Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het verhaal van de fortuinlijke"

 

CANTO 10 - Deel II

Het Hoogste Goed

 

Inleiding   

Hoofdstuk 24 Krishna in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

Hoofdstuk 25 Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op

Hoofdstuk 26 Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

Hoofdstuk 27 Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

Hoofdstuk 28 Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

Hoofdstuk 29 Het Rasa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

Hoofdstuk 30 De Gopî's op Zoek naar Krishna er vandoor met Râdhâ

Hoofdstuk 31 De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

Hoofdstuk 32 Krishna Keert Terug naar de Gopî's

Hoofdstuk 33 De Râsadans

Hoofdstuk 34 Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood

Hoofdstuk 35 De Gopî's Zingen van Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

Hoofdstuk 36 De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

Hoofdstuk 37 Kes'i en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

Hoofdstuk 38 Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

Hoofdstuk 39 Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ

Hoofdstuk 40 Akrûra's Gebeden

Hoofdstuk 41 De Aankomst van de Heer in Mathurâ

Hoofdstuk 42 Het Breken van de Offerboog

Hoofdstuk 43 Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

Hoofdstuk 44 De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

Hoofdstuk 45 Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

 

 

 Introductie

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindu-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10-e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krsna werd zo geschreven als Krishna en rshi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (Srî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.

Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabhupâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men kontakt moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.    

 

 

 Hoofdstuk 24

 Krishna in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer zich ophoudend in die zelfde plaats [Vraja] in het gezelschap van ook Baladeva, zag hoe de gopa's druk in de weer waren met het regelen van een offerplechtigheid voor Indra. (2) Hoewel de Allerhoogste Heer, de Ziel van Allen die Allen Overschouwt, wist wat dat betekende [zie B.G. 9: 23], verboog Hij zich nederig en deed Hij navraag bij de ouderen aangevoerd door Nanda [Zijn stiefvader]: (3) 'Vertel me, beste vader, wat al dit gedoe te betekenen heeft waarmee u bent opgezadeld, waar leidt dat toe, voor wie doet men het en met welke middelen wil men dit offer volbrengen? (4) Vertel me er alstublieft over, Ik heb dit sterke verlangen erover te vernemen o vader; het kan toch niet zo zijn dat de handelingen die men hier aantreft van de geheiligden die allen gelijkgezind zijn - gelijk in wat het hunne is of van anderen of wie een vriend of vijand is of een neutraal iemand - iets zou zijn waar je geheimzinnig over doet, is het wel? (5) Een onverschillige persoon moet als een vijand worden gemeden terwijl een medestander moet worden behandeld als je eigen zelf zo zegt men. (6) Mensen houden zich met deze activiteiten bezig met begrip voor wat ze doen, maar ook zonder te begrijpen wat ze doen; voor zij die wijs weten wat ze doen is er dan de volmaaktheid te vinden met de arbeid die men verricht, maar voor dwazen zonder dat benul is die volmaaktheid niet in zicht. (7) Met die wijsheid, vraag Ik u, of deze gezamenlijke inspanning van jullie iets is dat voorgeschreven staat [in de geschriften] of enkel maar een gebruik is; dat moet u Me duidelijk uitleggen.'

(8) S'rî Nanda zei: 'Indra is de grote heer van de regen, de wolken zijn zijn persoonlijke representanten, zij verschaffen de regen voor alle levende wezens die net als melk de voedende levenskracht is. (9) Voor het vocht dat hij loslaat aanbidden wij en andere mensen ook met allerlei dingen en vuuroffers hem, die heer en meester van de wolken, mijn beste zoon. (10) Met wat ervan overblijft houden de mensen hun levens op de drievoudige manier in stand [religieus, economisch en zinnelijk]; hij is het bovenmenselijk wezen dat hen de vruchten brengt die in hun menselijke handelingen op resultaten uit zijn. (11) Een ieder die deze religieuze plicht die ons per traditie werd doorgegeven afwijst is een persoon die vanwege lust, vijandigheid, angst en hebzucht voorzeker niet de schittering [van God] kan bereiken [zie B.G. 10: 36].'

(12) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij had geluisterd naar wat Nanda en ook de andere ingezetenen van Vraja te zeggen hadden, sprak Heer Kes'ava tot Zijn vader op een manier die Heer Indra kwaad maakte. (13) De Allerhoogste Heer zei: 'Het is vanwege karma dat een levend wezen geboorte neemt, het is door karma alleen dat hij voor vernietiging komt te staan; geluk en ongeluk, geborgenheid en angst zijn allen het resultaat van karma. (14) Als er dan een of andere beheerser zou zijn die beloont met de vruchten van arbeid die door anderen werd verricht, dan is die heerser nog steeds afhankelijk van iemand die [vanuit zijn karma] offers brengt; per slot van rekening is er geen sprake van de meester te zijn als er niemand is die productieve arbeid verricht! (15) Dus wat hebben levende wezens, die ieder de weg van hun eigen karma volgen, te maken met Indra die ook niets kan doen aan wat er voor mensen overeenkomstig hun aard is weggelegd? (16) Een persoon inderdaad wordt beheerst door zijn eigen aard - hij volgt zijn aard; deze ganse wereld met zijn goden, demonen en gewone mensen bestaat op basis van ieder zijn eigen aard.(17) De hoger of lager geëvolueerde lichamen die de levende wezens verwerven en opgeven als gevolg van hun handelingen, maken dat hun karma hun vijand, hun vriend of onpartijdige rechter is; dat karma alleen is hun beheerser, hun goeroe [zie ook B.G. 8: 15 & 16, 4.29: 26-27 en 7.7: 46-47]. (18) Daarom behoort men, vasthoudend aan de eigen plichten zonder veel moeite tewerk gaand, respect te oefenen voor het karma van de eigen aard [zie varnâs'rama]; men leeft met dat karma, het is dat karma dat zonder twijfel iemands aanbiddelijke godheid is. (19) Zoals een overspelige vrouw met haar minnaar, behaalt men geen wezenlijk voordeel zijn heil zoekend bij een ander wezen dan het wezen [de aanbiddelijke godheid] waar men zijn leven aan ontleent. (20) De geschoolden leven naar de Veda's, de heersende klasse leeft van het beschermen van de aarde, de vaishya's leven van handel drijven en de s'ûdra van het dienen van de tweemaal geborenen [de voorgaande drie, zie ook 7.11: 21-24]. (21) Landbouwen, handel drijven, koeien beschermen en nummer vier bankieren zegt men is de viervoudige beroepsmatige plicht [van de vaishya]; van dezen is dat waar wij mee bezig zijn de constante zorg voor de koeien. (22) Van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid veroorzaakt door handhaving, schepping en vernietiging [zie guna] werd door de geaardheid hartstocht [het rond bewegen] dit universum voortgebracht en is er van het tweevoudige de verscheidenheid van de wereld. (23) De wolken ertoe gedreven door die hartstocht storten overal hun water uit en door dat water handhaven ze eenvoudig de bevolking, dus wat zou Indra dan doen? (24) De steden, de cultuurgebieden en de dorpen zijn niet de plaatsen waar we thuis zijn, we zijn de mensen van het bos beste vader, we leven altijd in de wouden en de heuvels. (25) Laten we daarom een begin maken met een offerplechtigheid voor de koeien, de brahmanen en de heuvel [Govardhana], en moge dit worden uitgevoerd met de benodigdheden voor het offer voor Indra! [zie ook voetnoot 10.8*3] (26) Laten we allerlei soorten van gerechten en soepen bereiden, te beginnen met zoete rijst, havermout, broodjes en gebak en laten we allerlei soorten melkproducten gebruiken. (27) Voedt de vuren naar behoren met het voedsel goed klaargemaakt door de brahmanen die thuis zijn in de Veda's; hen moet u belonen met koeien. (28) Zoals dat gepast is voor iedereen moet er ook worden gedacht aan honden en uitgestotenen en andere gevallen zielen, gras moet worden gegeven aan de koeien en voor de berg moeten allerlei offers worden gebracht. (29) Mooi opgesierd en met ons buikje vol moeten met ons in onze beste kleren en ingesmeerd met sandelhoutpasta de koeien, de brahmanen, de vuren en de heuvel [altijd rechts gehouden] omlopen worden. (30) Dit is wat ik denk o vader, moge dat geschieden als u het goed vindt, daar dit voor de koeien, de brahmanen en de heuvel een feest is dat ook Mij naar de zin is.'

(31) S'rî S'uka zei: 'Deze woorden horend uitgesproken door de Allerhoogste Heer, de Tijd in eigen persoon, met de bedoeling de trots van Indra te breken, aanvaarden Nanda en de oudere mannen ze als zijnde uitstekend. (32-33) En zo brachten ze alles ten uitvoer waar Madusûdhana over had gesproken: ze zorgden voor de geslaagde manier van het reciteren met de hulpmiddelen die ter beschikking stonden; de heuvel, de brahmanen betuigden ze allen gezamenlijk respectvol de eer; de koeien, de stieren en kalveren werden gras voorgezet en vervolgens ging men over tot het omlopen van de heuvel. (34) De koeherdersvrouwen fraai opgesierd rijdend op wagens getrokken door ossen bezongen, tezamen met de tweemaal geborenen die hun heilswensen uitriepen, de heerlijkheden van S'rî Krishna. (35) Toen, om de gopa's in hun geloof te sterken, nam Krishna een andere gedaante aan met de woorden 'Ik ben de heuvel' en verzwolg Hij de overvloed aan offergaven met het gigantische van Zijn lichaam [zie vapu en de voetnoot*]. (36) Voor Hem tezamen met het volk van Vraja bracht Hij middels Zichzelf aan Zichzelf Zijn eerbetuigingen: 'Oh, zie toch, hoe deze heuvel in eigen persoon aanwezig ons de genade heeft vergund!'.  

 Voetnoten :

* S'rîla Prabhupâda schrijft hierbij (Krishnaboek ch. 24): "De identiteit van Krishna en de heuvel Govardhana wordt nog steeds hoog gehouden, en grote toegewijden nemen stukken steen van de heuvel Govardhana mee en aanbidden ze precies zoals ze de beeltenis van Krishna aanbidden in de tempels. Toegewijden verzamelen om die reden keien en steentjes van de heuvel Govardhana en vereren ze thuis, omdat deze aanbidding even goed is als het aanbidden van een beeltenis."

 

Hoofdstuk 25  

Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op

(1) S'rî S'uka zei: Toen werd Indra die zich realiseerde dat de aanbidding van zijn zelf was afgewezen, o Koning, kwaad op de gopa's aangevoerd door Nanda die Krishna hadden aanvaard als hun Heer. (2) Wolken die de naam Sâmvartaka droegen om een eind aan dat alles te maken werden er door Indra op uit gestuurd die daadwerkelijk zichzelf valselijk ziend als de allerhoogste beheerser vertoornd de woorden uitsprak: (3) 'Kijk nu eens hoe buitengewoon groot de verbijstering is van deze in het bos wonende koeherders wat betreft hun weelde; zij, met het zich verlaten op een sterveling als Krishna, hebben een overtreding begaan jegens de goden! (4) Met het afzweren van de geestelijke kennis proberen ze de oceaan van het materieel bestaan over te steken enkel in naam van rituele offerplechtigheden gericht op het profijt die ontoereikend zijn om ze te dienen als boten. (5) Hun toevlucht nemend tot Krishna, dit kwebbelende, ingebeelde kind dat onwetend denkt dat Hij zo wijs is, hebben de gopa's gehandeld in afkeer jegens mij. (6) Breng de vernietiging over hen en hun dieren wiens harten, vergrendeld door Krishna, zijn vergiftigd door hun welvaart en moge hun van hun rijkdom gek geworden, valse trots het veld ruimen. (7) Ik zal eveneens, rijdend op mijn olifant Airâvata, meekomen naar Vraja onder de begeleiding van de windgoden, me daar met grote macht naar toe begevend met de bedoeling Nanda's koeiengemeenschap weg te vagen [zie o.a. ook: 6.11 & 12].'

