SRIMAD BHAGAVATAM: CANTO 10-2 NEDERLANDS - DOWNLOAD VERSIE
Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

 

CANTO 10 - Deel II

Het Hoogste Goed

 

Inleiding   

Hoofdstuk 24 Krishna Gaat in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

Hoofdstuk 25 Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op

Hoofdstuk 26 Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

Hoofdstuk 27 Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

Hoofdstuk 28 Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

Hoofdstuk 29 Het Râsa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

Hoofdstuk 30 De Gopî's op Zoek naar Krishna die Verdween met Râdhâ

Hoofdstuk 31 De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

Hoofdstuk 32 Krishna Keert Terug naar de Gopî's

Hoofdstuk 33 De Râsadans

Hoofdstuk 34 Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood

Hoofdstuk 35 De Gopî's Zingen over Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

Hoofdstuk 36 De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

Hoofdstuk 37 Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

Hoofdstuk 38 Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

Hoofdstuk 39 Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ

Hoofdstuk 40 Akrûra's Gebeden

Hoofdstuk 41 De Aankomst van de Heren in Mathurâ

Hoofdstuk 42 Het Breken van de Offerboog

Hoofdstuk 43 Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

Hoofdstuk 44 De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

Hoofdstuk 45 Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

 

 

 Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt in zowel India, Amerika als Europa. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie der verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L. Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 17 april 2012.
 

 

 Hoofdstuk 24: Krishna Gaat in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

(1)
S'rî S'uka zei: 'Toen de Allerhoogste Heer zich daar [in Vraja] in het gezelschap van Baladeva ophield, zag Hij hoe de gopa's druk in de weer waren met het regelen van een offerplechtigheid voor Heer Indra. (2) Hoewel de Allerhoogste Heer, de Alwetende Ziel van Iedereen, er alles van wist [zie B.G. 9: 23], boog Hij nederig en deed Hij navraag bij de ouderen die werden aangevoerd door Nanda [Zijn stiefvader]: (3) 'Vertel Me, beste vader, wat heeft al deze drukte van u te betekenen? Waar leidt dat toe, voor wie doet men het en met welke middelen wil men dit offer volbrengen? (4) Vertel Me er alstublieft over. Ik heb dit sterke verlangen erover te vernemen o vader. Het kan toch niet zo zijn dat de handelingen van heilige mannen die allen gelijkgezind zijn in deze wereld, onverschillig zijn over mijn en dijn, en vriend en vijand neutraal beschouwen, iets zijn waar je geheimzinnig over doet, is het wel? (5) Een vreemde mag men uit de weg gaan alsof het een vijand is, maar een vriend moet men als zichzelf behandelen zo zegt men. (6) Als de gewone man iets doet in de wereld gebeurt dat soms op basis van kennis en soms ook niet. Met kennis van zaken behaalt men een optimaal resultaat en met onwetend handelen is dat niet zo. (7) Met dat in gedachten vraag Ik u, of deze gezamenlijke inspanning van jullie iets is dat staat voorgeschreven [in de geschriften] of  gewoon een gebruik vormt. Dat moet u Me duidelijk uitleggen.'


(8) S'rî Nanda zei: 'Indra is de grote heer van de regen, de wolken zijn zijn persoonlijke vertegenwoordigers. Zij verschaffen de regen voor alle levende wezens. Regen is de voedende levenskracht, net zoals melk. (9) Vanwege het vocht dat die heer en meester van de wolken vrijgeeft mijn beste zoon, aanbidden wij en ook andere mensen hem met vuuroffers en verschillende attributen. (10) Met wat er overblijft van die offers geven mensen op drie manieren gestalte aan hun leven [religieus, economisch en zinnelijk]. Hij is het bovenmenselijk wezen die hen de vruchten brengt die met hun menselijke handelingen een zekere opbrengst verwachten [zoals boeren]. (11) Een ieder die dit per traditie overgeleverde dharma [van offers brengen aan Indra] afwijst, is een persoon die vanwege lust, vijandigheid, angst en hebzucht zijn levensgeluk niet kan vinden [zie B.G. 10: 36].'

(12) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij had geluisterd naar wat Nanda en ook de andere ingezetenen van Vraja te zeggen hadden, sprak Heer Kes'ava tot Zijn vader op een manier die Heer Indra in woede deed ontsteken. (13) De Allerhoogste Heer zei: 'Het is vanwege zijn karma dat een levend wezen geboorte neemt en het is enkel [de kracht van zijn] karma waardoor hij komt te overlijden. Geluk en ongeluk, geborgenheid en angst zijn allen het gevolg van iemands karma. (14) Als er dan een of andere meester zou zijn die gestalte geeft aan de vrucht van de handelingen van anderen, dan is die heerser nog steeds afhankelijk van iemand die tot actie overgaat. Hij kan immers niet de meester zijn van iemand die niets doet! (15) Levende wezens moeten de gevolgen van hun eigen handelingen ondergaan, wat hebben ze met Indra te maken die niets kan veranderen aan dat wat wordt bepaald door een ieders persoonlijke aard? (16) Een persoon wordt beheerst door zijn aard - hij volgt zijn aard. Deze hele wereld met zijn goden, demonen en gewone mensen bestaat op basis van ieders persoonlijke aard. (17) Levende wezens verwerven en verzaken als gevolg van hun handelingen hoger dan wel lager geëvolueerde lichamen. Het is enkel karma dat hun vijand, hun vriend of onpartijdige rechter is, dat hun Heer en hun leraar is [zie ook B.G. 8: 15 & 16, 4.29: 26-27 en 7.7: 46-47]. (18) Daarom behoort men, vasthoudend aan de eigen plichten, respect te oefenen voor het karma van de eigen aard [zie varnâs'rama]. Men leeft goed met dat karma, het is zonder twijfel iemands aanbiddelijke godheid. (19) Zoals een overspelige vrouw met haar minnaar geen wezenlijk voordeel behaalt door haar heil te zoeken bij een ander levend wezen, is het ook niet in iemands voordeel iets anders [of een andere godheid] voorop te stellen dan dat [of degene] wat [of die] zijn levensonderhoud vormt. (20) De brâhmana's leven [van het onderwijs in en de uitleg van] de Veda's, de kshatriya's leven van het beschermen van het land, de vais'ya's leven van de handel en de s'ûdra's van het dienen van de tweemaal geborenen [de voorgaande drie klassen, zie ook 7.11: 21-24]. (21) De viervoudige beroepsmatige plicht van de vais'ya bestaat uit landbouwen, handel drijven, de koeien beschermen en ten vierde bankieren. Van dezen vormt de constante zorg voor de koeien de plicht waar wij ons mee bezig houden. (22) [De natuurlijke kwaliteiten van de] goedheid, hartstocht en onwetendheid zorgen voor de handhaving, schepping en vernietiging [in de wereld. Zie guna]. Vanuit de geaardheid hartstocht kwam dit universum tot stand en door haar wederzijdse [seksuele] activiteit is er de [biologische] verscheidenheid van de wereld. (23) De wolken storten door die hartstocht ertoe gedreven overal hun water uit en door dat water houden ze feitelijk de bevolking in leven. Dus wat zou Indra dan doen? (24) De steden, de in cultuur gebrachte gebieden en de dorpen zijn niet de plaatsen waar we huizen. We zijn de mensen van het bos beste vader, we leven altijd in de wouden en de heuvels. (25) Laten we beginnen met een offerplechtigheid voor de koeien, de brahmanen en de heuvel [Govardhana] en voor dat eerbetoon de attributen gebruiken van de plechtigheid voor Indra! [zie ook voetnoot 10.8*3] (26) Laten we allerlei soorten van gerechten en soepen bereiden, te beginnen met zoete rijst, havermout, zoete broodjes en cakejes en laten we allerlei melkproducten gebruiken. (27) Laat er voor de vuren naar behoren worden gebeden door brahmanen onderlegd in de Veda's die u moet voeden met goed bereide gerechten en moet belonen met koeien en andere giften. (28) Om niemand tekort te doen, moet ook gedacht worden aan anderen: gevallen zielen zoals honden en uitgestotenen. Vervolgens moet er gras aan de koeien worden gegeven waarna de offergaven aan de berg moeten worden aangeboden. (29) Na te hebben gegeten moeten we, gekleed in onze beste kleren, ingesmeerd met sandelhoutpasta en fraai opgesierd, om de koeien, de brahmanen, de vuren en de heuvel heen lopen [die steeds rechts gehouden]. (30) Dit is mijn gezichtspunt o vader, moge het zo gebeuren als u dat goed vindt. Dit zal niet alleen de koeien, de brahmanen en de heuvel dierbaar zijn, maar ook Mij.'

(31) S'rî S'uka zei: 'Toen Nanda en de oudere mannen deze woorden hoorden die door de Allerhoogste Heer, de Tijd in eigen persoon werden uitgesproken om de trots van Indra te breken, aanvaardden ze die als zijnde uitstekend. (32-33) Aldus voerden ze alles uit waar Madhusûdana over had gesproken: ze droegen zorg voor de gunstige recitaties, ze betuigden de heuvel en de brahmanen gezamenlijk respectvol de eer met de genoemde attributen, de koeien, de stieren en de kalveren kregen gras aangeboden en vervolgens liep men met de dieren voor zich uit om de heuvel heen. (34) De koeherdersvrouwen fraai opgesierd en op wagens rijdend die werden getrokken door ossen, bezongen de heerlijkheden van S'rî Krishna terwijl de tweemaal geborenen hun heilswensen uitspraken. (35) Om de gopa's in hun geloof te sterken, nam Krishna vervolgens een andere gedaante aan. Met de woorden 'Ik ben de heuvel' verzwolg Hij de overvloed aan offergaven met de enorme omvang van Zijn lichaam [zie vapu en de voetnoot *]. (36) Samen met het volk van Vraja bracht Hij middels Zichzelf Zijn eerbetuigingen aan Zichzelf: 'O zie toch, hoe deze heuvel met het aannemen van zijn gedaante, ons Zijn genade heeft verleend!' 

*: S'rîla Prabhupâda schrijft hierbij (Krishnaboek ch. 24): "De identiteit van Krishna en de heuvel Govardhana wordt nog steeds hoog gehouden, en grote toegewijden nemen stukken steen van de heuvel Govardhana mee en aanbidden ze precies zoals ze de beeltenis van Krishna aanbidden in de tempels. Toegewijden verzamelen om die reden keien en steentjes van de heuvel Govardhana en vereren ze thuis, omdat deze aanbidding even goed is als het aanbidden van een beeltenis."

 

Hoofdstuk 25: Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana* op

(1)
S'rî S'uka zei: 'Indra die zich realiseerde dat de aanbidding van zijn persoon was afgewezen o Koning, werd toen kwaad op de gopa's geleid door Nanda die Krishna hadden aanvaard als hun Heer. (2) Om een eind aan dat alles te maken stuurde Indra er wolken op uit die de naam Sâmvartaka droegen. Zichzelf valselijk houdend voor de allerhoogste meester sprak hij vertoornd de woorden: (3) 'Kijk nu eens hoe enorm verbijsterd over hun weelde deze in het bos wonende koeherders zijn. Met het zich verlaten op een sterveling als Krishna, hebben ze een overtreding begaan jegens de goden! (4) Met het afzweren van de geestelijke kennis proberen ze de oceaan van het materieel bestaan over te steken door rituele offerplechtigheden te houden die, gericht op het profijt, ontoereikend zijn om ze als boten op die oceaan te dienen. (5) Door hun toevlucht te nemen tot Krishna, dit kwebbelende, ingebeelde kind dat onwetend denkt dat Hij de wijsheid in pacht heeft, hebben de gopa's gehandeld tot mijn ongenoegen. (6) Breng [o wolken] de vernietiging over hun dieren en maak een einde  aan hun arrogantie, want zij, trots en dwaas vanwege Krishna, zijn vol van verbeelding. (7) Ook ik zal, rijdend op mijn olifant Airâvata, meekomen naar Vraja. Vergezeld door  de windgoden zal ik, me herwaarts begevend met grote macht, Nanda's koeiengemeenschap wegvagen [zie o.a. ook 6.11 & 12].'

(8) S'rî S'uka zei: 'De wolken aldus op bevel van Indra ontketend uit hun posities, teisterden met al hun macht Nanda's koeherdersdorp met een enorme stortvloed aan regen. (9) Voortgedreven door de windgoden lieten ze, oplichtend van de bliksem en rollend van de donder, hagelstenen naar beneden komen. (10) Met de regen die onophoudelijk in dichte gordijnen uit de wolken neerstroomde, konden de hoger en lager gelegen delen van de aarde ondergelopen door de vloed, niet meer worden onderscheiden. (11) De gopa's en gopî's geplaagd door de overmaat aan hemelwater en de hevige wind, namen samen met het vee bevend van de kou hun toevlucht tot Govinda. (12) Hun hoofden bedekkend en hun kinderen beschermend met hun lichamen, benaderden ze geteisterd door de regen, rillend de basis gevormd door de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods: (13) 'Krishna o Krishna, o Grootste Geluk. U bent Uw eigen baas o Heer, alstUblieft bescherm de koeherdersgemeenschap tegen de godheid [Indra] die kwaad op ons is o Beschermer der Toegewijden! [zie ook 10.8: 16]'

(14) Toen de Allerhoogste Heer Hari hen zo wezenloos zag, belaagd als ze waren door de hagel, de regen en de hevige winden, achtte Hij de woede van Indra hier verantwoordelijk voor. (15) [Hij dacht:] 'Omdat Ik Indra's offerplechtigheid afwees zet hij, uit op vernietiging, nu alles onder water met deze voor het seizoen zo ongebruikelijk felle regens en heftige winden vol met hagelstenen. (16) Om dat afdoende tegen te gaan zal Ik middels de macht van Mijn yoga ervoor zorgen dat de trots met de weelde en de onwetendheid van hen die zich in hun dwaasheid Heer en Meester over de wereld wanen, wordt verslagen. (17) Als Ik de onzuiverheid uitban van de inbeelding van hen die denken dat ze de baas zijn, doe Ik dat niet om verlichte zielen die van de goedheid zijn tegen te gaan, maar om hen tot vrede te bewegen [zie ook B.G. 14: 14]. (18) De koeherdersgemeenschap die zijn toevlucht tot Mij heeft genomen als hun meester is Mijn familie. Daarom zal Ik ze beschermen met Mijn mystieke macht. Dit is de eed die Ik heb afgelegd [zie ook B.G. 9: 22].'

(19) Dit [voor Zichzelf] gezegd hebbende, pakte [deze nederdaling van] Vishnu met één hand [Zijn linker] de heuvel Govardhana op en hield Hij hem zo makkelijk omhoog als een kind dat een paddestoel vasthoudt. (20) De Allerhoogste Heer zei toen tegen de gopa's: 'O moeder, o vader, o bewoners van Vraja, ga zo jullie willen, alsjeblieft met jullie koeien naar de vrije ruimte onder deze heuvel. (21) Jullie hoeven er niet bang voor te zijn dat, vanwege de regen en de wind, de berg van Mijn hand zal vallen. Jullie zijn bang genoeg geweest en teneinde jullie daarvan te bevrijden, heb Ik [deze oplossing] voor jullie geregeld.'

(22) Met hun geesten aldus door Krishna gekalmeerd, begaven ze zich naar de ruimte onder de berg waar ze genoeg plek vonden voor hun koeien, wagens en iedereen die bij hen hoorde. (23) Zonder acht te slaan op pijn, honger en dorst en ieder idee van persoonlijk comfort, hield Hij voor ogen van de bewoners van Vraja de berg zeven dagen lang omhoog zonder zich van Zijn plaats te verroeren. (24) Toen Indra het resultaat zag van Krishna's mystieke vermogen was hij hoogst verrast en riep hij beroofd van zijn trots en met zijn bedoeling ondermijnd, zijn wolken terug. (25) Met de hemel vrij van wolken en de zon weer te zien nu de felle wind en regen was afgelopen, zei de Heffer van Govardhana tegen de koeherders: (26) 'Alsjeblieft, ga met jullie bezittingen, vrouwen en kinderen weg van hier. Geef jullie angst op beste gopa's, de wind en de regen zijn opgehouden en het water in de rivieren staat weer laag.'

(27) De gopa's voerden ieder hun eigen koeien mee en vertrokken, met hun bezittingen geladen op de karren en met de vrouwen, de kinderen en de ouden van dagen er langzaam achter aan. (28) En terwijl al de levende wezens toekeken zette de Almachtige Allerhoogste Heer de heuvel met gemak weer terug waar hij had gestaan. (29) De bewoners van Vraja overweldigd door de zuivere liefde die ze voor Hem voelden, benaderden Hem met omhelzingen en dergelijke, waarbij ieder uitdrukking gaf aan zijn persoonlijke relatie met Hem. De gopî's stortten vol vreugde met veel genegenheid hun fijne zegeningen over Hem uit en respecteerden Hem met gaven van yoghurt, ongebroken granen en water. (30) Yas'odâ, Rohinî, Nanda en Balarâma, de Grootste der Sterksten, omhelsden Krishna en boden Hem gretig, overlopend van de emotie hun heilswensen. (31) In de hemel hieven al de halfgoden - de volmaakten, de heiligen, de hemelse zangers en de eerbiedwaardige zielen - lofzangen aan voor de Heer en lieten daarbij voldaan een regen van bloemen nederdalen, o aardse heerser. (32) Ze lieten in hun hemelverblijf hoornschelpen en pauken weerklinken en de leidende Gandharva's aangevoerd door Tumburu zongen o heerser der mensen. (33) O Koning, Krishna samen met Balarâma omringd door de liefdevolle hoeders van de dieren, vertrok daarop naar de plaats waar ze hun dieren lieten grazen. Ook de gopî's vertrokken al zingend over de glorie van Zijn heldhaftige daden, gelukkig als ze waren met Hem die hen in hun harten had geraakt.'

 

 

Hoofdstuk 26: Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

(1) S'rî S'uka zei: 'De gopa's getuige van dit soort handelingen van Krishna [die de heuvel optilde], hadden er geen idee van hoe Hij tot zoiets in staat kon zijn en benaderden stomverbaasd Nanda zeggende: (2) 'Hoe kon, gezien de buitengewone handelingen van de jongen, Hem een geboorte ten deel vallen onder gewone plattelandsmensen, die voor Hem afkeurenswaardig is? (3) Hoe kan een jongen van zeven jaar oud nu speels met één hand de beste van alle heuvels omhooghouden zoals een machtige olifant een lotusbloem omhooghoudt? (4) Als een babytje met nauwelijks de ogen open zoog Hij [de vergiftigde melk] uit de borst van de o zo machtige Pûtanâ en zoog Hij daarmee ook haar levensadem weg, net zoals de macht van de tijd de jeugd uit het lichaam wegzuigt [zie 10.6]. (5) Toen Hij, een paar maanden oud, lag te huilen onder een kar, duwde Hij met Zijn beentjes omhoog [trappelend] de kar omver die werd geraakt door de tip van Zijn voetje [zie 10.7]. (6) Toen Hij één jaar oud buiten zat werd Hij door de demon Trinâvarta meegevoerd de lucht in. Hij greep hem bij zijn nek vast, liet hem lijden en doodde hem [zie 10.7]. (7) Op een dag bond Zijn moeder Hem aan een groot stampvat omdat Hij boter had gestolen. [Kruipend] op Zijn handjes manoeuvreerde Hij ermee tussen twee arjunabomen en veroorzaakte zo hun val [zie 10.10]. (8) Samen met Balarâma en de jongens de kalveren hoedend in het bos, scheurde Hij met Zijn armen de bek uiteen van de vijand Baka die Hem wilde doden [zie 10.11]. (9) Vatsa, [een andere demon] die Hem wilde doden, verborg zich in de vorm van een kalf onder de andere kalveren. Krishna doodde hem en liet bij wijze van sport [het lijk in een boom gooiend] er kapitthavruchten mee naar beneden komen [zie 10.11]. (10) Door samen met Balarâma de ezeldemon [Dhenuka] en zijn ezelmetgezellen te doden, maakte Hij het Tâlavana bos vol met rijpe vruchten weer veilig [zie 10.15]. (11) Na te hebben geregeld dat de verschrikkelijke Pralamba zou worden gedood door de hoogst machtige Balarâma, verloste Hij Vraja's gopa's en hun dieren van een bosbrand [zie 10.18 & 19]. (12) Door bovenop de enorm giftige aanvoerder van de slangen [Kâliya] te klimmen slaagde Hij erin hem te onderwerpen, zijn trots te verslaan en hem met geweld weg te sturen uit het meer van de Yamunâ waarvan het water zo werd bevrijd van zijn gif [10.16 & 17]. (13) Beste Nanda, hoe kan het zo zijn dat wij, al de bewoners van Vraja, onze gevoelens van liefde voor uw zoon niet op kunnen geven, die van Zijn kant zich net zo natuurlijk gedraagt jegens ons? (14) Het feit dat Hij als een jongen van zeven jaar oud de grote heuvel optilde, heeft bij ons o meester van Vraja, een aantal vragen doen rijzen omtrent uw zoon.'

(15) Nanda zei: 'Alstublieft luister naar mijn woorden beste gopa's. Laat jullie twijfel omtrent de jongen varen. Dit is wat Garga me in het verleden heeft gezegd met betrekking tot dit kind [zie ook 10.8: 12-19 voor dezelfde verzen]: (16) 'En Hij hier [de zoon van Yas'odâ] is naar gelang de yuga verschenen in gedaanten met een rode, een witte en een gele kleur. Nu is Hij Krishna [donker van kleur, zie **]. (17) Dit kind kwam voorheen elders ter wereld uit de lendenen van Vasudeva en daarom zullen zij die hiervan op de hoogte zijn over uw kind spreken als de glorieuze Vâsudeva. (18) Er zijn vele gedaanten en namen bekend van uw zoon overeenkomstig de kwaliteiten en handelingen van Zijn verschijnen. Ik ben daarvan op de hoogte, maar de gewone man weet het niet. (19) Dit kind zal in Zijn rol als een Nanda-Gokula koeherder altijd doen wat voor jullie allen het beste is. Met Zijn hulp zullen jullie zonder moeite alle gevaren te boven komen [*3]. (20) O Koning van Vraja, in het verleden, toen er eens een fout regime heerste, heeft Hij de vrome zielen beschermd die werden verstoord door schurken zodat zij, met die kwade elementen verslagen, konden floreren [zie ook 1.3: 28]. (21) Net zoals zij die trouw zijn aan Vishnu niets te vrezen hebben van de Asura's, zullen ook zij die het geluk hebben om met dit kind om te gaan in liefde en genegenheid niet door vijanden worden overweldigd. (22) O Nanda, draag daarom nauwgezet zorg voor de opvoeding van dit kind. Qua kwaliteiten, rijkdom, naam en faam is deze zoon van u zo goed als Nârâyana!' (23) Nadat Garga mij dit had uitgelegd ging hij naar huis. Sedertdien beschouw ik Krishna die ons bevrijdt van alle obstakels, als een expansie van Nârâyana.'

(24) Toen ze deze woorden van Nanda hadden gehoord over wat Garga zei, aanbaden de bewoners van Vraja, door hem geïnspireerd en met hun verbijstering verdwenen, Heer Krishna. (25) De halfgod [Indra] die de regens teweegbrengt bezorgde in zijn woede over het verlies van zijn offerplechtigheid, de koeherders, de dieren en de vrouwen ellende met de inzet van zijn bliksemschichten, hagel en wind. Krishna die zich als hun enige toevlucht beschouwde, glimlachte uit mededogen en pakte om de koeherdersgemeenschap te beschermen de heuvel op met één hand zoals een klein kind een paddestoel oppakt. Moge Hij, de Heer der Koeien, de vernietiger van de arrogantie van de grote koning van de hemel, tevreden over ons zijn!'

*: Deze kleuren zullen later in het elfde Canto in verzen 11.5: 21, 24, 27 en 34 van het Bhâgavatam worden uiteengezet [zie ook een andere site erover].

 

 

Hoofdstuk 27: Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij de heuvel Govardhana had hooggehouden om Vraja te beschermen tegen de regens, kwam uit de wereld van de koeien moeder Surabhi [de hemelse koe] naar Krishna. Ook Indra kwam naar Hem toe. (2) Indra vol van schaamte dat hij zo vijandig was geweest benaderde Hem op een afgezonderde plek [*] en beroerde Zijn voeten met zijn helm die straalde als de zon. (3) Met het vernomen hebben over en getuige geweest zijn van de macht van Heer Krishna, wiens onbegrensde vermogen een einde had gemaakt aan zijn arrogantie dat hij de heer der drie werelden was, sprak hij als volgt.

(4) Indra zei: 'Majesteit, o verblijf der zuivere goedheid, U die van de vrede en de verlichting der boete bent, vernietigde de hartstocht en onwetendheid die voortkwam uit illusie. In U is deze voortdurende stroom van de materiële kwaliteiten niet aanwezig, een stroom waaraan men gebonden is in zijn gehechtheid. (5) Hoe kunnen er in U o Heer [zoals ik veronderstelde, zie 10.25: 3] de oorzaken schuilgaan van het verstrikt zijn - de begeerte en dat alles - die een onwetende persoon kenmerken? U bent toch de Allerhoogste Heer die ter verdediging van het dharma Uw gezag uitoefent om de kwaden te bestraffen? (6) U bent de vader en de goeroe van het hele universum, de Oorspronkelijke Heer en de onoverkomelijke Tijd die, als U - door U Zelf bepaald - Uw bovenzinnelijke gedaanten aanneemt, ernaar streeft om het gezag te vormen dat een einde maakt aan de eigenwanen van hen die denken dat ze de Heer van het Universum zijn. (7) Onwetende zielen als ik die menen dat ze de baas over de wereld zijn geven, als ze U onbevreesd zien [ten tijde van de confrontatie], snel hun inbeelding op. Dat gebeurt als ze, niet langer meer verwaand vanwege Uw lesje voor de kwaden, zich ten volle begeven hebben op het pad der beschaafde heren. (8) Ik was me niet bewust van Uw invloed en wentelde me door mijn heerschappij in hoogmoed. Mijn intelligentie raakte verdwaasd met het begaan van de overtreding. Vergeef het me daarom alstUblieft o Meester die deze gedaante heeft aangenomen. Laat alstUblieft mijn bewustzijn nimmer weer zo verdorven raken o Heer. (9) Uw nederdalen in deze wereld, o Heer van het Voorbije, vond plaats ter wille van het bestaan van hen die Uw lotusvoeten dienen o Godheid, en voor het niet-bestaan van krijgsheren die - met de vele verstoringen die ze veroorzaken - een grote overlast vormen. (10) Ik breng U mijn eerbetuigingen, U de Opperheer en Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de grote Ziel Heer Krishna, de zoon van Vasudeva. Ik betuig mijn respect voor de Meester van de Dienaren van de Absolute Waarheid. (11) Mijn eerbetuigingen zijn er voor Hem die gedaanten aanneemt in reactie op de verlangens van Zijn toegewijden, wiens gedaante zuivere spirituele kennis is, die het zaad vormt van alles en iedereen en die de Ziel is die zich ophoudt in alle levende wezens. (12) O Heer toen mijn offerplechtigheid werd tegengegaan was ik uitermate arrogant en kwaad eropuit om met regen en wind de koeherdersgemeenschap te vernietigen, o Allerhoogste Heer. (13) U, o Meester, hebt met het tonen van Uw genade mijn halsstarrigheid gebroken en mijn pogen vruchteloos gemaakt. Ik ben naar U, het Ware Zelf en de geestelijk leraar, toegekomen om bij U mijn toevlucht te zoeken.'

