Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

 

CANTO 10 - Deel IV

Het Hoogste Goed

 

Inleiding   

Hoofdstuk 69 Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

Hoofdstuk 70 Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

Hoofdstuk 71 De Heer Reist op Aanraden van Uddhava naar Indraprastha

Hoofdstuk 72 Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

Hoofdstuk 73 Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

Hoofdstuk 74 De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

Hoofdstuk 75 Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

Hoofdstuk 76 De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

Hoofdstuk 77 Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

Hoofdstuk 78 Dantavakra Gedood en Romaharshana Geslagen met een Grasspriet

Hoofdstuk 79 Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen

Hoofdstuk 80 Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

Hoofdstuk 81 De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen

Hoofdstuk 82 Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna

Hoofdstuk 83 Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

Hoofdstuk 84 Vasudeva Offert voor de Wijzen die te Kurukshetra de Weg naar het Succes Wijzen

Hoofdstuk 85 Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug

Hoofdstuk 86 Arjuna Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va en S'rutadeva

Hoofdstuk 87 Het Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Veda's in Eigen Persoon

Hoofdstuk 88 Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura

Hoofdstuk 89 Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

Hoofdstuk 90 De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat

 

 

 Introductie

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd Purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krsna werd zo geschreven als Krishna en rshi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (Srî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.

Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabhupâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men kontakt moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.    

  

 

 Hoofdstuk 69

Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

(1-6) S'rî S'uka zei: 'Toen hij hoorde dat Heer Krishna Naraka ter dood had gebracht [zie 10.59] en dat Hij alleen was getrouwd met zo vele vrouwen, wilde Nârada dat wel eens zien met eigen ogen [en dacht hij]: 'Hoe wonderlijk is het dat Hij met één enkel lichaam met zovelen getrouwd is en dan tegelijkertijd in zestienduizend afzonderlijke woningen alleen is met de vrouwen.' Er benieuwd naar kwam de wijze der goden aldus naar Dvârakâ, de plaats bloemrijk met zijn parken en lusthoven die weerklonken van de groepjes vogels en zwermen bijen. Bloeiende blauwe lotussen [indîvara's], overdag bloeiende exemplaren [ambhoja's], witte eetbare lotussen [kahlâra's], bij maanlicht bloeiende lotussen [kumuda's] en waterlelies [utpala's] vulden de vijvers waar men de geluiden van de zwanen en kraanvogels hoorde. Er waren, versierd met kristalglas, zilver en grote smaragden, negenhonderdduizend paleiselijke woningen die weelderig waren ingericht met goud en juwelen. Ze waren netjes planmatig gebouwd met vele lanen, wegen, kruispunten en pleinen. Met ontmoetingsplaatsen en bekoorlijke tempels voor de goden, waren haar paden en hoven, winkelstraten en veranda's, allen besprenkeld met water terwijl de zon werd tegengehouden door de vaandels die aan de vlaggenmasten wapperden. (7-8) In de stad was er een luxueuze wijk die het brandpunt van de aandacht vormde voor de verschillende autoriteiten. Aldaar had Tvashthâ [de architect Vis'vakarmâ] voor de Heer [die daar woonde] ten volle zijn talenten tentoongespreid door de zestienduizend woningen van S'auri's echtgenotes zo mooi mogelijk te maken. Nârada ging een van de grote paleizen binnen. (9-12) Het gebouw steunde op zuilen van koraal die zeer fraai waren ingelegd met vaidûrya ['kattenoog' edelgesteente]. De muren waren bedekt met saffieren en de vloeren glansden overal. Het was opgetrokken met baldakijnen die door Tvashthâ waren gebouwd met parels die neerhingen van de randen en kende zitplaatsen en bedden gemaakt van ivoor die versierd waren met de fijnste juwelen. Er waren daar goed aangeklede, geornamenteerde dienstmaagden met hangers om hun nekken en goed geklede mannen met tulbanden en wapenrusting, juwelen en oorhangers. Vele met edelstenen ingelegde lampen verdreven met hun licht het duister en op de dakranden met reliëf, mijn beste, dansten de pauwen die luidkeels schreeuwden vanwege de wolken van aguru-rook die ze zagen die opkringelde uit het lattenwerk van de ramen. (13) Daarbinnen zag de wijze man de Heer van de Sâtvata's samen met Zijn vrouw die Hem koelte toewuifde met een yakstaarten-wuifkwast met een gouden handvat. Zij op haar beurt had op ieder moment de beschikking over een duizendtal dienstmeisjes die qua persoonlijke kwaliteiten, schoonheid, jeugd en keuze van kleding aan haar gelijk waren. (14) De Allerhoogste Heer, de allerbeste onder hen die het dharma ten dienst staan, stond zo gauw Hij hem zag meteen op van S'rî haar bank en liet hem toen, met een buiging en met samengebrachte handpalmen, plaatsnemen op Zijn eigen zitplaats. (15) Ondanks dat Hij de Allerhoogste goeroe van het levende wezen is, waste Hij zijn voeten en nam Hij dat water op Zijn hoofd; [het water waarmee] Hij als de meester aller heiligen met recht de naam draagt van 'de Begunstiger der Brahmanen' [Brâhmanya deva] omdat men het aan het heiligdom van Zijn voeten te danken heeft dat men een algehele zuivering vindt [zie ook de verhalen over de Ganges 5.17 & 9.9]. (16) Na zoals in de geschriften voorgeschreven van volle aanbidding te zijn geweest voor de devarishi ging de Grootste Wijze, de Oorspronkelijke Nârâyana, de vriend van Nara, een gesprek met hem aan in afgemeten woorden die zo zoet waren als nectar en vroeg: 'O Meester, wat mogen We betekenen voor de Fortuinlijke?'

(17) S'rî Nârada zei: 'Het wekt in het geheel geen verbazing dat U vriendschap toont voor de mensen, o Almachtige Heerser van Al de Werelden die de afgunstigen onderwerpt, daar U, alom geprezen, er bekend om staat uit eigen beweging te zijn nedergedaald voor het hoogste goed van de continuering en de bescherming van het Levende Wezen [*]. (18) Na het gezien hebben van Uw voetenpaar, die voor Uw toegewijden de weg der bevrijding vormen waarop Heer Brahmâ en de andere goden met hun onpeilbare intelligentie mediteren in het hart en die voor hen die gevallen zijn in de put van een materieel bestaan de toevlucht voor hun verlossing vormen, vraag ik om Uw zegen U te mogen herinneren zodat ik tijdens mijn reizen voortdurend aan U kan denken.'

(19) Vervolgens ging Nârada, mijn beste, een ander paleis van een vrouw van Krishna binnen, met het verlangen de mystieke macht der illusie [yogamâyâ] van de Meester Aller Yogameesters te leren kennen. (20-22) Er daar, voorwaar, zag hij Hem eveneens, met Uddhava een potje aan het dobbelen, van aanbidding zijnde met bovenzinnelijke toewijding en opstaand met de bedoeling hem te doen plaatsnemen enzovoorts, hem vragend, alsof Hij er geen weet van had, 'Wanneer is Uw goede zelf hier aangekomen? Hoe kunnen diegenen [de huishouders] die niet zo compleet zijn, zoals Wij, doen wat behoort te worden gedaan voor hen [de sannyâsî's] die compleet zijn? Hoe dan ook, alstublieft zeg Ons, o brahmaan, hoe in deze geboorte succesvol te zijn', maar Nârada, verbluft, stond op en ging zonder iets te zeggen naar een ander paleis. (23) En daar zag hij Govinda die Zijn kleine kindjes knuffelde. Toen, in een ander huis, zag hij Hem Zich voorbereidend op een bad. (24) Hier zag hij Hem offers brengen en daar zag hij Hem van aanbidding voor de vijf offervuren [zie mahâ-yajña's] met de gebruikelijke rituelen; dan weer voedde Hij de tweemaal geborenen en ergens anders at Hij van wat er over was van de offers. (25) Ergens van zonsondergang-aanbidding zijnd reciteerde Hij, Zijn spraak beheersend, de mantra [zie Gâyatrî en japa] en elders bewoog Hij zich rond met Zijn zwaard en schild in de oefengangen. (26) Hier weer bereed de Oudere broer van Gada, paarden, olifanten en wagens en daar weer lag Hij op Zijn sofa bezongen door barden. (27) Op deze plek hield Hij ruggespraak met Zijn adviseurs, Uddhava en anderen en op die plek vermaakte Hij Zich in het water omringd door dansmeisjes en andere vrouwen. (28) Ergens schonk Hij excellente, fraai opgesierde koeien weg aan de tweemaal geborenen en weer elders luisterde Hij naar de zegenrijke klassieke verhalen [de Purâna's] en historische epossen [de Itihâsa's]. (29) Lachend en grappen makend met Zijn geliefde in deze woning, beoefende Hij ergens anders de religie [dharma], de economie [artha] en de [kâma] fysieke lusten [ter regulatie, zie ook de purushârtha's]. (30) Op een plaats alleen neerzittend om te mediteren op de Oorspronkelijke Persoon Verheven Boven de Materiële Natuur, verrichtte Hij op een andere plaats klusjes voor de ouderen van aanbidding zijnd met dingen die ze op prijs stelden. (31) Plannen makend voor oorlog met bepaalde lieden hier en elders vrede sluitend, waren Kes'ava samen met Râma ergens anders het welzijn der vromen aan het behartigen. (32) [Hij zag Hem] groots opgezette huwelijken regelen van dochters en zoons op het juiste tijdstip overeenkomstig de vidhi met echtgenotes en echtgenoten die bij hen pasten. (33) [Hij zag hoe] met de mensen vol verwondering over het grote ceremonieel dat erbij hoorde de kinderen van de Meester der Yogameesters van huis werden weggezonden en weer terug werden gebracht. (34) Met uitvoerige offeranden in aanbidding van al de goden druk in de weer hier, was Hij daar overeenkomstig het dharma in publieke dienst voorzieningen aan het treffen als putten, parken en kloosters en dergelijke. (35) Voor een jachtpartij beklom Hij op deze plaats een paard afkomstig uit Sindhî terwijl Hij op een andere plaats, omringd door de meest ondernemende Yadu's, de dieren doodde die bestemd waren voor de offers [zie **]. (36) Ergens anders bewoog de Yogameester Zich in vermomming rond in de woningen van Zijn ministers, omdat Hij er achter wilde komen wat ieders mentaliteit was. (37) Daarop zei Nârada tot Hrishîkes'a, zijn lachen bedwingend over wat zich zo allemaal had ontvouwd van Zijn yogamâyâ van het aannemen van de menselijke rol: (38) 'Naar wat we zagen gebeuren met de dienst aan Uw voeten hebben we [nu] weet van Uw mystieke vermogens, vermogens die zelfs voor de grote mystici moeilijk voorstelbaar zijn, o Heer van de Yoga, o Allerhoogste Ziel. (39) Sta het me toe U in nederigheid te volgen, o Godheid, ik zal rondtrekken langs Uw plaatsen die doordrongen zijn van Uw faam en luidkeels Uw tijdverdrijf bezingen dat al de werelden zuivert.'

(40) De Allerhoogste Heer zei: 'O brahmaan, Ik ben er de spreker van, Ik ben er de uitvoerder van en Ik ben degene die de sancties stelt terwijl Ik het de wereld bijbreng; weest niet verstoord als je in deze geest verkeert, o zoon.'

(41) S'rî S'uka zei: 'Aldus zag hij [zoals niemand anders dat kon zien ***] Hem aanwezig in één gedaante in al de woningen waar Hij de zuiverende spirituele plichten in de praktijk bracht die er voor de huishouders zijn. (42) Na getuige te zijn geweest van Krishna's onbegrensde kunnen in de uitgebreide, meervoudige manifestatie van Zijn yogamâyâ, stond de ziener vol van verwondering verbaasd te kijken. (43) Met de artha, de kâma en het dharma [van het huishoudelijk bestaan, zie ook 7.14] aldus door Heer Krishna's trouwe hart grondig eer aangedaan, ging hij waarlijk verheugd heen met Hem steeds in gedachten. (44) Met het aldus volgen van het pad der menselijke wezens genoot Nârâyana, die voor ieders welzijn Zijn vermogens tentoongespreid had, mijn beste, in Zijn voldoening over de verlegen toegenegen blikken en het lachen van zestienduizend van de fijnste gemalinnen. (45) Wie dan ook, mijn beste, die ook maar zingt, luistert of waardering opbrengt [leest over] de zinnelijke activiteiten die, onnavolgbaar in deze wereld, aan de dag worden gelegd door Hem die de oorzaak is van de voleinding, de opwekking en de voortgaande zaak van het universum, zal toewijding ontwikkelen voor de Allerhoogste Heer, hetgeen waarlijk het pad der bevrijding is.'

