Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html
S'RÎMAD BHÂGAVATAM
"Het verhaal van de fortuinlijke"
CANTO 1: Schepping
Hoofdstuk 1 Vragen van de Wijzen
Hoofdstuk 2 Goddelijkheid en Dienst aan God
Hoofdstuk 3 Krishna is de Bron van Alle Incarnaties.
Hoofdstuk 4 De Verschijning van S'rî Nârada.
Hoofdstuk 5 Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.
Hoofdstuk 6 Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva
Hoofdstuk 7 De Zoon van Drona Gestraft
Hoofdstuk 8 Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî
Hoofdstuk 9 Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna
Hoofdstuk 10 Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ
Hoofdstuk 11 De Binnenkomst van Heer Krishna in Dvârakâ
Hoofdstuk 12 De Geboorte van keizer Parîkchit
Hoofdstuk 13 Dhritarâshthra Gaat van Huis
Hoofdstuk 14 De Verdwijning van Heer Krishna
Hoofdstuk 15 De Pândava's Trekken Zich Terug
Hoofdstuk 16 Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging
Hoofdstuk 17 De Straf en het Loon van Kali
Hoofdstuk 18 Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen.
Hoofdstuk 19 De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî
Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische cultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd Purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.
Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-verse gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze Bhâgavata Purâna waar al de vaishnava leraren van het voorbeeld (âcârya's) hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava goeroe's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.
De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krishna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de vaishnava gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde Canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde Canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.
Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabuphâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere vaishnava sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)
Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.
Vragen van de Wijzen
(1) Moge er het eerbetoon zijn voor de oorspronkelijke verschijning van Hem, Vâsudeva, de Fortuinlijke, hier en in het voorbije aanwezig, van wie, voor het doel van de heugenis en de volledige onafhankelijkheid, de vedische kennis in het hart werd doorgegeven van degene die het eerst geschapen levende wezen is [Heer Brahmâ]. Over Hem verkeren, zoals met een luchtspiegeling van water naar [het vuur van] de zon, de verlichte [en zeker ook de gewone] zielen in een staat van begoocheling waarin, door de actie en reactie van de geaardheden van de materiële natuur, er de illusie van het feitelijke is. Ik mediteer op Hem die, altijd op zichzelf staand en van het bovenzinnelijke zijnd, de negatie is vrij van illusie en het Absolute van de waarheid.
(2) Hierin [in dit boek] wordt bedrieglijke religiositeit [die van nevenmotieven is] afgewezen, en vindt men het hoogste, begrijpelijk voor onzelfzuchtige waarheidlievenden. Hierin wordt geboden wat feitelijk het welzijn inhoudt dat een einde maakt aan de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door de persoon zelf, door anderen of door de natuur]. Wat is de behoefte aan anderen [andere verhalen] als men hierin het prachtige verhaal aantreft van de Fortuinlijke zoals samengesteld door de grote wijze [Vyâsadeva] dat, met de hulp van de vromen en zij die volijverig van dienst zijn, terstond de Heer in het hart sluit. (3) Het is de gerijpte vrucht van de wensboom van de vedische literatuur die vloeiend van de lippen van S'ukadeva [de zoon van Vyâsadeva] manifesteerde als zoete nectar volmaakt in ieder opzicht; o jullie zo bedreven en gewetensvol verrukt over de toewijding, geniet altijd de veilige haven van het S'rîmad Bhâgavatam!
(4) In het woud van Naimishâranya, een geliefde plek van Vishnu, brachten wijzen onder leiding van de wijze S'aunaka een duizendjarig offer terwille van de Heer van de hemel en de toegewijden op aarde. (5) Op een ochtend terwijl het offervuur brandde, vroegen ze met het nodige respect S'rîla Sûta Gosvâmî, die een erezetel was aangeboden, het volgende: (6) "U, vrij als u bent van alle zonde, en bekend met de verhalen en historische verslagen, staat bekend als zijnde goed thuis in de religieuze geschriften waaraan u ook uitleg hebt gegeven. (7) Als de oudste van de geleerden van de Veda's kent u Vyâsadeva, de Heer onder hen -- en Sûta, u kent eveneens de anderen die goed thuis zijn in de fysische en metafysische kennis. (8) Vertel ons daarom, hoog geëerde, omdat u goed op de hoogte, eenvoudig en zuiver bent door hun genade, over de geheimen die u vernomen hebt als een onderworpen discipel van die geestelijk leraren. (9) U die daardoor gezegend bent met een onbezorgd, lang leven - vertel ons uit uw goedheid alstublieft, wat u hebt kunnen vaststellen als zijnde het absolute en uiteindelijke goed dat alle mensen verdienen. (10) Over het algemeen, o achtenswaardige, zijn de mensen in deze tijd van Kali lui, misleid, ongelukkig, en bovenal verstoord. (11) Er zijn zoveel geschriften met evenzoveel voorgeschreven plichten die ieder apart hun aandacht opeisen. O wijze zeg ons daarom wat hiervan naar uw beste weten, voor het heil van alle levende wezens, de essentie is die bevredigend is voor de ziel. (12) Wees gezegend Sûta, u weet voor welk doel de Allerhoogste, de beschermer der toegewijden, verscheen in de schoot van Devakî als de zoon van Vasudeva. (13) O Sûta, u zou ons daarom moeten verheffen, wij die er graag over willen horen, door over Hem te vertellen die nederdaalde voor het heil van alle levende wezens - en over Zijn leringen zoals die werden doorgegeven door voorgaande leraren. (14) Verwikkeld in de complicaties van geboorte en dood zullen we, zelfs als we niet volledig bewust zijn, bevrijding vinden als we de naam van de Heer respecteren die gevreesd wordt door de vrees zelve. (15) O Sûta, eenvoudig samen zijn in toewijding zal ons direct heiligen, zoals water van de Ganges dat doet maar dan alleen na het te gebruiken. (16) Wie, verlangend naar bevrijding, zou niet liever willen horen van de Heer en Zijn aanbiddelijke deugdzame daden en glorie als degene die ons heiligt in het Tijdperk der Onenigheid [Kali]? (17) Hij wordt geroemd door de grote zielen vanwege Zijn transcendentale glorie. Vertel ons, die er zo naar uitzien te geloven, alstublieft over het spel en vermaak van Zijn nederdalen in de tijd. (18) O scherpzinnige, beschrijf ons daarom de heilbrengende avonturen en andere wederwaardigheden van de meervoudige incarnaties van de Hoogste Beheerser Zijn persoonlijke energieën. (19) We zijn het nooit moe te vernemen over de avonturen van de Verheerlijkte en associatie te vinden met Hem, om bij iedere stap die we zetten het appetijtelijke te genieten. (20) Vermomd als een menselijk wezen deed Hij met Balarâma [Zijn oudere broer] bovenmenselijke dingen. (21) Wetend van de aanvang van het tijdperk van Kali hebben we ons hier voor langere tijd verzameld op deze plek bestemd voor de toegewijden, om offers te brengen en de tijd te nemen om te luisteren naar de verhalen over de Heer. (22) Door de voorzienigheid ontmoetten we uwe goedheid om ons als de kapitein van het schip door dit onoverkomelijke tijdperk van Kali te loodsen dat zo'n bedreiging vormt voor de goede eigenschappen. (23) Zeg ons bij wie we nu onze toevlucht moeten zoeken, nu de Heer van de Yoga, S'rî Krishna, de Absolute Waarheid en de beschermer van de religie, vertrokken is naar Zijn eigen verblijfplaats."
Goddelijkheid en Dienst aan God
(1) Volmaakt tevreden over de juiste vragen van de wijzen daar aanwezig, probeerde de zoon van Romaharshana [Sûta] antwoord te geven na hen bedankt te hebben voor hun woorden. (2) Sûta zei: "Hij [S'ukadeva] die wegging om te leven met de wereldverzakende orde zonder de voorgeschreven vormings-ceremonie van de heilige draad, deed Vyâsadeva, die bang was voor de gescheidenheid uitroepen: 'O mijn zoon', en al de bomen en levende wezens antwoordden sympathizerend in het hart van de wijze. (3) Laat mij mijn eerbetuigingen brengen aan hem, die van zijn levens-ervaring, als het enige transcendentale baken in het verlangen de duisternis te verdrijven van het materiële bestaan van de materialistische mens, zich de essentie van de Veda's eigen maakte en vanuit zijn grondeloze genade de zeer vertrouwelijke kennis overdroeg als de meester der grote wijzen. (4) Na eerst eerbetuigingen te hebben gebracht aan Nara-Nârâyana, [de Heer als] het opperste menselijke wezen, de godin van het leren en Vyâsadeva, laat er dan de verkondiging zijn van alles wat nodig is om te overwinnen.
(5) O wijzen, uw vragen over Heer Krishna zijn van belang voor het welzijn van de wereld omdat ze het ware zelf voldoening schenken.(6) Die plichtsvervulling is zonder twijfel voor de mensheid de hoogste, waarvan er de ononderbroken toegewijde dienst zonder nevenmotieven is aan Krishna als de Bovenzinnelijke Ene [Vishnu] die leidt tot de volledige bevrediging van de ziel. (7) De praktijk van het zich verbinden in toewijding tot Vâsudeva, de Persoonlijkheid Gods, leidt zeer spoedig tot de onthechting en de spirituele kennis die berust op eigen kracht. (8) Wat de mens doet in zijn verplichtingen overeenkomstig de eigen positie, is zinloze arbeid die nergens toe leidt, als ze niet leidt tot de boodschap van Vishvaksena [Krishna als het Hoogste Gezag]. (9) Iemands beroepsmatige verplichtingen zijn zeker bedoeld voor de uiteindelijke bevrijding en niet voor de zaak van het materiële gewin, noch is, overeenkomstig de wijzen, de materiële vooruitgang van de plichtsbetrachting in toegewijde dienst er voor het realiseren van zinsbevrediging. (10) Iemands verlangen is er niet zozeer voor de bevrediging van de zinnen, het profijt en het zelfbehoud, maar in plaats daarvan is de arbeid er voor geen andere bedoeling dan te achterhalen wat de Absolute Waarheid is. (11) De geleerde zielen zeggen dat de werkelijkheid van de onverdeelde kennis bekend staat als Brahman, Paramâtmâ en Bhagavân [het onpersoonlijke, gelokaliseerde en persoonlijke aspect]. (12) De wijzen die, met het goede van de kennis en de onthechting, er een serieuze wil tot onderzoek op na houden, zullen in zichzelf en het Paramâtma in toegewijde dienst precies dat zien waarvan ze in de Veda's hebben gehoord. (13) Zo bereikt de mens, o besten der tweemaal geborenen, de hoogste volmaaktheid van beroepsmatige plichtsbetrachting overeenkomstig de verdelingen van status en roeping door de Heer te behagen. (14) Daarom moet men met onverdeelde aandacht voortdurend over de Opperheer, de beschermer van de toegewijden, vernemen en Hem verheerlijken en herinneren. (15) Wie zou geen aandacht besteden aan deze boodschap van het zich op intelligente wijze heugen van de Heer door de banden van de materieel gemotiveerde arbeid [karma] te doorbreken? (16) Iemand die met zorg en aandacht met respect voor Vâsudeva luistert, zal door de toegewijde dienst verleend aan zuivere toegewijden affiniteit vinden met de boodschap, o geleerden, en van alle ondeugd gezuiverd worden. (17) Degenen die dit horen van Zijn woorden ontwikkelden zullen deugd vinden in het luisteren en zingen en zullen zeker in hun harten hun verlangen om te genieten gezuiverd zien door de begunstiger van de waarheidlievenden. (18) Door regelmatig aandacht te besteden aan het fortuinlijke [van het boek en de toegewijde] zal vrijwel al het ongunstige zijn greep verliezen, en zal aldus de Opperheer van dienst zijnd met transcendentale gebeden onherroepelijk liefdevolle dienstbaarheid tot stand komen. (19) Te dien tijde, niet aangedaan door de effecten van de hartstocht en de onwetendheid zoals de lust, de begeerte en wat dies meer zij, zal het bewustzijn zijn gevestigd in goedheid en het geluk vinden. (20) Het denken in samenhang met de toegewijde dienst aan de Heer aldus opgehelderd, krijgt, door de omgang bevrijd, dan greep op de kennis der wijsheid in relatie tot de Fortuinlijke. (21) De ontdekking dat het [ware] zelf op die manier de meester is zal zeker de knopen in het hart aan stukken snijden, al de twijfels oplossen en een einde maken aan de keten van materiëel gemotiveerde handelingen [karma]. (22) Daarom heeft het alle transcendentalisten altijd behaagd Krishna dienstbaar te zijn - het brengt hun ziel tot leven. (23) Het uiteindelijk voordeel van de Transcendentale Persoonlijkheid, dat zowel geassocieerd is met de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, als met de Handhaver Vishnu, de Schepper Brahmâ en de Vernietiger S'iva, wordt natuurlijk gevonden in de vorm van de kwaliteit van de goedheid [Vishnu]. (24) Zoals we het brandhout van de offers hebben dat van de aarde afkomstig is en rook produceert, zo hebben we ook de hartstocht afkomstig van traagheid die leidt tot de goedheid van welke de essentiële aard wordt gerealiseerd.