(14) S'rî S'uka zei: 'Met Krishna op deze manier verheerlijkt door de grootmoedige Indra, glimlachte de Opperheer en sprak Hij, ernstig als de wolken, de volgende woorden tot hem. (15) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ging ertoe over uw offerplechtigheid tegen te houden om u Mijn genade te tonen en er zeker van te zijn dat u, als de koning van de hemel die zo hoogst onder de invloed van de weelde verkeerde, Me voor altijd zou herinneren. (16) Hij, die verblind door de bedwelming van macht en rijkdom Mij niet ziet staan met de roede in Mijn hand, zal Ik, in de wens hem vooruit te helpen, een val bereiden uit zijn welvarende positie [zie ook B.G. 9: 22]. (17) O Indra, u mag nu gaan, Ik wens u alle geluk. Mijn opdracht nalevend mag u, vrij van valse trots, zich bezig blijven houden met uw verantwoordelijkheden.'

(18) Toen sprak moeder Surabhi tot Krishna. Vreedzaam van geest betoonde ze samen met haar koeien haar respect en smeekte ze om de aandacht van de Opperheer die als een koeherdersjongen was verschenen. (19) Moeder Surabhi zei: 'Krishna o Krishna, o Grootste Mysticus! O Ziel en Oorsprong van het Universum, met U als de baas over de wereld, hebben we onze meester gevonden o Onfeilbare. (20) U bent onze Allerhoogste Godheid. O Heer van het Universum, kan U, voor het welzijn van de koeien, de brahmanen en hen die goddelijk en gelouterd zijn, er alstUblieft zijn als onze Indra? (21) Om U onze Indra te maken zullen we een baadceremonie uitvoeren volgens de aanwijzingen van Heer Brahmâ, o Ziel van het Universum die is nedergedaald om de aarde van haar last te bevrijden.'

(22-23) S'rî S'uka zei: 'Heer Krishna werd na dat verzoek door Surabhi gebaad met haar eigen melk. In opdracht van de moeders der halfgoden [de dochters van Aditi] werd Hij toen door Indra gebaad met het uit de hemel gestroomde Gangeswater meegevoerd in Airâvata's slurf. Aldus ontving Hij, de afstammeling van Das'arha, in het gezelschap van de verlichte zielen en de zieners de naam Govinda ['hij die de koeien vindt']. (24) Tumburu, Nârada en de anderen, de zangers van de hemel, de geleerden, de vervolmaakten en de eerbiedwaardigen begaven zich naar die plaats en bezongen de heerlijkheden van de Heer welke de onzuiverheid uit de wereld bannen. De vrouwen van de halfgoden dansten samen vol vreugde. (25) Hij, als het toonbeeld van al de goden, werd vereerd en overladen met een prachtige regen van bloemen. Allen in de drie werelden ervoeren de hoogste voldoening en de koeien doordrenkten de aarde met hun melk. (26) De rivieren stroomden over met allerlei soorten van dranken, de bomen verschaften honing, de planten kwamen tot wasdom zonder in cultuur te zijn gebracht en de bergen gaven hun edelstenen prijs. (27) O [Parîkchit,] lieveling van de Kurudynastie, nadat Heer Krishna was gebaad raakten alle levende wezens, zelfs zij die kwaadaardig van aard zijn [de roofdieren, de oneerlijke mensen], bevrijd van hun vijandigheid. (28) Toen Govinda, de Meester van de Koeien en de Koeherdersgemeenschap aldus door hem was gebaad, nam Indra afscheid en keerde hij omringd door de halfgoden en de anderen terug naar de hemel.'

*: De "afzondering" in kwestie waar Indra S'rî Krishna benaderde wordt door de wijze S'rî Vais'ampâyana vermeld in de Hari-vams'a (Vishnu-parva 19.3): sa dadars'opavishtham vai govardhana-s'ilâ-tale. "Hij zag Hem [Krishna] neerzitten aan de voet van de heuvel Govardhana".

 



Hoofdstuk 28: Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Nadat hij de elfde dag [van een halve maanmaand, ekâdas'î] gevast had en hij de Handhaver van Allen [Janârdana] had aanbeden, ging Nanda de twaalfde dag het water van de Yamunâ in voor een bad. (2) Een duistere dienaar van Varuna greep hem beet en leidde hem voor zijn meester omdat hij had veronachtzaamd dat 's nachts het water ingaan een ongunstig tijdstip vormde. (3) O Koning, de gopa's die hem niet meer zagen riepen luid: 'O Krishna, o Râma!', waarop de Allerhoogste Heer, de Almachtige die Zijn mensen onbevreesd maakt, er achter kwam dat Zijn [pleeg]vader was ingerekend door Varuna. Hij begaf zich naar Varuna's plaats. (4) Zo gauw die zag dat de Heer der Zinnen was gearriveerd bewees hij, de godheid die over dat bereik [van de wateren] heerste, Hem uitvoerig de eer, zeer verheugd als hij was over Zijn aanwezigheid.

(5) S'rî Varuna zei: 'Vandaag mag ik de ware weelde genieten van het succes van mijn lichamelijke bestaan o Heer, want het is zo dat zij die Uw lotusvoeten [mogen] dienen, de overstijging van hun materiële levensweg hebben bereikt. (6) Ik breng U mijn eerbetuigingen o Allerhoogste Persoonlijkheid van God, U die de Absolute Waarheid en de Hoogst Verheven Ziel bent op wie de begoochelende energie mâyâ, waaruit de materiële schepping is samengesteld, geen vat heeft. (7) Die onwetende dienaar van mij was een dwaas die zijn plicht niet kende [*] toen hij deze man hier inrekende die Uw vader blijkt te zijn. Neem me niet kwalijk Uwe goedheid. (8) Wees zelfs voor mij o Krishna, o U die alles ziet, alstUblieft van genade. O Govinda, hij hier die Uw vader is hoort beslist bij U te zijn die zo vol van zorg voor Uw ouders bent.'

(9) S'rî S'uka zei: 'Krishna, de Allerhoogste Heer en Heerser over alle Heersers, die aldus tevreden was gesteld, nam Zijn vader met zich mee en ging terug naar Zijn verwanten die Hij heel blij maakte. (10) Nanda die nooit eerder kennis had gemaakt met de grote weelde van de heer van het bereik [der wateren] of getuige was geweest van de eerbetuigingen die zij [Varuna en zijn volgelingen] Krishna brachten, sprak vol verwondering tot zijn vrienden en familieleden. (11) Zij, de gopa's met Hem als hun Heer gretig luisterend o Koning, dachten: 'Misschien wil de Allerhoogste Meester ons laten delen in Zijn subtiele, alles doordringende geest, Zijn bestemming!'

(12) Hij, de Allerhoogste Heer die alles van Zijn toegewijden ziet en begrijpt, dacht vol mededogen wat betreft de vervulling van hun verlangen: (13) 'De mensen in deze wereld die onwetend verwikkeld zijn in begeertige handelingen, dwalen tussen hogere en lagere doelen zonder zich bewust te zijn van hun eigenlijke bestemming.'

(14-15) Met deze overweging toonde de Allerhoogste Heer Hari in Zijn grote mededogen de gopa's Zijn verblijf voorbij de duisternis der materie: het ware, onbegrensde, spirituele kennen dat het licht is van het eeuwige absolute zoals dat door de wijzen wordt waargenomen als ze in trance ver verwijderd zijn van de materiële kwaliteiten. (16) Zij werden door Krishna naar het meer van de Ene Geest [brahma-hrada] gebracht en erin ondergedompeld. Daaruit weer opgetild zagen ze het verblijf van de Absolute Waarheid zoals Akrûra dat heeft gezien [3.1: 32, 10.38 & 10.40]. (17) Nanda en de anderen raakten overweldigd door een goddelijke verrukking toen ze dat zagen en waren hoogst verrast Krishna daar Zelf aanwezig te zien die uitvoerig werd geprezen met Vedische hymnen.'

*:
Prabhupâda's leerlingen geven als commentaar op de preciese uitvoering van de zaken aangaande het ekâdas'î-vasten en gunstige tijden om te baden: 'Natuurlijk, Varuna's dienaar zou zich bewust zijn geweest van deze technische details, welke bedoeld zijn voor hen die strict de Vedische rituelen volgen.'

 


Hoofdstuk 29: Het Râsa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Hoewel Krishna de Allerhoogste Heer was, besloot Hij, vertrouwend op Zijn innerlijk vermogen [zie yoga-mâyâ], te genieten van de herfstnachten die Hij zag waarin de jasmijnbloemen bloeien. (2) De koning van de sterren [de maan] kleurde te dien tijde met zijn actie het aangezicht van het oosten rood, waarmee hij allen die naar hem uitkeken een genoegen deed, precies zoals een minnaar die naar zijn geliefde toekomt een einde maakt aan haar leed als hij zich na een lange tijd weer laat zien. (3) Krishna zag hoe de kumudalotussen zich openden voor de volle maanschijf die zo rood gloeide als de verse kunkuma op het gelaat van de godin van het geluk. Hij zag hoe het woud rood kleurde door de zachte stralen van dat licht en speelde lieflijk op Zijn fluit die de geesten van de [gopî's met hun] mooie ogen bekoorde. (4) Dat lied gehoord door de vrouwen van Vraja, wekte Cupido op in hun harten zodat ieder van hen, zonder dat de anderen er weet van hadden, met haar geest in de greep van Krishna en met van de haast zwaaiende oorhangers, zich naar de plek begaf waar Hij, haar vriendje, zich bevond. (5) Sommigen vertrokken midden onder het melken van de koeien, sommigen lieten in hun geestdrift de melk staan die op het fornuis stond terwijl anderen vertrokken zonder de cake uit de oven te halen. (6-7) Sommigen zetten de kinderen naast zich neer die ze melk aan het geven waren en kleedden zich om zonder nog te denken aan de dienst die ze voor hun echtgenoten zouden verrichtten. Sommigen vertrokken midden onder het eten, sommigen terwijl ze zich olieden, terwijl ze zich insmeerden of terwijl ze hun ogen opmaakten. Anderen begaven zich naar Krishna zonder dat hun kleren en sieraden in orde waren. (8) Ze werden tegengehouden door hun echtgenoten, vaders, broers en andere verwanten maar, bekoord door Govinda met hun harten gestolen, keerden ze echter niet om [voor hun huishoudelijke taken]. (9) Sommige gopî's die er niet in slaagden om weg te komen, bleven thuis en sloten hun ogen om te mediteren op hun [bovenzinnelijke] verbondenheid in de liefde met Hem [zie voetnoot* en 10.1: 62-63]. (10-11) De onverdraaglijke, intense kwelling gescheiden te zijn van hun Geliefde, deed al het slechte denken wijken. Maar hun materiële deugd reduceerde ook tot nul door de vreugde die ze door hun meditatie op de omhelzing met Acyuta verkregen. Hoewel Hij de Opperziel was, dachten ze over Hem als hun minnaar. Met het verkrijgen van Zijn directe omgang echter werden hun karmische banden tegengegaan zodat ze onmiddellijk hun fysieke belangstelling opgaven die beheerst wordt door de natuurlijke geaardheden.'

(12) S'rî Parîkchit zei: 'Zij kenden Krishna enkel als hun geliefde en niet als de Absolute Waarheid o wijze. Hoe kon er voor hen zo vol van gedachten over de materiële kwestie, nu een einde komen aan de machtige stroom der guna's?'

(13) S'rî S'uka zei: 'Ik sprak hierover al eerder met u [in 3.2: 19 en in 7.1: 16-33]. Als de koning van Cedi [S'is'upâla] zelfs de volmaaktheid kon bereiken door de Heer der Zinnen te haten, wat zou dat dan wel niet betekenen voor hen die de Heer in het Voorbije dierbaar zijn? (14) Het persoonlijke verschijnen van de Allerhoogste, Onvergankelijke en Ondoorgrondelijke Heer die, vrij van de geaardheden, de heerser over de geaardheden is, is er om de mensheid te leiden tot de vervolmaking van het leven o Koning. (15) Zij die jegens de Heer constant ofwel in lust, woede, angst, genegenheid, eenheid of vriendschap verkeren, zullen de verzonkenheid in Hem zeker bereiken. (16) U moet zich niet verbazen over dit [feit] aangaande de Ongeboren, Hoogste Persoonlijkheid, de meester van alle meesters van de yoga, Krishna door wie deze wereld haar bevrijding vindt. (17) Toen de Opperheer de meisjes van Vraja bij zich zag komen liet Hij, de beste van alle sprekers, zich niet uit in bekoorlijke woorden die hen in verwarring zouden brengen. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik heet jullie allen welkom o fortuinlijke dames. Wat kan Ik doen om jullie te behagen? Zeg Me alsjeblieft of in Vraja alles in orde is en waarom jullie hier naar toe kwamen. (19) Deze nacht is vol van angstwekkend ogende, enge wezens, keer alsjeblieft terug naar Vraja o slanke meisjes. Jullie vrouwen moeten hier niet rondhangen. (20) Zonder twijfel zijn jullie moeders, vaders, zoons, broers en echtgenoten naar jullie op zoek en kunnen ze jullie nergens vinden. Maak jullie families niet bang. (21-22) Jullie hebben Râka [de godin van de volle maansdag] zien schitteren met haar maanlicht. Jullie hebben het woud vol bloemen gezien dat zelfs nog aangenamer is door het briesje dat afkomstig van de Yamunâ speelt door de bladeren van de bomen. Ga nu, zonder dralen, terug naar het koeherdersdorp. Jullie moeten je echtgenoten van dienst zijn o kuise dames, de kalfjes en de kindjes huilen ervoor dat jullie ze melk geven. (23) Of als jullie, anderszins, zijn gekomen omdat jullie je in je harten hebben overgegeven uit liefde voor Mij, is dat zeker lofwaardig van jullie daar alle levende wezens Mij toegenegen zijn. (24) Voor vrouwen bestaat het hoogste dharma eruit om gewetensvol haar echtgenoot van dienst te zijn, eenvoudig en eerlijk te zijn tegenover de verwanten en goed te zorgen voor haar gezin. (25) Tenzij hij ten val kwam [met zijn geloof dan wel zijn huwelijkstrouw] moet een echtgenoot zelfs als die slecht gemutst is, onfortuinlijk, oud, afgetakeld, ziek of arm, door vrouwen die naar de hemel willen niet worden afgewezen [zie ook 9.14: 37 en B.G. 1: 40]. (26) Het is voor een welopgevoede vrouw te allen tijde een afkeurenswaardige zwakheid om zich oneerbaar te verliezen in overspel; het roept angst op en schaadt de reputatie. (27) Door te luisteren, in Mijn aanwezigheid te verkeren [met de beeltenis en de toegewijden], door te mediteren en door verhalen te vertellen [te verkondigen en te publiceren] is men van liefde voor Mij, en niet zozeer door Mij fysiek nabij te zijn. Ga daarom allemaal terug naar huis [zie ook 10.23: 33].'

(28) S'rî S'uka zei: 'De gopî's die aldus de voor hen niet zo aangename woorden van Govinda hoorden, ondervonden, vertwijfeld te zijn teleurgesteld in hun sterke verlangens, een moeilijk te overwinnen zielenpijn. (29) Verdrietig lieten ze, terwijl ze met hun voet over de grond schraapten, hun gezichten hangen en hun bimbarode lippen al zuchtend verdrogen. Met de tranenvloed die hun make-up bedierf en de kunkum op hun borsten wegwaste, droegen ze in stilte de last van hun grote leed. (30) Hun Geliefde had, in het geheel niet zo lief, hen tegengesteld toegesproken, terwijl ze te Zijnentwille hadden afgezien van al hun materiële verlangens. Ze veegden hun tranen weg en stopten met huilen en zeiden toen, met hun stemmen verstikt in gehechtheid, gekweld iets tegen Hem terug. (31) De mooie gopî's zeiden: 'O Machtige, o Goedheid, Je moet niet zo hardvochtig spreken. AlstJeblieft beantwoordt onze toewijding aan Jouw voeten waarvoor wij van al het overige hebben afgezien, wijs ons niet zo moeilijk-te-krijgen terug. Wees net als de Godheid, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die wederkerig is met hen die verlangen naar bevrijding. (32) O liefste, Jij als de Kenner van het Dharma sprak aldus over de plicht der vrouwen die zou bestaan uit haar trouw aan haar echtgenoot, kinderen en verwanten. Zo zij het, maar is het niet zo dat Jij o Heer, Jij de Godheid, de hoogst gewaardeerde die als de Ziel voor al de belichaamde wezens de meest nabije verwant is, het ware voorwerp van deze instructie bent? (33) De deskundigen zijn steeds Jou van dienst, Jij die hen altijd bekoort als hun eigenlijke Zelf. Dus wat betekenen dan onze echtgenoten, kinderen en verwanten voor ons die ons last bezorgen? Wees ons genadig o Allerhoogste Meester, ontneem ons o Lotusogige, niet de door ons zo lang gekoesterde hoop op Jou. (34) Zonder moeite nam Je bezit van onze geesten welke opgingen in ons huishouden, alsook van onze handen die druk bezig waren met huishoudelijk werk. Onze voeten zullen zich geen stap van Jouw voeten verwijderen. Hoe kunnen we nu teruggaan naar Vraja, wat moeten we anders doen? (35) AlstJeblieft, o Allerbeste, stort de vloed van de nectar van Je glimlachende blikken en melodieuze liederen die [met de fluit] ontsnappen aan Je lippen, uit over het vuur in onze harten. Want anders zullen we onze lichamen aan het vuur overgeven dat brandt van de gescheidenheid en door meditatie op Je voeten Jouw verblijf bereiken o Vriend. (36) O Jij met Je lotusogen, voor de godin van het geluk is het een feest telkens als ze verblijft aan de basis van Je voeten, de voeten die nu worden gekoesterd door [ons] de mensen die in het bos leven. Als we ze aanraken zullen wij, vervuld van Jouw vreugde, vanaf dat moment ons nimmer meer in de directe nabijheid van welke andere man dan ook op kunnen houden! (37) De godin van het geluk die samen met Tulasî-devî een plaats op Je borst heeft verworven, wordt door dienaren gediend en de andere goden proberen haar goedkeurende blikken te verwerven. Maar zoals zelfs zij nog het stof van Je lotusvoeten begeert, hebben ook wij de toevlucht van het stof van Je voeten gezocht. (38) Wees ons daarom genadig o Vernietiger van Alle Leed. Met het verzaken van onze huishoudens hebben we Jouw voeten benaderd in de hoop Je te kunnen aanbidden. Sta het ons alstJeblieft toe om Jou, o sieraad van alle mensen, van dienst te zijn, o Jij met Je mooie glimlachen en blikken waar onze harten in een intens verlangen naar smachten. (39) Met de aanblik van Je gezicht omlijst door Je haar, de schoonheid van Je oorhangers bij Je kaken, de nectar van Je glimlachende lippen, die blikken die iemand onbevreesd maken, Je beide machtige armen en met het zien van Je borst, de enige bron van genoegen voor de godin, zijn we overgeleverd als Jouw dienaren. (40) Welke vrouw in de drie werelden o teerbeminde, zou, geheel ondersteboven zijnde van de melodieën van de liederen die Jij tevoorschijn tovert uit Je fluit, niet afwijken in haar burgerlijke gedrag bij de aanblik van deze gratie van de drie werelden, deze schitterende gedaante waardoor (zelfs) de koeien, de vogels, de bomen en de herten een huiver vol vreugde ervaren? (41) Jij hebt duidelijk Je geboorte genomen als de Godheid die de angst en het leed van de mensen van Vraja verdrijft, als niemand anders dan de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die al de goden en werelden beschermt. Wees daarom zo goed o Vriend van Allen die in Nood Verkeren, Je lotusgelijke hand op de brandende borsten en hoofden van Je dienstmaagden te leggen.'
 
(42)
S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij de vertwijfelde woorden van de gopî's had aangehoord, glimlachte de Heer van al de Heren der Yoga vol van genade, Hij die tevreden was ondanks dat Hij immer in Zichzelf tevreden is. (43) Met hen allen tezamen zijnde straalde Hij als de - als het gespikkelde hert - gevlekte maan omringd door de sterren. Hij als de Onfeilbare Heer die zo gul en groots is met Zijn blikken en bewijzen van genegenheid, liet hun gezichten opbloeien met Zijn brede glimlachen die Zijn jasmijngelijke tanden deden blinken. (44) Bezongen en Zelf zingend als de gebieder van honderden vrouwen, droeg Hij de vijfkleurige [Vaijayantî-]bloemenslinger waarmee Hij de schoonheid van het woud waarin Hij zich rondbewoog verhoogde. (45-46) Samen met de gopî's kwam Hij aan bij de rivieroever die, bediend door de golven, koel was met haar [vochtige] zand en aangenaam was door de geur van de lotussen die werd meegevoerd door de wind. Samen met de schoonheden van Vraja Cupido tot leven wekkend, schiep Hij er genoegen in Zijn armen om hen heen te slaan in omhelzingen. Hun haar, middel, dijen en borsten zo met Zijn handen beroerend, wierp Hij hen, ze uitdagend strelend met Zijn vingernagels, Zijn blikken toe en speelde en lachte Hij met hen. (47) Op deze manier van Krishna, de Allerhoogste Heer, de speciale aandacht van de Grotere Ziel krijgend, werden ze trots en beschouwden ze zichzelf als de beste van alle vrouwen op aarde. (48) Toen Hij zag hoe ze als gevolg van hun geluk in een bedwelmde staat van inbeelding verkeerden, verdween Heer Kes'ava, bij wijze van genade, uit het zicht om dat een halt toe te roepen.'

*: De verschillende typen gopî's waar hier sprake van schijnt te zijn worden eveneens vermeld in de Padma Purâna:

gopyas tu s'rutayo jñeyâ
rishi-jâ gopa-kanyakâh
deva-kanyâs' ca râjendra
na mânushyâh kathañcana

'Het wordt begrepen dat sommige van de gopî's de Vedische literatuur personifiëren (s'ruti-cârî), terwijl anderen gereïncarneerde wijzen zijn (rishi-cârî's), dochters van koeherders (gopa-kanyâ's), of halfgodenmaagden (deva-kanyâ's). Maar in geen geval, mijn beste Koning, is ook maar een van hen een gewoon menselijk wezen.' Er is ook sprake van sâdhana-siddha's en nitya-siddha's: zij die vervolmaakt in de geestelijke discipline zijn en zij die zo geboren zijn.



Hoofdstuk 30: De Gopî's op Zoek naar Krishna die Verdween met Râdhâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de Allerhoogste Heer zo ineens was verdwenen, betreurden de jonge dames van Vraja het zo erg Hem niet meer te zien als wijfjesolifanten die hun stier missen. (2) De dames die in hun harten waren  overweldigd door de bewegingen, liefdevolle glimlachen, speelse blikken, charmante praatjes en andere gracieuze gebaren van de echtgenoot van Ramâ, speelden verzonken in Hem daarop ieder van die wonderbaarlijke activiteiten na. (3) De liefjes verloren zich in het imiteren van de bewegingen, glimlachen, de blikken en het praten en zo meer van hun Geliefde, die zich feitelijk aldus door hun lichamen heen uitdrukte. Onder de invloed van Krishna's manier van doen zeiden ze tegen elkaar: 'Hij is helemaal in mij!' (4) Samen zongen ze hardop over Hem en zochten ze als gekken overal in het bos, de bomen vragend naar de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die, net als de ether, zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is: (5) 'O as'vattha [heilige vijgenboom], o plaksha [golfbladige vijgenboom], o nyagrodha [baniaan], hebben jullie de zoon van Nanda gezien die is verdwenen nadat Hij met Zijn liefdevolle glimlachen en blikken onze harten stal? (6) O kurabaka [rode amaranth], as'oka, nâga, punnâga en campaka, hebben jullie de jongere broer van Balarâma voorbij zien komen die met Zijn glimlach de trots verslaat van ieder meisje dat te hooghartig is? (7) O lieve tulasî, heb jij zo vol van liefde voor Govinda's voeten, onze allerliefste Acyuta gezien die je, met zwermen bijen om zich heen, met zich meedraagt? (8) O mâlati-, jâti-, yûthikâ- en mallikâ-jasmijn, hebben jullie Mâdhava langs zien komen die met Zijn aanrakingen jullie in blijdschap verzet? (9) O cûta [mango-klimplant], priyâla, panasa en âsana [broodvruchtbomen]; o kovidâra [berg-ebbe], jambu [houtappel], arka, bilva [belfruit], bakula [mimosa] en âmra [mangoboom]; o kadamba en nîpa en wie nog meer van jullie die voor het heil van anderen hier aan de oever van de Yamunâ leven, alsjeblieft wees zo goed om ons die van ons verstand zijn beroofd, te zeggen welk pad Krishna heeft genomen. (10) O [moeder] aarde, welke verzaking moet u wel niet hebben volbracht dat u werd betreden door Kes'ava's voeten met een vreugde die het haar op uw lichaam [haar grassen en zo] overeind doet staan? Of hebt u misschien uw schoonheid eraan te danken dat u werd betreden door de voeten van Vâmanadeva [zie 8.18-22] of misschien omdat u werd omhelsd door het lichaam van Varâha [3.13]? (11) O echtgenote van het hert, o vriendin, ben je Acyuta hier met Zijn geliefde tegengekomen, Hij die met al Zijn leden een lust voor het oog is? In de lucht hangt nog de geur van de bloemenslinger van de Meester van de Gopî's die in aanraking met de borsten van Zijn vriendin werd gekleurd door de kunkum. (12) O bomen, toen Râma's jongere broer langskwam met Zijn arm gelegd over de schouder van Zijn liefje, met een lotus in Zijn hand en met de tulasîbloemen [om Zijn nek] gevolgd door een zwerm bijen blind van de bedwelming, merkte Hij met Zijn liefdevolle blikken toen op dat jullie voor Hem bogen? (13) Laten we het deze klimplanten vragen. Ondanks dat ze de armen van hun meester, deze boom, omknellen, hebben ze toch notie genomen van de aanraking van Zijn vingernagels. Zie hoe hun oppervlak zich welft van de vreugde!'