Voetnoten:

 * De paramparâ voegt hier aan toe: 'Zoals aangegeven door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî, zijn alle levende wezens in feite dienaren van de Heer. De âcârya haalt ter verduidelijking er het volgende vers uit de Padma Purâna bij aan:

a-kârenocyate vishnuh
s'rîr u-kârena kathyate
ma-kâras tu tayor dâsah
pañca-vims'ah prakîrtitah

"[In de mantra AUM] betekent de letter a Heer Vishnu, de letter u betekent de godin S'rî, en de letter m heeft betrekking op hun dienaar, die het vijfentwintigste element is." Het vijfentwintigste element is de jîva, het levende wezen. Ieder levend wezen is een dienaar van de Heer, en de Heer is de ware vriend van ieder levend wezen. Zelfs dus als de Heer afgunstigen als Jarâsandha de les leest, leidt die afstraffing tot ware vriendschap, aangezien zowel de Heer Zijn bestraffing als Zijn Zegen er zijn voor het heil van het levend wezen.' '

** Hoewel deze activiteit door de vidhi-regel van dayâ verboden is voor de gewone man en de brahmanen, teneinde fundamenteel van mededogen te zijn met alle levende wezens, is het in bepaalde gevallen toegestaan in de vedische orde dieren te doden. S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: "Overeenkomstig de vedische voorschriften, is het de kshatriya's toegestaan bij bepaalde gelegenheden dieren te doden, dan wel om de vrede in de bossen te handhaven dan wel om dieren te offeren in het offervuur. Kshatriya's wordt het toegestaan de kunst van het doden te beoefenen omdat ze genadeloos vijanden moeten kunnen doden om de vrede in de samenleving te handhaven." [zie ook b.v. 4: 26, 7: 15, 10.1: 4 en 10.56: 13, en 10.58: 13-16].

*** De paramparâ voegt hier aan toe: 'Zoals gesteld in tekst 2 van dit hoofdstuk, werden al de handelingen in de vele paleizen van de Heer uitgevoerd door de Heer Zijn enkele geestelijke gedaante (ekena vapushâ), welke zich op vele plaatsen tegelijk manifesteerde. Dit visioen werd Nârada vergund vanwege zijn verlangen het te aanschouwen en de Heer Zijn verlangen het hem te tonen. S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî duidt uit dat de andere ingezetenen van Dvârakâ Krishna alleen maar konden zien in dat deel van de stad waar ze zelf zaten, en niet ergens anders, zelfs al gingen ze soms naar een andere wijk voor zaken. Aldus gunde de Heer Zijn geliefde toegewijde Nârada Muni een bijzondere kijk op Zijn spel en vermaak.'

 

 

 

Hoofdstuk 70

Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen, met het aanbreken van de dag, werden de kraaiende hanen verwenst door de vrouwen van de Lieve Heer die, bij hun hoofden vastgehouden door hun echtgenoten [de Ene Yogamâyâ Heer in Velen], verstoord waren over [de onvermijdelijke] scheiding. (2) Vogels ontwakend uit hun slaap door de bries van de parijâta-bomen met hun bijen, wekten Krishna met hun luidruchtig zingen als waren ze de dichters aan het hof. (3) Maar Vaidarbhî [Rukminî] hield niet van die zo gunstige tijd van de dag omdat die haar de armen van Krishna om haar heen zou ontzeggen. (4-5) Opstaand tijdens de brahma-muhûrta [het uur voor zonsopgang] beroerde Mâdhava water en maakte Hij Zijn geest vrij om te mediteren op het ongeëvenaarde, enige, zelfverlichtende Zelf voorbij alle traagheid der materie. Dat Ware Zelf verdrijft, onfeilbaar als het is, overeenkomstig zijn [Zijn] eigen aard onophoudelijk de onzuiverheid en geeft aanleiding tot de vreugde van het bestaan. Men kent het als het Brahman dat met zijn [Zijn] energieën de oorzaak vormt van schepping en vernietiging in dit universum [zie ook 3.29: 31 & 36-37, B.G. 7: 5 & 6 en *]. (6) Nadat Hij overeenkomstig de vidhi een bad had genomen in zuiver water, volbracht Hij, de Meest Waarachtige, na Zich eerst in boven- en onderkleding te hebben gestoken, de gehele routine van het eerbetoon bij het ochtendgloren en chantte Hij, nadat Hij uitgietingen had gedaan in het vuur, rustig Zijn spraak beheersend de vedische mantra [de Gâyatrî, zie ook **]. (7-9) Consequent naar Zijn eigen aard stemde Hij met eerbetoon voor de opkomende zon Zijn eigen expansies gunstig: met het verschuldigde respect voor de goden, de wijzen en de voorvaderen, alsmede voor de senioren en de geleerden, schonk Hij dag na dag vele, vele gehoorzame koeien weg met goud op hun horens, zilver voorop hun hoeven en paarlen halssnoeren om, die rijk aan melk waren en maar één kalf ter wereld hadden gebracht. Zij, fraai opgetuigd werden aan de geschoolden aangeboden samen met linnen, hertenvellen, sesamzaad en sieraden [zie ook ***]. (10) Met het tonen van respect voor de koeien, de mannen van scholing, de goddelijken, de ouderen, de geestelijk leraren en alle levende wezens die enkel maar expansies van Hemzelf waren, beroerde Hij [darshan verlenend, alle personen en] goedgunstige dingen. (11) Hij, het sierraad van de samenleving Zelve, kleedde Zich aan met de kleren, de goddelijke bloemenslingers, de kleuren en de juwelen die bij Hem pasten. (12) Met het zowel zorgdragen voor de ghee [gebruikt in de offers] als voor de spiegel bekommerde Hij zich om de koeien, de stieren, de tweemaal geborenen, de goden en de voorwerpen van begeerte, met het voorzien in giften naar de voldoening van alle maatschappelijke groeperingen die in de stad en het paleis leefden en begroette Hij Zijn ministers ten volle al hun noden lenigend. (13) Allereerst bloemenslingers, betelnoot en sandelhoutpasta verdelend onder de geschoolden, [en dan] onder Zijn vrienden, Zijn ministers en Zijn vrouwen, was Hij gewoon vervolgens Zelf Zijn deel te nemen. (14) Zijn menner, die tegen die tijd Zijn allerprachtigste strijdwagen had gebracht met ingespannen de paarden Sugrîva enzovoorts [zie 10.53: 5], stond gebogen klaar voor Hem. (15) De wagenmenner zijn handen beethoudend klom Hij toen vergezeld door Sâtyaki en Uddhava naar binnen als was Hij de zon opkomend boven de heuvels in het oosten. (16) Met moeite Zich losmakend van de vrouwen in het paleis die Hem aankeken met verlegen en liefdevolle blikken, vertrok Hij, een glimlach prijsgevend die hun geesten vervoerde. (17) Opgewacht door al de Vrishni's betrad hij de zaal bekend als Sudharmâ [zie ook 10.50: 54] die voor hen die er binnengingen de zes golven afweert, mijn beste [zie shath-ûrmi]. (18) De Almachtige, de Beste van de Yadu's, aldaar hoog op Zijn troon gezeten temidden van de Yadu's, de leeuwen onder de mannen, verlichtte alle richtingen met Zijn gloed die straalde als de maan aan de hemel omringd door de sterren. (19) Daar waren de hofnarren, o Koning, die de Almachtige met verschillende vormen van amusement van dienst waren, zoals ook op hun beurt de beroepsentertainers [zoals de goochelaars] en de vrouwen die energiek dansten dat deden. (20) Zij dansten op de geluiden van vînâ's, mridanga's en muraja-trommels, fluiten, cymbalen en schelphoorns, terwijl de hofzangers, verhalenvertellers en lofprijzers zongen en de loftrompet staken. (21) Daar reciteerden brahmanen neergezeten doorlopend vedische mantra's terwijl anderen verhalen vertelden over koningen uit het verleden die beroemd waren om hun vroomheid.

(22) Op een dag werd de aankomst gemeld van een persoon, o Koning, die via de wachters bij de deur toegang verkreeg tot de Fortuinlijke, maar daar nog nooit eerder gezien was. (23) Na zijn eerbetoon met samengebrachte handpalmen voor Krishna, de Allerhoogste Heerlijkheid, legde hij Hem het lijden voor van de koningen die gevangen gehouden werden door Jarâsandha. (24) Gedurende een campagne van hem in alle windrichtingen waren al die koningen die hem niet in volmaakte onderwerping van dienst waren - zo'n twintigduizend van hen - met geweld vastgezet in de vesting Girivraja. (25) De koningen brachten over: 'Krishna, o Krishna, o onmetelijke Ziel, o U die de angst wegneemt van de overgegevenen; zo uiteenlopend van mentaliteit als we zijn, komen we, het moeilijk hebbend in ons materiële bestaan, naar U voor onze toevlucht! (26) De hele wereld neigend tot het verkeerde handelen is verbijsterd over de plichten alhier die ten gunste werken in de aanbidding van U naar Uw woord die, in zoverre men het eigene daarin doet, de macht van het bestaan vormt door van dienst te zijn met langlevendheid en hoop; mogen er de eerbetuigingen zijn voor Hem, de Altijd Waakzame ['die niet aflaat met de Tijd'] die plotseling weer een einde maakt aan dit alles [ten tijde van het stervensuur]. (27) U, de heersende autoriteit van dit universum, bent nedergedaald met Uw expansie [Balarâma] om hen die zich heiligden te beschermen en de slechten te onderwerpen; we begrijpen niet, o Heer, hoe iemand anders die in overtreding verkeert met Uw wet [zoals Jarâsandha] of anders op gezag van zijn eigen creativiteit [zoals wij] ooit zoiets zou kunnen bereiken. (28) Het voorwaardelijke geluk van koningen, o Heer, is als een droom, omdat ze altijd vervuld van angst zijn met de last van dit sterfelijke lichaam; met het afwijzen van dat geluk van de ziel dat wordt verworven door onzelfzuchtige dienstverlening aan U, hebben wij, met Uw verstandsverbijsterende werkelijkheid van mâyâ alhier, te lijden onder de grootste ellende. (29) Derhalve, o Goedheid wiens voetenpaar het leed verdrijven, verlos alstUblieft ons, de overgegevenen, die in de boeien van het karma werden geslagen door hem die de naam van Maghada voert en die, gelijk de koning der dieren met de schapen, in zijn eentje het gezag uitoefenend van een tienduizendtal kwaaie olifanten ons in zijn woonstede gevangen heeft gezet. (30) Achttien maal Uw cakra geheven en hem verpletterd hebbend versloeg hij één enkele keer in de slag U, die vol van vertrouwen in Uw onbegrensde macht in beslag werd genomen door menselijke aangelegenheden [zie 10.50: 41 & 10.52: 7]; en nu, vol van trots, kwelt hij ons, Uw onderdanen, o Onoverwinnelijke; alstUblieft zet dat recht!' (31) De boodschapper zei: 'Aldus smachten degenen die gevangen gehouden worden door Jarâsandha, in hun overgave aan de basis van Uw voeten, ernaar de aanblik van U te mogen genieten; alstUblieft laat deze arme zielen delen in Uw welvaart!'

(32) S'rî S'uka zei: 'Toen de boodschapper van de koningen zich aldus had uitgedrukt, verscheen de allerhoogste rishi [Nârada] ten tonele die met zijn geelgekleurde, samengeklitte lokken een gloed had gelijk die van de zon. (33) Hem ziend bracht de Allerhoogste Heer Krishna, de Allerhoogste Heerser van de heersers aller werelden, met Zijn hoofd Zijn eerbetuigingen, waarbij Hij verheugd samen met Zijn volgelingen en de leden van de vergadering opstond. (34) Na met zijn aanvaarden van een zitplaats met hem van eerbetoon te zijn geweest overeenkomstig de regels, sprak Hij met waarachtige, aangename woorden van respect naar de tevredenheid van de wijze: (35) 'Het is een feit dat vandaag de drie werelden volledig zijn bevrijd van alle angst, want dat is nu de kwaliteit van de grote en fortuinlijke [die u bent] rondreizend door de werelden. (36) Met de drie werelden zoals die zijn opgezet door hun Beheerser, is er waarlijk niets dat u niet bekend is en laat ons om die reden dan van u vernemen wat de plannen van de Pândava's zijn.'

