een zoon van S'akuni [zie 9.24: 5], die Nârada ergens onderweg tegenkwam, vroeg doortrapt welke van de drie Heren het snelst te behagen was. (15) Hij zei: 'Voor een snel resultaat kan je maar beter S'iva aanbidden, die is net zo gauw tevreden met kwaliteiten als dat ie kwaad wordt over fouten. (16) Tevreden over Tienkop [Râvana] en over Bâna die als minstrelen zijn heerlijkheden bezongen, raakte hij [echter] in grote moeilijkheden toen hij hen een onvergelijkelijke macht toekende.'

(17) Aldus op de hoogte gesteld aanbad de Asura hem te Kedâra [in de Himalaya's] door in het vuur, dat de mond van S'iva is, offers te brengen van het vlees van zijn eigen ledematen. (18-19) Gefrustreerd omdat hij de Heer niet te zien kreeg, maakte hij op de zevende dag, met zijn haar nat van het water van die heilige plaats, aanstalten om met een bijl zijn eigen hoofd eraf te hakken. Maar toen rees S'iva allergenadigst op vanuit het vuur eruitziend als Agni. Hij hield hem tegen door zijn armen te grijpen en herstelde zijn lichaam in zijn oude staat door hem aan te raken, precies zoals wij dat zouden doen. (20) Hij zei hem: 'Genoeg, genoeg, beste kerel, luister alsjeblieft, kies voor een zegen van mij, ik zal iedere gunst inwilligen die je maar verlangd; o, het door jou zo enorm kwellen van je lichaam heeft geen zin, ik ben tevredengesteld met mensen die me voor hun beschutting met water benaderen [zie ook B.G. 17: 5-6]!'

(21) Met dat aanbod van de god koos de zondaar daarop voor een gunst die alle levende wezens schrik aanjaagde toen hij zei: 'Moge wie dan ook sterven die ik de hand op het hoofd leg!'

(22) O zoon van Bharata, toen Rudra dit hoorde, liet hij misnoegd om weerklinken en willigde hij het met een ironische glimlach in; het was als het geven van melk aan een slang [zie ook 10.16: 37]. (23) Om de zegening uit te proberen probeerde de demon toen S'iva zijn hand op zijn hoofd te leggen en joeg hem daarmee de stuipen op het lijf over wat hij zojuist had gedaan. (24) Hij trillend van de angst achtervolgd door hem vluchtte vanuit het noorden [van zijn verblijfplaats] weg naar alle uithoeken van de hemel en de aarde. (25-26) Niet wetend hoe er tegen op te treden hielden de belangrijkste halfgoden zich stil. Toen ging hij naar Vaikunthha, de plaats van licht verheven boven alle duisternis alwaar Nârâyana, de Hoogste Bestemming persoonlijk aanwezig is. Die plaats vormt de bestemming vanwaar de verzakers die in vrede het geweld opgaven niet meer terugkeren [zie ook S'vetadvîpa]. (27-28) De Allerhoogste Heer, de Verdrijver van Alle Leed, die van een afstand het gevaar aan zag komen, kwam naar hem toe na Zichzelf eerst middels Zijn yogamâyâ in een jonge brahmaanse student te hebben veranderd. Compleet met een gordel, een hertenvel, een staf en een bidsnoer had Hij een uitstraling die gloeide als vuur. Respectvol begroette Hij hem nederig met kus'agras in Zijn handen. (29) De Allerhoogste Heer zei: 'O beste zoon van S'akuni, u lijkt vermoeid te zijn, om welke reden kwam u van zo verre? Alstublieft rust wat uit, moet dit persoonlijke lichaam niet de vervulling inhouden van alle verlangens? (30) Als Ons oor het mag vernemen, o machtige, zeg Ons dan alstublieft wat u in gedachten had. Is het niet zo dat men normaal gesproken zijn doel bereikt met de hulp van anderen?'

(31) S'rî S'uka zei: 'Aldus ondervraagd door de Opperheer met woorden die neerregenden als nectar, verdween al zijn vermoeidheid en zei hij Hem wat hij had gedaan. (32) De Allerhoogste Heer zei [toen tot Vrika]: 'Als dat het geval is, kunnen We geen geloof hechten aan zijn uitlatingen. Hij is immers degene die werd vervloekt door Daksha van de duivel te zijn als de koning der geesten en demonen [zie 4.2: 9-16]. (33) Als u vertrouwen in hem stelt als zijnde de 'geestelijk leraar van het universum', o beste vriend, kijk dan nu meteen maar eens wat er gebeurt als u uw hand op uw eigen hoofd legt! (34) Als S'ambhu's woorden daarmee - of anderszins - onwaar blijken te zijn, o beste van de Dânava's, doodt dan alstublieft hem die je zo om de tuin leidt, zodat hij nooit meer kan liegen.'

