Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html




S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

Derde herziene versie 2012

 

Inleiding

 

CANTO 1: Schepping

 

Hoofdstuk 1 Vragen van de Wijzen

Hoofdstuk 2 Goddelijkheid en Dienst aan God

Hoofdstuk 3 Krishna is de Bron van Alle Incarnaties.

Hoofdstuk 4 De Verschijning van S'rî Nârada.

Hoofdstuk 5 Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.

Hoofdstuk 6 Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

Hoofdstuk 7 De Zoon van Drona Gestraft

Hoofdstuk 8 Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

Hoofdstuk 9 Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Krishna

Hoofdstuk 10 Het Vertrek van Krishna naar Dvârakâ

Hoofdstuk 11 De Binnenkomst van S'rî Krishna in Dvârakâ

Hoofdstuk 12 De Geboorte van keizer Parîkchit

Hoofdstuk 13 Dhritarâshthra Gaat van Huis

Hoofdstuk 14 De Verdwijning van Krishna

Hoofdstuk 15 De Pândava's Trekken Zich Terug

Hoofdstuk 16 Hoe Parîkchit de Komst van het Kalitijdperk Onderging

Hoofdstuk 17 De Straf en het Loon van Kali

Hoofdstuk 18 Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen.

Hoofdstuk 19 De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî

 

CANTO 2: De Kosmische Manifestatie

 

Hoofdstuk 1 De Eerste Stap in de Godrealisatie

Hoofdstuk 2 De Heer in het Hart

Hoofdstuk 3 Zuivere Toegewijde Dienst - de Verandering in het Hart

Hoofdstuk 4 Het Proces van de Schepping

Hoofdstuk 5 De Oorzaak Aller Oorzaken

Hoofdstuk 6 De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd

Hoofdstuk 7 Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's

Hoofdstuk 8 Vragen Gesteld door Koning Parîkchit

Hoofdstuk 9 Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer

Hoofdstuk 10 Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen

 

CANTO 3: De Status Quo

 

Hoofdstuk 1 Vragen gesteld door Vidura

Hoofdstuk 2 Terugdenken aan Krishna

Hoofdstuk 3 Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana

Hoofdstuk 4 Vidura Wendt zich tot Maitreya

Hoofdstuk 5 Vidura Spreekt met Maitreya

Hoofdstuk 6 De Manifestatie van de Universele Gedaante 

Hoofdstuk 7 Verdere Vragen van Vidura

Hoofdstuk 8 Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu

Hoofdstuk 9 Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen

Hoofdstuk 10 De Afdelingen van de Schepping

Hoofdstuk 11 De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend Vanuit het Atoom

Hoofdstuk 12 De Schepping van de Kumâra's en Anderen

Hoofdstuk 13 Het Verschijnen van Heer Varâha

Hoofdstuk 14 De Bevruchting van Diti in de Avond

Hoofdstuk 15 Beschrijving van het Koninkrijk Gods

Hoofdstuk 16 De Twee Poortwachters van Vaikunthha Vervloekt door de Wijzen

Hoofdstuk 17 De Overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum

Hoofdstuk 18 De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha 

Hoofdstuk 19 Het Doden van de Demon Hiranyâksha

Hoofdstuk 20 De Wezens Geschapen door Brahmâ

Hoofdstuk 21 De Conversatie tussen Manu en Kardama

Hoofdstuk 22 Het Huwelijk van Kardama Muni en Devahûti

Hoofdstuk 23 Devahûti's Klacht

Hoofdstuk 24 De Verzaking van Kardama Muni

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheden van de Toegewijde Dienst  

Hoofdstuk 26 Basisprincipes van de Materiële Natuur

Hoofdstuk 27 Bevrijding uit de Valsheid

Hoofdstuk 28 Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk

Hoofdstuk 29 De Uitleg van Kapila over Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 30 Heer Kapila Beschrijft de Nadelige Gevolgen van Vruchtdragende Handelingen

Hoofdstuk 31 Heer Kapila's Instructies over de Omzwervingen van de Levende Wezens

Hoofdstuk 32 De Verstriktheid in Vruchtdragende Bezigheden

Hoofdstuk 33 De Verzaking van Devahûti

 

Canto 4: De Schepping van de Vierde orde, de Bescherming door de Heer

 

Hoofdstuk 1 Stamboom van de Dochters van Manu

Hoofdstuk 2 Daksha Vervloekt Heer S'iva

Hoofdstuk 3 Het Gesprek tussen Heer S'iva en Satî

Hoofdstuk 4 Satî Verlaat haar Lichaam

Hoofdstuk 5 Het Verhinderen van Daksha's Offerplechtigheid

Hoofdstuk 6 Brahmâ stelt Heer S'iva Tevreden

Hoofdstuk 7 Het Offer Uitvoerd door Daksha

Hoofdstuk 8 Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud

Hoofdstuk 9 Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis

Hoofdstuk 10 Het Gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's

Hoofdstuk 11 Svâyambhuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen

Hoofdstuk 12 Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God

Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja

Hoofdstuk 14 Het Verhaal van Koning Vena

Hoofdstuk 15 Koning Prithu's Verschijnen en Kroning

Hoofdstuk 16 Koning Prithu Geprezen

Hoofdstuk 17 Prithu Mahârâja Wordt Kwaad op de Aarde

Hoofdstuk 18 Prithu Mahârâja Melkt de Aarde

Hoofdstuk 19 Koning Prithu's Honderd Paardoffers

Hoofdstuk 20 Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Prithu Mahârâja

Hoofdstuk 21 Het Onderricht van Prithu Mahârâja

Hoofdstuk 22 Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâra's

Hoofdstuk 23 Prithu Mahârâja Keert Terug naar Huis

Hoofdstuk 24 Het Lied Gezongen door Heer S'iva

Hoofdstuk 25 Over het Karakter van Koning Purañjana

Hoofdstuk 26 Koning Purañjana gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan

Hoofdstuk 27 Candavega Valt de Stad van Koning Purañjana Aan; het Karakter van Kâlakanyâ

Hoofdstuk 28 Purañjana Wordt een Vrouw in zijn Volgende Leven

Hoofdstuk 29 De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi

Hoofdstuk 30 De Activiteiten van de Pracetâ's

Hoofdstuk 31 Nârada Onderricht de Pracetâ's

 

CANTO 5: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1 De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

Hoofdstuk 2 De Activiteiten van Mahârâja Âgnîdhra

Hoofdstuk 3 Rishabhadeva's Verschijnen in de Schoot van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi

Hoofdstuk 4 De Eigenschappen van Rishabhadeva

Hoofdstuk 5 Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons

Hoofdstuk 6 Heer Rishabhadeva's activiteiten

Hoofdstuk 7 De activiteiten van Koning Bharata

Hoofdstuk 8 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

Hoofdstuk 9 Het Verheven Karakter van Jada Bharata

Hoofdstuk 10 Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

Hoofdstuk 11 Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

Hoofdstuk 12 Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 13 Vervolg van het gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 14 De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot

Hoofdstuk 15 De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

Hoofdstuk 16 Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

Hoofdstuk 17 Hoe de Ganges naar beneden komt

Hoofdstuk 18 Gebeden tot de verschillende Avatâra's

Hoofdstuk 19 De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

Hoofdstuk 20 De Structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

Hoofdstuk 21 De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya

Hoofdstuk 22 De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten

Hoofdstuk 23 Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel

Hoofdstuk 24 De Lagere Werelden

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheid van Heer Ananta

Hoofdstuk 26 De Helse Werelden of de Karmische Terugslag

 

CANTO 6: Voorgeschreven Plichten voor de Mensheid

  

Hoofdstuk 1 Dharma en Adharma: het Leven van Ajâmila

Hoofdstuk 2 Ajâmila Bevrijd door de Vishnudûta's: de Motivatie voor de Heilige Naam

Hoofdstuk 3 Yamarâja Instrueert Zijn Boodschappers

Hoofdstuk 4 De Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksha Opgedragen aan de Heer

Hoofdstuk 5 Nârada Muni Vervloekt door Prajâpati Daksha

Hoofdstuk 6 Het Nageslacht van de Dochters van Daksha

Hoofdstuk 7 Indra Beledigt Zijn Geestelijk Leraar, Brihaspati

Hoofdstuk 8 De Wapening met Mantra's die Indra Beschermde

Hoofdstuk 9 Het Verschijnen van de Demon Vritrâsura

Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en Vritrâsura

Hoofdstuk 11 De Bovenzinnelijke Kwaliteiten van Vritrâsura

Hoofdstuk 12 Vritrâsura's Glorieuze Heengaan

Hoofdstuk 13 Koning Indra Aangedaan door de Terugslag der Zonde

Hoofdstuk 14 Koning Citraketu's Weeklagen

Hoofdstuk 15 De Wijzen Nârada en Angirâ Instrueren Koning Citraketu

Hoofdstuk 16 Koning Citraketu Ontmoet de Allerhoogste Heer

Hoofdstuk 17 Moeder Pârvatî Vervloekt Citraketu

Hoofdstuk 18 Diti doet een Gelofte om Koning Indra te Doden

Hoofdstuk 19 De Uitvoering van het Pumsavana Ritueel

 

CANTO 7: De Wetenschap van God

 

Hoofdstuk 1 De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

Hoofdstuk 2 Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droefenis

Hoofdstuk 3 Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

Hoofdstuk 4 Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

Hoofdstuk 5 Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

Hoofdstuk 6 Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes

Hoofdstuk 7 Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

Hoofdstuk 8 Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

Hoofdstuk 9 Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

Hoofdstuk 10 Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura

Hoofdstuk 11 De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

Hoofdstuk 12 De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten

Hoofdstuk 13 Het Gedrag van een Heilige Persoon

Hoofdstuk 14 Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder

Hoofdstuk 15 Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

 

CANTO 8: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1 De Manu's, de Bestuurders van het Universum  

Hoofdstuk 2 De Nood van de Olifant Gajendra

Hoofdstuk 3 Gajendra's Gebeden van Overgave

Hoofdstuk 4 Gajendra Keert Terug naar de Geestelijke Wereld

Hoofdstuk 5 De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's

Hoofdstuk 6 De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af

Hoofdstuk 7 Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara

Hoofdstuk 8 Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari

Hoofdstuk 9 De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de nectar uit te Delen

Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en de Demonen

Hoofdstuk 11 De Dânava's Vernietigd en Weer Opgewekt

Hoofdstuk 12 Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer

Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Toekomstige Manu's

Hoofdstuk 14 De Wijze van Universeel Bestuur

Hoofdstuk 15 Bali Mahârâja Verovert de Hemelse Plaatsen

Hoofdstuk 16 Aditi Ingevoerd in de Payo-vrata Ceremonie, de beste van alle Offerandes

Hoofdstuk 17 De Allerhoogste Heer Zegt Toe Aditi's Zoon te Worden

Hoofdstuk 18 Heer Vâmanadeva, de Dwergincarnatie

Hoofdstuk 19 Heer Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali Mahârâja

Hoofdstuk 20 Heer Vâmanadeva Omsluit Alle Werelden

Hoofdstuk 21 Bali Mahârâja Ingerekend door de Heer

Hoofdstuk 22 Bali Mahârâja Geeft zich Geheel Over

Hoofdstuk 23 De Halfgoden Heroveren de Hemelse Plaatsen

Hoofdstuk 24 Matsya, de Vis-incarnatie van de Heer

 

CANTO 9: Bevrijding

 

Hoofdstuk 1 Koning Sudyumna Wordt een Vrouw

Hoofdstuk 2 De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu

Hoofdstuk 3 Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni

Hoofdstuk 4 Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni

Hoofdstuk 5 Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha

Hoofdstuk 6 De Val van Saubhari Muni

Hoofdstuk 7 De Nazaten van Koning Mândhâtâ

Hoofdstuk 8 De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva

Hoofdstuk 9 De Dynastie van Ams'umân

Hoofdstuk 10 Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 11 Heer Râmacandra Regeert de Wereld

Hoofdstuk 12 De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 13 Het Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila.

Hoofdstuk 14 Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î

Hoofdstuk 15 Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer

Hoofdstuk 16 Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen

Hoofdstuk 17 De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ

Hoofdstuk 18 Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd

Hoofdstuk 19 Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust

Hoofdstuk 20 De Dynastie van Pûru tot aan Bharata

Hoofdstuk 21 De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva

Hoofdstuk 22 De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's

Hoofdstuk 23 De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna

Hoofdstuk 24 De Yadu- en Vrishnidynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna

 

CANTO 10: Het Hoogste Goed

 

Hoofdstuk 1 De Komst van Heer Krishna: Inleiding

Hoofdstuk 2 De Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de Moederschoot

Hoofdstuk 3 De Geboorte van Heer Krishna

Hoofdstuk 4 De Wreedheden van Koning Kamsa

Hoofdstuk 5 Krishna's Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda Mahârâja en Vasudeva

Hoofdstuk 6 Het Doden van de Demone Pûtanâ

Hoofdstuk 7 Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum

Hoofdstuk 8 De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond

Hoofdstuk 9 Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast

Hoofdstuk 10 De Verlossing van de Zoons van Kuvera 

Hoofdstuk 11 Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen

Hoofdstuk 12 Het Einde van de Demon Aghâsura

Hoofdstuk 13 Heer Brahmâ Steelt de Jongens en Kalveren

Hoofdstuk 14 Brahmâ's Gebeden tot Heer Krishna

Hoofdstuk 15 Het Doden van Dhenuka de Ezel-demon en Gif in de Rivier

Hoofdstuk 16 Krishna Bestraft de Slang Kâliya

Hoofdstuk 17 De Geschiedenis van Kâliya en Krishna Slokt een Bosbrand op.

Hoofdstuk 19 Krishna Slokt Opnieuw een Bosbrand Op

Hoofdstuk 20 Het Regenseizoen en de Herfst in Vrindâvana

Hoofdstuk 21 De Gopî's Verheerlijken het Lied van Krishna's Fluit

Hoofdstuk 22 Krishna Steelt de Kleren van de Ongehuwde Gopî's

Hoofdstuk 23 De Echtgenotes van de Brahmanen Gezegend

Hoofdstuk 24 Krishna in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

Hoofdstuk 25 Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op

Hoofdstuk 26 Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

Hoofdstuk 27 Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

Hoofdstuk 28 Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

Hoofdstuk 29 Het Râsa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

Hoofdstuk 30 De Gopî's op Zoek naar Krishna die Verdween met Râdhâ

Hoofdstuk 31 De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

Hoofdstuk 32 Krishna Keert Terug naar de Gopî's

Hoofdstuk 33 De Râsadans

Hoofdstuk 34 Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood

Hoofdstuk 35 De Gopî's Zingen over Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

Hoofdstuk 36 De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

Hoofdstuk 37 Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

Hoofdstuk 38 Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

Hoofdstuk 39 Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ

Hoofdstuk 40 Akrûra's Gebeden

Hoofdstuk 41 De Aankomst van de Heren in Mathurâ

Hoofdstuk 42 Het Breken van de Offerboog

Hoofdstuk 43 Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

Hoofdstuk 44 De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

Hoofdstuk 45 Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

Hoofdstuk 46 Uddhava Brengt de Nacht in Gokula door Pratend met Nanda

Hoofdstuk 47 De Gopî Onthult haar Emoties: Het Lied van de Bij

Hoofdstuk 48 Krishna Behaagt Zijn Toegewijden

Hoofdstuk 49 Akrûra's Missie in Hastinâpura

Hoofdstuk 50 Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ

Hoofdstuk 51 De Verlossing van Mucukunda

Hoofdstuk 52 De Heren Springen van een Berg en Rukminî's Bericht aan Heer Krishna

Hoofdstuk 53 Krishna Ontvoert Rukminî

Hoofdstuk 54 Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd

Hoofdstuk 55 De Geschiedenis van Pradyumna

Hoofdstuk 56 Hoe het Syamantaka Juweel Krishna Jâmbavatî en Satyabhâmâ Bracht

Hoofdstuk 57 Satrâjit Vermoord, het Juweel Gestolen en Weer Teruggegeven

Hoofdstuk 58 Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ, Lakshmanâ en Bhadrâ

Hoofdstuk 59 Mura en Bhauma Gedood en de Gebeden van Bhûmi

Hoofdstuk 60 Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî

Hoofdstuk 61 Heer Balarâma Maakt een Einde aan Rukmî op Aniruddha's Huwelijk

Hoofdstuk 62 Ûshâ Verliefd en Aniruddha Ingerekend

Hoofdstuk 63 De Koorts in de Strijd en Bâna Verslagen

Hoofdstuk 64 Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon

Hoofdstuk 65 Heer Balarâma in Vrindâvana en de Stroom Verdeeld

Hoofdstuk 66 De Valse Vâsudeva Paundraka en Zijn Zoon Verzengd door Hun Eigen Vuur

Hoofdstuk 67 Balarâma Slays the Ape Dvivida

Hoofdstuk 68 Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru-stad Bevend voor Zijn Woede Gesleept

Hoofdstuk 69 Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

Hoofdstuk 70 Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

Hoofdstuk 71 De Heer Reist op Aanraden van Uddhava naar Indraprastha

Hoofdstuk 72 Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

Hoofdstuk 73 Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

Hoofdstuk 74 De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

Hoofdstuk 75 Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

Hoofdstuk 76 De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

Hoofdstuk 77 Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

Hoofdstuk 78 Dantavakra Gedood en Romaharshana Omgebracht met een Grasspriet

Hoofdstuk 79 Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen

Hoofdstuk 80 Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

Hoofdstuk 81 De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen

Hoofdstuk 82 Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna

Hoofdstuk 83 Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

Hoofdstuk 84 Vasudeva Offert voor de Wijzen die te Kurukshetra de Weg naar het Succes Wijzen

Hoofdstuk 85 Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug

Hoofdstuk 86 Arjuna Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va en S'rutadeva

Hoofdstuk 87 Het Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Veda's in Eigen Persoon

Hoofdstuk 88 Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura

Hoofdstuk 89 Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

Hoofdstuk 90 De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat

 

CANTO 11: Krishna's Uiteindelijke Instructies

 

Hoofdstuk 1 De Vloek over de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 2 Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

Hoofdstuk 3 Bevrijding uit Mâyâ en Karma en het Kennen en Aanbidden van de Heer

Hoofdstuk 4 De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven

Hoofdstuk 5 Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

Hoofdstuk 6 Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken

Hoofdstuk 7 Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

Hoofdstuk 8 Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ

Hoofdstuk 9 Onthechting van Al het Materiële

Hoofdstuk 10 De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

Hoofdstuk 11 Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Toegewijde Dienst van de Zuivere Ziel

Hoofdstuk 12 Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis

Hoofdstuk 13 De Hams'a-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ

Hoofdstuk 14 De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu

Hoofdstuk 15 Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's

Hoofdstuk 16 De Volheden van de Heer

Hoofdstuk 17 Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders

Hoofdstuk 18 Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers

Hoofdstuk 19 De Perfectie van de Spirituele Kennis

Hoofdstuk 20 Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting

Hoofdstuk 21 Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

Hoofdstuk 22 Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter

Hoofdstuk 23 Afzien van: het Lied van de Avantî Brâhmana

Hoofdstuk 24 De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat

Hoofdstuk 25 De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven

Hoofdstuk 26 Het Lied van Purûravâ

Hoofdstuk 27 Over het Respecteren van de Gedaante van de Heer

Hoofdstuk 28 Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke

Hoofdstuk 29 Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen

Hoofdstuk 30 Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 31 De Hemelvaart van Krishna

 

CANTO 12: Het Tijdperk van Verval

 

Hoofdstuk 1 Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

Hoofdstuk 2 Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

Hoofdstuk 3 Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

Hoofdstuk 4 Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

Hoofdstuk 5 De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

Hoofdstuk 6 Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

Hoofdstuk 7 De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

Hoofdstuk 8 Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

Hoofdstuk 9 Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

Hoofdstuk 10 S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

Hoofdstuk 11 Vishnu's Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

Hoofdstuk 12 De Onderwerpen van het S'rîmad Bhâgavatam Samengevat

Hoofdstuk 13 De Heerlijkheden van het S'rîmad Bhâgavatam

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt in zowel India, Amerika als Europa. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie van de verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting van de gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 17 april 2012.


 

CANTO 1: Schepping


Hoofdstuk 1
: Vragen van de Wijzen

(1) Moge er het eerbetoon zijn voor de oorspronkelijke verschijning van Hem, Vâsudeva, de Fortuinlijke die in de materiële wereld zowel als in het voorbije aanwezig is en van wie, voor het doel van de heugenis en de volledige onafhankelijkheid, de Vedische kennis werd doorgegeven in het hart van degene die het eerst geschapen levende wezen is [Heer Brahmâ]. Over Hem verkeren de verlichte [en zeker ook de gewone] zielen, zoals dat met een luchtspiegeling van water is in relatie tot [het vuur van] de zon, in een staat van begoocheling waarin, door de actie en reactie van de geaardheden van de materiële natuur, er de [schijn]zekerheid van het feitelijke is. Ik mediteer op Hem die altijd op zichzelf staat en de bovenzinnelijke [allerhoogste en absolute] waarheid is die vrij is van illusie.

(2) In dit boek wordt bedrieglijke religiositeit [die van nevenmotieven is] afgewezen. Men treft er het hoogste in aan dat kan worden begrepen door onzelfzuchtige, waarheidlievende personen. Hierin wordt dat geboden wat feitelijk het welzijn inhoudt dat een einde maakt aan de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door de persoon zelf, door anderen of door de natuur]. Waarom zou men andere verhalen nodig hebben als men hierin het prachtige verhaal aantreft van de Fortuinlijke, zoals dat werd samengesteld door de grote wijze [Vyâsadeva] en dat, met de hulp van de vromen die volijverig van dienst zijn, terstond de Heer in het hart vestigt. (3) Het is de gerijpte vrucht van de wensboom van de Vedische literatuur die vloeiend van de lippen van S'ukadeva [de zoon van Vyâsadeva] zich manifesteerde als zoete nectar die volmaakt is in ieder opzicht. O jullie die zo bedreven en gewetensvol verrukt zijn over de toewijding, geniet toch altijd de veilige haven van het S'rîmad Bhâgavatam!

(4) In het woud van Naimishâranya, een geliefde plek van Vishnu, brachten wijzen onder leiding van de wijze S'aunaka een duizendjarig offer ter wille van de Heer van de hemel en de toegewijden op aarde. (5) Op een ochtend terwijl het offervuur brandde, vroegen ze met het nodige respect S'rîla Sûta Gosvâmî, die een erezetel was aangeboden, het volgende: (6) "U die vrij bent van alle zonde en op de hoogte bent van de verhalen en historische verslagen, staat bekend als zijnde goed thuis in de religieuze geschriften waaraan u ook uitleg hebt gegeven. (7) Als de oudste van de geleerden van de Veda's kent u Vyâsadeva, de Heer onder hen - en Sûta, u kent eveneens de anderen die goed thuis zijn in de fysische en metafysische kennis. (8) Eenvoudig en zuiver van aard, bent u door hun genade goed op de hoogte van al de feiten in kwestie; geestelijk leraren zullen een onderworpen discipel [immers] al de geheimen toevertrouwen die ze kennen. (9) U die daardoor gezegend bent met een lang leven, vertel ons in eenvoudige bewoordingen vanuit uw goedheid alstublieft wat u hebt kunnen vaststellen als zijnde het absolute en uiteindelijke goed dat alle mensen verdienen. (10) Over het algemeen, o achtenswaardige, zijn de mensen in deze tijd van Kali lui, misleid, ongelukkig en bovenal verstoord. (11) Er zijn zoveel geschriften met evenzoveel voorgeschreven plichten die ieder apart hun aandacht opeisen. O wijze zeg ons daarom wat hiervan naar uw beste weten, voor het heil van alle levende wezens, de essentie is die bevredigend is voor de ziel. (12) U bent gezegend Sûta, omdat u weet voor welk doel de Allerhoogste, de beschermer van de toegewijden, verscheen in de schoot van Devakî als de zoon van Vasudeva. (13) O Sûta u zou, zoals de traditie het voorschrijft, ons die er zo naar verlangen moeten vertellen over Zijn incarnatie die er is voor het heil en de bemoediging van alle levende wezens. (14) Verwikkeld in de complicaties van geboorte en dood vinden we zelfs als we er niet geheel met ons verstand bij zijn bevrijding als we de naam van de Heer respecteren die gevreesd wordt door de vrees zelve. (15) O Sûta, zij die hun toevlucht hebben genomen tot de lotusvoeten van de wijzen die zijn verzonken in toewijding vinden meteen zuivering door eenvoudigweg omgang met ze te hebben, terwijl een dergelijke zuivering met het water van de Ganges alleen maar wordt bereikt als men het cultiveert. (16) Wie die verlangt naar bevrijding zou nu niet liever willen vernemen over de Heer Zijn aanbiddelijke, deugdzame daden en glorie als degene die ons heiligt in het Tijdperk van de Onenigheid [Kali]? (17) Vertel ons, volijverige gelovigen, alstublieft over het spel en vermaak van Zijn nederdalen in de tijd. (18) O scherpzinnige, beschrijf ons daarom de zegenrijke avonturen en andere wederwaardigheden van de meervoudige incarnaties van de Hoogste Beheerser Zijn persoonlijke energieën. (19) Wij die de smaak weten te waarderen zijn het nooit moe steeds weer te bidden en te vernemen over de avonturen van de Verheerlijkte die ons telkens weer verrukken. (20) Vermomd als een menselijk wezen deed Hij met Balarâma [Zijn oudere broer] bovenmenselijke dingen. (21) Wetend van de aanvang van het tijdperk van Kali hebben we ons voor langere tijd hier op deze plek die voor de toegewijden is bestemd verzameld, om offers te brengen en de tijd te nemen om te luisteren naar de verhalen over de Heer. (22) Door de voorzienigheid ontmoetten we uwe goedheid die ons als de kapitein van een schip door dit onoverkomelijke tijdperk van Kali kan loodsen dat zo'n bedreiging vormt voor iemands goede eigenschappen. (23) Zeg ons bij wie we nu onze toevlucht moeten zoeken, nu de Heer van de Yoga, S'rî Krishna, de Absolute Waarheid en de beschermer van de religie, vertrokken is naar Zijn verblijfplaats."