(37) S'rî Nârada zei: 'Ik was getuige van de vele vormen van Uw ondoorgrondelijke mâyâ, o Almachtige, o U die [zelfs] de Schepper van het Universum begoochelt [zie 10.14]; bij mij wekt het geen verbazing, o Allesomvattende Ene, dat U door Uw eigen energieën verhuld zich beweegt onder de geschapen wezens als een vuur waarvan het licht afgedekt is. (38) Wie is er toe in staat zich een juist begrip te vormen van Uw bedoeling, van U die met Uw materiële energie alles tot stand brengt en dit universum ook weer opheft dat zich [voor de levende wezens] manifesteert om in relatie te kunnen staan tot U; alle eer aan U die ondoorgrondelijk van aard bent. (39) Hij die voor de individuele ziel in samsâra, die geen bevrijding weet uit de problemen die het materiële lichaam met zich meebrengt, met Zijn avatâra's voor Zijn spel en vermaak Zijn eigen toorts van roem ontsteekt; U, die Heer, benader ik voor mijn toevlucht. (40) Niettemin zal ik U, o Hoogste Waarheid die de Menselijke Gang van Zaken Imiteert, vertellen wat Uw toegewijde de koning [Yudhishthhira], de zoon van Uw vaders zuster, zich heeft voorgenomen. (41) De koning, de zoon van Pându, de toppositie verlangend wil te Uwentwille de grootste offerplechtigheid houden die bekend staat als Râjasûya, alstUblieft geef dat Uw zegen. (42) O Heer op die beste van alle offerplechtigheden zullen alle verlichte en aanverwante zielen alsook de koningen van zege en glorie afkomen, met het verlangen U daar te aanschouwen. (43) Als van het luisteren naar, bezingen van en mediteren op U, het Volle van het Absolute, zelfs degenen aan de onderkant van de samenleving zuivering vinden, wat valt er dan niet te verwachten voor hen die U zien en U aanraken? (44) De onberispelijke faam van U die zich verspreid [als een overkapping] in alle richtingen wordt verkondigd in de hemel, in de lagere regionen en op aarde, o Brenger van Al het Geluk voor Al de Werelden. In de vorm van het water dat van Uw voeten spoelt en zo het hele universum zuivert wordt die genade de Mandâkinî genoemd in het goddelijke bereik, de Bhogavatî in de lagere leefwerelden en de Ganges hier op aarde.'

(45) S'rî S'uka zei: 'Toen Zijn eigen aanhangers [de Yâdu's] er niet mee instemden omdat ze de overwinning [op Jarâsandha] verlangden sprak Kes'ava glimlachend tot Zijn dienaar Uddhava met een bekoorlijke woordkeuze. (46) De Fortuinlijke zei: 'Jij inderdaad als Onze oogappel en welgezinde vriend weet om die reden volmaakt welke uitdrukking van nut zou zijn in dit opzicht, zeg alsjeblieft wat er moet worden gedaan, We stellen volkomen vertrouwen in je en zullen dat ten uitvoer brengen.'

(47) Aldus ertoe verzocht door zijn Behouder die deed alsof Hij, de Alwetende, het niet meer wist, gaf Uddhava, die nederig de opdracht op zijn hoofd aanvaarde, een antwoord.' 

Voetnoten

* Wat betreft de aangelegenheid van het Brahman in relatie tot de persoon van Krishna voegt de paramparâ toe: 'Iemand die de gunst geniet van de Heer Zijn inwendige vermogen kan de aard doorgronden van de Absolute Waarheid [of het Brahman]; dit begrip wordt het Krishna bewustzijn genoemd'.

** Volgens S'rîdhara Svâmî zou Heer Krishna met het in dezen voor zonsopgang eerst brengen van offers en het dan pas doen van de mantra navolgen in de erfopvolging van Kanva Muni [vermeld in 9.20].

*** Met de bevestiging in het M.W. woordenboek van de term badva hier gebruikt in de zin van 'een groot aantal' haalt S'rîdhara Svâmî verschillende vedische geschriften aan om aan te tonen dat in de context van het vedisch ritueel, een badva hier betrekking heeft op 13.084  koeien en geeft hij er verder bewijs van dat het de gebruikelijke praktijk van grote geheiligde koningen in voorgaande tijdperken was om 107 van zulke badva, of groepen van 13.084  koeien weg te schenken. Aldus kan het totaal aantal koeien weggegeven in dit offer, bekend als Mañcâra, hebben opgelopen tot 14 lakhs, ofwel 1.400.000.

 

 

 Hoofdstuk 71

De Heer Reist op Aanraden van Uddhava naar Indraprastha

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij aldus vernam van de woorden uitgesproken door de devarishi, sprak de begaafde Uddhava met begrip voor het standpunt ingenomen door de koninklijke vergadering en Krishna. (2) S'rî Uddhava zei: 'O Heer, U zou moeten doen wat de rishi zegt, en hem, de zoon van Uw vader, bijstaan die van zins is een offerplechtigheid te houden, en ook zou U hen [de koningen] bescherming moeten bieden die hun toevlucht zoeken. (3) Aangezien het Râjasûya offer behoort te worden gebracht door degene die in alle windstreken de overhand heeft gekregen, o Almachtige, zal U, naar mijn mening, met het overwinnen van de zoon van Jarâ beide doeleinden dienen. (4) Hieruit zal een groot voordeel voor ons en voor U ressorteren, o Govinda, en U zal de gevangen koningen bevrijden; zo tewerkgaand zal het Uw glorie zijn. (5) Hij [Jarâsandha] is een koning die zo sterk is als duizend olifanten en kan niet worden verslagen door andere mannen aan de macht, behalve dan door Bhîma die net zo sterk is. (6) Alleen in een wagen-tot-wagen gevecht kan hij worden verslagen, niet als hij met honderd akshauhinî's bij elkaar is; ook zal hij, met zijn toewijding voor het brahmaanse, nimmer weigeren wat de geschoolden van hem vragen. (7) Aangekleed als een brahmaan moet Bhîma bij hem langs gaan en bedelen om liefdadigheid en hem dan zonder aarzeling in een man-tot-man gevecht doden waar U bij bent. (8) Hiranyagarbha ['hij van het gouden licht' ofwel Brahmâ] en S'arva ['hij die met de pijl doodt', te weten S'iva, zie 7.10: 67], zijn van U, de Beheerser van het Universum, van Uw vormeloosheid van de Tijd, enkel maar het instrument in de schepping en vernietiging. (9) In hun huizen zingen de godbewuste vrouwen van de [gevangengenomen] koningen over Uw onberispelijke daden. Ze zingen erover dat U hun vijand zal doden en hun echtgenoten zal bevrijden; net zoals de gopî's dat doen [als ze U missen, zie 10.31] en de heer der olifanten [Gajendra vastgegrepen, zie 8.3], net zoals de dochter van Janaka het deed [Râmacandra's Sîtâ, zie 9.10] en Uw ouders [in Kamsa's gevangenis, zie 10.3], net zoals de wijzen als ze van Uw beschutting hebben verworven [zie b.v. 9.5] en ook wij U bezingen. (10) Het doden van Jarâsandha, o Krishna, zal ons zeker een immens voordeel opleveren, namelijk de uitnemendheid [der koningen] die er dan zal zijn èn het offer waar U zo prijs op stelt.'

(11) S'rî S'uka zei: 'De woorden waar Uddhava aldus uitdrukking aan gaf, in ieder opzicht goedgunstig en feilloos o Koning, werden in reactie door de devarishi, de Yadu-ouderen en door Krishna eveneens geprezen. (12) De Almachtige Allerhoogste, de zoon van Devakî, nam van de mensen die Hij respect verschuldigd was [met achting voor de menselijke gang van zaken] afscheid en droeg toen Zijn dienaren Dâruka, Jaitra en anderen op om voorbereidingen te treffen om te vertrekken. (13) Zijn vrouwen en zoons wegsturend voor de bagage en afscheid nemend van Sankarshana [Balarâma] en de Yadu-koning [Ugrasena], o doder van de vijanden, klom Hij in Zijn wagen gebracht door Zijn menner, waarop de vlag van Garuda wapperde. (14) Toen, omringd door Zijn aanvoerders en stoere wacht, wagens, olifanten, infanterie, en cavalerie - Zijn persoonlijke leger - trok Hij eropuit met van alle kanten het weerklinken van de geluiden van mridanga's, bherî hoorns, gomukha hoorns, pauken en schelphoorns. (15) In gouden draagstoelen gedragen door mannen kwamen daaropvolgend in mooie kleren, met sieraden, met geparfumeerde olie en met bloemenslingers, Acyuta's vrouwen samen met hun kinderen goed bewaakt door soldaten met schilden en zwaarden in hun handen. (16) De fraai opgesmukte dames van de huishouding en de courtisanes kwamen mee samen met menselijke dragers, kamelen, stieren, buffels, ezels, muildieren, ossenwagens, en wijfjesolifanten beladen met grashutten, dekens, kleding en meer van dat soort zaken. (17) Het enorme leger kwam met een keur aan vlaggenstokken, banieren, parasols, yak-staartenwaaiers, wapens, juwelen, helmen en wapenuitrustingen voor de dag waarmee ze in de stralen van de zon schitterden en glansden; het leek met het gedruis van zijn geluiden op een woelige oceaan met timingila's en golven. (18) Nadat hij van Zijn plan had vernomen en het had goedgekeurd, verboog de muni [Nârada], zich voor Hem, geëerd als hij was door de Heer van de Yadu's en ging hij, gelukkig met de ontmoeting die hij had gehad met Mukunda, met Hem in zijn hart geplaatst, weg door de lucht. (19) De boodschapper van de koningen werd door de Allerhoogste Heer, om hem te behagen met Zijn woord, aangesproken met: 'Vreest niet, o gezant, alle geluk aan u [en de uwen]. Ik zal zorg dragen voor het ter dood brengen van de koning van Mâgadha.'

(20) Aldus toegesproken vertrok de boodschapper die de koningen toen tot in detail op de hoogte stelde. Uitziend naar hun bevrijding wachtten ze toen het moment af dat ze S'auri zouden ontmoeten. (21) Reizend door Ânarta [het gebied van Dvârakâ], Sauvîra [oostelijk Gujarat], Marudes'a [de woestijn van Rajasthan] en Vinas'ana [het Kurukshetra district], kwam de Heer door heuvels, rivieren, steden, dorpen, graslanden en delfplaatsen. (22) Mukunda eerst de rivier de Drishadvatî overstekend stak toen de Sarasvatî over, trok toen door de provincies Pañcâla en Matsya en bereikte tenslotte Indraprastha. (23) Horend dat Hij, die zich zo zelden vertoont onder de mensen, was aangekomen, kwam hij wiens vijand nog niet ter wereld was gekomen [koning Yudhishthhira] naar buiten [de stad uit], omringd door zijn priesters en verwanten [om Hem te verwelkomen]. (24) Met een vloed aan geluiden van gezangen en instrumentale muziek en met het weerklinken van hymnen stapte hij op Hrishîkes'a af met een eerbied zo groot als die van de zinnen ingesteld op het leven. (25) Toen hij Heer Krishna na zo een lange tijd weer zag smolt het hart van de Pândava van de liefde voor Hem waarop hij Hem toen, zijn innigste vriend, herhaaldelijk omhelsde. (26) De heerser der mensen die het lichaam van Mukunda in zijn armen sloot, het stralende verblijf van Ramâ, zag al zijn ongeluk vernietigd en bereikte de hoogste verrukking, waarbij hij in zijn vreugde met tranen in zijn ogen de illusoire aangelegenheid vergat van het belichaamd zijn in de materiële wereld. (27) Bhîma die vervuld van vreugde Hem, zijn neef van moeders zijde, omhelsde lachte het uit van de liefde met ogen overstromend van de tranen en ook van de tweeling [Nakula en Sahadeva] en van Kirîtî ['hij met de helm' ofwel Arjuna] vloeiden rijkelijk de tranen toen ze met vreugde Acyuta, hun innigste vriend, omhelsden. (28) Na omarmd te zijn door Arjuna en van de tweeling hun eerbetuigingen te hebben ontvangen boog Hij, zoals de etiquette het voorschreef, voor de brahmanen, de ouderen en de achtenswaardige Kuru's, Sriñjaya's en Kaikaya's. (29) De barden, de geschiedschrijvers, de hemelse zangers, de lofsprekers en de grappenmakers, gebruikmakend van mridanga's, schelpen, pauken, vînâ's, trommeltjes en gomukha hoorns, zongen, dansten en verheerlijkten met lofzangen allen Hem met de Lotusogen zoals ook de brahmanen dat deden. (30) De Allerhoogste Heer, het Kroonjuweel van de Vermaarden der Vroomheid, ging aldus verheerlijkt door Zijn weldoeners om Hem heen, de versierde stad binnen. (31-32) In de stad van de koning der Kuru's zag Hij de straten besprenkeld met water geurig van de mada [het bronstvocht] van olifanten, kleurige vlaggen, doorgangen versierd met gouden potten vol met water en jonge mannen en vrouwen allen in nieuwe kleren met sieraden, bloemenslingers en sandelhout op hun lichamen. In ieder huis waren lampen aangestoken en offergaven als eerbetoon uitgestald waarbij de rook van wierook door het lattenwerk voor de ramen kringelde en wimpels wapperden vanaf de daken die waren opgesierd met gouden koepels met een brede zilveren onderbouw. (33) Horend van de aankomst van het Reservoir voor de Ogen van de Mens om uit te Drinken, gingen de jonge vrouwen, om dat met eigen ogen te aanschouwen, de hoofdstraat van de koning op, waarbij ze zonder meer hun huishoudingen of echtgenoten in bed achterlieten en daarbij in hun gretigheid de knopen nog in hun haar hadden en hun kleding was losgeschoten. (34) Aldaar temidden van de drukte van olifanten, paarden, wagens en soldaten te voet, kregen ze Krishna in het oog met Zijn vrouwen, en terwijl ze Hem in hun harten omhelsden strooiden de vrouwen die [vanwege de drukte] op de daken waren geklommen bloemen over Hem uit met brede glimlachen bij hun blikken waarmee ze Hem een hartelijk welkom bereidden. (35) Toen ze Mukunda's vrouwen op straat zagen als sterren rondom de maan, riepen de dames uit: 'Wat hebben zij gedaan dat het Diadeem der Mannen hun ogen, met het kleine aandeel van Zijn speelse glimlachen en blikken, de eer van het [hele] feest vergunt?' (36) Op verschillende plaatsen benaderden de burgers Hem met zegenrijke gaven in hun handen en waren de meesters der gilden, die hun zonden hadden uitgebannen, vol van aanbidding voor Krishna. (37) Met het betreden van het paleis van de koning naderden hals over kop de leden van de koninklijke huishouding om vol van liefde met stralende ogen Mukunda te begroeten. (38) Toen Prithâ [koningin Kuntî] de Zoon van haar broer zag, Krishna, de Heerser van de drie Werelden, kwam ze samen met haar schoondochter [Draupadî] overeind van haar bank met een hart vol van liefde om Hem te omhelzen. (39) De koning die Govinda, de Allerhoogste God der Goden, naar Zijn vertrekken bracht kon, overweldigd door zijn grote vreugde, zich niet meer goed herinneren wat hij allemaal moest doen voor een eerbiedig vertoon van de aanbidding. (40) Krishna gaf een vertoning van eerbetuigingen ten beste voor de zuster van Zijn vader en de oudere vrouwen, o Koning, en zo ook verbogen zich voor Hem Zijn zuster [Subhadrâ] en Krishnâ [Draupadî]. (41-42) Ertoe aangezet door haar schoonmoeder [Kuntî] bewees Krishnâ met kleding, bloemenslingers, juwelen enzovoorts, al Krishna's vrouwen de eer: Rukminî, Satyabhâmâ, Bhadrâ, Jâmbavatî, Kâlindî, Mitravindâ de nakomelinge van S'ibi, de kuise Nâgnajitî alsook de anderen die waren gekomen. (43) De koning van het dharma [Yudhishthhira] die het Janârdana met Zijn leger, Zijn dienaren en ministers en Zijn vrouwen naar de zin maakte, zag erop toe dat het hen op ieder moment aan niets zou mankeren. (44-45) Hij verbleef er enkele maanden overeenkomstig Zijn wens de koning te behagen en ging, sportief met Arjuna en omringd door lijfwachten, uit rijden met Zijn wagen. Hij, vergezeld door Arjuna, stelde de vuurgod tevreden door hem het Khândava woud te bieden. Maya [een demon] die Hij toen redde, bouwde daarop voor de koning een hemelse vergaderzaal [in Hastinâpura].'    