(25) Wie deze wijzen ook volgt die voordien aldus dienst leverden aan de transcendentale Heer die boven deze drie geaardheden van de natuur staat, verdient hetzelfde voordeel. (26) Om die reden verwerpen zij die de bevrijding zoeken de minder aantrekkelijke vormen der halfgoden en zijn ze, zonder afgunst, de vele vormen van de gelukzalige Heer Vishnu [Nârâyana] toegewijd. (27) Degenen die onwetend zijn en van de hartstocht, begeren weelde, macht en nageslacht, vasthoudend aan voorvaderen en andere wezens van kosmische heerschappij van een gelijksoortige aard.(28-29) Maar Vâsudeva is het voorwerp van de kennis, het doel van de offers en de yoga, de heerser over alle materiële activiteiten en de hoogste kennis, verzaking, kwaliteit, religie en doel van het leven. (30) Vanaf het begin der manifestatie is Hij, door Zijn innerlijk vermogen, de oorzaak en het gevolg geweest van alle vormen van de schepping en is Hij het transcendentale Absolute van de geaardheden der natuur. (31) Hoewel Hij zich manifesterend met de geaardheden, daarin binnen gegaan, onder de invloed van de geaardheden schijnt te staan, is Hij de volle manifestaie van alle wijsheid. (32) Hij, als de Superziel, doordringt al de levende wezens als de bron van de schepping zoals vuur dat doet in hout en treedt naar buiten als verschillende levende wezens, terwijl Hij tegelijkertijd de Absolute Persoon is. (33) Die Superziel, schiep de subtiele zintuigen beïnvloed door de geaardheden der natuur door de levende wezens in Zijn eigen schepping binnen te gaan, hen ertoe aanzettend te genieten van die geaardheden. (34) Aldus behoudt Hij alles in de geaardheid goedheid, Zelf belichaamd zijnd in het vertoon van Zijn spel en vermaak als de meester over al de werelden van de goddelijke, menselijke en de dierlijke wezens."
Krishna is de Bron van alle Incarnaties.
(1) Sûta zei: "In den beginne nam de Allerhoogste Heer, terwille van de schepping der werelden, de gedaante aan van de Oorspronkelijke Persoon[: de integriteit van het materiële bereik] zoals samengesteld uit de zestien elementen [van de tien waarnemende en werkende zinnen, de vijf elementen en de geest] en de kosmische intelligentie en dergelijke. (2) In Zijn meditatieve sluimer rustend, manifesteerde zich in dat water, uit de lotus die zich vanuit het meer van Zijn navel uitspreide, Brahmâ, de meester van alle stamvaders in het universum. (3) Men neemt aan dat de verschillende werelden [als expansies] deel uitmaken van de gedaante van de Fortuinlijke, welke waarlijk de uitnemendheid van het zuiverste bestaan is. (4) Zijn gedaante aldus perfect bezien heeft tal van benen, dijen, armen en gezichten, met prachtige hoofden, oren, ogen en neuzen, allen stralend met bloemenslingers en kledij. (5) Deze veelvormige bron van de incarnaties is het onvergankelijke zaadbeginsel waaruit de volkomen delen en delen daar weer van, de goden, de menselijke wezens en de dieren, voortkomen."
(6) "Eerst werden de zonen van Brahmâ [de Kumâra's] gedisciplineerd in versobering voor de realisatie van continuïteit. (7) Vervolgens geïncarneerd ter wille van haar welvaart, hief Hij de wereld, als een everzwijn, op uit de lagere regionen. (8) Ten derde aanvaardde Hij [in de gedaante van Nârada Muni] Zijn aanwezigheid onder de geleerden ter wille van de ontwikkeling van de vedische kennis voor het verrichten van diensten in toewijding zonder verdere materiële motieven. (9) Ten vierde geboren als de tweeling zoon van koning Dharma in de vorm van Nara-Nârâyana onderging Hij gestrenge boetedoeningen om de zinnen onder controle te krijgen. (10) Ten vijfde gaf Hij met de naam Kapila een uiteenzetting aan de brahmaan Âsuri over de aard van de metafysica en de elementen der schepping aangezien in de loop van de tijd de kennis verloren was gegaan. (11) Ten zesde, geboren als de zoon [genaamd Dattâtreya] van Atri uit Anasûyâ die voor Hem gebeden had, onderrichtte Hij Alarka, Prahlâda en anderen over het transcendentale. (12) Ten zevende geboren uit Âkûti als Yajñ'a, de zoon van Prajâpati Ruci, heerste Hij, bijgestaan door de goddelijken, over de verandering in de periode van Svâyambhuva Manu tezamen met Zijn zoon Yama en anderen. (13) Ten achtste nam Hij uit Merudevî, de vrouw van koning Nâbhi, geboorte als koning Rishabha en toonde Hij het pad der perfectie gerespecteerd door mensen van alle levensstadia. (14) Zijn negende incarnatie accepterende door de gebeden van de wijzen, heerste Hij [als Prithu] over de aarde terwille van haar cultivering en opbrengst, welke haar prachtig en aantrekkelijk maakte. (15) Als een vis [Mâtsya] in het water hield Hij Vaivasvata Manu na de periode van Câkshusha Manu in een boot beschermend drijvende op de wateren toen de wereld diep was gezonken. (16) Ten elfde ondersteunde Hij als een schildpad [Kurma] de Mandarâcala Heuvel van de theïsten en atheïsten welke diende als een draaipunt in de oceaan. (17) De twaalfde was Dhanvantari [Heer van de medische wetenschap] en ten dertiende verscheen Hij als een bekoorlijke mooie vrouw voor de atheïsten, terwijl Hij nectar gaf aan de goddelijken. (18) Zijn veertiende incarnatie verscheen Hij als Nrisimha, die met Zijn nagels half als een leeuw op Zijn schoot de koning der atheïsten uiteen reet zoals een timmerman dat doet met bamboe. (19) Ten vijftiende nam Hij de vorm van Vâmana aan [de dwerg-brahmaan] die, van het offerperk van Mahârâja Bali, alleen maar smeekte om drie voetstappen land, terwijl Hij in Zijn hart terug wilde keren naar het koninkrijk van de drie werelden. (20) In zijn zestiende incarnatie trad Hij [als Bhrigupati of Paras'urâma] eenentwintig keer op tegen de heersende klasse die de intelligentsia negeerde. (21) De gewone man als minder intelligent ziend incarneerde Hij ten zeventiende als Vyâsadeva uit Satyavatî door Parâs'ara Muni, om de wensboom van de Veda in verschillende takken onder te verdelen. (22) Vervolgens toonde Hij zich bovenmenselijk in het beheersen van de Indische Oceaan, de vorm aangenomen hebbende van een goddelijk menselijk wezen [Râma] teneinde op te kunnen treden terwille van de goddelijken. (23) Negentien zowel als twintig verscheen Hij als Balarâma en Krishna van de Vrishni-familie en aldus nam Bhagavân de last van de wereld weg. (24) Daarna in het Kali-tijdperk zal Zijn geboorte als Heer Boeddha uit Añjanâ in Gayâ plaatsvinden om diegenen die afgunstig zijn op de atheïsten te misleiden. (25) Daaropvolgend met de samenkomst van twee yuga's, als er nauwelijks een leider te vinden is die niet een plunderaar is, zal de Heer der Schepping geboorte nemen met de naam Kalki als de zoon van Vishnu Yas'â."
(26) "O tweemaal geborenen, uit de oceaan der goedheid zijn de incarnaties van de Heer zo talloos als de duizenden stroompjes ontspringend aan de meren. (27) Al de machtige wijzen, de goddelijken, de Manu's en hun nageslacht, zowel als de Prajâpati's [de stamvaders] zijn aspecten van de Heer. (28) Al dezen maken deel uit van Heer Krishna, de Allerhoogste Heer [Bhagavân] in eigen persoon die bescherming biedt in alle tijden en werelden tegen de vijanden van de koning van de hemel [Indra]. (29) Diegenen die in de ochtend en de avond zorgvuldig deze mysterieuze geboorten reciteren, zullen bevrijding vinden van alle ellende van de wereld. (30) Al deze gedaanten van de Heer zijn zeker van de ene zonder vorm die transcendentaal is; ze kwamen in het zelf voort uit de geaardheden van de materiële energie met haar elementen. (31) Voor de minder intelligente ziener zijn ze als wolken in de lucht en stof in de wind om te worden waargenomen. (32) Dit ongemanifesteerde voorbije, dat zonder een vorm is die wordt aangedaan door de geaardheden der natuur en is als dat wat niet gezien of gehoord wordt - dàt is het levende wezen dat herhaaldelijk zijn geboorte neemt. (33) Zo gauw men inziet dat deze grofstoffelijke en subtiele vormen voortkomen uit onwetendheid in het zelf, op dat moment bevindt men zich in associatie met het goddelijke. (34) Met het tot rust komen van de bedrieglijke materiële energie is er verrijking met de volledige kennis van de verlichting en weten in de heerlijkheden van het Zelf. (35) Aldus is de inactieve en ongeboren Heer van het Hart met Zijn geboorten en activiteiten door de geleerden beschreven als zijnde niet te onderscheiden, zelfs niet in de Veda's. (36) Aanwezig in ieder levend wezen is Hij, de almachtige meester der zinnen wiens spel vlekkeloos is, onafhankelijk en onaangedaan door schepping, vernietiging en behoud. (37) Optredend als een acteur in een toneelstuk, kunnen door Zijn manipulaties degenen met weinig kennis Hem niet in Zijn activiteiten, namen en gedaanten kennen door middel van speculaties en redeneringen. (38) Alleen hij kan weten van de transcendentale heerlijkheden van de Schepper almachtig met het wiel van de strijdwagen in Zijn hand, die onvoorwaardelijke, ononderbroken en goedgunstige dienst levert aan Zijn geurige lotusvoeten. (39) In deze wereld kan men een succes zijn als men volledig op de hoogte is van de Hoogste Persoonlijkheid van God die al Zijn universa omspant en inspireert tot het volkomene van de geest der vervoering in welke men nooit de akelige herhalingen van het wereldse belang zal aantreffen."
(40) "Dit boek over het verhaal van de Persoonlijkheid van God en Zijn toegewijden verzameld door de wijze man van God is, als een toevoeging bij de Veda's, er voor het uiteindelijke goed van alle mensen, succes, geluk en perfectie brengend. (41) S'rîla Vyâsadeva gaf het, als de room die hij uit alle vedische geschriften en geschiedenissen heeft geëxtraheerd, door aan zijn zoon, de meest eerbiedwaardige onder de zelfgerealiseerden. (42) Hij op zijn beurt vertelde het aan keizer Parîkchit die aan de Ganges boetvaardig tot aan zijn dood neerzat omringd door de wijzen. (43) Met Krishna vertrokken naar Zijn verblijf tezamen met het juiste gedrag en het spiritueel inzicht erbij, is nu deze purâna helder als de zon opgekomen voor al de mensen die het in Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] niet meer zien zitten. (44) Toen ik van die machtige grote wijze het verhaal hoorde, slaagde ik er ook in het te begrijpen, perfect aandachtig zijnd door zijn genade, zodat ik het ook aan u kan vertellen vanuit mijn eigen realisatie."
De Verschijning van S'rî Nârada.
(1) De oudere en geleerde S'aunaka, het hoofd van de langdurige ceremonie waar de wijzen voor verzameld waren, feliciteerde Sûta Gosvâmî, hem aldus dankend: (2) "O meest fortuinlijke van diegenen die gerespecteerd zijn te spreken, vertel ons van de boodschap van het Bhâgavatam, zoals gesproken door S'ukadeva Gosvâmî. (3) Wanneer, waar, om welke reden en waardoor geïnspireerd kon deze literatuur worden samengesteld door Vyâsadeva? (4) Zijn zoon, die evenwichtig en standvastig met zijn denken altijd gefixeerd was op de Ene, was een groot toegewijde en een ontwaakte ziel, maar onbekend zijnde leek hij onwetend. (5) Naakte badende schoonheden bedekten uit verlegenheid hun lichaam toen ze de wijze Vyâsa zijn zoon achterna zagen komen, terwijl ze verbazingwekkend genoeg desgevraagd van zijn zoon zeiden dat niet te doen daar hij ze zuiver beschouwde zonder seksueel onderscheid te maken. (6) Hoe werd hij [S'uka], die een achterlijke domme gek leek rondzwervend in de Kuru-jângala provincies, herkend door de inwoners toen hij Hastinâpura [nu: Delhi] bereikte? (7) Hoe kon de discussie van deze wijze over deze essentie van de Veda's met koning Parîkchit plaatsvinden? (8) Pelgrimerend verbleef hij, de verblijfplaats zegenend, niet langer bij de deur van huishouders dan de tijd nodig om een koe te melken. (9) Vertel ons alstublieft over Parîkchit, de zoon van Abhimanyu, van wie beweerd wordt dat hij een eerste klas toegewijde is wiens geboorte en kwaliteiten allen wonderbaarlijk zijn. (10) Om welke reden verwaarloosde de keizer die de naam van Pându verrijkte, de rijkdom van zijn koninkrijk, tot aan zijn dood in boete aan de Ganges neerzittend? (11) Waarom riep hij, aan wiens voeten alle vijanden in hun eigen belang hun weelde overgaven, in de kracht van zijn jeugd uit, zijn zo moeilijk te verzaken leven in koninklijke welstand op te geven? (12) Zij die van toewijding zijn voor de Ene Verheerlijkt in de Verzen, leven terwille van het welzijn, de welvaart en de voorspoed van alle levende wezens en niet voor zelfzuchtige doelen; om welke reden gaf hij, vrij van alle gehechtheid, dit sterfelijk lichaam op dat de toevlucht vormde voor anderen? (13) Verschaf ons uitleg over al de vragen die we hiermee aan u voorleggen want we achten u volledig op de hoogte van de betekenis van vrijwel alle woorden in de geschriften, uitgezonderd die van de vedische hymnen."