Hoofdstuk 2: Goddelijkheid en Dienst aan God

(1) Blij met de juiste vragen van de wijzen daar aanwezig, begon de zoon van Romaharshana [Sûta]  met zijn antwoord na hen bedankt te hebben voor hun woorden. (2) Sûta zei: "Hij [S'ukadeva] die wegging om te leven met de wereldverzakende orde zonder de voorgeschreven vormingsceremonie van de heilige draad, deed Vyâsadeva, die bang was voor de gescheidenheid uitroepen: 'O mijn zoon!', en al de bomen en levende wezens antwoordden sympathiserend in het hart van de wijze. (3) Laat me hem [de zoon van Vyâsa] mijn eerbetuigingen brengen, die als het enige transcendentale baken, in zijn wens de duisternis te verdrijven van het materiële bestaan van de materialistische mens, zich de essentie van de Veda's eigen maakte en vanuit zijn grondeloze genade, als de meester van de wijzen, deze zeer vertrouwelijke aanvulling op de Veda's, deze Purâna, overdroeg. (4) Na eerst eerbetuigingen te hebben gebracht aan Nara-Nârâyana, [de Heer als] het opperste menselijke wezen, de godin van het leren [Sarasvatî] en Vyâsadeva, laat er dan de verkondiging zijn van alles [in dit boek] wat nodig is om [mâyâ, de macht van de illusie] te overwinnen.

(5)
O wijzen, uw vragen aan mij over Krishna zijn van belang voor het welzijn van de wereld omdat ze het ware zelf voldoening schenken. (6) Die plichtsvervulling is zonder twijfel voor de mensheid de hoogste, waarvan er de ononderbroken toegewijde dienst zonder nevenmotieven is aan Krishna als de Bovenzinnelijke Ene [Vishnu] die leidt tot de volledige bevrediging van de ziel. (7) De praktijk van het zich verbinden in toewijding tot Vâsudeva, de Persoonlijkheid van God, leidt zeer spoedig tot de onthechting en de spirituele kennis die berust op eigen kracht. (8) Wat mensen doen overeenkomstig hun maatschappelijke posities, is zinloze arbeid die nergens toe leidt, als het niet leidt tot de boodschap van Vishvaksena [Krishna als het Hoogste Gezag]. (9) Iemands beroepsmatige verplichtingen zijn zeker bedoeld voor de uiteindelijke bevrijding en niet voor de zaak van het materiële gewin, noch is, overeenkomstig de wijzen, de materiële vooruitgang van de plichtsgetrouwen in toegewijde dienst bedoeld voor het realiseren van zinsbevrediging. (10) Men moet niet zozeer verlangen naar zinsbevrediging, profijt en levensonderhoud, iemands bezigheden zijn er voor geen ander doel dan het achterhalen van de Absolute Waarheid. (11) De geleerde zielen zeggen dat de werkelijkheid van de onverdeelde kennis bekend staat als Brahman, Paramâtmâ en Bhagavân [het onpersoonlijke, gelokaliseerde en persoonlijke aspect]. (12) Wijzen [en toegewijden] goed thuis in de kennis en de onthechting die vol van geloof zijn, zullen in hun hart en ziel [die werkelijkheid] waarnemen overeenkomstig hun begrip van wat ze hoorden [of lazen] in hun toewijding. (13) Dit is hoe de mens, o besten van de tweemaal geborenen, door de Heer te behagen de hoogste volmaaktheid  bereikt met zijn eigen plichtsbetrachting overeenkomstig de verdelingen van status en roeping [varnâs'rama]. (14) Daarom moet men met onverdeelde aandacht voortdurend over de Opperheer, de beschermer van de toegewijden, vernemen en Hem verheerlijken, herinneren en aanbidden. (15) Wie zou geen aandacht besteden aan deze boodschap van het zich op intelligente wijze heugen van de Heer dat iemand het zwaard aanreikt om de banden van de materieel gemotiveerde arbeid [karma] door te snijden? (16) Iemand die aandachtig luistert in dienstbaarheid aan zuivere toegewijden beste geleerden, zal van alle ondeugd gezuiverd raken en smaak ontwikkelen voor de boodschap van Vâsudeva. (17) Degenen die dit horen van Krishna's woorden ontwikkelden zullen deugd vinden in het luisteren en zingen en zullen zeker in hun harten hun verlangen om te genieten gezuiverd zien door de begunstiger van de waarheidlievenden. (18) Door regelmatig de bhâgavata [de zuivere toegewijde] en het Bhâgavatam van dienst te zijn zal vrijwel al het ongunstige worden vernietigd, en zal, aldus de Opperheer van dienst zijnd met transcendentale gebeden, onherroepelijk liefdevolle dienstbaarheid tot stand komen. (19) Niet aangetast door de effecten van de hartstocht en de onwetendheid zoals lust, begeerte en wat dies meer zij, zal het bewustzijn gevestigd zijn in goedheid en op dat moment het geluk vinden. (20) De geest in samenhang met de toegewijde dienst aan de Heer aldus opgehelderd, krijgt, door de omgang bevrijd, dan greep op de kennis van de wijsheid in relatie tot de Fortuinlijke. (21) Als men ziet dat het [ware] zelf aldus de meester is, wordt de knoop in het hart doorgesneden, lossen de twijfels op en komt er een einde aan de keten van materieel gemotiveerde handelingen [karma]. (22) Daarom heeft het alle transcendentalisten altijd behaagd van Krishna's superieure dienst te zijn - het wekt de ziel tot leven. (23) Het uiteindelijke voordeel van de Transcendentale Persoonlijkheid, die zowel geassocieerd is met de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, als met de Handhaver Vishnu, de Schepper Brahmâ en de Vernietiger S'iva, vindt de mens natuurlijk in de gedaante van de goedheid [Vishnu]. (24) Zoals we het brandhout van de offers hebben dat van de aarde afkomstig is en in vlam rook produceert, hebben we ook de hartstocht afkomstig van traagheid die leidt tot de goedheid van welke de essentiële aard wordt gerealiseerd.

(25)
D
egene die de wijzen volgt die in het verleden aldus de transcendentale Heer verheven boven de drie kwaliteiten van de natuur van dienst waren, verdient hetzelfde voordeel. (26) Dat is de reden waarom zij die bevrijding zoeken de minder aantrekkelijke gedaanten van de halfgoden afwijzen en zonder afgunst de vele gedaanten van de gelukzalige S'rî Vishnu [Nârâyana] zijn toegewijd. (27) Zij die onwetend zijn en van de hartstocht, begeren glorie, macht en nageslacht en houden vast aan voorvaderen en andere wezens van kosmische heerschappij in dezelfde categorie van hun voorkeur. (28-29) Maar Vâsudeva is het voorwerp van de Vedische kennis, het doel van de offers en de weg van de yoga, Vâsudeva is de heerser over alle materiële activiteiten, de hoogste kennis, de strengste verzaking, de beste kwaliteit, het opperste dharma en het uiteindelijke levensdoel. (30) Vanaf het begin van de manifestatie is Hij, door Zijn innerlijk vermogen, de oorzaak en het gevolg geweest van alle vormen van de schepping en is Hij het transcendentale Absolute van de geaardheden van de natuur. (31) Hoewel Hij zich manifesterend met de geaardheden, in hen is binnengegaan en onder de invloed van deze geaardheden schijnt te staan, is Hij de volle manifestatie van alle wijsheid. (32) Hij, als de Superziel, doordringt al de levende wezens als de ene bron van de schepping zoals vuur dat doet in hout en treedt naar buiten als verschillende levende wezens, terwijl Hij tegelijkertijd de Absolute Persoon is. (33) Die Superziel schiep de subtiele zintuigen beïnvloed door de geaardheden van van de natuur door de levende wezens in Zijn eigen schepping binnen te gaan, hen ertoe aanzettend te genieten van die geaardheden. (34) Aldus behoudt Hij hen allen in de geaardheid goedheid, Zelf in het vertoon van Zijn spel en vermaak belichaamd zijnd als de meester van al de werelden van de goddelijke, menselijke en de dierlijke wezens."

 

Hoofdstuk 3: Krishna is de Bron van alle Incarnaties

(1) Sûta zei: "In het begin nam de Allerhoogste Heer, ter wille van de schepping van de werelden, de gedaante aan van de Oorspronkelijke Persoon[: de integriteit van het materiële bereik] zoals samengesteld uit de zestien elementen [van de tien waarnemende en werkende zinnen, de vijf elementen en de geest] en de kosmische intelligentie en dergelijke. (2) In Zijn meditatieve sluimer rustend, manifesteerde zich in dat water, uit de lotus die zich vanuit het meer van Zijn navel uitspreidde, Brahmâ, de meester van alle stamvaders in het universum. (3) Men gaat ervan uit dat de verschillende werelden [als expansies] deel uitmaken van de gedaante van de Fortuinlijke die de uitnemendheid van het zuiverste bestaan vormt. (4) In een volmaakte [spirituele] visie ziet men Zijn gedaante als uitgerust met tal van benen, dijen, armen en gezichten, met prachtige hoofden, oren, ogen en neuzen, allen stralend met talloze bloemenslingers, oorhangers en kledingstukken. (5) Deze bron van de veelvormige incarnaties is het onvergankelijke zaadbeginsel waaruit de volkomen delen voortkomen alsook de delen daar weer van zoals de goden, de menselijke wezens en de dieren."

(6) "De eerste positie die de godheid [Nârâya
a] tot stand bracht was die van de zonen van Brahmâ [de Kumâra's] die de allermoeilijkste discipline opbrachten van het onafgebroken celibaat. (7) Ten tweede nam de Hoogste Genieter voor de welvaart van de aarde die was gezonken tot de laagste regionen de gedaante van een everzwijn aan en tilde haar op [uit de oceaan]. (8) Ten derde aanvaardde Hij [in de gedaante van Nārada Muni] Zijn aanwezigheid onder de zieners ter wille van de ontwikkeling van de Vedische kennis betreffende het verrichten van toegewijde dienst zonder materiële motieven. (9) Ten vierde geboren als de tweelingzoon van [Mûrti] de vrouw van koning Dharma, onderwierp Hij zich in de gedaante van Nara-Nârâyaa aan gestrenge boetedoeningen om de zinnen onder controle te krijgen. (10) Ten vijfde gaf Hij onder de naam Kapila een uiteenzetting aan de brahmaan Âsuri over de aard van de metafysica en de elementen van de schepping, aangezien in de loop van de tijd deze kennis verloren was gegaan. (11) Ten zesde als de zoon [genaamd Dattâtreya] van Atri geboren uit Anasûyâ die voor Hem gebeden had, onderrichtte Hij Alarka, Prahlâda en anderen over de bovenzinnelijkheid. (12) Ten zevende geboren uit Âkûti als Yajña, de zoon van Prajâpati Ruci, heerste Hij met Zijn zoon Yama en andere halfgoden gedurende de periode van Svâyambhuva Manu [en werd de Indra]. (13) Ten achtste nam de Almachtige Heer als koning Rishabha geboorte uit Merudevî, de vrouw van koning Nâbhi, en toonde Hij het pad van de perfectie gerespecteerd door mensen van alle levensstadia. (14) Zijn negende incarnatie accepteerde Hij in reactie op de gebeden van de wijzen, waarop Hij [als Prithu] over de aarde heerste ter wille van het vergaren [het 'melken'] van haar opbrengst, hetgeen haar hoogst aantrekkelijk maakte. (15) De gedaante aannemend van een vis [Mâtsya] beschermde Hij Vaivasvata Manu na de periode van Câkshusha Manu, door hem drijvende te houden in een boot op de wateren toen de wereld diep ondergestroomd was. (16) Ten elfde ondersteunde de machtige Heer in de gedaante van een schildpad [Kurma] de Mandarâcala Heuvel van de theïsten en atheïsten die dienst deed als een draaipunt in de oceaan. (17) Ten twaalfde verscheen Hij als Dhanvantari [Heer van de medische wetenschap] en ten dertiende verscheen Hij voor de atheïsten als een bekoorlijke mooie vrouw en gaf Hij de halfgoden nectar te drinken. (18) In Zijn veertiende incarnatie verscheen Hij, half als een leeuw, als Nrisimha, die met Zijn nagels op Zijn schoot de koning van de atheïsten uiteen reet zoals een timmerman bamboe splijt. (19) Ten vijftiende nam Hij de gedaante aan van Vâmana [de dwergbrahmaan] die naar het offerperk van Mahârâja Bali ging en daar om drie voetstappen land vroeg, zonder te laten merken dat Hij de drie werelden terug wilde winnen. (20) In Zijn zestiende incarnatie zag Hij [als Bhrigupati of Paras'urâma] dat de heersende klasse de brahmanen vijandig gezind was en trad toen eenentwintig keer tegen ze op. (21) Ziend dat de gewone man minder intelligent was, incarneerde Hij, ten zeventiende, als Vyâsadeva uit Satyavatî met Parâs'ara Muni als Zijn vader, met de bedoeling de wensboom van de Veda in verschillende takken onder te verdelen. (22) Vervolgens toonde Hij zich bovenmenselijk met het aangenomen hebben van de gedaante van een goddelijk menselijk wezen [Râma], door de Indische Oceaan en zo meer te beheersen zodat Hij kon handelen ter wille van de godsbewusten. (23) Ten negentiende alsook ten twintigste nam Bhagavân als Balarâma en Krishna geboorte in de Vrishni-familie om zo de last van de wereld weg te nemen. (24) Daarna zal Hij als het Kali-tijdperk begint in Gayâ [Bihar] verschijnen als de zoon van [moeder] Añjanâ met de naam Boeddha met de bedoeling hen die jaloers zijn op de theïsten om de tuin te leiden [*]. (25) Als er vervolgens twee yuga's in elkaar overgaan [deze en de volgende], en er nauwelijks nog een leider te vinden is die niet een plunderaar is, zal de Heer van de Schepping geboorte nemen met de naam Kalki als de zoon van Vishnu Yas'â." [**]

(26) "Beste brahmanen, de incarnaties van de Heer
die verschenen uit de oceaan van de goedheid zijn zo talrijk als de duizenden stroompjes die er zijn van onuitputtelijke waterbronnen. (27) Al de machtige wijzen, de goddelijke zielen, de Manu's en hun nageslacht alsook de Prajâpati's [de stamvaders] zijn aspecten van de Heer. (28) Ze maken allen deel uit van  - of vormen een volkomen deel van - Krishna, de Allerhoogste Heer [Bhagavân] in eigen persoon die in alle tijden en werelden bescherming biedt tegen verstoringen als gevolg van de vijanden van de koning van de hemel [Indra]. (29) Iedereen die 's morgens en 's avonds zorgvuldig deze mysterieuze geboorten van de Heer reciteert, zal bevrijd raken van al de ellende van de wereld. (30) Al deze gedaanten van de Heer die door de kwaliteiten van de materiële energie werden geschapen met de ingrediënten van de kosmische intelligentie en andere elementen, ontstonden uit Zijn Zelfbewustzijn dat geen gedaante heeft. (31) Ze zijn er voor de minder intelligente waarnemer om te worden waargenomen zoals men wolken in de lucht ziet of stof in de wind. (32) Dit ongemanifesteerde Zelf in het voorbije, dat men niet kan zien of horen en dat geen gedaante heeft die onder invloed staat van de kwaliteiten van de natuur, vormt de werkelijkheid van het subtiele zelf [van de individuele ziel] die herhaaldelijk zijn geboorte neemt. (33) Zo gauw men door zelfinzicht komt tot het afwijzen van deze grofstoffelijke en subtiele vormen die zich aan de ziel opdringen op basis van onwetendheid, komt men tot inzicht in de Absolute Waarheid. (34) Als de bedrieglijke materiële energie niet meer voorop staat wordt men gezegend met de volle kennis van de verlichting zodat men aldus bewust geworden zich zal bevinden in zijn eigen heerlijkheid. (35) Dit is hoe de geleerden ertoe kwamen de geboorten en handelingen van de Heer van het Hart te beschrijven die feitelijk ongeboren en niet-betrokken is; het is de verborgen betekenis van de Veda's. (36) Aanwezig in ieder levend wezen is Hij de almachtige meester en getuige van de zes kwaliteiten  [de zes voorwerpen van de geest en de zinnen] en volheden [bhaga] wiens spel vlekkeloos is, die onafhankelijk is en niet aangedaan is door schepping, vernietiging en behoud. (37) Vanwege Zijn hoogst bedreven manipulaties kunnen Zijn  handelingen, namen en gedaanten niet worden begrepen door de speculaties en redeneringen van lieden die het mankeert aan de nodige kennis, net zo goed als dwazen de voorstelling van een acteur niet kunnen begrijpen. (38) Alleen hij die onvoorwaardelijk, onafgebroken en welgezind dienst levert aan Zijn geurige lotusvoeten, kan kennis nemen van de transcendentale heerlijkheden van de almachtige Schepper die het wiel van de strijdwagen in Zijn hand heeft. (39) Als men er in deze wereld in slaagt aldus van kennis te zijn in relatie tot de Hoogste Persoonlijkheid van God die al Zijn universa omspant als hun Heer en die inspireert tot de volkomenheid van de geest van de vervoering, zal men er nimmer nogmaals de akelige herhaling [van geboorten] hoeven te ervaren."

(40) "D
it boek genaamd het Bhâgavatam over de handelingen van Hem die wordt Geprezen in de Verzen [de Fortuinlijke, de Allerhoogste Heer Krishna en Zijn toegewijden], dat als een aanvulling bij de Veda's [een Purâna] werd samengesteld door de wijze man van God [Vyâsadeva], is er voor het uiteindelijke goed alle mensen succes, geluk en perfectie te bezorgen. (41) S'rîla Vyâsadeva gaf het verhaal, dat hij als de room wist te verzamelen van alle Vedische geschriften en geschiedenissen, door aan zijn zoon die de meest eerbiedwaardige onder de zelfgerealiseerde zielen is. (42) Hij [S'uka] op zijn beurt vertelde het aan keizer Parîkchit die omringd door de grootste wijzen aan de Ganges neerzat om te vasten tot de dood erop volgde. (43) Nu Krishna is vertrokken naar Zijn hemelverblijf en samen met Hem ook het juiste gedrag en het spiritueel inzicht is verdwenen, is deze Purâna helder als de zon aan de horizon verschenen ter wille van al de mensen die in het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] geen perspectief meer hebben. (44) O brahmanen, toen het verhaal aldaar werd verteld door die machtige grote wijze, slaagde ik, volmaakt aandachtig dankzij zijn genade, er eveneens in het te begrijpen, zodat ik het nu aan u zal vertellen, precies zoals ik het vernam vrij van afwijkingen door eigen denken."

*: De paramparâ voegt hier aan toe dat hoewel Heer Boeddha de Vedische kennis en de Allerhoogste Heer afwees, dat slechts een camouflagehandeling was waar hij toe overging vanwege degenen die jaloers waren op de toegewijden. "Zowel Heer Boeddha  als Âcârya S'ankara maakten de weg vrij voor het theïsme, en Vaishnava âcârya's, met name Heer S'rî Caitanya Mahâprabhu, leidden de mensen op het pad van de realisatie van een terugkeren naar God."

**: In canto 2 hoofdstuk 7 is er ook een bespreking van de avatâra's van de Hoogste Persoonlijkheid. In deze verkorte lijst in dit hoofdstuk wordt Vyâsadeva vermeld als de zeventiende incarnatie vóór die van Râma, terwijl hij in 2.7 vermeld wordt na de verschijning van Krishna. De chronologische volgorde van de positie van Vyâsa komt hier vreemd over, want, als een tijdgenoot van Krishna, zou Zijn incarnatie hebben plaatsgevonden nà die van Râma. Maar soms worden grote persoonlijkheden als deze gepresenteerd als eeuwige persoonlijkheden die in verschillende tijden en tijdperken met dezelfde naam verschijnen.


Hoofdstuk 4: De Verschijning van S'rî Nârada.

(1) De oudere en geleerde S'aunaka, het hoofd van de langdurige ceremonie waar de wijzen voor verzameld waren, feliciteerde Sûta Gosvâmî en zei het volgende tot hem: (2) "O meest fortuinlijke onder hen die men respecteert als sprekers, vertel ons van de boodschap van het Bhâgavatam, zoals die werd uitgesproken door S'ukadeva Gosvâmî. (3) Wanneer, waar, om welke reden en waardoor geïnspireerd kon deze literatuur worden samengesteld door de wijze Vyâsadeva? (4) Zijn zoon, die, gelijkgezind en standvastig, zijn gedachten altijd gericht had op de Ene, was een groot toegewijde en een ontwaakte ziel, maar niet bekend leek hij onwetend. (5) Naakte badende schoonheden bedekten uit verlegenheid hun lichaam toen ze de wijze Vyâsa zijn zoon  gekleed achterna zagen komen, terwijl ze verbazingwekkend genoeg, toen hij ze er naar vroeg, van zijn zoon zeiden dat [ze zich niet voor hem schaamden omdat] hij ze zuiver bekeek zonder seksueel onderscheid te maken. (6) Hoe werd hij [S'uka], die een achterlijke domme gek leek toen hij rondzwierf door de Kuru-jângala provincies, herkend door de inwoners van Hastinâpura [nu: Delhi] op het moment dat hij de stad bereikte? (7) Hoe kon de discussie waarin deze Vedische waarheid [over Krishna] aan de orde kwam, o beste ziel, nu plaatsvinden tussen de heilige en de nazaat van Pându, de wijze koning? (8) Als een pelgrim die plaatsen zegenend die hij bezocht, bleef hij niet langer bij de deur van de huishouders dan de tijd nodig om een koe te melken. (9) Vertel ons alstublieft over Parîkchit, de zoon van Abhimanyu, van wie beweerd wordt dat hij een eersteklas toegewijde is wiens geboorte en kwaliteiten allen wonderbaarlijk zijn. (10) Om welke reden verwaarloosde de keizer, die de naam van Pându eer aandeed, de rijkdom van zijn koninkrijk en zat hij bij de Ganges om boete te doen tot de dood erop volgde? (11) Waarom toch gaf hij, aan wiens voeten alle vijanden uit eigenbelang hun weelde overdroegen, in zijn beste levensjaren zijn zo moeilijk te verzaken leven in koninklijke welstand op? (12) Zij die de Ene Verheerlijkt in de Verzen toegewijd zijn, leven ter wille van het welzijn, de welvaart en voorspoed van alle levende wezens en niet voor zelfzuchtige doelen; om welke reden gaf hij, vrij van alle gehechtheid, dit sterfelijk lichaam op dat de toevlucht vormde voor anderen? (13) Leg ons alles duidelijk uit wat we aan u voorleggen over dit onderwerp, want we achten u volledig op de hoogte van de betekenis van al de woorden in de geschriften, met uitzondering van die van de Vedische hymnen."

(14) Sûta Gosvâmî zei: "Toen Dvâpara-yuga in zijn derde [laatste] fase [*] was aangeland en het tijdperk verstreek, werd de wijze [Vyâsa], een deelaspect van de Heer, door Parâs'ara verwekt in de schoot van de dochter van Vasu [Satyavatî]. (15) Op een ochtend toen de schijf van de zon boven de horizon uitkwam zat hij, na zich met het water van zijn ochtendrituelen te hebben gewassen, neer aan de oever van de rivier de Sarasvatî om zich te concentreren. (16) De rishi die het verleden en de toekomst kende, zag dat er zich geleidelijk aan onregelmatigheden ontwikkelden in het dharma van zijn tijd. Het was iets dat men wel vaker in de verschillende tijdperken op aarde ziet optreden als gevolg van niet te stuiten, ongeziene krachten. (17-18) De wijze merkte met zijn onfeilbare oog voor de kennis op dat de gewone man ongelukkig was en maar kort leefde en dat, met de traagheid van begrip en het ongeduld van ongelovige mensen die het ontbrak aan goedheid, er sprake was van een afname van het natuurlijk vermogen - van de talenten - van alle typen mensen alsook van de andere levende wezens. Daarom bezon de muni met zijn bovenzinnelijke visie zich op wat het welzijn zou bevorderen van alle roepingen en levensstadia. (19) Overeenkomstig het inzicht dat er vier offervuren waren voor het zuiveren van de arbeidsinzet van de mensen, verdeelde hij de ene oorspronkelijke Veda in vier gedeelten ter wille van het voortduren van de offerhandelingen. (20) Rig, Yajuh, Sâma en Atharva waren de namen van de vier afzonderlijke Veda's terwijl de Itihâsa's [de enkele geschiedenissen] en de Purâna's [de verzamelingen van verhalen] de vijfde Veda werden genoemd. (21) De Rig Veda werd daarop uitgedragen door de rishi Paila, de Sâma Veda door de geleerde Jaimini, terwijl Vais'ampâyana de enige was, goed genoeg thuis in de materie, om de Yajur Veda hoog te houden. (22) Angirâ  - ook wel Sumantu Muni genaamd - nam in zijn formidabele toewijding de zorg voor de Atharva Veda op zich terwijl de Itihâsa's en de Purâna's werden verdedigd door mijn vader Romaharshana. (23) Al deze geleerden op hun beurt verdeelden de hen toevertrouwde kennis over hun volgelingen die hetzelfde deden met hun volgelingen die dat weer deden met hun leerlingen en aldus ontstonden de verschillende takken van navolgers van de Veda's. (24) Opdat de Veda net zo goed te volgen zou zijn voor minder belezen mensen, bekommerde Vyâsa, de Heer in dezen, zich er om hem voor de minder onderlegden gestalte te geven. (25) Ter wille van de vrouwen, de arbeidersklasse, [zie 6.9: 6 & 9] en de vrienden van de tweemaal geborenen voor wie, [als ze] minder intelligent [zijn], deze kennis niet toegankelijk is, was de wijze zo genadig om de geschiedenis van de Mahâbhârata op schrift te stellen, zodat ook zij konden slagen in hun werkzaamheden.