(14) De gopî's die zich aldus dwaas uitlieten raakten, radeloos op zoek naar Krishna, volledig verzonken in Hem toen ieder van hen een bepaald avontuur of tijdverdrijf van de Fortuinlijke ging naspelen. (15) Een van hen dronk als Krishna bij een andere gopî die Pûtanâ speelde als was ze een kind aan haar borst, terwijl weer een andere zich opstelde als de kar die door de voet van een andere huilende gopî omver werd geschopt [zie hoofdstukken 10.6 en 7]. (16) Een gopî die Krishna nadeed werd weggedragen door een andere gopî die een Daitya imiteerde [Trinâvarta, zie 10.7] en weer een andere liet rondkruipend haar enkelbelletjes tinkelen terwijl ze haar voeten achter zich aansleepte. (17) Twee gedroegen zich als Krishna en Râma met een stel anderen die de gopa's nadeden en doodden er een die Vatsâsura nadeed terwijl nog twee anderen naspeelden wat er gebeurde met Bakâsura [zie 10.11]. (18) Net als Krishna roepend naar de koeien in de verte werd één gopî, die speelde als Hij en deed alsof ze de fluit liet klinken, door anderen geprezen die zeiden: 'Goed gedaan!' (19) Een van hen liep rond met een arm over de schouder gelegd [van een vriendin] en verklaarde: 'Kijk eens naar mijn gracieuze bewegingen, ik ben Hem!' en hield aldus haar geest op Hem gevestigd. (20) 'Wees niet bang voor de regen en de wind, Ik heb in jullie verlossing voorzien' zo zei er een die er met één hand in slaagde haar sjaal omhoog te houden [alsof het de heuvel Govardhana was, zie 10.25]. (21) O meester der mensen, één gopî klom bovenop een andere en verklaarde met haar voet op haar hoofd: 'O valse slang, ga weg, Ik nam Mijn geboorte als degene die de kwaden bestraft!' [zie 10.16] (22) Toen zei er één: 'O gopa's, kijk eens wat een felle bosbrand daar, doe snel jullie ogen dicht, dan zal Ik zonder moeite voor jullie bescherming zorgen!' (23) Een slanke gopî werd met een bloemenslinger vastgebonden door een andere gopî die zei: 'Nou heb ik Je te pakken, ik bind Je aan het stampvat vast, Jij pottenbreker en boterdief!' en met dat gezegd bedekte een andere haar gezicht en mooie ogen, en deed alsof ze bang was.

(24) Op deze manier bezigzijnd en overal in Vrindâvana de bomen en de klimplanten vragend waar Hij was, zagen ze op een plek in het bos de voetafdrukken van de Allerhoogste Ziel: (25) 'Dit zijn duidelijk de voetafdrukken van de zoon van Nanda. Dat kan je zien aan de [merktekenen van de] vlag, de lotus, de bliksemschicht, de korenaar en de olifantendrijfstok [zie*]. (26) De meisjes die aan de hand van de verschillende voetafdrukken Zijn spoor volgden, ontdekten tot hun grote teleurstelling dat ze de hele weg werden begeleid door de voetafdrukken van één van hen. Daarop zeiden ze: (27) 'En van wie van ons zijn deze voetafdrukken naast die van de zoon van Nanda? Over wiens schouder heeft Hij, als een stier met een wijfjesolifant, Zijn arm gelegd? (28) Hij moet volmaakt door haar vereerd zijn [ârâdhitah, zie Râdhâ] als zijnde de Allerhoogste, Ene Heer en Meester, want Govinda aldus behaagd heeft ons laten zitten en haar apart genomen. (29) O meisjes, hoe heilig zijn de stofdeeltjes van Govinda's lotusvoeten wel niet die Heer Brahmâ, Heer S'iva en S'rî Ramâdevî [Lakshmî] op hun hoofden nemen om [de gevolgen van] de zonden te verdrijven? (30) Voor ons zijn deze voetafdrukken meer verontrustend, want wie van ons gopî's werd er nou apart genomen om in afzondering van Acyuta's lippen te genieten? Kijk, hier kunnen we haar voeten niet meer zien. De grashalmen en twijgjes hebben zeker de zolen van haar tere voeten pijn gedaan waardoor haar geliefde Zijn lieveling heeft opgetild. (31) Toen Hij Zijn liefje droeg gingen de voetafdrukken veel dieper... Kijk toch eens o gopî's, hoe, gebukt onder het gewicht, ons zo intelligente voorwerp van verlangen Krishna Zijn vriendin hier heeft neergezet om wat bloemen te plukken. (32) En zie deze halve voetafdrukken hier. Om bloemen te verzamelen voor Zijn beminde liefje maakte de Geliefde deze afdruk door op Zijn tenen te staan. (33) En verder ging de verliefde vriend, teneinde haar haar te schikken, met Zijn liefhebbende meisje precies hier zitten om voor Zijn schatje met die bloemen een krans te maken.'

(34) [S'rî S'uka zei:] 'Hoewel Krishna volmaakt tevreden, voldaan en onverdeeld was in zichzelf, genoot Hij met haar en liet Hij daarmee de begerigheid en zelfzucht zien van mannen en vrouwen die door lust worden bewogen. (35-36) Krishna gaf  in dezen er blijk van voor welke gopî Hij de andere vrouwen had verlaten, de gopî's die helemaal verdwaasd ronddoolden in het bos. En zij [op haar beurt] dacht toen van zichzelf: 'Hij heeft mij, de beste van alle vrouwen, aanvaard als Zijn geliefde en de gopî's afgewezen die zich laten leiden door lust!'

(37) Op weg toen naar die plek in het bos zei zij, trots rakend, tot Krishna: 'Ik kan niet meer verder, draag me alsJeblieft waarheen Je maar wilt'.

(38) Aldus aangesproken zei Krishna tot Zijn geliefde: 'Klim maar op Mijn rug' en toen verdween Hij. Dat speet haar enorm.

(39) 'O Meester, o Minnaar, o Liefste, waar ben Je nou, waar zit Je? O Jij met Je machtige armen, alsJeblieft mijn vriend, laat Jezelf zien aan mij, Je treurende dienstmaagd!'

(40) S'rî S'uka zei: 'De gopî's die het spoor van de Opperheer volgden ontdekten niet ver daar vandaan hun ongelukkige vriendin in staat van verbijstering over het feit dat ze was gescheiden van haar Geliefde. (41) Tot hun opperste verbazing hoorden ze haar zeggen dat ze Mâdhava's respect had verworven maar dat Hij haar ook had laten zitten omdat ze zich slecht gedroeg. (42) Voor zover het licht van de maan dat toestond, gingen ze toen het bos in [om Hem te zoeken], maar toen ze merkten dat het donker werd, zagen de vrouwen ervan af. (43) Verdiept in Hem, Hem besprekend, Hem naspelend en vervuld van Zijn aanwezigheid eenvoudig Zijn kwaliteiten bezingend, dachten ze niet langer meer na over hun huishoudens [zie ook 7.5: 23-24]. (44) Terugkerend naar de oever van de Yamunâ mediteerden ze op Krishna, zongen ze samen en wachtten ze reikhalzend Zijn komst af.

*: In de Skanda Purâna vindt men een verklaring van deze [in totaal negentien] merktekens: 'Onderaan bij Zijn grote teen op de rechtervoet, draagt de Ongeboren Heer het merkteken van de schijf, welke de zes [mentale] vijanden de pas afsnijdt. Onder aan zijn middelteen van diezelfde voet heeft Heer Acyuta een lotusbloem, welke het verlangen naar Hem doet toenemen in de geesten van de bij-achtige toegewijden die op Zijn voeten mediteren. Onderaan Zijn kleine teen is er een bliksemschicht, die de bergen van terugslagen van zonden in het verleden van de toegewijden vernietigt, en midden op Zijn hiel treft men het merkteken van de olifantendrijfstok aan, welke de olifanten van de geesten van de toegewijden onder controle brengt. Het kootje van zijn rechter grote teen draagt het kenmerk van de korenaar, die allerhande genietbare weelde vertegenwoordigt. Een bliksemschicht wordt aangetroffen aan de rechter kant van Zijn rechtervoet, en een olifantendrijfstok daaronder.' Zie de Vedabase van 10.30: 25 voor verdere informatie.


 

Hoofdstuk 31: De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

(1) De gopî's zeiden: 'Vanwege Jouw geboorte is het land van Vraja aldoor zegerijker en verblijft de godin van het geluk daar onophoudelijk. Laat Je zien o geliefde, Jij voor wie de toegewijden die overal naar Je op zoek zijn hun levensadem gaande houden. (2) Als Jij hier niet bent o Fijnste der Genade, maak Jij met de schoonheid van Je blik - welke de voortreffelijke schoonheid van het hart van de lotus overtreft die zo volmaakt groeide in het herfstmeer - een einde aan het leven van ons, de dienstmaagden die zich aan Jou gaven zonder er iets voor terug te verwachten o Heer van de Liefde. Is dat geen moord? (3) Telkens weer o Grootste Persoonlijkheid, werden we door Jou beschermd tegen alles wat angst aanjaagt: tegen de ondergang door water [van Kâliya, 10.16], tegen de demon [Agha, 10.12], tegen de regens, de storm en de bliksemschichten [van Indra, 10.25] en tegen de stier en de zoon van Maya [de incidenten met Arishthâsura en Vyomâsura die S'uka later bespreekt]. (4) O Vriend, Jij die verscheen in de dynastie der toegewijden [de Sâtvata's] bent in feite niet de zoon van een gopî [Yas'odâ]. Jij vormt de Heerlijkheid van de ziener, het innerlijke bewustzijn van al de belichaamde wezens, o Jij die verscheen op verzoek van Brahmâ die bad voor de bescherming van het universum [zie ook 3.8: 16 en 10.14]. (5) Jij die de hand van de godin beet nam o beste van de Vrishni's, maakte hen onbevreesd die in de angst om hun materiële bestaan Jouw voeten benaderden. AlstJeblieft o Minnaar, leg als antwoord op onze verlangens Je lotushand op onze hoofden. (6) O Jij die een einde maakte aan het lijden van de bewoners van Vraja, o Held van de vrouwen die met Zijn glimlach de valse lach van de mensen verslaat, alstJeblieft o Vriend aanvaard ons, Je eeuwige dienstmaagden. Laat alstJeblieft Je prachtige lotusgezicht zien. (7) Jouw lotusvoeten die de zonden wegnemen van de belichaamde zielen die zich overgeven aan Jou, die achter de gras etende koeien aanlopen, die het verblijf van de godin vormen en die op de kragen stonden van het serpent, plaats ze alstJeblieft op onze borsten en ban de lust uit onze harten. (8) O Jij met Je lotusogen, door Jouw lieve charmante stem en woorden die zo aantrekkelijk zijn voor de intelligenten, raken deze dienstmaagden o Held, in de war. AlstJeblieft wek ons weer tot leven met de nectar van Je lippen. (9) De nectar van Jouw verhalen zoals beschreven door de grote denkers, verdrijft de zonden van de individuele zielen die het moeilijk hebben [in de materiële wereld]. Beladen met spirituele macht doen ze allen goed die ze horen. O welk een zegen vormen de personen die met gezang die verhalen verspreiden over de hele wereld [*].

(10) Het doet ons goed om te mediteren op Je beminnelijke glimlachen vol goddelijke liefde, Je blikken en Je avonturen, maar door die intieme onderonsjes, welke ons recht in ons hart raken o schurk, raken onze geesten van streek! (11) Als Je uit Vraja vertrekt om de dieren te hoeden o Meester, kwelt het ons. We voelen ons vanbinnen ongemakkelijk o Minnaar, als we denken aan de zaaddozen, grassen en opschietende planten die zo scherp zijn voor Je voeten, de voeten die nog prachtiger zijn dan een lotus o Meester. (12) Als Je tegen de avond Je blauwzwarte lokken en lotusgezicht weer laat zien dicht overdekt met stof, maak Je telkens weer Cupido wakker in onze geesten o Held. (13) Je lotusvoeten schenken de hoogste voldoening met het vervullen van de verlangens van degenen die voor hen buigen en met het aanbeden zijn door hem die op de lotus zijn geboorte nam [Brahmâ]. Ze vormen de pracht van de aarde en zijn het juiste voorwerp om op te mediteren in tijden van nood. Plaats daarom alstJeblieft o Minnaar, o Verdrijver van de Angst, Je voeten op onze borsten. (14) Het lijden wordt vernietigd en het geluk van de liefde neemt toe door de klanken van Je fluit die, zo perfect gehanteerd [door Jou], ons de gehechtheid aan andere personen doet vergeten. AlstJeblieft o Held, laat ons delen in de nectar van Je lippen! (15) Als Je overdag weggaat wordt een enkel moment als een eeuwigheid voor hen die Je krullende haarlokken en Je prachtige gezicht niet zien. Hoe dwaas is niet hij [Brahmâ] die de oogleden geschapen heeft van hen die naar Je uitkijken! (16) Onze echtgenoten, kinderen, voorouders, broers en andere verwanten totaal verwaarlozend zochten we Jouw aanwezigheid o Acyuta, o Jij die op de hoogte bent van onze beweegredenen. O bedrieger, hoe kon Je nu midden in de nacht de vrouwen in de steek laten wiens geesten van slag raakten door het heldere geluid van Je fluit? (17) Door ons intiem met Je te onderhouden voelden we de lust in onze harten opkomen, door Je te zien met Je glimlachende gezicht, liefdevolle blikken en Je brede borst die het verblijf van de godin vormt, sloegen onze geesten erg smachtend, keer op keer op hol. (18) Voor de bewoners van de bossen van Vraja vormt Jouw zo heel, voor iedereen en alles, gunstige verschijning de vernietiging van hun leed o liefste. Gun ons een beetje van dat medicijn dat de ziekte bestrijdt in de harten van Je toegewijden die hunkeren naar Jou. (19) Jouw zo tere lotusvoeten plaatsen wij, o liefde van ons, zachtjes op onze borsten, in de vrees dat het bos waar Je rondtrekt te ruig voor ze is. Wij die Jou o Heer, als de essentie van ons leven beschouwen, maken ons met onrustige geesten er zorgen over dat ze te lijden hebben onder steentjes en dergelijke [zie verder ook de S'ikshâshthaka].'

*: De leerlingen van Prabhupâda refereren hier aan het volgende verhaal: 'Koning Pratâparudra reciteerde dit vers voor S'rî Caitanya Mahâprabhu tijdens het Ratha-yâtrâ festival van Heer Jagannâtha. Terwijl de Heer rustte in een tuin, deed koning Pratâparudra nederig zijn intrede en begon hij Zijn benen en lotusvoeten te masseren. Toen reciteerde de koning het eenendertigste hoofdstuk van het tiende canto van het S'rîmad Bhâgavatam, de gezangen van de gopî's. De Caitanya-caritâmrita onthult dat toen Heer Caitanya dit vers hoorde, beginnende met tava kathâmritam, Hij terstond oprees in extatische liefde en koning Pratâparudra omhelsde. Het voorval wordt in detail beschreven in de Caitanya-caritâmrita (Madhya 14.4 - 18), en in zijn uitgave heeft S'rîla Prabhupâda er een uitgebreid commentaar bij gegeven.'

 

 


Hoofdstuk 32: Krishna Keert Terug naar de Gopî's

(1) S'rî S'uka zei: 'En zo gingen de gopî's o Koning, maar door met zingen en uitzinnig praten, vertederend hardop huilend en smachtend naar de aanwezigheid van Krishna. (2) De zoon van Vasudeva [ofwel S'auri, 'de Zoon van de Held'], de Verdwazer van [Cupido] de Verdwazer van het verstand, verscheen toen recht voor hun ogen, glimlachend met Zijn lotusgelijke gezicht, gekleed in een geel gewaad en met een bloemenslinger om. (3) Toen ze zagen dat Hij, hun teerbeminde, bij hen was teruggekeerd, openden de meisjes vol van liefde hun ogen wijd en stonden ze allen tegelijkertijd op alsof het leven zelf weer in hun lichamen was teruggekeerd. (4) Één van hen greep verheugd de hand van S'auri beet met gevouwen palmen terwijl een andere Zijn arm die met sandelhoutpasta was versierd, over haar schouder legde. (5) Een slanke gopî nam met haar handen bij elkaar de resten van de bethel over die Hij had gekauwd en een andere pakte Zijn lotusvoeten vast en plaatste ze op haar brandende borsten. (6) Weer een andere wierp met fronsende wenkbrauwen op haar lippen bijtend, buiten zichzelf in haar liefde, aangeslagen, zijdelingse blikken naar Hem alsof ze Hem wat aan wilde doen. (7) Nog weer een andere [Râdhâ naar verluid] laafde zich starend aan Zijn lotusgezicht maar kon, ondanks de volle smaak, er geen genoeg van krijgen, net als heiligen geen genoeg kunnen krijgen van Zijn voeten. (8) Één van hen plaatste, via de openingen van haar ogen, Hem in haar hart en bleef Hem daar omhelzen met haar ogen dicht, terwijl ze met haar haren overeind verzonken was in extase, als was ze een yogi [*]. (9) Allen ervoeren ze een vreugde van de hoogste orde bij de aanblik van Kes'ava en gaven ze hun treurnis over hun gescheidenheid op, net zoals gewone mensen dat doen als ze een verlichte ziel ontmoeten. (10) Temidden van hen die waren bevrijd van hun verdriet, schitterde Acyuta, de Opperheer, zelfs nog meer mijn beste Koning, als de Oorspronkelijke Persoonlijkheid compleet met Zijn bovenzinnelijke vermogens. (11-12) De Almachtige nam hen met zich mee en belandde met hen aan de oever van de Yamunâ. Aldaar had de zegenrijke rivier zacht zand bijeengebracht met de handen van haar golven. De kunda- en mandârabloemen bloeiden er geurig met bijen [aangetrokken] door het herfstbriesje, terwijl de maan, helder schijnend, met zijn stralen de duisternis van de nacht verdreef. (13) De pijn van het verlangen in hun hart werd verdreven door de extase Hem weer te zien. Met het arrangeren van een zitplaats voor hun beminde vriend met behulp van hun omslagdoeken die waren besmeurd met de kunkum van hun borsten, bereikten de gopî's de bestemming van hun zielen, zoals [beschreven in] de geschriften [zie ook 10.87: 23]. (14) De Allerhoogste Heer en Meester voor wie de yogameesters een zitplaats reserveren in hun harten, aanwezig te midden van de gopî's zat daar in Zijn volle luister. Zo Zijn persoonlijke gedaante tonend, werd Hij aanbeden als het enige, ware reservoir van alle schoonheid en weelde in de drie werelden. (15) Hij die Cupido tot leven wekt, werd geëerd met glimlachen, met speelse blikken, met suggestieve wenkbrauwen, met het masseren van Zijn voeten en handen op hun schoten en werd zo door hen aanbeden, maar nog steeds ietwat boos richtten ze zich tot Hem. (16) De goede gopî's zeiden: 'Sommigen volgen het voorbeeld van degenen die hen respecteren, sommigen tonen hun respect zonder dat ze zelf zijn gerespecteerd en sommigen hebben voor niemand enige liefde. O liefste, kan je ons dat uitleggen?'

(17) De Opperheer zei: 'Vrienden die alleen maar uit eigenbelang met respect reageren, zijn aldus geen echte vrienden omdat ze met het uit zijn op hun voordeel niet het principe volgen. (18) Zij die respect hebben en aardig zijn zonder zelf gerespecteerd te zijn, zoals ouders b.v., zijn foutloos in hun plichtsbesef en van ware vriendschap o slanke meisjes. (19) Wat betreft hen die geen respect hebben en zelfs niet de liefde beantwoorden die ze van anderen krijgen, is er sprake van ofwel [spiritueel] zelfgenoegzame zielen, lieden wiens materiële verlangens in vervulling zijn gegaan, ondankbare, ontevreden mensen dan wel personen die achtenswaardige persoonlijkheden [zoals geestelijk leraren en meerderen] vijandig gezind zijn. (20) Ik echter o vriendinnen, beantwoord, ondanks het respect dat Ik van de levende wezens krijg, die geneigdheid [tot zuivere liefde] niet teneinde die te laten toenemen. Iemand zal dan, net als een arm iemand die wat weelde vergaarde en bang is dat weer kwijt te raken, nergens anders meer aan denken [zie ook B.G. 4: 11 en 10.29: 27]. (21) Omdat jullie ter wille van Mij weerstand geboden hebben tegen wat de mensen, de geschriften en jullie verwanten allemaal beweren en vanwege [Mijn verlangen om] jullie neiging tot liefde voor Mij [te doen toenemen], verdween Ik o beste meisjes, bij wijze van antwoord uit jullie zicht. Wees Mijn liefjes, daarom niet ontevreden over je Geliefde [**]. (22) Ik zal, zelfs niet zolang levend als een god in de hemel, er toe in staat zijn jullie terug te betalen voor jullie onbevangen aanbidding van Mij. Mogen jullie eigen deugdzame daden het antwoord vormen [de beloning zijn] voor dat breken met de zo moeilijk te overwinnen ketenen van jullie burgerlijke levens.'

*: S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura stelt dat de zeven gopî's waar tot dusverre sprake van is in dit hoofdstuk de eerste zeven van de acht belangrijkste gopî's zijn waarvan de S'rî Vaishnava-toshanî in een vers de namen geeft als zijnde Candrâvalî, S'yâmalâ, S'aibyâ, Padmâ, S'rî Râdhâ, Lalitâ en Vis'âkhâ. De achtste wordt begrepen als zijnde Bhadrâ. De Skanda Purâna verklaart dat deze acht gopî's de belangrijkste zijn onder de drie miljard gopî's en Râdhâ is, zoals bevestigd door de Padma Purâna, Brihad-gautamîya-tantra en de Rig-paris'ishtha, de Heer Zijn meest geliefde.

**:  In feite levert onderbroken bekrachtiging zoals zo vluchtig hier gepraktiseerd door Krishna, de sterkste band op, zo bevestigt de moderne gedragswetenschap. En zo zijn er met al Zijn religies overal in de wereld dagen van materieel gemotiveerde arbeid waarin we Hem niet zien met Zijn verdwijnen naar de achtergrond, en dagen van gebed waarin we Hem wel tegemoet treden via Zijn vertegenwoordigers.


Hoofdstuk 33: De Râsadans

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de gopî's deze allerbekoorlijkste woorden van de Allerhoogste Heer hoorden, gaven ze hun verdriet op over het feit dat ze in de steek waren gelaten. Met het aanraken van Zijn ledematen waren al hun verlangens in vervulling gegaan. (2) Op dat moment ging Govinda toen over tot een dans [een z.g. râsa, of een spel] waaraan de trouwe juwelen onder de vrouwen arm in arm geslagen, vergenoegd meededen.

(3-4) Het feest van de dans nam zijn aanvang met de gopî's opgesteld in een cirkel. Krishna, de Meester der Mystieke Eenheid, hield, zich telkens tussen twee van hen ophoudend, Zijn armen geslagen om de nekken van de vrouwen naast zich. Op dat moment dromden in de hemel honderden hemelse voertuigen samen van hemelbewoners met hun vrouwen wiens geesten zich door nieuwsgierigheid hadden laten meeslepen. (5) Daarop klonken er pauken en kwam er een regen van bloemen naar beneden, terwijl de belangrijkste zangers van de hemel met hun vrouwen Zijn onberispelijke heerlijkheid bezongen. (6) In de kring van de dans was er een luid rumoer van de armbanden, de enkel- en de gordelbelletjes van de vrouwen die samen waren met hun Geliefde. (7) De Opperheer, de zoon van Devakî, die daar met hen samen was, zag er zo schitterend prachtig uit als een grote [blauwe] saffier temidden van gouden sieraden. (8) De manier waarop ze hun voeten neerzetten, door hun handgebaren, hun glimlachen, speelse wenkbrauwen en hun wiegende heupen, door hun onder hun kleding bewegende borsten, hun oorbellen langs hun halzen en hun transpirerende gezichten, met de vlechten van hun haar, hun strak aangetrokken gordels en hun zingen over Hem, straalden ze in de rol van Krishna's metgezellen als bliksemflitsen tussen de wolken. (9) Zij, van wiens lied het hele universum doordrongen is, zongen hardop vanuit hun gekleurde kelen, dansten blij en waren er in hun toewijding gelukkig mee om door Krishna te worden aangeraakt. (10) Één gopî die samen met Krishna['s stem haar stem] verhief in zuivere tonen van pure harmonie, werd door Hem geprezen die verheugd uitriep: 'uitstekend, uitstekend!' En ook een andere gopî die daaraan meedeed met een speciaal ritmisch patroon toonde Hij Zijn grote waardering. (11) Een bepaalde gopî [Râdhâ waarschijnlijk], van wie de armbanden en bloemen waren losgegleden, stond vermoeid van het dansen naast de Meester van de Plechtigheid ['Hij die de knots vasthoudt'] en greep met haar arm Zijn schouder vast. (12) Ergens anders legde er een Krishna's arm die geurde als een blauwe lotus, over haar schouder en kuste die, terwijl ze met haar haren overeind de geur van sandelhout opsnoof. (13) Weer een andere die er prachtig uitzag met de schittering van haar oorhangers die slingerden door het dansen, vleide haar wang tegen de Zijne en ontving van Hem de betelnoot waarop Hij had gekauwd. (14) Een van hen die met Acyuta aan haar zijde stond te dansen en zingen met tinkelende enkel- en gordelbelletjes, plaatste, zich moe voelend, Zijn zegenrijke lotushand op haar borsten. (15) Nu de gopî's de Onfeilbare Heer, de Exclusieve Minnaar van de Godin van het Geluk, als hun minnaar hadden verworven, genoten ze er met Zijn armen om hun nekken van om Hem te bezingen. (16) Met de lotusbloemen achter hun oren en de in hun haar gevlochten bloemen vallend op de grond, met de haarlokken die hun kaken sierden en hun mooie gezichten parelend van het zweet, met het ritme van de harmonieuze geluiden van hun armbanden en belletjes en de bijen er zoemend omeen, dansten de gopî's samen met de Allerhoogste Heer rond in de kring van de dans. (17) De Meester van de Godin van het Geluk vermaakte zich aldus, met Zijn omhelzingen, met de aanrakingen van Zijn handen, met Zijn liefdevolle blikken en Zijn brede, speelse glimlachen, met de jongedames van Vraja, zoals een jongetje zich vermaakt dat speelt met zijn eigen spiegelbeeld. (18) Door het lichamelijk contact met Hem overweldigd in hun zinnen, was het voor de dames van Vraja niet makkelijk om hun haar, hun kleding en de omslagen over hun borsten afdoende netjes te houden. Hun bloemenkransen en versierselen verkeerden in wanorde, o beste van de Kuru's. (19) Toen ze Krishna zo zagen spelen werden de godinnen die zich door de hemel bewogen gegrepen door liefdesverlangens en raakten de maan en zijn volgelingen [de sterren] verbaasd. (20) Zichzelf expanderend in evenzoveel [gedaanten] als er koeherdersvrouwen waren, genoot Hij, hoewel Hij de in zichzelf tevreden Opperheer is, ervan om zich te vermaken met hen. (21) Met Zijn rustgevende hand wiste Hij liefdevol, mededogend de gezichten van de gopî's, toen die zich moe voelden van het plezier van de romantiek mijn beste. (22) De gopî's heel blij met de aanraking van Zijn vingernagels bezongen de wederwaardigheden van hun Held, Hem vererend met de nectar van de schoonheid van hun glimlachen, blikken en kaken die werd vergroot door de gloed van hun glanzende haarlokken en gouden oorhangers.