(35) Hij op deze manier verbijsterd door de o zo slimme woorden van de Allerhoogste Heer, plaatste, er verder niet meer over denkend toen dwaas genoeg zijn hand op zijn eigen hoofd. (36) Alsof het door de bliksem werd getroffen spatte zijn hoofd meteen uiteen. Hij viel neer en vanuit de hemel konden de klanken worden gehoord van 'Gewonnen!', 'Heil!' en 'Goed zo!' (37) Met S'iva bevrijd van het gevaar nu de zondige Asura Vrika was gedood, lieten de wijzen van de hemel, de voorvaderen en de zangers van boven een regen van bloemen nederdalen. (38-39) Bhagavân, de Allerhoogste Persoonlijkheid, richtte zich toen tot de verloste Giris'a: 'O, beste Mahâdeva, zie hoe deze zondaar de dood vond door zijn eigen zondigheid! Welk een geluk inderdaad, o meester, kan er voor een levend wezen bestaan die van overtreding was met de verheven heiligen, om nog maar te zwijgen van het in overtreding zijn geweest met de Heer van het Universum, de Geestelijk Leraar van het levende Wezen [zie ook 1.18: 42, 7.4: 20 en B.G. 16: 23]. (40) Wie ook die hoort of spreekt over dit redden van heer S'iva door de Heer van de Superziel, de Ondoorgrondelijke Persoonlijke Manifestatie van de Oceaan van Alle Energieën, raakt bevrijd van zowel vijanden als van de herhaling van geboorte en dood.'

   

 

Hoofdstuk 89

Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

(1) S'rî S'uka zei: 'Onder de wijzen die een offerplechtigheid hielden aan de oever van de Sarasvatî, o Koning, wierp zich een meningsverschil op over wie van de drie [Heren] die er vanaf het begin waren de grootste zou zijn. (2) Ernaar verlangend dit te weten zonden ze Bhrigu, de zoon van Brahmâ eropuit om dit uit te zoeken, o Koning, en zo begaf hij zich naar het hof van Brahmâ. (3) Om de goedheid op de proef te stellen verboog hij zich niet voor hem noch liet hij een gebed horen. Dat wekte toen zijn hartstocht en de grote Heer werd kwaad. (4) Hoewel hij innerlijk kwaad op zijn zoon begon te worden slaagde de zelfgeborene erin zich in te tomen, net als met een vuur dat wordt uitgedoofd door zijn eigen product, water [zie ook 3.12: 6-10]. (5) Vervolgens ging hij naar de berg Kailâsa alwaar S'iva blij hem te zien opstond om hem te kunnen omhelzen. (6-7) Toen Bhrigu dit echter afwees en zei 'Je bent iemand die van het pad afwijkt', werd hij boos en hief hij zijn drietand naar hem op met ogen die vuur schoten in een bereidheid om hem te doden. De godin viel hem ten voeten en bewoog hem verbaal tot vrede. Bhrigu ging toen naar Vaikunthha alwaar Heer Janârdana verblijft. (8-9) Nadat hij Hem aldaar tegen Zijn borst had geschopt terwijl Hij met Zijn hoofd op de schoot van de godin van het geluk lag, kwam de Allerhoogste Heer, de Bestemming van de Toegewijden, samen met Lakshmî overeind. Hij stond op van het bed en boog daarop Zijn hoofd voor de wijze en zei: 'Weest welkom, o brahmaan, gaat u hier zitten, neemt u 't Ons niet kwalijk o meester, we hadden even niet in de gaten dat u hier was gearriveerd! (10-11) Alstublieft zuiver Mij, Mijn wereld en de heersers van alle werelden die Mij toegewijd zijn, met het water dat spoelt van de voeten van uw goede zelf dat de heiligheid schept van de pelgrimsoorden. Vandaag, o Mijn heer, ben Ik de enig zaligmakende toevlucht geworden, omdat met het door uw voet bevrijden van Mijn borst van alle zonde de godin van het geluk bereid zal zijn daar te verblijven!'