(26) Beste brahmanen, aldus zich steeds inspannend voor het welzijn van alle levende wezens, was op dat moment hij niettemin op geen enkele manier in staat er in zijn hart tevreden over te zijn. (27) In afzondering gezuiverd, zich ophoudend aan de oever van de Sarasvatī, dacht hij erover na en zei hij, bekend met het dharma, daarom vanuit de onvrede in zijn hart tegen zichzelf: (28-29) 'Me streng aan mijn geloften houdend, was ik oprecht van gepast eerbetoon en respecteerde ik ook de geestelijk leraren in de uitvoering van mijn offerplechtigheden overeenkomstig de traditionele Vedische instructies. Zelfs voor vrouwen, arbeiders en anderen heb ik, door de Mahâbhârata samen te stellen, naar behoren uiteengezet wat er volgens de erfopvolging over het pad van de religie moet worden gezegd. (30) Hoewel ik, naar het schijnt, volledig ben geweest met betrekking tot de glorie van de Absolute Waarheid in mijn bespreking van de Opperziel zoals die zich in het lichaam bevindt, en zelfs mijn eigen persoon heb besproken, heb ik het gevoel dat er iets aan ontbreekt. (31) Ik heb misschien niet genoeg aandacht besteed aan de toegewijde dienst die de volmaakte zielen en de Onfeilbare zo dierbaar is.'

(32)
Terwijl Krishna Dvaipâyana Vyâsa op deze manier spijtig zat na te denken over zijn tekortkomingen bereikte Nârada, zoals ik al zei, zijn hutje. (33) Het grote geluk daarvan inziend, stond hij snel op en betuigde hij hem alle eer zoals de goddelijken Brahmâjî, de schepper, de eer betuigen."

*: S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhakur merkt in zijn Sârârtha-dars'inî commentaaar hier op: "Al de yuga's zijn verdeeld in drie delen: het begindeel (sandhyâ-rûpa), het middendeel (yuga-rûpa) en het einddeel (sandhyâms'a-rûpa)."


Hoofdstuk 5: Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva

(1) Sûta zei: "Toen hij comfortabel naast hem zat, richtte de alom bekende rishi van God met de vînâ in zijn handen, zich met een flauwe glimlach tot de geleerde wijze. (2) Hij zei: 'O hoogst fortuinlijke zoon van Parâs'ara, is het zo dat u de bevrediging van uw ziel vindt door uzelf te identificeren met uw lichaam en uw geest? (3) U deed uitvoerig onderzoek en goed thuis zijnde in de materie, hebt u de grote en wonderbaarlijke Mahâbhârata opgesteld waaraan u uw uitgebreide verklaringen hebt toegevoegd. (4) Ondanks uw onderzoek en de kennis die u vergaarde over het Absolute en Eeuwige, betreurt u het, beste meester, niet genoeg gedaan te hebben ter wille van de ziel.'

(5) Vyâsa zei: 'Wat u allemaal zei is zeker waar, mijn hart heeft er nog steeds geen vrede mee gevonden. Wat is de wortel die ik gemist heb, vraag ik u die zich uit de zelfgeborene [Brahmâ] heeft ontwikkeld als een man van onbeperkte kennis. (6) Als een toegewijde van de Oudste Persoon, de Heer van de geestelijke en materiële wereld die vanuit enkel Zijn geest, verheven boven de kwaliteiten van de materiële natuur, het universum schept en vernietigt, bezit u allesomvattende, vertrouwelijke kennis. (7) U reist als de zon door de drie werelden en dringt daarbij door in ieders hart als de zelfverwerkelijkte getuige, als was u de alles doordringende ether. Kan u alstublieft uitzoeken wat er mankeert aan mijn, met discipline en gelofte verzonken zijn in het Absolute wat betreft oorzaak en gevolg, geest en stof?'

  narada talks to Vyasa (8) S'rî Nârada zei: 'U hebt nauwelijks de glorie van de onberispelijke Fortuinlijke geprezen en ik denk niet dat Hij erg behaagd is met die mindere kijk op de zaak. (9) Hoewel u, grote wijze, herhaaldelijk hebt geschreven voor het heil van de vier deugden van de religie [dharma, artha, kâma, moksha of rechtschapenheid, economie, zinsbevrediging en bevrijding], hebt u dat niet gedaan ter wille van Vâsudeva. (10) Het zich maar amper bedienen van de bloemrijke taal die de glorie beschrijft van de Heer die het universum heiligt, wordt door de heiligen beschouwd als een onderneming voor kraaien, niet als iets wenselijks dat zwanen [zij volmaakt in de transcendentie] op prijs stellen. (11) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door hen die zuiver en oprecht zijn. (12) Ondanks zelfverwerkelijking vrij van materiële motieven, ziet geestelijke kennis die zuiver genoeg is maar verstoken is van liefde voor de Onfeilbare er niet goed uit. Wat voor goeds valt er te verwachten van het steeds maar weer moeizaam werken voor een resultaat als men zich niet inzet voor de Heer? Dat is ongunstig en leidt nergens toe! (13) Daarom zou u als hoogst fortuinlijke, onberispelijke en beroemde, perfecte ziener in dienst van de waarheid en verankerd in geloften, vanuit uw transcendentale positie, voor de bevrijding uit de universele gebondenheid moeten nadenken en schrijven over Hem wiens handelingen bovennatuurlijk zijn.

(14) Welke zienswijze men ook beschrijft die losstaat van [Hem], schiet zijn doel voorbij en zal alleen maar tot namen en vormen leiden die de geest van streek brengen, als een boot die van zijn ligplaats wordt meegevoerd door de wind. (15) Instructies ter wille van de religie zijn niet geliefd, ze zijn zeer onredelijk in verband met de neiging tot natuurlijk gedrag. Door wat u [tot nu toe in voorgaande geschriften] instrueerde over het dharma heeft men zich op andere zaken gefixeerd en denkt men niet na over wat u wil verhinderen. (16) Zij die, met het afgezien hebben van materieel geluk, zich wijs met Hem gedragen, verdienen het [echter] de onbegrensde bovenzinnelijke, almachtige Heer te kennen. Toon daarom alstublieft, o goede man, aan hen die, gevangen in de complicaties van de natuurlijke kwaliteiten vervreemd zijn van het ware zelf, de handelingen van de Heer die Alles Kan.

(17) Iemand die zijn beroepsmatige verplichtingen heeft verzaakt om de lotusvoeten van de Heer te dienen kan in die positie ten val komen vanwege een gebrek aan ervaring. Maar wat voor ongeluk treft iemand die als niet-toegewijde bezig is met zijn beroepsmatige verplichtingen en niets bereikt van wat zijn [ware] belang is? (18) Zij die geneigd zijn te filosoferen zouden zich om die reden enkel moeten bekommeren om dit [geestelijk geluk] dat niet zo zeer wordt gevonden door van hoog naar laag te dwalen, want materieel geluk - met de daarbij behorende misère - vindt men hoe dan ook in de loop van de zo subtiel werkende tijd als gevolg van wat men gedaan heeft. (19) Vroeg of laat onvermijdelijk falend in een bepaald opzicht, heeft de toegewijde een ervaring anders dan anderen: eenmaal in dit materiële leven de smaak te pakken hebben gekregen, zal hij, met de voeten van de Heer van de Bevrijding die hij omhelsde in gedachten, het nooit meer willen opgeven. (20) U weet vanuit de goedheid van uw zelf  dat heel deze kosmos de Heer Zelf is, ook al verschilt Hij ervan. Hij vormt het begin, het bestaan en het einde van de schepping; ik vat het alleen maar even voor u samen. (21) Geef alstublieft een natuurgetrouwe beschrijving van het spel en vermaak van Hem die de Grootste Genade is. Door het perfecte inzicht van uw eigen ziel bent u in staat de Transcendente Persoonlijkheid van de Superziel na te gaan waar u een volkomen deelaspect van bent, en voor wie u - ongeboren van aard -  ter wille van het welzijn van de hele wereld geboorte hebt genomen. (22) De erkende geleerden zijn het er allen over eens dat het onmiskenbare doel van ieders versoberingen, studie, opoffering, spirituele scholing, vooruitgang van intelligentie en liefdadigheid, wordt gevonden in het volgen van de beschrijvingen van de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer Geprezen in de Verzen.

(23) O wijze, in het voorgaande millennium nam ik geboorte uit een dienstmaagd van bepaalde aanhangers van de Veda. Nog maar een kleine jongen was ik deze yogabeoefenaren van dienst toen ik met hen samenleefde gedurende de maanden van het regenseizoen. (24) Ondanks hun onpartijdigheid jegens gelovigen waren die volgelingen van de wijsheid mij genadig, ik, een gehoorzame, goed gemanierde, zelfbeheerste en zwijgzame jongen zonder veel belangstelling voor sport en spel. (25) Toen de tweemaal geborenen het mij eens toestonden te genieten van de resten van hun maaltijd, raakte ik daardoor bevrijd van al mijn zonden en manifesteerde zich in mijn gezuiverde bewustzijn de bovenzinnelijke aantrekking tot dat dharma. (26) Daarna hoorde ik iedere dag hoe het leven van Krishna werd beschreven. Door hun ondersteuning en achting voor mij, mijn beste Vyâsa, slaagde ik erin aandachtig te luisteren en stap voor stap mijn smaak te ontwikkelen. (27) O grote wijze, zo de smaak te pakken krijgend, vond mijn geest continuïteit met de Heer en zag ik in dat het geheel van de grofstoffelijke en subtiele begoocheling mij eigen, zijn orde vindt in de bovenzinnelijkheid van het Absolute. (28) Aldus twee seizoenen lang, de herfst en het regenseizoen, voortdurend niets anders horend dan de glorie zoals die werd bezongen door de wijzen, begon mijn toegewijde dienst vorm aan te nemen met het naar de achtergrond verdwijnen van de [invloed van de] kwaliteiten van de hartstocht en de onwetendheid. (29) Als een gehoorzame jongen vrij van zonde slaagde ik aldus, vanwege die volgelingen aan Hem gehecht, er in strikt te volgen en [mijn zinnen] te onderwerpen. (30) Toen deze toegewijden zo vol van zorg voor de geplaagde mens vertrokken, waren ze zo genadig mij te instrueren in die allervertrouwelijkste kennis rechtstreeks uitgedragen door de Heer Zelf. (31) Daardoor kon ik makkelijk begrijpen wat de invloed is van de begoochelende materiële energie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, Vāsudeva, de allerhoogste schepper, en hoe men Zijn toevlucht kan bereiken.

(32) O geleerde, men zegt dat het opdragen van je handelingen aan de persoonlijkheid van God, de Allerhoogste Heer, de remedie is tegen de drievoudige misère [de kleśa's] van het leven. (33) O goede ziel, is het niet zo dat de genezing van wat voor ziekte van het levend wezen ook mogelijk wordt door datgene medisch te behandelen wat de oorzaak van de ziekte is? (34) Op dezelfde manier zullen alle handelingen van de mens die zijn gericht op het teweegbrengen van een materieel [een materialistisch] bestaan aan die daden zelf een einde maken als men erin slaagt ze op te dragen aan de Transcendentie. (35) Alles wat men in deze wereld doet om de Heer te behagen, met inbegrip van de geestelijke kennis die er bij komt kijken, beschouwt men als bhakti yoga [de yoga van de toewijding]. (36) Als men steeds zijn plichten vervult overeenkomstig de instructies van de Fortuinlijke, prijst men Zijn kwaliteiten en herinnert men zich voortdurend de namen van S'rî Krishna. (37) 'Alle eer aan U,  o Allerhoogste Heer, aan U Vâsudeva op wie wij mediteren en onze eerbetuigingen voor  [Uw volkomen deelaspecten] Pradyumna, Aniruddha en Sankarshana.' (38) Die persoon is van een volmaakt inzicht die aldus met de geluidsvorm van deze mantra de Heer Zonder een Vorm aanbidt, [Vishnu] de Oorspronkelijke Persoon van het Offer. (39) O brahmaan, hiermee bekend werd ik, op deze manier bezig met Zijn woorden, gezegend met spirituele kennis, met Zijn volheid en met een intieme persoonlijke liefde voor Kes'ava. (40) Beschrijf dan ook u met uw uitgebreide Vedische kennis, de Almachtige in wie de wijzen steeds bevrediging vonden in hun verlangen te weten. Doe dit om het aanhoudende lijden terug te dringen van de massa gewone mensen voor wie er geen andere uitweg is.' "


Hoofdstuk 6: Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

(1) Sûta zei: "Na aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden te hebben vernomen, stelde de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem nog een vraag. (2) Vyâsa zei: 'Wat deed u nadat de bedelmonniken waren vertrokken die u instrueerden in de wijsheid voordat uw huidige leven een aanvang nam? (3) O zoon van Brahmâ, onder welke levensomstandigheden verkeerde u in uw leven na deze inwijding en hoe hebt u, nadat u in de loop van de tijd uw lichaam verliet, dit lichaam verworven? (4) Hoe kon u, o grote wijze, zich dit alles uit een voorgaande periode zo gedetailleerd herinneren, is het niet zo dat de tijd op den duur aan dit alles een einde maakt?'

(5) S'rî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me in mijn voorgaande leven de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en toen ze waren vertrokken deed ik het volgende. (6) Ik was de enige zoon van mijn moeder die een eenvoudige vrouw was die werkte als dienstmaagd. Ze had niemand anders, zodat ik als haar nageslacht, volkomen werd bepaald door de emotionele band die ik met haar had. (7) Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, was ze daar niet toe in staat omdat ze, als iedereen, zo afhankelijk was als een pop aan een touwtje. (8) Toen ik nog maar vijf jaar oud was volgde ik het onderricht van de brahmanen en leefde ik afhankelijk van haar zonder een idee te hebben van de tijd, plaats en richting. (9) Op een avond ging ze naar buiten om een koe te melken en werd ze door een slang op het pad in haar been gebeten, en zo viel mijn arme moeder de hoogmogende tijd ten offer. (10) Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en met dat in gedachten ging ik op weg naar het noorden. (11) Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden. (12) Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was blij met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen. (13) Geheel alleen, kwam ik door moeilijk begaanbaar struikgewas van bamboe, riet, scherp gras en onkruid, en bereikte ik diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden. (14) Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik hongerig en dorstig een bad en dronk ik het water van een meer van een rivier zodat ik van mijn vermoeidheid herstelde. (15) In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en maakte ik mijn geest leeg, door me te concentreren op de Superziel in mezelf aanwezig, zoals ik het had geleerd van de bevrijde zielen. (16) Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde. Ik was zo vol van ijver dat de tranen uit mijn ogen liepen toen ik de Heer langzaam in mijn hart zag verschijnen. (17) Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik o wijze, volledig verzonken in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer onderscheiden. (18) Niet langer de gedaante van de Heer ziend die alle strijdigheid uit de geest bant, stond ik verstoord opeens op als iemand die iets begeerlijks kwijt is. (19) Ik wilde dat opnieuw ervaren en richtte heel mijn geest op het hart, maar ondanks mijn geduldige wachten zag ik Hem niet meer verschijnen en raakte ik, gefrustreerd, erg in de put. (20) Op die eenzame plek het steeds maar weer proberend, hoorde ik hoe van gene zijde ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn pijn verzachtten. (21) 'Luister, zolang je leeft zal je Mij hier niet te zien krijgen, want voor iemand die niet volkomen in zijn vereniging is ben Ik vanwege de onzuiverheden moeilijk waar te nemen. (22) Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken o deugdzame, want met het zich bij de toegewijde ontwikkelen van het verlangen naar Mij, wordt al de lust uit het hart verdreven. (23) Door slechts een paar dagen het Absolute van dienst te zijn geweest bereikte je een stabiele intelligentie jegens Mij. In je [aldus] verzaken van de onvolkomen materiële wereld ga je [van nu af aan dan] af op - en maak je deel uit van - Mijn gezelschap. (24) De intelligentie op Mij gericht zal niet falen; of het levende wezen zich nu ontwikkelt of uit beeld verdwijnt, door Mijn genade zal er heugenis zijn.'

(25) Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat verbazingwekkende en wonderbaarlijke geluid van de Ongeziene Heer. Dankbaar voor Zijn genade boog ik toen mijn hoofd in eerbetoon voor Hem, zo groots en heerlijk. (26) Vrij van verbijstering de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en mij steeds Zijn mysterieuze en goedgunstige handelingen herinnerend, reisde ik bevrijd van verlangens rond met een gelukkige geest en wachtte ik mijn tijd af zonder enige trots en jaloezie. (27) Zonder gehecht te zijn aldus verzonken in Krishna [*] o Vyâsadeva, kwam de dood me na verloop van tijd halen, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits. (28) Beloond met een bovenzinnelijk lichaam gepast voor een metgezel van de Heer, verliet ik, ziend dat aan mijn verworven karma een einde was gekomen, het lichaam dat is samengesteld uit de vijf elementen. (29) Aan het einde van de wereldse periode [kalpa] nam de Heer, die zich had neergevleid in de wateren van de vernietiging, mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling. (30) Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik opnieuw tezamen met rishi's als Marîci. (31) Me trouw houdend aan de gelofte [van de yoga] reis ik rond zowel in de drie werelden als erboven en ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan en te staan, daar en wanneer ik maar wil. (32) Ik beweeg me rond onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer, terwijl ik deze bovenzinnelijk geladen vînâ bespeel die de Godheid me heeft gegeven. (33) Als ik zo zing verschijnt al snel voor mijn geestesoog, als was Hij geroepen, het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten, over wiens handelingen men met genoegen verneemt. (34) Ik kwam tot het inzicht dat voor hen die vol van zorgen zijn in hun aanhoudend verlangen naar de voorwerpen van de zintuigen, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaaldelijk bezingen van de glorie van de Heer. (35) Het telkens weer met behulp van de yogadiscipline in zelfbeperking tegengaan van lust en verlangen, zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de toegewijde dienst aan de Persoonlijkheid van God. (36) Op jouw verzoek beschreef ik je, vrij van zonden als je bent, alles over de geheimen van mijn geboorte en activiteiten, ter wille van zowel de voldoening van jouw ziel als die van mij.' "

(37) Sûta zei: "Na aldus de machtige wijze toe te hebben gesproken nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij, onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, waarheen hij ook wilde. (38) Alle glorie en succes aan de wijze van de goden die er behagen in schept de heerlijkheden van Hem met de S'ârnga [Zijn boog] in Zijn handen te bezingen en, met behulp van zijn instrument, het lijdende universum tot leven te wekken."

*: Men kan zich afvragen hoe Krishna hier kan worden vermeld als degene die Nârada Muni leerde te aanbidden in zijn jeugd. Hij gebruikt de naam van Krishna hier niet enkel om te spreken over de manifestatie van Vishnu om het Vyâsa naar de zin te maken het overdenken van Zijn tijd van leven, maar vanwege  de alomtegenwoordigheid van Krishna als de Allerhoogste Heer van de Schepping gedurende alle tijden en tijdperken, ook in de kalpa toen Nârada werd geïnstrueerd door de brahmaanse zieners. Arjuna stelde een soortgelijke vraag in de Bhagavad Gîtâ 4: 4 waarop Hij antwoordde: "Er bestonden in het verleden vele geboorten van mijn karakter, net zoals van jou, mijn beste Arjuna; ik ken ze allemaal en identificeer mezelf ermee, maar jij doet dat kennelijk niet, o winnaar van de veldslag!"




Hoofdstuk 7: De Zoon van Drona Gestraft

(1) S' S'aunaka zei: "Toen Nârada Muni was vertrokken, wat deed de grote heer Vyâsadeva nadat hij van de grote wijze gehoord had wat hij wilde weten?"

(2) Sûta antwoordde: "Op de westelijke oever van de Sarasvatî waar de wijzen mediteren, is er bij S'amyâprâsa een âs'rama voor de bevordering van bovenzinnelijke activiteiten. (3) Daar zat Vyâsadeva, in zijn hermitage temidden van bessenbomen, om zijn geest te concentreren nadat hij zijn wateroffer gebracht had. (4) Met zijn geest verbonden in de toewijding van de yoga zag hij, zonder materiële zorgen volmaakt gefixeerd, het geheel van de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] samen met de uitwendige energie die van Hem afhankelijk is. (5) De levende wezens begoocheld vanwege de conditionering van hun lichamen door de kwaliteiten van de natuur, nemen, ondanks hun transcendentale positie, het ongewenste voor lief en ondergaan daarvan de terugslagen. (6) Ter wille van de gewone man die zich er niet van bewust is dat men in de yoga van de toewijding tot Hem die zich in het voorbije bevindt een einde ziet komen aan het ongewenste, verzamelde de wijze, die dit inzag, [in dit boek] de verschillende verhalen met betrekking tot de Absolute Waarheid. (7) Het eenvoudig luisteren naar deze literatuur over de Allerhoogste Persoonlijkheid van Krishna, zal iemands persoonlijke toewijding teweegbrengen die de treurnis, illusie en angst wegneemt. (8) Na het arrangeren van die verzameling verhalen over de Allerhoogste Heer, onderwees de wijze haar zijn zoon S'uka, bezig op het pad van de zelfverwerkelijking."

(9) S'aunaka vroeg: "Waarom zou hij, die op het pad van de zelfverwerkelijking altijd innerlijk tevreden is met minachting voor al het overige, nu werk maken van zo'n uitgebreide studie?"

(10) Sûta zei: "De wonderbaarlijke kwaliteiten van de Heer zijn van dien aard, dat zelfs wijzen, vrij van alle gebondenheid en genoegen scheppend in de ziel, van zuivere toegewijde dienst zijn voor Vishnu, Urukrama [de Heer van de Grote Stappen]. (11) De machtige zoon van Vyâsa is geliefd onder de toegewijden omdat hij, met het op zich nemen van de regelmatige studie van deze grootse vertelling, altijd verzonken was in de bovenzinnelijke kwaliteit van de Allerhoogste Heer. (12) Ik zal u nu het verhaal vertellen over de geboorte, activiteiten en bevrijding van koning Parîkchit, de wijze onder de koningen, alsook het verhaal over hoe de zonen van Pându ertoe kwamen de wereld te verzaken. Deze verhalen leiden tot de verhalen over Krishna.

(13-14) Toen op het slagveld van Kurukshetra de krijgslieden van de Pândava's en de Kaurava's hun heroïsche lotsbestemming gevonden hadden en de zoon van koning Dhritarâshthra [Duryodhana] treurde over zijn gebroken dijbenen als gevolg van een klap van de knots van Bhîma, dacht de zoon van Dronâcârya [As'vatthâmâ] zijn meester Duryodhana te behagen door hem bij wijze van trofee de hoofden van de slapende zonen van Draupadî te bezorgen. Maar de meester keurde zijn schandelijke daad af. (15) De moeder  van de kinderen [van de Pândava's], huilde vol verdriet bittere tranen toen ze van de slachting hoorde. Arjuna [die de Pândava's aanvoerde], probeerde haar te kalmeren en zei: (16) 'Mijn liefste, ik kan alleen de tranen van je wangen wissen als het hoofd van die gevallen brahmaanse agressor er is afgeschoten door de pijlen van mijn boog Gândîva. Ik zal het je komen brengen zodat je er je voet op kan plaatsen met het nemen van een bad na de crematie van je zoons.' (17) Na haar met deze woordkeus tevreden hebben gesteld besteeg Arjuna, met de Onfeilbare als zijn vriend en menner, gewapend en in kuras zijn strijdwagen om As'vatthâmâ, de zoon van zijn leraar in de krijgskunst, te achtervolgen. (18) Toen die hem op een afstand achter zich aan zag komen, raakte de kindermoordenaar in paniek en vluchtte hij vrezend voor zijn leven met grote snelheid in zijn strijdwagen weg zoals ooit Brahmâ  [en ook Sûrya] voor S'iva wegvluchtte [*]. (19) Zich onbeschermd ziend toen zijn paarden uitgeput raakten, nam de zoon van de tweemaal geborene [As'vatthâmâ] om zich te verdedigen zijn toevlucht tot het ultieme wapen [de brahmâstra]. (20) Met zijn leven in gevaar, beroerde hij water en concentreerde hij zich op het reciteren van de mantra's, zonder echter te weten hoe hij het proces moest stoppen. (21) Een helder licht verspreidde zich dermate fel in alle richtingen, dat bij het zien van die levensbedreiging Arjuna zich wendde tot de Heer [die zijn strijdwagen mende] en zei: (22) 'Krishna, o Krishna, Jij bent de Almachtige die de angst van de toegewijden wegneemt, Jij alleen bent het pad van de bevrijding voor hen die lijden in hun materiële bestaan. (23) Jij bent de transcendentale oorspronkelijke genieter en directe beheerser van de materiële energie. Jij bent degene die vanuit de gelukzaligheid en de kennis van Je Zelf, met de kracht van Je innerlijk vermogen een einde maakt aan de materiële begoocheling. (24) Vanuit die positie oefen Je, in het hart van de geconditioneerde zielen die materieel verstrikt zijn, het heil van Je invloed uit dat gekenmerkt wordt door [de regulatie van] het dharma en de andere burgerdeugden. (25) Zo neem Je dan geboorte om de last van de wereld weg te nemen en Je vrienden en zuivere toegewijden tevreden te stellen als hun constante voorwerp van meditatie. (26) O Heer van Alle Heren, ik weet niet waar dit hoogst gevaarlijke, oogverblindende licht vandaan komt dat zich in alle richtingen verspreidt.'