 

Hoofdstuk 72  

Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Eens aan zijn hof zittend temidden van de wijzen, de edelen, de populaire persoonlijkheden, de zakenlieden en zijn broers, nam Yudhishthhira het woord, en zei hij met al de âcârya's, de familie, de ouderen, zijn bloedverwanten, aangetrouwden en vrienden om zich heen luisterend, het volgende: (3) S'rî Yudhishthhira zei: 'O Govinda, ik zou graag de veelvoudige glorie van U met de zuiverende koning van alle vuuroffers genaamd Râjasûya eren; alstUblieft o Meester sta het ons toe dat ten uitvoer te brengen. (4) Zij die constant in volledige dienstbaarheid mediteren op en van verheerlijking zijn voor Uw slippers, welke de vernietiging afroepen over alles wat ongunstig is, worden gezuiverd; zij, en niet andere personen, o U wiens Navel als een Lotus is, slagen erin aan een materieel bestaan een einde te maken of krijgen, als ze verlangens koesteren, de dingen die ze zich wensen. (5) Derhalve, o God der Goden, toon de bevolking de macht in deze wereld van de dienst aan de lotusvoeten; alstUblieft toon, o Almachtige, de status van die Kuru's en Sriñjaya's die U aldus aanbidden, in verhouding tot de status van diegenen die niet van aanbidding zijn. (6) In Uw geest van Absolute Waarheid kan er geen verschil bestaan tussen wat het Uwe is en van wat van anderen is, daar U de Ziel van Alle Wezens bent die, een ieder gelijkgezind, binnenin Uzelf het geluk ervaart. Hen die U naar behoren van dienst zijn gunt U als de wensboom de verlangde resultaten naar gelang de geleverde dienst, en hierin [in Uw beantwoorden aan verlangens] schuilt geen tegenspraak.'

(7) De Allerhoogste Heer zei: 'Er mankeert niets aan uw voornemen o Koning, hiermee zal de hele wereld getuige zijn van uw zegenrijke roem, o kweller van de vijand! (8) Voor de wijzen, de voorvaderen, de goden en ook de vrienden, o meester van Ons, alsook voor alle levende wezens is deze koning aller offers [wat de letterlijke betekenis is van Râjasûja] wenselijk. (9) Met het onder controle brengen van de aarde, door al de koningen te overwinnen en al de benodigdheden in te zamelen, moet u [vervolgens] de grote offerplechtigheid uitvoeren. (10) Deze broers van u o Koning, werden geboren als individuele delen van de halfgoden die over de werelden heersen [zie stamboom], en Ik, die niet te overwinnen ben voor hen die zichzelf niet in de hand hebben, geef Me gewonnen voor u die wel van zelfbeheersing bent. (11) Geen persoon, zelfs niet een halfgod - om nog maar te zwijgen van een aardse heerser -, kan door zijn kracht, schoonheid, roem of macht in deze wereld iemand eronder krijgen die Mij is toegewijd.'

(12) S'rî S'uka zei: 'Met een gezicht bloeiend als een lotus, blij het lied [de Gîtâ] van de Allerhoogste Heer te horen, betrok hij, gesterkt door het vermogen van Vishnu, zijn broers bij het veroveren van alle windrichtingen. (13) Sahadeva met de Sriñjaya's stuurde hij naar het zuiden, Nakula met de Matsya's in westelijke richting, Arjuna met de Kekaya's naar het noorden en Bhîma met de Madraka's naar het oosten. (14) Zij, de helden, die bij de genade van hun kracht vele koningen onderwierpen brachten van overal een overmaat aan rijkdommen mee voor degene die van plan was zijn offerplechtigheid uit te voeren maar waarvan de vijand o Koning, nog geboren moest worden. (15) De koning zich bezinnend op het nieuws dat Jarâsandha niet was verslagen, werd door de Heer, de Oorspronkelijke Persoon, op de hoogte gesteld van de manier zoals die door Uddhava was voorgesteld [in 10.71: 2-10]. (16) En zo gingen Bhîmasena, Arjuna en Krishna uitgedost in de kleding van brahmanen gedrieën naar Girivraja, mijn beste, alwaar de zoon van Brihadratha [Jarâsandha] zich ophield. (17) Naar hem toekomend op het uur bestemd voor de ontvangst van ongenode gasten, bedelden de edelen, zich voordoend als brahmanen, bij de religieuze huishouder die van respect was voor brahmanen: (18) 'O Koning, weet dat wij behoeftige gasten zijn die arriveerden van verre; we wensen u al het beste, alstublieft geef ons wat we graag willen. (19) Wat zou er voor een geduldig iemand niet te verdragen zijn, wat is voor de onzedigen allemaal niet onmogelijk, wat kunnen de vrijgevigen allemaal niet wegschenken, en wie kan nu hen die van een gelijke blik zijn buitensluiten? (20) Hij waarlijk is verachtelijk en zielig die, er heel goed toe in staat zijnde, met het tijdelijke lichaam niet de eeuwige roem verwerft zoals die wordt bezongen door hen die zich heiligden. (21) Velen als daar zijn Haris'candra, Rantideva, Uñchavritti Mudgala, S'ibi, Bali en de legendarische jager en duif [zie*] bereikten het blijvende uitgaande van het niet-blijvende.'

(22) S'rî S'uka zei: 'Echter, uit hun stemmen, hun fysieke voorkomen en de sporen van de boogpees op hun armen zelfs, herkende hij [Jarâsandha] hen als edelen, als leden van de familie die hij al eens eerder had gezien. (23) [hij dacht:] 'Deze verwanten van de adelstand met de kentekenen van brahmanen moet ik geven wat ze ook maar vragen, zelfs iets zo moeilijk om op te geven als mijn eigen lichaam. (24-25) Staat Bali niet bekend als iemand wiens glorie zich wijd en zijd verbreidde door het vlekkeloze van zijn machtsbekleding, ook al werd hij ten val gebracht door Heer Vishnu [Vâmana] die, in de uitdossing van een brahmaan zich voordoend als een tweemaal geborene van Vishnu, Indra's weelde wilde wegnemen? Willens en wetens schonk hij de ganse aarde weg, ook al was het de daitya koning [Bali] afgeraden [door zijn goeroe, zie 8.19]. (26) Wat voor zin heeft het ook voor een gevallen kshatriya om in leven te zijn maar met zijn vergankelijke lichaam zich niet beijveren ten gunste van de meerdere eer en glorie van de brahmanen?'(27) Aldus ruimdenkend zei hij tot Krishna, Arjuna en Vrikodara ['wolvenbuik' ofwel Bhîma]: 'O mannen van de leer, vraag me wat u maar wilt, ik geef u zelfs mijn eigen hoofd!'

(28) De Opperheer zei: 'Alstublieft hoogmogende Koning, neem de uitdaging aan strijd te leveren met ons in een man-tot-man gevecht; wij, leden van de adelstand, zijn naar hier gekomen met de wens te vechten en verlangen niets anders. (29) Die daar is Bhîma, de zoon van Prithâ en deze andere hier is Arjuna in eigen persoon en Ik, Ik ben Krishna hun neef van moeders zijde, uw vijand zoals u weet [zie 10.50].'

(30) Aldus uitgedaagd moest de koning van Magadha hard lachen en zei hij vol minachting: 'In dat geval, zal ik de strijd met jullie aanbinden, jullie dwazen! (31) Maar ik ga het gevecht niet aan met Jou. Laf, schoot Je in de strijd in kracht tekort toen Je Je eigen stad Mathurâ achterliet om te vertrekken naar een veilig plekje in de oceaan. (32) En wat betreft hem hier, Arjuna, hij, niet oud genoeg en ook niet zo sterk, is geen partij voor mij en moet niet mijn tegenstander zijn; Bhîma is degene die zo sterk is als ik.'

(33) Dat gezegd hebbende gaf hij Bhîma een grote knots en begaf hij zich buiten de stad, zelf een andere ter hand nemend. (34) Toen, tegenover elkaar in het strijdperk, sloegen de twee helden op elkaar in met hun bliksemschicht-gelijke strijdknotsen. Het gevecht dreef hen tot een dolle woede. (35) Kundig links- en rechtsom cirkelend waren de twee die zich zo in het gevecht rondbewogen zo prachtig om te zien als een stel acteurs op toneel. (36) Als ze hun knotsen tegen elkaar sloegen gaf dat een geluid dat leek op een blikseminslag, o Koning, of op het gekletter van de slagtanden van olifanten. (37) In woede ontstoken hevig vechtend als een paar olifanten werden de knotsen, die door de snelheid en kracht van hun armen machtig tegen elkaars schouders, heupen, voeten, handen dijen en sleutelbeenderen werden gezwaaid, in dat contact aan stukken geslagen als waren het een stel arka-takken. (38) Met hun strijdknotsen aldus aan gruzelementen bewerkten de twee grote helden onder de mensen elkaar kwaad met hun vuisten, in het slaan zo hard als ijzer, waarbij, met hen twee vechtende olifanten, het geluid voortgebracht door de klappen van hun handen aanzwol tot het geluid van donderslagen. (39) Met de twee aldus toeslaand, gelijk qua training, kracht en uithoudingsvermogen, bleef het gevecht onbeslist en ging het onverminderd verder o Koning. [**] (40) Op de hoogte van de geboorte en dood van de vijand en hoe hij in het leven was geroepen door Jarâ [zie 9.22: 8 en ***], liet Krishna de zoon van Prithâ delen in Zijn denkvermogen. (41) Na vastgesteld te hebben wat de manier was om hun vijand te doden toonde Hij wiens visie Onfeilbaar is het aan Bhîma door bij wijze van teken een twijg in tweeën te splijten. (42) Dat begrijpend greep de immens sterke Bhîma, de beste aller vechters, zijn vijand bij de voeten beet en gooide hij hem op de grond. (43) Met zijn voet boven op één been staand greep hij met beide handen het andere vast en reet hij, als een olifant met een boomtak, hem van zijn anus naar boven uiteen. (44) De koning zijn onderdanen zagen hem toen in twee stukken gespleten met ieder een been, een dij, een heup, een rugdeel, een schouder, een arm, een oog, een wenkbrauw en een oor. (45) Met de dood van de heer van Magadha steeg er een luide jammerklacht op, terwijl Arjuna en Acyuta beiden Bhîma feliciteerden terwijl ze hem omhelsden. (46) De Ondoorgrondelijke Ene, Allerhoogste Heer en Onderhouder van Alle Levende Wezens kroonde zijn zoon Sahadeva tot de heer en meester der Magadha's en bevrijde vervolgens de door de koning van Magadha gevangen genomen koningen.'