(8) S'rî S'uka zei: 'De wolken aldus verordonneerd door Indra teisterden, ontketend uit hun posities, met al hun macht Nanda's koeherdersdorp met een enorme stortvloed aan regen. (9) Oplichtend van de bliksemflitsen en rollend van de donder zorgden ze, voortgedreven door de windgoden, voor een angstwekkende regen van hagelstenen. (10) Met de regen die afgegeven door de wolken zonder ophouden neerstroomde in dichte gordijnen, kon het hoge en lage van de aarde die onder water kwam te staan niet meer worden onderscheiden. (11) Geplaagd door de overmaat aan hemelwater en de hevige wind gingen de gopa's en gopî's huiverend van de kou naar Govinda voor beschutting. (12) Hun hoofden bedekkend en hun kinderen met hun lichamen benaderden ze, gekweld door de regen, rillend de basis gevormd door de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God: (13) 'Krishna, o Krishna, o Grootste Geluk, U bent Uw eigen baas, o Heer, alstUblieft bescherm de koeiengemeenschap tegen Indra die kwaad op ons is, o Beschermer der Toegewijden [zie ook 10.8: 16].'

(14) Toen Hij ze zo buiten zinnen zag onder de aanval van de hagel, de regen en de hevige winden, achtte de Allerhoogste Heer Hari de woede van Indra hier verantwoordelijk voor: (15) 'Omdat Ik zijn offerplechtigheid afwees zet Indra nu de zaak ter vernietiging onder water met deze ongewoonlijk felle regens en heftige winden vol met hagelstenen ongebruikelijk voor het seizoen. (16) Om dat afdoende tegen te gaan zal Ik middels de macht van Mijn yoga voor de ondergang zorgen van de trots over de weelde en de onwetendheid van hen die zo dwaas zijn zichzelf valselijk te beschouwen als de Heer en Meester over de wereld. (17) Mijn uitbannen van het onzuivere van het valse prestige van hen die denken dat ze de Beheerser zijn is zeker niet bedoeld voor die verlichte zielen die begaan zijn met goedheid, het is bedoeld om hen te verlossen [zie ook B.G. 14: 14]. (18) Het is derhalve aan Mij om middels de macht van Mijn yoga Mijn eigen familie, de koeherdersgemeenschap die zijn toevlucht zocht bij Mij als hun meester te beschermen; dit is de eed die ik heb afgelegd [zie ook B.G. 9: 22].'

(19) Na zich aldus te hebben uitgelaten pakte Hij, Vishnu, met één hand [Zijn linker] de heuvel Govardhana op en hield Hij hem net zo makkelijk omhoog als een kind een paddestoel. (20) De Allerhoogste Heer zei toen tegen de gopa's: 'O moeder, o vader, o bewoners van Vraja, ga zoals je wilt, alsjeblieft met jullie koeien in de vrije ruimte beneden deze heuvel. (21) Jullie hoeven er niet bang voor te zijn dat door de regen en de wind de berg van Mijn hand zou vallen; jullie zijn bang genoeg geweest en om jullie daarvan te verlossen heb Ik voor jullie om die reden hierin voorzien.'

(22) Zo met hun geesten door Krishna tot rust gebracht gingen ze de ruimte binnen waar ze het naar hun zin hadden met hun koeien, wagens en iedereen die bij hen hoorde. (23) Met minachting voor de pijn van honger en dorst en alle overwegingen van persoonlijk geluk, hield Hij voor ogen van de bewoners van Vraja de berg zeven dagen lang omhoog zonder zich van Zijn plaats te verroeren. (24) Toen hij het resultaat zag van Krishna's mystieke vermogen was Heer Indra buitengewoon verbaasd en riep hij gebroken in zijn besluit, met zijn valse trots naar beneden gehaald, de wolken een halt toe. (25) Met de hemel leeg zonder wolken, de zon gerezen en de felle wind en regen beëindigd, richtte de Heffer van Govardhana zich tot de koeherders: (26) 'Alstublieft, vertrek van hier tezamen met jullie bezittingen, vrouwen en kinderen; zie het einde van jullie angst onder ogen, o gopa's, de wind en de regens zijn opgehouden en het hoogwater is zo goed als voorbij.'

(27) Toen kwamen de gopa's, ieder zijn eigen koeien meevoerend, met hun bezittingen geladen op de karren naar buiten met de vrouwen, de kinderen en de oude mensen langzaam er achter aan. (28) En terwijl al de levende wezens toekeken zette de Almachtige Allerhoogste Heer die heuvel weer terug waar hij had gestaan. (29) De bewoners van Vraja al naar gelang hun eigen positie traden stralend met de opwelling van hun eigen liefde voor Hem naar voren terwijl de gopî's vol vreugde blijk gaven van hun genegenheid met omhelzingen en zo meer terwijl ze Hem met yoghurt, ongebroken granen en water bedachten met de beste hunner zegeningen. (30) Yas'odhâ, Rohinî, Nanda en Balarâma, de Grootste der Sterken, omhelsden Krishna buiten zichzelf van de liefde en bereiden Hem alle heilswensen. (31) Uit de hemel hieven de goddelijken, de vervolmaakten, de heiligen, de hemelse zangers en de eerbiedwaardigen, lofzangen voor de Heer aan, waarbij ze voldaan een regen van bloemen deden nederdalen, o afstammeling van Prithâ. (32) Hoornschelpen en pauken laten klinkend speelden de halfgoden in de hemel en zongen de Gandharva's geleid door hun aanvoerder Tumburu, o heerser der mensen. (33) O Koning, toen, omringd door de liefhebbende hoeders der dieren, ging Krishna tezamen met Balarâma op weg naar waar ze hun koeien lieten grazen en terwijl ze vertrokken zongen de gopî's over al Zijn soortgelijke daden gelukkig met Hem die hen in hun harten had geraakt.

 

 

Hoofdstuk 26 

Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

(1) S'rî S'uka zei: 'De gopa's getuige van handelingen als deze [dit heuveltillen] van Krishna, konden Zijn heldhaftigheid niet doorgronden en zochten toenadering [tot Nanda] verbaasd als ze waren: (2) 'Hoe kon, gezien de zonder twijfel buitengewone handelingen van de jongen, Hem een voor Zichzelf afkeurenswaardige geboorte ten deel vallen onder wereldse mensen? (3) Hoe kan een jongen van zeven jaar oud machtig als een olifant speels met één hand de beste van alle heuvels omhoog houden als was het een lotusbloem? (4) Als een babytje met nauwelijks de ogen open zoog Hij [de vergiftigde melk] uit de borst van de o zo machtige Pûtanâ samen met haar levensadem, zoals de macht van de tijd dat doet met de levensduur van een materieel lichaam [zie 10.6]. (5) Hij, een paar maanden oud, die lag te huilen onder een kar, duwde met Zijn voetjes naar boven de kar omver die geraakt door de tip van Zijn voetje stuk viel [zie 10.7]. (6) Een jaar oud neerzittend werd Hij meegevoerd de lucht in door de demon Trinavârta die Hij, hem bij zijn nek grijpend, pijnigde en doodde [zie 10.7]. (7) Op een dag toen Hij druk was met het stelen van boter, bond Zijn moeder Hem aan een groot stampvat waarmee Hij, zich op Zijn handen tussen twee arjuna bomen manoeuvrerend, er voor zorgde dat ze omvielen [zie 10.10]. (8) Omringd door de jongens samen met Balarâma de kalveren weidend in het bos scheurde Hij met Zijn armen de bek uiteen van de moorddadige vijand Baka [zie 10.11]. (9) Vatsa, die als een ander kalf zich begeven had onder de kalveren om Hem te doden, werd door Hem gedood die bij wijze van sport hem [in een boom omhoog gegooid] liet vallen voor kapittha vruchten [zie 10.11]. (10) Tezamen met Balarâma en Zijn metgezellen doodde Hij de ezeldemon [Dhenuka] en veranderde Hij het Tâlavana bos ten gunste, dat vol was van de rijpe vruchten [zie 10.15]. (11) Na te hebben geregeld dat de verschrikkelijke Pralamba zou worden gedood door de hoogst machtige Balarâma, verloste Hij de dieren van Vraja en de gopa's van de bosbrand [zie 10.18 & 19]. (12) De trots van de aanvoerder van de slangen [Kâliya] verslaand door hem, met zijn zo heel giftige giftanden, te onderwerpen zond Hij hem met geweld heen weg uit het meer van de Yamunâ, het water dat Hij vrijmaakte van het gif [10.16 & 17]. (13) Beste Nanda, hoe kan het zo zijn dat wij, alle bewoners van Vraja, onze gevoelens van liefde voor uw zoon, die van Zijn kant ons even zo natuurlijk bejegent, niet op kunnen geven? (14) Met het idee van Zijn, als een jongen van zeven jaar oud, optillen van de grote heuvel zijn er bij ons, o meester van Vraja, twijfels gerezen omtrent uw zoon [wat voor een spelletje is Hij aan het spelen?].'

(15) Nanda zei: 'Alstublieft luister naar mijn woorden beste gopa's; laat jullie twijfel omtrent de jongen varen, dit is wat Garga me voorheen heeft gezegd met betrekking tot dit kind [zie ook 10.8: 12-19 voor dezelfde verzen]: (16) Drie kleuren inderdaad werden door uw zoon aangenomen in het aanvaarden van lichamen naar gelang iedere yuga [*]; wit, rood en ook geel. Op het ogenblik is Hij zwart. (17) Kort hiervoor werd dit kind geboren uit Vasudeva en daarom zullen diegenen die op de hoogte zijn over uw kind spreken als de in alle opzichten prachtige Vâsudeva. (18) Van deze zoon van u zijn er vele namen en gedaanten naar de aard van Zijn kwaliteiten en handelingen; ik heb daar weet van, maar de gewone man weet het niet. (19) Dit kind zal altijd handelen naar wat voor jullie allen het gunstigst is in Zijn rol als een nanda-gokula koeherder; door hem zullen jullie allen met gemak alle gevaar trotseren [*3]. (20) In vervlogen tijden werden door Hem, o Koning van Vraja, de vromen die waren verstoord door de schurken van een foute regering beschermd zodat zij, met de slechten verslagen, konden floreren [zie ook 1.3: 28]. (21) Zoals degenen trouw aan Vishnu met asura's, zullen die personen die jegens dit kind zo fortuinlijk zijn te handelen uit genegenheid niet door vijanden worden overweldigd. (22) Daarom, o Nanda, draag nauwgezet zorg voor de opvoeding van dit kind: in Zijn kwaliteiten, rijkdom, naam en faam is deze zoon van u zo goed als Nârâyana!' (23) Garga diende me zich op deze manier uitlatend van advies en ging naar huis; ik [sedertdien] beschouw Krishna, die ons bevrijdt van alle obstakels, als een expansie van Nârâyana.'

(24) Met het horen van deze woorden van Nanda over wat Garga had gezegd aanbaden de bewoners van Vraja, door Nanda geïnspireerd en met hun verbijstering verdwenen, Heer Krishna. (25) De halfgod die de regens brengt bezorgde, kwaad toen hij zag dat zijn offerplechtigheid was doorbroken, de koeherders, de dieren en de vrouwen een hoop ellende met zijn bliksemschichten, hagel en wind; met Hem als hun enige toevlucht voor ogen moest Hij glimlachen uit mededogen en pakte Hij, een klein kind, de heuvel op met één hand alsof het een paddestoel was teneinde de koeherdersgemeenschap te beschermen - moge Hij, de Indra van de koeien, de vernietiger van de arrogantie van de grote koning van de wolkenlucht, tevreden met ons zijn!

 Voetnoot:

* Deze kleuren zullen later in het elfde Canto in verzen 11.5: 21, 24, 27 en 34 van het Bhâgavatam worden uiteen gezet [zie ook een andere site erover].

 

 

Hoofdstuk 27

Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij de heuvel Govardhana had hooggehouden om Vraja te beschermen tegen de regens kwam uit de wereld van de koeien moeder Surabhi [de hemelse koe] naar Krishna als ook Indra. (2) In afzondering [*] benaderde hij Hem vol van schaamte zo vijandig te zijn geweest en beroerde Hij Zijn voeten met zijn helm die straalde als de zon. (3) Met het vernomen hebben over en getuige geweest zijn van de macht van Heer Krishna, wiens onbegrensde vermogen een einde had gemaakt aan zijn arrogantie de heer der drie werelden te zijn, sprak hij als volgt.