(27)
De Allerhoogste Heer zei: 'Weet dat het veroorzaakt is door de zoon van Drona die, met de dood voor ogen, de brahmâstra lanceerde, zonder te weten hoe hij hem moet terugtrekken. (28) Niets anders kan dit wapen tegengaan dan nog zo'n wapen; je zal de immense gloed van dit wapen met je krijgskunst moeten bestrijden, door de kracht van je eigen wapen in te zetten.' "

(29) Sûta zei: "Na gehoord te hebben wat de Allerhoogste Heer zei, sipte de doder van de andere krijger, Arjuna, terwijl hij de Heer omliep, zelf van water en lanceerde hij zijn brahmâstra. (30) De gezamenlijke gloed van de twee botsende wapens bedekte daarop hemel, aarde en de ruimte ertussen, met een expanderende vuurbal zo fel als de zon. (31) Toen de bewoners van de drie werelden zagen hoe de hitte van de twee wapens hen ernstig schroeide, deed hen dat denken aan het vernietigingsvuur van de eindtijd [sâmvartaka]. (32) Arjuna begreep welk een verstoring dit inhield voor de gewone man en zijn leefwerelden, en trok toen, naar de wens van Vâsudeva, beide wapens terug. (33) Arjuna nam daarop, met ogen rood als koper van de woede, de gevaarlijke zoon van Gautamî gevangen, hem vaardig vastbindend met touwen alsof hij een dier was. (34) Nadat hij de vijand met geweld had vastgebonden en hem naar het militaire kampement wilde brengen, zei de Allerhoogste Heer, die het met Zijn lotusogen gadesloeg, tegen de kwaad geworden Arjuna: (35) 'Laat deze brahmanenzoon niet lopen, straf hem meteen, want hij heeft onschuldige jongens in hun slaap gedood. (36) Iemand die de principes van de religie kent doodt geen vijanden die onoplettend zijn, onder invloed verkeren, krankzinnig zijn, slapen, nog jong zijn, vrouw zijn, dwaas zijn, een overgegeven ziel zijn, bang zijn of hun strijdwagen kwijt zijn. (37) Maar iemand die schaamteloos en wreed denkt dat hij zich in leven kan houden ten koste van de levens van anderen, verdient het zeker een halt te worden toegeroepen, zodat wordt voorkomen dat de persoon in de hel beland vanwege die fout. (38) Ik hoorde persoonlijk dat je de dochter van de koning van Pâñcâla beloofde: 'Ik zal je het hoofd brengen van hem die je ziet als de moordenaar van je zoons.' (39) Hij, die niet meer is dan de verbrande as van zijn familie, een zondaar in overtreding die verantwoordelijk is voor de moord op je zoons en die zijn eigen meester mishaagde, moet daarom zijn straf ondergaan.' "

(40) Sûta zei: "Hoewel Arjuna, die door Krishna werd getest op zijn plichtsbetrachting, ertoe was aangemoedigd, was hij niet van plan de zoon van zijn leraar te doden, ook al was hij de schandelijke moordenaar van zijn zoons. (41) Toen ze daarna zijn kampement bereikten, vertrouwde zijn dierbare vriend en wagenmenner Govinda, de moordenaar toe aan zijn beminde vrouw die weeklaagde over haar vermoorde zoons. (42) Met hem voor zich die, als een crimineel stil van zijn schandelijke daad, gelijk een dier in touwen geslagen, voor haar werd geleid, betoonde Draupadî, vanuit de schoonheid van haar aard, de zoon van de leraar meedogend het nodige respect [dat men een brahmaan schuldig is]. (43) Ze kon het in haar religiositeit, niet verdragen zoals hij vastgebonden werd opgebracht en zei: 'Maak hem los, want hij als brahmaan is een leraar van ons. (44) Het is te danken aan zijn [Drona's] genade dat jij zelf de vertrouwelijke kennis ontving van de krijgskunst van het schieten van pijlen en het lanceren en beheersen van allerlei wapens. (45) De machtige heer Drona bestaat zonder twijfel voort in de gedaante van zijn zoon, zijn wederhelft Kripî [zijn vrouw] stapte immers niet uit het leven [middels satî], omdat er een zoon was. (46) Bezorg daarom, o meest gelukkige in het kennen van het dharma, vanuit de goedheid die in je is, die immer respectabele en vererenswaardige familie geen verdriet. (47) Doe zijn moeder, Drona's toegewijde echtgenote, niet huilen zoals ik, die voortdurend tranen vergiet in treurnis over een verloren kind. (48) Als het adellijk bestuur zich niet weet in te tomen in relatie tot de brahmaanse orde en ze kwaad maakt, zal dat bestuur in een oogwenk afbranden en in verdriet belanden, tezamen met haar familieleden.' "

(49) Sûta zei: "O hooggeleerden, de koning [van de Pândava's, Yudhishthhira] viel de uitlatingen van de koningin bij daar ze in overeenstemming waren met de principes van het dharma, rechtvaardig en genadevol waren, groots zonder dubbelhartigheid en partijdigheid. (50) Ook deden Nakula en Sahadeva dat [de jongere broers van de koning] alsook Sâtyaki, Arjuna, de Allerhoogste Heer de zoon van Devakî, met inbegrip van de dames en anderen. (51) Daarop zei Bhîma verontwaardigd: 'Het staat alom bekend dat hij die zonder een goede reden, noch voor zichzelf noch voor zijn meester, slapende kinderen gedood heeft, de dood verdient.'

(52) De vierarmige [Krishna] had de woorden gesproken door Bhîma en Draupadî aangehoord en zei toen, kijkend naar het gezicht van Zijn vriend [Arjuna], met een flauwe glimlach: (53-54) 'Een familielid van een brahmaan moet men niet ter dood brengen, hoewel men een agressor wel ter dood brengt - wat Mij betreft staat vast dat de uitvoer van beiden staat voorgeschreven als we ons willen houden aan de regels. Je moet je aan de waarheid houden van de belofte die je deed toen je je vrouw genoegdoening beloofde en je moet ook je best doen om Bhîma en Mij tevreden te stellen.' "

(55) Sûta zei: "Meteen doorhebbend wat de Heer bedoelde, scheidde hij met behulp van zijn zwaard het kruinjuweel tezamen met het haar van het hoofd van de brahmaan. (56) Hij [As'vatthâmâ] die, naast het verlies van zijn luister als gevolg van de kindermoord ook aan kracht had ingeboet door het verlies van zijn juweel, werd vervolgens, na te zijn losgemaakt, uit het kampement verdreven. (57) Het afsnijden van het haar, het beslag leggen op de rijkdom en verbanning zijn de soorten straffen gereserveerd voor de verwanten van brahmanen, en niet enige andere methode om fysiek met iemand af te rekenen. (58) De zonen van Pându samen met Draupadî, voltrokken daarna, overmand door verdriet, de rituelen nodig voor het respecteren van de overleden familieleden."

*: Brahmā voelde zich eens aangetrokken tot zijn dochter. Daar werd S'iva kwaad over die hem toen aanviel met zijn drietand en Brahmâ op de vlucht joeg. In een ander verhaal staat beschreven hoe de zonnegod ooit eens de demon Vidyunmâlî nazat waarop Heer S'iva hem in woede aanviel met zijn drietand. De zonnegod op de vlucht geslagen struikelde te Kâs'î, alwaar hij bekend raakte als Lolârka.



Hoofdstuk 8: Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

(1) Sûta zei: "Ze [de Pândavas] begaven zich toen samen met Draupadî en de vrouwen voorop, naar de Ganges met de wens de waterrituelen uit te voeren voor hun verwanten. (2) Nadat een ieder zijn wateroffer had gebracht en afdoende nogmaals getreurd had, namen ze wederom een bad in het water van de Ganges dat gezuiverd is door het stof van de lotusvoeten van de Heer. (3) Overweldigd door verdriet zaten daar de koning van de Kuru's [Yudhishthhira] met zijn jongere broers, Dhritarâshthra en Ghândârî, Kuntî, Draupadî en de Heer Zelve. (4)  Samen met de muni's kalmeerde Krishna de geschokte en geëmotioneerde familie die haar vrienden en leden had verloren, door erop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd. (5) Omdat ze doortrapt het koninkrijk hadden gestolen van Yudhishthhira [de oudste van de Pândava's] die geen vijanden had, waren zij die nergens voor terugdeinsden [Duryodhana en zijn broers] gedood die hun levensduur hadden bekort met de belediging de koningin [Draupadî] bij de haren vast te grijpen.  (6) Door op gepaste wijze drie excellente paardoffers uit te voeren raakte hij [Yudhishthhira] wijd en zijd zo bekend als Indra die dat offer een honderdtal keren had gebracht.

(7) Aanbeden door zowel de brahmanen als door Vyâsadeva en andere wijzen, nodigde de Heer samen met Uddhava [Zijn vriend en neef] en Sâtyaki [Zijn wagenmenner], [bij Zijn afscheid] in reactie op hun eerbetoon, de zoons van Pându uit. (8) Juist toen Hij naar Dvârakâ wilde vertrekken, zag Hij, gezeten op Zijn strijdwagen, dat Uttarâ [de moeder in verwachting van Parîkchit] zich angstig gespannen in Zijn richting spoedde. (9) Ze zei: 'Bescherm me, bescherm me, o Grootste van de Yogi's, Aanbedene van de Aanbedenen en Heer van het Universum. Buiten U zie ik niemand anders zonder vrees in deze wereld van dood en tegenstellingen. (10) O almachtige Heer, een gloeiende pijl van ijzer komt op me af. Laat hem mij verbranden, o Beschermer, maar redt mijn vrucht!' "

(11) Sûta zei: "Haar woorden afwegend begreep de Allerhoogste Heer, die steeds zorg draagt voor Zijn toegewijden, dat dit het resultaat was van een brahmâstra-wapen van de zoon van Drona, die aan het bestaan van alle nazaten van de Pândava's een einde wilde maken. (12) O leider van de wijzen [S'aunaka], toen de Pândava's het laaiende wapen op zich af zagen komen grepen ze naar hun eigen vijf wapens. (13) Ziende dat ze zich, met geen andere middelen tot hun beschikking, in groot gevaar bevonden, nam de Almachtige Zijn Sudars'ana werpschijf ter hand voor de bescherming van Zijn toegewijden. (14) Vanuit Zijn positie in de ziel van alle levende wezens, schermde de Allerhoogste Heer van de Yoga, middels Zijn persoonlijke energie, de vrucht van Uttarâ af om het nageslacht van de Kurudynastie te beschermen. (15) O S'aunaka, hoewel het brahmâstra-wapen niet door tegenmaatregelen te stuiten is, werd het, geconfronteerd met de kracht van Vishnu, geneutraliseerd. (16) Maar bezie dit alles, met al het mysterieuze en onfeilbare dat we van Hem kennen, niet als iets bijzonders. De ongeziene godheid schept, handhaaft en vernietigt middels de goddelijke macht van Zijn materieel vermogen.

(17) Gered van de straling van het wapen, richtte de kuise Kuntî zich samen met Draupadî en haar zoons tot Krishna die op het punt stond te vertrekken. (18) Kuntî zei: 'Mijn eerbetuigingen voor Jou, de Purusha, de onzichtbare Oorspronkelijke Beheerser van de Kosmos in het voorbije, die zowel aanwezig is binnen als buiten al de levende wezens. (19) Verhuld door de begoochelende [materiële] sluier, ben Je onberispelijk transcendent en niet te onderscheiden voor de dwazen, als een kunstenaar verkleed als een acteur.  (20) Maar hoe kunnen wij vrouwen Jou nu waarnemen, Jij, het voorwerp voor het beoefenen van de bhakti van de gevorderde transcendentalisten en filosofen die geest en stof van elkaar weten te onderscheiden? (21) Ik breng Je daarom mijn respectvolle eerbetuigingen, Krishna, Jij, de beschermer van de koeien en de zinnen, de zoon van Vasudeva en Devakî, het kind van Nanda en de koeherders van Vrindâvana. (22) Mijn eerbetoon is er voor Jou, met Je lotusachtige welving in Je buik, altijd gesierd met een lotusbloemenslinger en met Je blik koel als een lotusbloem, wiens voetafdruk het merkteken van lotusbloemen draagt. (23) Jij, de meester van de zinnen, hebt Devakî [de moeder van Krishna] bevrijd die leed omdat ze langdurig was gevangen gezet door de afgunstige [oom] Kamsa en hebt ook, als de beschermer van mij en mijn kinderen, o machtige,  ons behoed voor een reeks van gevaren. (24) Na ons in het verleden gered te hebben van een grote brand, menseneters, een laaghartige vergadering, ontberingen door verbanning in het woud en tegen wapens in veldslagen met grote strijders, heb Jij ons nu volledig beschermd tegen het wapen van de zoon van Drona. (25) Hadden we maar meer van die calamiteiten, dan konden we Je telkens weer ontmoeten, o Meester van het Universum, want Jou te ontmoeten houdt in dat je niet langer wordt geconfronteerd met een werelds bestaan. (26) Degenen toenemend onder invloed van het streven naar een goede geboorte, rijkdom, roem en schoonheid, verdienen nooit en te nimmer Jouw naam op hun lippen, Jij die voor een berooid iemand makkelijk te benaderen bent. (27) Alle eer aan Jou, de rijkdom van hen die in armoede leven, Jij, die staat voor het vrij zijn van de invloed van de materiële kwaliteiten, Jij, als de in Zichzelf tevreden meest vreedzame; ik buig me voor Jou, de meester van bevrijding en emancipatie. (28)  Ik beschouw Jou als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd, als de Heer zonder een begin en een einde, als de alles doordringende Ene die Zijn genade overal, gelijkelijk, verdeelt over de levende wezens die met elkaar in onmin leven. (29) O Heer, niemand doorgrondt Je spel en vermaak, dat zo strijdig lijkt als wat de gewone man doet. Mensen denken dat Je partijdig bent, maar Je begunstigt niemand en hebt ook aan niemand een hekel. (30) O Ziel van het Universum, hoewel Je als de Ziel ongeboren bent en niet handelt, neem Je geboorte en treedt Je op, steeds maar weer in overeenstemming met - als vertegenwoordiger van - de dieren, de mensen, de wijzen en [de wezens] in het water. (31) Toen de gopî [Yas'odâ, het koeherderinnetje, de pleegmoeder van Krishna] een touw pakte om Je vast te binden omdat Je ondeugend was, was Je bang en huilde Je de make-up van Je ogen, terwijl Je gevreesd wordt door de Vrees zelve. Zoiets verwart me. (32) Sommigen zeggen dat Je, uit het ongeborene geboren zoals sandelhout verschijnt in de Malaya heuvels, in de familie van de dierbare koning Yadu verscheen ter wille van de glorie van de deugdzame koningen. (33) Anderen zeggen dat Je, uit Vasudeva en Devakî die voor Je baden, geboorte nam uit het ongeborene om een einde te maken aan degenen die jaloers zijn op de godsbewusten. (34) Weer anderen beweren dat Je, in reactie op de gebeden van Heer Brahmâ, als een boot op zee bent verschenen om de zware last van het werelds verdriet weg te nemen. (35) En nog weer anderen zeggen dat Je verscheen voor de zielen lijdend onder verlangen en onwetendheid in de materieel gemotiveerde wereld, zodat ze kunnen komen tot het vernemen over en het in gedachten houden en aanbidden [van Jou]. (36) Die mensen die er behagen in scheppen voortdurend te vernemen over, te zingen over en terug te denken aan Jouw handelingen, zullen beslist zeer snel Je lotusvoeten zien die een einde maken aan de stroom van wedergeboorten. (37) O Meester, met alles wat Jij  voor ons gedaan hebt, laat Je, nu vertrekkend, ons achter met de koningen die met ons in vijandschap verkeren, wij, Je intieme vrienden die in afhankelijkheid van niets dan Je lotusvoeten aan Jouw genade hun leven te danken hebben. (38) Wie zijn wij, wat is onze naam en faam als Yadus samen met de Pândavas, zonder Jou? Met Jou afwezig zullen we zijn als de zintuigen van een lichaam dat is verlaten door zijn beheerser. (39) O Gadâdhara ['hanteerder van de knots'], het land van ons koninkrijk zal er niet langer zo mooi uitzien als nu, betoverd als het is door de sporen van Je voetafdrukken. (40) Al deze steden en plaatsen bloeiden, dankzij Jouw blikken, meer en meer op met hun weelde aan kruiden, groenten, wouden, heuvels, rivieren en zeeën. (41) O Heer en Ziel van het Universum, o Persoonlijkheid van de Universele Gedaante, snijdt daarom de band door van de diepe genegenheid die ik heb voor mijn verwanten, de Pândava's en de Vrishni's. (42) Maak mijn aandacht voor Jou, o Heer van Madhu, zuiver en constant, moge ik worden geleid door het rechtstreeks tot Jou aangetrokken zijn, zoals de Ganges steeds naar zee stroomt. (43) O Krishna, vriend van Arjuna en leider van de Vrishni's, vernietiger van de opstandige geslachten van deze aarde, met Jouw niet aflatende heldenmoed bevrijdt Je de koeien, de brahmanen en halfgoden die in nood verkeren. O nederdaling van de Heer van de Yoga, Universele Leraar en Eigenaar van Al de Weelde, Jou biedt ik mijn eerbetuigingen.' "

(44) Sûta zei: "Na met die keur aan woorden door Koningin Kuntî in Zijn universele glorie te zijn aanbeden, gaf de Heer een milde glimlach ten beste zo betoverend als Zijn mystiek vermogen. (45) Dat aldus aanvaardend ging Hij het paleis van Hastinâpura binnen en bracht Hij de andere dames op de hoogte [van Zijn vertrek]. Toen Hij daarop  naar Zijn eigen verblijfplaats wilde afreizen, werd hij liefdevol tegengehouden door de koning [Yudhishthhira]. (46) De geleerden, de wijzen onder leiding van Vyâsa en Krishna Zelf - nota bene Hij  van de bovennatuurlijke werken in eigen persoon - konden de koning, die van streek was, niet overtuigen, noch kon hij troost vinden in de klassieke geschiedenissen. (47) Koning Yudhishthhira, de zoon van Dharma, denkend aan de vrienden die waren gedood, liet zich op basis van een materieel begrip van het zelf, o wijzen, leiden door de begoocheling van zijn emoties en zei: (48) 'Zie mij toch die, vanuit de onwetendheid in zijn hart, zich verloor in zonde toen hij, met dit lichaam dat eigenlijk bedoeld is voor de dienst aan anderen, zo veel formaties strijders doodde. (49) Ik die zoveel jongens, tweemaal geborenen, weldoeners, vrienden, ouderen, broeders en leraren heb gedood, zal zeker nimmer, in nog geen miljoen jaar, uit de hel bevrijd raken. (50) Voor een koning die vecht voor de rechtvaardige zaak van het beschermen van de burgers, is het geen zonde om in de strijd met zijn vijanden mensen te doden, maar deze woorden, bedoeld om het bestuur te behagen, gelden niet voor mij. (51) Ik kan niet verwachten dat al het kwade bloed, dat ik heb gezet bij de vrouwen van de vrienden die ik heb gedood, ongedaan kan worden gemaakt door me in te spannen voor hun materiële welzijn. (52) Zoals men geen modderwater met modder kan filteren en een wijnvlek niet met wijn kan verwijderen, kan men ook niet het doden van één enkel leven ongedaan maken met het uitvoeren van offers.' "

 



Hoofdstuk 9: Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Krishna

(1) Sûta zei: "Yudhishthhira, die in angst verkeerde vanwege het feit dat hij mensen gedood had ging daarna, om al de plichten te begrijpen, naar het slagveld waar de stervende Bhîshma op de grond lag. (2) Getrokken door de beste paarden gesierd met gouden ornamenten, volgden alle broers hem daarheen, begeleid door Vyâsa, Dhaumya [de priester van de Pândava's] en andere rishi's. (3) Ook de Allerhoogste Heer kwam mee met Arjuna op de strijdwagen, o wijzen onder de geschoolden. Aldus kwam de koning heel aristocratisch over, gelijk Kuvera [de schatbewaarder van de halfgoden] samen met zijn begeleiders. (4) Hem op de grond zien liggend als een uit de hemel gevallen halfgod, maakte hij tezamen met zijn Pândava broers en Degene met de Werpschijf [Krishna], een buiging voor hem. (5) Al de wijzen onder de brahmanen, de godsbewusten en de adel waren daar aanwezig, enkel om de leider van de afstammelingen van Koning Bharata [de gemeenschappelijke voorouder] te zien. (6-7) Parvata Muni, Nârada, Dhaumya, Vyâsadeva, Brihadas'va, Bharadvâja en Paras'urâma waren er daar met hun discipelen en ook Vasishthha, Indrapramada, Trita, Gritsamada, Asita, Kakshîvân, Gautama, Atri, Kaus'ika en Sudars'ana waren gekomen. (8) O brahmanen, ook vele andere wijzen als S'ukadeva, het werktuig van God, en andere zuivere zielen als Kas'yapa en Ângirasa arriveerden daar vergezeld van hun discipelen.

(9) Bhîshmadeva, de beste onder de Vasu's, die heel goed wist hoe hij het dharma overeenkomstig tijd en omstandigheid moest aanpassen, verwelkomde al de groten en machtigen die zich daar hadden verzameld. (10) Op de hoogte van Zijn heerlijkheid vereerde hij Krishna, de Heer van het Universum zich bevindend in het hart die Zijn gedaante openbaart middels Zijn innerlijk vermogen. (11) Overweldigd door gevoelens van liefde over de samenkomst feliciteerde hij, met tranen in de ogen in staat van vervoering, de zoons van Pându die in stilte aan zijn zijde zaten. (12) Hij zei: 'O hoe pijnlijk en onrechtvaardig is het geweest voor jullie goede zielen, zonen van de rechtschapenheid, om zo'n leven vol van leed te hebben gehad dat jullie echt niet verdienden onder de bescherming van de brahmanen, de religie en de Onfeilbare. (13) Na de dood van de grote veldheer Pându, toen jullie als de kinderen van Kuntî, zijn echtgenote, nog jong waren, had ze veel te lijden vanwege jullie, en dat was ook zo toen jullie jongens waren opgegroeid. (14) Al het onaangename dat voorviel kan je denk ik aan de Tijd toeschrijven; jullie, evenzogoed als de ganse wereld met zijn heersende halfgoden, staan onder die controle, zo goed als wolken door de wind worden meegevoerd. (15) Waarom anders zou er een dergelijk ongeluk zijn met Yudhishthhira, de zoon van de heerser van de religie, aanwezig, alsook Bhîma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gândîva in zijn hand en onze weldoener Krishna? (16) Niemand kan Zijn plan doorgronden, o Koning, het verbijstert zelfs de grote filosofen die verwikkeld zijn in uitvoerig onderzoek. (17) Derhalve, verzeker ik u, o [Yudhishthhira,] beste van Bharata, dat dit allemaal toe te schrijven is aan Zijn wil, Zijn voorzienigheid. O heerser, ontfermt u zich toch vooral over de hulpeloze onderdanen, o meester. (18) Hij [Krishna] die zich op ondoorgrondelijke wijze beweegt onder de Vrishni's, is niemand anders dan de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke oergenieter Nârâyana die de wereld verbijstert met Zijn energieën. (19) O Koning, Heer S'iva, Nârada de goddelijke wijze en de grote Heer Kapila hebben rechtstreeks kennis van Zijn hoogst vertrouwelijke glorie [maar weten niet wat Hij van plan is]. (20) Hij is dezelfde persoon die u beschouwt als de neef van uw moeders kant, uw meest dierbare vriend, ijverige weldoener, raadgever, boodschapper, begunstiger en wagenmenner. (21) Hij die in ieders hart aanwezig is, die iedereen gelijkgezind is en die van het Absolute zijnde zich nimmer valselijk vereenzelvigt, maakt, met alles wat Hij doet, in Zijn bewustzijn nimmer, wanneer dan ook, een verschil, vrij als Hij is van welke voorkeur ook. (22) Niettemin, hoe onpartijdig Hij ook is met Zijn toegewijden, zie, o Koning, hoe Krishna zich er in mijn stervensuur om bekommert zichtbaar aan mijn zijde aanwezig te zijn. (23) Die yoga-aanhangers die met Hem in hun geest toegewijd mediteren op Zijn heilige naam en met hun mond Zijn heerlijkheden bezingen, zullen, na hun afscheid van de materiële levensopvatting [hun lichaam], bevrijd raken van hun verlangen naar materieel gemotiveerde handelingen. (24) Moge Hij, het pad van mijn meditaties, de vierarmige God van de Goden, de Allerhoogste Heer, met Zijn bemoedigende glimlach, Zijn ogen rood als de ochtendzon en Zijn opgesierde lotusgezicht, mij opwachten op het moment dat ik dit materiële lichaam verlaat.' "

(25) Sûta zei: "Yudhishthhira, die dit vernam van hem die neerlag op een bed van pijlen, vroeg hem, terwijl de rishi's toehoorden, naar de verschillende religieuze verplichtingen. (26) Bhîshma beschreef voor hem de verschillende levensstadia en de roepingen zoals bepaald door iemands karakter, alsook de manier hoe men systematisch moet omgaan met de symptomen van zowel de gehechtheid als de onthechting. (27) Hij gaf een overzicht van de plichten van liefdadigheid, leiderschap en bevrijding, met inbegrip van een meer gedetailleerde beschrijving, en besprak tevens de plichten van de vrouw en die van de toegewijde dienst. (28) Bekend met de waarheid beschreef hij, o wijzen, de [vier burgerdeugden betreffende de regulatie van] de religie, de economie, de verlangens en de bevrijding, en gaf daarbij voorbeelden uit bekende geschiedenissen. (29) In de tijd dat Bhîshma een beschrijving gaf van de plichten, bewoog de zon zich over het noordelijk halfrond, hetgeen precies de periode is waar de wijzen de voorkeur aan geven om deze wereld te verlaten [zie B.G. 8: 24]. (30) Bhîshmadeva, de beschermheer van duizenden wetenschappen en kunsten, viel toen stil. Met zijn denken bevrijd van alle gebondenheid vestigde hij vervolgens zijn ogen, wijd open gesperd, op Krishna, de Vierhandige Oorspronkelijke Persoon die in het geel gekleed voor hem stond. (31) Eenvoudigweg naar Hem, de Vernietiger van het Ongunstige kijkend, zuiverde zich zijn meditatie en verdween in een oogwenk de pijn die hij had van de pijlen. En terwijl hij zijn gebeden deed voor het materiële tabernakel stopte al de activiteit van zijn zinnen en vertrok hij naar de Heerser over Alle Levende Wezens. (32) S'rî Bhîshmadeva zei: 'Bevrijd van verlangens, is mijn geest nu klaar voor de Allerhoogste Heer, de Leider van de Toegewijden, de Grote In Zichzelf Tevredene die, in de realisatie van Zijn bovenzinnelijke vreugde, bij tijden [in de gedaante van een avatâra] er genoegen in schept deze materiële wereld te aanvaarden die constant in verandering is. (33) Hij is de meest begeerlijke persoon van de hogere, lagere en tussenwerelden. Grijsblauw als een tamâlaboom draagt Hij kleding die straalt als de gouden gloed van de zon. Hij heeft een lichaam opgesierd met sandelhoutpasta en een gezicht als een lotus. Moge mijn liefde, zonder materiële bijbedoelingen, rusten in de vriend van Arjuna. (34) Laat het denken gericht zijn op S'rî Krishna die op het slagveld, met zijn wuivende haar dat askleurig was door het stof van de hoeven, met Zijn gezicht gesierd met transpiratie en Zijn huid doorboord door mijn scherpe pijlen, er genoegen in schiep Zijn beschermende wapenrok te dragen. (35) Na het horen van het bevel van Zijn vriend manoeuvreerde Hij de strijdwagen tussen de tegenover elkaar opgestelde strijdkrachten en in die positie bekortte Hij de levensduur van de vijand door slechts naar hen te kijken. Moge er mijn liefde zijn voor die vriend van Arjuna. (36) De gezichten ziend van de troepen op afstand, vaagde Hij met Zijn bovenzinnelijke kennis de onwetendheid weg van hem die, vanwege een onzuivere intelligentie, weifelde zijn soortgenoten te doden. Laat er de transcendentie zijn van mijn aantrekking tot Zijn voeten.