(14) Sûta Gosvâmî zei: "Toen het tweede tijdperk overgegaan in het derde eindigde, werd de wijze [Vyâsa] geboren van Parâs'ara uit de baarmoeder van de dochter van Vasu als een volledig aspekt van de Heer. (15) Op een ochtend bij het opkomen van de schijf van de zon zat hij, na de wassing met het water van zijn ochtendrituelen, neer aan de oever van de rivier de Sarasvatî om zich te concentreren. (16) Het verleden en de toekomst kennend zag hij, zoals zich dat door ongeziene krachten voordoet in de verschillende tijdperken, dat zich in de religie van zijn tijd geleidelijk aan afwijkingen openbaarden. (17-18) Toen hij in zijn overstijging zag hoezeer er met het afgestompte en ongeduldige van de ongelovigen tekortschietend in goedheid, sprake was van een afname van het natuurlijk vermogen in alle soorten van mensen en ook in de andere schepselen, en dat gewone man er ongelukkig aan toe was en maar kort leefde, wijdde de wijze zijn bovenzinnelijke aandacht aan het welzijn van alle roepingen en stadia van het leven. (19) Met het inzicht dat er vier offervuren waren voor het zuiveren van de arbeidsinzet van de mensen, verdeelde hij de Veda overeenkomstig in vieren om de voortzetting van het offeren te garanderen. (20) Rig, Yajuh, Sâma en Atharva waren de namen van deze vier Veda's terwijl de Itihâsa's (de enkele geschiedenissen) en de Purâna's (de verzamelingen van verhalen) de vijfde Veda werden genoemd. (21) Daarna werd de Rig Veda uitgedragen door de rishi Paila, de Sâma Veda door de geleerde Jaimini, terwijl Vais'ampâyana de enige was goed genoeg thuis in de materie om ervoor in aanmerking te komen de Yajur Veda hoog te houden. (22) Het serieuze respect voor de Atharva Veda lag bij Angirâ die ookwel Sumantu Muni wordt genoemd, terwijl Itihâsa's en de Purâna's, werden verdedigd door mijn vader Romaharshana. (23) Al deze geleerden op hun beurt verdeelden de hen toevertrouwde kennis over hun volgelingen die hetzelfde deden met hun volgelingen die dat weer deden met hun leerlingen en aldus ontstonden de verschillende takken van navolgers van de Veda's. (24) teneinde ervoor te zorgen dat de Veda evenzogoed werd opgenomen door de minder intellectuele mensen, bekommerde Vyâsa de wijze van de heerlijkheid er zich om dit voor de dommen op schrift te stellen. (25) Op deze manier denkend terwille van de dwazere arbeidersklasse, de vrouwen [zie 6.9: 6 & 9], en de vrienden van de tweemaal geborenen die zelf niet voor het begrip werkten, was de wijze zo genadig voor de realisatie van hun voordeel de geschiedenis van de Mahâbhârata op schrift te stellen."
(26) "O dierbare tweemaal geborenen, op geen enkele manier was hij, die zich altijd inspande voor het welzijn van alle levende wezens, in staat te dien tijde er tevreden over te zijn. (27) Wetende wat religie is, in afzondering gezuiverd aan de oever van de Sarasvatî, zei hij derhalve vanuit de ontevredenheid in zijn hart tegen zichzelf: (28-29) 'Met strikte discipline heb ik oprecht op de juiste manier respect betoond in overeenstemming met de vedische hymnen, de meesters geacht en de offers gebracht. Voor vrouwen, arbeiders en anderen heb ik naar behoren vanuit de erfopvolging uiteengezet wat nodig is te weten van het pad der religie door het samenstellen van de Mahâbhârata. (30) Hoewel het erop lijkt dat ik genoeg voor het Allerhoogste heb gedaan naar de eisen van de vedandisten, heb ik het gevoel dat er iets aan ontbreekt. (31) Ik heb misschien niet genoeg aandacht besteed aan de toegewijde dienst die de perfecten en de Onfeilbare zo dierbaar is. (32) Terwijl Krishna-dvaipâyana Vyâsa op deze manier zo spijtig zat na te denken over zijn tekortkomingen bereikte Nârada, over wie ik voorheen sprak, zijn hutje. (33) Toen hij de gunstige aankomst van de muni zag, stond hij snel op en betuigde hij hem alle eer zoals de goddelijken Brahmâjî, de schepper, de eer betuigen."
Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.
(1) Sûta zei: "Comfortabel gezeten naast hem richtte de behaagde rishi van God - die een vînâ in zijn handen houdt - zich tot de geleerde wijze. (2) Hij zei: 'O hoogst fortuinlijke zoon van Parâs'ara, verloopt de confrontatie met het lichaam en de geest in de zelfrealisatie van uw ziel naar bevrediging? (3) U hebt uitvoerig onderzoek gedaan en goed thuis zijnde in de materie, hebt u de grote en wonderbaarlijke Mahâbhârata opgesteld met de toevoeging van uw uitgebreide verklaringen. (4) Ondanks de volledigheid van uw uitweidingen over het Absolute en Eeuwige, beste meester, betreurt u het niet genoeg gedaan te hebben'.
(5)Vyâsa zei: 'Wat u zegt is zeker waar en mijn ziel heeft er geen vrede mee gevonden. Wat is de wortel die ik gemist heb, vraag ik u, die bent voortgekomen uit de ziel als een man van onbeperkte kennis. (6) U bezit de allesomvattende kennis als een vertrouwelijke toegewijde van de Hoogste Persoonlijkheid, die de Oorspronkelijke Heerser is van het materiële en het geestelijke en in wiens denken alleen, van de transcendentie boven haar geaardheden, het universum is geschapen en vernietigd. (7) In uw goedheid bereist u de drie werelden, in ieders hart als de zelfverwerkelijkte getuige doordringend zoals de alles doordringende ether. Zeg me alstublieft wat mijn tekortkoming is in mijn met discipline en gelofte verzonken zijn in het Absolute wat betreft de aangelegenheden van oorzaak en gevolg.'
(8) S'rî Nârada zei: 'U hebt nauwelijks de glorie van de vlekkeloze Fortuinlijke geprezen en ik denk niet dat Hij erg behaagd is met die mindere kijk op de zaak. (9) Hoewel U, grote wijze, herhaaldelijk hebt geschreven voor het heil van de vier principes van de religie [dharma, artha, kâma, moksha of rechtschapenheid, economie, zinsbevrediging en bevrijding], hebt u dat niet gedaan ter wille van Vâsudeva. (10) Het zich maar amper bedienen van de woorden die de glorie beschrijven van de Heer die het universum heiligt, is iets waarvan de heiligen denken als van het pelgrimeren naar een verblijfplaats van kraaien; niet als iets waar de perfecten van het transcendente behagen in scheppen. (11) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door diegenen die gezuiverd en oprecht zijn. (12) Ondanks zelfverwerkelijking vrij van materiële motieven, ziet de kennis van het onfeilbare er niet goed uit met het loslaten van benamingen. Wat voor goeds valt er te verwachten van het steeds maar weer ten ongunste werken voor een resultaat als men de Heer er mee mist? Daar schiet je niets mee op! (13) Derhalve zou u, terwille van de bevrijding uit de universele gebondenheid, als hoogst fortuinlijke, vlekkeloze en beroemde perfecte ziener die de waarheid toegedaan is en verankerd is in de kwaliteiten, vanuit uw staat van vervoering moeten denken en schrijven over Hem wiens handelingen bovennatuurlijk zijn.
(14) Wat u ook wilt beschrijven dat van een visie is die losstaat van Hem, zal alleen maar tot namen en vormen leiden die de geest van streek brengen als een boot die van zijn ligplaats is meegevoerd door de wind. (15) U hebt voor de zaak van de religie de mensen geïnstrueerd in verband met hun natuurlijke geneigdheden [om dieren te doden voor hun voedsel b.v.], hetgeen in feite afkeurenswaardig en nogal onredelijk is. De mensen gericht op een dergelijke leidraad zullen niet denken aan de verbodsbepalingen. (16) Voor het begrijpen van de oneindige Heer komen zij in aanmerking die er goed in zijn zich te weerhouden van materiële genoegens en daarom moet diegenen die door de geaardheden gehecht zijn en de geestelijke kennis ontberen, vanuit uw goedheid de wegen en handelingen van de Heer getoond worden.
(17) Onervaren in de toegewijde dienst aan de lotusvoeten kan men de eigen ware aard verloochenend in die positie ten val komen, maar wat dan voor een ongeluk zou de niet-toegewijde ten deel vallen die, druk met zijn beroepsmatige bezigheden, niet reikt tot dat wat in Zijn belang is? (18) Zij die filosofisch zijn toegenegen zouden, om die reden, zich enkel moeten bekommeren om wat niet zo zeer wordt gevonden door van hoog naar laag te dwalen; in de loop van de tijd, die zo onvermoeibaar en subtiel is, zal men - net als de misère - het genoegen als resultaat van de gedane arbeid overal vanzelf vinden. (19) Om een of andere reden falend heeft de toegewijde een andere ervaring dan anderen: zo gauw hij in dit materiële leven de smaak te pakken heeft, zal hij, met in gedachten de voeten van de Heer der Bevrijding die hij omhelsde, het nooit meer willen opgeven. (20) Van uw eigen goedheid weet u dat alles van deze kosmos de Heer Zelve is, ook al verschilt Hij er van; Hij is de bron en de bestemming van de schepping; ik vat het alleen maar even voor u samen. (21) Geef alstublieft een levendige beschrijving van het spel en vermaak van de Allerhoogste Heer [S'rî Krishna], daar u, door het perfecte inzicht van uw eigen ziel, kan achterhalen wat de transcendentie is van de Persoonlijkheid van de Superziel, waarvan u een volledig aspect bent geboorte genomen hebbend terwille van het welzijn van de hele wereld. (22) Het door iedereen bereiken van de beschrijvingen van de bovenzinnelijke kwaliteiten door middel van versoberingen, studie, opoffering, het bijwonen van lezingen, het koesteren van de intelligentie en door liefdadigheid, is, volgens de erkende geleerden, het niet mis te verstane belang van de goddelijke verzen die de Allerhoogste verheerlijken.'
(23)'In het voorgaande millennium werd ik, o wijze, geboren uit de dienstmaagd van bepaalde volgelingen van deze conclusie [de Vedânta] en was ik als jongen actief in hun dienst, met ze samenlevend gedurende de maanden van het regenseizoen. (24) Deze volgelingen der wijsheid waren mij, een gehoorzame, goed gemanierde, zelfbeheerste en zwijgzame jongen zonder veel belangstelling voor sport en spel, bijzonder genadig, ondanks hun onpartijdigheid jegens gelovigen. (25) Toen de tweemaal geborenen, in die periode, mij het eens toestonden te genieten van de resten van hun maaltijd, raakte ik, door die handeling, bevrijd van al mijn zonden en manifesteerde, met het aldus in zuiverheid van dienst zijn, zich de aantrekking tot dat dharma. (26) Daarna, iedere dag horend van de beschrijvingen van het leven van Krishna, kon ik door hun respect voor mij, o mijn beste Vyâsa, vol aandacht mijn oor te luisteren leggen en bij iedere stap die ik deed zo mijn smaak ontwikkelen. (27) O grote wijze, toen de smaak te pakken krijgend, vond ik continuïteit met de Heer en zag ik in dat men al het grove en subtiele aanneemt in de eigen onwetendheid wat betreft het Allerhoogste van de overstijging. (28) Zo twee seizoenen lang, de herfst en het regenseizoen, voortdurend over niets anders dan de glorie bezongen door de wijzen horend, begon mijn toegewijde dienst vorm aan te nemen met het naar de achtergrond verdwijnen van de geaardheden van de hartstocht en de onwetendheid. (29) Als een jongen, gehoorzaam en vrij van zonde, slaagde ik, aldus aangetrokken tot wat het Zijne was, er in mijn strikte navolgen toen vanwege die volgelingen in om [mijn zinnen] in bedwang te krijgen. (30) Door de zuiverheid van die toegewijden vol van zorg voor de deemoedigen, ontving ik, bij hun vertrek, de instructie van die allervertrouwelijkste kennis die rechtstreeks door de Heer Zelf wordt uitgedragen. (31) Daardoor kon ik makkelijk begrijpen wat de invloed is van de begoochelende materiële energie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, Vâsudeva, de allerhoogste schepper, en hoe men zo de toevlucht die Hij is kan bereiken.