(12) S'rî S'uka zei: 'Bhrigu verrukt over de plechtstatige woorden die alzo door de Heer van Vaikunthha werden gesproken, viel tevreden stil met tranen in zijn ogen, overweldigd als hij was door toewijding. (13) O Koning, teruggekeerd naar de offerplechtigheid van de wijzen die de Veda hooghouden, beschreef Bhrigu uitvoerig wat hij persoonlijk had ervaren. (14-17) Toen ze dit hoorden stonden de wijzen versteld, daar ze van hun moeilijkheden waren verlost door geloof te hechten aan Heer Vishnu als zijnde de grootste van wie er vrede en onbevreesdheid is, een rechtstreeks bewijs van dharma, de spirituele kennis, de onthechting, de realisatie [van tat], de acht mystieke vermogens [siddhi's] en Zijn faam die de onzuiverheden uit de geest bant. Hij is de Allerhoogste Bestemming van de onzelfzuchtige en heilige wijzen die, met het opgeven van het geweld [van het heersen met hartstocht], geesten hebben die gelijkmoedig en vreedzaam zijn. Hij is de belichaming van de geaardheid goedheid waarvan de brahmanen der spirituele vrede, die zo kien en deskundig van aanbidding zijn zonder nevenmotieven, de aanbiddelijke godheden zijn [zie 1.2: 7; 3.25: 37 en 10.81]. (18) Overeenkomstig de guna's zijn er de drie soorten van geconditioneerde wezens die teweeggebracht worden door Zijn materiële energie: de wilden [de Râkshasa's], de onverlichte zielen [de Asura's] en de goddelijken [de Sura's]; van deze drie is het de geaardheid goedheid [van de Sura's] die de weg wijst [zie B.G. 14: 6 & 14: 14].'

(19) S'rî S'uka zei: 'Het is vanwege hun dienstbaarheid aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid [het Zuivere van de Goedheid] dat de geschoolden, die op deze wijze hun leven doorbrengen aan de Sarasvatî om bij de gewone man de twijfel weg te nemen, Zijn bestemming bereikten.' "

(20) S'rî Sûta [te Naimishâranya] zei: "Aldus stroomde deze nectar met de geur van een lotus voort uit de mond van de zoon van de wijze [Vyâsa]. Handelend over de Allerhoogste Persoonlijkheid vernietigt die nectar de angst van een materieel bestaan en maakt ze dat de reiziger, die zich via de openingen van zijn oren voortdurend laaft aan de fijne verzen, de vermoeidheid vergeet van zijn ronddolen op de [wereldse] weg. (21) S'uka zei: 'Eens, in Dvârakâ, gebeurde het dat het kleine kind geboren uit de vrouw van een brahmaan kwam te overlijden op het moment, zoals men dat zegt, dat het de grond raakte, o nazaat van Bharata. (22) De geschoolde, die in zijn misère weeklaagde met een geest van streek, bracht het lijk naar de poort van de koning [Ugrasena] en zei, het presenterend, het volgende: (23) 'Omdat deze ongekwalificeerde, inhalige kshatriya die verslaafd is aan zingenot, met een bedrieglijke geest en vijandig jegens de brahmanen, in zijn plichtsvervulling is mislukt, moest mijn zoon de dood vinden. (24) Burgers van dienst met een slechte volksheer die, met zijn zinnen niet in bedwang, er behagen in schept van geweld te zijn [zoals met vlees eten], moeten armoe lijden en voortdurend ellende onder ogen zien.'

(25) En op dezelfde manier gebeurde het een tweede en een derde keer dat de wijze brahmaan [een dood kind] bij de poort neerlegde en hetzelfde lied zong. (26-27) Arjuna die op een dag vanwege Kes'ava in de buurt was, hoorde er toevallig over toen een negende kind de brahmaan ontviel. Hij zei: 'O brahmaan, is er hier niet iemand in staat om daar waar u woont de boog te hanteren? Waarlijk, deze gevallen edelen gedragen zich alsof ze brahmanen zijn die een offerplechtigheid bijwonen! (28) Daar waar brahmanen moeten treuren over verloren echtgenotes, kinderen en weelde, zijn degenen die zich uitdossen als koningen enkel maar acteurs die zich om hun eigen hachje bekommeren. (29) O grote heer, ik zal de nakomelingen van jullie twee, die er zo ellendig aan toe zijn in deze aangelegenheid, beschermen. En als ik er niet in slaag mijn belofte gestand te doen zal ik het vuur ingaan om een einde te maken aan mijn zonden [vergelijk B.G. 2: 34].'

(30-31) De brahmaan zei: 'Aangezien noch Sankarshana, noch Vâsudeva, noch Pradyumna de grootste boogschutter, noch Aniruddha de onvergelijkelijke strijdwagenvechter, in staat waren uitkomst te bieden [door mijn zoons te redden], waarom probeert u dan in hemelsnaam zo naïef te doen wat onmogelijk is voor de [catur-vyûha] heren van het universum; dat klinkt ons niet geloofwaardig in de oren.'