Voetnoten

* Het verhaal luidt dat de duif en zijn partner hun eigen vlees aan een jager gaven als bewijs van hun gastvrijheid en zo naar de hemel werden overgebracht in een hemels voertuig. Toen de jager hun positie vanuit de geaardheid goedheid doorgrondde, raakte hij ook verzaakt, en gaf hij aldus het jagen op en vertrok hij om boete te doen. Omdat hij bevrijd was van alle zonde werd hij, nadat zijn lichaam in een bosbrand verbrandde, tot de hemel bevorderd.  

** Sommige âcârya's nemen de volgende twee verzen mee in de tekst van dit hoofdstuk, en S'rîla Prabhupâda vertaalde ze ook in 'Krishna':

evam tayor mahâ-râja
yudhyatoh sapta-vims'atih
dinâni niragams tatra
suhrid-van nis'i tishthhatoh

ekadâ mâtuleyam vai
prâha râjan vrikodarah
na s'akto 'ham jarâsandham
nirjetum yudhi mâdhava

"Aldus, o Koning, gingen ze tweeënzeventig dagen door met vechten. Aan het eind van iedere dag vechten, leefden beiden 's nachts als vrienden in Jarâsandha's paleis. Toen op de achtentwintigste dag, o Koning, zei Vrikodara [Bhîma] zijn neef van moeders zijde, 'Mâdhava, ik kan Jarâsandha niet in de strijd verslaan.' "

*** S'rîla Prabhupâda schrijft "Jarâsandha werd in twee verschillende delen geboren uit twee verschillende moeders. Toen zijn vader zag dat de baby geen nut had, wierp hij de twee delen in het woud, waar ze later werden gevonden door een heks met een zwart hart genaamd Jarâ. Zij slaagde erin de twee delen van de baby van top tot teen samen te voegen. Hiermee bekend, wist Heer Krishna daarom ook hoe hem te doden."

 

Hoofdstuk 73

Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

(1-6) S'rî S'uka zei: 'De twintigduizend achthonderd [koningen] die in de strijd [door Jarâsandha] waren verslagen kwamen vies en met smerige kleren tevoorschijn uit het fort Giridronî [de hoofdstad]. Uitgemergeld van de honger, met ingevallen gezichten en door hun gevangenschap ernstig verzwakt als ze waren, dronken ze Hem in met hun ogen en was het alsof ze Hem met hun tongen aan het likken waren, alsof ze met hun neusgaten Hem op wilden snuiven en Hem in hun armen wilden sluiten. Voor Hem, donkergrijs als een regenwolk, in gele kleding, gemerkt met het S'rîvatsa-teken, met Zijn vier armen, bekoorlijke ogen roze als de werveling van een lotus, een aangenaam gezicht, de glimmende makara [zeemonster-vormige] oorhangers; voor Hem met een lotus, een knots, een schelphoorn en een werpschijf in Zijn handen; een helm, een halssnoer, gouden polsbanden, een gordel en de armbanden die Hem opsierden en met het schitterend mooie juweel en een bosbloemenslinger om Zijn nek, voor Hem bogen zij, wiens zonden waren verdreven, aan Zijn voeten hun hoofden. (7) En met dat de koningen met samengebrachte handen met hun woorden de Meester der Zinnen prezen, werd door de extase van het ontmoeten van Krishna de zwaarmoedigheid van hun gevangenschap weggevaagd.

(8) De koningen zeiden: 'Wij brengen U onze eerbetuigingen, o God der Goden, o Heer der Overgegevenen en Verdrijver van het Leed, o Onuitputtelijke; alstUblieft, o Krishna, redt ons overgegeven zielen die wanhopig zijn over de verschrikking van het materiële bestaan. (9) O Madhusûdana, we wijzen niet met onze vinger, o Meester, naar de heerser van Magadha, aangezien het door Uw beijveren van de goede zaak is, o Almachtige, dat [tegendraadse] koningen uit hun positie ten val komen. (10) Ertoe gedreven met de heerschappij en weelde zijn stem te verheffen, slaagt een koning, verbijsterd door Uw mâyâ denkend dat de tijdelijke verworvenheden iets permanents zijn, er niet in het ware voordeel te behalen. (11) Op dezelfde manier als een kind een luchtspiegeling aanziet voor een plas water, zien zij die het ontbreekt aan onderscheidingsvermogen het illusoire onderhevig aan verandering voor iets substantieels aan. (12-13) Wij die voorheen met het ons verlustigen over de weelde het zicht verloren en ruziënd met elkaar over het veroveren van deze aarde, zeer genadeloos onze eigen burgers belaagden o Meester, hebben met de dood voor ogen hoogmoedig U buiten beschouwing gelaten. Wij o Krishna, werden ertoe gedwongen om afstand te doen van onze weelde en werden in onze trots gekrenkt door Uw genade in de vorm van de onweerstaanbare macht van de Tijd die zich zo geheimzinnig beweegt. Wij bidden U of we alstUblieft mogen leven met Uw voeten in gedachten. (14) Van nu af aan smachten we niet langer naar een koninkrijk dat, zich vertonend als een luchtspiegeling, voortdurend moet worden gediend met het materiële lichaam dat onderhevig aan verval, een bron van ziekte vormt; noch, o Almachtige, verlangen we naar de vrucht van vrome arbeid in een hiernamaals dat zo verlokkelijk is voor het oor [vergelijk B.G. 1: 32-35]. (15) AlstUblieft onderricht ons in de manier waarop we Uw lotusgelijke voeten mogen herinneren, ook al blijven we telkens weer naar deze wereld terugkeren [zie B.G. 8: 14]. (16) Keer op keer brengen we onze eerbetuigingen voor Krishna, de zoon van Vasudeva, de Heer en Superziel van hen die zich verootmoedigen; voor Govinda, de Vernietiger van het Leed.'

(17) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Verlener van de Toevlucht, loffelijk geprezen door de koningen die waren bevrijd uit hun gebondenheid mijn beste, sprak hen genadig toe in aangename bewoordingen. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik verzeker jullie, van nu af aan, o Koningen, zal, zoals jullie het willen, zich bij jullie een gedegen toewijding ontwikkelen voor Mij, het Zelf en de Beheerser van Allen. (19) Jullie besluit is een gelukkig besluit, o heersers, want Ik zie dat jullie naar waarheid spreken over de schaamteloze verdwazing die men kan hebben met de weelde en de macht die de mensheid zo tot waanzin drijft. (20) Haihaya [of Kârtavîryârjuna 9.15: 25], Nahusha [9.18: 1-3], Vena [zie 4.14], Râvana [9.10], Naraka [of Bhauma 10.59: 2-3] en anderen kwamen ten val uit hun posities als goden, demonen en mensen omdat ze bezeten raakten van de weelde. (21) Jullie, met in gedachten dat dit materiële lichaam en wat er bij komt kijken is onderworpen aan geboorte en eindigheid, hebben als taak, in het verbonden zijn met Mij met gebeden en offers, jullie burgers overeenkomstig het dharma te beschermen. (22) Geplaatst voor lief en leed, geboorte en dood, moeten jullie je ermee bezighouden generaties nageslacht te verwekken, terwijl jullie in de geest verankerd zijn in het aanvaarden van Mij. (23) Neutraal met betrekking tot het lichaam en dat alles en, standvastig in de geloften, innerlijk tevreden zijnd, zullen jullie, met het je ten volle concentreren op Mij, uiteindelijk Mij bereiken, het Absolute van de Waarheid [vergelijk B.G. 4: 9; 8: 7; 9: 28; 12: 3-4].'

(24) S'rî S'uka zei: 'Krishna, de Allerhoogste Heer en Beheerser van al de Werelden, die aldus de koningen instrueerde, zette dienaren en dienstmaagden aan het werk ze een bad te geven. (25) O afstammeling van Bharata, Hij zorgde ervoor dat Sahadeva [Jarâsandha's zoon] hen voorzag van kleding, sierselen, bloemenslingers en sandelhoutpasta, zoals dat bij hen paste. (26) Naar behoren gebaad en goed uitgedost werden ze voorzien van uitstekend voedsel en bedacht met verschillende genoegens koningen waardig, zoals betelnoot en dergelijke. (27) Geëerd door Mukunda straalden de koningen verlost van hun ellende prachtig met hun glimmende oorhangers als waren ze de planeten aan het eind van het regenseizoen. (28) Na ze op wagens met fijne paarden versierd met goud en edelstenen te hebben gezet, stuurde Hij, ze behagend met aangename woorden, heen naar hun eigen koninkrijken. (29) Zij, de grootste persoonlijkheden, die aldus door Krishna waren bevrijd van alle moeilijkheden gingen op weg met niets anders voor ogen dan de daden van Hem, de Heer van het Levende Wezen dat het Universum is. (30) Met hun ministers en andere medewerkers spraken ze over de handelingen van de Hoogste Persoonlijkheid en brachten ze alles wat de Heer hen had opgedragen zonder nalatigheid ten uitvoer. (31) Nadat Hij Jarâsandha door Bhîmasena had laten doden, vertrok, na aanbeden te zijn door Sahadeva, Kes'ava onder begeleiding van de twee zoons van Prithâ. (32) Aankomend in Indraprastha bliezen ze op de schelphoorns waarmee ze de vijanden die ze versloegen in het ongeluk hadden gestort, maar waarmee ze nu hun weldoeners vreugde verschaften. (33) De ingezetenen van Indraprastha wiens harten verheugd opsprongen dat te horen, begrepen dat Jarâsandha de vrede was opgelegd en dat de koning [Yudhishthhira] zijn doelen waren bereikt. (34) Arjuna, Bhîma en Janârdana verhaalden toen, nadat ze de koning hun eerbetuigingen gebracht hadden, over alles wat ze gedaan hadden. (35) De koning van het dharma kon geen woord uitbrengen toen hij dat hoorde. In extase door Krishna's genade liet hij uit liefde zijn tranen de vrije loop.'

 

 

Hoofdstuk 74

De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

(1) S'rî S'uka zei: 'Yudhishthhira, de koning, die aldus vernam over de dood van Jarâsandha en het machtsvertoon van de almachtige Krishna, richtte zich verheugd daarover tot Hem. (2) S'rî Yudhishthhira zei: 'Al de geestelijk leraren, de inwoners en de grote beheersers die er zijn van de drie werelden, dragen de waarlijk zelden verworven beschikking [van U] op hun hoofden. (3) Dat Hij, de Lotusogige Heer, Uzelve, instructies aanneemt van die bij de dag levende mensen [zoals wij] die zichzelf de beheersers achten, steekt, o Allesdoordringende, me nog het meest. (4) Zoals met de zon inderdaad, neemt van de ene Zonder Zijns Gelijke, de Absolute Waarheid, de Superziel, de macht niet af noch neemt die toe met [Zijn] activiteiten [zie B.G. 2: 40]. (5) O Mâdhava, de verwrongen mentaliteit van het verschil maken met 'jij' en het 'jouwe' en 'ik' en het 'mijne', alsof men van de dieren is, is waarlijk niet de Uwe, o Onoverwinnelijke, noch hoort die bij Uw bhakta's.'