(32) O geleerde, men zegt dat het opdragen van je handelingen aan de Allerhoogste Heer de remedie is tegen de drievoudige misère van het leven. (33) O goede ziel, is het niet zo dat de genezing van een kwaal wordt gevonden in dat eraan gelijk wat er de oorzaak van was? (34) Op dezelfde manier zullen alle materiële handelingen een einde maken aan hun eigen materialisme zo gauw zich geschiktheid ontwikkelt in toewijding tot het transcendente. (35) Alles wat men in deze wereld doet om de Heer te behagen en wat daartoe wordt gedaan in afhankelijkheid van de kennis is bhakti yoga [yoga van de toewijding]. (36) Als men zijn plichten vervult indachtig de wil van de Fortuinlijke, gaat de geest voortdurend uit naar de kwaliteiten en de namen van Heer Krishna. (37) Laten we mediteren op de naam en de glorie van Vâsudeva en Zijn volledige expansies Pradyumna, Aniruddha en Sankarshana. (38) De persoon die de Heer die zonder een vorm is vertegenwoordigd ziet in de geluidsvorm van een mantra, is, aldus van aanbidding zijnd voor [Heer Vishnu] de Oorspronkelijke Persoon van het Offeren, van een volmaakt inzicht. (39) O geleerde, op deze manier bezig werd ik, goed op de hoogte van het vertrouwelijke gedeelte van de vedische kennis, begenadigd met de kennis van Zijn transcendentale volheden, zowel als met de intieme persoonlijke affectie voor Heer Krishna [Kes'ava]. (40) U, beste goede ziel, met uw uitgebreide vedische kennis, die eveneens heeft gehoord van de Almachtige van wie de wijzen er altijd bevrediging in gevonden hebben te vernemen over het transcendentale - beschrijft u alstublieft Zijn activiteiten terwille van het verminderen van het lijden van de massa der gewone mensen voor wie er geen andere uitweg is.' "
Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva
(1) Sûta zei: "Aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden vernemend, vroeg de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem: (2) 'Nadat de grote toegewijden die u instructie gaven over de transcendentale wijsheid vertrokken, wat deed u voordat uw huidige leven een aanvang nam? (3) Wat waren de omstandigheden waaronder u verkeerde, van het leven dat u doorbracht na deze inwijding en hoe bent u, na de nodige tijd, tot dit lichaam gekomen? (4) Hoe kon u, o grote wijze, zich dit zo in detail herinneren uit een voorgaand tijdperk, aangezien de tijd op den duur aan alles een eind maakt.'
(5) S'rî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en in mijn voorgaande leven moest ik ernaar leven toen ze waren vertrokken. (6) Mijn moeder, van wie ik de enige zoon was, was, als dienstmaagd een eenvoudige vrouw zijnd, aan mij, haar nageslacht, gebonden door haar affectie terwijl ze geen ander alternatief voor haar bescherming had. (7) Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, kon ze, afhankelijk als een pop aan een touwtje als ze was, dat niet. (8) Toen ik het onderricht volgde van de geleerden, leefde ik, nog maar vijf jaar oud, in afhankelijkheid van haar, zonder ervaring te hebben met de bepaaldheid van de tijd of het land waarin we leefden. (9) Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer. (10) Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en op die manier denkend, ging ik op weg naar het noorden. (11) Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden. (12) Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was verblijd met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen. (13) Ik kwam door struikgewas van bamboe, scherp gras en onkruid, ging door moeilijk begaanbare grotten en bereikte diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden. (14) Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik, hongerig en dorstig, een bad en dronk ik water, in het meer van een rivier daarmee van mijn vermoeidheid herstellend. (15) In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en mediteerde ik, intelligent mijn toevlucht zoekend in de Superziel van binnen, zoals ik had geleerd van de bevrijde zielen. (16) Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde en zo vol van ijver, rolden de tranen uit mijn ogen toen ik de Heer direct in mijn hart zag verschijnen. (17) Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik, o wijze, volledig verzonken als ik was in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer van elkaar onderscheiden. (18) Zonder daarna nog langer de vorm van de Heer, die alle strijdigheid uit de geest wegneemt, te zien, stond ik plotsklaps op, verstoord als ik was als iemand die iets begerenswaardigs heeft verloren. (19) Ernaar verlangend dat opnieuw te ervaren zag ik, met het denken op het hart gericht, Hem ondanks mijn afwachten niet en raakte ik zeer neerslachtig, gefrustreerd als ik was op die manier. (20) Aldus op die eenzame plek pogend, hoorde ik dat van gene zijde, ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn treurnis deden afnemen: (21) 'Luister eens, voor de duur van je leven zal je het zicht op Mij hier niet deelachtig zijn, daar het moeilijk is dat zicht te verkrijgen als men, onvolwassen met onzuiverheden, schuldig blijft in de vereniging. (22) Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, omdat door het toenemen van het verlangen van de toegewijde, het vastzitten in de slaperigheid weg zal vallen. (23) Met het zelfs maar voor enkele dagen van dienst zijn aan het Absolute een gefixeerde intelligentie jegens Mij hebben bereikt, zal men, met het opgegeven hebben van het mismoedige van deze wereld, zijn schreden richten naar en deel uitmaken van Mijn metgezellen. (24) Intelligentie op deze manier betrokken in toewijding kan nooit van Mij gescheiden worden daar, of levende wezens nu in wording zijn of aan het verdwijnen zijn, hun herinnering zich door Mijn genade zal voortzetten.'
(25) Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat grootse en wonderbaarlijke geluid van de Hoogste autoriteit en boog ik, begunstigd als ik was, mijn hoofd in eerbetoon voor het grote en verheerlijkte. (26) Vrij van formaliteiten de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en in de constante heugenis van Zijn mysterieuze en zegenende activiteiten verkerend, bereisde ik, bevrijd en tevreden de wereld, in alle bescheidenheid zonder afgunst mijn tijd afwachtend. (27) Op die manier verzonken in Krishna en vrij van alle gehechtheid aan de materiële wereld, o Vyâsadeva, kwam na de nodige tijd de dood tot me, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits. (28) Beloond met dat bovenzinnelijk lichaam een metgezel van de Heer waardig, verliet ik het lichaam samengesteld uit de vijf elementen, toen ik zag dat mijn verworven karma tot een einde was gekomen. (29) Na het einde van het tijdperk, nam de Heer die zich neer had gelegd in de wateren der vernietiging mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling. (30) Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik weerom tezamen met alle andere rishi's zoals Marîci. (31) Trouw aan de gelofte zowel in de drie werelden als erboven rondreizend, ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan daar en wanneer ik maar wil. (32) Op deze manier beweeg ik me, onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer de bovenzinnelijk geladen vînâ bespelend waarmee de Godheid me heeft onderscheiden. (33) Zo zingend verschijnt spoedig het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten over wiens handelingen men met genoegen verneemt, in de zetel van mijn hart alsof ik Hem zou kunnen gebieden. (34) Ik kwam tot het inzicht dat voor diegenen die vol zorgen zijn in hun verlangen naar de objecten van hun zintuigen, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaaldelijk reciteren van de glorie van de Heer. (35) Verlangen en lust telkens ondervangen door de discipline van de yoga zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de dienst aan de Persoonlijkheid van God. (36) Ik beschreef voor jou, die zonder zonden bent, dit alles over mijn geboorte en activiteiten, voor de voldoening van zowel jouw als mijn eigen ziel.' "
(37) Sûta zei: "Na aldus de machtige wijze toe te hebben gesproken, nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, naar waar dan ook. (38) Alle glorie en succes zij de wijze der goden toegewenst die er behagen in schept de heerlijkheden van de Persoonlijkheid van God te bezingen en met behulp van zijn instrument het lijdende universum tot leven te wekken".
De Zoon van Drona Gestraft
(1) S'rî S'aunaka zei: "Wat deed, toen Nârada Muni was vertrokken, de alvervulde Vyâsadeva nadat hij van de grote wijze gehoord had wat hij wilde horen?"
(2) Sûta antwoordde: "Op de westelijke oever van de Sarasvatî waar de wijzen mediteren is er bij S'amyâprâsa een âs'rama voor de bevordering van bovenzinnelijke activiteiten. (3) Daar, op zijn eigen plek zat Vyâsadeva omringd door bessenbomen zijn denken te concentreren na het doen van zijn waterofferande. (4) Met zijn denken in de toewijding van de yoga gelijkgericht zag hij, volmaakt gefixeerd zonder materiële zorgen, het geheel van de Oorspronkelijke Persoon [de purusha] in combinatie met de uitwendige energie die van Hem afhankelijk is. (5) De levende wezens geconditioneerd op de natuurlijke geaardheden, beschouwen, ondanks het transcendentale van hun ziel, het ongewenste als iets vanzelfsprekends en ondergaan daarvan de terugslagen. (6) Voor de gewone man, zich niet bewust van het einde van het ongewenste dat men vindt in de yoga van de toewijding tot Hem die Zich in het voorbije bevindt, verzamelde de wijze, dit inziend, de verschillende verhalen met betrekking tot de Absolute Waarheid. (7) Eenvoudigweg aandacht besteden aan de literatuur over Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, zal het devotionele doen ontspruiten dat het weeklagen, de illusie en de angst wegneemt. (8) Na de verzamelingen van verhalen te hebben bijeengebracht en geredigeerd, onderrichtte hij zijn zoon S'ukadeva Gosvâmî erin, de wijze van ernst in de zelfverwerkelijking."
(9) S'aunaka vroeg: "Waarom zou hij, volledig op het pad der zelfverwerkelijking en innerlijk tevreden in goddelijke onverschilligheid, deze uitgebreide studie ondergaan?"
(10) Sûta zei: "De wonderbaarlijke kwaliteiten van de Heer zijn van die aard dat, ondanks het feit dat men behagen schept in de ziel, zowel de gewone man als de wijzen vrij van alle materiële bindingen zuivere toegewijde dienst verrichten ter wille van Heer Vishnu, Urukrama. (11) Met de kwaliteit van verzonkenheid in aandacht voor de Allerhoogste Heer, was S'uka, als de zoon van Vyâsa, bij de toegewijden geliefd vanwege het feit dat hij de regelmatige studie op zich had genomen van deze grootse vertelling. (12) Laat me u daarom nu de verhalen van Krishna vertellen over de geboorte, activiteiten en bevrijding van koning Parîkchit, de wijze onder de koningen, zowel als het verhaal van de wereldverzaking van de zonen van Pându.