(32) S'rî Arjuna zei: 'Ik ben Sankarshana niet o brahmaan, noch Krishna of zelfs een afstammeling. Ik voorwaar ben hij die Arjuna heet met de Gândîva als zijn boog! (33) Wees niet geringschattend over mijn kunnen o brahmaan, de drieogige [S'iva] was er tevreden over. Ik, de dood in de strijd verslaand, zal uw kinderen retourneren o meester!'

(34) De geschoolde aldus overtuigd door Arjuna, o kweller van de vijand, ging huiswaarts, tevreden over wat hij had gehoord over het kunnen van de zoon van Prithâ. (35) Op het moment dat zijn vrouw op het punt stond nogmaals te bevallen, zei de hoogst verheven brahmaan mismoedig tot Arjuna: 'Alstublieft voorkom dat mijn kind komt te overlijden!'

(36) Hij, zuiver water beroerend, bracht de machtige Heer [S'iva] zijn eerbetuigingen, en spande met [de mantra's van] zijn wapens in gedachten, de boogpees van de Gândîva. (37) Naar boven toe, overlangs en opzij bakende hij het barenshuis af met pijlen die waren geladen met de mantra's, een creëerde aldus een kooi van pijlen. (38) Toen daarop het kind van de brahmanenvrouw geboren werd, verdween het, nadat het enige tijd gehuild had, plotseling de lucht in met lichaam en al. (39) De geschoolde met Krishna aanwezig zei toen vol minachting tot Arjuna: 'Kijk hoe dwaas ik ben, ik die vertrouwen stelde in zo'n opsnijder van een impotente eunuch! (40) Als noch Arjuna, Aniruddha, Râma of Krishna in staat bleken dit te voorkomen, wie zou er dan in staat zijn bescherming te bieden in een situatie als deze? (41) Weg met die Arjuna met zijn valse praatjes, weg met de boog van die snoever die zo dom, in de waan, dacht hen terug te halen die door het lot werden weggenomen!'

(42) Terwijl de wijze brahmaan hem aldus aan het vervloeken was, nam Arjuna zijn toevlucht tot een mystieke bezweringsformule en ging hij rechtstreeks naar de hemelstad Samyamanî waar de grote Yamarâja leeft. (43-44) Het brahmanenkind niet aantreffend ging hij, met zijn wapens gereed, van daar naar de steden van Indra, Agni, Nirriti [de god van de dood ondergeschikt aan Yamarâja], Soma [de maangod], Vâyu en Varuna en toen naar andere gebieden van de onderwereld tot aan het hoogste punt van de hemel. Er niet in slagend om van hen de zoon van de tweemaal geborene terug te krijgen, vond hij, toen hij zoals beloofd op het punt stond het vuur in te gaan, Krishna tegenover zich die hem probeerde tegen te houden. (45) 'Ik zal je de zoons laten zien van de tweemaal geborene, alsjeblieft veracht jezelf niet, dit soort mannen [nu zo van kritiek] zullen ons beiden de onbetwiste roem brengen.'