(4) Indra zei: 'Uwe majesteit van bovenzinnelijke goedheid die van de vrede en de verlichting der boete is vernietigde de hartstocht en onwetendheid geboren uit illusie; in U is deze voortdurende stroom van de materiële kwaliteiten, waaraan men met de beheersing kwijt gebonden is, niet aanwezig. (5) Hoe, o Heer, zouden er [in U, zoals ik dacht, zie 10.25: 3] de oorzaken van het verstrikt zijn - de begeerte en dat alles - die een onwetend persoon kenmerken, te vinden zijn; U bent immers de Allerhoogste Heer die ter verdediging van het dharma de roede hanteert om de slechten te bestraffen. (6) De vader, de goeroe, bent U van het gehele universum, de Oorspronkelijke Beheerser en de onoverkomelijke Tijd van dienst als de roede, die, middels Uw eigen wil bovenzinnelijke gedaanten aannemend, er op uit is de eigenwanen weg te vagen van diegenen die denken dat ze de heer van het universum zijn. (7) Dwazen als ik die van zichzelf denken dat ze de baas over de wereld zijn laten, op het moment dat ze geconfronteerd worden met Uw onbevreesdheid, gezwind hun inbeelding varen, als ze door Uw lesje voor de slechten inderdaad volledig zich hebben begeven op het pad der beschaafde heren met hun niet langer meer opgeblazen zijn in dezen. (8) U als zodanig o Meester, vergeef het daarom alstUblieft mij, die, zich niet bewust van Uw invloed, door zijn heerschappij zich wentelde in hoogmoed en in overtreding kwam met een verdwaasde intelligentie; laat aldus mijn bewustzijn nimmer weer zo bedorven zijn o Heer. (9) Uw nederdalen in deze wereld, o Heer van het Voorbije, is er voor het bestaan van hen die Uw lotusvoeten dienen, o Godheid, en voor het niet-bestaan van de krijgsheren die met de vele verstoringen waar ze toe aanleiding geven een grote overlast vormen. (10) Mijn eerbetuigingen aan U, de Opperheer en Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de grote Ziel Heer Krishna, de zoon van Vasudeva; mijn eerbetuigingen voor de Meester van de Dienaren van de Absolute Waarheid. (11) Hem bied ik mijn eerbetuigingen die naar de verlangens van hen die Hem toebehoren lichamen aanneemt, wiens gedaante de zuiverste spirituele kennis is en die het zaad is van allen en alles als ook de ziel zich ophoudend in alle levende wezens. (12) O Heer toen de offerplechtigheid werd tegengegaan was ik buitenmate arrogant en kwaad en er op uit om de koeherdersgemeenschap te vernietigen, o Allerhoogste Heer, met regen en wind. (13) U, o Beheerser hebt met het tonen van Uw genade mijn halsstarrigheid gebroken en mijn pogen vruchteloos gemaakt; naar U, het Ware Zelf en de geestelijk leraar, ben ik gekomen om mijn toevlucht te nemen.'

(14) S'rî S'uka zei: 'Met Krishna op deze manier verheerlijkt door de grootmoedige Indra glimlachte de Opperheer naar hem en sprak Hij ernstig als de wolken de volgende woorden. (15) De Allerhoogste Heer zei: 'Tot het tegenhouden door Mij van uw offerplechtigheid ging Ik over om u Mijn genade te tonen opdat u, als de koning van de hemel zo hoogst onder de invloed met de weelde, Me voor altijd zoudt herinneren. (16) Hij, die verblind door zijn macht en weelde vol van verbeelding is en Mij niet ziet staan met de roede in Mijn hand, zal Ik, ernaar verlangend hem vooruit te helpen, een val bereiden vanuit zijn positie van weelde [zie ook B.G. 9: 22]. (17) O u allen van de macht, o Indra, alle geluk zijt u toegewenst, moogt u, Mijn opdracht nalevend, zonder voorwendselen zich nuchter bezig blijven houden met uw verantwoordelijkheden.'

(18) Toen sprak tot Krishna moeder Surabhi die, vreedzaam van geest samen met haar koeien smekend om Zijn aandacht, de Heer haar respect bood die was verschenen als een koeherdersjongen. (19) Surabhi zei: 'Krishna, o Krishna, o Grootste Mysticus, o Ziel en Oorsprong van het Universum, met U, o baas over de wereld, hebben we onze meester gevonden, o Onfeilbare. (20) U bent onze Allerhoogste Godheid, U bent onze Indra, o Heer van het Universum, weest er alstUblieft voor het welzijn van de koeien, de brahmanen en hen die goddelijk en gelouterd zijn. (21) Voor U als onze Indra zullen we een baadceremonie opvoeren zoals opgedragen door Heer Brahmâ, o Ziel van het Universum, nedergedaald als U bent voor het verlichten van de last van de aarde.'

(22-23) S'rî S'uka zei: 'Aldus pleitend voor Heer Krishna werd Hij door Surabhi met haar eigen melk en met het uit de hemel gestroomde Gangeswater uitgestort via Airâvata's slurf, door Indra in het gezelschap van de verlichte zielen en de zieners en door de geïnspireerde moeders van de goden [de dochters van Aditi] gebaad en ontving Hij, de afstammeling van Das'arha, de naam Heer Govinda. (24) Naar die plaats begaven zich Tumburu, Nârada en de anderen, de zangers van de hemel, de geleerden, de vervolmaakten en de eerbiedwaardigen die de heerlijkheden van de Heer bezongen die de besmetting van de wereld wegnemen, terwijl de vrouwen van de halfgoden vervuld van vreugde tezamen dansten. (25) Hij werd, als het toonbeeld van al de goden vereerd en overladen met een wonderbaarlijke regen van bloemen, waarna de drie werelden de grootste voldoening ervoeren met de koeien die de aarde onderstroomden met hun melk. (26) De rivieren stroomden over met alle soorten van dranken, de bomen gaven honing af, de planten rijpten zonder in cultuur te zijn gebracht en de bergen gaven hun edelstenen prijs. (27) O lieveling van de Kuru-dynastie, toen Heer Krishna was gebaad raakten allen [de roofdieren, de oneerlijke mensen] die, zij het van nature, kwaadaardig waren mijn beste, vrij van vijandigheid. (28) Na aldus Govinda, de Meester van de Koeien en de Koeherdersgemeenschap te hebben gebaad, werd het hem [Indra] toegestaan te vertrekken en keerde hij omringd door de goden en de anderen terug naar de hemel.

De "afzondering" in kwestie waar Indra S'rî Krishna benaderde wordt door de wijze S'rî Vais'ampâyana vermeld in de Hari-vams'a (Vishnu-parva 19.3): sa dadars'opavishtham vai govardhana-s'ilâ-tale. "Hij zag Hem [Krishna] neerzitten aan de voet van de heuvel Govardhana".

 

Hoofdstuk 28

Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Nadat hij de elfde dag [van de eerste helft van de maanmaand] gevast had en hij de Handhaver van Allen [Janârdana] had aanbeden, ging Nanda de twaalfde dag het water van de Yamunâ in voor een bad. (2) Een duistere dienaar van Varuna greep hem beet en bracht hem op die had veronachtzaamd dat tijdens de nacht het water ingaan een goddeloze praktijk was. (3) O Koning, hem niet ziend riepen de gopa's luid uit 'O Krishna, o Râma!' waarop de Allerhoogste Heer die er achter kwam dat de vader was meegevoerd van Hem, de Almachtige die zijn mensen onbevreesd maakt, naar de plaats ging waar Varuna zich ophield. (4) Toen die zag dat de Heer der Zinnen was gearriveerd betoonde hij, de godheid die over dat bereik [van de wateren] regeerde, Hem uitvoerig de eer er zeer verheugd over dat Hij aanwezig was.

(5) S'rî Varuna zei: 'Vandaag mag ik de ware weelde genieten van het succes van mijn lichamelijke aanwezigheid, o Heer, daar zij die het gegeven is Uw lotusvoeten te dienen de bovenzinnelijkheid hebben bereikt van hun materiële weg. (6) Mijn eerbetuigingen voor U de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Absolute Waarheid en de Ziel Hoogst Verheven die de schepping van deze wereld te weeg bracht en in wie mâyâ geen zeggenschap heeft. (7) Die onwetende dienaar van mij was een dwaas niet zijn plicht te kennen [*] toen hij deze hier opbracht die Uw vader is, vergeef me dat alstUblieft, Uwe goedheid. (8) Weest zelfs voor mij o Krishna, o U die alles ziet, alstUblieft van genade, o Govinda; aan U, zo van zorg voor Uw ouders, behoort zeer zeker deze hier die Uw vader is.'

(9) S'rî S'uka zei: 'Aldus tevreden gesteld nam Krishna, de Allerhoogste Heer en Beheerser van alle Beheersers, Zijn vader met Zich mee en begaf Hij zich naar Zijn verwanten die Hij grote vreugde bracht. (10) Nanda die voorheen nooit kennis had gemaakt met de machtige weelde van de heer van het bereik [der wateren] of getuige was geweest van de eerbetuigingen die zij [Varuna en zijn volgelingen] Krishna brachten, sprak vol verbazing tot zijn vrienden en familieleden. (11) Zij, de gopa's, gretig luisterend, o Koning, met Hem als hun Beheerser dachten: 'Misschien bereidt Hij ons de genade ons mee te voeren naar Zijn bovenzinnelijk verblijf!'

(12) Hij, de Allerhoogste Heer van Zijn kant als Degene die een Ieder Ziet doorgrondde de droom van hun volmaaktheid en dacht vol mededogen dit: (13) 'Voorzeker zijn de mensen in deze wereld, die in vergetelheid van begeren door hun handelingen dwalen tussen de hogere en lagere doelen, zich niet bewust van hun eigenlijke bestemming.'

(14-15) Met deze overweging toonde de Allerhoogste Heer Hari in groot mededogen de gopa's Zijn eigen verblijf voorbij de duisternis der materie: het ware onbegrensde spirituele kennen dat het licht is [zie brahmâ-jyoti] van het eeuwige absolute welk inderdaad door de wijzen in trance wordt waargenomen ver verwijderd van de materiële kwaliteiten. (16) Zij werden door Krishna gebracht naar en ondergedompeld in het meer van de Ene Geest [brahma-hrada] en daaruit opgetild zagen ze het verblijf van de Absolute Waarheid op de manier zoals dat voorheen werd gezien door Akrûra [3.1: 32, 10.38 & 10.40]. (17) Nanda en de zijnen die dat zagen werden overweldigd door een goddelijke verrukking en waren er hoogst verrast over hoe Krishna aldaar werd geprezen door de vedische hymnen.

Voetnoot:

* Prabhupâda's leerlingen geven als commentaar op de preciese uitvoering van de zaken aangaande het ekâdasi-vasten en gunstige tijden om te baden: 'Natuurlijk, Varuna's dienaar zou zich bewust zijn geweest van deze technische details, welke bedoeld zijn voor hen die strict naar de vedische rituelen leven.'