(13-14) Toen op het slagveld van Kurukshetra de krijgslieden van de Pândava's en de Kaurava's hun heroïsche lotsbestemming gevonden hadden en de zoon van koning Dhritarâshthra weeklaagde over de gebroken ruggengraat als gevolg van een klap van de knots van Bhîma, dacht de zoon van Dronâcârya [As'vatthâmâ] zijn meester Duryodhana te behagen door hem bij wijze van prijs de hoofden van de slapende zonen van Draupadî te bezorgen - maar toen de meester dit te zien kreeg keurde hij deze schandelijke daad af. (15) De moeder van de kinderen [van de Pândava's], huilde bittere tranen in weeklagen toen ze van de slachting hoorde. Arjuna [die de Pândava's aanvoerde], probeerde haar te kalmeren en zei: (16) 'O zachtmoedige dame, ik kan alleen maar de tranen van uw wangen wissen, als het hoofd van die gevallen brahmaanse agressor er is afgeschoten door de pijlen van mijn boog Gândîva. Ik zal het u komen brengen zodat u er uw voet op kan plaatsen en dan, na de crematie van uw zoons, een bad kan nemen.' (17) Na haar met deze keur aan woorden tevreden hebben gesteld besteeg Arjuna, hij die geleid wordt door de Onfeilbare, gewapend en in kuras, zijn strijdwagen om As'vatthâmâ, de zoon van zijn leraar in de krijgskunst, te achtervolgen. (18) Toen die hem op een afstand achter zich aan zag komen, raakte de kindermoordenaar in paniek en vluchtte hij met grote snelheid in zijn strijdwagen weg om zijn leven te redden, zoals Sûrya voor S'iva wegvluchtte [*]. (19) Zich onbeschermd ziend toen zijn paarden uitgeput raakten, nam de zoon van de tweemaal geborene [As'vatthâmâ], alleen maar aan zichzelf denkend, zijn toevlucht tot het ultieme wapen [de brahmâstra]. (20) Met zijn leven in gevaar, beroerde hij water en concentreerde hij zich op het reciteren van de mantra's, zonder echter te weten hoe hij het proces moest stoppen. (21) Een hel licht verspreidde zich dermate fel in alle richtingen, dat bij het zien van die levensbedreiging Arjuna zich wendde tot de Heer [die zijn strijdwagen mende] en zei: (22) 'O, Krishna, Krishna, Jij bent de Almachtige die de angst van de toegewijden wegneemt, Jij alleen bent het pad der bevrijding voor hen die te lijden hebben in hun materiële bestaan. (23) Jij bent de transcendentale oorspronkelijke genieter en directe beheerser van de materiële energie. Jij bent degene die door Zijn eigen innerlijke vermogen de materiële illusie afwendt in de gelukzaligheid en de kennis van Je eigen Zelf. (24) Vanuit die positie bevind Je Je, in Je almacht, in het hart van degenen die materieel verstrikt zijn en voorzie je op de eerste plaats in het hoogste goed van de rechtschapenheid [van het dharma: waarheid, zuiverheid, versobering en mededogen]. (25) Aldus neem Je geboorte om de last van de wereld weg te nemen en voor de tevredenheid en de heugenis van Je vrienden en zuivere toegewijden. (26) O Heer der Heerscharen, ik weet niet waar dit hoogst gevaarlijke, oogverblindende licht vandaan komt dat zich in alle richtingen verspreidt.' (27) De Allerhoogste Heer zei: 'Neem van Mij aan dat het afkomstig is van de zoon van Drona, die, met de dood voor ogen, het wapen van de mantra's lanceerde, zonder zelfs maar te weten hoe hij het moet intrekken. (28) Niets anders kan dit wapen tegenwicht bieden dan nog zo'n wapen; in feite zal je deze immense gloed moeten tegengaan gebruikmakend van je eigen brilliante krijgskunsten.' "
(29) Sûta zei: "Na gehoord te hebben wat de Allerhoogste Heer zei, sipte Arjuna, terwijl hij de Heer omliep, zelf van water en nam hij het hoogste wapen op om dat van zijn tegenstander onschadelijk te maken. (30) Daarop raakte door de gezamenlijke gloed van de twee elkaar dekkende wapens de ganse hemel en het uitspansel doortrokken van een expanderende vuurbal zo fel als de zon. (31) Toen de bewoners der drie werelden zagen hoe de hitte van beide wapens hen ernstig schroeide, deed hen dat denken aan het vuur der vernietiging van de eindtijd [sâmvartaka]. (32) Inziende welk een verstoring dit inhield voor de gewone man en zijn woonplaatsen, trok Arjuna, op aanwijzing van Vâsudeva, beide wapens terug. (33) Toen nam Arjuna, met ogen rood als koper van de woede, de zoon van Gautamî gevangen, hem vaardig vastbindend met touwen alsof het een beest betrof. (34) Nadat hij de vijand met geweld vastgebonden had en hij hem weg wilde voeren naar het militaire kampement, zei de Allerhoogste Heer, die het met Zijn lotusogen gadesloeg, tegen de kwaad geworden Arjuna: (35)'Laat deze brahmanenzoon nooit lopen, straf hem, want hij heeft onschuldige jongens in hun slaap gedood. (36) Iemand die de principes van de religie kent is er beducht voor vijanden te doden die onoplettend zijn, onder invloed verkeren, krankzinnig zijn, slapen, nog jong zijn, vrouw zijn, dwaas zijn, een overgegeven ziel zijn of iemand zijn die zijn strijdwagen kwijt is. (37) Maar iemand die schaamteloos en wreed denkt dat hij zich met recht in leven kan houden ten koste van de levens van anderen, verdient het zeker dat hem voor zijn eigen bestwil een halt wordt toeroepen, daar door de misdaad de persoon [die hem laat begaan zowel als de misdadiger zelf] tenondergaat.(38) Ik hoorde persoonlijk dat je de dochter van de koning van Pâñcâla beloofde: 'Ik zal je het hoofd brengen van hem die je ziet als de moordenaar van je zoons.' (39) Hij, niet meer zijnde dan de verbrande as van zijn familie, een zondaar in overtreding die verantwoordelijk is voor de moord op je zoons en die zijn eigen meester mishaagde, moet daarom het oordeel ondergaan."
(40) Sûta zei: "Hoewel Arjuna, door Krishna aan een test van zijn plichtsbetrachting onderworpen, ertoe was aangemoedigd, ging zijn hart er niet naar uit de zoon van zijn leraar te doden, hoewel hij de schandelijke moordenaar was van zijn zonen. (41) Daarna, toen hij zijn eigen kampement bereikte, samen met zijn dierbare vriend en wagenmenner Govinda, vertrouwde hij de moordenaar toe aan zijn beminde vrouw die weeklaagde over haar vermoorde zoons. (42) Toen ze de crimineel zo als een dier in touwen gebonden en stil van zijn schandelijke daad, naar haar toe gebracht zag, betoonde Draupadî, uit de schoonheid van haar aard, de zoon van de leraar meedogend het benodigde respect. (43) Ze kon het niet verdragen hoe hij vastgebonden werd opgebracht en zei: 'Maak hem los, want hij is een brahmaan, een leraar van ons'. (44) Door zijn [Drona's] genade heb je zelf de vertrouwelijke kennis van de krijgskunst en het werpen en beheersen van allerlei wapens ontvangen. (45) Heer Drona bestaat voorzeker voort in de gedaante van zijn zoon, daar zijn wederhelft Kripî [zijn vrouw] niet uit het leven is gestapt [middels satî] omdat er een zoon was. (46) Derhalve, o meest gelukkige in het kennen van het dharma, bezorg vanuit de goedheid die in je is de immer respectabele en vererenswaardige familie geen verdriet. (47) Maak zijn moeder, Drona's toegewijde echtgenote, niet aan het huilen zoals ik, die voortdurend tranen pleng in treurnis over een verloren kind. (48) Als het adellijk bestuur zich niet weet in te tomen in relatie tot de orde van hen die studeerden, zal dat bestuur in een oogwenk afbranden en zal ze, samen met haar familieleden, in verdriet belanden."
(49) Sûta zei: "O hooggeleerden, de koning [van de Pândava's, Yudhishthhira] viel de uitlatingen van de koningin bij daar ze in overeenstemming waren met de principes van het dharma, de rechtspraak en genadevol waren, zonder dubbelhartigheid en verheven in rechtschapenheid. (50) Zo ook vielen haar bij Nakula en Sahadeva [de jongere broers van de koning] en ook Sâtyaki, Arjuna, de Allerhoogste Heer de zoon van Devakî, zowel als de dames en anderen. (51) Daarop zei Bhîma verontwaardigd: 'Voor zijn zonder een goede reden, noch voor zichzelf noch voor zijn meester, gedood hebben van slapende kinderen, is gesteld dat de dood zijn loon is.' (52) De vierarmige [Heer Krishna], na de woorden gesproken door Bhîma en Draupadî aangehoord en het gezicht van Zijn vriend [Arjuna] gezien te hebben, zei, alsof Hij glimlachte: (53-54) 'Het familielid van een brahmaan moet niet ter dood worden gebracht, hoewel men een agressor ter dood brengt - dit is bij Mij voorzeker allebei voorgeschreven om ten uitvoer te worden gebracht met het vasthouden aan de regels. Je moet je aan de waarheid houden van je belofte gedaan i.v.m. de genoegdoening jegens je vrouw en eveneens handelen naar de tevredenheid van zowel Bhîma als van Mij.' "
(55) Sûta zei: "Meteen doorhebbend wat de Heer bedoelde, scheidde hij met behulp van zijn zwaard het juweel van het hoofd van de tweemaal geborene tezamen met zijn haar. (56) Hij [As'vatthâmâ], die naast het verlies van zijn lichamelijke luister als gevolg van de kindermoord ook aan kracht had ingeboet met het ontberen van zijn juweel, werd, na te zijn losgemaakt, toen uit het kampement verdreven. (57) Het afsnijden van het haar, het beslag leggen op de weelde en verbanning zijn de soorten van lijfstraffen gereserveerd voor de familieleden van hen die studeerden, en niet enige andere methode om met het lichaam af te rekenen. (58) Daarna voltrokken de zonen van Pându, door verdriet overmand, de rituelen die moeten worden verricht uit respect voor overleden familieleden."
Voetnoot
*: Toen de zonnegod de demon Vidyunmâlî nazat viel Heer S'iva in woede met zijn drietand hem aan. De zonnegod op de vlucht struikelde te Kâs'î, alwaar hij bekend raakte als Lolârka.
Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî
(1) Sûta zei: "Aldus begaven ze zich tezamen met Draupadî en de vrouwen voorop, naar de Ganges met de wens de waterrituelen uit te voeren voor hun verwanten. (2) Nadat een ieder zijn wateroffer had gebracht en afdoende nogmaals getreurd had, namen ze een bad in het water van de Ganges dat gezuiverd is door het stof van de lotusvoeten van de Heer. (3) Daar zaten, getroffen door verdriet, de koning van de Kuru's [Yudhishthhira] met zijn jongere broers, Dhritarâshthra en Ghândârî samen met Kuntî, Draupadî en de Heer Zelve. (4) Heer Krishna samen met de muni's kalmeerde aldaar de geschokte en geëmotioneerde familie die haar vrienden en familieleden had verloren, door erop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd. (5) Vanwege het bedriegen van Yudhishthhira [de oudste van de Pândava's], die geen vijanden had, waren de niets ontzienden [Duryodhana en zijn broers] gedood die op doortrapte wijze het koninkrijk hadden ingepalmd en hun levensduur hadden bekort met de belediging van het bij de haren vastgrijpen van de koningin [Draupadî]. (6) Door het op gepaste wijze uitvoeren van drie paardoffers raakte hij [Yudhishthhira] in alle uithoeken zo bekend als Indra die dat offer een honderdtal keren had gebracht.
(7) Aanbeden door de wijzen en de geschoolden, nodigde de Heer, in reactie op hun afscheidsgroet, de zoons van Pându uit tezamen met Uddhava [een andere verwant en vriend van Krishna]. (8) Gezeten op Zijn strijdwagen zag Hij, juist toen Hij naar Dvârakâ wilde vertrekken, Uttarâ [de moeder in verwachting van Parîkchit] die zich vol vrees in Zijn richting spoedde. (9) Ze zei: 'Bescherm me, bescherm me, o Grootste der Yogi's, Aanbedene der Aanbedenen en Heer van het Universum; behalve U zie ik niemand anders die onbevreesd is in deze wereld van dood en dualiteit. (10) O almachtige Heer, een gloeiende pijl van ijzer komt op me af. Laat het mij verbranden, o Beschermer, maar redt mijn vrucht.' "
(11) Sûta zei: "Haar woorden geduldig aanhorend begreep de Allerhoogste Heer, die Zijn toegewijden altijd een warm hart toedraagt, dat dit het resultaat was van een brahmâstra-wapen van de zoon van Drona die aan het bestaan van alle nazaten van de Pândava's een einde wilde maken. (12) O leider van de wijzen [S'aunaka], toen de Pândava's het laaiende wapen op zich af zagen komen grepen ze naar hun eigen vijf wapens. (13) Ziende dat ze zich in groot gevaar bevonden met geen andere middelen tot hun beschikking, nam de Almachtige Zijn eigen Sudars'ana werpschijf ter hand om Zijn toegewijden te beschermen. (14) Vanuit Zijn positie in de ziel van alle levende wezens, schermde de Allerhoogste Heer van de Yoga middels Zijn persoonlijke energie de vrucht van Uttarâ af om het nageslacht van de Kurudynastie te beschermen. (15) O S'aunaka, hoewel het brahmâstra-wapen niet door tegenmaatregelen te stuiten is, werd het, geconfronteerd met de kracht van Vishnu, geneutraliseerd. (16) Maar bezie dit alles, van al het mysterieuze en onfeilbare dat we van Hem kennen, niet als iets bijzonders. De ongeziene godheid is middels Zijn materieel vermogen van schepping, handhaving en vernietiging.