(23) Hij, als de aanvoerder der Gandharva's, ging met Zijn bloemenslinger geplet en besmeurd met de kunkuma van hun borsten, onder begeleiding van de snel volgende bijen, moe geworden, om zich te ontspannen toen het water in, ongeveer zoals een mannetjesolifant dat doet met zijn wijfjes nadat hij de irrigatiedijken [of de normale gedragsregels] doorbroken heeft. (24) In het water werd Hij van alle kanten nat gespetterd door de meisjes die met liefde en gelach naar Hem keken mijn beste. Daarbij vanuit de hemelwagens [der goden] aanbeden met een regen van bloemen, vermaakte Hij, die persoonlijk altijd innerlijk voldaan is, zich ermee op die plek [met de gopi's] te spelen als was Hij de koning der olifanten [zie ook 8.3]. (25) Net als een olifant die met zijn wijfjes druipt van de bronst,  bewoog Hij zich toen, omringd door Zijn zwerm bijen en vrouwen, door een bosje vlak bij de Yamunâ dat geheel was doordrongen van de - door de wind meegevoerde - geur van de bloemen in het water en op het land. (26) Aldus bracht Hij, die de Waarheid is van alle Verlangens, met Zijn vele liefhebbende vriendinnetjes de nacht door die zo helder was dankzij de stralen van de maan. Hij beheerste daarbij in Zichzelf [in die ene nacht] de romantische gevoelens die Hij wenste te eren gedurende alle herfstnachten, de nachten die zo inspireren tot poëtische beschrijvingen van spirituele stemmingen [of rasa's].'

(27-28) S'rî Parîkchit zei: 'Teneinde het dharma te vestigen en de opstandige zielen te onderwerpen, daalde Hij, de Allerhoogste Heer, de Meester van het Universum, neder samen met Zijn volkomen deelaspect [Balarâma]. Hoe kon Hij, de oorspronkelijke woordvoerder, uitvoerder en beschermer van de morele gedragscodes, zich zo daaraan tegengesteld gedragen o brahmaan, door andermans vrouwen aan te raken? (29) Wat had Hij, die in Zichzelf tevreden is, in gedachten met deze zonder twijfel verwerpelijke vertoning o beste der gezworen zielen? Alstublieft verlos ons van onze twijfel hierover.'

(30) S'rî S'uka zei: 'Het breken met wat dharma is en de vrijpostigheid die we [soms] zien van machtige autoriteiten, wil nog niet zeggen dat ze verkeerd bezig zijn. Ze zijn als een allesverterend vuur [dat hetzelfde blijft ongeacht wat het verteert]. (31) Iemand die de beheersing niet heeft [over zichzelf] moet er niet aan denken zoiets te doen. Als je zo dwaas bent zo te handelen houdt het je ondergang in, je bent niet zomaar een Rudra die het vergif van de oceaan kan opdrinken [zie 8.7]. (32) Het zijn de woorden van de [geestelijke] autoriteiten die waar zijn, hun handelingen moet men slechts incidenteel als voorbeeld nemen. Wat ze doen behoort men intelligent alleen dan te volgen als ze in overeenstemming met hun woorden verkeren [zie * en tevens B.G. b.v. 3: 6-7, 3: 42, 5: 7]. (33) Net zoals zij die egoloos handelen geen voordeel behalen met de goede dingen die ze doen mijn beste, zullen ze er ook geen nadeel van ondervinden als ze in tegenspraak met de deugd handelen. (34) Hoe kunnen we nu in relatie tot de Meester(s) van hen die beheerst worden - al de dieren, de menselijke wezens en de bewoners van de hemel - nu spreken in termen van goed en kwaad? (35) De wijzen [Zijn vertegenwoordigers], van wie al de karmische gebondenheid is weggewassen door het stof van de lotusvoeten te dienen, vinden met de macht van de yoga hun tevredenheid en handelen vrijelijk, zij raken door Hem nimmer verstrikt. In welke zin zou men ook kunnen spreken van een staat van gebondenheid bij hen die handelen naar de wensen van Hem die [ter wille van hen] Zijn wonderbaarlijke lichamen heeft aangenomen [zie vapu]? (36) Hij die vanbinnen de gopî's en hun echtgenoten, ja werkelijk vanbinnen alle belichaamde wezens leeft als de Allerhoogste Getuige, neemt een gedaante aan in deze wereld om er Zijn spel te kunnen spelen. (37) Om Zijn toegewijden Zijn genade te tonen gaat Hij met het aannemen van een menselijk lichaam over tot [amoureuze] avonturen, waarover men vernemend toewijding tot Hem ontwikkeld [zie ook 1.7: 10]. (38) De koeherders van Vraja die allen begoocheld waren door de macht van Zijn mâyâ, waren niet jaloers op Krishna. Ze dachten allemaal dat hun vrouwen aan hun zijde verkeerden. (39) Ook al wilden de gopî's het niet, toch gingen de liefjes van de Allerhoogste Heer op aanraden van Krishna weer naar huis toen die [eindeloze] nacht van Brahmâ om was. (40) Een ieder die met geloof luistert naar of een beschrijving geeft van dit spel en vermaak van Heer Vishnu met de koeienmeisjes van Vraja, zal de bovenzinnelijke toegewijde dienst aan de Allerhoogste Heer bereiken. Hij zal snel tot zichzelf komen en terstond de ziekte van de lust uit het hart verdrijven.'

*: S'rî Hayes'var Das, de vertaler van de eerste Canto's en het Krishnaboek in het Nederlands schreef in zijn latere dichterlijke © versie 'Het Spel van Krishna' van het tiende Canto er dit vers van:

Wat groten leren is volmaakt;
Niet steeds voorbeeldig is hun doen:
Een schrander mens volge hen slechts
In daden met de leer verzoend.

 


Hoofdstuk 34: Sudars'ana Verlost en S'ankhacûdha Gedood


(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag gingen de gopa's vol van ijver voor God met ossenkarren op reis het Ambikâwoud in. (2) Daar namen ze een bad in de Sarasvatî en vereerden ze met de nodige hulpmiddelen toegewijd de machtige halfgod Pas'upati [S'iva als de heer der dieren] en de godin Ambikâ [*] o Koning. (3) Respectvol koeien, goud, kleding en zoete granen schenkend aan al de brahmanen baden ze: 'devo nah prîyatâm' ['moge de Here God behaagd zijn']. (4) Naar strikte geloften enkel water [zie 8.16] drinkend, brachten de hoogst gezegende Nanda, Sunanda [Nanda's jongere broer] en de anderen die nacht door aan de oever van de Sarasvatî. (5) Een of andere gigantische slang die erg hongerig was bleek daar in dat bos op zijn buik rond te kronkelen en begon de slapende Nanda te verzwelgen. (6) Gegrepen door de python schreeuwde hij: 'Krishna, o Krishna mijn beste jongen, red deze overgegeven ziel. Deze enorme slang is me aan het verslinden!' (7) De  gopa's die zijn kreten hoorden stonden onmiddellijk op en namen, toen ze zagen wat er gebeurde, onthutst fakkels ter hand om de slang aan te vallen. (8) Hoewel verschroeid door de toortsen, liet de slang hem niet gaan. Maar de Allerhoogste Heer, de Meester van de Toegewijden kwam eraan en beroerde hem met Zijn voet. (9) De goddelijke aanraking door de Opperheer Zijn voet maakte een einde aan zijn kwaad. Hij gaf zijn slangenlijf op en nam toen een door de Vidyâdhara's aanbeden gedaante aan [hij was hun leider]. (10) De Heer der Zinnen stelde toen vragen aan de persoonlijkheid die, zijn eerbetuigingen aanbiedend en met zijn lichaam opgesierd met een gouden halsketting, schitterend stralend voor Hem stond. (11) 'En wie mag u wel niet zijn die, zo mooi stralend, allerprachtigst bent om naar te kijken? Vertel Me wat tot dit akelige lot leidde van veroordeeld zijn tot het aannemen van een schrikwekkende gedaante als deze [zie ook 7.13: 11]?'

(12-13) Het [voormalige] serpent zei: 'Ik ben Sudars'ana, een bepaalde Vidyâdhara die bekend staat om zijn weelde en verschijning. Ik trok altijd overal rond met mijn hemelwagen. Omdat ik verwaand over mijn verschijning de wijzen die voortkwamen uit Angirâ heb uitgelachen, werd ik vanwege mijn zonde hen te minachten, ertoe gedwongen deze kwalijke gedaante aan te nemen. (14) Zij, zo vol van mededogen, hebben met het uitspreken van deze vloek daarbij de gunst inbegrepen dat al mijn slechtheid zou worden vernietigd als ik werd aangeraakt door de voet van de Meester van Alle Werelden. (15) Ik smeek U, diezelfde persoon die voor de overgegeven zielen de verdrijver van de angst van een materieel bestaan bent, o U die door de aanraking van Uw voet me bevrijd heeft van de vloek, om Uw toestemming [terug te mogen keren naar mijn wereld] o Vernietiger van Alle Leed. (16) Ik  heb me aan U overgegeven o Grootste van Alle Yogi's, o Allerhoogste Persoonlijkheid, o Meester der Waarachtigen. AlstUblieft gebied mij o Heer, o Meester van alle Meesters van het Universum. (17) Toen ik U zag raakte ik terstond bevrijd van de straf van de brahmanen o Acyuta, o U wiens naam eenmaal gezongen ogenblikkelijk een ieder die het hoort zuivert alsmede de zanger zelf. Hoeveel te meer zou het dan niet betekenen om te worden aangeraakt door Uw voet?'

(18) Hem aldus omlopend met het brengen van zijn eerbetuigingen nam Sudars'ana afscheid. Hij keerde naar de hemel terug en Nanda was bevrijd uit zijn benarde positie. (19) De mannen van Vraja getuige van dat persoonlijke machtsvertoon van Krishna stonden versteld. Daarop rondden ze ter plekke hun religieuze plicht [jegens S'iva] af en keerden ze terug naar het koeherdersdorp o Koning, vol eerbied [onderweg] besprekend wat zich had  afgespeeld.

(20) Op een dag daarna [op Gaura-pûrnimâ naar verluid] waren Govinda en Râma, wiens daden zo wonderbaarlijk zijn, in het holst van de nacht in het bos aan het spelen met de meisjes van Vraja. (21) Hun roem werd charmant bezongen door het vrouwvolk in liefde met Hen verbonden, wiens leden fraai waren opgesierd en ingesmeerd, naast de bloemenslingers en de onberispelijke kleding die ze droegen. (22) Getweeën eerden ze [samen met hen] het vallen van de nacht met de opkomende maan en de sterren, de jasmijnknoppen die met hun geur de genietende bijen bedwelmden en het briesje dat de geur meevoerde van de lotussen. (23) De twee bezongen het geluk voor de oren en geesten van alle levende wezens, gezamenlijk van hoog naar laag alle tonen voortbrengend die de toonladder maar te bieden had. (24) De gopî's die naar hun gezang luisterden hadden in hun fascinatie niet in de gaten, o heerser der mensen, dat hun kleren losgleden en dat hun haar en bloemen in de war raakten. (25) Terwijl de twee zich aldus naar hartelust vermaakten, zingend tot in het extatische, verscheen er een dienaar van Kuvera ter plekke die de naam S'ankhacûdha droeg ['weelde-kruin']. (26) Recht voor Hun ogen o Koning, dreef hij brutaal de verzameling vrouwen in de richting van het noorden, terwijl ze noodkreten slaakten naar de twee die ze tot hun Heren hadden verkozen. (27) Toen Ze zagen dat zij die Hen toebehoorden door een dief werden ingepikt als een stelletje koeien en uitriepen 'O Krishna, o Râma, help ons!', haastten de twee broers zich achter hen aan. (28) Roepend 'Wees niet bang!' stelden Ze hen gerust met Hun woorden. Ze bewogen zich snel met s'ala-stammen in Hun handen en haalden spoedig die ergste van alle Yaksha's in die er haastig vandoor was gegaan. (29) Toen hij de twee er als de Dood en de Tijd in eigen persoon aan zag komen, werd hij bang. Hij liet in zijn verwarring de vrouwen achter zich en rende voor zijn leven. (30) Govinda rende achter hem aan waarheen hij ook vluchtte teneinde hem van zijn kruinjuweel te beroven, terwijl Balarâma achterbleef om de vrouwen te beschermen. (31) Hem inhalend alsof het niets was sloeg de Almachtige Heer met Zijn vuist het kruinjuweel van de snoodaard eraf samen met zijn hoofd. (32) Na aldus S'ankhacûdha te hebben gedood, bracht Hij het glanzende juweel naar Zijn oudere broer en gaf Hij het tevreden aan Hem voor ogen van de gopî's.'

*: Ambikâ betekent moeder, goede vrouw, een naam schriftuurlijk verbonden met het vrouwlijke van Ûma en Pârvatî in relatie tot Skanda, S'iva of Rudra, als een term van respect. Ambikâvana vindt men in Gujarat provincie, nabij de stad Siddhapura. S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura haalt hier autoriteiten aan die claimen dat Ambikâvana zich bevindt aan de oever van de rivier de Sarasvatî [die niet meer bestaat] en te vinden is ten noordwesten van Mathurâ. Ambikâvana staat bekend om de beeltenissen van S'rî S'iva en zijn vrouw, de godin Ûma.

 

 

Hoofdstuk 35: De Gopî's Zingen over Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

(1) S'rî S'uka zei: 'Als Krishna weg was het bos in, brachten de gopî's, ongelukkig Hem in hun geest najagend, hun dagen door met het luidkeels bezingen van Krishna's wederwaardigheden.

(2-3) De gopî's zeiden [in dubbelverzen]: 'Met Zijn linkerwang gericht naar Zijn linkerarm plaatst Hij, met Zijn wenkbrauwen in beweging, de fluit aan Zijn lippen, terwijl Hij met Zijn tedere vingers de gaten dichthoudt o gopî's. Waar Mukunda aldus Zijn fluit laat klinken, reizen de vrouwen samen met de Siddha's door de hemel. In verlegenheid over de verlangens nagejaagd door hun geest, luisteren ze verwonderd naar Hem en vergeten ze het verdriet dat ze hadden, en ook hun gordels. (4-5) O meisjes luister hoe wonderlijk Nanda's zoon, de schenker van vreugde aan mensen die in moeilijkheden verkeren, Hij met Zijn stralende glimlach en de vaste bliksemschicht [de S'rîvatsa of de godin] op Zijn borst, Zijn fluit laat weerklinken. Groepjes stieren gehouden in de wei, herten en koeien, stoppen met hun oren gespitst op een afstand, met hun monden vol, met kauwen en staan roerloos, met hun geesten in de ban van Zijn spel, te dromen als betrof het een getekend plaatje. (6-7) Als Mukunda o beste gopî's, eruitziend als een worstelaar met een keur aan [pauwen]veren, [grond]kleuren en blaadjes, samen met Balarâma en de gopa's de koeien roept, wordt de stroming der rivieren onderbroken. Zij die, net als wij, tekortschieten in hun vroomheid, staan trillend van de liefde perplex met hun armen van water, al hunkerend naar het stof van de lotusvoeten dat wordt meegevoerd door de wind. (8-9) Als Hij, rondtrekkend in het woud en op de berghellingen, als de Ware Persoon met Zijn fluit de koeien roept en voor Zijn vermogen en onuitputtelijke weelde door Zijn gezelschap wordt geprezen in alle toonaarden, buigen de ranken en de bomen zich, zwaar met hun takken vol bloemen en vruchten, uit eigen beweging voorover. Alsof ze Vishnu, die in hen aanwezig is, willen laten zien, laten ze daarbij in hun liefde stromen van zoet sap naar beneden komen terwijl de begroeiing op hun lijven overeind staat van verrukking. (10-11) Op het moment dat Hij als de meest aantrekkelijke om te zien Zijn fluit hoog heft, met respect voor de wenselijke zang van de rondom Zijn hemelse bloemenslinger druk zoemende bijenzwerm bedwelmd door de [subtiele] honingzoete geur van de tulsîbloemen, o dan komen de kraanvogels en zwanen en andere vogels in het meer, wier geesten in de greep verkeren van de charme van het lied [van Zijn fluit], naar voren en betuigen Hem de eer met hun ogen dicht, zich stil houdend met hun geesten in bedwang. (12-13) O Vraja-devî's, als Hij, in het gezelschap van Balarâma, voor de grap een slinger draagt op Zijn hoofd, op de hellingen geluk brengt door Zijn fluit te laten klinken en de wereld laat genieten in vreugde, dan biedt het wolkendek, bang zo'n grootheid te schofferen, in reactie allervriendelijkst al rommelend en regenend met bloemen voor zijn Vriend, zijn schaduw als een parasol. (14-15) O vrome dame [Yas'odâ], als uw zoon die een expert is in koeienzaken en een genie is in de verschillende speelstijlen, Zijn fluit aan Zijn bimbarode lippen plaatst om de harmonieuze klanken van Zijn muziek voort te brengen, buigen de meesters van het geestelijke gezag zoals Indra, S'iva en Brahmâ bij het horen van die klankenreeksen, geheel beduusd hun hoofden omdat ze er zelf niet toe in staat zijn de essentie ervan vast te stellen. (16-17) Als Hij Zijn beroemde fluit bespeelt en, zich bewegend met de gratie van een olifant, met Zijn lotusblaadjesvoeten de bodem van Vraja merkt met de verschillende symbolen van de vlag, bliksemflits, lotus en drijfstok, verlost Hij met Zijn lichaam de aarde van de pijn die werd veroorzaakt door de hoeven [van de koeien]. Als Hij [langs ons] loopt en Zijn speelse blikken werpt, raken we opgewonden in onze amoureuze gevoelens en staan we te staren als bomen, in onze verbijstering niet meer wetend [wat de staat zou zijn van] onze kleren en haardracht.

(18-19) Soms als Hij, met de bloemenslinger om die geurt naar de door Hem gewaardeerde tulsî, de koeien telt op een koord van kleurige kralen en dan, met het gooien van Zijn arm over de schouder van een geliefde metgezel, zingt, gaan de vrouwen van de zwarte herten, de reeën - net als de gopî's die hun burgerlijke verlangens eraan gaven - af op die oceaan van bovenzinnelijke kwaliteiten om met hun harten gestolen door het geluid dat Krishna voortbrengt met Zijn fluit, aan Zijn zijde te gaan zitten. (20-21) O zondeloze dame, uw teerbeminde kind, de zoon van Nanda, beleeft er nu plezier aan om met Zijn kleding opgesierd met een slinger van jasmijnbloemen en omringd door de gopa's en de koeien, langs de Yamunâ te spelen met Zijn metgezellen. De wind zachtjes blazend ten gunste van Hem eert Hem daar met een vleugje sandelhoutgeur, terwijl de mindere goden [de Upadeva's] om Hem heen, Hem giften aanbieden en Hem eren met instrumentale muziek en liederen. (22-23) Zorgend voor de koeien van Vraja en aan Zijn voeten aanbeden als de heffer van de heuvel [zie 10.25], verzamelde Hij aan het einde van de dag de kudde koeien. Fluitspelend met Zijn kameraden, werd Hij overal onderweg door al de volwassenen [en halfgoden] aanbeden. Deze maan, geboren uit de schoot van Devakî, die kwam met een verlangen om de wensen van Zijn vrienden te vervullen, was zelfs als Hij moe was en Zijn slinger kleurde door het stof opgeworpen door de hoeven, een feest om naar te kijken. (24-25) Zijn toegenegen vrienden groet Hij terwijl Hij lichtelijk Zijn ogen laat rollen alsof Hij bedwelmd is. Met Zijn slinger van woudbloemen, met Zijn gezicht zo wit als een jujube [een badara-pruim], met de glooiing van Zijn kaken en met de pracht van Zijn gouden oorhangers, is Hij de Heer der Yadu's, de Heer die speelt als de heer der olifanten. Zijn vreugdevolle gezicht is als de maan, de heer van de nacht, die aan het einde van de dag de eindeloze zorgen van de koeien [en de gopî's] van Vraja verdrijft na de hitte van de dag.'

(26) S'rî S'uka zei: 'O Koning, de vrouwen van Vraja genoten met hun harten en geesten verzonken in Hem, aldus van hun dagen, hoog gestemd zingend over Krishna's spel en vermaak.'

 

 

Hoofdstuk 36: De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Kort daarna kwam de duivelse stier genaamd Arishtha die een enorme bult had, toen naar het koeherdersdorp. Met zijn hoeven de grond openrijtend deed hij met zijn lijf de aarde schudden. (2) Zeer hard loeiend en over de grond schrapend met zijn hoeven, liet hij met zijn staart omhoog, met de punten van zijn hoorns de aarde omwoelend en kluiten omhoog werpend, met gloeiende ogen zijn urine en ontlasting bij kleine beetjes lopen. (3-4) De angstwekkende aanblik van zijn scherpe hoorns en zijn bult die wel een berg leek waaromheen de wolken zich samenpakken, jaagde de gopa's en gopî's zoveel schrik aan, dat door zijn luid weerklinkende gebrul mijn beste, de vrouwen en de koeien uit angst voortijdig hun vruchten verloren in miskramen. (5) De dieren renden in paniek de wei uit o Koning, terwijl al de mensen 'Krishna Krishna!' roepend, Govinda zochten voor hun toevlucht. (6) De Allerhoogste Heer, die de hele koeherdersgemeente radeloos in angst weg zag vluchten, kalmeerde ze met de woorden 'wees niet bang' en riep naar de stier-demon: (7) 'Jij suf, kwaadaardig beest, hoe waag je het in de aanwezigheid van Mij, de bestraffer van valse onverlaten als jij, dit koeherdersvolk en hun beesten zo bang te maken?!'

(8) Acyuta, de Heer, zich aldus uitlatend, sloeg zich op de armen om Arishtha kwaad te maken met het geluid van Zijn handpalmen en nam er een houding bij aan waarin Hij Zijn slangenarm over de schouder van een vriend gooide. (9) Hij slaagde er inderdaad op die manier in Arishtha kwaad te maken die furieus over de aarde schraapte met zijn hoef en Krishna toen met een opgeheven, naar de wolken bewegende staart aanviel. (10) Bloeddorstig vanuit zijn ooghoeken naar Hem starend stormde hij met zijn hoorns recht naar voren op Acyuta af, als was hij een bliksemschicht ontketend door Indra. (11) De Opperheer echter greep hem bij de horens beet en wierp hem als een rivaliserende olifant zes meter naar achteren. (12) Afgeweerd viel hij, zich snel weer herstellend, opnieuw aan in blinde woede, waarbij hij zwetend over zijn hele lijf zwaar ademde. (13) Hem aanvallend werd hij [door de Heer] bij de hoorns gegrepen en vervolgens met Zijn voet tot struikelen gebracht, waardoor hij als een natte dweil tegen de grond klapte. Daarna hakte Hij op hem in met zijn eigen [afgebroken] hoorn totdat hij plat ging. (14) Bloed spuwend, een lading urine en ontlasting uitscheidend en met zijn poten trappelend, vertrok hij in pijn met rollende ogen naar het bereik van de Dood. De goden strooiden daarop in aanbidding bloemen uit over Krishna. (15) Nadat Hij aldus de demon met de grote bult ter dood had gebracht ging Hij, dat feest voor de ogen van de gopî's, samen met Balarâma, onder de loftuitingen van de tweemaal geborenen, het koeherdersdorp binnen.

(16) Met de demon Arishtha gedood door de Wonderdoener Krishna, richtte de machtige Nârada, die de visie van God gegeven is, zich tot Kamsa [zie 1.6: 25-29]: (17) 'Devakî's dochter was feitelijk het kind van Yas'odâ, Balarâma was de zoon van Rohinî en Krishna kwam ook ter wereld uit Devakî. Vasudeva bracht Ze uit angst onder bij zijn vriend Nanda, Zij [Krishna en Balarâma] waren de twee die uw mannen ter dood brachten.'

(18) Toen hij dat hoorde greep de heer van Bhoja, buiten zinnen van woede, naar een scherp zwaard om Vasudeva ter dood te brengen. (19) Nârada hield Kamsa tegen [door te zeggen] dat Vasudeva's twee zonen de oorzaak van zijn dood zouden zijn. Met dat in gedachten ketende hij toen Vasudeva en zijn vrouw met ijzeren boeien [zie ook 10.1: 64-69]. (20) Nadat de deva-rishi was vertrokken sprak Kamsa met de demon Kes'î en zei tegen hem: 'Jij bent degene die Râma en Kes'ava moet doden.'