(37)
Afziend van Zijn eigen belofte niet te vechten en mijn eed vervullend Hem daartoe aan te zetten, kwam Hij van Zijn strijdwagen af, pakte Hij het wiel ervan op en stormde Hij - terwijl Hij Zijn bovenkleed liet vallen - op me af als een leeuw die een olifant wil doden. (38) Gewond door de scherpe pijlen van de agressor die ik was en met zijn wapenrusting kapot, bewoog Hij zich besmeurd met bloed in een woedende stemming in mijn richting om me te doden. Moge de Allerhoogste Heer die bevrijding schenkt mijn bestemming worden. (39) Laat me in dit stervensuur van liefde zijn voor de Persoonlijkheid van God die de paarden mennend met een zweep in Zijn rechter en de teugels in Zijn linker hand, zo elegant om te zien, alles in het werk stelde om de strijdwagen van Arjuna te beschermen. Het was door naar Hem te kijken dat zij die op deze plek stierven hun eigenlijke vorm [van dienstbaarheid] realiseerden. (40) Kijkend naar de aantrekkelijke bewegingen van Zijn allerhoogst gestemde, fascinerende handelingen en zoete, liefdevolle glimlachen, ervoeren de gopî's van Vrajadhâma [het dorp van Krishna's jeugd] die Hem waanzinnig in extase nadeden, Zijn aard. (41) Toen koning Yudhishthhira het [Râjasûya] grote koningsoffer bracht waarbij de grote wijzen en koningen waren verzameld, ontving Hij het respectvolle eerbetoon van de ganse elite. Ik daar aanwezig herkende Hem toen [en herinner me Hem nu nog steeds] als de [Allerhoogste] Ziel, als het voorwerp van verering. (42) Na de verzonkenheid te hebben ervaren van het bevrijd zijn van de misvattingen van de dualiteit, weet ik [sedertdien] dat Hij, hier nu aanwezig voor me, de Ongeborene is in het hart van de geconditioneerde ziel. Het is Hij die, zich als de Superziel bevindend in het hart van allen die door Hem zijn geschapen, net als de ene zon, vanuit vele gezichtshoeken verschillend wordt bekeken.' "

(43) Sûta zei: "Met zijn denken, spreken, zien en doen aldus op enkel Krishna gefixeerd, werd hij stil en stopte hij met ademhalen na te zijn overgegaan in het levende wezen van de Superziel. (44) Begrijpend dat Bhîshmadeva was opgegaan in het Allerhoogste Onbegrensde Absolute, vervielen allen in stilte zoals vogels aan het einde van de dag. (45) Daarna klonken van overal trommels geslagen door goden en mensen, met oprechte lofprijzingen van de kant van de godvruchtige, koninklijke orde en bloemenregens die uit de hemel neerdaalden. (46) O afstammeling van Bhrigu [S'aunaka], nadat Yudhishthhira de begrafenisriten voor het stoffelijk overschot volbracht had was hij een ogenblik aangedaan. (47) De wijzen die tevreden en gelukkig waren met [de ontboezeming van] het vertrouwelijke geheim van de heerlijkheden van Krishna, keerden toen, met Hem in hun hart gesloten, terug naar hun hermitages. (48) Yudhishthhira ging samen met Krishna naar Hastinâpura en troostte zijn oom [Dhritarâshthra] en ascetische tante Ghândhârî. (49) Met de goedkeuring van zijn oom en de instemming van Vâsudeva heerste hij daarna over het koninkrijk, getrouw het dharma en de grootheid van zijn vader [Pându] en voorvaderen."

 

Hoofdstuk 10: Het Vertrek van Krishna naar Dvârakâ

(1) S'aunaka Muni vroeg: "Wat deed Yudhishthhira, de grootste beschermer van het dharma, samen met zijn jongere broers, nadat hij de agressors had gedood die zich onrechtmatig de wettige nalatenschap wilden toe-eigenen; hoe ging hij tewerk [met regeren] in het beperken van de geneugten van het leven?"

(2) Sûta zei: "Na de uitputtende bamboebrand van de Kurudynastie, was de Heer, de handhaver van de schepping, er blij mee te zien hoe de spruit van Yudhishthhira's koninkrijk in ere was hersteld. (3) Yudhishthhira die gehoord had wat Bhîshma en de Onfeilbare hadden gezegd, was, doordrongen van perfecte kennis, zijn verbijstering te boven gekomen en heerste toen, gevolgd door zijn broers en beschermd door de onoverwinnelijke Heer, over de aarde en de zeeën als was hij de koning van de hemel [Indra]. (4) Alle regen die nodig was viel uit de hemel, de akkers brachten al het nodige voort en uit pure vreugde bevochtigden de koeien de weiden met hun volle uiers. (5) De rivieren, oceanen en heuvels verzekerden hem in alle seizoenen van alle noodzakelijke groenten, begroeiing en medicinale kruiden. (6) Nimmer werd, vanwege henzelf, vanwege de natuur of vanwege anderen, enig levend wezen geplaagd door angsten, ziekten of extreme temperaturen, zoals dat altijd het geval is met een koning die geen vijanden heeft.

(7) Om Zijn familie tot rust te brengen en Zijn zuster [Subhadrâ, die met Arjuna was getrouwd] een plezier te doen, verbleef de Heer een paar maanden in de stad Hastinâpura. (8) Na met instemming Zijn vertrek te hebben aangekondigd, Zich te hebben verbogen voor de koning en hem omhelsd te hebben, besteeg Hij Zijn strijdwagen. Daarbij werd Hij op Zijn beurt door de anderen geëerd en omhelsd. (9-10) Zijn zus [Subhadrâ], [de vrouw van de Pândava's] Draupadî, [hun moeder] Kuntî, [Parîkchit's moeder] Uttarâ en [de blinde grootvader] Dhritarâshthra en [zijn vrouw] Gândhârî, [hun zoon] Yuyutsu, [de Kurupriester] Kripâcârya, [de tweelingbroers] Nakula en Sahadeva tezamen met Bhîma, en [de Pândava priester] Dhaumya, de [overige] dames van het paleis en [Vyâsa's moeder] Satyavatî, konden de scheiding van Hem met de boog S'ârnga in Zijn hand maar moeilijk verdragen en vielen bijna flauw. (11-12) Iemand die intelligent is zal, bevrijd door goed gezelschap van een materialistische omgang, er niet over peinzen het bezingen van Zijn faam op te geven, al hoorde hij maar één enkele keer dat aangename geluid. Hoe zouden dan de Pândava's, die hun geest op Hem fixeerden en Hem van aangezicht tot aangezicht zagen, Hem aanraakten, samen met Hem sliepen, zaten en aten, het  kunnen verdragen van Hem gescheiden te zijn? (13) Allen, met wijd open ogen naar Hem kijkend, smolten voor Hem en bewogen zich rusteloos, bepaald door pure genegenheid. (14) De dames van de familie die uit het paleis kwamen, hadden het er moeilijk mee een vloed van tranen te beheersen, bang als ze waren dat om die reden ongunstige dingen zouden gebeuren met de zoon van Devakî. (15) Op dat moment klonken er mridanga's [trommels gebruikt in de toegewijde dienst], schelphoorns, hoorns, snaarinstrumenten, fluiten en nog meer trommels, pauken, bellen en andere ritme-instrumenten. (16) Om alles goed te kunnen zien klommen de dames van de Kurudynastie op het dak van het paleis, vanwaar ze met liefde en verlegen glimlachen bloemen lieten neerregenen op Krishna. (17) Voor de Meest Geliefde van de Geliefden, nam de overwinnaar van de slaap [Arjuna] een geborduurde parasol ter hand die versierd was met parels en kantwerk en een met juwelen ingelegde handgreep had. (18) Gezeten op rondgestrooide bloemen, werd de meester van Madhu die opdracht gaf te vertrekken, door Zijn halfbroer-neef Uddhava, en Zijn wagenmenner Sâtyaki, koelte toegewuifd met schitterende waaiers.

(19) Van alle kanten kon men de woorden horen weerklinken van het waarachtige eerbetoon van de brahmanen die voor de gelegenheid noch gepast noch ongepast waren, gezien het feit dat de Absolute Waarheid daar aanwezig was in een gedaante onderworpen aan de drie geaardheden van de natuur. (20) De dames van de hoofdstad van de koning van de Kuru's, waren dusdanig met hun harten verzonken in het onderling bespreken van Hem die geprezen wordt in de geschriften, dat het aantrekkelijker klonk dan de lofzangen van de Veda's zelf: (21) 'We zullen ons Hem beslist blijven herinneren als de Persoonlijkheid van God, als de Oorspronkelijke Persoon die, materieel niet gemanifesteerd, in Zichzelf bestond vóór de schepping van de natuurlijke geaardheden. Hij is de Heer, de Ziel van het Universum, waar de levende wezens met hun energieën uiteindelijk in opgaan zoals ze 's nachts gaan rusten. (22) Hij die de geopenbaarde geschriften in de praktijk brengt wenst daarbij, met het tentoonspreiden van Zijn persoonlijke vermogen als Hij [in de gedaante van een avatâra] de illusie van de materiële natuur gestalte geeft, om Zijn - in feite onbenoembare - individuele aard telkens weer opnieuw [andere] namen en vormen toe te kennen. (23) Hij hier vormt duidelijk dezelfde toevlucht als die van de grote toegewijden die erin slaagden hun zinnen en leven onder controle te krijgen en die, bij de gratie van hun toewijding, getuige mochten zijn van de ontwikkeling van een zuivere geest. Het is enkel door deze toewijding, enkel hierdoor, dat ze een gezuiverd bestaan verdienen. (24) O vriendinnen, het is Hij die omwille van Zijn uitmuntende spel en vermaak, dat vertrouwelijk wordt beschreven in de Veda's en wordt besproken door de intieme toegewijden, wordt gerespecteerd als de enige ware Allerhoogste Beheerser en Superziel van de totale schepping, Hij die door de manifestatie van Zijn spel en vermaak schept, handhaaft en vernietigt zonder er ooit aan gehecht te raken. (25) Wanneer er ook maar heersers zijn die onwetend als beesten tegen de goddelijke principes ingaan, manifesteert Hij, beslist uit goedheid, op dat moment Zijn allerhoogste macht en positieve waarheid, genade en wonderbaarlijke activiteiten in diverse gedaanten ter wille van de handhaving [van het dharma] in verschillende perioden en tijdperken [zie ook B.G 4: 7]. (26) O, hoe hoogst prijzenswaardig is de dynastie van koning Yadu, hoe hoogst verdienstelijk het land van Mathurâ, want Hij die hier ten tonele verscheen en rondging is de allerhoogste leider van alle levende wezens alsook de echtgenoot van de godin van het geluk. (27) Hoe wonderbaarlijk is Dvârakâ [het eiland waar Krishna Zijn verblijf heeft], de plaats die, tot de meerdere deugd en glorie van de aarde, de roem van de hemelse werelden overtreft en waarvan de bewoners het gewoon zijn voortdurend de ziel van de levende wezens [Krishna] te zien die Zijn genade schenkt met de zegening van Zijn goedlachse blik. (28) Om keer op keer te genieten van Zijn lippen zijn de vrouwen die Hij huwde ongetwijfeld met geloften, wassingen, vuuroffers en dergelijke van een volmaakte aanbidding geweest voor de Heer. O vriendinnen, vaak bezwijmden de dames in Vraja het als ze hun geesten daarop gericht hadden! (29) Van de koningin van Dvârakâ [Rukminî, Krishna's eerste vrouw], die met grote moed door Hem werd ontvoerd uit de open verkiezing van de bruidegom als de prijs die moest worden betaald door de aanvallende koningen aangevoerd door S'is'upâla, en van de andere dames die op dezelfde manier werden meegenomen na het doden van Bhaumâsura en duizenden van zijn mannen, zijn er kinderen als Pradyumna, Sâmba en Amba. (30) Al deze zo heel goede vrouwen die helaas van hun individualiteit, zuiverheid en deugd waren beroofd, waren ontroerd in het hart te worden gesloten van hun lotusogige echtgenoot die hen nimmer in hun woning alleen liet.'

(31) Terwijl de dames van de hoofdstad zich aldus uitlieten, gunde Hij hen de genade van Zijn blik. Vervolgens groette de Heer hen met een glimlach en vertrok Hij. (32) Yudhishthhira die geen vijanden had, engageerde in zijn genegenheid bezorgd over tegenstanders, vier divisies troepen [te paard, op olifanten, met wagens en te voet] om de vijand van Madhu te beschermen. (33) Nadat ze Hem aldus over een grote afstand begeleid hadden, haalde S'auri [Krishna als de kleinzoon van S'ûra] beleefd en vol genegenheid de vastberaden Pândava's over om terug te keren. Ze werden geheel beheerst door de gedachte aan het komende afscheid. Daarna vervolgde Hij met Zijn geliefde metgezellen Zijn weg naar Dvârakâ. (34-35) Reizend door Kurujângala [de provincie van Delhi], Pâñcâlâ [een deel van Punjab], S'ûrasenâ, Brahmâvarta [het noorden van Uttar Pradesh] en de districten langs de rivier de Yamunâ, kwam Hij langs Kurukshetra waar de veldslag was uitgevochten en trok Hij door de provincie Matsyâ, Sârasvatân [een ander deel van Punjab] en zo verder. Toen kwam Hij door het land van de woestijnen [Rajasthan], het land waar nauwelijks water is [Madhya Pradesh] en kwam Hij, na Sauvîra [Saurastra] en Âbhîra [een deel van Gujarat] door te hebben getrokken, o S'aunaka, met Zijn door de lange reis lichtelijk vermoeid geraakte paarden, uiteindelijk in het westen aan in de provincie van Dvârakâ. (36) In verschillende plaatsen gebeurde het dat de Heer werd verwelkomd en Hem diverse diensten werden aangeboden als Hij in de avond arriveerde nadat de zon de oostelijke hemel had doortrokken om onder te gaan waar de oceaan zich bevindt."

 

Hoofdstuk 11: De Binnenkomst van S'rî Krishna in Dvârakâ

(1) Sûta zei: "Toen Hij de grens van de welvarende streek Ânarta [het gebied van Dvârakâ, Zijn hoofdstad] bereikte, liet Hij Zijn schelphoorn [de Pâñcajanya] klinken, hetgeen, zo bleek, een einde maakte aan de neerslachtigheid van de bewoners. (2) Ondanks dat hij rood kleurde door de lippen van de Grote Avonturier, zag het schitterende wit van de ronde vorm van de schelphoorn zoals hij in Zijn handen tot klinken werd gebracht, eruit als een zwaan naar beneden gedoken bij de stelen van lotusbloemen. (3) Na het horen van het geluid, dat de angst van het materieel bestaan zelf schrik aanjaagt, spoedden al de burgers zich in de richting van de aanwezigheid van hun beschermer waar ze al zo lang naar hadden uitgekeken. (4-5) Voor Hem, de volledig voldane In Zichzelf Tevredene die hen bij de genade van Zijn vermogen onophoudelijk in alles voorzag, hielden ze een welkomstceremonie met verschillende presentaties. Het was alsof men een lamp offerde aan de zon. Met opgetogen en geëmotioneerde gezichten hielden ze extatisch vreugdevolle toespraken voor de Vader, zoals vrienden en beschermelingen dat doen voor hun beschermer.

(6) Ze zeiden: 'We hebben altijd gebogen voor Uw lotusvoeten, o Heer, zoals men dat doet in de aanbidding van Brahmâ en zijn zonen en de koning van de hemel. U immers bent voor degene die het opperste welzijn in dit leven verlangt, de Meester van de Transcendentie waarop de onvermijdelijke tijd geen vat heeft. (7) Wees ter wille van ons welzijn de Schepper van onze wereld en ook onze moeder, weldoener, echtgenoot, vader, Heer en geestelijk leraar. In het voetspoor tredend van U als onze aanbiddelijke godheid, onze hoogst vereerde, zijn we geslaagd in ons leven. (8) O hoe gelukkig mogen we ons prijzen nu we Uw zegenrijke gedaante weer zien en mogen genieten van Uw goede Zelf, want zelfs de halfgoden krijgen Uw toegenegen, liefdevol glimlachende gezicht maar zelden te zien. (9) Telkens, o lotusogige, als U hier vandaan vertrekt om Uw vrienden en verwanten onder de Kuru's [in Hastinâpura] en onder de mensen van Mathurâ op te zoeken, o Onfeilbare, lijkt ons ieder moment een miljoen jaar te duren en zijn onze ogen even nutteloos als ze zouden zijn zonder de zon. (10) Hoe kunnen we, als U elders verkeert, nu leven zonder de bevrediging van Uw blik die de ellende van de wereld verdrijft; hoe kunnen we nu leven zonder dat we Uw mooie, lachende en opgesierde, aantrekkelijke gezicht zien?'

Met de klank van deze woorden van de burgers in Zijn oren ging de zorgdrager van de toegewijden, Hij die de mens het menselijke bijbrengt middels het werpen van Zijn blikken, vervolgens de stad Dvârakâ binnen. (11) Zoals de stad Bhogavatî werd beschermd door de Nâga's, werd Dvârakâ beschermd door de kracht van de afstammelingen van Vrishni [Krishna's familie], Bhoja, Madhu, Das'ârha, Arha, Kukura, Andhaka enz. [ofwel de Yadu's], die allen zo goed waren als Krishna zelf. (12) In alle seizoenen was er de rijkdom van de boomgaarden en de bloementuinen, die met al hun bomen en planten en ook met de hermitages die er waren, fraaie parken vormden rondom vijvers vol met lotusbloemen die de stad extra verfraaiden. (13) De toegangspoort tot de stad zowel als de verschillende wegen waren voor de gelegenheid beschilderd met de belangrijkste symbolen en versierd met erebogen en vlaggen die hun schaduw wierpen in de zonneschijn. (14) De lanen, straten, de marktplaats en de pleinen waren grondig schoongemaakt, besprenkeld met geparfumeerd water en bestrooid met vruchten, bloemen en ongebroken zaden. (15) Bij de deur van ieder huis in de stad was er een uitstalling van yoghurt, ongebroken vruchten, suikerriet, versieringen, potten met water en artikelen voor het eerbetoon zoals wierook en lampen. (16-17) Horende dat Hij die hun het meest lief was thuiskwam, kwamen Zijn grootmoedige vader Vasudeva, Akrûra, Ugrasena, de  bovenmenselijk machtige Balarâma, Pradyumna, Cârudeshna en Sâmba, de zoon van Jâmbavatî, zeer verheugd in beweging vanuit hun rusten, zitten en dineren. (18) Met olifanten voorop, gelukbrengende zaken meenemend en met het weerklinken van schelphoorns en het verheerlijkend zingen van hymnen, spoedden ze zich samen met de brahmanen in blijde verwachting in Zijn richting op hun wagens. (19) Honderden courtisanes met oogverblindende oorbellen die de schoonheid van hun kaaklijn verhoogde, volgden in hun voertuigen, er hevig naar verlangend Hem te zien. (20) Er waren artiesten, dansers, zangers, geschiedkundigen, genealogen en geleerde sprekers die al de bovenmenselijke handelingen van de Heer bezongen en verheerlijkten. (21) De Allerhoogste Heer benaderde iedere vriend en burger die op Hem afkwam om Hem te verwelkomen en ontvangen, zoals het hoort met het nodige respect en eerbetoon. (22) Hij, de Almachtige, die tot aan de laagsten aan toe Zijn begeerde zegeningen schonk, boog met de bemoediging van Zijn vluchtige glimlach Zijn hoofd en begroette hen in woorden, omhelsde ze en schudde hun handen. (23) Toen ging Hij, begeleid door de oudere verwanten en de brahmanen en hun vrouwen, de stad binnen waar Hij ook werd verwelkomd met de zegeningen en lofprijzingen van andere bewonderaars.

(24) Terwijl Krishna door de straten van Dvârakâ liep, klommen de dames van stand op het dak van hun huizen, beste geleerden, om van Zijn aanblik te kunnen genieten. (25) Hoewel het hun gewoonte was altijd zo naar Hem te kijken, waren de inwoners van Dvârakâ het verlokkelijke schouwspel van de belichaming van de Onfeilbare, het reservoir van alle schoonheid, nimmer moe. (26) In Zijn borst huist de Godin van het Geluk, van Zijn gezicht drinken de ogen, bij Zijn armen houden de halfgoden stand en Zijn lotusvoeten vormen de toevlucht voor de pratende en zingende toegewijden. (27) Gediend met een witte parasol, waaiers en een straat bezaaid met bloemen, zag de Heer in Zijn gele kleding en met Zijn bloemenslingers eruit als een wolk omringd door de zon, de maan, bliksemschichten en een regenboog tezamen.

(28) Toen Hij daarop Zijn ouderlijk huis inging werd Hij omhelsd door Zijn zeven moeders [Zijn eigen moeder, de vrouw van de priester, van de leraar en van de koning, de koe, de min, en moeder aarde] die vreugdevol werden aangevoerd door Devakî voor wie Hij diep Zijn hoofd boog ter begroeting. (29) Nadat ze Hem allen op hun schoot hadden gezet, werden hun borsten nat van hun liefde en van het vocht van de tranen die hen overweldigden. (30) Daarna ging Hij Zijn persoonlijke onovertroffen verblijven binnen die, bevolkt door Zijn vrouwen wiens aantal de zestienduizend overschreed, aan alle mogelijke verlangens beantwoordden. (31) Toen ze op een afstandje hun echtgenoot thuis zagen komen, stonden de dames, in hun geest dolblij, met een verlegen blik onmiddellijk van hun zitplaatsen op. (32) Met Hem voor ogen, stuurden zij die verlegen waren [eerst] hun goddelijke liefde [hun 'zoons' of Cupido] op Hem af door Hem in hun harten te omhelzen in een moeilijk te beheersen extase, maar niettemin schoten ze, o leider van de Bhrigu's, vol met tranen die niet te stuiten als water uit hun ogen vloeiden. (33) Hoewel Hij hen altijd terzijde stond, zelfs als ze alleen waren, leken Zijn voeten hen iedere keer weer helemaal nieuw - wie zou zich ook kunnen losmaken van de voeten van de Eeuwige die nimmer door de Godin van het Geluk worden verlaten? (34) Hij schiep, zonder er zelf deel aan te hebben, de onderlinge vijandschap tussen de heersers die sedert de dag dat ze geboren waren een last voor de aarde waren geworden met de militaire macht die ze hadden over hun omgeving. Hij bracht verlichting door ze te doden zoals de wind dat doet met bamboestaken door met behulp van wrijving vuur te veroorzaken. (35) De Allerhoogste Heer trad, vanuit Zijn grondeloze genade, op eigen initiatief naar voren onder hen die deel uitmaken van deze menselijke wereld, en genoot van een leven met de waardigsten onder de vrouwen alsof het een gewone wereldse aangelegenheid betrof. (36) Hoewel ze onberispelijk waren en opwindend met hun bekoorlijke glimlachen, zoals ze met een ernstige gelaatsuitdrukking vanuit hun ooghoeken keken op een manier die zelfs Cupido in verwarring zijn boog deed opgeven, waren ze als eersteklas, verstandsverbijsterende vrouwen er nimmer toe in staat Zijn zinnen van streek te brengen met hun magie. (37) Gewone mensen die zien hoe Hij, ondanks Zijn onthechte staat, druk bezig is, beschouwen in hun onwetendheid Hem om die reden als een menselijk wezen vol van gehechtheden, als iemand die net zo onder invloed staat als zij zelf. (38) De goddelijkheid van de Persoonlijkheid van God is van dien aard dat Hij, hoewel Hij in contact staat met de materiële natuur, nooit door de kwaliteiten ervan wordt aangetast; en dat geldt ook voor de intelligentie van hen die zich steeds bevinden in de eeuwige waarheid van de Heer die hun toevlucht vormt. (39) De vrouwen gingen er in hun zwakheid en eenvoud van uit dat Hij een soort van meeloper was die wordt gedomineerd en geïsoleerd door zijn vrouw. Ze waren zich net zo weinig bewust van de heerlijkheden van hun echtgenoot als iemand die denkt dat hij zelf de hoogste genieter is."



Hoofdstuk 12: De Geboorte van Keizer Parîkchit

(1) S'aunaka zei: "De [vrucht in de] schoot van Uttarâ, die werd geteisterd door de enorme hitte van het onoverwinnelijke wapen dat was gelanceerd door As'vatthâmâ, werd door de Heer opnieuw het leven gegund. (2) Hoe vond de geboorte plaats van hem [keizer Parîkchit] die zo heel intelligent was, en wat deed deze grote ziel allemaal? Hoe precies kwam hij aan zijn einde en welke bestemming bereikte hij? (3) Als u het ons denkt te kunnen vertellen die dit allemaal, zo vol van geloof, graag willen weten, zeg ons dan welke bovenzinnelijke kennis door S'uka werd overgedragen."