(17) Gered van de straling van het wapen, richtte de kuise Kuntî samen met haar zoons, zich tot Heer Krishna die op het punt stond te vertrekken. (18) Kuntî zei: 'Mijn eerbetuigingen voor U, de Purusha, de Oorspronkelijke Beheerser van de Kosmos die onzichtbaar is en voorbij al het bestaande zowel van binnen als van buiten bestaat. (19) Verhuld door de begoochelende [materiële] sluier, onberispelijk transcendent en niet te onderscheiden voor de dwazen, bent U als een acteur uitgedost voor het acteren. (20) U bent er opdat de gevorderde transcendentalisten en filosofen, die geest en stof van elkaar weten te onderscheiden, kunnen overgaan tot de wetenschap van het zich verenigen in de toewijding; maar hoe moeten wij vrouwen U dan in acht nemen? (21) Daarom breng ik U mijn respectvolle eerbetuigingen, U de Allerhoogste Heer, de zoon van Vasudeva en Devakî, van Nanda en de koeherders van Vrindâvana, die de beschermer bent van de koeien en de zinnen. (22) Mijn eerbetoon is er voor U, die een lotusachtige welving in Zijn buik heeft, die altijd gesierd is met lotusbloemen, wiens blik koel als een lotusbloem is, en wiens voetafdruk het merkteken van lotusbloemen draagt. (23) U bent de meester der zinnen en hebt Devakî die in nood verkeerde [de moeder van Krishna] bevrijd uit een lange gevangenschap veroorzaakt door de afgunstige [oom] koning Kamsa, en, o Heer, U hebt mij en mijn kinderen beschermd tegen een voortdurende dreiging. (24) Na ons in het verleden gered te hebben van een grote brand, menseneters, een laaghartige vergadering, ontberingen onder verbanning in het woud en tegen wapens in veldslagen met grote generaals, hebt U ons nu volledig beschermd tegen het wapen van de zoon van Drona. (25) Hadden we maar meer van die calamiteiten, zodat we U keer op keer zouden kunnen ontmoeten, o Meester van het Universum, want U ontmoeten betekent dat we niet langer de herhaling van geboorten en dood onder ogen hoeven te zien. (26) Zij die onder de invloed verkeren van het streven naar een goede geboorte, rijkdommen, scholing, en schoonheid, zullen nooit en te nimmer het verdienen zich tot U te mogen richten, die gemakkelijk te benaderen bent voor hen die berooid zijn. (27) Alle eer aan U, de rijkdom van hen die in armoede leven; U die staat voor het transcendentale dat het aangedaan zijn door de materiële geaardheden te boven gaat; U als degene die in zichzelf gelukkig is en het meest zachtgeaard is; al mijn eerbetoon voor U die de Meester der Zaligheid bent. (28) Ik beschouw U als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd, als de Heer die zonder een begin en einde is, en als de alles doordringende Ene die Uw genade overal gelijkelijk verdeelt over de levende wezens die met elkaar in onenigheid verkeren. (29) O Heer, niemand doorgrondt Uw spel en vermaak, dat zo strijdig lijkt als wat de gewone man doet; mensen denken dat U partijdig bent, maar U begunstigt niemand en heeft ook aan niemand een hekel. (30) O Ziel van het Universum, van de vitale energie zijnde Uw geboorte nemend hoewel U ongeboren bent en handelend hoewel U inactief bent, bent U waarlijk verbijsterend in Uw Zich manifesteren met de dieren, de menselijke wezens, de wijzen en de schepselen in het water. (31) Het verwart me dat toen de gopî [Yas'odâ, het koeherderinnetje, de pleegmoeder van Krishna] een touw oppakte om U vast te binden, U bang was en U de make-up van Uw ogen huilde, hoewel U gevreesd wordt door de Vrees in eigen persoon. (32) Sommigen zeggen dat U, zoals sandelhout verschijnt in de Malaya heuvels, uit het ongeborene bent geboren terwille van de glorie van de deugdzame koningen of het genoegen van de familie van de dierbare koning Yadu. (33) Anderen zeggen dat U bent nedergedaald uit het ongeborene voor het heil van Vasudeva en Devakî die voor U baden en voor het einde van degenen die afgunstig op de goddelijken zijn. (34) Weer anderen beweren dat U, als een boot op zee, bent gekomen om de last van hevig werelds verdriet weg te nemen en dat U Uw geboorte nam vanwege de gebeden van Heer Brahmâ. (35) En nog weer anderen zeggen dat U verscheen voor degenen die, door de begeerte en onwetendheid in de materieel gemotiveerde wereld, het zwaar te verduren hebben, zodat ze zich van hun taak kunnen kwijten met het over U vernemen, het U in gedachten houden en met het U aanbidden. (36) Die mensen die er behagen in scheppen voortdurend over Uw handelingen te horen, ze te bezingen en ze te herinneren, zullen zeker zeer snel Uw lotusvoeten zien, die een eind maken aan de herhaling van wedergeboorten. (37) O Heer, met alles wat U voor ons gedaan hebt, laat U, vertrekkend naar de koningen die in vijandschap verwikkeld zijn, ons nu achter - wij Uw intieme vrienden die, enkel bij Uw genade, in afhankelijkheid van Uw lotusvoeten, hun leven hebben. (38) Wij, zonder U, zullen tezamen met de Yadu's en Pândava's, zonder de faam en de naam zijn, zoals een lichaam is zonder de zinnen nadat de geest is vertrokken. (39) Het land van ons koninkrijk zal niet langer er zo mooi uitzien als nu het geval is met de verbluffende merktekenen van Uw voetsporen. (40) Al deze steden en plaatsen bloeiden, dankzij Uw blikken, meer en meer op met hun weelde aan kruiden, groenten, wouden, heuvels, rivieren en zeeën. (41) Daarom, o Heer van het Universum, Persoonlijkheid van de Universele Gedaante, verbreek mijn band van diepe genegenheid voor mijn soortgenoten de Pândava's en de Vrishnis. (42) Maak mijn aantrekking voor U zuiver en voortdurend overlopend, zoals de Ganges die naar zee stroomt. (43) O Krishna, vriend van Arjuna en leider van de Vrishnis, vernietiger van de opstandige geslachten van deze aarde, met Uw niet aflatende heldenmoed bevrijdt U de koeien in nood, de tweemaal geborenen en de goddelijken, o nederdaling van de Heer der Yoga, Universele Leraar en Oorspronkelijke Eigenaar, U biedt ik mijn eerbetuigingen."
(44) Sûta zei: "Na met die keuze van woorden door Koningin Kuntî in Zijn universele glorie te zijn aanbeden, gaf de Heer een milde glimlach ten beste zo betoverend als Zijn Mystiek vermogen. (45) Dat alles op die wijze aanvaardend en na verder respectbetoon jegens de dames in het paleis van Hastinâpura, werd de Heer, bij het vertrek naar Zijn eigen verblijfplaats, tegengehouden door de liefde van de koning [Yudhishthhira]. (46) De geleerden, de wijzen en Heer Krishna, Hij van de bovennatuurlijke werken in eigen persoon, konden hem, van streek als hij was, niet overtuigen, noch kon hij troost vinden in de klassieke geschiedenissen. (47) koning Yudhishthhira, zoon van Dharma, denkend vanuit de materiële opvatting van het verloren hebben van zijn vrienden, liet zich, o wijzen, gaan op de begoocheling van zijn genegenheid toen hij sprak: (48)'O, bezie mij in mijn onwetendheid van hart, diep gezonken in de zonde van het met dit lichaam, dat eigenlijk bedoeld is voor de dienstverlening aan anderen, gedood hebben van zovele formaties van strijders. (49) Vele jongens, tweemaal geborenen, zorgdragers, vrienden, ouderen, broeders en leraren gedood hebbend, zal ik voorzeker nooit, in nog geen miljoen jaar, bevrijding vinden uit de hel. (50) Voor een koning vechtend voor de goede zaak van het beschermen van de burgers is het geen zonde om mensen te doden in de strijd met zijn vijanden, maar deze woorden, die ingesteld zijn voor de tevredenheid van het bestuur, zijn op mij niet van toepassing. (51) Ik kan niet verwachten dat al de vijandigheid die zich heeft opgeworpen vanwege de vrienden die ik heb gedood die vrouwen hadden, teniet zal worden gedaan door me in te spannen terwille van het materiële welzijn. (52) Zoals men geen modderwater met modder kan filtreren of een wijnvlek met wijn kan verwijderen, heeft het ook geen zin het doden van mensen tegen te gaan door dieren te offeren.' "
Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna
(1) Sûta zei: "In angst verkerende vanwege het feit dat hij mensen gedood had, ging Yudhishthhira daarna, ter wille van het volledig besef van de religieuze plicht, naar het slagveld, waar hij de stervende Bhîshma neerliggend aantrof. (2) Getrokken door de beste paarden opgesierd met gouden ornamenten, volgden alle broers hem daar, begeleid door Vyâsa, Dhaumya [de priester van de Pândava's] en andere rishi's. (3) De Allerhoogste Heer volgde hem ook met Arjuna op de strijdwagen, o wijzen onder de geschoolden, en op die manier heel aristocratisch overkomend was hij als Kuvera [de schatbewaarder van de halfgoden] en zijn begeleiders. (4) Toen ze Bhîshma als een uit de hemel gevallen halfgod op de grond liggend aantroffen, bogen Yudhishthhira tezamen met zijn broers en de Heer met de werpschijf, Krishna, zich voor hem neer. (5) Daar waren de wijzen der goedheid onder de geschoolden, samen met de goddelijken en de koningen aanwezig, enkel om de leider van de afstammelingen van Koning Bharata [de gemeenschappelijke voorouder] te zien. (6-7) Parvata Muni, Nârada, Dhaumya, Heer Vyâsa, Brihadas'va, Bharadvâja en Paras'urâma waren daar met hun discipelen alsook Vasishthha, Indrapramada, Trita, Gritsamada, Asita, Kakshîvân, Gautama, Atri en Kaus'ika zowel als Sudars'ana. (8) O hooggeleerden, ook vele andere wijzen als S'ukadeva, het werktuig van God, en andere zuivere zielen als Kas'yapa en Ângirasa arriveerden daar begeleid door hun discipelen.