(6) S'rî S'uka zei: 'Dat gezegd hebbende koos de zoon van Prithâ, op de juiste tijd voor de offerplechtigheid, met de toestemming van Krishna de geschikte priesters uit, de brahmanen die de vedische experts waren: (7-9) Dvaipâyana [Vyâsa], Bharadvâja, Sumantu, Gotama, Asita, Vasishthha, Cyavana, Kanva, Maitreya, Kavasha, Trita, Vis'vâmitra, Vâmadeva, Sumati, Jaimini, Kratu, Paila, Parâs'ara, Garga, Vais'ampâyana, alsook Atharvâ, Kas'yapa, Dhaumya, Râma van de Bhârgava's [Pâras'urâma], Âsuri, Vîtihotra, Madhucchandâ, Vîrasena en Akritavrana. (10) Eveneens uitgenodigd waren anderen als Drona, Bhîshma, Kripa en Dhritarâshthra met zijn zoons, en de hoogst intelligente Vidura; koningen met hun koninklijk gevolg, brahmanen, kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's, die graag het offer wilden bijwonen, kwamen allen, o Koning. (12-13) Toen trokken de brahmanen met gouden ploegscharen voren op de plaats waar de goden zouden worden aanbeden en wijdden ze de koning overeenkomstig de voorschriften. (13-15) De hulpmiddelen waren van goud zoals dat in het verleden met het offer van Varuna het geval was geweest [vergelijk 9.2: 27]. De heersers der werelden met Indra voorop, met inbegrip van Brahmâ en S'iva; de vervolmaakten en de hemelse zangers met hun gevolg; de geleerden, de grote serpenten [v.i.p.'s, ego's], de wijzen, de behoeders van de rijkdom en de wildemannen; de vogels van de hemel [zie khaga], de machtigen, de achtenswaardigen en de aardse koningen uitgenodigd, alsook de vrouwen van de koningen kwamen van overal naar het Râjasûya-offer dat zij, in het geheel niet verrast, voor een toegewijde van Krishna heel gepast vonden. (16) De priesters die zo machtig waren als de goden voerden voor de grote koning volgens de vedische voorschrifen het Râjasûya offer uit, precies zoals de halfgoden dat hadden gedaan voor Varuna. (17) Op de dag van het onttrekken van het soma-sap vereerde de koning heel aandachtig de offeraars en de verheven persoonlijkheden in de vergadering. (18) De leden gezeten in de vergadering, zich bezinnend op wie van hen het verdiende als eerste te worden vereerd, konden niet tot een besluit komen daar er velen waren [die in aanmerking kwamen]; toen sprak Sahadeva [de Pândava] zich uit: (19) 'Acyuta is het voorzeker die de allerhoogste positie verdient, Hij is de Opperheer, de leider van de Sâtvata's, Hij zonder twijfel staat borg voor al de halfgoden zowel als de plaats, de tijd en de benodigdheden en dergelijke. (20-21) Dit universum zowel als de grote offerplechtigheden, het offervuur, de offergaven en de aanheffingen zijn op Hem gegrondvest en de analytische zienswijze en de yoga doelen op Hem. Hij is de Ene zonder Zijns gelijke waarop het Levende Wezen bouwt; de Ongeborene op Zichzelf alleen vertrouwend, o leden van de vergadering, die schept, handhaaft en vernietigt. (22) Hij brengt de verschillende handelingen alhier teweeg; naar Zijn genade beijvert de hele wereld zich en jaagt ze haar idealen na die bekend staan als de religiositeit enzovoorts [de purushartha's]. (23) Derhalve komt de grootste eer Krishna toe, de Allerhoogste; als we het op deze manier doen, zullen we alle levende wezens eer aan doen zowel als onszelf. (24) Het moet Krishna worden gegund, de Ziel van alle wezens die niemand als losstaand van Hem beziet; aan de Ene der Vrede Volmaakt en Volkomen die voor degene die zijn liefde graag beantwoord ziet, het Onbegrensde is [het Oneindige van de Wederkerigheid].'

(25) Sahadeva zich aldus uitlatend viel stil en allen die zo goed en waarachtig waren en dit hoorden zeiden goed doordrongen van Krishna's invloed gelukkig: 'Dit is uitstekend, heel goed!'

(26) Toen de koning hoorde wat de tweemaal geborenen onder woorden brachten, aanbad hij overweldigd door liefde Hrishîkes'a ten volle, blij te weten dat de leden van de vergadering tevreden waren. (27-28) Zijn voeten wassend en het water dat de wereld zuivert op zijn eigen hoofd nemend, bracht hij het met genoegen naar zijn vrouw, zijn broers, zijn ministers en familie. En terwijl hij Hem vereerde met kostbare zijden kledingstukken en juwelen, was hij met zijn ogen gevuld met tranen niet in staat Hem recht aan te kijken. (29) Hem vereerd ziend op deze manier riepen al de mensen met samengebrachte handpalmen uit: 'Onze eerbetuigingen voor U, U zij de glorie!' en daarbij bogen ze voor Hem en lieten ze een regen van bloemen neerdalen.

(30) De zoon van Damaghosha [S'is'upâla, zie 10.53] die dit hoorde kwam, geïrriteerd door de beschrijvingen van Krishna's kwaliteiten, kwaad met zijn armen zwaaiend van zijn zitplaats overeind en zei, zich resoluut tot de Fortuinlijke richtend in ruwe taal, dit temidden van de vergadering: (31) 'Het vedische woord van waarheid dat de Tijd de onvermijdelijke beheerser is, is bewaarheid aangezien zelfs de intelligentie van de ouderen door de woorden van een jongen op een dwaalspoor kon worden gezet! (32) U weet allemaal heel goed wie er de meest lofwaardige is; alstublieft, u allen leiders van de vergadering, besteed geen aandacht aan de uitspraken van de jongen dat Krishna zou moeten worden verkozen om te worden geëerd. (33-34) U ziet de leiders in de vergadering over het hoofd gevormd door de besten onder de wijzen. Zij, die de Absolute Waarheid zijn toegewijd, worden door het lokaal gezag hooggehouden, het zijn mensen die middels geestelijk verstaan, verzaking, vedische kennis en geloften hun onzuiverheden hebben uitgebannen. Hoe kan nu een koeherder, die de schande van Zijn familie vormt, het verdienen te worden aanbeden? Hij verdient het net zo min als een kraai de heilige rijstcake verdient! (35) Hoe kan Hij, die op eigen gezag optreedt en het ontbreekt aan kula [de juiste opvoeding] varna [beroepsmatig behoren] en âs'rama [plichtbesef naar leeftijd], alsdus de kwaliteiten missend, het verdienen te worden vereerd? (36) Met hun [Yadu-]dynastie vervloekt door Yayâti [zie 9.18: 40-44], uitgestoten door personen van goed gedrag [zie 10.52: 9] en begeertig verslaafd aan de drank [e.g. 10.67: 9-10], hoe kan er zo een de aanbidding nu waard zijn? (37) Met het achter zich laten van de gronden [van Mathurâ] gezegend door de brahmaanse wijzen namen Dezen hun toevlucht tot een vesting in zee [10.50: 49] alwaar het brahmaanse niet wordt nageleefd [10.57: 30] en Ze als dieven de mensen moeilijkheden bezorgen [e.g. 10.61].'

(38) Tegen hem van wie, met het zich bedienen van dergelijke en nog meer grove bewoordingen, de kansen zich hadden gekeerd, zei de Allerhoogste Heer geen stom woord. Hij was zo stil als een leeuw tegenover het gehuil van een jakhals. (39) Toen de leden van de vergadering die onverdragelijke kritiek hoorden, bedekten ze hun oren en liepen ze weg, de koning van Cedi kwaad vervloekend. (40) Een persoon Hem toegewijd die niet weggaat van de plaats waar men kritiek uitoefent op de Opperheer, zal, met het hebben verspeeld van zijn moreel tegoed, ten val komen. (41) De zoons van Pându en de Matsya's, Kaikaya's en Sriñjaya's stonden toen, kwaad geworden, met hun wapens geheven klaar om S'is'upâla te doden. (42) Daarop, o nazaat van Bharata, nam S'is'upâla in het geheel niet onder de indruk zijn zwaard en schild ter hand, en beledigde hij de koningen in de vergadering die voorstanders van Krishna waren. (43) Op dat moment hield de Opperheer Zijn toegewijden tegen en viel Hij misnoegd Zijn vijand aan met Zijn scherpgerande schijf waarmee Hij hem het hoofd van de romp scheidde. (44) Met S'is'upâla ter dood gebracht ontstond er een enorm tumult onder de aanwezigen, hetgeen zo de koningen die partij voor hem hadden gekozen en voor hun leven vreesden de gelegenheid bood op de vlucht te slaan. (45) Recht voor ogen van al de levenden rees uit het lichaam van S'is'upâla een licht omhoog dat Krishna binnenging als was het een meteoor die vanuit de hemel op de aarde viel [zie 10.12: 33]. (46) Zich uitstrekkend over drie geboorten was hij geobsedeerd geweest door een geest van vijandigheid en bereikte hij aldus mediterend de Eenwording met Hem [B.G. 4: 9]. Het is werkelijk zo dat iemands levenshouding de oorzaak is van zijn wedergeboorte! [zie B.G. 8: 6 & Jaya en Vijaya] (47) De keizer gaf uit dankbaarheid de priesters en de leden van de vergadering een overvloed aan geschenken. Allen werden ze naar behoren gerespecteerd zoals de geschriften het voorschreven. Daarna deed hij de avabhritha ceremonie [van het zichzelf en de benodigdheden wassen om het offer te beëindigen]. (48) Krishna, de Beheerser van de Beheersers der Yoga, erop toeziend dat de offerplechtigheid van de koning werd uitgevoerd, bleef een paar maanden [in Indraprastha] op het verzoek van Zijn weldoeners. (49) Toen, met permissie van een weigerachtige koning, ging de zoon van Devakî, Îs'vara, met Zijn vrouwen en Zijn ministers weg naar Zijn eigen stad. (50) Het verhaal over de twee ingezetenen van Vaikunthha die als gevolg van een vloek van de geleerden keer op keer geboorte moesten nemen, is door mij tot in detail aan u uiteengezet [zie 3.16]. (51) Koning Yudhishthhira temidden van de brahmanen en kshatriya's zich badend met de avabhritha van de Râjasûja straalde zo schitterend als de koning der halfgoden. (52) Al de goden, mensen en wezens in de hemel [de mindere goden, de Pramatha's] keerden, geëerd door de koning, gelukkig terug naar hun eigen rijken, vol van lof over Krishna en de offerplechtigheid. (53) [Allen waren gelukkig], behalve de zondige Duryodhana die de plaag van de Kuru dynastie was en de verpersoonlijking van het Tijdperk van de Redetwist. De confrontatie met de bloei van de weelde der Pândava's was iets dat hij niet kon verdragen.

(54) Hij die verneemt over deze handelingen van Heer Vishnu, het bevrijden van de koningen, de offerplechtigheid en het doden van de koning van Cedi en dergelijke, raakt verlost van alle zonde.'

 

 

Hoofdstuk 75

Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

(1-2) De achtenswaardige koning zei: 'Al de menselijkheid van God, o brahmaan, die bijeenkwamen voor het Râjasûya-offer van Ajâtas'atru [hij wiens vijand nog geboren moest worden, ofwel Yudhishthhira], waren verrukt over de grote feestelijkheid die ze zagen: de koningen, de wijzen en de goddelijken, zo vernam ik mijn heer, behalve dan Duryodhana; alstublieft stel ons op de hoogte van de reden hiervan.'