 

Hoofdstuk 29

Het Rasa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Hoewel Hij de Allerhoogste Heer was, besloot Hij, Zich verlatend op Zijn innerlijk vermogen [zie yoga-mâyâ], te gaan genieten van die herfstnachten waarin de jasmijnbloemen bloeien. (2) Op dat uur kleurde de koning van de sterren [de maan] met zijn handen het aangezicht van het oosten rood waarmee hij allen die naar hem uitkeken een genoegen deed, precies zoals een minnaar die naar zijn geliefde toekomt een einde maakt aan het leed als hij na een lange tijd zich weer laat zien. (3) Met de aanblik van de kumuda-lotussen die zich openden naar zijn volle ronde gelaat dat, gelijk het gezicht met de verse kunkuma van de godin van het geluk, met zijn licht het woud rood kleurde, speelde Hij, in de klare zachte stralen van dat schijnsel, lieflijk op Zijn fluit waarmee Hij de ogen van de charme [van de gopî's] bekoorde. (4) Het aanhoren van dat lied wekte Cupido op bij de vrouwen van Vraja en in hun geesten meegevoerd door Krishna ging ieder van hen zonder dat de anderen er weet van hadden, met van de haast zwaaiende oorhangers, naar daar waar Hij, hun vriendje, was. (5) Sommigen vertrokken midden onder het melken van de koeien, sommigen lieten in hun graagte de melk staan die op het fornuis stond terwijl anderen erop uit gingen zonder de cake uit de oven te halen. (6-7) Sommigen zetten de kinderen naast zich neer die ze melk aan het geven waren en dosten zich uit zonder nog te denken aan de dienst die ze voor hun echtgenoten verrichtten, sommigen vertrokken midden onder het eten, sommigen olieden, beschilderden zichzelf en maakten hun ogen op, terwijl anderen zich naar Krishna begaven met hun kleren en sieraden in wanorde. (8) Zij, tegengehouden door hun echtgenoten, vaders, broers en andere verwanten keerden echter, bekoord door Govinda met hun harten gestolen, niet weer terug [naar hun plichten]. (9) Sommige gopî's die er niet in slaagden om weg te komen, sloten thuis blijvend hun ogen en mediteerden verbonden in die liefde [zie voetnoot* en 10.1: 62 &63]. (10-11) De onverdraaglijke, intense kwelling van het gescheiden zijn van hun Geliefde deed al het slechte denken wijken terwijl het goede van hen tot nul reduceerde door de vreugde verkregen in de meditatie op de omhelzing door de Onfeilbare. Ook al was Hij de Opperziel, dachten ze over Hem na als zijnde hun minnaar, maar met het niettemin verkrijgen van Zijn directe omgang gaven ze, met hun banden doorsneden, terstond hun bestaan op zoals bepaald door de kwaliteiten der materie.'

(12) S'rî Parîkchit zei: 'Zij kenden Krishna enkel als hun geliefde en niet als de Absolute Waarheid, o wijze, hoe kon er voor hen, zo vol van gedachten over de materiële kwestie, nu het beëindigen van de machtige stroom van de guna's zijn?

(13) S'rî S'uka zei: 'Hierover heb ik al hiervoor met u gesproken [in 3.2: 19 en in 7.1: 16-33]: wat, als de koning van Cedi [S'is'upâla] de volmaaktheid al kon bereiken met zelfs het haten van de Heer van de Zinnen, zou dat dan inhouden voor hen die Hem, de Heer in het Voorbije, dierbaar zijn? (14) Met het hoogste voordeel voor de mensheid voor ogen, o Koning, is er daar het persoonlijke verschijnen van de Allerhoogste, Onvergankelijke en Ondoorgrondelijke Heer, die vrij van de geaardheden de Beheerser van de geaardheden is. (15) Zij die zonder ophouden lust, woede, angst, genegenheid, eenheid en goede wil aan de dag leggen met de Heer bereiken inderdaad de verzonkenheid in Hem. (16) U moet zich wat betreft de Ongeboren, Hoogste Persoonlijkheid hier niet over verbazen daar Hij de meester van alle meesters van de Yoga is door wie deze wereld zijn bevrijding vindt. (17) Toen de Opperheer de meisjes van Vraja bij Hem zag aankomen sprak Hij, de beste van alle sprekers, met een weelde aan woorden die hen verbijsterde. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'Weest welkom jullie allen, o fortuinlijke dames, wat kan Ik doen om jullie te behagen? Zeg me alsjeblieft of in Vraja alles in orde is en om welke reden jullie hier naar toe kwamen. (19) Deze nacht is vol van angstaanjagende schepselen, keer dus alsjeblieft terug naar Vraja o slanke meisjes, jullie vrouwen behoren hier niet rond te hangen. (20) Het is wel zeker dat jullie moeders, vaders, zoons, broers en echtgenoten, naar jullie uitkijkend, jullie nergens meer zien; bezorg jullie verwanten nu geen kopzorgen. (21-22) Jullie hebben Râka (de godin van de dag van de volle maan) zien schitteren met haar maanlicht, jullie hebben nu het woud vol van bloemen gezien dat zelfs nog aangenamer is door het briesje dat vanaf de Yamunâ waaiend speelt door de bladeren van de bomen. Ga nu, zonder dralen, terug naar het koeherdersdorp, jullie moeten je echtgenoten van dienst zijn, o kuise dames, de kalfjes en de kindjes huilen erom dat jullie ze melk geven. (23) Of anders, als jullie zijn gekomen omdat jullie harten overstroomden van liefde voor Mij, is dat voorwaar lofwaardig van jullie daar alle levende wezens genegenheid voor Mij koesteren. (24) Voor vrouwen is het voorzeker het hoogste dharma om volijverig haar echtgenoot van dienst te zijn, eenvoudig en eerlijk te zijn met de verwanten en goed te zorgen voor haar gezin. (25) Vermits hij niet ten val kwam [met zijn geloof of zijn huwelijkstrouw] moet een echtgenoot slecht gemutst, onfortuinlijk, oud, afgetakeld, ziek en zelfs arm zijnde door vrouwen die naar de hemel willen niet worden afgewezen [zie ook 9.14: 37 en B.G. 1.40]. (26) Om verdoold zwak en overspelig te zijn is voor een vrouw van stand in ieder geval iets verwerpelijks: het schaadt de reputatie, veroorzaakt angst, en geeft moeilijkheden. (27) Door te luisteren, in de aanwezigheid te verkeren [van de beeltenis en de toegewijden], door meditatie en door daarbij te zingen is men van liefde voor Mij, en niet zozeer door Mij fysiek nabij te zijn; keert daarom allen naar huis terug. [zie ook 10.23: 33].'

(28) S'rî S'uka zei: 'De gopî's die aldus de voor hen minder aangename woorden van Govinda hoorden ondervonden, wanhopig als ze waren te zijn teleurgesteld in hun sterke verlangens, een moeilijk te overwinnen zielepijn. (29) Verdrietig lieten ze, terwijl ze over de grond stonden te schrapen, hun gezichten hangen en hun bimba-rode lippen al zuchtend verdrogen en droegen ze, met hun tranenvloed die hun make-up bedierf en de kunkum op hun borsten wegwaste, in stilte de last van hun grote leed. (30) Met hun Geliefde in het geheel niet zo lief hen in tegenspraak toesprekend, terwijl zij te Zijnent wille hadden afgezien van al hun materiële verlangens, veegden ze hun tranen weg hun huilen een halt toeroepend en zeiden ze vervolgens met hun stemmen verstikt in de gehechtheid gekweld iets tegen Hem terug: (31) De mooie gopî's zeiden: 'Jouw goede zelf, o Machtige, moet niet zo hardvochtig spreken met het afzweren van iedere vorm van zinnelijk genot; alstJeblieft beantwoordt onze toewijding aan Jouw voeten, wijs ons niet zo moeilijk te krijgen terug, wees net als de Godheid, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die wederkerig is met hen die de bevrijding verlangen. (32) O liefste, Jij als de Kenner van het Dharma sprak aldus over de plicht der vrouwen die zou bestaan uit haar trouw aan haar echtgenoot, kinderen en verwanten, zo zij het, maar is het niet zo dat Jij, o Heer, het ware voorwerp van deze instructie bent; Jij, de Godheid hoogst gewaardeerd die voor alle belichaamde wezens de zekere nauwe verwant bent die de ziel is? (33) De deskundigen inderdaad leveren bewijs van de aantrekking tot Jou die hen immer bekoort als hun eigenlijke Zelf, dus wat moeten we dan met onze echtgenoten, kinderen en verwanten die ons last bezorgen? Wees ons genadig, o Allerhoogste Beheerser, ontneem ons niet de hoop op Jou die we zo lang gekoesterd hebben, o Lotusogige. (34) Zonder moeite nam Je bezit van onze geesten welke opgingen in ons huishouden, zowel als onze handen die druk waren met huishoudelijk werk; onze voeten zullen zich geen stap van Jouw voeten verwijderen - hoe kunnen we nu teruggaan naar Vraja, wat moeten we dan nog verder beginnen? (35) AlstJeblieft, o Allerbeste, stort de vloed van de nectar van Je glimlachende blikken en melodieuze liederen die rijzen van Je lippen, uit over het vuur in onze harten; of anders zullen we met onze meditatie onze lichamen plaatsen in het vuur dat brandt van de gescheidenheid en gaan voor het verblijf van Jouw voeten, o Vriend. (36) O, Jij met Je lotusgelijke ogen, voor de godin van het geluk is het een feest te verkeren aan de basis van Je voeten die, bij tijden gekoesterd door de mensen die zich in het woud ophouden, we nu zullen beroeren en van dat moment af aan zullen we, vol van Jouw vreugde, voorzeker er nimmer toe in staat zijn om ons in de directe aanwezigheid van welke andere man dan ook op te houden! (37) Zoals de godin, die tezamen zelfs met Tulasî-devî het stof van de lotusvoeten verlangt, haar positie aan Jouw boezem heeft verworven en voor wiens blik rustend op hen, zoals dat is, de anderen der verlichting zich inspannen van dienst te zijn als dienaren, zoeken wij overeenkomstig ook het stof van Je voeten. (38) Wees daarom van genade voor ons, o Vernietiger van Alle Leed, Jouw voeten hebben we benaderd met het verzaken van onze huishoudens in de hoop Je te aanbidden, Jij met Je mooie glimlachen en blikken waar onze harten naar smachtten in een intens verlangen; o sieraad van alle mensen, sta het ons alstJeblieft toe van dienst te zijn. (39) Met de aanblik van Je haar rondom Je gezicht, Je oorhangers, de schoonheid van Je kaken en de nectar van Je glimlachende lippen, die blikken die iemand onbevreesd maken, Je beide machtige armen en met het zien van Je borst, de enige bron van genoegen voor de godin, zijn we overgeleverd als Jouw dienaren. (40) Welke vrouw in de drie werelden, o teerbeminde, zou niet geheel ondersteboven zijn van de melodieën van de liederen die Jij te voorschijn tovert uit Je fluit en niet afwijken in haar burgerlijke gedrag met de aanblik van deze gratie van de drie werelden, deze schitterende gedaante waarvan (zelfs) de koeien, de vogels, de bomen en de herten worden doortrokken door een huiver van vreugde. (41) Jij, net als de aanbiddelijke God, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, hebt, alle goden en werelden beschermend, geboorte genomen als de Godheid, die zich bewees als de verdrijver van de angst en het leed van de mensen van Vraja; wees daarom zo goed, o Vriend der Nooddruftigen, Je lotusgelijke hand te leggen op de brandende borsten en hoofden van Je dienstmaagden.'

(42) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij de vertwijfelde woorden van de gopî's had aangehoord, lachte vol van genade de Heer van alle Heren van de Yoga die bevredigd was ondanks Zijn immer in Zichzelf tevreden zijn. (43) Met hen allen tezamen was Hij zo onovertroffen als de, als het hert gespikkelde, maan omringd door de sterren, en deed Hij als de Onfeilbare Heer, zo grootmoedig in Zijn blikken en bewijzen van genegenheid, hun gezichten bloeien met Zijn brede glimlachen die Zijn jasmijngelijke tanden deden blinken. (44) Bezongen en Zelf zingend als de gebieder van honderden vrouwen droeg Hij de vijfkleurige [Vaijayantî-]bloemenslinger aldus het bos opluisterend waarin Hij zich rondbewoog. (45-46) Samen met de gopî's kwam Hij aan bij de oever van de rivier die, bediend door de golven, koel was met haar zand en aangenaam was door de geur van de lotussen meegevoerd door de wind. Met de Vraja-schoonheden Cupido opwekkend vergenoegde Hij Zich erin Zijn armen om hen heen te slaan in omhelzingen en hun haar, middel, dijen en borsten te beroeren met Zijn handen en zo ze speels strelend met Zijn vingernagels en Zijn blikken toewerpend, onderhield Hij zich met hen en lachte Hij. (47) Op deze manier van Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de speciale aandacht van de Grotere Ziel krijgend, beschouwden ze zichzelf, trots rakend, zowaar de beste van alle vrouwen op aarde. (48) Toen Hij die, als gevolg van hun geluk, bedwelmde staat van valse trots zag, verdween, bij wijze van Zijn genade, Heer Kes'ava vandaar met de bedoeling dat een halt toe te roepen.