(46) De Allerhoogste Heer, de Goddelijke Beheerser, aldus ruggespraak houdend, klom met Arjuna in Zijn wagen en vertrok in westelijke richting. (47) De zeven continenten met hun zeven zeeën en zeven bergketens langstrekkend stak hij de grens over die de werelden scheidt van de buitenruimte en ging Hij de diepe duisternis in [zie ook 5.1: 31-33]. (48-49) Daar in de duisternis raakten de paarden S'aibya, Sugrîva, Meghapushpa en Balâhaka [zie ook 10.53*] de weg kwijt, o beste van de Bharata's, en dus werd door de Opperheer, de Grote Meester van Alle Yogameesters, gezien hun toestand zijn persoonlijke cakra die straalt als een duizendtal zonnen voor de wagen uitgezonden. (50) De Sudars'ana-schijf met zijn extreem intense gloed die zich zo snel als de geest vooruit spoedde, sneed zich door de immens diepe en angstwekkende duisternis van de manifestatie als een pijl door Heer Râmacandra afgeschoten op een leger. (51) Het pad van de cakra volgend voorbij die duisternis aanschouwde Arjuna het allesdoordringende, zich eindeloos uitbreidende, transcendentale licht, dat pijn deed zodat hij beide ogen ervoor sloot [zie ook 10.28: 14-15]. (52) Vandaar gingen ze een watermassa binnen die werd bewogen door een machtige wind tot een schittering van enorme golven. Daarin bevond zich een werkelijk wonderbaarlijke verblijfplaats die baadde in een goddelijke gloed met zuilen die met duizenden ingelegde edelstenen helder straalden. (53) Daar hield zich het enorme serpent Ananta op die, verbazingwekkend als Hij was met Zijn duizenden koppen die straalden van de juwelen op de kragen en het dubbele aantal schrikwekkende ogen, met Zijn donkerblauwe nekken en tongen leek op de witte berg [Kailâsa]. (54-56) Op dat serpent comfortabel gezeten zag hij de Almachtige, Hoogste Autoriteit van de Persoonlijkheid Verheven Boven Alle Persoonlijkheden van God die eruit zag als een grijze wolk, met prachtige gele kleding, een aangenaam aantrekkelijk gezicht en grote ogen. Bij Zijn acht fraaie lange armen, het Kaustubha juweel, het S'rîvatsa-teken en de omlijsting van een bloemenslinger van woudbloemen, baadden Zijn duizenden loshangende haarlokken in de schittering van Zijn oorhangers en de reeksen van grote juwelen in Zijn kroon. Als de Belangrijkste van de Heersers van het Universum werd Hij bediend door Zijn persoonlijke metgezellen met Nanda en Sunanda voorop, Zijn cakra en Zijn andere wapens die zich manifesteerden in hun persoonlijke gedaanten, [zijn vrouwelijke metgezellen, te weten] Zijn energieën van welvaart, schoonheid, roem en materiële schepping [resp. Pushthi, S'rî, Kîrti en Ajâ] en Zijn voltallige mystieke vermogens [siddhi's]. (57) Acyuta betoonde Zichzelf in Zijn Onbegrensde Gedaante de eer zoals ook Arjuna dat deed die hoogst verbaasd was bij de aanblik [van Mahâ-Vishnu]. Toen richtte de Almachtige Heer en Meester van Alle Heersers van het Universum met een glimlach en een inspirerende stem Zich tot hen beiden die hun handpalmen hadden samengebracht. (58) 'Ik bracht de twee zoons van de tweemaal geborene naar hier met het verlangen jullie twee te zien die als Mijn expansies zijn nedergedaald. Keer, na het doden van hen die van het duister zijn en een overlast vormen voor de aarde, snel weer hier terug naar Mijn aanwezigheid [zie 2.2: 24-27 en 2.6: 26]. (59) Ofschoon van jullie beiden de verlangens in vervulling zijn gegaan, o besten van alle personen, moeten jullie, zoals de wijzen Nara en Nârâyana dat deden, je inzetten om voor het heil van de gewone man het dharma te handhaven.'

(60-61) De twee Krishna's [zie ook B.G. 10: 37] aldus geïnstrueerd door de Opperheer van het Hoogste Verblijf, zeiden 'om' terwijl ze bogen voor de Almachtige en namen opgetogen de twee zoons van de tweemaal geborene mee om terug te keren naar hun eigen verblijfplaats op dezelfde manier als ze gekomen waren. Daar droegen ze aan de brahmaan zijn zoons over die dezelfde lichamen en dezelfde leeftijd hadden [als toen ze verloren waren gegaan]. (62) Arjuna was diep onder de indruk van de verblijfplaats van Vishnu die hij had gezien. Hij concludeerde dat welke speciale vermogens levende wezens ook mochten hebben, het allemaal manifestaties waren van Krishna's genade. (63) Hij, Krishna, spreidde in deze wereld vele heldendaden als deze ten toon, genoot van de zinnelijkheid [zie ook 1.11: 35-39] en was van aanbidding met de meest verheffende offerplechtigheden [b.v. in 10.24 en 10.74 & 75]. (64) Te beginnen bij Zijn brahmanen, regende de Allerhoogste Heer vanuit Zijn Heerschappij, precies zoals Indra dat doet, op het juiste moment alles neer wat zij die zich tot Hem rekenden zich maar wensten. (65) Met het gedood hebben van al de koningen die zich tegen het dharma keerden en het daarbij betrekken van Arjuna en anderen, effende Hij voor de zoon van Dharma [Yudhishthhira] de weg om de principes van de religie ten uitvoer te brengen [zie ook 1.14 & 15].'  