(21) Daarop riep hij Mushthika, Cânûra, S'ala, Tos'ala en anderen bij elkaar alsook zijn ministers en zijn olifantenverzorgers. De koning van Bhoja zei tot hen: (22-23) 'Mushthika en Cânûra, beste maten, luister alsjeblieft goed naar wat ik jullie te zeggen heb o helden. De twee zoons van Ânakadundubhi houden zich op in het koeherdersdorp van Nanda. Voorspeld werd dat mijn dood zich door toedoen van Krishna en Balarâma zou voltrekken. Als we Ze zo ver krijgen om hier te komen voor een worstelwedstrijd kunnen jullie Ze doden. (24) Bouw een ring met verschillende tribunes eromheen. Laat alle onderdanen van binnen en buiten de stad getuige zijn van een open competitie. (25) Beste olifantenverzorger, jij o kerel, moet de olifant Kuvalayâpîda naar de ingang van het strijdperk brengen en daar mijn vijanden vernietigen. (26) Het moet op de veertiende [Caturdas'î] van de maand beginnen met het volgens de voorschriften houden van het boogoffer. Breng een zoenoffer voor de Heer der Geesten [S'iva], de genadige, met de daartoe geëigende dieren.'

(27) Na aldus zijn opdrachten te hebben gegeven riep hij, goed thuis in de leer van het behalen van je voordeel, Akrûra ['hij die niet wreed is'], de meest eminente Yadu, bij zich. Hij nam zijn hand in de zijne en zei toen: (28) 'O beste meester der liefdadigheid, verleen me alstublieft een gunst uit respect, er is niemand onder de Bhoja's en Vrishni's te vinden die zo genadig is als u. (29) Zoals Indra, de machtige koning van de hemel zijn doelen bereikte door bij Vishnu zijn toevlucht te zoeken, zoek ik nu mijn toevlucht bij u o allervriendelijkste, want u kwijt zich altijd respectvol van uw taken. (30) Ga naar Nanda's koeherdersdorp waar de twee zoons van Ânakadundubhi leven en breng Ze direct hier naartoe op deze wagen. (31) Zij tweeën zijn er door de goden die de bescherming genieten van Vishnu, op uitgestuurd om mijn dood te veroorzaken. Breng Ze samen met de gopa's die door Nanda worden geleid naar hier, en laat ze de nodige eerbewijzen meebrengen. (32) Na Ze hierheen gebracht te hebben zal ik Ze door de olifant die zo machtig is als de tijd zelve laten doden. En als Ze daaraan weten te ontkomen zullen mijn worstelaars die zo sterk zijn als de bliksem Ze de wereld uithelpen. (33) Nadat die twee dan dood zijn zal ik de getroffen verwanten ter dood brengen van wie Vasudeva de leider is: de Vrishni's, de Bhoja's en de Das'ârha's [zie nogmaals 10.1: 67]. (34) En zo zal ik ook mijn oude vader Ugrasena te pakken nemen die het koninkrijk begeert, alsook zijn broer Devaka en mijn andere vijanden. (35) Op die manier o vriend, zullen die doornen in deze wereld worden vernietigd. (36) Met mijn oudere verwant [schoonvader] Jarâsandha en mijn vriend Dvivida, alsook met vastberaden kameraden als S'ambara, Naraka en Bâna zal ik samen deze aarde genieten en al de koningen die heulen met de halfgoden om zeep helpen. (37) Breng dan nu met deze wetenschap snel de jonge knapen Râma en Krishna hier naartoe om de boogplechtigheid bij te wonen en de glorie van de Yaduhoofdstad [Mathurâ] te respecteren.'

(38) S'rî Akrûra zei: 'O Koning, er mankeert niets aan uw benadering om u te zuiveren van ongewenste elementen. Men moet handelen ongeacht slagen of falen, per slot van rekening bepaalt het lot het eindresultaat. (39) Hoewel de gewone man geplaagd wordt door het lot, handelt hij verbeten naar zijn verlangens en wordt hij geconfronteerd met geluk en leed. Niettemin zal ik handelen naar uw opdracht.'

(40) S'rî S'uka zei: 'Nadat Kamsa aldus Akrûra had geïnstrueerd en zijn ministers had weggestuurd, trok hij zich in zijn vertrekken terug en ging Akrûra naar huis.'

 

 


Hoofdstuk 37: Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Toen was er Kes'î gestuurd door Kamsa [in 10.36: 20]. Hij reet als een gigantisch paard met zijn hoeven de aarde open en dreef met de snelheid van de geest de wolken en de hemelwagens van de goden uiteen. Met zijn manen en gehinnik joeg hij allen grote schrik aan. De Allerhoogste Heer trad, in reactie op de onrust van de wolken teweeggebracht door zijn staart en het geluid van zijn gehinnik dat Zijn koeherdersdorp in angst verzette, toen naar voren om te vechten. Hij daagde Kes'î uit die brullend als een leeuw naar Hem op zoek was. (3) Zo gauw hij die moeilijk was te overwinnen en te benaderen en zeer agressief met zijn mond open de lucht indronk, Hem voor zich zag, rende hij in volle vaart op de Lotusogige Heer af om Hem met zijn benen aan te vallen. (4) De Heer van het Voorbije daarop bedacht ontweek de aanval, greep hem met Zijn armen bij de benen om hem vervolgens onverschillig rond te slingeren en hem op een afstand van honderd booglengten van zich af te werpen. Hij stond erbij als was Hij de zoon van Târkshya [Garuda] die een slang van zich afwerpt. (5) Weer bij bewustzijn komend stond hij op in bittere woede en rende hij, [met zijn mond] wijd open, in volle vaart op de Heer af. Met een glimlach stak Hij toen Zijn linker arm in Kes'î's mond als betrof het een slang in een hol. (6) Toen Kes'î's tanden in aanraking kwamen met de Heer Zijn arm vlogen zijn tanden eruit alsof ze waren geraakt door een roodgloeiende staaf. Vervolgens zwol de arm op van de Allerhoogste Ziel die zijn lichaam was binnengedrongen, zodat zijn buik uitzette als een zieke buik die uitdijt na te zijn verwaarloosd. (7) Omdat Krishna's arm zo uitdijde werd zijn ademhaling geblokkeerd. Met zijn benen trappelend, zwetend over heel zijn lijf, met zijn ogen rollend en zijn ontlasting de vrije loop latend, viel hij daarop ontzield op de grond. (8) Nadat Hij met de Machtige Armen Zijn arm had teruggetrokken uit het dode lijf dat eruit zag als een komkommer [karkathikâ], werd Krishna, er bescheiden over dat Hij Zijn vijand zonder veel moeite gedood had, vanboven door de goden vereerd met een regen van bloemen.


(9) De devarishi [Nârada], de hoogst verheven toegewijde van de Heer o Koning, benaderde Krishna privé en zei het volgende tot Hem die zo moeiteloos is in Zijn handelingen: (10-11) 'Krishna, o Krishna, o Vâsudeva, onmetelijke Ziel, o Heer der Yoga, o Beheerser van het Universum, o toevlucht van allen, o meester en allerbeste van de Yadu's! U alleen bent de Ziel van alle levende wezens die, als het vuur dat schuilgaat in brandhout, Zich in het hart ophoudt als de Getuige, de Heer, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (12) U als de toevlucht van de geestelijke ziel bracht allereerst, middels Uw energie, de geaardheden der natuur voort. Middels deze geaardheden schept, vernietigt en handhaaft U, onfeilbaar in Uw bedoeling, dit universum. (13) U, deze ene [schepper] Zelve bent nedergedaald voor de bescherming van de deugdzamen en voor de vernietiging van de demonen [Daitya's], de wildemannen [Râkshasa's] en de kwelgeesten [Pramatha's] die de aarde van de levende wezens in hun greep hebben. (14) Tot ons grote geluk hebt U in eigen persoon deze demon sportief ter dood gebracht die de gedaante van een paard had aangenomen en met zijn gehinnik de zo waakzame goden verschrikt de hemel uitjaagde. (15-20) Overmorgen zal ik er getuige van zijn dat Cânûra, Mushthika en andere worstelaars alsook de olifant [Kuvalayâpîda] en Kamsa door U worden gedood o Almachtige. Daarna zullen [de demonen] S'ankha, [Kâla-]yavana, Mura en Naraka volgen, zal U de pârijâta-bloem wegstelen en zal U Indra verslaan. Ik zal U zien trouwen met de dochters van de helden [de koningen] als beloning voor Uw heldenmoed. In Dvârakâ zal U koning Nriga bevrijden van zijn vloek o Meester van het Universum en zal U het juweel Syamantaka bemachtigen alsmede een echtgenote. U zal de overleden zoon van een brahmaan [Sândîpani Muni] uit Uw bereik [van de Dood] terughalen en vervolgens zal U Paundraka doden, de stad Kâs'î [Benares] platbranden en toezien op de ondergang van Dantavakra. Daarna zal U de koning van Cedi [S'is'upâla] tijdens de grote offerplechtigheid doden [zie ook 3.2: 19, 7.1: 14-15]. De dichters van deze aarde zullen zingen over deze en andere grote wapenfeiten die ik U tijdens Uw verblijf in Dvârakâ zal zien verrichten. (21) Dan zal ik U als de wagenmenner van Arjuna de gedaante van de Tijd zien aannemen in het afroepen van de vernietiging over de strijdkrachten van deze wereld. (22) Laten we deze Opperheer benaderen die vol is van de zuiverste wijsheid, die volkomen vervuld is in Zijn oorspronkelijke identiteit, wiens wil in geen van Zijn ondernemingen is tegen te gaan en die bij de macht van Zijn vermogen steeds afziet van [het zich identificeren met] de gang van zaken met de geaardheden van de illusoire, materiële energie. (23) Voor U buig ik me voorover, U de Grootste der Yadu's, Vrishni's en Sâtvata's, de op Zichzelf staande Meester, die middels Uw creatieve vermogen heeft voorzien in een eindeloos aantal specifieke situaties waarin U direct kon optreden en U de [last van de] in zichzelf verdeelde mensheid [die in gewapende strijd verkeert] op zich heeft genomen.'

(24) S'rî S'uka zei: 'De meest voortreffelijke wijze onder de toegewijden die aldus respectvol van eerbetoon was voor Krishna, de leidende Yadu, kreeg toestemming te vertrekken en ging weg, erover opgetogen dat hij Hem had gezien. (25) Govinda, de Opperheer die in een gevecht Kes'î had gedood, hoedde nog steeds de dieren samen met de koeherdersjongens die heel blij waren met het geluk dat Hij Vraja bracht. (26) Op een dag, toen de gopa's de dieren aan het weiden waren, begonnen ze op de helling van de heuvel aan het spel 'stelen en verstoppen' waarbij ze de rollen van dieven en beschermers speelden. (27) Sommigen van hen waren de dieven, anderen waren de herders, terwijl er een stelletje o Koning, voor de nietsvermoedende schapen speelde. (28) Een zoon van de demon Maya genaamd Vyoma ['het zwerk'], een machtige magiër, vermomde zich als een gopa en nam toen, spelend voor één van de vele dieven, bijna al de jongens mee die voor schaap doorgingen. (29) De grote demon gooide ze één voor één in een berggrot waarvan hij de ingang met een grote kei blokkeerde zodat er nog maar vier of vijf van hen overbleven. (30) Toen Krishna, Hij die al de vrome zielen bescherming biedt, ontdekte waar hij mee bezig was, nam Hij de gopa-drager net zo krachtig te pakken als een leeuw die een wolf grijpt. (31) De demon nam zijn oorspronkelijke gedaante weer aan die zo groot was als een berg. Uit alle macht, probeerde hij zich te bevrijden, maar stevig in Zijn greep gehouden lukte het hem, afgemat, niet. (32) Hem bedwingend met Zijn armen drukte Acyuta hem tegen de grond en terwijl de goden in de hemel toekeken doodde Hij hem als was hij een offerdier. (33) Hij brak door de geblokkeerde ingang van de grot heen en leidde de gopa's uit hun benarde positie. Geprezen door de goden en gopa's keerde Hij daarop terug naar Zijn koeherdersdorp.'

 



Hoofdstuk 38: Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

(1) S'rî S'uka zei: 'De verheven ziel Akrûra bracht de nacht door in de stad Mathurâ [na 10.36: 40] en beklom toen zijn wagen om naar Nanda's koeherdersdorp te gaan. (2) Onderweg ervoer hij een buitengewoon sterke toewijding voor de allerfortuinlijkste lotusogige Persoonlijkheid van God en dacht hij derhalve als volgt: (3) 'Welke goede daden heb ik verricht, door welke ernstige boete werd ik gelouterd of anders van welke aanbidding of liefdadigheid ben ik geweest dat ik vandaag Kes'ava mag zien? (4) Mijn bereiken van de aanwezigheid van Hem die Geprezen Wordt in de Geschriften is, denk ik, voor iemand met een wereldse geest [als ik] net zo moeilijk te realiseren als het reciteren van de Veda's is voor iemand van de laagste klasse. (5) Maar genoeg daarover, zelfs voor een gevallen ziel als ik bestaat er een kans om Acyuta te zien te krijgen. Ooit zal iemand die wordt meegesleurd door de rivier van de tijd de andere oever bereiken! (6) Vandaag wordt mijn onzuiverheid verdreven en werpt mijn geboorte zijn vrucht af, want het zijn de lotusvoeten van de Opperheer waarop de yogi's mediteren, die ik zal gaan respecteren. (7) Kamsa heeft me werkelijk een grote dienst bewezen door me er toe aan te zetten de voeten van de Heer te gaan zien die in deze wereld nederdaalde. Het is bij de gloed van Zijn geronde teennagels dat velen in het verleden zich wisten te bevrijden van de zo moeilijk te overwinnen duisternis van een materieel bestaan. (8) Met deze [voeten] die, gekleurd door de rode kunkum van de borsten van de gopî's, worden aanbeden door Brahmâ, S'iva en de overige halfgoden, door S'rî, de godin van het geluk, de wijzen en de toegewijden, beweegt Hij zich met Zijn kameraden rond in het woud tijdens het hoeden van de koeien. (9) De herten passeren me rechts [een gunstig voorteken]! Zonder twijfel zal ik Mukunda's fraaie kaaklijn en neus te zien krijgen, Zijn glimlachen, de blikken van Zijn roodgekleurde lotusogen en het haar dat zich rondom Zijn gezicht krult. (10) Zeer zeker zal ik vandaag het genoegen smaken Vishnu recht voor me te zien. Het lijdt geen twijfel dat ik rechtstreeks dat toonbeeld van schoonheid zal aanschouwen die uit eigen beweging de gedaante van een menselijk wezen heeft aangenomen om de last van deze aarde te verlichten. (11) Hoewel Hij [net als ik] een getuige is van het ware en onware, is Hij vrij van [vals] ego. Middels dat persoonlijk vermogen van Hem verdrijft Hij de duisternis en verbijstering van een afgescheiden bestaan [zie ook 2.5: 14, 2.10: 8-9, 3.27: 18-30 en 10.3: 18]. Vanbinnenuit werkzaam zijnde kan Hij, door de geschapen wezens die zich manifesteerden nadat Hij Zijn blik liet rusten op de materiële energie van Zijn schepping, [slechts indirect] worden benaderd met behulp van de vitale adem, de zinnen en de intelligentie in hun lichamen. (12) Zijn zegenende woorden, in combinatie met de kwaliteiten, handelingen en incarnaties [van Hem en Zijn expansies], maken een einde aan al de zonden in de wereld en schenken leven, schoonheid en zuiverheid aan het ganse universum, terwijl woorden verstoken van dezen [zoveel waard] zijn als zaken die een lijk verfraaien. (13) En nu is dan in Zijn eigen geslacht van getrouwen [Sâtvata's] Hij nedergedaald die de gedragscodes handhaaft, Hij die als de leider der onsterfelijke zielen vreugde en geluk brengt door Zijn roem te verbreiden middels Zijn aanwezigheid in Vraja als de Meester wiens al-gunstige aard door de godsbewusten wordt bezongen. (14) Ik zal Hem vandaag zeker te zien krijgen, Hij de bestemming en de geestelijk leraar van de grote zielen, Hij de ware schoonheid der drie werelden die een groot feest is voor allen die ogen hebben, Hij die de gedaante vertoont waar het verlangen van de godin naar uitgaat, Hij die mijn vluchthaven is, Degene door wie al mijn zonsopgangen [een teken van] Zijn gunstige aanwezigheid werden. (15) Zo gauw ik uit mijn wagen stap om de voeten te respecteren van de twee Heren, de Leidende Persoonlijkheden waar zelfs de mediterende yogi's hun intelligentie op fixeren in hun zelfverwerkelijking, zal ik zeker voor Ze buigen alsook voor de vrienden die met Hen in het bos leven. (16) En als ik dan voor de voeten ben neergevallen, zal de Almachtige op mijn hoofd die ene lotushand leggen die de angst verdrijft voor het serpent van de tijd, de slang vanwege wiens flitsende kracht de mensen verschrikt hun toevlucht zoeken. (17) Door in die hand een offergave te leggen verwierven Purandara [zie 8.13: 4] en ook Bali [zie 8.19] de heerschappij [de positie van Indra] over de drie werelden. Het is dezelfde hand die geurig als een welriekende bloem tijdens het spel met de dames van Vraja, door zijn aanraking hun vermoeidheid wegwiste [zie 10.33]. (18) Ondanks dat ik een boodschapper ben die door Kamsa werd gestuurd, zal Acyuta geen vijandige houding tegenover mij aannemen. Hij, de Kenner van het veld [van het lichaam, zie B.G. 13: 3] die getuige is van alles wat zich binnen en buiten het hart afspeelt, ziet met een volmaakte blik. (19) Hij zal liefdevol lachend naar me kijken als ik met gevouwen handen mijn aandacht gevestigd heb op de basis van Zijn voeten. Met het onmiddellijke uitbannen van al mijn besmetting door Zijn blik, zal ik aldus bevrijd zijn van twijfel en een intens geluk bereiken. (20) Met mij [voor Zich staand] als Zijn beste vriend en als een lid van de familie die uitsluitend Hem is toegewijd, zal Hij me omhelzen met Zijn twee grote armen. Daardoor zal mijn lichaam terstond geheiligd raken en zullen mijn karma-afhankelijke banden minder knellen. (21) Als ik het bereikt heb dat ik, met gebogen hoofd en gevouwen handen, fysiek met Hem in contact sta, zal Urus'rava ['de vermaarde Heer'] me aanspreken met woorden als 'O Akrûra, beste verwant...' Aldus zal vanwege de Grootste van Alle Personen mijn leven een succes zijn. Hoe betreurenswaardig is degene wiens geboorte niet op die manier door Hem werd geëerd! (22) Niemand is Zijn favoriet of beste vriend, en ook heeft Hij aan niemand een hekel, haat Hij iemand of minacht Hij iemand [zie B.G. 9: 29]. Desalniettemin is Hij wederkerig met Zijn toegewijden [zie ook 10.32: 17-22] overeenkomstig hun handelingen, net zoals een [wens-]boom uit de hemel als men die benaderd alles schenkt wat men zich maar wenst [zie vaishnava pranâma]. (23) Bovendien zal Zijn oudere broer, de meest excellente Yadu [Balarâma], glimlachend naar mij die daar staat met een gebogen hoofd, me omhelzen, mijn handen beetgrijpen en me mee Zijn huis in nemen om me te ontvangen met alle achting en dan vragen hoe het met Kamsa en al Zijn familieleden gaat.'

(24) S'rî S'uka zei: 'Aldus met zijn wagen onderweg mijmerend over Krishna, bereikte de zoon van S'vaphalka [zie 9.24: 15] het dorp Gokula op het moment dat de zon achter de berg onderging o Koning. (25) De afdrukken van Zijn voeten, waarvan de heersers van alle werelden het zuivere stof op hun kronen houden, zag hij in de aarde van de weidegronden: een prachtige versiering zich aftekenend met de lotus, de korenaar, de olifantendrijfstok en zo meer [zie ook 10.16: 18 en 10.30: 25*]. (26) De extase ze te zien deed zijn opwinding in hevige mate toenemen, zijn haren overeind staan en vulde zijn ogen met tranen. Van zijn wagen afkomend rolde hij zich in de voetsporen uitroepend: 'O dit is het stof van de voeten van mijn Meester!' (27) Dit is wat het levensdoel is van al de belichaamde wezens: om je trots, angst en verdriet op te geven als men de boodschap van de tekenen van de Heer voor zich ziet en erover hoort en dergelijke.

(28-33) In Vraja zag hij Krishna en Râma die, gestoken in gele en blauwe kleding en met ogen zo mooi als herfstlotussen, op weg waren naar de plek waar de koeien gemolken worden. De twee die de toevlucht zijn van de godin waren, blauwig donker en blank van teint, als jongens hoogst fraai om te zien met machtige armen, aantrekkelijke gezichten en een tred gelijk die van een jonge olifant. Met Hun voeten gemerkt met de vlag, de schicht, de drijfstok en de lotus verhoogden de grote zielen vol van mededogen, samen met Hun glimlachen en blikken de schoonheid van het weidegebied. Zij wiens avonturen zo groots en aantrekkelijk zijn, waren fris gewassen, onberispelijk gekleed, droegen bloemenslingers en halskettingen met juwelen en hadden Hun ledematen ingesmeerd met heilzame, geurige substanties. De twee oorspronkelijke, hoogst uitzonderlijke personen, die de Oorzaak en de Meesters van het universum zijn [zie ook 5.25], waren voor het welzijn van dat universum nedergedaald in Hun afzonderlijke gedaanten van Balarâma en Kes'ava. O Koning, met Hun uitstraling verdreven Ze, als een berg van smaragd en een berg van zilver beiden opgesierd met goud, de duisternis in alle richtingen. (34) Snel van zijn wagen klauterend wierp Akrûra, overmand door gevoelens van liefde, zich ter aarde aan de voeten van Râma en Krishna. (35) Toen hij de Allerhoogste Persoonlijkheid zag kon hij, vanwege de vreugdetranen die opwelden in zijn ogen en de verrukking [der extase] die zijn ledematen doortrok, zich in zijn vervoering niet kenbaar maken o Koning. (36) De Allerhoogste Heer, de Zorgdrager der Overgegeven Zielen, herkende hem, trok hem met Zijn hand die is gemerkt met een wagenwiel [de cakra] naar Zich toe en omhelsde hem verheugd. (37-38) Vervolgens omhelsde de grootmoedige Sankarshana [Râma] hem die daar met zijn hoofd gebogen stond. Hij pakte met Zijn hand zijn twee handen beet en nam hem samen met Zijn jongere broer mee het huis in. Daar informeerde Hij of zijn reis aangenaam was geweest. Hij bood hem een uitstekende zitplaats en waste zijn voeten met gezoete melk, zoals dat was voorgeschreven als een vorm van respectvol eerbetoon. (39) Een koe wegschenkend in liefdadigheid en vol van respect de vermoeide gast een massage gevend, serveerde de Almachtige hem gewetensvol zuiver voedsel van verschillende smaken [geschikt om te offeren]. (40) Na het eten voorzag Râma, de Allerhoogste Kenner van het Dharma, met liefde verder nog in kruiderij om de tong te dienen en in bloemenslingers en geuren om de hoogste voldoening te schenken.

(41) Nadat hij hem aldus had geëerd vroeg Nanda: 'O nakomeling van Das'ârha, hoe vergaat het u met die genadeloze Kamsa in leven, die baas die [met zijn onderdanen] net [zo omgaat] als een slachter [met] zijn schapen? (42) Als hij wreed en zelfzuchtig de baby's van zijn eigen zuster doodde tot haar grote verdriet, wat houdt dat dan wel niet in voor het welzijn van zijn onderdanen, voor u?'

(43) Aldus door Nanda naar behoren gerespecteerd met ware en aangename woorden, schudde Akrûra de vermoeidheid van de reis van zich af.'


 

Hoofdstuk 39: Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij aldus comfortabel gezeten op een bank zo zeer vereerd werd door Râma en Krishna, zag hij [Akrûra] dat alles zich had afgespeeld wat hij zich onderweg voor de geest had gehaald. (2) Wat zou er ook niet te bereiken zijn als de Allerhoogste Heer, de toevlucht van S'rî, wordt tevredengesteld? Niettemin verlangen zij die Hem toegewijd zijn nergens naar. (3) Toen het avondmaal was genoten vroeg de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, wat Kamsa deed met betrekking tot Zijn vrienden en verwanten en wat hij verder van plan was. (4) De Opperheer zei: 'O goede ziel, hebt u zich hersteld van de reis? Al het goede zij u toegewenst! Zijn uw vrienden, verwanten en andere metgezellen allemaal gelukkig en gezond? (5) Maar waarom zou Ik informeren naar het welzijn van ons, onze verwanten en de burgers, zolang Kamsa, die ziekte van de familie, die slechts in naam onze oom van moederszijde is, het nog goed gaat? (6) Ah! Vanwege Mij moesten mijn nobele ouders hevig lijden: hun zonen werden gedood en zij werden gevangen gezet. (7) Gelukkig ging vandaag Mijn wens in vervulling u, Mijn nauwe verwant, te mogen zien o beste man. Alstublieft oom, leg uit wat de reden van uw komst is.'

(8) S'rî S'uka zei: 'Op verzoek van de Allerhoogste Heer beschreef de nazaat van Madhu [Akrûra, zie 9.23: 29] alles van [Kamsa's] vijandige houding tegenover de Yadu's en zijn moorddadigheid jegens Vasudeva. (9) Hij onthulde wat de boodschap was waarvoor hij als gezant was gestuurd en wat Nârada hem [Kamsa] had verteld over het feit dat Krishna als de zoon van Ânakadundubhi ter wereld was gekomen. (10) Toen Krishna en Balarâma, de vernietiger van alle brutaliteit in oppositie, hoorden wat Akrûra te melden had moesten ze beiden lachen en vertelden ze Nanda, hun [pleeg]vader, wat de koning had opgedragen. (11-12) Nanda vaardigde toen het volgende officiële bericht uit voor de gopa's en de overige bewoners van Gokula: 'Verzamel al de melkproducten, pak giften en span de wagens in. Morgen zullen we samen met al de mensen onder mijn hoede naar Mathurâ gaan om de koning onze producten aan te bieden en een groot feest te vieren.'