Voetnoten:

* "De verschillende typen gopî's waar hier sprake van schijnt te zijn worden eveneens vermeld in de Padma Purâna:

gopyas tu s'rutayo jñeyâ
rishi-jâ gopa-kanyakâh
deva-kanyâs' ca râjendra
na mânushyâh kathañcana

'Het wordt begrepen dat sommige van de gopî's de Vedische literatuur personifiëren (s'ruti-câri), terwijl anderen gereïncarneerde wijzen zijn (rishi-cârî) , dochters van koeherders (gopa-kanyâs), of halfgodenmaagden (deva-kanyâs). Maar in geen geval, mijn beste Koning, is ook maar een van hen een gewoon menselijk wezen.' Er is ook sprake van sâdhana-siddhas en nitya-siddhas: zij die vervolmaakt in de geestelijke discipline zijn en zij die zo geboren zijn.

 

Hoofdstuk 30

De Gopî's op Zoek naar Krishna er Vandoor met Râdhâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de Allerhoogste Heer zo ineens was verdwenen waren de jonge dames van Vraja zo spijtig Hem niet meer te zien als wijfjesolifanten die hun stier missen. (2) De verliefde dames die in hun harten waren overweldigd door de bewegingen, liefdevolle glimlachen, speelse blikken, charmante praatjes en andere spelletjes van verleiding van de echtgenoot van Ramâ, speelden verzonken in Hem ieder van die wonderbaarlijke aktiviteiten na. (3) De liefjes verloren in de bewegingen, glimlachen, de blikken, en het praten enzovoorts van hun Geliefde - die zich feitelijk dus door de lichamen van de dames heen uitdrukte - gaven zo doende onder de invloed van de manieren van Krishna ten beste: 'Hij is helemaal in mij!'. (4) Aldus allen tezamen hardop over Hem zingend, zochten ze zich gek van hot naar haar in het bos en gingen ze bij de bomen te rade over de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die gelijk de ether zowel van binnen als van buiten aanwezig is: (5) 'O as'vattha [heilige vijgenboom], o plaksha [golfbladige vijgenboom], o nyagrodha [baniaan], hebben jullie de zoon van Nanda gezien die is weggegaan nadat Hij met Zijn liefdevolle glimlachen en blikken onze harten stal? (6) O kurabaka [rode amaranth], as'oka, nâga, punnâga en campaka, hebben jullie de jongere broer van Balarâma voorbij zien komen die met Zijn glimlach de trots wegvaagt van ieder meisje dat te hooghartig is? (7) O zoete tulsî, zo van liefde voor Govinda's voeten, hebben jullie die zo hoogst geliefde Acyuta gezien die jullie met Zich meedraagt tezamen met zwermen bijen? (8) O mâlati-, jâti-, yûthikâ- en mallikâ-jasmijn, hebben jullie Mâdhava langs zien komen, terwijl die jullie met Zijn aanrakingen blij maakte? (9) O mango-klimplant, priyâla, broodvrucht, âsana, o kovidâra [berg-ebbe], houtappel, arka, bilva, mimosa, en mango boom; o kadamba en nîpa en wie nog meer van jullie die voor het heil van anderen hier aan de oever van de Yamunâ leven, wees alsjeblieft zo aardig ons, wiens geest op hol is geslagen, te zeggen welk pad Krishna heeft genomen. (10) O aarde, welke verzaking moet u wel niet hebben volbracht om betreden te zijn door Kes'ava's voeten met een vreugde die het haar op uw lichaam [haar grassen en zo] overeind doet staan? Of hebt u misschien uw schoonheid te danken aan de voeten van Vâmanadeva [zie 8.18-22] of omdat u werd betreden en omhelsd door het lichaam van Varâha [3.13]? (11) O ree, o vriendin, ben je Acyuta hier met Zijn Geliefde tegengekomen, die met al Zijn leden een lust is om te zien; in de lucht hangt nog de geur van de bloemenslinger van de Meester van de Gopî's gekleurd door de kunkum van het in aanraking verkeren met de borsten van Zijn Vriendin. (12) O bomen, toen Râma's jongere broer langs kwam, met Zijn arm geplaatst over de schouder van Zijn liefje, een lotus vasthoudend en met de tulsî-bloemen met een zwerm bijen blind van de bedwelming er achteraan - merkte Hij met Zijn liefdevolle blikken op dat je je voor Hem verboog? (13) Laten we het deze klimplanten vragen, zelfs al omklemmen ze de armen van hun meesterboom; ze hebben zeker notie genomen van de aanraking van Zijn vingernagels, zie hoe hun oppervlak zich welft van de vreugde!'

(14) De gopîs zich aldus doldwaas uitlatend raakten, op drift in hun speurtocht naar Krishna, volledig in Hem verzonken met het inderdaad door een ieder van hen naspelen van de spelletjes van hun Heer van Fortuin. (15) Een van hen dronk als Krishna bij een andere die Pûtanâ speelde als was ze een kind aan haar borst, terwijl een andere zich opstelde als de kar die door de voet van een huilende andere om werd geschopt [zie hoofdstukken 10.6 en 7]. (16) Een gopî die Krishna nadeed werd weggedragen door een andere gopî die een daitya imiteerde [Trinâvarta, zie 10.7] terwijl weer een andere rondkruipend haar enkelbelletjes liet tinkelen met het achter zich aanslepen van haar voeten. (17) Twee optredend als Krishna en Râma en een paar die de gopa's nadeden doodden er een die Vatsâsura nabootste terwijl nog twee anderen Bakâsura deden [zie 10.11]. (18) Net als Krishna roepend naar de koeien ver weg werd er een, die spelend deed alsof ze de fluit liet klinken, door de andere gopî's geprezen met 'Goed zo!'. (19) Een van hen liep rond met een arm over een schouder gelegd en verklaarde: 'Kijk, ik ben Hem, die zich zo gracieus beweegt!' en hield op die manier haar geest op Hem gevestigd. (20) 'Weest niet bang voor die wind en regen, door Mij is in jullie verlossing voorzien' aldus sprak er een die er met één hand in slaagde haar bovenkleed omhoog te houden [alsof het de heuvel Govardhana was, zie: 10.25]. (21) O meester der mensen, eentje die bovenop een andere klauterde verklaarde met haar voet op haar hoofd: 'O valse slang, ga weg, Ik heb geboorte genomen als degene die er is om de afgunstigen te bestraffen!' [zie 10.16] (22) Toen zei er een: 'O gopa's, zie die bosbrand zo fel; doe snel jullie ogen dicht, Ik zal voor jullie bescherming zorgen alsof het niks is!' (23) Een slanke gopî met een bloemenslinger vastgebonden door een andere gopî zei: 'Nou heb ik je te pakken, ik bind je aan het stampvat vast, Jij pottenbreker en boterdief! en met dat gezegd bedekte er een haar gezicht en mooie ogen doend alsof ze bang was.

(24) Op deze manier overal in Vrindâvana navraag doend bij de bomen en de klimplanten zagen ze op een plek in het bos de Allerhoogste Ziel Zijn voetafdrukken: (25) 'Werkelijk, dit zijn duidelijk de voetafdrukken van de zoon van Nanda zoals de vlag, de lotus, de bliksemschicht, de korenaar en de olifanten drijfstok dat laten zien [zie voetnoot*]. (26) Met het natrekken van Zijn pad aan de hand van de verschillende voetafdrukken merkten de meisjes tot hun grote teleurstelling op dat die helemaal samenvielen met de voetafdrukken van één van hen, waarop ze zeiden: (27) 'En aan wie van ons behoren deze voetafdrukken toe die hier samengaan met de zoon van Nanda; over wiens schouder heeft Hij als een stier met een wijfjesolifant Zijn arm gelegd? (28) Hij moet zeker volmaakt aanbeden zijn [ârâdhitah, zie Râdhâ] als de Allerhoogste Ene Heer en Beheerser aangezien Govinda behaagd, ons heeft laten zitten en Haar apart heeft genomen. (29) O meisjes, heilig de stofdeeltjes van Govinda's lotusvoeten die door Brahmâ, S'iva en Ramâdevi [Lakshmî] op hun hoofden worden genomen om de zonden te verdrijven. (30-31) Voor ons zijn deze voetafdrukken meer verontrustend want wie van ons gopî's werd nou alleen apart genomen, om in afzondering van Acyuta's lippen te genieten? Kijk, hier kunnen we haar voeten niet meer zien, de grashalmen en twijgjes hebben zeker de zolen van haar tere voeten pijn gedaan zodat Haar geliefde Zijn lieveling heeft opgetild. (32) Zijn gezellin dragend gingen de voetafdrukken veel dieper, kijk toch eens o gopî's, hoe, gebukt onder het gewicht, ons zo intelligente voorwerp van verlangen Krishna Zijn vriendin hier neer heeft gezet om wat bloemen te plukken. (33) En zie deze halve voetafdrukken hier; om bloemen de verzamelen voor Zijn Geliefde Liefje maakte de Geliefde deze afdruk met het op Zijn tenen staan. (34) En om verder de opmaak van Haar haar te schikken ging de Liefdevolle met Zijn smachtende meisje wel zeker hier precies neerzitten om voor Zijn Geliefde met hen een krans te maken.'

(35) Hij, hoewel bij de Ziel volmaakt tevreden en in Zichzelf volkomen, had Zichzelf met Haar vermaakt waarmee Hij de gevallen staat van verliefde mensen liet zien als ook het op zichzelf gerichtte van het vrouwlijke ervan. (36-37) Op deze manier aldus [voor Haar] blijk gevend voor welke gopî Krishna de andere vrouwen, de gopî's die helemaal verdwaasd ronddoolden in het bos, had verlaten, dacht ook Zij toen van Zichzelf: 'Met Mij als de beste van alle vrouwen, heeft Hij, de gopî's afwijzend die zich laten leiden door lust, Mij aanvaard als Zijn Geliefde!'

(38) Op weg toen naar die plek in het bos zei Zij, trots rakend, tot Krishna: 'Ik kan niet meer verder gaan, draag Me alsJeblieft waarheen Je maar wilt'.

(39) Aldus aangesproken zei Hij tot Zijn Geliefde: 'Klim maar op Mijn rug' en met deze woorden verdween Krishna tot grote smart van Zijn gezellin.

(40) 'O Meester, o Minnaar, o Liefste, waar ben Je nou, waar ben Je? O met Je machtige armen, alsJeblieft Mijn vriend laat Jezelf zien aan Mij, Je treurende dienstmaagd!'

(41) S'rî S'uka zei: 'De gopî's niet ver daar vandaan het spoor van de Opperheer natrekkend ontdekten hun ongelukkige vriendin verbijsterd over het feit dat ze was gescheiden van Haar Geliefde. (42) Tot hun opperste verbazing hoorden ze Haar zeggen dat Ze Mâdhava's respect had gekregen maar dat Hij ook als gevolg van de houding die ze aannam Haar had laten zitten. (43) Zij toen gingen voor zover het licht van de maan dat toestond het woud in, maar toen ze zichzelf in het duister zagen belanden zagen de vrouwen er van af. (44) In Hem opgegaan, Hem besprekend, Hem naspelend en vervuld van Zijn aanwezigheid eenvoudig Zijn kwaliteiten bezingend, herinnerden ze zich niet langer hun huishoudens [zie ook 7.5: 23-24]. (45) Terugkerend naar de oever van de Yamunâ mediteerden ze, allen samen zingend, op Krishna, terwijl ze reikhalzend Zijn aankomst afwachtten.  