 

 

Hoofdstuk 90

De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat

(1-7) S'rî S'uka zei: 'De Meester van de godin van het geluk verbleef gelukkig in Dvârakâ, Zijn eigen stad die rijk was in alle opzichten en bevolkt werd door de meest vooraanstaande Vrishni's. Als de fijnste van hun vrouwen, gekleed in nieuwe kleren, in hun jeugdige schoonheid, met ballen en ander speelgoed speelden op de daken, straalden ze als de bliksem. Haar straten waren altijd druk bevolkt met fraai opgetuigde olifanten die onder de invloed dropen van de bronst, soldaten te voet en paarden en wagens schitterend van het goud. De stad was rijkelijk voorzien van tuinen en parken met reeksen bloeiende bomen die van alle kanten vol waren van de geluiden van de bijen en de vogels die er af en aan vlogen. Met Zijn zestienduizend vrouwen genietend als zijnde hun enige ware liefde had Hij zich in hun weelderig ingerichte verblijven uitgebreid in evenzovele gedaanten [zie ook 10.69: 41]. Duikend in het glasheldere water waaromheen het tjilpte van de zwermen vogels en het geurde van het stuifmeel van de 's nachts bloeiende en overdag bloeiende lotussen en waterlelies, sportte de Grote Verschijning in de stromen waarbij Zijn Lichaam, dat omhelsd werd door de vrouwen, besmeurd raakte door de kunkuma van hun borsten. (8-9) Door de zangers van de hemel spelend op tweezijdige trommels, pauken en kleine trommeltjes en door vrouwelijke en mannelijke lofzangers die speelden op vînâ's verheerlijkt, werd Acyuta met spuiten door Zijn vrouwen lachend natgespoten met water en spoot Hij weer terug, zich aldus vermakend zoals de heer der schatbewaarders [Kuvera] dat doet met de nimfen. (10) Natsproeiend toonden ze met hun natte kleren hun dijen en borsten en probeerden ze, met de bloemen van hun grote haarwrongen overal rondgestrooid, met bloeiende gezichten stralend met brede glimlachen, Hem te omhelzen terwijl ze de waterspuit van hun Gemaal wegkaapten. (11) Zoals Krishna met op Zijn bloemenslinger de kunkuma van hun borsten, en de schikking van Zijn haardos in de war door Zijn opgaan in de sport, genoot van het natgespoten worden door en natspuiten van de vrouwen, was Hij gelijk de koning der olifanten omringd door de wijfjesolifanten. (12) Klaar met spelen schonk Krishna de mannelijke en vrouwelijke artiesten die de kost verdienden met zingen en muziek maken, de sieraden en kledingsstukken van Hem en Zijn vrouwen. (13) Aldus werden in het spel van Krishna's sporten, Zijn bewegen, Zijn converseren, rondblikken en glimlachen; door Zijn grappen, uitwisselen van liefdesblijken en omhelzingen, de harten van de vrouwen gestolen. (14) Met hun geesten uitsluitend gericht op Mukunda spraken zij in trance alsof ze gek waren. Luister nu naar mijn verslag van deze woorden die resulteerden uit dit denken over de Lotusogige.