(13) Toen de koeherdersmeisjes hoorden dat Akrûra naar Vraja was gekomen om Râma en Krishna mee naar de stad te nemen, raakten ze geheel overstuur. (14) Dat bracht in de harten van sommigen van hen zo'n grote pijn teweeg, dat hun mooie gezichten wit wegtrokken van de zuchten die ze slaakten terwijl van anderen de haarknotten, de armbanden en de kleren losschoten. (15) Van andere gopî's verdiept in meditatie op Hem, hielden al de zintuigelijke functies ermee op zodat ze geen notie meer namen van de wereld, net zoals dat gaat met hen die het rijk van de zelfrealisatie zijn binnengegaan. (16) Weer anderen vielen flauw, eraan denkend hoe S'auri hen in het hart had getroffen met het delen van Zijn liefdevolle glimlachen en het Zich uitdrukken in fraaie volzinnen. (17-18) Denkend aan Mukunda's charmante manier van bewegen, Zijn activiteiten, liefdevolle glimlachen, Zijn blikken die alle ongeluk verdreven, de grappen die Hij maakte en Zijn machtige daden, kwamen ze in angst over de scheiding, hevig ontsteld, in groepen bij elkaar om met tranen op hun gezichten, diep verzonken, over Acyuta te praten. (19) De fijne gopî's zeiden: 'O Voorzienigheid, waar is uw genade om in liefde en vriendschap de belichaamde zielen samen te brengen? Ons scheidend frustreert u onze plannen. Hoe zinloos zit u, net als een kind, met ons te sollen! (20) Met het ons getoond hebben van het gelaat van Mukunda omlijst door zwarte lokken, Zijn fraaie kaaklijn en rechte neus en de schoonheid van Zijn bescheiden glimlach die de ellende verdrijft, doet u er in het geheel geen goed aan dit [nu] aan ons zicht te onttrekken. (21) Onder de naam van Akrûra ['niet-wreed'] bent u welzeker wreed door als een dwaas, helaas, de Volmaaktheid van de Ganse Schepping in één gedaante, de vijand van Madhu, af te pakken die u voorheen onze ogen liet zien. (22) De zoon van Nanda breekt in een oogwenk met Zijn vriendschap. Hij heeft een nieuwe liefde opgevat en heeft helaas geen oog meer voor ons, wij die onder Zijn invloed ertoe kwamen ons thuis, onze verwanten, kinderen en echtgenoten op te geven en Hem rechtstreeks te dienen. (23) Hoe gelukkig is het ochtendgloren na deze nacht, als onbetwijfelbaar de hoop in vervulling gaat van de vrouwen in de stad [Mathurâ]? Ze nemen dan namelijk het gezicht van de meester van Vraja in zich op die daar aankomt met de nectargelijke glimlach die in Zijn ooghoeken te zien is. (24) Hoe gedienstig en intelligent Mukunda ook moge zijn, als Zijn geest eenmaal in de greep verkeert van hun honingzoete woorden o meisjes, welke kans hebben wij dan nog? Zou Hij, in de ban van de bekoring van hun bedeesde glimlachen, nog naar ons boerenluitjes terugkeren? (25) Vandaag zal voor ogen van de Dâs'ârha's, Bhoja's, Andhaka's, Vrishni's, Sâtvata's en de anderen daar, zich zeer zeker een groot feest afspelen als ze op straat de Lieveling van de Godin zien, het reservoir van alle goddelijke kwaliteiten die de zoon van Devakî is. (26) Iemand die zo onaardig is, een persoon die zo buitengewoon wreed is als hij, zou niet 'a-krûra' moeten heten, omdat hij, zonder zich te verontschuldigen, uit het midden van ons allerverdrietigste mensen [van Vraja] Hem wegvoert die ons dierbaarder is dan de dierbaarste. (27) Hij die zo koeltjes de wagen heeft beklommen [Krishna], wordt door deze dwaze gopa's gevolgd in hun ossenwagens. En de ouderen zeggen er niets van. Vandaag is het lot ons zeker niet gunstig gezind! (28) Laten we nu naar Hem toegaan en Hem tegenhouden. Hij kan dit ons, de familie, de ouderen en onze verwanten niet aandoen, wij die nog niet een halve seconde buiten het gezelschap van Mukunda kunnen. Gescheiden door dat lot zullen onze harten breken! (29) Voor ons die door de charme van Zijn liefdevolle genegenheid, aantrekkelijke glimlachen, intieme onderonsjes, speelse blikken en omhelzingen, naar de bijeenkomst van de râsadans werden getrokken [10.33], verstreek de nacht in een enkel moment! Hoe, o gopî's, kunnen we nu zonder Hem de onoverkomelijke duisternis overwinnen? (30) Hoe kunnen we nu door het leven gaan zonder Hem, de Vriend van Ananta [Râma] die tegen de avond, omringd door gopa's Vraja binnenkwam met Zijn haar en bloemenslinger dik onder het stof van de hoeven, Hij die, spelend op Zijn fluit, glimlachend vanuit Zijn ooghoeken, ons met Zijn blikken van ons verstand beroofde?'

(31) S'rî S'uka zei: 'De dames van Vraja zich aldus in pijn over de scheiding uitlatend, vergaten, denkend aan Krishna in hun gehechtheid, al hun schaamte en riepen luid: 'O Govinda, o Dâmodara, o Mâdhava!'

(32) Terwijl de vrouwen aldus aan het treuren waren ging Akrûra, na zijn ochtendroutines te hebben uitgevoerd, bij zonsopkomst eropuit met zijn wagen. (33) De gopa's die Hem toen onder leiding van Nanda volgden in hun karren, namen een overvloed aan offergaven en aarden potten vol met melkproducten mee. (34) Ook de gopî's volgden hun beminde Krishna [enige tijd] en stonden [toen] te wachten, in de hoop op een paar liefdevolle woorden van de Heer. (35) De grootste onder de Yadu's zag ze bij Zijn vertrek staan treuren en troostte ze toen liefdevol met de boodschap: 'Ik zal Mijn best doen!' (36) In hun geesten Hem nog volgend zolang de vlag nog te zien was en het stof van de wagen kon worden gezien, stonden ze erbij als gebeeldhouwde figuren. (37) Zonder de hoop Hem ooit nog terug te zien keerden ze om en brachten ze vrij van treurnis hun dagen en nachten door met het bezingen van de activiteiten van hun Geliefde.

(38) Met de wagen zich snel als de wind verplaatsend kwam de Opperheer samen met Râma en Akrûra o Koning, aan bij de Yamunâ, de rivier die alle zonde wegneemt. (39) Na het water daar met Zijn hand te hebben aangeraakt en van het zoete nat te hebben gedronken dat straalde als juwelen, ging Hij achter de wagen aan naar een groepje bomen en klom er toen samen met Balarâma [weer] in. (40) Akrûra verzocht Ze op de wagen achter te blijven en ging naar een poel in de Yamunâ om een bad te nemen zoals dat staat voorgeschreven. (41) Zich in dat water onderdompelend en eeuwige mantra's reciterend, zag Akrûra toen een beeld van Râma en Krishna voor zich. (42-43) Hij dacht: 'Hoe kunnen de twee zoons van Ânakadundubhi die op de wagen zitten nu hier zijn? Laat ik eens even kijken of ze er nog steeds zijn...', en uit het water komend zag hij Ze zitten waar hij Ze achtergelaten had. Opnieuw alleen het water ingaand vroeg hij zich af: 'Was mijn visioen van Hen in het water misschien een hallucinatie?' (44-45) En weer, op diezelfde plaats, zag hij de Heer der Serpenten [Ananta of Balarâma], de godheid met de duizenden koppen, kragen en helmen, die door de vervolmaakten, de achtenswaardigen, de zangers van de hemel en zij die van de duisternis zijn met gebogen hoofden werd geprezen. Gekleed in het blauw en [met een huid] zo blank als de vezels van een lotusstengel, bevond Hij zich daar als was Hij de berg Kailâsa met zijn witte pieken. (46-48) Op Zijn schoot bevond zich vredig, als een donkere wolk, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid met de vier armen gehuld in gele zijde. Hij had oogwit roze als de blaadjes van een lotus, een aantrekkelijk vreugdevol gezicht met een charmante, glimlachende blik, fijne wenkbrauwen, oren en een rechte neus, fraaie kaken en rode lippen. Hij had hoge schouders en een brede borst die de godin huisvest, stoere, lange armen en een nek als een schelphoorn, een diepe navel en een buik gestreept als een [banyaan-]blad. (49-50) Hij had stevige billen en heupen, dijen als de slurf van een olifant, twee welgevormde knieën en twee aantrekkelijke kuiten. Zijn enkels waren lang, roze was de gloed die van Zijn teennagels straalde en de zachte tenen van Zijn lotusvoeten aan weerszijden van Zijn twee grote tenen gloeiden als bloemblaadjes. (51-52) Gesierd met een helm overdekt met grote en kostbare edelstenen, met banden om Zijn polsen en armen, een gordel om, een heilige draad, halssnoeren, enkelbelletjes en oorhangers, hield Hij een stralende lotus, een schelphoorn, een werpschijf en een strijdknots in Zijn handen bij de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha-juweel en een bloemenslinger. (53-55) Hij werd vergezeld door Zijn dienaren onder leiding van Nanda en Sunanda en werd, naar gelang ieder zijn eigen soort van liefdevol gedrag, geprezen in gewijde termen door Sanaka en de anderen [de Kumâra's], door de leidende halfgoden aangevoerd door Brahmâ en S'iva, door de belangrijkste tweemaal geborenen [met Marîci aan het hoofd] en door de meest verheven toegewijden aangevoerd door Prahlâda, Nârada en Vasu. Hij werd bediend door Zijn [vrouwelijke] interne vermogens van geluk [S'rî], ontwikkeling [Pushthi of ook wel de kracht], de spraak [Gîr ofwel kennis], de schoonheid [Kânti], faam [Kîrti], de tevredenheid [Tushthi of verzaking - deze eersten vormen Zijn zes volheden], comfort [Ilâ, bhû-s'akti, het aarde-element of sandhinî] en macht [Ûrjâ, zich expanderend in Tulasî]; alsook door zijn vermogens van kennen en onwetendheid [vidyâ en avidyâ, leidend tot bevrijding en gebondenheid] Zijn innerlijk vermogen tot plezier [S'akti of hlâdinî], [Zijn marginaal vermogen, jîva-s'akti] en Zijn creatief vermogen [Mâyâ].

(56-57) Er zeer verheugd over hiervan getuige te zijn, stond hij [Akrûra] daar, enthousiast in opperste toewijding, met de haren op zijn lichaam overeind en met zijn ogen en zijn lichaam nat van zijn vervoering in de liefde. Zijn evenwicht weervindend betoonde de grote toegewijde met een verstikte stem zijn respect met gebogen hoofd. Met zijn handen bijeengebracht bad hij langzaam vol aandacht.'


  

Hoofdstuk 40: Akrûra's Gebeden

(1)
S'rî Akrûra zei: 'In buig me voor U neer, o Heer Nârâyana, Oorzaak Aller Oorzaken, o Oorspronkelijke Onuitputtelijke Persoon, o U uit wiens navel de lotus ontsproot op het hart waarvan Heer Brahmâ verscheen die deze wereld voortbracht. (2) Aarde, water, vuur, lucht, de ether en zijn oorzaak [het valse ego]; het geheel van de materie [zie voetnoot 10.13: ***] en haar oorsprong [de Purusha]; het denken, de zinnen, de voorwerpen van al de zintuigen en de halfgoden [die erbij horen], vormen tezamen de [secundaire] oorzaken van het universum die zijn voortgekomen uit Uw [bovenzinnelijke] lichaam. (3) Dezen, die onder het [uiterlijk] bestuur van het rijk der materie vallen, hebben vanwege die levenloosheid geen weet van de ware identiteit van het Allerhoogste Zelf, Uw Ziel. Ook de ongeborene [Brahmâ] kan gebonden aan de geaardheden van de materiële natuur, Uw gedaante transcendentaal aan deze geaardheden niet kennen [zie ook 10.13: 40-56]. (4) Het is ter ere van U dat de yogi's hun offers brengen, U de Allerhoogste Persoonlijkheid en de Meester binnenin een ieder, binnenin de elementen en binnenin de heersende goden en de heiligen. (5) Sommige brahmanen aanbidden U met respect voor de drie heilige vuren [agni-traya] uitvoerig, met behulp van de mantra's van de drie Veda's, met diverse rituelen voor godheden met verschillende namen en gedaanten. (6) Sommigen die naar geestelijke kennis streven, bereiken de vrede door af te zien van alle baatzuchtige handelingen en aanbidden de belichaming van de kennis [de goeroe, de Heer] door offers te brengen op het gebied van de geestelijke kennis [zie b.v. B.G. 4: 28, 17: 11-13, 18: 70]. (7) Anderen, wiens intelligentie zich zuiverde dankzij de principes [de vidhi] die U behelst, aanbidden U, verzonken in U, als zijnde de ene vorm die vele gedaanten aanneemt. (8) Weer anderen aanbidden U, de Opperheer, in de gedaante van Heer Siva, door het pad te bewandelen beschreven door Heer S'iva dat op verschillende manieren wordt gepresenteerd door de vele leraren. (9) Hoewel ze als toegewijden van andere godheden hun aandacht anders besteden, zijn ze allen van eerbetoon voor U die als de Meester al de goden omvat [zie B.G. 9: 23]. (10) Net als de rivieren die, vol van de regen van alle kanten ontspringend in de bergen, de oceaan instromen o meester, leiden zo ook al deze wegen [van de halfgoden] uiteindelijk naar U [zie B.G. 2: 70, 9: 23-25, 10: 24 en 11: 28]. (11) Al de geconditioneerde levende wezens, van de niet bewegende tot Heer Brahmâ aan toe, zitten vast aan de kwaliteiten [guna's] van het goede [sattva], de hartstocht [rajas] en de onwetendheid [tamas] van Uw materiële natuur [zie B.G. 14]. (12) Ik breng U, de Ziel van Allen mijn eerbetuigingen die, met een onthechte visie, er bent als de getuige en het bewustzijn van iedereen, als Hij die, met deze stroom van de materiële geaardheden die werd gecreëerd door Uw lagere energie, vat heeft op de zielen die zich daarmee vereenzelvigen als goden, mensen en dieren. (13-14) Men denkt aan het vuur als Uw gezicht, aan de aarde als Uw voeten, de zon als Uw oog, de lucht als Uw navel en de windrichtingen als Uw gehoorzin. De hemel is Uw hoofd, de heersende halfgoden zijn Uw armen, de oceaan is Uw buik en de wind is Uw levensadem en fysieke kracht. De bomen en de planten zijn de haren op Uw lichaam, de wolken zijn de haren op Uw hoofd, de bergen zijn het gebeente en de nagels van Uw Allerhoogste wezen. Dag en nacht zijn het knipperen van Uw oog, de stamvader is Uw geslachtsdeel en de regen beschouwt men als Uw zaad [zie b.v. ook 2.6: 1-11]. (15) In U vonden, net zoals de waterdieren rondzwemmend in het water of de kleine insectjes in een udumbara-vijg,  al de werelden - samen met hun heersers en de vele zielen die hen bevolken -, hun oorsprong, in U hun Onuitputtelijke, Ene Persoonlijkheid die alle geest en zinnen omvat.

(16) Voor het heil van Uw spel en vermaak in deze wereld spreidt U verschillende gedaanten ten toon waarmee de mensen, om zich te zuiveren van hun ongeluk, vol van vreugde Uw heerlijkheden bezingen. (17-18) Mijn respect voor U, de Oorspronkelijke Oorzaak, die in de gedaante van Matsya [de vis, zie 8.24] Zich rondbewoog in de oceaan der vernietiging en voor Hayagrîva [met het paardenhoofd, zie 5.18: 6]. Mijn eerbetuigingen voor U, de doder van Madhu en Kaithaba, voor de enorme meester-schildpad [Kûrma, zie 8.7 & 8] die de berg Mandara ondersteunde en alle eer aan U in de gedaante van het everzwijn [Varâha, zie 3.13] die er genoegen in schiep de aarde uit de oceaan op te tillen. (19) Mijn eerbetuigingen voor de verbazingwekkende leeuw [Nrisimha, zie 7.8 & 9] die de angst verdrijft van al de rechtschapen zielen ter wereld, en voor U die als de dwerg [Vâmana, zie 8.18-21] de drie werelden in één stap bedwong. (20) Alle eer aan U, de Heer van de nazaten van Bhrigu [Paras'urâma, zie 9.15 & 16] die het woud van ingebeelde edellieden omhakte, en mijn eerbetuigingen voor U de beste van de Raghudynastie [Heer Râma, zie 9.10 & 11] die een einde maakte aan Râvana. (21) Ik bewijs U o Heer van de Sâtvata's de eer, o U die Heer Vâsudeva bent [Hij qua bewustzijn], Heer Sankarshana [Hij qua ego], Heer Pradyumna [Hij qua intelligentie] en Heer Aniruddha [Hij qua geest, zie verder 4.24: 35 & 36]. (22) Mijn eerbetuigingen voor Heer Boeddha [Hij als de ontwaakte], de Zuivere die de demonische nakomelingen van Diti en Dânu verbijstert. Mijn respect voor U in de gedaante van Heer Kalki [de Heer nederdalend 'voor de verdorvenen'] de vernietiger van de vleeseters [de mleccha's] die zich voordoen als koningen [zie ook 2.7].

(23) O Allerhoogste Heer, de individuele zielen in deze wereld zijn verbijsterd door Uw begoochelende materiële energie [mâyâ] en worden er, door de valse begrippen van 'ik' en 'mijn' [asmitâ], toe gedreven rond te dolen op de wegen van het baatzuchtig handelen [karma]. (24) Wat betreft mijn eigen lichaam, kinderen, thuis, vrouw, weelde, volgelingen enzovoorts, ben ook ik verbijsterd, dwaas denkend dat zij het ware zouden zijn o Machtige, terwijl ze meer weg hebben van droombeelden [die komen en gaan]. (25) Aldus in het duister tastend met een mentaliteit van genieten willen in een wereld vol tegenstellingen, lukt het mij, met het aanzien van ellende voor het tegengestelde [het geluk] en dat wat niet het ware zelf is voor het eeuwige, niet om U te kennen die mijn meest gekoesterde zelf en ziel bent. (26) Gelijk een dwaas die het water niet opmerkt dat overdekt is door planten of als iemand die een luchtspiegeling najaagt, heb ik me van U afgewend. (27) Met een betreurenswaardige intelligentie vanwege materiële verlangens en handelingen, kon ik de kracht niet vinden om mijn verstoorde geest te beheersen die door de o zo machtige, gewillige zinnen van het ene naar het andere werd afgeleid [zie B.G. 13: 1-4 en 5.11: 10].

(28) In deze staat benader ik nu Uw voeten die voor iedere onzuivere persoon, zo denk ik, onmogelijk te bereiken zijn zonder Uw genade. Alleen maar door het ware van dienst te zijn [het ware van Uw toegewijden, natuur en cultuur, sat] kan een persoon Uw [Krishna-]bewustzijn ontwikkelen en een einde maken aan de kringloop van wedergeboorte in deze materiële wereld, o Heer met de lotusnavel. (29) Ik bied Mijn eerbetuigingen aan U aan, de belichaming van de Wijsheid en de Bron van Alle Vormen van Kennis, aan U, de Absolute Waarheid van onbegrensde vermogens die heerst over de krachten die een [geconditioneerde] persoon beheersen. (30) Mijn eerbetoon geldt U, de zoon van Vasudeva, in wie alle levende wezens zich ophouden. Ik betoon U mijn respect o Heer der Zinnen, alstUblieft bescherm me in mijn overgave o Meester.'

 



Hoofdstuk 41: De Aankomst van de Heren in Mathurâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Terwijl hij [Akrûra] aan het bidden was trok Krishna, de Allerhoogste Heer, nadat Hij Zijn gedaante in het water had getoond, Zich weer terug zoals een acteur een einde maakt aan zijn voorstelling. (2) Toen hij zag dat het beeld verdwenen was, kwam hij uit het water, maakte snel zijn verschillende ochtendrituelen af en ging toen verbaasd naar de wagen. (3) Hrishîkes'a vroeg hem: 'Hebt u iets wonderbaarlijks gezien op aarde, in de hemel of in het water? We hebben er zo een vermoeden van!'

(4) S'rî Akrûra zei: 'Wat voor wonderbaarlijks er ook moge zijn hier op aarde, in de hemel of in het water, het bevindt zich allemaal in U die alles omvat; wat zou ik als ik U zie nu niet gezien hebben? (5) Met U voor ogen, de Ene Persoon in wie al de wonderen van de aarde, de hemel en het water worden aangetroffen o Absolute Waarheid, vraag ik me af wat me verder nog zou verbazen dat ik zie in de wereld.'

(6) Met die woorden begaf de zoon van Gândinî [Akrûra] zich met de wagen op weg om Râma en Krishna naar Mathurâ te brengen waar ze tegen het vallen van de avond aankwamen. (7) De mensen van de dorpen die hen hier en daar onderweg benaderden, waren blij de zoons van Vasudeva te zien o Koning, en konden hun ogen niet van Hen afhouden. (8) Ondertussen waren Nanda, de gopa's en de rest van de bewoners van Vraja daar aangekomen en hielden zich, in afwachting van Hen, op in een park buiten de stad. (9) Zich bij hen voegend zei de Opperheer, de Meester van het Universum, tot de bescheiden, glimlachende Akrûra terwijl Hij zijn hand in de Zijne nam: (10) 'Ga maar voor Ons uit de stad in met de wagen en ga naar huis. Wij rusten hier uit en bekijken daarna wel de stad.'

(11) S'rî Akrûra zei: 'Hoe kan ik nou zonder Jullie twee Mathurâ binnengaan o Meester? Laat me niet in de steek o Heer, o Zorgdrager van de Toegewijden, ik ben Uw toegewijde! (12) Kom alstUblieft met Uw oudste broer, de gopa's en Uw vrienden mee naar ons huis zodat het de genade van zijn Meester kan genieten o Heer van het Voorbije. (13) AlstUblieft zegen met het stof van Uw voeten het huis van ons die zo gehecht zijn aan de huishoudrituelen en mogen met die zuivering mijn voorvaderen, de heilige vuren en de halfgoden tevredengesteld zijn. (14) Door die twee voeten te wassen werd de grote koning Bali zegerijk [zie 8.19] en bereikte hij een ongeëvenaarde macht alsook de bestemming gereserveerd voor zuivere toegewijden. (15) Het pure water spoelend van Uw voeten dat Heer S'iva op zijn hoofd nam, heeft, de drie werelden gezuiverd zodat de zonen van koning Sagara [9.8] naar de hemel gingen [9.9]. (16) O God der Goden, o Meester van het Universum over wie men vroom verneemt en zingt, o Beste van de Yadu's, o Heer Geprezen in de Verzen, o Heer Nârâyana, moge er Uw eerbetoon zijn.'

(17) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal vergezeld door Mijn oudere broer naar uw huis komen. Na de vijand temidden van de Yadu's [Kamsa] te hebben gedood, zal Ik Mijn weldoeners tevreden stellen.'

(18) S'rî S'uka zei: 'Nadat Akrûra aldus was toegesproken door de Allerhoogste Heer, ging hij ietwat ontmoedigd de stad binnen. Hij stelde Kamsa op de hoogte van zijn inspanningen en ging daarna naar huis. (19) Later op de middag ging Krishna samen met Sankarshana [Râma] en de gopa's Mathurâ binnen om er een kijkje te nemen. (20-23) Hij zag daar de hoge poorten en toegangen van kristal, voordeuren en immense arcades van goud, pakhuizen van koper en brons en onneembare grachten, [overal] verfraaid met bloemperken en aantrekkelijke parken. De met goud versierde kruispunten, de woningen met hun lusthoven, de vergaderruimten van de gilden en de huizen met hun door pilaren ondersteunde balkons alsmede de omheiningen met rijk versierde panelen, waren ingelegd met vaidûrya stenen, diamanten, kwartskristallen, saffieren, koraal, parels en smaragden. Er klonken de geluiden van de tamme duiven en pauwen die in de openingen zaten van het lattenwerk voor de ramen en op de met edelstenen ingelegde vloeren. De hoofdwegen, zijstraten en hoven waren met water besprenkeld en [ter verwelkoming] bestrooid met bloemenslingers, verse spruiten, geroosterde granen en rijst. De ingangen van de huizen waren fraai versierd met potten vol yoghurt besmeurd met sandelhoutpasta, linten en bloemblaadjes, reeksen lampen, bladeren, bossen bloemen, stammetjes van bananen- en betelnootbomen en vlaggen. (24) Toen de zoons van Vasudeva daar omringd door Hun vrienden arriveerden o Koning, haastten de vrouwen van de stad, begerig een blik op te vangen, zich allen om langs de hoofdstraat te staan en op de huizen te klimmen. (25) Sommigen hadden hun kleren verkeerd om aangetrokken en één van hun twee sieraden vergeten, met één enkele oorbel in of slechts één set enkelbelletjes om. Andere dames maakten één oog op maar niet het andere. (26) Sommigen waren weggelopen tijdens de maaltijd die ze genoten of maakten in hun opwinding niet hun massage af. Ze onderbraken hun baden of kwamen, het rumoer horend, overeind zonder hun middagslaapje af te maken. Anderen zetten als moeders het kind naast zich neer dat ze melk aan het geven waren. (27) Lopend als een olifantenstier in de bronst, stal Hij vermetel hun harten met de blikken van Zijn lotusogen en het spel van Zijn glimlachen. Met Zijn lichaam, die bron van plezier voor de Godin van het Geluk, vergastte Hij hun ogen op een feest. (28) Hem ziend over wie ze herhaaldelijk vernomen hadden, smolten hun harten. De eer ten deel vallend te worden besprenkeld door de nectar van Zijn blikken en brede glimlachen, omhelsden ze met kippenvel via hun ogen hun idool, die belichaming der extase, vanbinnen en gaven ze het onafgebroken leed op [Hem te missen] o onderwerper der vijanden. (29) Geklommen op de daken van hun woningen bestrooiden de speelse vrouwen, met door de liefde als lotussen bloeiende gezichten, Balarâma en Kes'ava met bloemen. (30) Met yoghurt, korenaren en potten vol water, geurige substanties en andere artikelen van aanbidding werden de Twee vreugdevol bij iedere stap aanbeden door de brahmanen. (31) De vrouwen van de stad zeiden: 'O wat een enorme verzaking moeten de gopî's hebben opgebracht om getuige te mogen zijn van deze Twee, die voor de menselijke samenleving de grootste bron van genoegen vormen.'