(9) Bhîshmadeva, de beste onder de Vasu's, goed wetende hoe zich religieus te gedragen naar tijd en omstandigheden, verwelkomde al de groten en machtigen die zich daar hadden verzameld. (10) Van Zijn heerlijkheid op de hoogte verwelkomde hij ook in aanbidding Heer Krishna, de Heer van het Universum die, gezeten in ieders hart, Zijn gedaante manifesteert middels Zijn innerlijk vermogen. (11) Toen hij de zoons van Pându in stilte aan zijn zijde zag zitten, feliciteerde Bhîshma hen hartelijk. In staat van vervoering overmand door gevoelens van liefde over de samenkomst stonden hem daarbij de tranen in de ogen. (12) Hij zei: 'O hoe pijnlijk en onrechtvaardig is het voor jullie goede zielen, zonen der rechtschapenheid, geweest een leven vol van leed te hebben gehad dat jullie nooit verdienden onder de bescherming van de geschoolden, de religie en de Onfeilbare. (13) Na de dood van de grote veldheer Pându, had Kuntî, mijn schoondochter, die jonge kinderen had, veel te lijden en dat zette zich voort als gevolg van wat jullie allemaal deden, zelfs toen de jongens waren opgegroeid. (14) Al het onaangename, denk ik, is aan de Tijd toe te schrijven, daar jullie ook, zoals de hele wereld met zijn heersende goden, onder de controle ervan staan zoals de wolken worden meegevoerd door de wind. (15) Hoe kon het ongeluk er ook anders zijn met de aanwezigheid van Yudhishthhira, de zoon van de heerser der religie, Bhîma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gândîva in zijn hand en onze weldoener Heer Krishna? (16) Van dit plan heeft niemand weet, 0 Koning; zelfs grote filosofen verwikkeld in uitputtende onderzoekingen zijn voorzeker verbijsterd. (17) Derhalve, verzeker ik u, o besten van de afstammelingen van Bharata, dat dit allemaal toe te schrijven is aan de wil van God's voorzienigheid; o heerser, ontfermt u zich toch vooral over de hulpeloze onderdanen, o meester. (18) Hij [Krishna] die zich op ondoorgrondelijke wijze beweegt onder de Vrishni's, is niemand anders dan de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke oergenieter Nârâyana die een ieder verbijstert door Zijn energieën. (19) O Koning, het zijn Heer S'iva, de wijze onder de goden Nârada en de grote Heer Kapila die rechtstreeks kennis hebben van de meest vertrouwelijke heerlijkheden van Zijn goddelijkheid. (20) Hij is dezelfde persoon die u beschouwt als de neef van uw moeders kant, uw meest dierbare vriend, ijverige weldoener, raadgever, boodschapper, begunstiger en wagenmenner. (21) Hij die in ieders hart aanwezig is, die iedereen gelijkgezind is, die vanuit het Absolute zich nimmer valselijk vereenzelvigt, is in Zijn bewustzijn van onderscheid op ieder moment en in alles wat Hij doet, vrij van welke voorkeur ook. (22) Niettemin, hoe onveranderlijk Hij ook is met Zijn toegewijden, zie, o Koning, hoe Krishna meteen, in mijn stervensuur, zich erom bekommert aan mijn zijde aanwezig te zijn. (23) Die yoga-toegewijden die in hun woorden vroom mediteren op Zijn heilige naam onder het bezingen van Zijn heerlijkheden, zullen, op het afzweren van de materiële levensopvatting, bevrijding vinden van het verlangen van hun materieel gemotiveerde handelingen. (24) Moge Hij, de God der Goden, de Allerhoogste Heer, in de lijn van mijn meditatie op de vierhandige [Vishnu], mij opwachten met Zijn bemoedigende glimlach, Zijn ogen rood als de ochtendzon en Zijn opgesierde lotusgezicht, op het moment dat ik dit materiële lichaam verlaat.' "
(25) Sûta zei: "Yudhishthhira die dit van hem, die neerlag op een bed van pijlen, hoorde, vroeg hem, terwijl de rishi's toehoorden, naar de verschillende religieuze verplichtingen. (26) Bhîshma beschreef hem de verschillende levensstadia en de roepingen zoals bepaald door de kwaliteiten van de persoon, naast de manier hoe systematisch om te gaan met de symptomen van zowel gehechtheid als onthechting. (27) Hij gaf uitleg wat betreft de plichten der liefdadigheid, het leiderschap en de bevrijding door het geven van hun indelingen en gaf een algemeen idee van de plichten van de vrouw en de toegewijde dienst. (28) De waarheid kennend, beschreef hij, o wijzen, de [vier fundamentele burgerdeugden van de] religieuze plichtsbetrachting, de economie, de bevrediging van verlangens en de bevrijding, daarbij citerend uit de bekende geschiedenissen. (29) Ten tijde van het door Bhîshma beschrijven van de plichten, bewoog de zon zich over het noordelijk halfrond hetgeen precies de gewenste tijd is waar de wijzen de voorkeur aan geven voor het verlaten van deze wereld [zie B.G. 8: 24]. (30) Toen verviel Bhîshmadeva, de beschermheer van duizenden wetenschappen en kunsten, in stilte, en met zijn denken bevrijd van alle gebondenheid fixeerde hij zijn ogen wijd open gesperd op de Oorspronkelijke Persoon Heer Krishna, de Vierhandige die voor hem stond in gele kledij. (31) Eenvoudigweg naar Hem, de Vernietiger van het Ongunstige, kijkend, zuiverde zich zijn meditatie en verdween in een oogwenk zijn pijn door de pijlen - en terwijl hij zijn gebeden deed voor het materiële tabernakel stopte al de activiteit van zijn zinnen toen hij vertrok naar de Heerser over Alle Levende Wezens. (32) S'rî Bhîshmadeva zei: 'Laat me, bevrijd van verlangens, mijn geest instellen op de Allerhoogste Heer, de Leider der Toegewijden, de Grote In Zichzelf Tevredene, die in de realisatie van Zijn bovenzinnelijke vreugde bij tijden genoegen schept in het aanvaarden van deze materiële wereld met zijn schepping en vernietiging. (33) Hij is de meest begeerlijke van de hoge, lage en tussenwerelden; grijsblauw als een tamâla-boom, draagt Hij kleding stralend als de gouden gloed van de zon; Hij heeft een lichaam opgesierd met sandelhoutpasta en een gezicht als een lotus - moge mijn liefde zonder materiële bijbedoelingen berusten in de vriend van Arjuna. (34) Laat het denken gericht zijn op S'rî Krishna die, met het wuivende haar op het slagveld askleurig door het stof van de hoeven, Zijn gezicht gesierd met transpiratie en Zijn huid doorboord door mijn scherpe pijlen, met Zijn beschermende wapenrok genoegen in dit alles schiep. (35) Na het horen van het bevel van Zijn vriend manoeuvreerde Hij de strijdwagen tussen de tegenover elkaar opgestelde strijdkrachten, en in die positie bekortte Hij de levensduur van de vijand door slechts naar hen te kijken - moge er mijn liefde zijn voor die vriend van Arjuna. (36) Met de soldaten toeziend op een afstand, vaagde Hij met Zijn bovenzinnelijke kennis de onwetendheid weg van hem die, door een onzuivere intelligentie, weifelachtig was zijn soortgenoten te doden - laat er de transcendentie zijn van mijn aantrekking voor Zijn voeten.
(37) Tegen Zijn eigen woord in kwam Hij, teneinde mijn belofte er feitelijk meer van te zijn [van geweld] te niet te doen, van Zijn strijdwagen af en nam Hij het wiel ervan op, om, terwijl Hij Zijn bovenkleed liet vallen, op me af te stormen als een leeuw die van plan is een olifant te doden. (38) Gewond door de scherpe pijlen en zonder Zijn schild, begaf Hij, besmeurd met bloed, in de woedende stemming van de grote agressor, zich in mijn richting met de bedoeling me te doden - moge die Allerhoogste Heer die bevrijding schenkt mijn bestemming worden. (39) Laat me, in dit stervensuur, van liefde zijn voor de Persoonlijkheid van God die, de paarden mennend met een zweep in Zijn rechter en de teugels in Zijn linker hand, zo elegant om te zien alles in het werk stelde om de strijdwagen van Arjuna te beschermen; het was door naar Hem te kijken dat zij die in deze wereld stierven hun oorspronkelijke gedaante vonden. (40) Kijkende naar de aantrekkelijke bewegingen van Zijn hooggestemde, fascinerende handelingen en zoete glimlachen, vonden de gopî's van Vrajadhâma [het dorp van Krishna's jeugd] in extase Hem imiterend, hun oorspronkelijke natuur. (41) In het uitvoeren van een koninklijke offerande van koning Yudhishthhira, waarbij de grote wijzen en koningen waren verzameld, ontving Hij, met mij aanwezig die Hem herkende als het voorwerp van verering, het respectvolle eerbetoon van de hele elite. (42) Hij, die nu hier voor mij aanwezig is, ken ik, na de verzonkenheid ervaren te hebben van het bevrijd zijn van de misvattingen der dualiteit, als de Ongeborene van het geconditioneerde lichaam. Het is Hij die, hoewel Eén, net als de zon, in Zijn zich bevinden in het hart van allen die zijn geschapen door Hem, vanuit vele hoeken verschillend bezien wordt."
(43) Sûta zei: "Met zijn denken, spreken, zien en activiteiten aldus gefixeerd op Krishna alleen, viel hij stil en stopte hij met ademhalen, na te zijn overgegaan in het levende wezen van de Superziel. (44) Na dit alles van Bhîshmadeva gehoord te hebben toen hij overging in het Allerhoogste Absolute, vervielen allen in stilte zoals vogels aan het einde van de dag. (45) Daarna klonken van overal trommels geslagen door goden en mensen, met oprechte lofprijzingen van de godvruchtige koninklijke orde en bloemenregens die uit de hemel neerdaalden. (46) O afstammeling van Bhrigu [S'aunaka], na de begrafenisriten voor het stoffelijk overschot volbracht te hebben, was Yudhishthhira een ogenblik aangedaan. (47) Toen gingen de wijzen, tevreden en gelukkig door de vertrouwelijkheid van de heerlijkheden van Heer Krishna, met Hem in hun hart gesloten terug naar hun hermitages. (48) koning Yudhishthhira ging tezamen met Heer Krishna naar Hastinâpura om zijn oom [Dhritarâshthra] en ascetische tante Ghândhârî te troosten. (49) Met de goedkeuring van zijn oom en de instemming van Heer Vâsudeva volbracht hij, naar de grootheid van zijn voorvaderen, daarna toen zijn koninklijke verplichtingen."
Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ
(1) S'aunaka Muni vroeg: "Hoe regeerde Koning Yudhishthhira, de grootste van de strikte volgers der religie, samen met zijn jongere broers het koninkrijk na de agressors gedood te hebben die zich onrechtmatig de wettige nalatenschap wilden toeëigenen? De geneugten des levens moesten toch aan banden worden gelegd?"
(2) Sûta zei: "Na de uitputtende bamboebrand van de Kurudynastie, was de Heer, de handhaver van de schepping, er verheugd over te zien hoe de spruit van Yudhishthhira zijn eigen koninkrijk zich had hersteld. (3) Na gehoord te hebben wat Bhîshma en de Onfeilbare hadden gezegd, was Yudhishthhira, verlicht door perfecte kennis, zijn verbijstering te boven gekomen en heerste hij, gevolgd door zijn broers en beschermd door de onoverwinnelijke Heer, over de aarde en de zeeën als was hij de koning van de hemel [Indra]. (4) Alle regen die nodig was viel uit de hemel, de akkers brachten al het nodige voort en uit pure vreugde bevochtigden de koeien de weiden met hun volle uiers. (5) De rivieren, oceanen en heuvels verzekerden hem in alle seizoenen van alle noodzakelijke groenten, begroeiing en medicinale kruiden. (6) Nimmer werd, vanwege henzelf, de natuur of vanwege anderen, enig levend wezen geplaagd door angsten, ziekten of extreme temperaturen, zoals dat altijd het geval is met een koning die geen vijanden heeft.
(7) Om Zijn familie tot rust te brengen en Zijn zuster [Subhadrâ, die met Arjuna was getrouwd] een plezier te doen, verbleef de Heer een paar maanden in de stad Hastinâpura. (8) Na die periode werd het Hem, na het vragen om de nodige toestemming, toegestaan te vertrekken; en na zich te hebben verbogen voor de koning en hem omhelsd te hebben besteeg Hij toen Zijn strijdwagen, waarbij Hij ook van de anderen hetzelfde respectbetoon met de nodige omhelzingen ontving. (9-10) Zijn zus, [de vrouw van de Pândava's] Draupadî, [hun moeder] Kuntî, [Parîkchit's moeder] Uttarâ en [de blinde grootvader] Dhritarâshthra en [zijn vrouw] Gândhârî, [hun zoon] Yuyutsu, [de Kurupriester] Kripâcârya, [de tweelingbroers] Nakula en Sahadeva tezamen met Bhîma, en [de Pândava priester] Dhaumya en ook andere dames van het paleis en [Vyâsa's moeder] Satyavatî, konden de scheiding van Hem met de schelphoorn in Zijn hand maar moeilijk verdragen en bezwijmden het bijna. (11-12) Hij die intelligent is zal wat betreft de faam die wordt bezongen, bevrijd als hij door het juiste gezelschap is van een materialistisch leven, er niet over peinzen het op te geven als hij ook maar een enkele keer die verering heeft meegemaakt. Hoe konden dan de Pândava's die Hem hun hart hadden geschonken de scheiding van Hem verdragen als ze Hem van aangezicht tot aangezicht gezien hadden en Hem aangeraakt en met Hem samen geslapen, neergezeten en gegeten hadden? (13) Allen, met wijd open ogen naar Hem kijkend, smolten voor Hem en gebonden als ze waren door pure genegenheid, bewogen ze zich rusteloos. (14) De dames van de familie die uit het paleis kwamen, hadden het er moeilijk mee een vloed van tranen te beheersen, bang als ze waren dat om die reden ongunstige dingen zouden gebeuren met de zoon van Devakî. (15) Te dien tijde weerklonken mridanga's [trommels gebruikt in de toegewijde dienst], schelphoorns, hoorns, snaarinstrumenten, fluiten en nog meer slagwerk, bellen en andere ritme-instrumenten. (16) Om het goed te kunnen zien klommen de dames van de Kurudynastie op het dak van het paleis, vanwaar ze met liefde en verlegen glimlachen bloemen lieten neerregenen op Krishna. (17) Voor de Meest Geliefde der Geliefden nam de overwinnaar van de slaap [Arjuna] een geborduurde parasol ter hand die versierd was met parels en kantwerk en een met juwelen ingelegde handgreep had. (18) Als de meester van Madhu, schitterend gezeten op overal rondgestrooide bloemen, werd Hem onderweg door Uddhava, Zijn halfbroer-neef en Zijn wagenmenner Sâtyaki koelte toegewuift.