(15) De koninginnen zeiden [zie ook 10.47: 12-21, 10.83: 8-40]: 'O kurari je beklaagt je, verstoken van slaap kan jij geen rust vinden terwijl de Beheerser die Zich ergens in de wereld op een onbekende plaats ophoudt vannacht aan het slapen is. Kan het zijn dat jij, net als wij o vriend, diep in je hart bent geraakt door de glimlachende, gulle, speelse blik van Zijn lotusogen? (16) O cakravâkî, helaas, met het sluiten van je ogen voor de nacht, schreeuw je het deerniswekkend uit. Of verlang je, met het gerealiseerd hebben van de dienstbaarheid, misschien in je gevlochten haar de bloemenslinger te dragen die het respect van Acyuta's voeten genoot? (17) O beste, beste oceaan, je maakt altijd zo'n lawaai, nimmer de slaap vattend. Lijd je aan slapeloosheid? Of werd je misschien door Mukunda beroofd van je persoonlijke kwaliteiten en heb jij evenzo de staat bereikt van waaruit geen ontsnappen mogelijk is? (18) O maan ben jij, gegrepen door de verwoestende ziekte van de tering, zo uitgemergeld dat je de duisternis niet weet te verdrijven met je stralen? Of lijk je misschien zo bezeten, o beste, omdat je, net als wij, je niet meer kan herinneren wat Mukunda allemaal zei? (19) O wind uit de Malaya-bergen, wat hebben we gedaan dat je zo gegriefd heeft dat we van de lust bezeten zijn in onze harten, harten die reeds verscheurd waren door Govinda's zijdelingse blikken? (20) Zeer vereerde wolk, zeker ben je een vriend die zeer geliefd is bij de Aanvoerder der Yâdava's met de S'rîvatsa op Zijn borst. Wij, net als jouw goede zelf, zijn aan Hem gebonden in onze meditatie op de zuivere liefde. Je buitenmate gedreven hart is net zo verscheurd als het onze. Op dezelfde manier als jij, denken we keer op keer weer aan Hem en geeft dat regen bij jou, zo goed als bij ons telkens weer stromen van tranen. Dat is de pijn die je lijdt in de omgang met Hem. (21) O zoetgevooisde koekoek, zeg me alsjeblieft wat ik zou moeten doen om jou te behagen die, met dit stemgeluid dat in staat is om doden op te wekken, aan de klanken van Hem gestalte geeft wiens geluiden zo dierbaar zijn. (22) O berg zo breed in je opvattingen, je beweegt je niet noch spreek je. Ben je in beslag genomen door grote zaken, of verlang je er net als wij misschien naar om de voeten van de beminde zoon van Vasudeva op je borsten te houden? (23) O [rivieren,] echtgenotes van de oceaan, jullie meren zijn helaas hun rijkdom aan lotussen kwijtgeraakt nu ze uitgedroogd zijn net als wij die hongeren van het niet verwerven van onze geliefde echtgenoot, de Heer van Madhu, die zo menigmaal onze harten bedroog [zie ook 10.47: 41 en 10.48: 11]. (24) O zwaan, wees welkom en ga zitten, drink alsjeblieft wat melk. Vertel ons o beste het nieuws, we weten immers dat je een boodschapper van S'auri bent. Is alles in orde met de Onoverwinnelijke? Herinnert Hij die zo grillig is in Zijn vriendschap het zich nog met ons zo lang geleden gesproken te hebben? Waarom zouden we [achter Hem aan moeten lopen om] van aanbidding zijn, o dienaar van de campaka [een soort magnolia]? Zeg Hem die de begeerte zo opwekt naar ons toe te komen zonder de godin van het geluk. Waarom zou die vrouw het alleenrecht hebben met haar toewijding?'