(32) Krishna, de oudere broer van Gada [zie 9.24: 46] benaderde een zekere klerenwasser die druk bezig was met verven en verzocht hem om eersteklas, schone kledingstukken. (33) 'Alstublieft, beste man, geef Ons Tweeën wat geschikte kleren. Als u ze Ons schenkt, Wij die het verdienen, zal dat voor u de hoogste verdienste vormen, dat lijdt geen twijfel!'

(34) Verzocht door de Opperheer die volkomen en perfect is in ieder opzicht, zei hij vol van valse trots als de dienaar van de koning, verontwaardigd en heel kwaad: (35) 'Is het niet onbeschaamd van jullie die rondtrekken door de bergen en de bossen, om kleren als deze aan te willen trekken die van de koning zijn? (36) Scheer Je weg Jullie dwazen, zit niet zo te bedelen als Je leven Je lief is. Ik zweer het Jullie, mensen met Jullie lef worden door de mannen van de koning ingerekend, beroofd en ter dood gebracht!'

(37) Hen aldus vernederend wekte hij de toorn op van de zoon van Devakî die met de zijkant van Zijn hand hem het hoofd van zijn lichaam sloeg. (38) Toen zijn medewerkers in alle richtingen wegvluchtten, lieten ze de bundels kleding achter. Acyuta pakte toen de kledingstukken. (39) Krishna en Balarâma hulden zich in een stel kleren naar Hun smaak, gooiden er verschillende op de grond en gaven de rest aan de gopa's.  (40) Vervolgens kwam er een wever die op gepaste wijze, vol van liefde voor Hen, Hun kleding verfraaide met stukken stof van verschillende kleuren. (41) Krishna en Râma met ieder Zijn eigen specifieke eersteklas uitdossing en fraaie versieringen, zagen er zo prachtig uit als een paar jonge olifanten, de een licht, de ander donker, opgetuigd voor een festival. (42) De Opperheer was tevreden over de wever en verleende hem sârûpya, het in deze wereld [bevrijd] zijn met dezelfde grote weelde, lichaamskracht, invloed, geheugen en zinsbeheersing [de genade van Zijn uiterlijke kenmerken, zie ook mukti].

(43) Beiden gingen ze vervolgens naar het huis van Sudâmâ ['goedgeefs'], de slingermaker. Toen hij Ze zag stond hij op en boog hij voorover met zijn hoofd op de grond. (44) Hij zorgde voor zitplaatsen voor Hen, bracht water om Hun voeten en handen te wassen, giften en zo meer en vereerde de Twee en Hun metgezellen met bloemenslingers, betelnoot en sandelhoutpasta. (45) Hij zei: 'Onze geboorte heeft zijn vrucht afgeworpen en de familie is gezuiverd o Meester. Samen met mij, zijn mijn voorvaderen, de goden en de zieners er zeer tevreden over dat U hier naartoe kwam. (46) Jullie Twee, die de Uiteindelijke Oorzaak van het Universum vormen, zijn met Jullie volkomen deelaspecten naar deze wereld afgedaald voor haar bescherming en welzijn. (47) Ook al zijn Jullie wederkerig met hen die van aanbidding zijn, is er van Jullie kant geen vooringenomenheid in Jullie blik te bespeuren. Jullie als de Ziel van het Universum, zijn als bevriende weldoeners alle levende wezens gelijk gezind. (48) Jullie Twee zouden mij, Jullie dienaar, moeten opdragen wat ik voor Jullie zou moeten doen. Want dit is voor iedereen de grootste zegen: door Jullie te zijn aangesteld.'

(49) S'uka zei: 'Aldus wetend wat hem te doen stond o beste der koningen, bood Sudâmâ Hen vol van liefde bloemenslingers aan gemaakt van verse, geurige bloemen. (50) Fraai opgesierd met ze vervulden de twee weldoeners Krishna en Râma, die samen met Hun metgezellen zeer tevreden waren, de voorover gebogen, overgegeven ziel, iedere zegening die hij zich maar wenste. (51) Hij koos voor een onwankelbare toewijding voor Hem alleen, de Superziel van het Volkomen Geheel, voor vriendschap met alle levende wezens en voor de zegen der bovenzinnelijkheid. (52) Aldus hem zegenend met voorspoed, een goed gedijende familie, kracht, een lang leven, bekendheid en schoonheid, vertrok Hij samen met Zijn oudere broer.'

 



Hoofdstuk 42: Het Breken van de Offerboog

(1) S'rî S'uka zei: 'Over de hoofdweg wandelend zag Krishna een vrouw die een dienblad met smeersels voor het lichaam droeg. Zij was gebocheld [*], was jong en had een aantrekkelijk gezicht. De Verlener der Essentie vroeg haar met een glimlach waar ze naar op weg was. (2) 'Wie ben jij met je mooie benen? Kijk eens wat een zalf! Alsjeblieft, zeg Ons eerlijk voor wie dit alles bestemd is. Biedt als je wilt, Ons tweeën die zalf voor het lichaam, dan zal er spoedig voor jouw het hoogste voordeel zijn.' 

(3) De dienstmaagd zei: 'O schone man, ik ben een bediende van Kamsa bekend als Trivakrâ ['drieknakje'] en geniet het respect inderdaad voor mijn werk met smeersels die door mij bereid zeer geliefd zijn bij de leider van de Bhoja's. Maar oké, wie anders dan Jullie twee zouden ze verdienen?'

(4) Gegrepen door de schoonheid, charme en lieflijkheid van Hun woorden, glimlachen en blikken, deelde ze gul haar zalven uit. (5) Met het aanbrengen op Hun lichamen van de kleuren die afstaken tegen die van Hun huidskleur, bleken de smeersels van de beste kwaliteit te zijn. Aldus gezalfd zagen Ze er prachtig uit. (6) Om bewijs te leveren van het voordeel dat men heeft Hem te ontmoeten, besloot de tevreden Opperheer om de kromme rug van Trivakrâ, die zo'n mooi gezicht had, recht te trekken. (7) Met Zijn beide voeten haar tenen naar beneden drukkend nam Acyuta met Zijn handen haar bij haar kin vast en tilde Hij, met twee vingers naar boven, haar lichaam op. (8) Toen plotseling recht als gevolg van Mukunda's aanraking, was ze een vrouw geworden die geheel volmaakt was met goed geproportioneerde ledematen, grote heupen en borsten. (9) Aldus gezegend met schoonheid, kwaliteit en goede gevoelens kwam het idee in haar op om met Hem te slapen. Met een glimlach richtte ze zich tot Kes'ava terwijl ze aan de slip van Zijn bovenkleed trok. (10) 'Kom o held, laten we naar mijn huis gaan. Ik kan Je hier nu niet achterlaten, alstJeblieft o Beste van Alle Mannen, heb genade met mij, het duizelt me helemaal.' 

(11) Met dit verzoek van de vrouw wierp Krishna een blik naar Balarâma die stond te kijken en toen naar de gopa's.  Lachend zei Hij tegen haar: (12) 'O jij met je fraaie wenkbrauwen, Ik zal je thuis bezoeken, als Ik volbracht heb waarvoor Ik gekomen ben. Daar zullen wij, reizigers onderweg ver van huis, van opknappen. Jij bent immers het beste wat men zich maar wensen kan.'

(13) Na haar met deze liefdevolle woorden te hebben achtergelaten, werd Hij,  samen met Zijn broer Zijn weg vervolgend, door de kooplieden geëerd met verschillende offergaven van betelnoot, bloemenslingers en geurige substanties. (14) Met Hem voor ogen konden de vrouwen niet meer helder denken. Getroffen door Cupido stonden ze als aan de grond genageld met hun kleren, armbanden en haar in wanorde. (15) Na de inwoners gevraagd te hebben naar de plek van de offerboog, ging Acyuta daar naar binnen. Het was een boog zo schitterend als een regenboog, de boog van Indra. (16) De boog werd bewaakt door vele mannen en aanbeden met de grootste weelde. Krishna wrong zich langs de bewakers die Hem tegenhielden en pakte de boog op.  (17) Voor ogen van de wachters tilde Hij hem zonder moeite op met Zijn linkerhand en spande Hij in een oogwenk de pees. Urukrama ['reuzenstap'] brak hem doormidden als was Hij een olifant begerig naar een stengel suikerriet. (18) Het geluid van de brekende boog drong door in alle richtingen van de hemel en de aarde en jaagde Kamsa die het hoorde, de stuipen op het lijf. (19) In een poging Hem te pakken te krijgen werden Hij en Zijn kameraden omsingeld door de wachters die woedend hun wapens ter hand hadden genomen en schreeuwden: 'Grijp Hem, doodt Hem!' (20) Toen Balarâma en Kes'ava hun kwade bedoelingen zagen, namen Ze daarop ieder een stuk van de boog ter hand en sloegen Ze hen er verwoed mee tegen de grond.

(21) Nadat Ze ook een troepenmacht hadden verslagen die door Kamsa was gestuurd, wandelden de Twee de poort van het offerperk uit, er gelukkig mee om de opwindende rijkdom van de stad te aanschouwen. (22) De burgers getuige van Hun verbazingwekkende heldendaad beschouwden Hen vanwege Hun kracht, lef en schoonheid, als de besten onder de goden. (23) Naar believen rondkijkend begon de zon onder te gaan en keerden Krishna en Râma in het gezelschap van de gopa's terug naar de plaats buiten de stad waar ze hun wagens hadden achtergelaten. (24) De [voorspellingen van] zegeningen in Mathurâ, uitgesproken door de gopî's die werden gekweld door gevoelens van gescheidenheid toen Mukunda vertrok [10.39: 23-25], kwamen allemaal uit voor hen die het volle zicht hadden op het lichaam van dit toonbeeld van mannelijke schoonheid, van Hem, de toevlucht die dermate door de Godin van het Geluk werd begeerd dat ze de anderen die haar aanbaden ervoor vergat. (25) Nadat Ze beiden Hun voeten hadden gewassen en gekookte rijst met melk hadden gegeten, brachten Ze, Zich volledig bewust van wat Kamsa van plan was, de nacht daar heel comfortabel door. (26-27) Maar Kamsa lag nog lang wakker van het bericht over het spel dat Govinda en Râma hadden gespeeld met het breken van de boog en het doden van zijn legertje wachters. In zijn angst zag hij met zijn slechte geest, zowel wakend als in zijn dromen, vele slechte voortekenen en boodschappers van de dood. (28-31) In de spiegel kon hij de weerspiegeling van zijn eigen hoofd niet zien en zag hij zonder enige aanleiding een dubbel beeld van de hemellichamen. In zijn schaduw zag hij een gat en hij kon het geluid van zijn ademhaling niet horen. Hij zag een gouden glans over de bomen liggen en kon zijn eigen voetafdrukken niet ontdekken. In zijn slaap werd hij omhelsd door geesten, reed hij op een ezel en slikte hij vergif. Hij zag iemand naakt rondlopen die ingesmeerd was met olie terwijl hij een slinger van naladabloemen droeg [indiase rose-paarse nardus bloemen, een Valeriaan-achtige]. In zijn slaap alsook wakend deze en soortgelijke voortekenen voor zich ziend, was hij doodsbang en kon hij niet meer slapen.

(32) Toen de nacht was verstreken, o nakomeling van Kuru, en de zon uit het water oprees, hield Kamsa het grote worstelfestival dat hij organiseerde. (33) De mannen van de koning lieten in het perk ceremonieel muziekinstrumenten en trommels klinken en versierden de tribunes met bloemenslingers, vlaggen, linten en bogen. (34) De burgers en de mensen van elders, met voorop de ambtenaren van staat en de brahmanen, kwamen daarop comfortabel te zitten, terwijl de edelen speciale zitplaatsen toegewezen kregen. (35) Kamsa zat omringd door zijn ministers op het koninklijke ereplatform, maar zich daar bevindend temidden van zijn bestuurders, beefde zijn hart. (36) Terwijl de muziekinstrumenten ritmen speelden gepast voor het worstelen, kwamen de rijk uitgedoste worstelaars met hun instructeurs trots samen naar binnen en gingen ze zitten. (37) Canura, Mushthika, Kûtha, S'ala en Tos'ala namen, geestdriftig door de aangename muziek, hun plaats in op de worstelmat. (38) De gopa Nanda en de koeherders die hij aanvoerde werden door de koning van Bhoja [Kamsa] naar voren geroepen om hun offergaven aan te bieden en namen toen plaats op één van de tribunes.'

*: De leerlingen van Prabhupâda verduidelijken: 'Volgens S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura, was het jonge gebochelde meisje feitelijk een gedeeltelijke expansie van de Heer Zijn echtgenote Satyabhâmâ. Satyabhâmâ is de inwendige energie van de Heer die bekend staat als Bhû-s'akti [zie 10.39: 53-55], en deze expansie van haar, bekend als Prithivî, vertegenwoordigt de aarde, zoals die gebukt ging onder de grote last van talloze slechte heersers. Heer Krishna daalde neer om deze kwade heersers uit de weg te ruimen en aldus staat dit voorval met Hem van het rechttrekken van de gebochelde Trivakrâ, zoals verduidelijkt in deze verzen, voor Zijn corrigeren van de belaste conditie van de aarde.'

 

Hoofdstuk 43: Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

(1) S'ri S'uka zei: 'Toen Krishna en Râma zich gewassen hadden o bestraffer der vijanden, hoorden Ze de klanken van de pauken voor de worstelwedstrijd en gingen Ze er kijken. (2) Zo gauw Krishna de poort van het strijdperk bereikte, zag Hij daar de olifant Kuvalayâpîda staan, aangespoord door zijn verzorger. (3) Hij haalde Zijn kleren strak aan, bond Zijn krullende lokken samen en zei, met woorden zo gewichtig als de rollende donder, tot de olifantenhoeder: (4) 'Olifantenhoeder, o olifantenhoeder, laat Ons erdoor, ga nu direct aan de kant of anders zal Ik u met uw olifant vandaag nog naar de wereld van Yama [de heer van de dood] helpen.'

(5) Aldus bedreigd, werd de olifantenhoeder kwaad en stuurde hij de furieuze olifant die als Yama, de tijd en de dood was, in de richting van Krishna. (6) De reuzenolifant stormde op Krishna af en greep Hem met geweld met zijn slurf beet, maar door hem een slag toe te brengen ontsnapte Hij aan de greep en verdween Hij tussen zijn poten. (7) Woedend dat hij Hem niet meer zag, spoorde hij Hem op met zijn reukzin en greep hij Hem beet met het uiteinde van zijn lange neus, maar Krishna zette kracht en kwam weer vrij. (8) Krishna greep hem bij de staart en sleurde hem, die berg van geweld, vijfentwintig booglengten ver met het gemak waarmee Garuda met een slang speelt. (9) Acyuta die hem heen en weer bewoog, werd Zelf ook door hem in beweging gebracht, net zoals een kalfje dat doet met een jongetje [aan zijn staart. Zie ook 10.8: 24]. (10) Zo gauw ze van aangezicht tot aangezicht kwamen te staan, sloeg Hij de olifant met Zijn hand en maakte Hij zich uit de voeten. Aldus verkocht Hij hem een klap bij iedere stap en liet Hij hem toen struikelen. (11) Wegrennend deed Krishna alsof Hij op de grond viel, maar dan stond Hij plotseling op zodat de olifant driest zijn slagtanden in de aarde stak. (12) Met zijn macht gepareerd raakte die heer der olifanten buiten zinnen en aangespoord door zijn verzorgers, viel hij razend Krishna opnieuw aan. (13) De Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, trad hem in zijn aanval tegemoet, greep hem bij zijn slurf en bracht hem ten val. (14) Met het gemak van een leeuw bovenop de gevallen kolos springend, rukte de Heer er een slagtand uit en doodde Hij daarmee de olifant en zijn helpers.

(15) De dode olifant achter zich latend nam Hij, besprenkeld met de druppels van het zweet en het bloed van de olifant, de slagtand op Zijn schouder en betrad Hij [het strijdperk] met Zijn lotusgezicht glimmend van de fijne druppeltjes die waren verschenen door Zijn eigen transpireren. (16) O Koning, Baladeva en Janârdana omringd door verschillende koeherdersjongens, verschenen aldus voor het publiek met de slagtanden van de olifant als de wapens van hun keuze. (17) Voor de worstelaars was Hij als de bliksem, voor de mannen was Hij de beste en voor de vrouwen was Hij Cupido in levende lijve. Voor de koeherders was Hij een verwant, voor de ondeugdelijke heersers was Hij een bestraffer en voor Zijn ouders was Hij een kind. Voor de koning van Bhoja was Hij de dood, voor de dommen vormde Hij enkel een materiële gedaante, voor de yogi's was Hij de Hoogste Werkelijkheid en voor de Vrishni's was Hij de meest aanbiddelijke godheid. Op deze verschillende manieren bekeken betrad Hij het strijdtoneel samen met Zijn broer [zie * en rasa]. (18) Toen Kamsa zag dat Kuvalayâpîda gedood was en Zij tweeën onoverwinnelijk waren, maakte een zeer grote angst zich meester van zijn geest o heerser der mensen. (19) De twee machtig gearmde Heren, gestoken in ieder Zijn eigen kleding, met versieringen en bloemenslingers, zagen er in hun prachtigste kostuums uit als twee acteurs en straalden, aanwezig in het perk, met een gloed die de geesten van alle toeschouwers overweldigde. (20) De mensen die op de tribunes zaten, de burgers en de mensen van buiten o Koning, sperden toen ze de twee Verheven Persoonlijkheden zagen, vol verrukking hun ogen en monden wijd open en dronken de aanblik van Hun gezichten in, nimmer genoeg van Ze krijgend. (21-22) Alsof ze Hen met hun ogen opdronken, met hun tongen oplikten, door hun neusgaten opsnoven en met hun armen omhelsden, onderhielden ze zich door elkaar te herinneren aan de schoonheid, kwaliteiten, charme en heldenmoed die ze van Hen gezien en gehoord hadden: (23) 'Deze twee die naar deze wereld afdaalden in het huis van Vasudeva, zijn vast en zeker de directe expansies van Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (24) Deze hier werd geboren uit Devakî en naar Gokula overgebracht waar Hij, opgroeiend in het huis van Nanda, al die tijd in het geheim leefde. (25) Hij maakte een einde aan Pûtanâ en de wervelwind-demon en bracht ook anderen om zoals de Arjunabomen, S'ankhacûda, Kes'î en Dhenuka. (26-27) Hij redde de koeien en hun herders uit de bosbrand, Hij onderwierp de slang Kâliya en bracht Indra bescheidenheid bij door de ingezetenen van Gokula voor de wind, de hagel en de regen te behoedden toen Hij voor de duur van zeven dagen met één hand de beste van alle bergen omhoog hield. (28) De gopî's konden, met de aanblik van Zijn immer opgewekte, glimlachende gezicht en oogopslag die vrij zijn van vermoeidheid, alle soorten van ellende te boven komen en gelukkig leven. (29) Men beweert dat dankzij Hem deze Yadudynastie heel beroemd zal worden en, in ieder opzicht beschermd, alle rijkdom, glorie en macht zal verwerven. (30) En deze broer van Hem, de lotusogige Râma, Hij is van het volle vermogen en doodde Pralamba, [en zo denken wij... **] Vatsâsura, Bakâsura en anderen.'

(31) Terwijl de mensen zich aldus uitlieten en de muziekinstrumenten weerklonken, richtte Cânûra zich tot Krishna en Balarâma en sprak de volgende woorden: (32) 'O zoon van Nanda, o Râma, Jullie twee helden zijn alom gerespecteerd en bedreven in het worstelen; de koning die erover vernam wilde dat wel eens zien en ontbood jullie. (33) Als de burgers in hun denken, woorden en daden tewerk gaan tot het genoegen van de koning, zal geluk hen ten deel vallen, maar als ze dat niet doen bereiken ze het tegenovergestelde. (34) De gopa's zijn er duidelijk steeds gelukkig mee hun kalveren te hoeden en in de bossen te spelen en ravotten terwijl ze de koeien laten grazen. (35) Laten we daarom samen met Jullie twee doen wat de koning behaagt. Iedereen zal tevreden over ons zijn, want de koning belichaamt het belang van alle levende wezens.'

(36) Toen Hij dat hoorde sprak Krishna, die de worstelpartij goed uitkwam en [dus] wenselijk achtte, woorden die gepast waren voor de tijd en plaats [zie ook 4.8: 54]: (37) 'Hoewel we rondtrekken door de bossen, zijn we nog steeds onderdanen van de Bhoja koning. We moeten dan ook steeds dat doen wat hem behaagt, want dat zal ons het hoogste voordeel brengen. (38) Wij zijn jonge jongens en moeten, zoals dat hoort, Ons meten met hen die net zo sterk zijn. De worstelwedstrijd dient zo plaats te vinden dat het verzamelde publiek in dit strijdperk niet van zijn geloof zal vallen.'

(39) Cânûra zei: 'Jij en Balarâma zijn geen jongens meer of jongeren, Jullie zijn de sterksten van de sterken die zomaar voor de sport de olifant doodden die de kracht had van een duizend olifanten! (40) Daarom moeten Jullie twee de strijd aangaan met hen die sterk zijn. Daar schuilt geen onrecht in, het is Jouw kunnen tegen dat van mij o afstammeling van Vrishni, en Balarâma moet het opnemen tegen Mushthika.'

*: Aldus spreekt men van tien rasa's, houdingen of gemoedsgesteldheden in relatie tot Krishna: strijdlust [zoals waargenomen door de worstelaars], bewondering [door de mannen], geslachtelijke aantrekking [de vrouwen], lachen [de koeherders], ridderlijkheid [de koningen], genade [Zijn ouders], schrik [Kamsa], afschuw [de dommen], vredige neutraliteit [de yogi's] en liefdevolle toewijding [de Vrishni's].

**:
Vatsâsura, Bakâsura werden in feite door Krishna gedood.

 

Hoofdstuk 44: De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer Madhusûdana instemmend met Cânûra stelde zich tegenover hem op en zo deed de zoon van Rohinî dat ook tegenover Mushthika. (2) Hun handen met hun handen beetgrijpend en hun benen met hun benen blokkerend, duwden en trokken ze elkaar uit alle macht om de overwinning te behalen. (3) Met hun ellebogen tegen hun ellebogen, hun knieën tegen hun knieën, hun hoofd tegen hun hoofd en hun borst tegen hun borst, brachten ze elkaar hun slagen toe. (4) Ronddraaiend, schuivend, plettend en neersmijtend, loslatend, naar voren en naar achteren rennend, boden ze elkaar weerstand. (5) In hun verlangen naar de overwinning deden ze elkaar pijn, tilden ze elkaar op en droegen ze elkaar, duwden ze elkaar weg en hielden ze elkaar vast.

(6) Meelevend met dat gevecht tussen de zwakken en de sterken kwamen de vrouwen in groepen bijeen o Koning, en zeiden ze: (7) 'Helaas, wat een enorm gebrek aan verantwoordelijkheid van de kant van de mensen hier aanwezig in deze bijeenkomst van de koning. Samen met de koning willen ze een wedstrijd zien tussen de sterken en de zwakken! (8) Aan de ene kant zien we de verschijningen van deze twee bergen van meesterworstelaars met ledematen zo sterk als de bliksem, terwijl we aan de andere kant deze twee jongeren zien met tengere ledematen die de volwassenheid nog niet bereikt hebben! (9) Dit samenzijn vormt een breuk met het dharma. Daar waar het onrecht naar voren treedt behoort men zich geen moment langer op te houden! (10) Een wijs mens behoort niet een bijeenkomst bij te wonen waar de deelnemers van plan zijn zich onbetamelijk te gedragen. Als een mens stilzwijgend en met valse voorwendselen uitgaat van verkeerde zaken, begaat hij een zonde. (11) Kijk nou eens hoe nat Krishna's lotusgezicht is door de inspanning van het dansen om Zijn tegenstander. Hij lijkt wel de werveling van een lotusbloem bedekt met waterdruppeltjes. (12) Zie hoe Balarâma's gezicht er nog mooier uitziet zoals Hij lachend en met ogen als koper zich in Zijn woede concentreert op Mushthika. (13) Hoe verdienstelijk is niet de landstreek van Vraja waar de Oorspronkelijke Persoonlijkheid in deze vermomming van menselijke trekken, met een prachtige combinatie van woudbloemenslingers, in het gezelschap van Balarâma Zijn fluit laat klinken, Zich beweegt in allerlei avonturen en de koeien hoedt, terwijl Zijn voeten worden aanbeden door de heer op de berg [S'iva] en de godin van het geluk. (14) Van wat voor boetedoening moeten de gopî's wel niet geweest zijn dat ze met hun ogen de gedaante mochten indrinken van een dergelijke essentie van ongeëvenaarde, ongekende lieflijkheid die volmaakt is in zichzelf, steeds nieuw is en zo moeilijk te bereiken is als de enige toevlucht van roem, schoonheid en weelde? (15) De fortuinlijke dames van Vraja met hun melken, dorsen, karnen, versmeren [van de mest], schommelen op schommels, met hun huilende baby's, hun besprenkelen, reinigen etc., zingen in hun gedachten gehecht en verstikt van de tranen over Hem en vinden aldus hun weg dankzij hun bewustzijn van Urukrama. (16) Als ze Hem de fluit horen bespelen als Hij tezamen met de koeien vroeg in de ochtend vertrekt en laat in de avond naar Vraja terugkeert, haasten de vrouwen zich naar buiten op straat om in de grootste trouw het glimlachende, genadige gezicht en Zijn blikken te zien.'