Voetnoten:

* In de Skanda Purâna vindt men een verklaring van deze [in totaal negentien] merktekens: 'Onderaan bij Zijn grote teen op de rechter voet, draagt de Ongeboren Heer het merkteken van de schijf, welke de zes [mentale] vijanden de pas afsnijdt. Onder aan zijn middelteen van die zelfde voet heeft Heer Acyuta een lotusbloem, welke het verlangen naar Hem doet toenemen in de geesten van de bij-achtige toegewijden die op Zijn voeten mediteren. Onderaan Zijn kleine teen is er een bliksemschicht, die de bergen van terugslagen van zonden in het verleden van de toegewijden vernietigt, en midden op Zijn hiel treft men het merkteken van de olifantendrijfstok aan, welke de olifanten van de geesten van de toegewijden onder controle brengt. Het kootje van zijn rechter grote teen draagt het kenmerk van de korenaar, die allerhande genietbare weelde vertegenwoordigt. Een bliksemschicht wordt aangetroffen aan de rechter kant van Zijn rechtervoet, en een olifantendrijfstok daaronder.' zie de Vedabase van 10.30: 25 voor verdere informatie.

 

Hoofdstuk 31

De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

(1) De gopî's zeiden: 'Door Jouw geboorte is het land van Vraja almaar heerlijker en verblijft de godin van het geluk daar onophoudelijk; inderdaad, o geliefde, moge men Jou in alle richtingen aantreffen, Jij voor wie Je toegewijden op zoek naar Jou hun levensadem gaande houden. (2) Als Jij hier niet bent, o fijnste der genade, maak Jij, met de schoonheid van Je blik, welke de uitgelezen schoonheid van het hart van de lotus overtreft die zo volmaakt groeide in het herfstmeer, een einde aan het leven van ons, Jouw zelfbenoemde dienstmaagden, o Heer van de Liefde; is dat geen moord? (3) Telkens weer, o Grootste Persoonlijkheid, zijn we door Jou beschermd tegen al het angstwekkende: tegen het teloor gaan door het water [van Kâliya, 10.16], tegen de demon [Agha, 10.12], tegen de regens, de storm en de bliksemschichten [van Indra, 10.25] en tegen de stier en de zoon van Maya [de incidenten met Arishthâsura en Vyomâsura die S'uka later bespreekt]. (4) O Vriend, voorwaar ben Jij die tevoorschijn trad in de dynastie van Je toegewijden [de Sâtvata's] niet de zoon van een gopî [Yas'odâ]; de Heerlijkheid van Jou is de ziener, het innerlijke bewustzijn van alle belichaamde wezens, o Jij met wie Brahmâ die Je naar boven haalde [aldus genaamd Vikhanasâ, zie 3.8: 16 en 10.14] bad voor de bescherming van het universum. (5) Jij die de hand van de godin beet nam, o beste van de Vrishni's, bracht de onbevreesdheid voor hen die in de angst van hun materiële bestaan Jouw voeten benaderden; alstJeblieft, o Minnaar beantwoordend aan de verlangens, leg Je lotushand op onze hoofden. (6) O Vernietiger van het lijden van de bewoners van Vraja, o Held van de vrouwen die middels Zijn eigen glimlach het valse lachen van de mensen doet vergaan, accepteer alstJeblieft, o Vriend, ons, die werkelijk Je dienstmaagden zijn; alstJeblieft laat Je prachtige lotusgezicht zien. (7) Jij die van de belichaamden overgegeven aan Jou de zonden wegneemt, die achter de grazers aangaat, die het verblijf van de godin bent, die Zijn voeten plaatste op de kragen van het serpent; alstJeblieft plaats Je lotusvoeten op onze borsten en ban de lust uit onze harten. (8) O Jij met Je lotusogen, door Jouw lieve charmante stem en woorden zo aantrekkelijk voor de intelligenten, zijn deze dienstmaagden, o Held, hun verstand aan het verliezen; alstJeblieft breng ons weer bij zinnen met de nectar van Je lippen. (9) Je zoete verhandelingen zoals beschreven door de grote denkers wekken, al de zonden verdrijvend, de gekwelden weer tot leven en geven, beladen met spirituele macht, als men ze hoort het geestelijk voordeel; o hoe weldadig de personen die met gezang hen verspreiden over gans de wereld [*].

(10) We zijn er gelukkig mee op Je liefdevolle glimlachen vol goddelijke liefde, Je blikken en op Je wederwaardigheden te mediteren, maar de onderonsjes in het geheim, welke ons in ons hart raken, o schurk, brengen onze geesten van streek! (11) Als Je Vraja verlaat om de dieren de hoeden, o Meester, kwelt ons dat, en voelen we ons ongemakkelijk van binnen, o Minnaar, als we denken aan de zaaddozen, grassen en opschietende planten scherp voor Je voeten die nog prachtiger zijn, o Meester, dan een lotus. (12) Als Je tegen de avond Je blauwzwarte lokken en lotusgezicht weer laat zien dicht overdekt met stof, wek Je telkens weer opnieuw Cupido op in onze geesten, o Held. (13) Met het vervullen van de verlangens van hen die zich verbuigen, met het aanbeden zijn door hem die op de lotus zijn geboorte nam [Brahmâ], schenken de lotusvoeten, de pracht van de aarde vormend en als het juiste voorwerp om op te mediteren in tijden van nood, de hoogste voldoening; dus alstJeblieft o Minnaar, o Verdrijver van de Angst, plaats Je voeten op onze borsten. (14) Door het weerklinken van Je fluit neemt het geluk van de liefde toe en is het lijden vernietigd; overvloedig gekust [door Jou] zijn de gehechtheden aan andere personen vergeten - alstJeblieft, o held, laat ons delen in de nectar van Je lippen! (15) Als Je overdag weggaat wordt voor hen die Je krullende haarlokken en Je prachtige gezicht niet zien, een enkel moment als een eeuwigheid; en hoe dwaas jegens hen die dan mógen zien is niet hij [Brahmâ] die de oogleden geschapen heeft! (16) Totaal onze echtgenoten, kinderen, voorouders, broers en andere verwanten verwaarlozend reikten we tot Jouw aanwezigheid o Acyuta, die op de hoogte bent van onze beweegredenen; o bedrieger, hoe kon Je nu de vrouwen in de steek laten met hun geesten van slag door het heldere geluid van Je fluit in de nacht! (17) In privé ons onderhoudend de lust opkomen voelend in onze harten, met Je glimlachende gezicht en liefdevolle blikken en met Je brede borst het verblijf ziend van de godin, zijn onze geesten, gek van verlangen, keer op keer op hol geslagen door Jou. (18) Jouw zo tere lotusvoeten plaatsen wij, o liefde, zachtjes op onze borsten bevreesd dat het bos waar Je in rondtrekt te ruig voor ze is; wij, die de Heerlijkheid van Jou tot ons eigen leven rekenen, zijn met onze fladderende geesten er bezorgd over dat ze niet te lijden hebben onder kleine steentjes en dergelijke.' [zie verder ook de S'ikshâshthaka] 

Voetnoten: 

* De leerlingen van Prabhupâda refereren hier aan het volgende verhaal: 'Koning Pratâparudra reciteerde dit vers voor S'rî Caitanya Mahâprabhu tijdens het Ratha-yâtrâ festival van Heer Jagannâtha. Terwijl de Heer rustte in een tuin, deed Koning Pratâparudra nederig zijn intrede en begon hij Zijn benen en lotusvoeten te masseren. Toen reciteerde de Koning het Eenendertigste Hoofdstuk van het Tiende canto van het S'rîmad-Bhâgavatam, de gezangen van de gopî's. De Caitanya-caritâmrita onthult dat toen Heer Caitanya dit vers hoorde, beginnende met tava kathâmritam, hij terstond oprees in extatische liefde en Koning Pratâparudra omhelsde. Het voorval wordt in detail beschreven in de Caitanya-caritâmrita (Madhya 14.4 - 18), en in zijn uitgave heeft S'rîla Prabhupâda er een uitgebreid commentaar bij gegeven.'

 

 

Hoofdstuk 32

Krishna Keert Terug naar de Gopî's

(1) S'rî S'uka zei: 'En zo gingen de gopî's maar door met zingen en praten, vertederend hardop huilend, smachtend, o Koning, naar de aanwezigheid van Krishna. (2) De zoon van Vasudeva [ofwel S'auri, 'de Zoon van de Held'], de Verdwazer van [Cupido] de Verdwazer van het verstand, verscheen recht voor hun ogen glimlachend met Zijn lotusgelijke gezicht, gekleed in een geel gewaad en met een bloemenslinger om. (3) Toen ze Hem, hun teerbeminde, weerom gekeerd zagen, openden de meisjes vol van liefde hun ogen wijd en stonden ze allen samen in één keer op alsof het leven weer in hun lichamen was teruggekeerd. (4) Een van hen greep verheugd de hand van S'auri met gevouwen palmen terwijl een andere Zijn arm, met sandelhoutpasta opgesierd, over haar schouder legde. (5) Eén slanke met haar handen bij elkaar nam de resten van de bethel die Hij had gekauwd, terwijl weer een andere Zijn lotusvoeten greep en ze op haar brandende borsten plaatste. (6) Eén, met samengetrokken wenkbrauwen op haar lippen bijtend wierp aangeslagen, buiten zichzelf in haar liefde voor God, blikken van opzij alsof ze Hem kon vermoorden. (7) Een andere [Râdhâ naar verluid] die met starende ogen zich laafde aan Zijn Lotusgezicht kon, ook al had ze de volle smaak, er net als de heiligen mediterend op Zijn voeten geen genoeg van krijgen. (8) Een van hen, plaatste Hem via de openingen van haar ogen in haar hart en bleef Hem daar met de ogen dicht omhelzen, met haar haren recht overeind verzonken in extase als was ze een yogi. [*] (9) Allen een vreugde van de hoogste orde ervarend bij de aanblik van Kes'ava, gaven de treurnis van hun afgescheidenheid op, precies zoals mensen dat in het algemeen doen als ze een verlichte ziel ontmoeten. (10) Temidden van hen, die geheel waren bevrijd van hun verdriet, schitterde Acyuta, de Opperheer, deste meer, mijn beste, gelijk de Oorspronkelijke Persoonlijkheid met Zijn bovenzinnelijke vermogens. (11-12) De Almachtige die hen met Zich mee nam kwam aan bij de zachte zandbanken van de Yamunâ die de zegenrijke rivier had bijeen gebracht met de handen van haar golven. Daar bloeiden de kunda en mandarabloemen met hun bijen geurig in het herfstbriesje terwijl de maan, uitbundig schijnend, met zijn stralen het duister van de nacht verdreef. (13) Door de extase Hem weer te zien werd de pijn van het verlangen in hun hart verdreven; ze bereikten de uiteindelijke vervulling van hun zielen, zoals uit de doeken wordt gedaan in de geschriften, met het arrangeren van een zitplaats voor hun beminde vriend met behulp van hun omslagdoeken die besmeurd waren met het kunkum van hun borsten [zie ook 10.87: 23]. (14) Hij, de Allerhoogste Heer en Beheerser, voor wie de yogameesters een zitplaats reserveren in hun harten, aldaar in volle luister neerzittend werd, aanwezig te midden van de gopî's, op die manier Zijn persoonlijke gedaante ten toon spreidend, aanbeden als het enige echte reservoir van alle schoonheid en weelde in de drie werelden. (15) Hij, de Opwekker van Cupido, geëerd met glimlachen, met speelse blikken, met suggestieve wenkbrauwen en met het masseren van de voeten en handen op hun schoten, werd door hen aanbeden, maar niettemin nog wat boos richtten ze zich tot Hem. (16) De fijne gopî's zeiden: 'Sommigen zijn wederkerig met hen die hen respecteren, sommigen tonen respect [voor hen die handelen] in tegenstelling en sommigen zijn met geen van beiden wederzijds; alstJeblieft o liefste, zeg ons hoe het nu feitelijk zit.'