(4) Sûta zei: "Koning Yudhishthhira bracht welvaart zoals zijn vader dat deed, door in voortdurende dienstbaarheid aan Krishna's voeten zonder enig nevenmotief van materieel gewin of zinsverlangen het zijn onderdanen naar de zin te maken. (5) Zijn roem wat betreft zijn rijkdom, de offers die hij bracht, waar hij voor stond, zijn koninginnen, zijn broers en zijn soevereiniteit over de planeet aarde waar we leven, drong zelfs door tot in de hemelse werelden. (6) Maar zo goed als een hongerig iemand met niets anders tevreden is dan met voedsel, kon ook hij in zijn honger als iemand die zich bewust is van Mukunda, de Bevrijder, o brahmanen, niet warmlopen voor al het begeerlijke van de aarde waar zelfs de godvrezenden op uit zijn.

(7) Toen Parîkchit de grote strijder als kind in de schoot van zijn moeder te lijden had onder de hitte van het brahmâstra wapen, kon hij, o zoon van Bhrigu, de Purusha [de oorspronkelijke persoon] waarnemen in een stralende gedaante. (8) In de schittering zag hij ter grootte van slechts een duim de bovenzinnelijke, onfeilbare Heer prachtig met een donkere huid, een gouden helm en oplichtende kleding. (9) Met de rijkdom van Zijn vier armen, oorsieraden van het zuiverste goud, bloeddoorlopen ogen en een strijdknots in Zijn handen, bewoog Hij Zich rond waarbij Hij voortdurend met de knots om Zich heen zwaaide alsof het een toorts was. (10) Terwijl Hij de straling van de brahmâstra tegenging zoals de zon dauwdruppels verdampt, werd Hij door het kind gadegeslagen dat zich afvroeg wie Hij was. (11) Hij zag hoe de allesdoordringende Superziel, de Allerhoogste Heer en beschermer van de rechtschapenheid, de gloed wegnam. Daarna verdween de Heer die zich in alle richtingen uitstrekt plotseling uit het zicht. (12) Toen vervolgens de gunstige tekenen van een goede stand van de sterren zich geleidelijk ontwikkelden nam hij, die zichzelf zou bewijzen als net zo machtig als Pându zelf, zijn geboorte als de troonopvolger van Pându. (13) Koning Yudhishthhira liet uiterst voldaan priesters als Dhaumya en Kripa het geboorteritueel uitvoeren onder de recitatie van zegenrijke hymnen. (14) Wetend waar, wanneer en hoe, beloonde hij vrijgevig bij de gelegenheid van die geboorte de brahmanen met goed voedsel en giften van goud, koeien, land, huisvesting, olifanten en paarden. (15) Blij richtten de brahmanen zich tot de koning, de leider van de Pûru's, en lieten hem weten dat ze zich zeer verplicht voelden tot de lijn van de afstammelingen van [de voorvader koning] Pûru. (16) Ze zeiden: 'Deze zoon werd u door de allesdoordringende en almachtige Heer geschonken om u genadig te zijn met het tegengaan van zijn vernietiging door het onoverwinnelijke, bovennatuurlijke wapen. (17) Daarom zal hij overal ter wereld bekend staan als Vishnu-râta, 'Geschonken door Vishnu'. Hij zal ongetwijfeld een hoogst fortuinlijke, allerverhevenste toegewijde zijn begiftigd met alle goede kwaliteiten.'

(18) De goede koning zei: 'O besten onder de waarachtigen, zal hij in de voetsporen treden van al de grote zielen van deze familie van heilige koningen? Zal hij net zo verdienstelijk en zegerijk zijn in zijn prestaties?'

(19) De brahmanen antwoordden: 'O zoon van Prithâ [Kuntî], hij zal net als koning Ikshvâku, de zoon van Manu, de behoeder zijn van alle levende wezens, hij zal zich aan zijn beloften houden en respect tonen voor de brahmanen, zoals Râma, de zoon van Das'aratha. (20) Hij zal zo liefdadig zijn als koning S'ibi van Us'înara en de overgegeven zielen beschermen. Hij zal zoals Bharata dat deed, de zoon van Dushyanta die vele offers bracht, de naam en faam van zijn familie verspreiden. (21) Onder de boogschutters zal hij zo goed zijn als de twee Arjuna's [zijn grootvader en de koning van Haihaya, zie 9.15: 17-19], hij zal zo onweerstaanbaar zijn als vuur en zo onoverkomelijk als de oceaan. (22) Zo krachtig als een leeuw, en even waardig voor het zoeken van een schuilplaats als de Himalaya's, zal hij zo verdraagzaam zijn als de aarde en zo tolerant zijn als zijn ouders. (23) Met een geest zo goed als die van de oorspronkelijke vader Brahmâ, zal hij zo genereus en gelijkmoedig zijn als Heer S'iva en een toevlucht vormen voor alle levende wezens zo goed als de Opperheer die de toevlucht is van de godin van het geluk. (24) Volgend in de voetsporen van Krishna zal hij de majesteit van alle goddelijke deugden zijn, zal hij de grootheid van koning Rantideva hebben en zo vroom zijn als Yayâti. (25) Zo geduldig als Bali Mahârâja zal dit kind zo toegewijd zijn als Prahlâda was met Krishna, hij zal vele As'vamedha [paard-]offers brengen en de ouderen en ervaren zielen trouw zijn. (26) Hij zal een geslacht van wijze koningen voortbrengen, de parvenu's terechtwijzen en, als een bron van rechtschapenheid in de wereld, korte metten maken met de ruziemakers. (27) Na vernomen te hebben over de dood die hij zal sterven, zoals veroorzaakt door een slangenvogel die werd gestuurd door de zoon van een brahmaan, zal hij zich bevrijden van zijn gehechtheden en zijn toevlucht nemen tot de Heer. (28) Van de zoon van de wijze Vyâsa zijn licht hebben opgestoken over de juiste zelfkennis zal hij, o Koning, aan de oever van de rivier de Ganges zijn materiële leven opgeven en de angstvrije staat  bereiken.'

(29) Toen de brahmanen die onderlegd waren op het gebied van de astrologie en het geboorteritueel de koning aldus op de hoogte hadden gesteld, werden ze rijkelijk beloond en keerden ze allen terug naar hun verblijfplaatsen. (30) Hij, o meester [Śaunaka], verwierf faam in deze wereld als Parîkchit, de onderzoeker, omdat hij met Hem in gedachten die hij vóór zijn geboorte had gezien, alle mensen steeds nauwlettend zou onderzoeken. (31) Net zoals de wassende maan dag na dag toeneemt, groeide ook de kroonprins onder de hoede van zijn beschermende ouders spoedig op tot wie hij zou zijn.

(32) Koning Yudhishthhira, die graag een paardoffer wilde brengen om de last van zich af te schudden tegen zijn familieleden te hebben gevochten, overwoog fondsen te werven daar hij slechts ontvangsten had uit belastingen en boetes. (33) Uit respect voor zijn wijze wens gingen zijn broers toen op aanraden van de Onfeilbare noordwaarts om voldoende rijkdommen in te zamelen. (34) Met het resultaat van die ingezamelde rijkdommen kon Yudhishthhira, de bezorgde, godvruchtige koning, drie paardoffers brengen waarmee hij Heer Hari volmaakt aanbad. (35) De Allerhoogste Heer liet op uitnodiging van de koning de brahmanen de offerplechtigheden voor hem uitvoeren en bleef vervolgens nog een paar maanden langer om aan de verlangens van Zijn vrienden te voldoen. (36) Toen ging Hij, beste brahmanen, met de instemming van de koning, Draupadî en Zijn verwanten, terug naar Dvârakâ, begeleid door Arjuna en andere leden van de Yadudynastie."



Hoofdstuk 13: Dhritarâshthra Gaat van Huis

(1) Sûta zei: "Vidura [*] rondtrekkend langs de verschillende bedevaartsoorden, had van de grote wijze Maitreya kennis ontvangen over de bestemming van het zelf. Door die kennis voldoende op de hoogte van alles wat er te weten viel, keerde hij terug naar de stad Hastinâpura. (2) Na al de vragen die Vidura aan Maitreya had voorgelegd in zijn aanwezigheid, had zich in hem een onverdeelde toewijding voor Govinda ontwikkeld zodat hij afzag van verdere vragen. (3-4) Toen ze hem daar zagen arriveren, beste brahmanen, heetten Yudhishthhira en zijn jongere broers, Dhritarâshthra, Sâtyaki en Sañjaya, Kripâcârya, Kuntî, Gândhârî, Draupadî, Subhadrâ, Uttarâ, Kripî, andere vrouwen van de familieleden van de Pândava's en andere dames met hun zonen, hem allen welkom. (5) Alsof ze uit de dood waren opgewekt kwamen ze hem opgetogen tegemoet om hem met alle respect te ontvangen met omhelzingen en eerbetuigingen. (6) In hun liefde voor hem lieten ze emotioneel hun tranen de vrije loop vanwege de doorstane angsten en het verdriet als gevolg van de scheiding. Koning Yudhishthhira bood hem een zitplaats en bereidde hem vervolgens een ontvangst.

(7) Nadat hij had gegeten, gerust had en comfortabel gezeten was, boog de koning zich nederig voorover om zich in de aanwezigheid van iedereen tot hem te richten. (8) Yudhishthhira zei: 'Herinnert u zich hoe we, opgevoed onder uw beschermende vleugels, samen met onze moeder werden gered van verschillende calamiteiten als vergiftiging en brandstichting? (9) Met welke middelen voorzag u in uw levensonderhoud toen u rondtrok over het oppervlak van de aarde en in welke heilige bedevaartplaatsen bent u op deze planeet dienstbaar geweest? (10) Toegewijden als uwe goedheid veranderen zelf in heilige plaatsen o machtige; en met de Drager van de Knots in uw hart, verandert u dan alle plaatsen in pelgrimsoorden. (11) Beste oom, kan u zeggen wat u van onze vrienden en weldoeners gezien of vernomen hebt? Zijn de nakomelingen van Yadu, zo vol van hun dienst aan Krishna, allen gelukkig waar ze wonen?'

(12) Aldus door de koning ondervraagd, beschreef hij, het ene na het andere onderwerp afhandelend, grondig alles wat hij ervaren had, maar hij sprak met geen woord over de vernietiging van de dynastie. (13) Omdat hij ze niet van streek wilde brengen was hij zo genadig het niet te hebben over dit in feite zo onverkwikkelijke en onverdraaglijke aspect van het gedrag van de mensheid. (14) De wijze, die behandeld werd als een god, bleef daarop enkele dagen te gast, zodat hij iets voor zijn oudste broer kon betekenen en iedereen gelukkig zou zijn. (15) Vanwege een vloek van Mandûka Muni [die onder Yama's verantwoordelijkheid onrechtvaardig was behandeld], moest Vidura [die een incarnatie van Yama was] honderd jaar lang de rol van een s'ûdra [iemand van de arbeidende klasse] spelen. Aryamâ nam zolang zijn plaats in om de straffen uit te delen die de zondaars toekwamen [**].

(16) Yudhishthhira had gezien dat er een kleinzoon in de dynastie geschikt was om het koninkrijk te besturen dat hij weer in handen had gekregen, en genoot samen met zijn bestuurlijk bekwame broers van een leven in grote welstand. (17) Maar de onoverkomelijke, niet waarneembare Tijd overtreft op onnavolgbare wijze allen die onoplettend al te zeer hechten aan familieaangelegenheden. (18) Vidura, zich daarvan bewust, zei tegen Dhritarâshthra: 'O Koning, [beste broer], trek je alsjeblieft zonder aarzelen terug, zie toch hoe je leven door de angst wordt beheerst. (19) In deze materiële wereld o meester, is er niets of niemand die deze angst kan afwenden, want het betreft de Allerhoogste Heer die zich voor een ieder van ons aandient in de gedaante van de eeuwige Tijd. (20) Onvermijdelijk ten prooi aan de macht van de tijd moet een persoon dit leven, dierbaar als het voor een ieder is, zomaar weer opgeven, om nog maar te zwijgen van de weelde en zo meer die hij heeft verworven. (21) Met je vader, broer, weldoeners en zoons allen dood, met je leven uitgeblust en je lichaam gebrekkig van de ouderdom, leef je bij iemand anders in huis. (22) Je bent van jongs af aan blind geweest, je hoort niet meer zo goed, je geheugen laat het afweten en recentelijk zijn je tanden los gaan zitten, bezorgt je lever je moeilijkheden en hoest je luidruchtig slijm op. (23) Ach, hoe zeer hecht het levende wezen aan het leven, zozeer zelfs dat jij daardoor, als een hond, de resten eet van de maaltijd overgelaten door Bhîma [je Pândava neef]. (24) Hoe kan je nu teren op de genade van degenen die je geprobeerd hebt te verbranden en te vergiftigen en wiens vrouw je beledigd hebt terwijl je hun koninkrijk inpalmde? (25) Of je het nu wilt of niet, je zal, hoezeer je ook aan het leven hecht, onder ogen moeten zien dat dit miserabele lichaam wegkwijnt en uiteenvalt als een oud kledingstuk. (26) Iemand is moedig en hoogstaand als hij, niet meer naar behoren beschikkend over zijn lichaam, onbezorgd en verlost van alle verplichtingen vertrekt naar een onbekende bestemming. (27) Een ieder die, naar eigen inzicht of het geleerd hebbend van anderen, tot bewustzijn komt in afkeer van de wereld en zijn huis verlaat met de Heer verankerd in zijn hart, is voorzeker een hoogstaand mens. (28) Vertrek daarom alsjeblieft in noordelijke richting zonder dat je verwanten ervan weten, want hierna zal weldra de tijd zich aandienen waarin veel van de kwaliteiten van de mens in verval raken [Kali-yuga].' (29) Nadat hij dit hoorde brak de oude koning van de Ajamîdha-familie, indachtig de wijsheid van zijn jongere broer Vidura, vastberaden met de sterke familiebanden en vertrok hij in de richting die is vastgesteld voor de weg van de bevrijding. (30) Bij zijn vertrek volgde de kuise en waardige dochter van koning Subala [Gândhârî] haar echtgenoot naar de Himalaya's - de plaats die de verrukking vormt voor hen die de staf van de verzaking oppakten als waren ze vechters die een terecht pak slaag accepteren.

(31) Terugkerend naar het paleis wilde hij die niemand als zijn vijand beschouwde [Yudhishthhira] de ouderen zijn respect betonen met eerbetuigingen, nadat hij de halfgoden had aanbeden met offerandes en de brahmanen zijn eerbetuigingen had gebracht met schenkingen van granen, land, koeien en goud, maar hij kon zijn twee ooms en tante Gândhârî niet vinden. (32) Bezorgd wendde hij zich tot Sañjaya de zoon van Gavalgana [de assistent die de blinde Dhritarâshthra het verslag deed van de strijd], en zei tot hem: 'Waar is onze oude, blinde oom? (33) Waar zijn mijn weldoener Vidura en moeder Gândhârî die rouwt over het verlies van haar nakomelingen? Heeft de oude koning, vanwege het verlies van zijn zonen, vol van twijfel over mijn ondankbaarheid en overtredingen, zich in zijn verdriet samen met zijn vrouw verdronken in de Ganges? (34) Na de val van mijn vader koning Pându, waren zij de weldoeners die ons allen beschermden toen we nog maar kleine kinderen waren. Waarheen zijn mijn ooms vanhier vertrokken?' "

(35) Sûta zei: "Sañjaya die bezorgd was uit liefde voor zijn meester, kon hem niet vinden, was van streek over de gescheidenheid en kon in zijn verdriet geen woord uitbrengen. (36) Denkend aan de voeten van zijn meester veegde hij met zijn handen de tranen van zijn gezicht. Hij toomde zich in en gaf koning Yudhishthhira antwoord. (37) Sañjaya zei: 'Ik weet niet wat uw ooms of Gândhârî van plan waren, o afstammeling van de Kurudynastie - o grote Koning, ik ben door deze grote zielen op een dwaalspoor gezet.' (38) Op dat moment kwam de verheven persoonlijkheid Nârada daar aan met zijn muziekinstrument. Yudhishthhira en zijn jongere broers stonden op van hun zetels en verwelkomden de wijze zoals het hoorde. Vervolgens zei de koning: (39) 'O Allerhoogste, ik weet niet in welke richting mijn ooms en mijn ascetische tante, die heel bedroefd is over het verlies van haar zoons, van hier zijn vertrokken. (40) Als een kapitein op een schip in de uitgestrekte oceaan bent u de Heer om ons naar de overkant te helpen.'

Op die manier aangesproken richtte de goddelijke persoonlijkheid Nârada, de grootste onder de wijzen, het woord tot hen: (41) 'O Koning, weeklaag nimmer, om welke reden dan ook, want de Allerhoogste Heer waakt over dit universum. Alle levende wezens en hun leiders houden [om die reden] steeds erediensten voor hun bescherming. Hij is degene die allen bijeenbrengt en weer van elkaar scheidt. (42) Zoals een koe met een touw door de neus wordt vastgebonden, wordt men op dezelfde manier er door de hymnen en voorschriften van de Veda aan gebonden zich te houden aan wat de Allerhoogste verlangt. (43) Zoals men in deze wereld naar believen spelbenodigdheden bij elkaar brengt en weer opbergt, vergaat het ook de mensen die, onderworpen aan het spel van de Heer, worden samengebracht en weer gescheiden. (44) Of je nu personen wel of niet als eeuwig [als een ziel] of als tijdelijk [als een lichaam] beschouwt of anders als zijnde beiden [belichaamde zielen] of als geen van beiden [vanwege de Absolute Waarheid die verheven is boven alle kenmerken], onder geen voorwaarde vormen ze een reden tot verdriet. Men is alleen maar zo omdat men emotioneel verwikkeld is geraakt of zijn verstand kwijt is. (45) O Koning, geef daarom uw bezorgdheid op die te wijten is aan een gebrek aan zelfkennis. Denk er niet langer aan hoe deze mensen, hulpeloos en ellendig, het zonder u zouden moeten redden. (46) Hoe kan dit lichaam, dat bestaat uit de vijf elementen [vuur, water, lucht, aarde en ether] en wordt beheerst door de tijd, door resultaatgericht handelen en door de materiële geaardheden van de natuur [kâla, karma en de guna's], nu anderen beschermen als het zelf evenzogoed gebeten wordt door die slang? (47) Het ene levende wezen voedt zich met het andere; zij [de dieren] die geen handen maar poten hebben zijn overgeleverd aan hen die wel handen hebben [de mensen], heeft het levende wezen geen ledematen [zoals gras] dan is het overgeleverd aan de vierbenigen [zoals de koeien]. De zwakkere is overgeleverd aan de sterkere. (48) Richt uw blik daarom enkel op Hem, deze Allerhoogste Persoonlijkheid, die zich bij de macht van de illusie voordoet als een verscheidenheid. Hij, o Koning, is de ene Ziel van de zelfrealisatie van alle zielen, die zich zowel in hen als buiten hen manifesteert. (49) Hij, de Vader van al het geschapene, de Allerhoogste Heer, is nu, o grote Koning, op aarde nedergedaald in de gedaante van de [dood, de alles verslindende] Tijd, om een einde te maken aan allen die de verlichte zielen vijandig gezind zijn. (50) Ter wille van hen heeft de Heer volbracht wat moest worden gedaan en nu wacht Hij de verdere loop van de gebeurtenissen af. Zo ook moeten jullie Pândava's, zolang Hij hier op aarde aanwezig is, de zaak bezien en afwachten.

(51) Dhritarâshthra, zijn broer Vidura en zijn vrouw Gândhârî zijn vertrokken naar de zuidkant van de Himalaya's waar de wijzen hun toevlucht hebben. (52) De plaats staat bekend als Saptasrota ['zeven bronnen'] omdat de rivier van de hemel [de Svardhunî, de Ganges] zich daar, naar de voldoening van de zeven verschillende wijzen, verdeelt in de zeven stromen die we kennen als haar vertakkingen. (53) Door daar regelmatig te baden, plengoffers in het vuur te doen overeenkomstig de regulerende beginselen en te vasten op enkel water, heeft Dhritarâshthra zijn zinnen en denken geheel onderworpen en is hij aldus verlost van het gebedel om voedsel [in zijn afhankelijkheid van de familie]. (54) Met behulp van zithoudingen, adembeheersing en het naar binnen richten van de geest weg van de zes zinnen, kan men, verzonken in de Heer, de smetten van de passie, de goedheid en de onwetendheid overwinnen. (55) Door zijn zelf in de wijsheid te laten opgaan en de wijsheid te laten opgaan in de zuivere getuigenis, heeft hij zich verenigd met het Absolute [brahman], het fundament van het zuivere zijn, net zoals de lucht in een pot zich verenigt met de ruimte erbuiten. (56) Als hij, niet langer gehinderd in het verzaken van alle verplichtingen, geconcentreerd neerzit zonder zich te bewegen, zullen door zijn breken met de effecten van de werking van de geaardheden, zijn zinnen en denken zich niet langer voeden en er geheel mee ophouden. (57) Ik verwacht dat hij zijn lichaam vijf dagen vanaf heden zal verlaten, o Koning, en het tot as zal laten vergaan. (58) Terwijl zij buiten toekijkt hoe het lichaam van haar man met inbegrip van zijn hut [op mystieke wijze] ontvlamt, zal zijn kuise vrouw hem bij vol bewustzijn volgen in het vuur. (59) Vidura, getuige van dat wonderlijke voorval, o zoon van de Kurudynastie, zal met gemengde gevoelens van verrukking en verdriet daarop vertrekken om heilige plaatsen te bezoeken.' (60) Nadat hij aldus de koning had toegesproken steeg Nârada samen met zijn snaarinstrument op naar de hemel. Yudhishthhira die zich de instructies ter harte nam, gaf daarna al zijn weeklagen op."

*: Vidura is een jongere broer van Dhritarâshthra. Hij werd als een s'ûdra, een arbeider, geboren omdat hij door Vyâsa werd verwekt bij een dienstmaagd van de moeder van Pându.

**: Aryamâ is een zoon van Aditi en Kas'yapa, die Yamarâja, de Heer van de bestraffingen vertegenwoordigt. Vidura wordt gezien als zijn s'ûdra-incarnatie.



Hoofdstuk 14: De Verdwijning van Krishna

(1) Sûta zei: "Arjuna ging naar de stad Dvârakâ om zijn vrienden en Krishna, Hij Vereerd in de Vedische Hymnen, te zien en erachter te komen wat Zijn verdere plannen waren. (2) Toen na een paar maanden Arjuna er niet van terugkeerde, nam Yudhishthhira verschillende beangstigende tekenen waar. (3) De tijd had een ongunstige wending genomen: hij bemerkte onregelmatigheden in de seizoenen en zag dat mensen zich zondig aan woede, begeerte en valsheid overgaven in de behartiging van hun burgerlijke levensonderhoud. (4) Er was bedrog in normale transacties, oneerlijkheid mengde zich in de achting voor weldoeners, vaders, moeders en broeders, terwijl er ook tussen man en vrouw strijd was te bespeuren. (5) De mensen maakten zich geleidelijk goddeloze gewoonten eigen als hebzucht en dergelijke. De koning, geplaatst voor deze ernstige zaken en slechte voortekenen, sprak er toen met zijn jongere broer over.

(6) Yudhishthhira zei [tot Bhîma]: 'Arjuna vertrok naar Dvârakâ om zijn vrienden te zien en erachter te komen wat Krishna's plannen zijn. (7) Het is nu zeven maanden geleden dat je jongere broer vertrok, Bhîmasena, en ik snap niet goed waarom hij niet terugkomt. (8) Kan het zijn dat, zoals Nârada ons voorhield, de Hoogste Persoonlijkheid de tijd rijp acht om deze fysieke manifestatie van Zichzelf achter Zich te laten? (9) Aan Hem hebben we onze welvaart, ons koninkrijk en onze vrouwen te danken. Door Hem is het bestaan van de dynastie en het leven van onze onderdanen mogelijk geworden en dankzij Zijn genade konden we onze vijanden verslaan en voor een betere wereld leven. (10) Zie eens, o man met de kracht van een tijger, hoe de planeten er voorstaan, hoe de zaken op aarde verlopen en wat er gebeurt met het lichaam en de geest. Al deze angstwekkende tekenen die onze intelligentie op een dwaalspoor zetten, duiden op een groot gevaar in de nabije toekomst. (11) Keer op keer beginnen mijn dijen, ogen, armen en de linker kant van mijn lichaam te trillen en heb ik hartkloppingen vanwege angst. Dit wijst allemaal op onwenselijke gebeurtenissen. (12) Zie, o Bhîma, hoe heftig de jakhals huilt bij zonsopkomst en hoe de hond naar me blaft zonder bang te zijn. (13) O tijger onder de mensen, de koeien laten me links liggen en de andere dieren draaien rondjes om me heen terwijl mijn paarden lijken te huilen. (14) De duif [lijkt] een boodschapper van de dood en de kreten van uilen en hun rivalen de kraaien doen mijn hart beven alsof ze de leegte van de kosmos wensen. (15) O Bhîma, zie hoe de rook in de lucht blijft hangen en hoe de aarde samen met de heuvels en de bergen verzucht onder luide donderslagen bij een heldere, wolkeloze hemel. (16) De wind waait guur en schept duisternis met het stof, en de regen stroomt als bloed uit de wolken alsof het een alomvattende ramp betreft. (17) De zon schijnt minder - zie hoe de sterren in de hemel op elkaar lijken te storten en hoe de levende wezens verward en van streek zijn alsof ze huilen. (18) Rivieren en hun zijarmen, de meren en de geest zijn allemaal verstoord terwijl met behulp van boter het vuur niet wil ontvlammen. Wat is dit voor een buitengewone tijd? Wat staat er te gebeuren? (19) De kalveren willen niet drinken van de spenen en de koeien willen niet gemolken, angstig kijkend alsof ze huilen, terwijl de stieren er in de weiden geen zin in hebben. (20) De beelden van de godheden lijken te huilen en te zweten alsof ze de tempel willen verlaten en ook de steden, dorpen en plaatsen, tuinen, mijnen en hermitages hebben hun schoonheid verloren, beroofd als ze zijn van alle geluk. Wat voor rampen staan ons te wachten? (21) Ik denk dat al wat zich zo voordoet, zich manifesteert uit behoefte aan de voetafdrukken van de Hoogste Persoonlijkheid - de aarde beroofd van de buitengewone merktekenen van de Allerhoogste Persoon mist dat geluk.' 