(17) Terwijl ze zich aldus uitlieten, besloot de Opperheer, de Meester van het Mystiek Vermogen, Zijn vijand te doden o held van de Bhârata's. (18) Toen Hun ouders [in hechtenis] de  bezorgde woorden over hun zoons van de vrouwen hoorden, brandden ze vol van spijt, in hun liefde overmand door verdriet, want ze wisten niet hoe sterk hun kinderen waren. (19) Net zoals Acyuta en Zijn tegenstander elkaar bevochten met allerlei worsteltechnieken, deden Balarâma en Mushthika dat ook. (20) Als gevolg van de verpletterende, bliksemharde slagen uitgedeeld door de handen en voeten van de Allerhoogste Heer, voelde Cânûra zich meer en meer gepijnigd en uitgeput en werd hij lichamelijk volledig gebroken. (21) Met zijn beide handen tot vuisten gebald viel hij de Allerhoogste Heer Vâsudeva aan met de snelheid van een havik en sloeg hij Hem woedend op Zijn borst. (22-23) Niet meer door zijn slagen geraakt dan een olifant geslagen met een bloemenslinger, greep de Heer Cânûra bij zijn armen, slingerde Hij hem een paar keer in het rond en smeet Hij hem met grote kracht op de grond. Met zijn kleren, haar en bloemenslinger in de war neersmakkend als een massieve feestzuil, liet hij toen het leven. (24-25) Zo ook kreeg Mushthika, nadat hij de machtige Heer Balabhadra had getroffen met zijn vuist, een geweldige klap te verduren van Zijn handpalm zodat hij trillend en bloed opgevend, precies waar hij stond getroffen levenloos ter aarde zeeg, als was hij een boom geveld door de wind. (26) Toen trad Kûtha naar voren. Achteloos werd hij met speels gemak door Râma, de beste aller strijders, met Zijn linkervuist gedood o Koning. (27) Vervolgens werd S'ala's hoofd getroffen door de tenen van Krishna en werd Tos'ala door Hem uiteen gescheurd, zodat ze beiden neervielen. (28) Nadat Cânûra, Mushthika, Kûtha, S'ala en Tos'ala waren gedood vluchtten de overgebleven worstelaars allemaal weg in de hoop hun leven te redden. (29) Krishna en Balarâma Zich voegend bij Hun jonge koeherdersmaten dolden met hen, bespeelden muziekinstrumenten en dansten rond, tinkelend met Hun enkelbelletjes. (30) Met uitzondering van Kamsa verheugden alle mensen zich over de prestatie van Râma en Krishna, terwijl de leidende brahmanen en sâdhu's uitriepen: 'Uitstekend, uitstekend!'

(31) Ziende dat zijn beste worstelaars gedood waren of op de vlucht geslagen, stopte de koning van Bhoja zijn instrumentale muziek en sprak hij de woorden: (32) 'Verdrijf de twee zoons van Vasudeva die zich zo kwalijk hebben gedragen uit de stad, neem de rijkdom van de gopa's in beslag en bindt die halve gare Nanda vast! (33) En die onnozele Vasudeva, die verdomde dwaas, en mijn vader Ugrasena en zijn volgelingen, moeten, omdat ze allen heulden met de vijand, terstond ter dood worden gebracht.'

(34) Terwijl Kamsa aldus uitermate kwaad te keer ging, sprong de Onoverwinnelijke Heer met gemak naar boven en klom Hij snel op naar het hoge koninklijk platform. (35) Hem, zijn eigen dood, er aan zien komend, stond Kamsa, slim als hij was, direct op van zijn zetel en nam hij zijn zwaard en schild ter hand. (36) Kamsa bewoog zich met zijn zwaard in de hand zo snel als een havik in de lucht van links naar rechts, maar werd, bij de macht van de Heer Zijn onverzettelijke en angstwekkende kracht, gegrepen als een slang door de zoon van Târkshya [Garuda]. (37) Hem bij zijn haar beetgrijpend gleed hem de kroon van zijn hoofd. De Heer met de Lotusnavel slingerde hem toen van het hoge platform in de worstelring waarna Hij, de Onafhankelijke Steun van het Ganse Universum, zich bovenop hem wierp. (38) Als een leeuw met een olifant sleepte Hij hem dood over de grond voor ogen van al de mensen van wie toen een luid 'Ooo..h, ooooh' geluid weerklonk, o Koning der mensen. (39) Omdat hij, onophoudelijk vervuld van angst, Hem, de Meester met de cakra in Zijn hand, voor zich had gezien wanneer hij ook maar dronk of at, liep, sliep of ademde, verkreeg hij [eenmaal verlost] aldus dezelfde, zo heel moeilijk te verwerven gedaante [zie ook sârûpya 10.41: 42 en 10.29: 13]. (40) Zijn acht jongere broers Kanka, Nyagrodhaka en de rest, vielen toen in woede ontstoken aan om hun broer te wreken. (41) Zich aldus naar voren haastend om toe te slaan werden ze tegen de grond geslagen door Balarâma die Zijn strijdknots hanteerde als koning leeuw heersend over de dieren. (42) Pauken weerklonken in de hemel en Brahmâ, S'iva en de andere goden en expansies van de Heer, zongen verheugd hun lofprijzingen en strooiden bloemen over Hem uit terwijl hun vrouwen dansten.

(43) De echtgenotes [van Kamsa en zijn broers] o Keizer, kwamen treurend over de dood van hun weldoeners naar die plek met tranen in hun ogen en zich op hun hoofd slaand. (44) Hun echtgenoten omhelzend die neerlagen op het bed der helden, weeklaagden de vrouwen luid en lieten ze een stroom van tranen de vrije loop: (45) 'Helaas o meester, o teerbeminde, o verdediger van de heilige plicht, o vriendelijkheid in persoon, o jij zo vol van mededogen! Op hetzelfde moment dat jullie de dood vonden hebben wij, jullie huishouding en jullie nageslacht, onze dood gevonden. (46) Deze stad verstoken van jou, zijn heerser, ziet er, net als wij o meest heldhaftige onder de mannen, niet meer zo mooi uit nu aan al de feestelijkheid en verrukking een einde is gekomen. (47) Het verschrikkelijke geweld door jou begaan jegens onschuldige levende wezens, resulteerde in de toestand waarin je nu verkeert o liefste. Hoe kan het met hem die andere levende wezens schade berokkent nu goed aflopen? (48) Hij die geen aandacht heeft voor Hem, degene die voorzeker de oorsprong, handhaving en verdwijning is van al de levende wezens in deze wereld, kan nimmer gedijen in voorspoed.'

(49) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Handhaver van Al de Werelden, troostte de vrouwen van de koning [en zijn broers] en regelde zoals dat is voorgeschreven de begrafenisplechtigheden voor de overledenen. (50) Vervolgens bevrijdden Krishna en Balarâma Hun vader en moeder van hun boeien en bewezen Ze hen de eer door hun voeten met Hun hoofden aan te raken. (51) Devakî en Vasudeva bewezen, op hun beurt Hen erkennend als de Meesters van het Universum, Hen de eer met gevouwen handen en omhelsden - bedachtzaam - hun zonen niet.' 

  


Hoofdstuk 45: Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

(1) S'rî S'uka zei: 'Wetend dat Zijn ouders op het idee waren gekomen dat Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid zou zijn, zei Hij tot Zichzelf: 'Dit moet niet zo zijn'. En dus spreidde Hij Zijn persoonlijk begoochelend vermogen [van Zijn yogamâyâ] tentoon dat alle mensen verbijstert. (2) Ze tezamen met Zijn oudere broer, de Grootste Aller Toegewijden [de Sâtvata's] benaderend, boog Hij bescheiden vol respect voor Zijn ouders om ze tevreden te stellen en zei: 'Beste vader en moeder! (3) O vader, vanwege Ons verkeerden jullie altijd in angst en hebben jullie nooit iets mogen meemaken van de peutertijd, kleutertijd en  jongensjaren van jullie twee zoons [*]. (4) Het lot beschikte het zo dat We, verstoken van een leven in jullie aanwezigheid, niet het plezier van het geluk konden ervaren van kinderen die thuis bij hun ouders wonen. (5) Een sterfelijke persoon is nimmer, nog niet voor een levensduur van honderd jaar, in staat om de schuld aan zijn ouders af te lossen. Uit hen nam hij zijn geboorte en door hen wordt hij onderhouden. Ze vormen de bron van het lichaam dat zich leent voor al de doeleinden van het leven [al de purushârtha's, vergelijk met 10.32: 22]. (6) Een zoon die, ondanks dat hij er toe in staat is, met zijn middelen van bestaan en weelde niet voorziet in hun onderhoud, zal na zijn dood ertoe gedwongen worden zijn eigen vlees te eten [zie ook 5.26]. (7) Als men er wel toe in staat is maar niet zijn eigen moeder en vader onderhoudt, de ouderen, zijn kuise echtgenote, zijn nog jonge kind, zijn geestelijk leraar, een [op jou aangewezen] brahmaan of wie er ook maar zijn toevlucht bij je zoekt, is men dood ondanks dat men ademt [zie B.G. 11: 33]. (8) Vanwege Kamsa die altijd Onze geest verstoorde, waren Wij tweeën aldus niet bij machte u te eren en hebben We Onze [jeugd]jaren doorgebracht zonder voor u van enig nut te zijn geweest. (9) Alstublieft o vader en moeder, neem het Ons niet kwalijk dat, onder controle staand van anderen, Wij van Onze kant u niet van dienst konden zijn zodat de hardvochtige [Kamsa] u zoveel pijn kon bezorgen.'

(10) S'rî S'uka zei: 'Alzo in de waan verkerend vanwege de woorden afkomstig van Hem, de Heer en Ziel van het Universum die middels Zijn mâyâ verscheen als een menselijk wezen, tilden ze Hen op hun schoten om de vreugde te kunnen ervaren Ze te omhelzen. (11) Gebonden met het touw der genegenheid een stroom van tranen plengend, konden ze met hun kelen vol met tranen overmand, geen woord meer uitbrengen o Koning. (12) De Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, die aldus Zijn ouders op hun gemak stelde, maakte toen Zijn grootvader Ugrasena Koning van de Yadu's. (13) Hij zei hem toen: 'Alstublieft o grote Koning, neem met Ons als uw onderdanen de verantwoordelijkheid op u, daar vanwege de vloek van Yayâti [zie 9.18: 42] men geboren als een Yadu niet op de troon behoort te zitten. (14) Als Ik er ben als een dienaar vol van aandacht voor u, zullen de halfgoden en zo meer, zich voor u buigen om u de eer te bewijzen. Wat kunt u dan niet verwachten van de andere bestuurders der mensen?'

 
(15-16) Al Zijn naaste verwanten en andere relaties, de Yadu's, Vrishni's, Andhaka's, Madhu's, Dâs'ârha's, Kukura's en andere clans die verstoord in hun angst voor Kamsa in alle richtingen waren weggevlucht, werden geëerd en getroost, daar het leven in den vreemde zorgelijke mensen van ze gemaakt had. Hij, de Maker van het Universum, bracht ze weer terug naar hun huizen en stelde ze tevreden met kostbare geschenken. (17-18) Beschermd door de armen van Krishna en Sankarshana genoten ze in hun huizen de volkomen vervulling van hun wensen omdat, nu ze dag na dag het liefdevolle, altijd opgewekte, mooie lotusgezicht van Mukunda met de genadige, glimlachende blikken konden zien, met Krishna en Balarâma een einde aan de koorts [van het materieel bestaan] was gekomen. (19) Zelfs de ouden van dagen waren jeugdig en vol van kracht en vitaliteit, nu dat ze daar [in Mathurâ] door hun ogen telkens weer de nectar van Mukunda's lotusgezicht in zich op konden nemen. (20) Vervolgens benaderden de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî en Sankarshana Nanda o grote Koning. Ze omhelsden hem en zeiden: (21) 'O vader, met de grote genegenheid en het knuffelen van jullie twee, hebben jullie Ons op grootse wijze verzorgd. Het is werkelijk zo dat de liefde van de ouders voor hun kinderen die van de liefde die ze voor elkaar hebben overtreft. (22) Die personen zijn vader en moeder die, als waren het hun eigen zoons, de kinderen te eten geven die in de steek werden gelaten door verwanten die niet in staat waren hen te onderhouden en beschermen. (23) Keren jullie gezamenlijk alstublieft terug naar Vraja beste vader, We zullen jullie verwanten die zo ongelukkig zijn in jullie liefde komen opzoeken, nadat We onze vrienden [hier] gelukkig hebben gemaakt.' (24) De Allerhoogste Heer, de Onfeilbare, die aldus Nanda en de andere mensen van Vraja gerust stelde, vereerde ze toen respectvol met kleding, sieraden en potten en dergelijke.'

(25) Aldus toegesproken door Hen tweeën, omhelsde Nanda overmand door emoties, Hen met tranen die zijn ogen vulden en ging hij samen met de gopa's naar Vraja. (26) De zoon van S'ûrasena [Vasudeva] o Koning, liet toen een priester en brahmanen zoals het hoorde de tweede-geboorte-initiatie van zijn zoons uitvoeren. (27) Hij schonk hen in eerbied, ter vergoeding, geheel opgetuigde koeien met gouden kettingen en versieringen, compleet met kalveren en linnen strikken. (28) Grootmoedig, schonk hij hen in liefdadigheid de koeien die waren weggestolen door Kamsa, dezelfde koeien die hij in de geest al had weggeschonken op de dag dat Krishna en Râma werden geboren [zie 3.10: 11-12]. (29) Na geïnitieerd te zijn in de status der tweemaal geborenen, legden Zij die van de juiste geloften waren, de gelofte van het celibaat af [om een student te zijn] bij Garga, de leermeester van de Yadu's [zie ook de gâyatrî en brahmacârya]. (30-31) De Heren van het Universum die de oorsprong zijn van iedere vorm van kennis, verhulden in hun menselijke activiteiten de perfectie van hun alwetendheid die niet berust op enige kennis van buitenaf. Ze verlangden het toen [niettemin] om te verblijven in de school van de guru en benaderden Sândîpani geboren in Kâsî [Benares] die zich ophield in de stad Avantî [Ujjain]. (32) Aldus [het gezelschap van] die zelfbeheerste zielen verwervend, werd hij door Hen gerespecteerd als was hij de Heer zelve. Daarmee vormden Ze in Hun toewijding een onberispelijk voorbeeld van dienstbaarheid aan de leraar. (33) Die beste der tweemaal geboren zielen als Hun goeroe, onderwees Hen, tevreden als hij was over Hun zuivere liefde en onderworpen handelen, al de Veda's met hun aanhangende geschriften en filosofische verhandelingen [de Upanishads], [**(34) de Dhanur-veda [militaire wetenschap, boogschieten] met inbegrip van al haar geheimen [de mantra's], het dharma [de menselijke gedragscodes, de wetten] de nyâya [de methoden der logica] alsook de ânvîkshikîm [de kennis van het filosofisch debat ofwel de tarka] en de zes aspecten van de râja-nîtim [de politieke wetenschap, zie ***]. (35-36) Als de besten van alle eersteklas personen en als de uitdragers van alle kennis, maakten Zij o heerser der mensen, eenpuntig van concentratie, door het enkel maar één keer te horen, zich het geheel van de vierenzestig kunsten volledig eigen in evenzovele dagen en nachten [*4] en stelden Ze Hun leermeester tevreden o Koning, door hem een vergoeding aan te bieden [gurudakshinâ]. (37) O Koning, de brahmaan  kwam, indachtig de verbazingwekkende grootheid van Hun bovenmenselijke intelligentie, na met zijn vrouw te hebben overlegd, tot het verzoek om zijn kind weer te mogen zien dat was omgekomen in de oceaan te Prabhâsa [zie ook 1.15: 49, 3.1: 20, 3.3: 25]. (38) 'Zo zij het' zeiden de twee grote krijgsheren van een onbegrensd vermogen, en klommen toen in een wagen om zich naar Prabhâsa te begeven. Daar aangekomen liepen Ze naar de kust om een ogenblik neer te zitten. De [god van de] oceaan herkende Hen en bracht Hen een eerbewijs [vergelijk 9.10: 13]. (39) De Opperheer zei tegen hem: 'Breng Ons meteen de zoon van Onze goeroe, een jonge jongen die u hier met een machtige golf hebt gegrepen.'

(40) De persoon van de oceaan zei: 'Het was niet ik die hem heeft meegenomen o Heer, het was een machtige Daitya genaamd Pañcajana o Krishna, een demon die zich door het water beweegt in de gedaante van een schelp. (41) Hij die zich hier ophoudt is degene die hem heeft ontvoerd.' Toen Hij dat hoorde ging de Meester snel het water in en doodde Hij hem, maar de jongen trof Hij niet in zijn maag aan. (42-44) De schelphoorn pakkend die was gegroeid als onderdeel van de demon, keerde Hij terug naar de wagen en ging Hij naar de geliefde stad van Yamarâja [de heer van de dood] die bekend staat als Samyamanî [*5]. [Daar aankomend] samen met de Heer die een ploeg als wapen heeft [Balarâma], blies Janârdana luid op Zijn schelphoorn [zie ook B.G. 1: 15] zodat Yamarâja, hij die de levende wezens beperkingen oplegt, het geluid kon horen. Overlopend van toewijding bewees Yamarâja Hen uitgebreid de eer en zei hij nederig zich verbuigend voor Krishna die zich in ieders hart ophoudt: 'Waarmee kan ik Jullie twee van dienst zijn, o Vishnu die, als Uw spel, bent verschenen in de gedaante van [twee] menselijke wezens?'

(45) De Allerhoogste Heer zei: 'Breng Mij alstublieft de zoon van Mijn goeroe die hier naartoe werd gebracht vanwege zijn karmische gebondenheid o grote Koning. Mijn gebod moet de voorrang worden verleend.'

(46) 'Het zij zo' zei hij en kwam toen naar voren met de zoon van de leermeester. De Besten van de Yadu's gaven hem terug aan Hun goeroe en deelden hem daarbij mede: 'Alstublieft doet u nog een wens.'

(47) De achtenswaardige goeroe zei: 'Mijn Jongens, ik ben helemaal tevreden met de vergoeding voor de goeroe die Jullie beiden hebben geboden. Wat kan een geestelijk leraar nog meer verlangen van personen als Jullie? (48) AlstJeblieft ga naar huis o helden, moge Jullie faam [de hele wereld] zuiveren en mogen de mantra's [Jullie verschijningsvorm en verrukking] steeds weer nieuw zijn in dit leven en in het leven hierna [zie ook 10.13: 2]!'

(49) Aldus vertrokken met de goedkeuring van Hun goeroe, bereikten Ze, op Hun wagen zo snel als de wind en donderend als een wolk, Hun stad. (50) Al de burgers die Balarâma en Janârdana al vele dagen niet meer gezien hadden, waren blij Hen weer terug te zien, alsof ze een verloren gegane schat weer hadden teruggevonden.'

*: S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî geeft aan: 'De kaumâra-fase duurt tot het vijfde levensjaar, pauganda tot aan het tiende jaar en kais'ora tot het vijftiende jaar. Van dan af aan staat men bekend als een yauvana.' Naar deze uitspraak eindigt de kais'ora periode op het vijftiende jaar. Krishna was nog maar elf jaar oud toen hij Kamsa doodde, indachtig Uddhava's woorden: ekâdas'a-samâs tatra gûdhârcih sa-balo 'vasat. 'Als een bedekte vlam, bleef Heer Krishna daar incognito met Balarâma voor de duur van elf jaar' (S.B. 3.2: 26). De drie jaren en vier maanden dat Heer Krishna in Mahâvana verbleef stonden gelijk aan vijf jaren van een gewoon kind, en aldus rondde Hij Zijn kaumâra fase van de kindertijd af. De periode van toen af tot aan de leeftijd van zes jaar en acht maanden, gedurende welke Hij leefde in Vrindâvana, vormt Zijn pauganda stadium. En de periode van de leeftijd van zes jaar en acht maanden tot in Zijn tiende jaar, de tijd waarin Hij in Nandîs'vara [Nandagrâma] leefde, vormt Zijn kais'ora stadium. Toen, op de leeftijd van tien jaar en zeven maanden, op de elfde dag van de maan van de donkere maandhelft van de maand Caitra, ging Hij naar Mathurâ, en op de veertiende dag daarna doodde Hij Kamsa. Aldus volbracht Hij Zijn kais'ora periode op tienjarige leeftijd, en blijft Hij voor eeuwig van die leeftijd. In andere woorden, moeten we begrijpen dat van dit punt af aan de Heer voor altijd een kis'ora blijft.'

**: Dezen zijn de z.g. anga's en Upanishads. De zes anga's zijn: s'iks'a (uitspraak), chanda, (klemtoon, metrum, ritme), vyâkarana (grammatica), jyotisha (astronomie), kalpa (inhoud en regels der rituelen) en nirukta (herleiden van termen).

***: De zes aspecten van de politieke wetenschap zijn: (1) sandhi, vrede sluiten; (2) vigraha, oorlog voeren; (3) yâna, marcheren of op expeditie gaan; (4) âsana, recht zitten ofwel een kampement opzetten; (5) dvaidha, het verdelen van de krachten of het scheiden van vriend en vijand; en (6) sams'aya, afhangen van geallieerden of het zoeken van de bescherming van een machtiger heerser.

*4: De Heren leerden: (1) gîtam, zingen; (2) vâdyam, muziekinstrumenten bespelen; (3) nrityam, dansen; (4) nâthyam, toneelspelen; (5) âlekhyam, schilderen; (6) vis'eshaka-cchedyam, het gezicht en het lichaam beschilderen met gekleurde zalven en cosmetica; (7) tandula-kusuma-bali-vikârâh, het maken van goedgunstige tekeningen op de vloer met rijst en bloemen; (8) pushpâstaranam, het maken van een bloembed; (9) das'ana-vasanânga-râgâh, het kleuren van de tanden, de kleren en de ledematen; (10) mani-bhûmikâ-karma, de vloer inleggen met edelstenen; (11) s'ayyâ-racanam, een bed opmaken; (12) udaka-vâdyam, met waterpotten muziek maken; (13) udaka-ghâtah, met water spetteren; (14) citra-yogâh, kleuren mengen; (15) mâlya-grathana-vikalpâh, boeketten maken; (16) s'ekharâpîda-yojanam, een helm op het hoofd zetten; (17) nepathya-yogâh, zich aankleden ter voorbereiding; (18) karna-patra-bhangâh, de oorlel versieren; (19) sugandha-yuktih, geurstoffen aanbrengen; (20) bhûshana-yojanam, met juwelen behangen; (21) aindrajâlam, goochelen; (22) kaucumâra-yogah, zich vermommen; (23) hasta-lâghavam, vingervlugheid; (24) citra-s'âkâpûpa-bhakshya-vikâra-kriyah, het klaarmaken van allerhande salades brood, cake en ander smakelijk voedsel; (25) pânaka-rasa-râgâsava-yojanam, het klaarmaken en kleuren van smakelijke dranken; (26) sûcî-vâya-karma, naaldwerk en weven; (27) sûtra-krîdâ, het maken van en spelen met poppenkastpoppen; (28) vînâ-damarukavâdyâni, op een luit spelen en een kleine X-vormige trommel; (29) prahelikâ, het maken en oplossen van raadsels; (29a) pratimâlâ, verzen of gedichten vers voor vers reciteren en voordragen bij wijze van geheugenproef of vaardigheid; (30) durvacaka-yogâh, het doen van uitspraken die voor een ander moeilijk te beantwoorden zijn; (31) pustaka-vâcanam, voordragen van boeken; en (32) nâthikâkhyâyikâ-dars'anam, kleine toneelstukken opzetten en verhalen schrijven. (33) kâvya-samasyâ-pûranam, raadselachtige verzen oplossen; (34) paththikâ-vetra-bâna-vikalpâh, het maken van een boog met een stuk stof en een stok; (35) tarku-karma, spinnen met een spinnewiel; (36) takshanam, woning inrichten; (37) vâstu-vidyâ, huizen bouwen; (38) raupya-ratna- parîkshâ, zilver en juwelen op waarde schatten; (39) dhâtu-vâdah, metallurgie; (40) mani- raga-jñânam, het kleuren van juwelen in verschillende tinten; (41) âkara-jñânam, mineralogie; (42) vrikshâyur-veda-yogâh, kruidengeneeskunde; (43) mesha-kukkutha- lâvaka-yuddha-vidhih, de kunst van het trainen en hanteren van rammen, hanen en kwartels om bij wijze van sport met elkaar te vechten; (44) s'uka-s'ârikâ-pralâpanam, kennis over hoe wijfjes en mannetjes papegaaien te leren spreken en vragen van mensen te beantwoorden; (45) utsâdanam, het genezen van mensen met smeersels; (46) kes'a-mârjana- kaus'alam, haar knippen en kapsels maken; (47) akshara-mushthikâ-kathanam, zeggen wat er in een boek staat zonder het gezien te hebben, en raden wat erin de vuist van een ander verborgen zit; (48) mlecchita-kutarka-vikalpâh, navertellen van verhalen van barbaren uit den vreemde; (49) des'a-bhâshâ-jñânam, kennis van provinciaalse dialekten; (50) pushpa-s'akathikâ-nirmiti-jñânam, kennis over hoe feestkarren te maken met bloemen; (51) yantra-mâtrikâ, samenstellen van magische vierkanten, waarbij de nummers naar boven en beneden op hetzelfde getal uitkomen; (52) dhârana-mâtrikâ, het gebruik van amuletten; (53) samvâcyam, conversatie; (54) mânasî-kâvya-kriyâ, in gedachten gedichten maken; (55) kriyâ-vikalpâh, een literair meesterwerk bedenken of een geneesmethode; (56) chalitaka-yogâh, het bouwen van schrijnen; (57) abhidhâna-kosha-cchando-jñânam, kennis van woordenlijsten en dichtvormen; (58) vastra-gopanam, een stuk stof er laten uitzien alsof het een andere kwaliteit heeft; (59) dyûta-vis'esham, kennis van de verschillende vormen van gokken; (so) âkarsha-krîda, dobbelen; (61) bâlaka-krîdanakam, spelen met speelgoed; (62) vainâyikî vidyâ, doen van bezweringen; (63) vaijayikî vidyâ, de overwinning behalen; en (64) vaitâlikî vidyâ, de leraar met muziek wekken bij het ochtendgloren [zie ook het Krishnaboek Hoofdstuk 45].

*5: Samyama betekent, zelfbeheersing, inperking, de zaken bijeen houden, het integreren van de concentratie [dhâranâ], de meditatie [dhyâna] en de verzonkenheid [samâdhi] in de yoga. 


 
 

  

Aldus eindigt deel twee van het tiende canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'Het Hoogste Goed'.

 

  

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/