(25) S'rî S'uka zei: 'Sprekend en handelend met zo een extatische liefde voor Krishna, de Meester der Yogameesters, bereikten de vrouwen van Heer Mâdhava het uiteindelijke doel. (26) Hij, in talrijke liederen bezongen op vele manieren, trekt met grote kracht de geest aan van welke vrouw ook die enkel maar over Hem vernam. En hoeveel temeer zou dat niet gelden voor hen die Hem rechtstreeks voor zich zien? (27) Hoe kunnen ooit de ontzeggingen worden beschreven van de vrouwen die met het idee Hem, de Geestelijk Leraar van het Universum, als hun echtgenoot te hebben, met zuivere liefde Zijn voeten volmaakt dienden met massages en dergelijke? (28) Op deze manier tewerkgaand volgens het dharma zoals dat wordt uitgedragen door de Veda's, demonstreerde Hij, het Doel der Heiligen, hoe iemands thuis de plaats is om te komen tot de regulatie van de religiositeit, de economische ontwikkeling en de zinsbevrediging [de purushârtha's]. (29) Met Krishna beantwoordend aan de hoogste norm van het huishoudelijk bestaan, waren er meer dan zestienduizend-één-honderd koninginnen [zie ook 10.59** en 7.14]. (30) Onder hen waren er acht juwelen van vrouwen met Rukminî voorop die ik tezamen met hun zoons voorheen de een na de ander beschreven heb, o Koning [zie 10.83 en 10.61: 8-19]. (31) Bij ieder van Zijn vele vrouwen verwekte Krishna, de Allerhoogste Heer Nimmer Falend in Zijn Moeite, tien zonen [en één dochter]. (32) Van dezen waren er achttien mahâratha's van een onbegrensd kunnen, wiens faam zich wijd verspreidde; verneem hun namen van mij. (33-34) Het waren Pradyumna en [Zijn kleinzoon of andere zoon] Aniruddha; Dîptimân en Bhânu alsook Sâmba, Madhu en Brihadbhânu; Citrabhânu, Vrika en Aruna; Pushkara en Vedabâhu, S'rutadeva en Sunandana; Citrabâhu en Virûpa, Kavi en Nyagrodha. (35) O beste der koningen, van deze zoons van Krishna, de vijand van Madhu, was Pradyumna, de zoon van Rukminî, de meest vooraanstaande, precies als Zijn Vader. (36) Hij, de grote strijdwagenvechter, huwde de dochter van Rukmî [genaamd Rukmavatî] uit wie toen Aniruddha werd geboren die begiftigd was met de kracht van een tienduizend olifanten [zie 10.61]. (37) Daarenboven nam Hij, zoals u weet, vervolgens Rukmî's kleindochter [Rocana] tot Zijn vrouw uit wie Zijn zoon Vajra werd geboren, de enige die overbleef na de veldslag met de stokken [zie 3.4: 1 & 2]. (38) Pratibâhu kwam er na hem, van wie er toen Subâhu was en van Subâhu's zoon S'ântasena kwam toen S'atasena als zijn zoon ter wereld. (39) Waarlijk ontbrak het geen van het nageslacht dat in deze familie verscheen aan weelde of kinderen, noch waren ze kortlevend, schoten ze tekort in hun kunnen of verwaarloosden ze het geestelijk belang. (40) De roemrijke daden van de mannen geboren in de Yadu-dynastie zijn niet op te sommen, o Koning, nog niet in tienduizend jaar. (41) Ik hoorde dat er voor de kinderen van de Yadu familie achtendertigmiljoen achthonderdduizend leraren waren. (42) Wie kan de tel bijhouden met de Yâdava's als Ugrasena alleen al zich onder hen liet gelden met tien op tienduizenden op honderdduizenden [*] grote persoonlijkheden? (43) De meest genadeloze Daitya's die in de oorlogen tussen de verlichte en onverlichte zielen [in het verleden] werden gedood, namen hun geboorte onder de menselijke wezens en bezorgden ze met hun arrogantie moeilijkheden. (44) Om hen te onderwerpen werden de deva's door de Heer opgedragen neder te dalen in de honderd-en-één clans van de familie o Koning [zie 10.1: 62-63]. (45) Voor hen stond Krishna vanwege Zijn meesterschap voor het gezag van Heer Hari om reden waarvan het al de Yâdava's die Zijn trouwe volgelingen waren goed ging. (46) In hun bezigheden van slapen, zitten, rondlopen, converseren, spelen, baden enzovoorts, waren de Vrishni's die Krishna steeds in gedachten hadden zich niet bewust van de aanwezigheid van hun eigen lichamen [en dus onbevreesd, zie ook 10.89: 14-17]. (47) O Koning, Zijn geboorte nemend onder de Yadu's stelde Hij het pelgrimsoord van de rivier van de hemel [de Ganges] die van Zijn voeten spoelt in de schaduw. Met Zijn belichaming bereikten vriend en vijand hun doel [7.1: 46-47]. De onovertroffen en hoogst volmaakte godin S'rî voor wie alle anderen zich in bochten wringen is de Zijne. Zijn naam gehoord of gezongen is wat het ongunstige vernietigt. Door Hem werd het dharma ingesteld voor de lijnen van erfopvolging [van de wijzen]. Met Heer Krishna, wiens wapen het wiel van de Tijd is, is dit wegnemen van de last van de aarde, niets verwonderlijks [zie ook 3.2: 7-12]. (48) Hij glorieus als de Uiteindelijke Verblijfplaats en bekend als de zoon van Devakî, Hij als de toewijding van de Yadu-edelen die met Zijn armen [of toegewijden] een einde maakt aan de onrechtvaardigen, Hij als de Vernietiger van het Leed van de bewegende en niet-bewegende wezens, is de Ene die altijd glimlachend met Zijn prachtige gezicht Cupido in gang zet met de dames van Vraja [zie 10.30-33, 10.35, 10.47]. (49) Aldus tewerkgaand met het Allerhoogste heeft Hij met het verlangen Zijn eigen weg veilig te stellen terwille van Zijn lîlâ verschillende persoonlijke gedaanten aangenomen en in navolging van de [menselijke] handelingen het karma vernietigd. Als men Zijn voeten wil volgen zal men zich de verhalen over de Beste van de Yadu's ter harte moeten nemen. (50) Bij iedere offerplechtigheid horend van, zingend over en mediterend op de schitterende onderwerpen aangaande Mukunda, begeeft een sterveling zich van zijn huis naar Zijn hemelverblijf, alwaar de onvermijdelijke gang van de dood tot staan wordt gebracht. Zelfs zij die de scepter zwaaiden over de aarde [zoals Dhruva en Priyavrata] gingen terwille van dit doel het bos in.'

Voetnoot

* De paramparâ voegt hier aan toe dat naar de regels van de Mîmâmsâ interpretatie het getal drie wordt genomen als het uitgangsnummer als geen specifiek nummer is opgegeven. Zo zou letterlijk naar de regels hier dan gezegd zijn dat Ugrasena 30 trillioen mensen om zich heen verzameld zou hebben.

 

Aldus eindigt deel vier van het tiende canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'Het Hoogste Goed'.

 

  

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/