(3) De zoon van Vyâsa zei: 'Bij het Râjasûya-offer van de grote ziel die je grootvader is, waren al de familieleden die waren verbonden in goddelijke liefde, in alle bescheidenheid erbij betrokken hem van dienst te zijn. (4-7) Bhîma was belast met de keuken, Duryodhana zag toe op de financiën, Sahadeva regelde de ontvangst en Nakula bracht al het nodige bij elkaar. Arjuna was de leermeesters van dienst, Krishna waste de voeten, de dochter van Drupada diende het voedsel op en de edelmoedige Karna deelde de giften uit. Yuyudhâna, Vikarna, Hârdikya, Vidura en anderen als de zonen van Bâhlîka met Bhûris'ravâ voorop en Santardana, waren, volijverig de koning te behagen, ertoe bereid zich tijdens de uitvoerige offerplechtigheid in te zetten voor de uiteenlopende plichten, o beste der koningen. (8) De priesters, de prominente voorgangers, de hooggeleerden en allen goed en welgezind, die op gepaste wijze waren vereerd met aangename woorden, zegenrijke gaven en geschenken uit dank, voerden, nadat de koning van Cedi de voeten van de meester der Sâtvata's was binnengegaan, het avabhritha-baden in de rivier van de hemel [de Yamunâ] uit. (9) Ter aanvang van de avabhritha-viering weerklonk de muziek van een keur aan gomukha hoorns, pauken, grote trommen, mridanga's, kleinere trommels en schelphoorns. (10) Dansmeisjes dansten en zangers zongen vreugdevol in groepen toen de luide klanken van hun vînâ's, fluiten en hand-cymbalen de hemel roerden. (11) De koningen met ketenen van goud gingen op weg [naar de Yamunâ] met voetvolk, vlaggen en banieren van verschillende kleuren, uitstekende majestueuze olifanten, en fijn opgetuigde wagens en paarden. (12) De Yadu's, Sriñjaya's, Kâmboja's, Kuru's, Kekaya's en Kos'ala's met hun legers, met aan het hoofd [de koning,] de uitvoerder van het offer, deden de aarde schudden. (13) De voorgangers, de priesters en andere kundige brahmanen lieten luid de vedische mantra's weerklinken, terwijl de goden en de wijzen, de voorvaderen en de zangers van de hemel lovende verzen reciteerden en bloemen lieten neerregenen. (14) Mannen en vrouwen fraai opgesierd met sandelhoutpasta, bloemenslingers, juwelen en kleding, besmeurden en besprenkelden elkaar spelend met verschillende vloeistoffen. (15) De courtisanes werden door de mannen speels met yoghurt en geparfumeerd water vol met turmeric- en vermiljoenpoeder ondergesmeerd, en zo besmeurden ook zij hen op hun beurt [*]. (16) De koninginnen bewaakt door de soldaten gingen, net als de vrouwen van de goden in hun hemelwagens in de lucht, eropuit om dit met eigen ogen te aanschouwen en terwijl ze door hun neven en vrienden werden natgespoten, waren ze prachtig om te zien met hun bloeiende gezichten en bedeesde glimlachen. (17) Zij, hun zwagers, hun vrienden enzovoorts, spoten elkaar allemaal nat met spuiten waarbij hun armen, borsten, dijen en middel als gevolg van de opwinding ontbloot raakten met hun kleren doorweekt en uit hun verband, en de bloemen in hun haar gevlochten losgeschoten; en aldus brachten ze op die manier bekoorlijk verder spelend hen van streek die onrein van geest waren. (18) Hij, de keizer klom in zijn wagen met de beste paarden ervoor en straalde, met goud omhangen, het met zijn vrouwen in alle richtingen uit als was hij de koning der offers, de Râjasûya met al zijn rituelen, in eigen persoon. (19) Na de patnî-samyâja- [**] en avabhritha-plechtigheden te hebben uitgevoerd, lieten de priesters hem de âcamana van het sippen van water ter zuivering uitvoeren, en hem samen met Draupadî een bad nemen in de Ganges. (20) De pauken van de goden weerklonken tezamen met die van de mensen terwijl de goden, de wijzen, de voorvaderen en de mensen een stortvloed van bloemen lieten neerregenen. (21) Hierna namen de mensen van alle rangen en standen een bad op die plaats waar zelfs de grootste zondaar op slag kan worden bevrijd van alle smetten. (22) Daarna trok de koning een nieuw stel zijden kleren aan en vereerde hij fraai opgesierd de priesters, de voorgangers en de brahmanen met juwelen en kleding. (23) Op verschillende manieren putte de koning, Nârâyana toegewijd, zich uit in zijn respectbetoon voor de koningen, zijn vrienden, weldoeners, naaste verwanten, aangetrouwde familie alsook voor anderen. (24) Al de mannen, met juwelen en oorhangers, bloemen dragend en tulbanden, jasjes en zaken van zijde, zowel als met de meest kostbare parelkettingen om, straalden als de halfgoden; en zo ook deden dat de vrouwen die met de schoonheid van hun gezichten opgesierd met paren oorhangers en haarlokken en met een gouden gordel om, prachtig schitterden. (25-26) Toen, met zijn permissie, gingen de hooggeëerde priesters, de voorgangers, de experts in de Veda's, de brahmanen, de kshatriya's, de vais'ya's, de s'ûdra's en de koningen die waren gekomen en die, o koning, tezamen met hun gevolg, de plaatselijke autoriteiten, de geesten, de voorvaderen en de halfgoden waren vereerd, terug naar hun eigen verblijfplaatsen. (27) Als sterfelijke lieden met het drinken van de amrita konden ze er werkelijk geen genoeg van krijgen de loftrompet te steken over de grote viering van het Râjasûya-offer van de geheiligde koning, de dienaar van Heer Krishna. (28) Erdoor gekweld dat hij van Krishna was gescheiden had koning Yudhishthhira zoals gezegd [in 10.74: 48] door liefde gedreven het er moeilijk mee zijn familieleden en verwanten te laten gaan. (29) Mijn beste, om hem een plezier te doen bleef de Allerhoogste Heer daar toen. De Yaduhelden die in verband daarmee door Sâmba werden aangevoerd stuurde Hij weg naar Dvârakâ. (30) Op deze manier raakte de koning, de zoon van Dharma [Yamarâja ofwel Dharma, de heer der plichten] die met succes de zo moeilijk over te steken oceaan van zijn verlangens overstak, door Krishna bevrijd van de koorts [zie ook 10.63: 23].

(31) Duryodhana deed het zeer toen hij eenmaal in het paleis de weelde zag van de Râjasûya en de grootheid van hem [Yudhishthhira] wiens eigenlijke ziel Acyuta was. (32) In dat paleis waren de uiteenlopende vormen van weelde van de koningen der mensen, de koningen der demonen en de koningen van de godsbewusten bijeengebracht. Verschaft door de kosmische architect [Maya Dânava], stond die weelde ter beschikking van de dochter van koning Drupada met haar echtgenoten [de Pândava's]. Zelf ook aangetrokken tot haar treurde het hart van de Kuru-prins. (33) De duizenden koninginnen van de Heer van Mathurâ waren daar de hele tijd aanwezig, hoogst aantrekkelijk met hun tailles en volle heupen, zich langzaam rondbewegend met hun voeten die charmant tinkelden, met hun paarlen halskettingen die rood waren van de kunkum van hun borsten en met hun mooie gezichten die rijk versierd waren met oorbellen en haarlokken. (34-35) In de ontvangstzaal gebouwd door Maya viel het zo voor dat de zoon van Dharma, de keizer in eigen persoon, in het gezelschap van zijn metgezellen, zijn familie en ook Krishna, zijn Eigenlijke Blik, was gezeten op een troon van goud als was hij, met de rijkdom van het hoogste leiderschap, Indra die vergezeld en geprezen wordt door de hofdichters. (36) Daar, o Koning, kwam toen Duryodhana binnen omringd door zijn broers. Apetrots een kroon dragend en een halsketting, had hij steeds zijn hand op zijn zwaard terwijl hij kwaad aan het fulmineren was [tegen de deurwachters]. (37) Begoocheld door de toverkunsten van Maya zag hij de harde vloer aan voor water en hield hij het einde van zijn kleed omhoog, maar verderop tuimelde hij in water dat hij aanzag voor een vaste vloer. (38) Bhîma die het zag schaterde het uit zoals ook de vrouwen, de koningen en de rest dat deden, die, mijn beste, ook al werd hun door de koning de wacht aangezegd, daarin de goedkeuring van Krishna konden wegdragen. (39) Hij [Duryodhana], laaiend van de woede, vertrok toen innerlijk ontdaan beschaamd met zijn gezicht naar beneden naar Hastinâpura. Toen zich dat voordeed rees er onder de waarachtigen een zeer luidruchtig 'helaas, helaas!' op. Ajâtas'atru [de koning] zag het somber in en de Opperheer, uit wiens blik de verbijstering voortkwam, hield Zich er stil bij, erop voorbereid om de last van de aarde weg te nemen [zie ook 1.15: 25-26, 10.2: 38 en 10.63: 27].

(40) Ik heb nu uitleg verschaft over dat wat u me vroeg, o Koning, betreffende de verdorvenheid van Duryodhana gedurende het grote Râjasûya-offer.'

Voetnoten:

*: In het huidige India kent men de traditie van het Holi-feest, of kleurenfeest eens per jaar op de ochtend na volle maan begin Maart, waarbij men dit spel speelt. Men viert er het begin van de lente mee en de dood van de demone Holika. Holika was de zuster van Hiranyakas'ipu die met het bestrijden van Prahlâda er maar niet in slaagt hem te doden [zie 7.5]. Zij, tegen vuur bestand zo heette het, zittend met hem in een vuur kan hem echter zo niet deren. Hij blijft ongedeerd, maar zij gaat in vlammen op. Zo worden er met Holi de nacht tevoren ook grote vreugdevuren ontstoken ter nagedachtenis aan dit verhaal. Hoewel Holi over het gehele noorden van India wordt gevierd, is er speciale aandacht en vreugde voor in Mathurâ, Vrindâvana, Nandgaon, en Barsnar (de plaatsen waar Heer Krishna en S'ri Râdhâ opgroeiden). Heer Krishna, toen Hij opgroeide in Vraja, maakte het feest populair met Zijn inventieve streken. De gopî's van Vraja reageerden met een gepast enthousiasme en de festiviteiten zijn sedertdien volgehouden. Rolomdraaiing met travestie, feminisme etc. zijn aanvaarde gebruiken gedurende dit festival. Mannen en vrouwen in Vraja vechten met elkaar in een kleurig vertoon van een nepgevecht tussen de sexen. Een in de natuur gevonden roodoranje kleurstof, kesudo, wordt gebruikt om alle deelnemers te besmeuren en doordrenken.

**: Het patnî-samyâja ritueel is het ritueel dat uitgevoerd wordt door de sponsor van het offer en zijn vrouw; het bestaat uit uitgietingen voor Soma, Tvashthâ, de vrouwen van bepaalde halfgoden, en Agni.

 

     

Hoofdstuk 76

De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

(1) S'rî S'uka zei: 'Alstublieft, o Koning, luister nu hoe Krishna, in Zijn lichaam voor mens spelend, met nog weer een andere wonderbaarlijke heldendaad de heer van Saubha ter dood bracht. (2) Hij, S'âlva geheten, kwam als een vriend van S'is'upâla naar Rukminî's huwelijk en werd door de Yadu's in de strijd verslagen tezamen met Jarâsandha en anderen [zie 10.54 en ook 10.50]. (3) In het bijzijn van al de koningen legde hij de eed af: 'Wacht maar, ik zal met al wat in me is de aarde van de Yâdava's bevrijden!'

(4) De dwaze koning aldus besloten at slechts eenmaal daags een handje stof met het aanbidden als zijn meester van de heer die de dierlijkheid beschermt [Pas'upati ofwel S'iva afgebeeld met S'âlva als een jongen biddend samen met Yama]. (5) Nadat een jaar was verstreken verleende de grote heer die zo snel te behagen is [Âs'utosha], de meester van Umâ, S'âlva, die bij hem zijn toevlucht had gezocht, een gunst naar zijn keuze. (6) Hij verkoos een voertuig verschrikkelijk voor de Vrishni's waarmee hij zou kunnen reizen zoals hij dat wilde en dat niet te vernietigen zou zijn voor de goden, de demonen, de mensen, de zangers van de hemel, de serpenten en de wildemannen. (7) Met de heer van de berg zeggende 'zo zij het' werd het Maya Dânava, die er was om de steden van de vijanden te verslaan [zie 7.10: 53], opgedragen een [vliegend] fort van ijzer genaamd Saubha te bouwen en aan te bieden aan S'âlva. (8) Toen hij het voertuig in zijn bezit kreeg dat, als een plaats van duisternis en zich bewegend zoals hij maar wilde, ongenaakbaar was, ging S'âlva naar Dvârakâ, met in gedachten de vijandschap die de Vrishni's hadden getoond. (9-11) O beste van de Bharata's, S'âlva, die de stad met een grote strijdmacht belegerde, veranderde al de parken, de tuinen en de torens, de stadspoorten, de woningen, buitenmuren, uitkijkposten en recreatiegebieden erom heen in een puinhoop. Van die superieure vimâna die hij had kwam een stortvloed aan wapens, stenen en bomen alsook bliksemschichten, slangen en hagelstenen naar beneden en raakten met het opsteken van een heftige wervelwind alle richtingen door een laag stof overdekt. (12) De stad van Krishna aldus verschrikkelijk geteisterd door Saubha kon, net als de aarde met Tripura [zie 7.10: 56], o Koning, geen vrede vinden.