(22) O brahmaan, terwijl de koning [Yudhishthhira] aldus nadacht over de slechte voortekenen die hij zag, keerde Arjuna terug uit het koninkrijk van de Yadu's. (23) Buigend aan de voeten van de koning, was zijn verslagenheid ongekend met de tranen die uit de lotusogen liepen van zijn naar beneden gerichte gezicht. (24) Toen hij Arjuna bleek met een hart vol zorgen voor zich zag, ondervroeg de koning, die zich herinnerde wat Nârada had gezegd, hem temidden van de vrienden. (25) Yudhishthhira zei: 'Gaat het onze Yaduverwanten van Madhu, Bhoja, Das'ârha, Ârha, Sâtvata, en Andhaka allen goed met de dagen die ze doorbrengen in Dvârakâ? (26) Verkeert ook mijn achtenswaardige grootvader [van moeders zijde] Śūrasena in goede gezondheid met het slijten van zijn laatste dagen en is alles goed met mijn oom [van moeders zijde] Vasudeva en zijn jongere broers? (27) Zijn mijn tantes - zijn vrouwen - al die zeven zusters met Devakî zelf voorop, allen gelukkig met hun zonen en schoondochters? (28-29) Is koning Ugrasena, wiens zoon zo kwaadaardig was [Kamsa], nog in leven? Zijn zijn jongere broer, Hridîka en zijn zoon Kritavarmâ en Akrûra, Jayanta, Gada en Sâranâ alsook S'atrujit en de rest allen gelukkig? Gaat het ook goed met Balarâma, de Hoogste Persoonlijkheid, die de beschermer van de toegewijden is? (30) Zijn de grote krijgsheer Pradyumna [een zoon van Krishna] en alle anderen van de Vrishni-familie gelukkig - en verkeert de in ieder opzicht machtige, volkomen expansie van Krishna Aniruddha [een kleinzoon van Krishna] in goede doen? (31) En hoe gaat het met Sushena, Cârudeshna en Sâmba, de zoon van Jâmbavatî, alsook met de andere excellente zoons van Krishna en hun zoons zoals Rishabha? (32-33) En gaat het eveneens goed met de constante metgezellen van Krishna zoals S'rutadeva, Uddhava en anderen, alsook met Sunanda, Nanda en andere leiders en eminente bevrijde zielen? En denken allen die in vriendschap verbonden zijn onder de bescherming van Balarâma en Krishna, er ook aan hoe het met ons gaat? (34) Beleeft de Allerhoogste Heer, die de vreugde van de koeien en de zinnen is en die altijd zorg draagt voor de toegewijden en de brahmanen, genoegen aan Zijn vergaderzaal temidden van Zijn vrienden in de stad [Dvârakâ]? (35-36) Ten behoeve van de bescherming en de verheffing van alle leefwerelden verkeert de Oorspronkelijke, Allerhoogste Genieter samen met Ananta [Balarâma] in het gezelschap van de oceaan van de leden van de Yadudynastie. In Zijn stad genieten de leden van de Yadufamilie de verdiende bescherming van Zijn armen en ervaren ze daarbij hetzelfde bovenzinnelijke genoegen als de bewoners van de hemel. (37) Door het bestieren van de gemakken aan Zijn voeten voorop te stellen, zorgden de zestienduizend echtgenotes met Sathyabhâmâ aan het hoofd ervoor dat de Heer de bewoners van de hemel onderwierp, zodat zij van zaken [als de Pârijâta-boom] konden genieten die normaal zijn voorbehouden aan de vrouwen van  [Indra,] de heer van de donder. (38) Onder de bescherming van Zijn armen zijn de grote helden van de Yadu's steeds vrij van vrees met het betreden van  de Sudharmâ vergaderzaal die, met geweld verkregen [van Indra], de beste halfgoden waardig was.

(39) Mijn beste broer, ben je wel helemaal gezond? Het lijkt me dat je je glans kwijt bent. Is het vanwege het respect dat je mist omdat je verwaarloosd werd, mijn broer, vanwege je te lange afwezigheid? (40) Heeft iemand je onvriendelijk bejegend met harde woorden, kon je niet vrijgevig zijn voor iemand die erom vroeg of een belofte nakomen? (41) O jij die benaderd wordt om de brahmanen, de kinderen, de koeien, de ouden van dagen, de zieken en de vrouwen te beschermen, mislukte je erin een van hen te beschermen die bij jou zijn toevlucht zocht? (42) Kwam je in aanraking met een twijfelachtige vrouw, heb je misschien een aanvaardbare vrouw onheus bejegend of is je goede zelf onderweg verslagen door een hogere macht of door gelijken? (43) Heb je  oude mannen en jongens genegeerd die het verdienden om met je samen te eten of heb je iets onbehoorlijks gedaan dat moeilijk te vergeven is? (44) Of is het zo, mijn broeder Arjuna, dat met betrekking tot de meest dierbare, je hartsvriend [Krishna], je een leegte voelt omdat je Hem voortdurend moet missen? Ik kan geen andere reden bedenken waarom je zo van streek zou zijn.' "



Hoofdstuk 15: De Pândava's Trekken Zich Terug

(1) Sûta zei: "Aldus werd Arjuna, de vriend van Krishna, die gescheiden van Krishna erg vermagerd was, onderworpen aan de verschillende vormen van twijfel en speculatie van zijn oudere broer de koning. (2) Door zijn treurnis waren zijn mond en lotushart opgedroogd en had zijn lichaam zijn glans verloren. In beslag genomen door gedachten aan de Heer was hij niet in staat naar behoren antwoord te geven. (3) Hoe meer hij de tranen uit zijn ogen veegde en met grote moeite de kracht van zijn verdriet probeerde te beheersen omdat hij Hem niet meer zag, des te meer raakte hij in zijn gevoelens voor Hem verzonken in gedachten over Hem en des te meer raakte hij van streek. (4) Zich Hem herinnerend als de weldoener, begunstiger, vriend en wagenmenner, richtte Arjuna, overmand en zwaar ademend, het woord tot zijn oudere broer de koning. (5) Hij zei: 'O grote Koning, Heer Hari in de gedaante van mijn vriend, heeft me verlaten. Nu ben ik verstoken van de verbluffende macht die zelfs de goden versteld deed staan. (6) Ik verloor Hem van wie zelfs maar voor een enkel moment gescheiden alle universa er ongunstig en ontdaan van alle leven uit zouden zien, alsof ze allemaal dood zijn. (7) Door de kracht van Zijn genade kon ik de macht van al de wellustige prinsen bedwingen bij de verkiezing van de bruidegom in koning Drupada's paleis waar ik Draupadî's hand verwierf door de vis die als schietschijf fungeerde met mijn boog te doorboren. (8) Omdat Hij mij terzijde stond was ik in staat Indra en zijn goddelijke metgezellen te overwinnen en kon ik aldus de vuurgod ertoe aanzetten zijn woud in lichterlaaie te zetten. Met Zijn steun kon ik het prachtig gebouwde vergaderhuis realiseren dat werd ontworpen door Maya [uit dankbaarheid dat hij hem redde uit de brand in het woud genaamd Khândava] waar al de prinsen voor jouw eer bijeenkwamen met geschenken uit alle windstreken. (9) Onder Zijn invloed slaagde onze jongere broer [Bhîma], die de kracht heeft van een duizend olifanten, erin ter wille van het [râjasûya] offer hem [Jarâsandha] te doden die werd aanbeden door de hoofden van de vele koningen die hij wilde offeren. Het was Hij die de koningen redde die door Jarâsandha [in zijn hoofdstad] waren bijeengebracht om te worden geofferd aan de heer van de geesten [Mahâbhairava, S'iva]. Nadien betaalden ze je allen schatting. (10) Hij benam [door tot oorlog aan te zetten] de echtgenoten [de Kuru mannen] het leven wiens vrouwen ertoe waren veroordeeld hun haar los te dragen [*] omdat het samengebonden haar van je vrouw [Draupadî], dat, prachtig gekapt en gezegend was voor de grote ceremonie, werd losgemaakt. Gegrepen door de schurken [de Kuru's onder leiding van Duhs'âsana], wierp ze zich in tranen aan de Voeten. (11) Hij beschermde ons toen we in moeilijkheden belandden, bedreigd in het woud door de intrige van onze vijanden geassocieerd met Durvāsā Muni. Op het moment dat de wijze daar met zijn tienduizend discipelen langskwam om te eten, aanvaardde Hij simpelweg voordat zij er aan toe kwamen de voedselresten en stelde zo al de drie werelden zowel als de muni's tevreden. Hij deed dat door hen, die op dat moment aan het baden waren, het idee te geven dat ze reeds gevoed waren. (12) Onder Zijn invloed wist ik ooit de Heer met de Drietand [Heer S'iva] en zijn vrouw, de dochter van de Himalaya, te verbazen, waardoor hij en de andere goden me beloonden met hun wapens. Dat is hoe ik in dit lichaam erin slaagde een half verheven zitplaats in het Huis van Indra te verwerven. (13) Te gast in die hemel kon ik met mijn beide armen, met behulp van mijn boog de Gândīva, Indra en al de goden bescherming bieden door de demon Nivâtakavaca te doden. Ik had immers, o afstammeling van koning Ajamîdha, van Hem, de Hoogste Persoonlijkheid van wie ik momenteel verstoken ben, de macht gekregen. (14) Door Zijn vriendschap alleen kon ik, gezeten op de strijdwagen, de onoverkomelijke oceaan van de militaire macht van de Kaurava's oversteken. Door enkel Zijn vriendschap kon ik terugkeren met de enorme weelde van de vijand, de schittering van al de juwelen die ik met geweld van hun hoofden haalde. (15) Hij was het die met de macht van Zijn blik een einde maakte aan mijn mentale onrust omtrent de levensduur van al de strijders die met de rijkdom van hun strijdwagens stonden opgesteld op het slagveld, o grote Koning. Met de immensiteit van grote koninklijke persoonlijkheden als Bhîshma, Karna, Drona en S'alya, was Hij degene die me uit hun gelederen naar voren reed. (16) Onder Zijn bescherming konden de zeer machtige, onoverwinnelijke wapens die werden gebruikt door Drona, Bhîshma, Karna, Bhûris'ravâ, koning Sus'armâ, S'alya, koning Jayadratha, Bâhlika [een broer van Bhîshma] etc., me niet raken, net zoals dat was met Prahlâda [de beroemde toegewijde van Nrisimhadeva, de leeuw-incarnatie] toen hij werd bedreigd door de demonen. (17) Terwijl ik verkeerd over mijn Heer dacht als mijn wagenmenner, over Hem wiens lotusvoeten worden gediend door de intelligenten op zoek naar bevrijding, sloegen door Zijn genade de vijandelijke strijdwagenvechters geen acht op mij en vielen ze me niet aan als ik afsteeg voor mijn dorstige paarden. (18) O Koning, als ik er aan terugdenk hoe Hij met Zijn glimlachende gezicht grappen maakte, open met me was en me aansprak met 'zoon van Prithâ', 'Arjuna Mijn vriend' en 'zoon van de Kurudynastie' en dergelijke, is mijn ziel door deze hartelijke woorden van Mâdhava [Krishna] overweldigd. (19) Toen ik met Hem sliep, neerzat, rondliep en at, en we elkaar de waarheid voorhielden en dergelijke, hield ik Hem foutief voor een vriend gelijk aan mij. Ondanks dat ik Hem in mijn aanmatiging voor lager hield, tolereerde Hij me, groots in Zijn glorie, zoals een vriend een vriend aanvaardt of een vader zijn kind. (20) O Keizer, zonder de Hoogste Persoonlijkheid, mijn geliefde vriend en weldoener, zijn mijn hart en ziel leeg. Pas geleden nog werd ik, als was ik een zwakke vrouw, verslagen door een stel ontrouwe koeherders toen ik Krishna's vrouwen beschermde. (21) Met deze zelfde boog, pijlen, strijdwagen en paarden, ben ik dezelfde Arjuna en strijdwagenvechter die door alle koningen werd gerespecteerd. Maar met Hem afwezig, werd dit alles in een oogwenk zo betekenisloos als boter geofferd in de as, als geld verkregen door magie of als zaden gezaaid in onvruchtbare grond.

(22-23) O Koning, in antwoord op je vraag naar onze vrienden en verwanten in Dvârakâ, kan ik je zeggen dat ze vervloekt werden door de brahmanen en hun verstand verloren. Dronken van de rijstwijn, hebben ze mekaar met stokken gedood, elkaar niet eens herkennend in hun beschonken toestand. Slechts vier of vijf van hen zijn er overgebleven. (24) Het is door de Hoogste Persoonlijkheid, onze Heer, over het algemeen zo beschikt dat de levende wezens elkaar de ene keer doden terwijl ze elkaar de andere keer beschermen. (25-26) Zoals in de oceaan de groteren de kleineren opeten en de sterkeren de zwakkeren verorberen o Koning, nam ook de Almachtige Ene de last die werd gevormd door de Yadu's weg van de wereld door in een gevecht de sterkere Yadu de zwakkere te laten doden en de grotere Yadu de kleinere. (27) Met voor de geest de woorden gesproken door Govinda, herinner ik me hoe aantrekkelijk ze zijn en hoe, doortrokken van betekenis en aangepast aan tijd en omstandigheid, ze een einde maken aan de pijn in het hart.' "

(28) Sûta zei: "Aldus denkend aan de lotusvoeten van de Heer en wat Hij hem allemaal had bijgebracht in de vertrouwelijkheid van hun diepe vriendschap, kwam Arjuna tot rust met een geest bevrijd van alle materiële betrokkenheid. (29) Voortdurend zich de voeten van Vâsudeva herinnerend, nam Arjuna's toewijding snel toe zodat er een einde kwam aan zijn eindeloze gepieker. (30) Hij haalde zich opnieuw de spirituele instructie van de Hoogste Heer voor de geest die hij midden op het slagveld had ontvangen. Door terug te denken aan Zijn tijd en handelen, verdreef hij de duisternis van zijn onwetendheid en werd hij zijn zinnen de baas. (31) Vrij van treurnis, er door zijn spiritueel vermogen in slagend te breken met de twijfels die werden opgeroepen door de dualiteit van het geïdentificeerd zijn met de materie, raakte hij, door zonder een materiële gedaante te bestaan dankzij de transcendentie, bevrijd van het verstrikt zijn in de kringloop van geboorte en dood. (32) Yudhishthhira, met het aangehoord hebben van de uitweidingen over het einde van de Yadudynastie en de weg die de Opperheer gegaan was, besloot toen innerlijk onverstoord [om te vertrekken] ter wille van de weg naar de hemel. (33) Ook Koningin Kuntî, die alles had gehoord wat Arjuna vertelde over het einde van de Yadu's en het verdwijnen van de Heer, vond, verzonken in de ziel, bevrijding van haar materiële bestaan in zuivere toewijding voor de Heer die zich nu voorbij de zinnen bevond. (34) Door de last van de wereld weg te nemen gevormd door het  lichaam [van de Yadudynastie], verwierp de Ongeboren Heer gelijkgezind in Zijn beheersing, zowel de doorn [van de vijandige strijdkrachten] die werd verwijderd als de doorn [van Zijn eigen familie] die Hij gebruikte om hem te verwijderen. (35) Net als met Zijn Matsya-incarnatie en andere verschijningen, gaf Hij, als een goochelaar het ene lichaam opgevend om een ander weer op te pakken, het lichaam prijs dat Hij manifesteerde om de aarde van haar last te bevrijden. (36) Toen Mukunda [de Heer van de Bevrijding], de Fortuinlijke over wie het zo goed is te vernemen, deze aarde verliet, manifesteerde van die dag af aan Kali[-yuga] zich ten volle, het tijdperk zo nadelig voor een ieder die zijn geest onwetend niet de baas is [die niet ontwaakt is].

(37) Toen Yudhishthhira doorkreeg wat er gaande was in zijn hoofdstad, staat en thuis, alsook in het zelf, ziende hoe alles verergerde in een vicieuze cirkel van hebzucht, valsheid, oneerlijkheid, goddeloosheid, geweld en zo meer, begreep hij dat het tijd was om te vertrekken en kleedde hij zich ervoor. (38) Zijn kleinzoon [Parîkchit], die naar behoren was getraind en in ieder opzicht zo gekwalificeerd was als hij, werd door de keizer voor de gelegenheid in de hoofdstad Hastinâpura gekroond tot heer en meester over al het land dat door de zee werd begrensd. (39) Te Mathurâ maakte hij Vajra [de zoon van Aniruddha] tot koning van S'ûrasena, waarna hij een prâjâpatya offer liet uitvoeren om in staat te zijn in zichzelf het vuur te vinden om zijn doel te bereiken. (40) Zijn gordel, sieraden en dat alles opgevend, raakte hij ongeïnteresseerd, onthecht in het gebroken hebben met de eindeloze gebondenheid. (41) Hij trok zijn spraak terug in zijn denken, zijn denken en zijn andere zinnen terug in zijn adem, zijn adem trok hij terug in de dood en verenigde in volledig verzaken dat weer met het lichaam samengesteld uit de vijf elementen. (42) Na die vijf elementen te hebben geofferd aan de drie kwaliteiten van de natuur, verenigde hij die in één samenstel en die combinatie in het nadenkende zelf. Vervolgens fixeerde hij dat zelf in de ziel en de ziel in het onuitputtelijke Absolute Zelf, Brahman. (43) Gescheurde kleding aanvaardend en vast voedsel weigerend, hield hij op met praten. Met zijn haar loshangend en nergens meer naar luisterend alsof hij doof was geworden, begon hij te lijken op een afgestompte waanzinnige en een onverantwoordelijke kwajongen. (44) Hij ging in de noordelijke richting, net als alle anderen het pad van zijn gewetensvolle voorvaderen volgend, en dacht daarbij in zijn hart voortdurend aan de Allerhoogste in het Voorbije, zonder terug te keren van waar hij zich ook begaf.

(45) Net als hun vriend ziend dat het tijdperk van Kali met zijn goddeloosheid alle bewoners van de aarde in zijn greep had, namen al zijn broers de beslissing hem te volgen en vertrokken ze van huis. (46) Ze hadden alles gedaan wat een heilige waardig was en hielden, met het uiteindelijke doel van de Allerhoogste Ziel in gedachten, ononderbroken vast aan de voeten van de Heer van Vaikunthha. (47-48) Dat is de bestemming van hen die, door meditatie gezuiverd, in hun toewijding bevrijding vonden door hun geest te richten op de bovenzinnelijke voeten van de Ene Nârâyana. Met hun materiële besmetting weggewassen, bereikten ze, met dezelfde lichamen als waar ze mee ter wereld kwamen, de verblijfplaats die zo heel moeilijk te bereiken is voor materialisten in beslag genomen door materiële zorgen. (49) Ook Vidura vertrok naar zijn hemelverblijf [het rijk van Yama]. Met zijn bewustzijn verzonken in Krishna, liet hij vergezeld door zijn voorvaderen zijn fysieke zelf achter te Prabhâsa. (50) En zo deed dat ook Draupadî die besefte dat haar echtgenoten zich niet meer om haar bekommerden. Ze concentreerde zich op Vâsudeva, de Hoogste Persoonlijkheid van God, en bereikte Hem aldus. (51) Een ieder die met toewijding verneemt over dit vertrek naar het uiteindelijke doel van de zoons van Pându die de Heer zo na aan het hart liggen, zal enkel goed geluk en zuiverheid vinden, winnen in perfectie en komen tot de toegewijde dienst aan de Heer."

*: Hindoe weduwen laten hun haar ongebonden als een levenslang teken van rouw uit achting voor hun overleden echtgenoten.


Hoofdstuk 16: Hoe Parîkchit de Komst van het Kalitijdperk Onderging

(1) Sûta zei: "O geleerden, Parîkchit, de grote toegewijde, regeerde daarna, onder leiding van de beste brahmanen, over de aarde met de kwaliteiten die de astrologen, die de toekomst voorspelden bij zijn geboorte, dachten dat hij zou hebben. (2) Hij trouwde met Irâvatî, de dochter van Koning Uttara, en verwekte vier zoons in haar waarvan Janamejaya de eerste was. (3) Aan de Ganges bracht hij drie paardoffers waarin de halfgoden zich lieten zien. Kripâcârya, die hij als zijn geestelijk leraar had gekozen, werd daarvoor gepast beloond. (4) Eens, tijdens een militaire campagne, slaagde hij, de dappere held, er door zijn bekwaamheid in de meester van het Kalitijdperk te overmeesteren die zich vermomd had als een koning, maar, lager dan een s'ûdra [loonarbeider], tegen de poten van een koe en een stier aan het slaan was."

(5) S'aunaka wilde weten: "Waarom onderwierp hij tijdens zijn campagne de meester van Kali die uitgedost als een koning gelijk een s'ûdra tegen de poten van een koe aan het slaan was? O fortuinlijke, beschrijf dat alstublieft voor ons, als dat verband houdt met de verhalen van Krishna. (6) Wat voor nut hebben andere onderwerpen die illusoir geen verband houden met Zijn lotusvoeten waarvan de waarheidlievenden de nectar likken? Je zou je leven ermee verspillen! (7) O Sûta, degenen onder de sterfelijke menselijke wezens die alhier slechts kort te leven hebben maar die gerechtigheid verlangen [de waarheid, het eeuwige leven], roepen de grote heer van de dood [Yamarâja] aan om de voorbereidende riten uit te voeren. (8) De grote wijzen nodigen hem uit omdat niemand zal sterven zolang hij, de grote heer die over het levenseinde heerst, hier aanwezig is. Ach! Laat daarom iedereen ter wereld drinken van de nectar van de vertellingen van het goddelijke spel en vermaak van de Allerhoogste Heer. (9) Zij immers, die lui zijn, traag van geest zijn en maar kort leven, brengen hun dagen en nachten door met doelloze activiteiten en met slapen."

(10) Sûta zei: "Toen Parîkchit, die in de Kuruhoofdstad verbleef, er kennis van nam dat de tekenen van Kali-yuga zijn rechtsgebied waren binnengedrongen, vond hij dat nieuws niet te verteren en nam hij zijn pijl en boog ter hand om het conflict met militair gezag tegemoet te treden. (11) Fraai uitgedost onder de bescherming van de leeuw in zijn vlag en met zwarte paarden voor zijn strijdwagen, verliet hij de hoofdstad in het gezelschap van strijdwagenvechters, ruiters, olifanten en grondtroepen om zich te verzekeren van een overwinning. (12) Bhadrâs'va, Ketumâla, Bhârata, de noordelijke gebieden van Kuru en Kimpurusha achter de Himalaya's waren de gedeelten van de aarde die hij veroverde en waar hij zijn gezag handhaafde door schattingen te heffen. (13-15) Overal waar hij kwam hoorde hij voortdurend wat voor grote zielen zijn voorvaderen waren en vond hij ook aanwijzingen van de glorieuze daden van Heer Krishna onder de mensen die hij ontmoette. Ook vernam hij over zijn eigen bevrijding van de krachtige straling van het wapen van As'vatthâmâ en over de liefde en toewijding voor Heer Kes'ava [Krishna als de doder van de demon Kes'î, het dolle paard] onder de afstammelingen van Vrishni en Parthâ. Zeer blij daarmee beloonde hij dankbaar, met ogen groot van vreugde, de mensen ruimhartig met kleding, halssnoeren en andere rijkdommen. (16) [Krishna die een manifestatie is] van Vishnu en Zelf universeel door iedereen wordt gehoorzaamd, had, optredend als een wagenmenner, voorzittend in bijeenkomsten en handelend als een dienaar, als een vriend, als een boodschapper en als nachtwaker, met gebeden en eerbetuigingen zich gedragen zoals het de godvrezende zoons van Pându behaagde. Dit vervulde de koning van toewijding voor Zijn lotusvoeten.

(17) Aldus dagelijks verzonken in gedachten over de goede kwaliteiten van zijn voorvaderen, deed zich toen niet ver bij hem vandaan een zeer opmerkelijk voorval voor. Laat me u erover vertellen. (18) Dharma [de persoonlijkheid van de religie in de gedaante van een stier] die nog maar op één poot [stevig staand] rondliep, kwam een koe tegen [moeder aarde] met tranen in haar ogen, als was ze een moeder die haar kind heeft verloren. Hij ondervroeg haar. (19) Dharma zei: 'Mevrouw, verkeert u in goede gezondheid? Zo bedroefd kijkend met een hangend gezicht lijkt het wel alsof u een ziekte onder de leden hebt, o moeder, of dat u in beslag wordt genomen door een verwant ver hier vandaan. (20) Treurt u over mijn drie verzwakte poten terwijl ik nog maar op één poot [stevig] sta, of is het omdat de vleeseters gebruik van u maken? Komt het omdat de leidende halfgoden verstoken zijn van hun offeraandeel of omdat de levende wezens in toenemende mate lijden onder schaarste, hongersnood en droogte? (21) Treurt u over de ongelukkige vrouwen en kinderen op aarde die het [door mislukkende huwelijken] moeten stellen zonder de bescherming van hun echtgenoten en vaders of hebt u verdriet over de manier waarop men in de families van de geschoolde zielen zich afzet tegen de godin van het leren [door niet meer gericht te zijn op de Persoon]? Of spijt het u dat de meesten van hen niet brahmaans handelen in dienst van de heersende klasse [of zelfs de handel]? (22) Is het omdat de nazaten van de adel onder invloed van het Kali-tijdperk hun verstand lijken kwijt te zijn en links en rechts de staatszaken in het honderd laten lopen? Of is het vanwege de gewoonten die de samenleving heeft ontwikkeld om zich te voeden en te drinken en hoe men zich kleedt, baadt en geslachtsgemeenschap heeft? (23) Of komt het, o moeder, door uw zware last nu Hari, de Heer die uw last verlichtte uit het zicht is verdwenen, met u denkend aan alles wat Hij deed en de verlossing die Hij vormt? (24) Breng me alstublieft op de hoogte, o bron van alle overvloed, van de reden van de droefenis die u tot een dergelijke zwakte heeft teruggebracht. Of heeft o moeder, de almachtige Tijd die zelfs de machtigsten de baas is, u beroofd van het goede geluk geprezen door de halfgoden?'