(19) Van overal weerklonken de woorden van het eerbetoon der brahmanen die voor de gelegenheid noch gepast noch ongepast waren in relatie tot de Absolute Waarheid die daar aanwezig was in een gedaante onderworpen aan de drie geaardheden der natuur. (20) De dames van de hoofdstad van de koning der Kuru's waren dusdanig met hun hart verzonken in gesprekken onder elkaar over Hem die geprezen wordt in de geschriften, dat het aantrekkelijker klonk dan de lofzangen van de Veda's zelve: (21) 'Hem zullen we ons beslist blijven herinneren als de Persoonlijkheid van God, als de Oorspronkelijke die, materieel nog niet gemanifesteerd, in Zijn eigen Zelf bestond vóór de schepping van de geaardheden der natuur; Hij die Superziel, die Allerhoogste Heer, waarin de levende wezens met hun energieën in ruste opgaan, zoals dat 's nachts gebeurt. (22) Hij in de rol van de samensteller van de Veda's kent aldus, bij het tentoonspreiden van Zijn eigen persoonlijke vermogen, de individuele ziel namen en vormen toe in het opnieuw in het leven roepen van de uiterlijke schijn van de materiële natuur; namen die Hij geeft aan dat wat in feite niet te benoemen is. (23) Hij is toevallig dezelfde Persoonlijkheid van God als degene die de grote toegewijden voor ogen hebben die erin slaagden hun zinnen en leven te beheersen en die, bij de gratie van hun toewijding, de ontwikkeling van een zuivere geest mogen zien; zij zijn het die hierdoor, alleen maar hierdoor, een gezuiverd bestaan verdienen. (24) O vriendinnen, dit is Hij die omwille van Zijn fijne spel en vermaak, vertrouwelijk beschreven in de Veda's en door de intieme toegewijden besproken, wordt gerespecteerd als de enige ware Allerhoogste Beheerser en Superziel van de totale schepping, die, door de manifestatie van Zijn spel en vermaak schept, handhaaft en vernietigt, zonder ooit eraan gehecht te raken. (25) Wanneer er ook maar heersers zijn, die onwetend, als beesten, tegen de goddelijke principes ingaan, dan manifesteert Hij, voorzeker uit goedheid, Zijn allerhoogste macht en positieve waarheid, genade en wonderbaarlijke activiteiten, in verscheidene gedaanten, terwille van de handhaving [van het dharma] in verschillende perioden en tijdperken [zie ook B.G 4: 7]. (26) O, hoe allerhoogst verheerlijkt is de dynastie van koning Yadu en hoe verheven is de deugd van het land van Mathurâ, omdat dit, van alle levende wezens, de allerhoogste leider en echtgenoot van de godin van het geluk is die hier ten tonele verscheen en rondging. (27) Hoe wonderbaarlijk is Dvârakâ [het eiland waar Krishna Zijn verblijf heeft], die plaats die, tot de meerdere deugd en roem van de aarde, de glorie van de hemelse werelden overtreft en waarvan de bewoners het gewoon zijn voortdurend de ziel van de levende wezens [Krishna] te zien die Zijn genade schenkt met de zegening van Zijn goedlachse blik. (28) Om keer op keer te genieten van Zijn lippen zijn de vrouwen die Hij huwde vast en zeker met geloften, wassingen, vuuroffers en dergelijke van volmaakte aanbidding geweest voor de Heer; o vriendinnen, vaak bezwijmden de dames in Vraja het als ze hun geesten daarop gericht hadden! (29) Van de koningin van Dvârakâ [Rukminî, Krishna's eerste vrouw], die met grote moed door Hem werd ontvoerd uit de open verkiezing van de bruidegom als de prijs die moest worden betaald door de aanvallende koningen aangevoerd door S'is'upâla, en van de andere dames die op dezelfde manier werden meebracht na het doden van duizenden doortrapte koningen [met Bhaumâsura aan het hoofd], zijn er kinderen als Pradyumna, Sâmba en Amba. (30) Al deze zo heel goede vrouwen van het hoogste aanzien die van hun individualiteit en zuiverheid waren beroofd, werden door hun lotusogige echtgenoot die hen raakte door hen in het hart naar zich toe te halen, aldus nooit alleen thuis achtergelaten'.
(31) Terwijl de dames van de hoofdstad op deze manier zo over Hem aan het bidden en praten waren, gunde Hij hen de genade van Zijn blik en hen groetend met een glimlach op Zijn gezicht, vertrok de Heer. (32) Yudhishthhira die geen vijanden had, engageerde uit genegenheid en bezorgdheid, vier divisies troepen [te paard, op olifanten, met wagens en te voet] om de vijand der atheïsten te beschermen. (33) Nadat ze Hem aldus over een grote afstand begeleid hadden, haalde de Heer beleefd en vol genegenheid de vastberaden Pândava's, die in beslag waren genomen door de gedachte aan het komende afscheid, over om terug te keren, waarna Hij met Zijn geliefde metgezellen verder Zijn weg vervolgde naar Dvârakâ. (34-35) Door Kurujâñgala [de provincie van Delhi] en Pâñcâlâ [een deel van Punjab] en S'ûrasenâ en Brahmâvarta [het noorden van Uttar Pradesh] en de districten langs de rivier de Yamunâ, kwam Hij langs Kurukshetra waar de veldslag was uitgevochten en de provincie Matsyâ, Sârasvatân [een ander deel van Punjab] en zo verder. Door het land der woestijnen [Rajasthan] en het land waar nauwelijks water is [Madhya Pradesh], en na het doortrekken van Sauvîra [Saurastra] en Âbhîra [een deel van Gujarat], kwam Hij, o S'aunaka, uiteindelijk aan in het westelijk deel van de provincie van Dvârakâ met Zijn door de lange reis lichtelijk vermoeid geraakte paarden. (36) Op verschillende plaatsen viel het voor dat de Heer werd verwelkomd en Hem verschillende diensten werden aangeboden als Hij in de avond arriveerde nadat de zon de oostelijke hemel had doortrokken om daar onder te gaan waar de oceaan zich bevindt."
De Binnenkomst van Heer Krishna in Dvârakâ
(1) Sûta zei: "Toen Hij de grens van het land der Ânarta's [het land van hen die vrij zijn van het ongewenste, Dvârakâ] bereikte, liet Hij ter wille van de aankomst in Zijn eigen welvarende stad Zijn schelphoorn klinken [de Pâñcajanya], welke, zo bleek, een einde maakte aan de neerslachtigheid van de bewoners. (2) Het schitterende wit van de ronde vorm van de schelphoorn, hoewel rood gekleurd door de lippen van de Grote Avonturier, zag er, zoals hij in Zijn handen luid tot klinken werd gebracht, uit als een zwaan die naar beneden is gedoken bij de stelen van lotusbloemen. (3) Na het horen van het geluid dat de angst afroept van hen die vrezen om een materieel bestaan, bewogen al de burgers zich snel in de richting van het geluid om de ontmoeting met de beschermer van de toegewijden te hebben waar ze al zo lang naar hadden uitgekeken. (4-5) Daarop bereidden ze hem een welkomstceremonie die kon worden beschouwd als het offeren van een lamp voor de zon in relatie tot de In Zichzelf Tevredene die hen, eigenmachtig, zonder ophouden in alles voorzag. Met opgetogen en geëmotioneerde gezichten hielden ze extatisch vreugdevolle toespraken voor de Vader, zoals vrienden en beschermelingen dat doen voor hun beschermer.
(6) Ze zeiden: 'We hebben ons altijd neergebogen voor Uw lotusvoeten zoals men dat doet in de aanbidding van Brahmâ en Zijn zonen en de koning van de hemel, daar U, voor degene die het opperste welzijn in dit leven verlangt, de Meester der Transcendentie bent waarop de onvermijdelijke tijd geen vat heeft. (7) Wees voor ons welzijn de Schepper van onze wereld en ook onze moeder, weldoener, echtgenoot, vader, Heer en geestelijk leraar; in het voetspoor tredend van U als ons idool, onze hoogst vereerde zijn we geslaagd in ons leven. (8) O hoe gelukkig mogen we ons prijzen nu we Uw zegenrijke gedaante zien, nu we weer onder de bescherming staan van Uw goede Zelf, aangezien zelfs de halfgoden Uw toegenegen, liefdevol glimlachende gezicht maar zelden te zien krijgen. (9) Telkens, o lotusogige, als U hier vandaan vertrekt om Uw vrienden en verwanten onder de Kuru's op te zoeken [in Hastinâpura] en onder de mensen van Mathurâ, o Onfeilbare, lijkt ons ieder moment een miljoen jaar te duren, en zijn onze ogen even nutteloos als ze zouden zijn zonder de zon. (10) Hoe kunnen we, als U elders verkeert, nu leven zonder de bevrediging van Uw blik die de ellende van de wereld verdrijft; hoe kunnen we nu leven zonder Uw mooie, lachende en opgesierde, aantrekkelijke gezicht te zien?'
Met de klank van deze woorden van de burgers in Zijn oren, ging toen de zorgdrager van de toegewijden, Hij die de mens het menselijke bijbrengt middels het werpen van Zijn blikken, de stad Dvârakâ binnen. (11) Zoals de stad Bhogavatî werd beschermd door de Nâga's, werd Dvârakâ beschermd door de kracht van de afstammelingen van Vrishni [Krishna's familie], Bhoja, Madhu, Das'ârha, Arha, Kukura, Andhaka enz. [ofwel de Yadu's], die allen zo goed waren als Krishna zelf. (12) In alle seizoenen was er de rijkdom van de boomgaarden en de bloementuinen die met al hun bomen en planten en ook de hermitages die er waren, fraaie parken vormden rondom vijvers vol met lotusbloemen die de stad nog eens extra mooi maakten. (13) De toegangspoort tot de stad zowel als de verschillende wegen waren versierd met erebogen en vlaggen die, beschilderd met vertrouwde symbolen, hun schaduw wierpen in de zonneschijn. (14) De lanen, straten, de marktplaats en de pleinen waren grondig schoongemaakt, besprenkeld met geparfumeerd water en bestrooid met vruchten, bloemen en ongebroken zaden. (15) Bij de deur van ieder huis in de stad was er een uitstalling van yoghurt, ongebroken vruchten, suikerriet, versieringen, potten met water en artikelen voor het eerbetoon zoals wierook en lampen. (16-17) Horende dat hun meestgeliefde thuis kwam, werden Zijn vader Vasudeva en de onovertroffen Akrûra, Ugrasena, Krishna's bovenmenselijk machtige oudere broer Balarâma, Pradyumna, Cârudeshna en Sâmba de zoon van Jâmbavatî, allen er door de kracht van een buitengewoon geluk toe gedreven hun rusten, zitten en dineren te staken. (18) Met olifanten voorop, met gelukbrengende zaken, het weerklinken van schelphoorns en het verheerlijkende gezang van hymnen, spoedden ze zich in een blijde verwachting, samen met de brahmanen, op hun wagens in Zijn richting. (19) Honderden courtisanes er hevig naar verlangend Hem te zien, volgden met hun voertuigen, met oogverblindende oorbellen die de schoonheid van hun kaaklijn verhoogden. (20) Er waren artiesten, dansers, zangers, geschiedkundigen, genealogen en geleerde sprekers die geestdriftig de bovenmenselijke handelingen van de Heer aanprezen. (21) De Allerhoogste Heer benaderde iedere vriend en burger die kwam om Hem te verwelkomen en ontvangen, zoals het hoort, met het nodige betoon van respect. (22) Hij, de Almachtige, tot aan de laagsten Zijn begeerde zegeningen schenkend, boog met de bemoediging van Zijn vluchtige glimlach Zijn hoofd, hen in woorden begroetend, ze omhelzend en handen schuddend. (23) Toen, begeleid door de gezaghebbende ouderen en de brahmanen en hun vrouwen, ging Hij de stad binnen waar Hij tevens werd verwelkomd met de zegeningen en lofuitingen van andere bewonderaars.
(24) Terwijl Hij door de straten van Dvârakâ liep, klommen de dames van stand op het dak van hun huizen, o hoog geleerden, om van Zijn aanblik te kunnen genieten. (25) Hoewel ze het gewoon waren steeds zo naar Hem te kijken, raakten de inwoners van Dvârakâ het verlokkelijke schouwspel van de belichaming van de schoonheid van het Onfeilbare nooit moe. (26) In Zijn borst huist de godin van het geluk, van Zijn gezicht drinken de ogen, bij Zijn armen houden de halfgoden stand, en Zijn lotusvoeten zijn de toevlucht voor de pratende en zingende toegewijden. (27) Gediend met een witte parasol, waaiers en een straat bezaaid met bloemen, zag de Heer, met Zijn gele kledij en bloemenslingers, eruit als een wolk omringd door de zon, de maan, bliksemschichten en een regenboog tezamen.
(28) Maar na het het betreden van Zijn ouderlijk huis werd Hij omhelsd door Zijn zeven moeders [Zijn eigen moeder, de vrouw van de priester, van de leraar en van de koning, de koe, de min, en moeder aarde] die vreugdevol werden aangevoerd door Devakî voor wie Hij diep Zijn hoofd boog ter begroeting. (29) Nadat ze Hem allen op hun schoot hadden gekregen, werden hun borsten nat van hun liefde en van het vocht van de tranen die hen overweldigden. (30) Daarna ging Hij Zijn persoonlijke verblijven binnen die, met Zijn vrouwen wiens aantal de zestienduizend overschreed, aan alle mogelijke verlangens beantwoordden. (31) Innerlijk verheugd stonden de dames, die van verre hun echtgenoot thuis zagen komen, onmiddellijk van hun zitplaatsen op met een verlegen kijkend gezicht. (32) Op Zijn verschijnen hun zoons op Hem afsturend, omhelsden zij die zo verlegen waren Hem eerst van binnen in hun harten in een moeilijk te beheersen extase, maar ze verstikten, o leider van de Bhrigu's, desondanks in de tranen die onafwendbaar als water uit hun ogen vloeiden. (33) Hoewel Hij hen altijd terzijde stond, zelfs als ze alleen waren, leken Zijn voeten hen niettemin iedere keer weer helemaal nieuw - wie zou zich ook kunnen losmaken van de voeten van de Eeuwige die nimmer door de godin van het geluk worden verlaten? (34) Hij, zonder er zelf