(13) Toen de Grote Heer Pradyumna zag hoezeer Zijn onderdanen werden belaagd zei Hij tot hen: 'Wees niet bang!', waarna de grote held die van een ongekende glorie was in Zijn strijdwagen klom. (14-15) Sâtyaki, Cârudeshna, Sâmba, Akrûra en zijn jongere broers, Hârdikya, Bhânuvinda alsook Gada, S'uka en Sârana en andere eminente en vooraanstaande boogschietende leiders, gingen eropaf in kuras onder de dekking van strijdwagens, olifanten, cavalerie en infanterie. (16) Daarop nam tussen de Yadu's en de volgelingen van S'âlva een huiveringwekkende strijd zijn aanvang die zo heftig was als de strijd tussen de demonen en de halfgoden [zie 8.10]. (17) Zoals de duisternis van de nacht wordt verdreven door de warme stralen van de zon, werden door de zoon van Rukminî in een oogwenk met de door God gezegende wapens de toverkunsten van de meester van Saubha vernietigd. (18-19) Met vijfentwintig ijzergepunte, in hun voegen perfect vereffende pijlen met gouden schachten trof Hij S'âlva's opperbevelhebber [Dyumân], met een honderdtal raakte hij S'âlva en met één ieder van zijn soldaten, met tien ieder van zijn wagenmenners en met drie ieder van zijn draagdieren. (20) Met de aanblik van dat verbazingwekkende, machtige wapenfeit van Pradyumna, de grote persoonlijkheid, eerden al Zijn troepen en de soldaten van de vijand Hem. (21) Dan weer waargenomen in vele vormen, dan weer als een enkele vorm en dan weer helemaal niet te zien, was die magische illusie geschapen door Maya iets veranderlijks dat onmogelijk door de tegenstander kon worden gelokaliseerd. (22) Zich her en der bewegend als een wervelende toorts, van het ene moment op het andere gezien op de aarde, dan weer in de lucht, dan op een bergtop en dan in het water, bleef dat Saubha luchtschip nooit op één plaats. (23) Waar ook maar S'âlva met zijn soldaten opdook met zijn Saubha-schip, richtten de legerbevelhebbers van de Yadu's op die plek dan hun pijlen. (24) S'âlva verloor door de vijand zijn greep op de zaak toen zijn leger en fort ondraaglijk te lijden hadden onder de pijlen die, als vuur en zon hun doel treffend, als slangengif werkten. (25) Hoewel de Vrishni-helden, begerig naar de overwinning in deze wereld en de volgende, uitermate gepijnigd werden door de stortvloed aan wapens van S'âlva's bevelhebbers, gaven ze hun stellingen niet op. (26) S'âlva's metgezel genaamd Dyumân - voordien getroffen door Pradyumna - zich opstellend met een strijdknots van maura-ijzer, sloeg met een machtige brul toe. (27) Pradyumna, de onderwerper van de vijanden, die door de knots buiten westen was geslagen, werd toen door Zijn wagenmenner, een zoon van Dâruka, getrouw de zeden en gebruiken van het slagveld afgevoerd.

(28) In een mum van tijd Zijn bewustzijn herwinnend, zei de zoon van Krishna tot Zijn wagenmenner: 'Je hebt er verkeerd aan gedaan wagenmenner, om Me van het slagveld weg te halen! (29) Buiten Mij, was er nog nooit van iemand geboren in het huis van Yadu bekend dat hij het slagveld verliet; nu is Mijn eer te grabbel gegooid door een wagenmenner die denkt als een eunuch! (30) Wat moet Ik, die Zijn vege lijf redde door voor de strijd te vluchten, nu zeggen als Ik Mijn vaders Râma en Krishna onder ogen kom? Wat moet Ik dan zeggen ter verdediging? (31) Ongetwijfeld zullen Mijn schoonzussen de spot met Me drijven en zeggen: 'Hoe is het, o held, Je vijanden nu gelukt om van Jou zo'n lafaard in de strijd te maken?'

(32) De wagenmenner zei: 'O Langlevende, wat ik deed werd met het volste vertrouwen in de regels van het dharma gedaan, o Heer; een menner behoort zijn meester te beschermen als die in moeilijkheden is geraakt, net zoals de meester ook de menner moet beschermen. (33) Aangezien U feitelijk door de knots van de vijand buiten westen geslagen, heb ik U met die gedachte van het veld afgevoerd. Wat mij betreft was U gewond geraakt!'

 

 

Hoofdstuk 77

Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

(1) S'rî S'uka zei: 'Met het beroeren van water, aansjorren van Zijn kuras en het oppakken van Zijn Boog zei Hij [Pradyumna] tot Zijn wagenmenner: 'Breng Me naar waar de krijger Dyumân zich ophoudt.'  (2) Met Dyumân die huishield onder Zijn troepen sloeg Rukminî's zoon terug met een glimlach, in de tegenaanval met acht nârâca-pijlen [van ijzer]. (3) Hij sloeg toe met vier voor de vier paarden, één voor de menner, met twee voor de boog en vlag en met één voor zijn hoofd. (4) Gada, Sâtyaki, Sâmba en anderen maakten een einde aan het leger van de meester van Saubha; allen die in de Saubha zaten vielen in de oceaan met hun nekken doorklieft. (5) Het gevecht tussen de elkaar aanvallende Yadu's en de volgelingen van S'âlva, dat om die reden tumultueus en angstwekkend was, duurde zevenentwintig dagen en nachten. (6-7) Krishna die geroepen door de zoon van Dharma weg was naar Indraprastha [zie 10.71] nam toen, met de Râjasûya beëindigd, S'is'upâla ter dood gebracht en met kwade voortekenen voor ogen, afscheid van de Kuru-ouderen, de wijzen en Prithâ en haar zoons, en ging naar Dvârakâ. (8) Hij zei tot Zichzelf: 'Terwijl Ik, vergezeld van Mijn vermaarde oudere broer, naar deze plaats kwam, zouden ondertussen de koningen van S'is'upâla's kant wel eens Mijn stad aan het belegeren kunnen zijn.' 

(9) Toen Hij koning S'âlva's Saubha en de vernietiging die zich voltrok van al het Zijne zag, trof Kes'ava Zijn maatregelen ter bescherming van de stad en zei Hij tot Dâruka:  (10) 'Breng Me Mijn strijdwagen, en breng Me snel in de buurt van S'âlva; en pas op, laat je niet in de luren leggen door deze heer van Saubha, hij is een groot magiër.'

(11) Met die opdracht de teugel ter hand nemend reed hij de wagen ernaartoe zodat, met Hem daar arriverend, al Zijn troepen en van die tegenpartij het embleem [van Garuda] in zicht kregen. (12) S'âlva, die als de meester van een vrijwel geheel vernietigde strijdmacht Heer Krishna op het slagveld zag, smeet zijn speer met een angstwekkend geluid in de richting van Krishna's menner. (13) In zijn vlucht alle richtingen in het licht zettend als was hij een grote meteoor, werd hij snel door Krishna in de lucht in honderd stukken gebroken.  (14) Zoals de zon die staat te stralen aan de hemel, belaagde Hij hem met zes alles doorborende pijlen en mikte Hij op het rondbewegende Saubha-fort met een hele stortvloed. (15) Maar toen S'âlva S'auri's linkerarm trof, de arm met Zijn boog, viel, hoogst verbazingwekkend, de S'ârnga uit handen van S'ârngadhanvâ. (16) Terwijl van de kant van alle levende wezens die hier getuige van waren een grote schreeuw van teleurstelling oprees, brulde de heer van Saubha en zei hij het volgende tegen Janârdana:  (17-18) 'Aangezien door Jou, o dwaas, recht onder onze ogen de bruid van Je broeder [neef in feite], een vriend [S'is'upâla], werd weggekaapt en hij, een vriend van mij dus, door Jou temidden van de vergadering werd gedood [10.74], zal Jijzelf, die zo overtuigd bent van Je eigen onoverwinnelijkheid, nu vandaag door mijn scherpe pijlen naar nergenshuizen worden gestuurd, mits Je natuurlijk het lef hebt Je tegenover mij op te stellen!' 

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Jij, idioot, hebt met je dood ophanden niets in de gaten en staat maar wat uit je nek te kletsen; helden daarentegen tonen hun kunsten, ze staan niet te ratelen!'

(20) Dat gezegd hebbende sloeg de Allerhoogste Heer vertoornd met een schrikwekkende macht en snelheid met Zijn knots hem bovenop het sleutelbeen zodat hij trillend op zijn benen bloed moest spuwen. (21) Maar toen Hij Zijn knots weer ophief was S'âlva verdwenen en verscheen een ogenblik later voor Krishna een man die met gebogen hoofd jammerend de woorden sprak: 'Moeder Devakî heeft me gestuurd! (22) Krishna, o Krishna, o Machtig Gearmde vol van liefde voor Uw ouders, Uw vader is gevangen genomen en meegevoerd door S'âlva als was hij een slager die een tam beest te pakken neemt.'

(23) Met het aanhoren van deze verontrustende woorden sprak Krishna, in het aangenomen hebben van de menselijke aard, uit liefde met mededogen [doend alsof Hij zou zijn] ontgoocheld, als was Hij een gewoon man: (24) 'Hoe kan met Balarâma die nimmer van slag is en onoverwinnelijk Sura en Asura verslaat, nu die zielige S'âlva Mijn vader ontvoeren; hoe machtig is het lot wel niet!' 

(25) Met Govinda zich aldus uitend kwam de meester van Saubha op Krishna af alsof hij Vasudeva vooruit duwde en zei hij het volgende: (26) 'Deze hier is degene die Jou verwekte, hij voor wie Jij in deze wereld rondloopt; ik zal hem hier recht voor je neus afmaken; redt hem maar als Je kunt, Jij kleuter!' 

(27) Nadat de magiër aldus van zijn minachting had blijkgegeven sloeg hij de 'Ânakadundubhi' het hoofd eraf en klom hij, het hoofd meenemend, in het Saubha-vehikel dat in de lucht hing. (28) Hoewel Hij er alles van wist, was Hij voor een ogenblik verzonken in het normale vasthouden aan Zijn liefde voor degenen die Hem dierbaar waren, maar toen drong het, met Zijn grote vermogens van waarnemen, tot Hem door dat het een demonische goocheltruc was waarvan S'âlva zich bediende naar de ontwerpen van Maya Dânava. (29) Op het slagveld ontwakend als uit een droom nu weer alert niet meer de boodschapper noch het lichaam van Zijn vader ziend en opmerkend dat Zijn vijand in zijn Saubha boven Zijn hoofd rondzweefde, nam Acyuta het besluit om hem ter dood te brengen. (30) Dat is hoe sommige wijzen die het niet goed beredeneren het onder woorden brengen, o ziener onder de koningen. Het lijdt geen twijfel dat zij in tegenspraak verkeren met hun eigen uitlatingen als ze er niet in slagen zich te herinneren hoe het in feite is. [vergelijk b.v. 10.3: 15-17; 10.11: 7; 10.12: 27; 10.31: *; 10.33: 37; 10.37: 23; 10.38: 10; 10.50: 29; 10.52: 7 en 10.60: 58]. (31) Het weeklagen, de verbijstering, de genegenheid of de angst die allemaal voortkomt uit onwetendheid staat toch in geen verhouding tot de oneindige waarneming, kennis en weelde van de Oneindige? (32) Aan Zijn voeten bannen zij, die zich sterkten door het dienstverlenen in zelfverwerkelijking, het lichamelijk begrip van zichzelf uit dat de eeuwige begoocheling vormt en bereiken ze in een persoonlijke relatie de eeuwige glorie - hoe ter wereld kan er nu voor Hem, de Hoogste Bestemming der Waarachtigen verbijstering bestaan? (33) En terwijl S'âlva met veel geweld Hem aanviel met een stortvloed aan wapens, doorboorde Heer Krishna onfeilbaar in Zijn kunnen, met Zijn pijlen zijn kuras, boog en kroonjuweel en sloeg Hij met Zijn knots het Saubha-voertuig van Zijn vijand stuk. (34) In duizenden stukken uiteen geslagen door de knots gehanteerd door Krishna, stortte het in het water. Eruit kruipend en overeind krabbelend stormde S'âlva toen met zijn knots in de hand op Krishna af.  (35) Op Hem af hollend met zijn knots omhoog werd zijn arm van zijn romp gescheiden met een bhalla snij-pijl. Vervolgens hield Krishna, stralend als een berg tegen de rijzende zon, teneinde S'âlva te doden Zijn wapenschijf omhoog die er precies zo uitzag als de explosie van licht aan het einde der tijden. (36) Daarmee scheidde de Heer toen het hoofd van de romp van die meester der toverkunsten, compleet met oorhangers en helm, net zoals heer Indra met zijn bliksemschicht dat deed met Vritrâsura [zie 6.12]. Daarop was er van de kant van zijn mannen een luid uitgeroepen 'helaas, helaas!' te horen. 

(37) Met de zondaar gevallen en het Saubha-fort door de knots vernietigd, weerklonken de pauken in de hemel bespeeld door de groepen halfgoden, o Koning. En toen was het Dantavakra die woedend, om zijn vrienden te wreken, naar voren stormde.'

 

 

Hoofdstuk 78

Dantavakra Gedood en Romaharshana Geslagen met een Grasspriet

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Als een daad van vriendschap tegenover de overledenen, S'is'upâla, S'âlva en Paundraka die naar een andere wereld waren geholpen, vertoonde zich, geheel in zijn eentje, te voet en met een knots in zijn hand o grote koning, de booswicht [Dantavakra, zie 9.24: 37] die in zijn woede met enkel zijn fysieke macht de aarde deed schudden onder zijn voeten. (3) Toen Hij hem op Zich af zag komen nam Heer Krishna snel Zijn knots, sprong van Zijn wagen en bracht Hij hem tot stilstand zoals de kust dat doet met de zee. (4) Zijn strijdknots heffend zei de koning van Karûsha verdwaasd tot Mukunda: 'Wat een geluk, wat een geluk om vandaag Jou mijn weg te zien kruisen. (5) Jij Krishna als onze n