(17) De Opperheer zei: 'Zij die als vrienden wederzijds elkaar tegemoet komen, enkel terwille van zichzelf, zijn in dat ondernemen waarlijk niet naar het principe bezig, niet van ware vriendschap; ze zijn uit op hun eigen voordeel, niets anders. (18) Zij die vol toewijding van genade zijn met hen die niet wederkerig zijn, zoals ouders dat b.v. zijn, zijn foutloos naar het principe in dezen en van ware vriendschap, o slanke meisjes. (19) Sommigen zijn er zeker van zelfs niet wederkerig te zijn met hen die toegewijd zijn; wat moet men zeggen van hen die niet wederkerig zijn, van de [spiritueel] in zich zelf tevredenen, van hen die al hun verlangens vervuld zien, van de ondankbaren en van hen die vijandschap koesteren jegens de achtenswaardigen? (20) Ik dan Mijn vriendinnen, beantwoord niet altijd de liefde van diegenen die van aanbidding zijn zodat hun [- en jullie -] toeneiging zijn beslag kan krijgen en er met hen zoals met een arme man die rijkdom verwierf, vol van angst dat te verliezen, geen gedachte is aan iets anders [zie ook B.G.: 4.11 en 10. 29: 27]. (21) Aldus met het door jullie om mijnent wille weerstaan van wat de mensen, de geschriften en jullie verwanten allemaal zeggen ben Ik, mijn beste meisjes, feitelijk inderdaad wederkerigheid betrachtend met jullie inschikkelijkheid jegens Mij [**], verdwenen; jullie moeten daarom jullie Geliefde geen verwijten maken, o liefjes. (22) Zelfs niet zolang levend als een god in de hemel ben Ik in staat jullie terug te betalen voor jullie ongekunsteld aanbidden van Mij; laat dat breken met de zo moeilijk te boven te komen ketenen van jullie burgermansleventjes worden beantwoord door zijn eigen deugd.  

Voetnoten:

 * S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thâkura stelt dat de zeven gopîs waar tot dusverre sprake van is in dit hoofdstuk de eerste zeven van de acht belangrijkste gopî's zijn waarvan de S'rî Vaishnava-toshanî in een vers de namen geeft als zijnde Candrâvalî, S'yâmalâ, S'aibyâ, Padmâ, S'rî Râdhâ, Lalitâ en Vis'âkhâ. De achtste wordt begrepen als zijnde Bhadrâ. De Skanda Purâna verklaart dat deze acht gopî's de belangrijkste zijn onder de drie miljard gopî's en Râdhâ is, zoals bevestigd door Padma Purâna, Brihad-gautamîya-tantra en de Rig-paris'ishtha, de Heer Zijn meest geliefde.

** In feite levert onderbroken bekrachtiging zoals gepraktiseerd door Krishna zo vluchtig hier, de sterkste band op zo bevestigt de moderne psychologie; en zo zijn er met al Zijn religies overal in de wereld dagen van materieel gemotiveerde arbeid waarin we Hem niet zien, met Zijn verdwijnen naar de achtergrond, en dagen van gebed waarin we Hem wel tegemoet treden.

   

Hoofdstuk 33

De Râsadans

(1) S'rî S'uka zei: 'De gopî's, die alzo de allerbekoorlijkste woorden van de Allerhoogste Heer hoorden, gaven, met hun bereidwillige harten tevreden door [het aanraken van] Zijn ledematen, het op met het [gekoesterde] leed van hun in de steek gelaten zijn. (2) En daar ging Govinda toen over tot een dans [een z.g. râsa, of een spel] waarin de trouwe juwelen van vrouwen voldaan zich arm in arm geslagen samenvoegden.

(3-4) Het feestelijke vermaak nam zijn aanvang met de gopî's in een cirkel die werd opgesierd door, in hun midden, Krishna, de Beheerser van de Mystieke Eenheid, die de vrouwen, paarsgewijze aanwezig naast Hem, bij hun nekken vasthield. Op dat ogenblik dromden zich in de hemel honderden van hemelse voertuigen samen die behoorden tot de ingezetenen der hemel en hun vrouwen die door de ijver van hun respect voor hen in hun geesten waren meegevoerd. (5) Pauken weerklonken toen en een regen van bloemen kwam naar beneden terwijl de belangrijkste zangers van de hemel met hun vrouwen Zijn onberispelijke heerlijkheid bezongen. (6) In de kring van de dans was er een luid rumoer van de armbanden, de enkel- en de gordelbelletjes van de vrouwen die tezamen waren met hun Geliefde. (7) De Opperheer, de zoon van Devakî, zag er daar met hen net zo schitterend prachtig uit als een uitgelezen [blauwe] saffier temidden van gouden sieraden. (8) De manier waarop ze hun voeten neerzetten, door hun handgebaren, hun glimlachen en speelse wenkbrauwen en hun wiegende heupen; door hun bewegende borsten, hun kleren, hun oorbellen langs hun halzen en hun transpirerende gezichten; met de vlechten van hun haar, hun gordels strak aangetrokken en hun zingen over Hem, straalden ze in de rol van Krishna's metgezellen als bliksemflitsen tussen de wolken. (9) Hardop zongen zij, van wiens lied het hele universum doordrongen is, vanuit hun gekleurde kelen, blij dansend, genietend in hun toewijding tot de aanraking van Krishna. (10) Een gopî die samen met Krishna[- 's stem haar stem] hief in zuivere tonen van pure harmonie werd door Hem geprezen die verheugd uitriep: 'uitstekend, uitstekend!' en een andere die meedeed in een speciaal ritmisch patroon schonk Hij veel bijzondere aandacht. (11) Een bepaalde gopî [Râdhâ waarschijnlijk], stond er, met haar armbanden en bloemen losgegleden, vermoeid bij buiten de dans en greep met haar arm de schouder van de Meester van de Plechtigheid ['Hij die de knots vasthoudt']. (12) Ergens anders legde er een Krishna's arm, geurig als een blauwe lotus, over haar schouder en kuste die met haar haren overeind de geur van sandelhout opsnuivend. (13) Weer een andere prachtig met de schittering van haar, door het dansen, slingerende oorhangers, vleide haar wang tegen de Zijne en kreeg de bethel toebedeeld waarop Hij had gekauwd. (14) Een van hen die met Krishna staande aan haar zijde aan het dansen en zingen was met tinkelende enkel- en gordelbelletjes, plaatste, zich moe voelend, Acyuta's zegenrijke lotushand op haar borsten. (15) De gopî's die met Zijn armen om hun nekken de Onfeilbare Heer, de Exclusieve Minnaar van de Godin van het Geluk, hadden bereikt als hun minnaar, waren erover verrukt Hem te bezingen. (16) Met de lotusbloemen achter hun oren, hun haarlokken die hun kaken opsierden, de schoonheid van hun bezwete gezichten en het ritme van de harmonieuze geluiden van hun armbanden en belletjes, dansten de gopî's, met de bloemen in hun haar gevlochten eruit gevallen, op het gezoem van de bijen samen met de Allerhoogste Heer rond in het perk van de dans. (17) Hij, de Meester van de Godin van het Geluk, genoot aldus met omhelzingen, aanrakingen van Zijn hand, liefdevolle blikken en brede speelse glimlachen van de jongedames van Vraja net als een jongetje dat speelt met zijn eigen spiegelbeeld. (18) Van het lichamelijk kontakt met Hem overweldigd in hun zinnen was het voor de dames van Vraja niet gemakkelijk of zelfs maar mogelijk om hun haar, hun kleding en de omslagen over hun borsten keurig in orde te houden zodat hun bloemenkransen en opsier in wanorde verkeerde, o beste van de Kuru's. (19) Met de aanblik van de spelende Krishna raakten de godinnen, rondhangend in de hemel, rusteloos van liefdesverlangens in een trance en vielen de maan en zijn volgelingen [de sterren] in verbazing. (20) Zichzelf expanderend in even zovele [gedaanten] als er koeherdersvrouwen aanwezig waren genoot Hij, hoewel Hij de in zichzelf voldane Opperheer was, ervan met Zijn Zelven met hen te spelen. (21) Van hen, vermoeid van het plezier van de romantiek, wiste Hij met Zijn hoogst rustgevende hand in liefdevol medeleven de gelaten, mijn beste. (22) Zeer blij met de aanraking van Zijn vingernagels bezongen de gopî's de wederwaardigheden van hun Held, Hem vererend met de nectar van de schoonheid van hun glimlachen, blikken, kaken en haarlokken, goud glanzend in de gloed van hun oorhangers.

(23) Met Zijn bloemenslinger geplet en besmeurd met de kunkum van hun borsten, ging Hij, als de aanvoerder der gandharva's onder begeleiding van de gezwind volgende bijen, moe zijnde, met de bedoeling de vermoeidheid te verdrijven, het water in ongeveer zoals een mannetjesolifant dat doet met zijn wijfjes na de irrigatiedijken doorbroken te hebben [of de normale gedragsregels]. (24) In het water werd Hij van alle kanten nat gespetterd door de meisjes die Hem met liefde en lachen in de gaten hielden, mijn beste, en aanbeden vanuit de hemelse voertuigen met een regen van bloemen vermaakte Hij, die persoonlijk altijd van binnenuit behaagd is, zich er mee daar te spelen als de koning der olifanten [zie ook 8.3]. (25) Net als een olifant met zijn wijfjes druipend van de bronst kwam Hij toen, omringd door Zijn zwerm bijen en vrouwen, aan in een bosje nabij de Yamunâ dat overal volhing met de door de wind meegevoerde geur van de bloemen in het water en op het land. (26) Op deze manier bracht Hij, de Waarheid van alle Verlangen, met Zijn vele liefhebbende vriendinnetjes de nacht door zo helder door de stralen van de maan, in Zichzelf de romantiek voorbehoudend van alle [nachten] van de herfst die inspireren tot poëtische beschrijvingen van bovenzinnelijke gemoedsgesteldheden [of rasa's].'

(27-28) S'rî Parîkchit zei: 'Om het dharma te vestigen en de opstandigen te onderwerpen, daalde inderdaad Hij neder, de Allerhoogste Heer, de Beheerser van het Universum met Zijn volkomen deelaspect [Balarâma]; hoe kon Hij, de oorspronkelijk woordvoerder, uitvoerder en beschermer van de morele gedragscodes, zich zo in tegenspraak gedragen o brahmaan, met het betasten van andermans vrouwen? (29) Wat had Hij, zo in Zichzelf tevreden, in gedachten met deze welzeker verwerpelijke vertoning, o beste der gezworenen, alstublieft verlos ons van onze twijfel in dezen.'

(30) S'rî S'uka zei: 'Het breken met wat dharma is en de onnadenkendheid, zoals men die kan zien bij beheersers van spiritueel vermogen, houdt niet, zoals met een alles verzengend vuur [dat hetzelfde blijft], in dat ze verkeerd bezig zijn. (31) Iemand die zichzelf niet in de hand heeft moet er voorzeker zelfs maar niet aan denken ooit zoiets als dit te doen; zo'n iemand, handelend uit dwaasheid, zou eraan kapot gaan net zoals iemand die niet Rudra is dat zou met [het drinken van] het vergif van de oceaan [zie 8.7]. (32) Waar zijn de woorden van degenen die de zaak in de hand hebben [met de Heer en met zichzelf] en wat ze doen behoort door mensen die intelligent zijn [alleen maar] soms te worden gedaan, daarbij van hen dat ten uitvoer brengend wat in overeenstemming is met wat ze zeiden [zie * en tevens B.G. b.v. 3: 6-7, 3:42, 5:7]. (33) Voor hen hoopt zich met hun vrome handelingen [religieuze oefeningen] het voordeel voor henzelf niet op noch zal er voor hen die vrij zijn van vals ego er [handelend] in tegenspraak sprake zijn van ongewenste terugslagen, mijn beste. (34) Hoe kunnen we dan in samenhang met de Beheerser van hen die worden beheerst - al de geschapen wezens, dieren, menselijke wezens en bewoners van de hemel - spreken van goed en kwaad? (35) De wijzen, wiens karmische gebondenheid met het dienen van het stof van de lotusvoeten allemaal is weggewassen, vinden met de macht van de yoga hun tevredenheid en handelen vrijelijk, zij raken, door Hem, nimmer verstrikt; waar ook zou de gebondenheid te bekennen zijn van hen die naar Zijn wil lichamen van bovenzinnelijkheid hebben aangenomen? [zie vapu]. (36) Hij die binnen in de gopî's en hun echtgenoten, ja werkelijk binnen in alle belichaamde wezens, leeft als de Allerhoogste Getuige, heeft Zijn gedaante aangenomen om in deze wereld Zijn spel te spelen. (37) Met het aannemen van een menselijk lichaam om Zijn toegewijden Zijn genade te tonen, aanvaardt Hij dergelijke avonturen waarover men vernemend aan Hem verslingerd raakt [zie ook 1.7: 10]. (38) Zelfs de koeherders van Vraja, die begoocheld door de macht van Zijn mâyâ allen dachten dat hun vrouwen aan hun zijde verkeerden, waren niet jaloers op Krishna. (39) Toen van Brahmâ de nacht om was gingen de gopî's, de liefjes van de Allerhoogste Heer, onwillig op Krishna's aanraden naar hun huizen.

 Voetnoten:

* S'rî Hayes'var Das, de vertaler van de eerste Canto's en het Krishnaboek in het Nederlands schreef in zijn latere dichterlijke © versie 'Het Spel van Krishna' van het tiende Canto er dit vers van:

Wat groten leren is volmaakt;
Niet steeds voorbeeldig is hun doen:
Een schrander mens volge hen slechts
In daden met de leer verzoend.

 

Hoofdstuk 34

Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood

(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag gingen de gopa's vol van ijver voor God op reis met ossenkarren afgaande op het Ambikâwoud. (2) Daar badend in de Sarasvatî vereerden ze met de nodige hulpmiddelen devoot de machtige halfgod Pas'upati [S'iva als de heer der dieren] en de godin Ambikâ [*], o Koning. (3) Met respect koeien, goud, kleding en met honing vermengd zoet smakende granen aan al de brahmanen schenkend baden ze daarbij: 'devo nah priyatâm' ['moge de Here God behaagd zijn']. (4) Naar strikte geloften levend op enkel water [zie 8.16] brachten de hoogst gezegende Nanda, Sunanda [Nanda's jongere broer] en de anderen die nacht door aan de oever van de Sarasvatî. (5) Een of andere gigantische slang daar in de buurt kwam er toevallig heen gegleden op zijn buik om Nanda te verzwelgen. (6) Hij, gegrepen door de python, schreeuwde: 'Krishna, o Krishna, mijn beste jongen, red deze overgegeven ziel, deze enorme slang is me aan het verslinden!' (7) Toen ze de kreten hoorden stonden de gopa's onmiddellijk op en grepen ze, ontzet de slang te zien, fakkels om hem aan te vallen. (8) Hoewel verschroeid door de toortsen liet de slang hem niet gaan maar toen kwam de Allerhoogste Heer, de Meester van de Toegewijden eraan en beroerde hem met Zijn voet. (9) Waarlijk werd toen door die goddelijke aanraking van de Opperheer Zijn voet die slechtheid gedood en kon men vanuit het opgegeven slangenlijf een door de Vidyâdhara's aanbeden gedaante [hun leider dus] zien. (10) De Heer der Zinnen ondervroeg toen de persoonlijkheid die, met gebogen hoofd, met zijn lichaam opgesierd met een gouden halsketting, schitterend stralend voor Hem stond. (11) 'En met wie hebben wij hier de eer die hier zo prachtig straalt, wonderbaarlijk om te zien? Zeg me wat leidde tot deze akelige bestemming van gedwongen te zijn tot het aannemen van een schrikwekkende gedaante als deze [zie ook 7.13: 11]?

(12-13) Het [voormalige] serpent zei: 'Ik ben Sudars'ana, een bepaalde Vidyâdhara welbekend om zijn weelde en verschijning, die het gewoon was in alle richtingen rond te gaan in zijn hemelwagen. Omdat ik verwaand de wijzen voortgekomen uit Angirâ had uitgelachen werd ik vanwege mijn zonde hen zo te minachten ertoe gedwongen deze kwalijke gedaante aan te nemen. (14) Zij zo mededogend van aard hebben met het uitspreken van deze verwensing mij een zegening toebemeten, aangezien ik zo, met de aanraking door de voet van de Meester van Alle Werelden, al mijn slechtheid vernietigd kreeg. (15) U, die zelfde persoon die voor de overgegevenen de Verdrijver van de angst van een materieel bestaan bent, smeek ik om Uw permissie [terug te mogen keren naar mijn wereld], o U die door de aanraking van Uw voet me bevrijd heeft van de vloek, o Vernietiger van Alle Leed. (16) Ik geef me aan U over o Grootste van Alle Yogî's, o Allerhoogste Persoonlijkheid, o Meester der Waarachtigen, alstublieft wees mijn gebod o God, o Beheerser der Beheersers van het Universum. (17) Toen ik U zag raakte ik terstond bevrijd van de straf van de brahmanen, o U Acyuta, wiens naam eenmaal gezongen ogenblikkelijk alle toehoorders zuivert als ook de zanger zelf; en wat zou het dan niet temeer betekenen om aangeraakt te worden door Uw voet?'

(18) Aldus Hem omlopend met het brengen van zijn eerbetuigingen kreeg Sudars'ana toestemming Zijn aanwezigheid te verlaten zodat hij naar de hemel kon en was Nanda bevrijd uit zijn benarde positie. (19) Getuige te zijn van dat persoonlijke vertoon van Krishna's macht deed de mannen van Vraja versteld staan die daarna ter plekke hun geloften afrondend terugkeerden naar het koeherdersdorp, o Koning, vol eerbied [onderweg] navertellend wat zich had voorgedaan.

(20) Op een dag daarna [op Gaura-pûrnimâ naar verluid] waren Govinda en Râma, wiens daden zo wonderbaarlijk zijn, in het holst van de nacht in het bos aan het spelen met de meisjes van Vraja. (21) Hun roem werd met charme bezongen door het vrouwvolk in liefde verslingerd aan Hen, met hun leden fraai opgesierd en ingesmeerd, hun bloemenslingers en Hun onberispelijke kleding. (22) Vroeg in de nacht eerden de beiden de gerezen maan, de sterren, de jasmijnknoppen die met hun geur de bijen gek ervan bedwelmden en het briesje vol van de lotussen. (23) De twee bezongen voor het oor en de geest van alle levende wezens het geluk, tezamen van hoog naar laag alle tonen voortbrengend die de toonladder maar te bieden had. (24) De gopî's die hun gezang hoorden hadden vol van bewondering niet in de gaten, o heerser der mensen, dat hun kleren losgegleden en dat hun haar en bloemen in de war raakten. (25) Met de twee aldus zich naar hartelust vermakend tot in het extatische, verscheen er een dienaar van Kuvera ter plekke die de naam S'ankhacûda droeg ['weelde-kruin']. (26) Recht voor hun ogen, o Koning, dreef hij, onbevreesd met hun noodkreten, de verzameling vrouwen die Hen tot hun Heren hadden verkozen in de richting van het noorden. (27-28) Toen Ze zagen hoe zij die Hen toebehoorden als een stelletje koeien door een dief werden ingepikt en uitriepen 'Krishna, o Râma, help ons!', haastten de twee broers Zich achter hen aan. (29) Toen hij de twee als de Dood en de Tijd eraan zag komen werd hij bang en in de war liet hij de vrouwen achter en rende hij voor zijn leven. (30) Govinda uit op zijn kruin-juweel rende achter hem aan waarheen hij ook vluchtte, terwijl Balarâma achterbleef om de vrouwen te beschermen. (31) Hem inhalend alsof het niets was sloeg Hij, de Almachtige Heer, met Zijn vuist simpelweg zijn kruinjuweel eraf samen met zijn hoofd. (32) Aldus S'ankhacûda ter dood gebracht hebbend nam Hij het glanzende juweel mee naar Zijn oudere broer en gaf Hij het tevreden, onder het oog van de gopî's, aan Hem.

Voetnoten:

* Ambikâ betekent moeder, goede vrouw, een naam schriftuurlijk verbonden met het vrouwlijke van Ûma en Pârvatî in relatie tot Skanda, S'iva of Rudra, als een term van respect. Ambikâvana vindt men in Gujarat provincie, nabij de stad Siddhapura. S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thâkura haalt hier autoriteiten aan die claimen dat Ambikâvana zich bevindend aan de oever van de Sarasvatî Rivier [die niet meer bestaat], te vinden is ten noordwesten van Mathurâ. Ambikâvana staat bekend om de beeltenissen van S'rî S'iva en zijn vrouw, de godin Ûma.

 

 

Hoofdstuk 35  

De Gopî's Zingen van Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

(1) S'rî S'uka zei: 'De gopî's met Krishna weg het bos in, brachten, er ongelukkig over van binnen Hem in hun geest najagend, hun dagen door luidkeels zingend over Krishna's wederwaardigheden.

 De gopî's zongen:

 

(2-3)

'Met Zijn linker kin naar links

van Zijn arm plaatst Hij,

met Zijn wenkbrauwen bijeen,

de fluit aan Zijn lippen

met Zijn vingers zo teder

op de gaten, o gopî's;

 

alwaar Mukunda zo klinkt

volgen in de lucht de vrouwen

tezamen met de volmaakten,

verwonderd ernaar te luisteren

beschaamd te hebben toegegeven

aan het najagen van hun verlangens

en vergeten ze hun verdriet

dat ze voelden in hun geest,

als ook hun goede manier van doen.  

 

(4-5)

Oh meisjes wat een wonder

om dit te horen van Nanda's zoon,

de schenker van vreugde

aan mensen in moeilijkheden,

als Hij met Zijn stralende glimlach

en vaste bliksemschicht [de s'rîvatsa of de godin] op Zijn borst

Zijn fluit deed weerklinken.

 

De groepjes stieren

gehouden in de wei,

de herten en de koeien

met omhoog hun oren

op een afstand, weerhouden

met hun monden vol hun tanden

van het kauwen en staan stokstijf

als was het een plaatje getekend.

 

(6-7)

Als Mukunda, met een keur

aan [pauwe] veren, [grond-] kleuren en blaadjes,

qua kleding er uitziend als een worstelaar,

met Balarâma en de gopa's,

o beste gopî's, de koeien roept,

 

raakt inderdaad de stroom van de rivieren

verstoord als ze net als wij,

tekort schietend in hun vroomheid,

met hun armen van water

zijn gestopt, bevend van

liefde hunkerend naar

het stof van de lotusvoeten

meegevoerd door de wind.

 

(8-9)

Als Hij als de Ware Persoon

inderdaad, roept met Zijn fluit

om de koeien, naar het kunnen

van Zijn onuitputtelijke weelde

in toonaarden wordt geprezen

door Zijn gezelschap, rond trekkend

in het woud en op de hellingen,

 

dan buigen de ranken en bomen,

vol van bloemen en vruchten,

uit zichzelf - als toonden ze

Vishnu - zich voorover

zwaar met hun takken,

van liefde dan regenend

stromen van zoet sap

met de begroeiing op hun lijven

overeind in verrukking.

 

(10-11)

Als Hij als de meest

aantrekkelijke om te zien

Zijn fluit heft omhoog,

dankbaar bekennend de dierbare,

sterk zoemende bijenzwerm bedwelmd

door de [subtiel] honingzoete geur

van de tulsîbloemen in de rondte

van Zijn goddelijke slinger, oh dan,

 

komen de kraanvogels en zwanen

en andere vogels in het meer

in hun geest gegrepen

door de charme van het lied

naar voren en betuigen

Hem de eer ogen dicht,

stil blijvend met hun geesten

gehouden in bedwang.

 

(12-13)

O Vraja-devî's, als Hij,

in het gezelschap van Balarâma,

voor de grap een slinger draagt

op Zijn hoofd en op de hellingen

geluk schenkt door Zijn fluit

te laten klinken en de wereld

doet genieten in vreugde,

 

dan biedt het wolkendek, bang

zo'n grootheid te schofferen

in reactie allervriendelijkst

al rommelend en regenend

met bloemen voor zijn Vriend,

zijn schaduw als een scherm.

 

(14-15)

O dame zo vroom [Yas'odâ],

als uw zoon