(25) Moeder Aarde antwoordde: 'O Dharma, ik zal mijn best doen antwoord te geven op al de vragen die u gesteld heeft, daar u met uw vier poten [de vidhi] in al de werelden aanwezig bent om er geluk te brengen. (26-30) Waarheidsliefde, reinheid, mededogen, zelfbeheersing, grootmoedigheid, tevredenheid, openhartigheid, concentratie, zinsbeteugeling, verantwoordelijkheid, gelijkheid, tolerantie, gelijkmoedigheid en trouw. En ook kennis, onthechting, leiderschap, ridderlijkheid, invloed, macht, plichtsbesef, onafhankelijkheid, vaardigheid, schoonheid, kalmte en goedhartigheid, zowel als vindingrijkheid, goede manieren, beleefdheid, vastberadenheid, kundigheid, behoren, genoeglijkheid, vreugde, onverzettelijkheid, geloof, roem en waardigheid - dezen en nog meer vormen de belangrijkste eeuwige kwaliteiten van de Allerhoogste Heer, de nooit of te nimmer aflatende hogere natuur, gewenst door hen die Zijn grootheid verlangen. Dankzij Hem, de bron van alle kwaliteiten en het thuis van de godin van het geluk, vorm ik nu zelf zo'n verblijfplaats, maar ik treur nu men verstoken van Hem, Kali, de bron van alle zonden, in de hele wereld aantreft.  (31) Ik treur voor zowel mezelf als voor u en ook voor de besten onder de verlichte zielen, de goden en de voorvaderen in de hemel, de wijzen en de toegewijden, alsook voor al de mensen in hun statusoriëntaties in de samenleving. (32-33) Lakshmî [de Godin van het Geluk], wiens genade werd gezocht door Brahmâ en anderen die voor haar vele dagen boete deden in overgave aan de Heer, gaf zonder te aarzelen haar verblijfplaats in het woud van de lotusbloemen op in haar gehechtheid Zijn zaligmakende voeten te dienen. Met mijn lichaam gesierd met de voetafdrukken [getekend] met de lotusbloem, de bliksemschicht, de vlag en de drijfstok van de Allerhoogste Heer, de eigenaar van alle weelde, overtrof ik aldus prachtig de drie werelden. Maar, nadat mijn plaatsen [mijn leefwerelden] Zijn schittering hadden verworven, heeft Hij me, toen ik er gelukkig mee was, ten slotte verlaten. (34) Hij die me op eigen kracht heeft verlost van de last van de honderden legermachten van de ongelovige koningen, incarneerde [net zo goed] voor u in een aantrekkelijke gedaante in de Yadufamilie, omdat u, die de innerlijke kracht miste om u staande te houden, in moeilijkheden verkeerde. (35) Wie, vraag ik u, kan het verdragen om gescheiden te zijn van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon, die met Zijn liefdevolle blikken, glimlachen en hartelijkheden de sterke gehechtheid van Zijn lieve en trotse vrouwen overwon en mijn haar [mijn gras] overeind deed staan uit vreugde over Zijn voetafdrukken?'

(36) Terwijl de [koe van moeder] aarde en de [stier van] dharma aldus converseerden, kwam Parîkchit, die de naam had de heilige onder de koningen te zijn, aan bij de rivier de Sarasvatî die naar het oosten stroomde."





Hoofdstuk 17: De Straf en het Loon van Kali

(1) Sûta zei: "Daar [bij de rivier de Sarasvatî] zag de koning hoe een lage, gemene kerel, die zich had uitgedost als een prins, met een knuppel een koe en een stier aan het slaan was die niemand hadden om hen te beschermen. (2) De stier, die wit was als een lotus, trilde, geslagen door de s'ûdra, van de angst en urineerde terwijl hij nog maar op één poot stond. (3) Ook de koe, op zichzelf een religieus voorbeeld maar er nu ellendig aan toe zonder een kalf en van streek vanwege de s'ûdra die tegen haar poten had geslagen, had tranen in haar ogen terwijl ze in haar zwakte verlangde naar wat gras om te eten. (4) Parîkchit, goed uitgerust met pijl en boog, vroeg vanaf zijn met goud beslagen strijdwagen met een donderende stem: (5) 'Wie denk je wel niet dat je bent om op deze plek de hulpelozen gewelddadig te doden die onder mijn bescherming staan! Gelijk een acteur verkleed als een godsbewust man, doe je je krachtig voor, maar je gedraagt je als iemand die nog nooit het licht van de beschaving [van het tweemaal geboren zijn] heeft gezien! (6) Denk je dat, nu Heer Krishna en de drager van de boog de Gândîva [Arjuna] uit het gezicht zijn verdwenen, je stiekem een onschuldige koe kan slaan? Als schurk verdien je het aldus gedood te worden!'

(7) 'En u', [zei hij zich tot de stier wendend,] 'bent u alleen maar een stier die zich, wit als een lotus, voortbeweegt op één poot en er drie kwijt is, of bent u een of andere halfgod die ons verdrietig maakt in de vorm van een stier? (8) Behalve u heeft er tot nu toe nog nooit iemand onder de bescherming van het gezag [van de armen] van welke koning van de Kurudynastie ook, huilend zo'n verdriet gehad. (9) O zoon van Surabhi [de hemelse koe] ik zeg u, in mijn koninkrijk zal er geen geweeklaag zijn. Wees dus niet bang voor die gemene kerel. En moedertje koe, huil niet, zolang als ik leef als de heerser over en onderwerper van de afgunstigen, zal het u goed gaan! (10-11) O kuise ziel, hij in wiens staat allerlei verschillende levende wezens bang moeten zijn voor onverlaten, zal vanwege zijn onoplettendheid zijn faam, levensduur, fortuin en goede geboorte verliezen. Het is de hoogste plicht voor koningen zich te doen gelden om een einde te maken aan de misère van hen die te lijden hebben. Daarom zal ik deze slechte kerel doden die zo gewelddadig is met andere levende wezens. (12) Wie heeft uw drie poten afgehakt, o vierbenige zoon van Surabhi? Wat u overkwam is nog nooit eerder gebeurd in het rijk van de koningen die leven zoals Krishna het wil. (13) O stier, ik wens u al het goede, u bent eerlijk en vrij van overtredingen, vertel me wie u verminkt heeft en de reputatie van de zonen van Prithâ heeft bezoedeld. (14) Zij die de zondelozen doen lijden moeten me vrezen waar ze zich ook bevinden, want ik zal een einde maken aan de handelingen van de onverlaten en de voorspoed herstellen van de deugdzame zielen. (15) De parvenu die onschuldige levende wezens kwaad doet, zal ik terstond een kopje kleiner maken, of hij nu een halfgod uit de hemel is met wapenrok en sierselen of niet. (16) Het is de heilige plicht van het staatshoofd om altijd hen te beschermen die trouw hun plicht doen en ook, overeenkomstig de geschriften, diegenen terecht te wijzen die in deze wereld anders dan door tegenslag de weg kwijtraakten.'

(17) De persoonlijkheid van de religie zei: 'Dat wat u zei om verlost te worden van de angst te moeten lijden, is gepast voor iemand van de Pândavadynastie, de nakomelingen van Pându tot wiens kwaliteiten aangetrokken Krishna, de Allerhoogste Heer, de taak op Zich nam van boodschapper en dergelijke. (18) O grootste onder de mensen, verbijsterd als gevolg van alle [filosofische en politieke] meningsverschillen kunnen we niet zeggen welke persoon [of wat dan ook] de oorzaak zou zijn van het menselijk lijden. (19) Sommige [filosofen], zich afkerend van alle dualiteit, verklaren dat men lijdt door eigen toedoen, anderen spreken van het lot als de oorzaak, sommigen beweren dat het door karma komt, terwijl andere autoriteiten zeggen dat de materiële natuur verantwoordelijk is. (20) Sommigen ook kwamen tot de slotsom dat het een kwestie is die niet uit te leggen is en het bevattingsvermogen te boven gaat. Wie van hen in dezen gelijk heeft, o wijze onder de koningen, is aan uw eigen oordeelsvermogen overgelaten.' "

(21) Sûta zei: "Parîkchit, die aandachtig volgde wat de persoonlijkheid van de religie te zeggen had, o beste onder de brahmanen, antwoordde weloverwogen. (22) De koning zei: 'U o kenner van de plichten, o dharma in de vorm van een stier, zegt dit omdat de status van iemand die verkeerd bezig is ook de positie zal worden van degene die op dat kwaad wijst [zoals een goeroe het karma van zijn volgeling op zich neemt]. (23) Met andere woorden, zoals de Heer in de materiële wereld tewerk gaat is voor levende wezens niet te verwoorden noch te doorgronden. (24) Boetvaardigheid, reinheid, mededogen en waarheidsliefde, [tapas, s'auca, dayâ, satya] zijn uw poten die zo het tijdperk van de waarheid grondvestten [Satya-yuga], maar door goddeloosheid zijn drie ervan gebroken in hoogmoed, [het vasthouden aan] seksuele gemeenschap en de zucht zich te bedwelmen. (25) Momenteel, o persoonlijkheid van de religie, hinkt u verder op het ene been van de waarheidlievendheid terwijl de onenigheid in eigen persoon [Kali], die gedijt op misleiding, goddeloos probeert die poot ook te vernietigen. (26) Door toedoen van de Allerhoogste Heer werd moeder aarde bevrijd van de grote last die zij, deze koe, droeg, Zijn zegenrijke voetafdrukken brachten overal geluk. (27) Jammerend met tranen in haar ogen wordt de onfortuinlijke en kuise [moeder aarde] die door Hem werd verlaten, nu genoten door mensen van een laag allooi die verstoken zijn van de cultuur van het leren en zich in mijn plaats stellen als degenen die het voor het zeggen hebben.'

(28) Aldus werden de persoonlijkheden van de religie en moeder aarde tot rust gebracht door de grote strijder die zijn scherpe zwaard opnam om Kali, de grondoorzaak van de goddeloosheid, te doden. (29) Beseffend dat de koning hem wilde doden wierp Kali, gedreven door angst, zijn koninklijke uitdossing af en boog hij in volledige overgave zijn hoofd aan de voeten. (30) De held die de armen welgevallig was, een toevlucht voor de mensen was en het waard was te worden bezongen, zag er uit mededogen met een glimlach van af om degene te doden die hem ten voeten was gevallen en richtte zich tot hem. (31) De koning zei: 'Omdat u zich met gevouwen handen hebt overgegeven aan de handhaver van Arjuna's glorie, heeft u niets te vrezen. Maar dat wil nog niet zeggen dat u als een vriend van de goddeloosheid zomaar in mijn koninkrijk kan blijven. (32) Met u fysiek aanwezig als een god van de mensen, zal de goddeloosheid van begeerte, valsheid, roofzucht, onbeleefdheid, zonde, ongeluk, bedrog, redetwist, ijdelheid en zo meer, welig tieren onder de volkeren. (33) Derhalve, o vriend van de goddeloosheid, verdient u het niet u op te houden in Brahmâvarta, dit heilige land, waar de experts van de religie en de waarheid plichtsgetrouw en ter zake kundig in dienst aan de Heer van de Offers hun offerplechtigheden houden. (34)  In dergelijke offerdiensten wordt de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Heer, aanbeden als de ziel van alle aanbiddelijke godheden. In die vorm verspreidt Hij welvaart omdat Hij de Superziel is doeltreffend voor alle verlangens die zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is, net zoals de lucht dat is voor alles wat beweegt en niet beweegt.' "

(35) Sûta zei: "Aldus toegesproken door koning Parîkchit, beefde de persoonlijkheid van Kali toen hij hem met opgeheven zwaard, sprekend als Yamarâja, de Heer van de Dood, voor zich zag staan. (36) Kali zei: 'Waar ik onder uw gezag ook moge leven, o Keizer, zie ik mij altijd geplaatst voor de heerschappij van uw boog en pijlen. (37) Daarom alstublieft, o beste van de verdedigers van de religie, ken me een plaats toe waar ik permanent kan verblijven onder uw heerschappij.' "

(38) Sûta zei: "Aldus verzocht, verleende hij toen Kali de toestemming te verblijven in plaatsen waar de vier soorten zondige activiteiten van het gokken, drinken, de prostitutie en het slachten van dieren [dyûtam, pânam, striyah, sûnâ] plaatsvonden. (39) Daarnaast kende de meester, op zijn aandringen, hem de plaats toe waar men het goud aantreft, want de passie voor goud vormt, vanwege de valsheid, bedwelming, lust en vijandigheid die het met zich meebrengt, de vijfde zonde. (40) En zo werden op aanwijzing van de zoon van Uttarā door Kali de vijf hem toegewezen verblijfplaatsen ingenomen waar goddeloosheid wordt aangemoedigd. (41) Om die reden dient een persoon met het oog op zijn welzijn nimmer zijn toevlucht te nemen tot welke van deze plaatsen ook, met name niet degene die zich bevindt op het pad van de bevrijding en tot de adel, de dienaren van de staat en de leraren behoort. (42) Door activiteiten aan te moedigen die de drie verloren gegane poten van versobering, reinheid en mededogen van de stier weer herstelden, werd [door koning Parîkchit] de aarde volmaakt in ere hersteld. (43-44) Momenteel zit hij [nog steeds] op de aardse troon die werd toevertrouwd door de koning, de grootvader [Yudhishthhira] toen die zich in het woud wilde terugtrekken. Door die heerschappij staat die wijze onder de koningen en leider van de Kurudynastie, heden in Hastinâpura bekend als de meest fortuinlijke en befaamde keizer. (45) Vanwege het geloof van deze koning, door de heerschappij over de aarde van de zoon van Abhimanyu, kon u allen een offerplechtigheid beginnen als deze."





Hoofdstuk 18: Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen

(1) Sûta zei: "Hij [Parîkchit] die in de schoot van zijn moeder werd geschroeid door het wapen van de zoon van Drona, stierf niet dankzij de genade van de Allerhoogste Heer, Krishna wiens daden wonderbaarlijk zijn. (2) Door een kwade brahmaan vervloekt het leven te verlaten vanwege een slangenvogel, werd hij niet overmand door de grote angst [voor de dood] omdat hij zijn hart had gegeven aan de Allerhoogste Heer. (3) Nadat hij de feitelijke positie van de Onoverwinnelijke had begrepen en hen die hem nabij stonden had achtergelaten, gaf hij, als een discipel van de zoon van Vyâsa [S'ukadeva Gosvâmî], zijn lichaam op aan de oever van de Ganges. (4) Zij die zich de voeten herinneren van de Allerhoogste Bezongen in de Verzen en waardering hebben voor - en leven met - Zijn nectargelijke verhalen, zullen in hun stervensuur niet in verwarring verkeren. (5) De persoon van Kali, hoewel overal aanwezig, kan niet gedijen zolang de machtige heerser, de zoon van Abhimanyu de ene keizer is. (6) Vanaf het moment dat de Allerhoogste Heer deze aarde verliet, verscheen Kali, hij die de goddeloosheid bevordert, in deze wereld. (7) De keizer koesterde nimmer vijandschap jegens Kali. Als een bij uit op nectar genoot hij de essentie dat gunstige zaken snel tot perfectie leiden terwijl anders handelend dat nimmer het geval is. (8) Kali, die in de ogen van de zwakken een grote macht lijkt te zijn, is voor de zelfbeheerste ziel iemand om voor op je hoede te zijn, en zo was hij [Parîkchit], als een tijger onder de mensen, degene die zorg droeg onder de zorgelozen. (9) Op uw verzoek heb ik u vrijwel al de verhalen verteld die er over de vrome Parîkchit in samenhang met Vâsudeva te vertellen zijn. (10) Die personen die uit zijn op hun welzijn doen er goed aan kennis te nemen van ieder mogelijk verhaal dat ik besprak over de Allerhoogste Heer Zijn wonderen, bovenzinnelijke kwaliteiten en ongewone daden."

(11) De wijzen zeiden: "O Sûta, moge u een lang, gelukkig en in het bijzonder eeuwig roemrijk leven beschoren zijn, want met uw zo fraaie spreken over Krishna gunt u ons stervelingen de nectar van de eeuwigheid. (12) Met het brengen van dit offer waarvan de afloop onzeker is, zien we zwart van de rook, maar met het door uw goede zelf behagen van Govinda's voeten hebben we de nectar van een lotusbloem. (13) Het bereiken van hogere leefwerelden of bevrijding uit de stof, om nog maar te zwijgen van het verwerven van wereldse zegeningen door hen die onvermijdelijk op hun dood afstevenen, is niet te vergelijken met het enkel maar voor een ogenblik volmaakt in evenwicht verkeren in de omgang met een toegewijde van de Heer. (14) Als men eenmaal de smaak ervan te pakken heeft, krijgt men er nooit genoeg van de nectar te genieten van de verhalen over de grootste en enige toevlucht onder de levende wezens, over Hem wiens bovenzinnelijke kwaliteiten nimmer te overzien waren voor zelfs de grootste meesters in de mystieke vereniging als Heer Brahmâ en Heer S'iva. (15) Wees zo goed, o geleerde, om voor ons die er zo naar verlangen erover te vernemen, een beschrijving te geven van Zijn onpartijdige, bovenzinnelijke activiteiten. Want Hij, Heer Hari, de enige echte toevlucht voor de grootste onder de groten, is voor uwe goedheid de leidende hoogste persoonlijkheid. (16) Duidelijk is dat Parîkchit, die een eersteklas toegewijde was met een grote intelligentie, de lotusvoeten bereikte van Hem die Garuda in Zijn vaandel voert, door de kennis die hij ontving van de zoon van Vyâsa over wat men het pad  bevrijding noemt. (17) Vertel ons daarom alstublieft de verheven en zuiverende verhalen van de zo wonderbaarlijke yoga van de toewijding. Beschrijf, zoals ze aan Parîkchit werden uitgelegd, de handelingen van de Onbegrensde de zuivere toegewijden zo dierbaar."

(18) Sûta zei: "Zie hoe wij, hoewel van gemengde komaf, door hen te dienen die gevorderd zijn in de kennis [zoals S'uka], duidelijk bevorderd zijn tot een hogere geboorte. In gesprekken verbonden met de groten [de grote toegewijden] raakt men spoedig bevrijd te moeten lijden onder een gebrek aan kwaliteit vanwege zijn geboorte. (19) En hoeveel temeer geldt dat niet voor hen die de heilige naam zingen onder leiding van niemand anders dan de grote zielen die bij Hem horen, de Allerhoogste Heer die Ananta wordt genoemd vanwege het feit dat Hij onbegrensd is in Zijn vermogen en onmetelijk groot is in Zijn kwaliteiten? (20) Om een beschrijving te geven van Hem die onmetelijk is in Zijn hoedanigheden en Zijns gelijke niet kent, volstaat het erop te wijzen dat de Godin van het Geluk, met het afwijzen van anderen die erom verzochten, het wenste van dienst te zijn in het stof van Zijn voeten, terwijl Hij er Zelf niet om vroeg. (21) Wie anders zou de positie waard zijn van het dragen van de naam van Allerhoogste Heer dan Mukunda [Heer Krishna als degene die bevrijding schenkt] uit wiens teennagels het water [van de Ganges] verzameld door Brahmâjî voortkwam dat Heer S'iva en het hele universum zuivert? (22) Zij die zichzelf beheersen en sterk gehecht zijn aan Hem, zijn ertoe in staat van het ene moment op het andere al de gehechtheden van het grofstoffelijk lichaam en de subtiele geest achter zich te laten en te vertrekken om hun toevlucht te nemen tot de hoogste staat van volmaaktheid [sannyâsa], het levensstadium gekenmerkt door geweldloosheid en verzaking. (23) Omdat u, die zo sterk als de zon bent, er mij om vroeg, kan ik een beschrijving geven van de kennis die ik heb verworven. In dezen is het als met de vogels die vliegen zover ze maar kunnen; ik kan u op de hoogte stellen van Vishnu voor zover mijn realisatie dat toestaat.

(24-25) Eens toen Parîkchit op herten jaagde met pijl en boog, raakte hij zeer vermoeid, hongerig en dorstig. Op zoek naar een drinkplaats ging hij de kluizenaarshut van de beroemde rishi S'amîka binnen alwaar hij de wijze in stilte zag zitten met zijn ogen dicht. (26) Na zijn zinnen en ademhaling te hebben ingeperkt, was hij, met zijn geest en intelligentie in rust en kwalitatief gelijk aan het Allerhoogste Absolute, onaangedaan en had hij de bovenzinnelijkheid bereikt boven de drie staten van bewustzijn [waken, dromen en droomloze slaap]. (27) Hij werd bedekt door zijn lange, samengeklitte haar alsook door een hertenvel. De koning, hem met een droge mond in die staat aantreffend, vroeg om water. (28) Omdat hij niet naar behoren werd ontvangen met een zitplaats, water en gepaste woorden, voelde hij zich geminacht en werd hij daarom kwaad. (29) O brahmanen, geplaagd door honger en dorst zelf onnadenkend, was zijn woede en vijandigheid jegens de brahmaan ongekend. (30) Zijn respect verloren hebbende, raapte hij met de punt van zijn boog kwaad een levenloze slang van de grond op en legde die over de schouder van de wijze toen hij vertrok om terug te keren naar zijn paleis. (31) [Daar vroeg hij zich af] of het nu wel of niet zo zou zijn dat deze meditatieve staat met gesloten ogen en de zinnen afgewend een voorgewende trance was volgehouden [door de wijze] omdat hij maar een lage bestuurder was.

(32) Toen de zoon van de wijze [genaamd S'ringî], die een zeer machtige persoonlijkheid was, hoorde van het verdriet dat de koning zijn vader had bezorgd terwijl hij met wat jochies aan het spelen was, zei hij dit: (33) 'Kijk nu eens hoe goddeloos de heersende klasse is! Zich verrijkend als de kraaien, gedragen zij, de dienaren, zich als waakhonden bij de deur, slecht jegens hun meester! (34) De zonen van de heersende klasse hebben als waakhonden te waken over de brahmaanse orde. Op basis waarvan verdient hij die verondersteld wordt voor de deur te liggen van het huis van zijn meester, het om naar binnen te gaan en uit dezelfde pot te eten? (35) Aangezien Krishna onze beschermer, de Allerhoogste Heer en heerser over al die parvenu's, vertrokken is, zal ik ze nu zelf bestraffen, zie maar eens hoe machtig ik ben!' (36) Aldus met zijn ogen roodgloeiend van de woede tot zijn speelkameraadjes sprekend, beroerde de zoon van de wijze het water van de Kaus'ika rivier en ontketende hij de volgende banvloek aan woorden: (37) 'Voorwaar, over zeven dagen zal de snoodaard van de dynastie die mijn vader heeft beledigd, vanwege het breken met de etiquette, worden gebeten door een slangenvogel.' (38) Toen de jongen daarna was teruggekeerd naar de hermitage, zag hij de slang over de schouder van zijn vader en huilde hij hardop vanwege die deerlijke toestand."

(39) O S'aunaka, toen de rishi zijn zoon hoorde huilen, opende hij, die was geboren in de familie van Angirâ, langzaam zijn ogen en zag de dode slang op zijn schouder. (40) Die terzijde werpend vroeg hij: 'Mijn beste zoon, waarom huil je? Heeft iemand je kwaad gedaan?' Aldus ertoe verzocht, vertelde de jongen hem alles. (41) Nadat hij vernam over de vloek die was uitgesproken tegen de koning, die dat als de beste onder de mensen niet verdiende, complimenteerde hij zijn zoon niet, maar jammerde hij in plaats daarvan: 'Helaas! Welk een grote zonde heb je vandaag zelf begaan in het toemeten van zo'n zware straf voor zo'n onbeduidende overtreding! (42) In feite mag niemand ooit een soeverein heerser, een god onder de mensen die bekend staat als bovenzinnelijk, op gelijke voet plaatsen met de gewone man - jouw beheersing van de intelligentie is niet volwassen... volkomen beschermd door zijn onvergelijkelijke bekwaamheid genieten zijn onderdanen alle welvaart. (43) O mijn jongen, de Heer, die het wiel van de strijdwagen draagt, wordt vertegenwoordigd door deze monarch. Als men hem de rug toekeert zal deze wereld vol van dieven zijn die direct de onbeschermde zielen bedwingen als waren ze lammeren. (44) Omdat we de monarch de rug toe hebben gekeerd, zal vanaf heden de terugslag van deze zonde zijn beslag krijgen en grote maatschappelijke wanorde veroorzaken - dieven zullen zich overal meester maken van de welvaart en onderling zal men elkaar naar het leven staan en schade toebrengen en ook verkeerd omgaan met het geld, de vrouwen en de dieren. (45) De rechtvaardige beschaving, van de mensheid overeenkomstig de Vedische voorschriften verenigd in goed gedrag [en zich ontwikkelend] in zijn roepingen en levensstadia, zal dan systematisch teniet worden gedaan. Bijgevolg zal de economie, die dan enkel ten dienst staat van het zingenot, resulteren in een ongewenste bevolking op het niveau van apen en honden. (46) De beschermer van de religie, de koning, is een alom gewaardeerd keizer, een directe, eersteklas toegewijde van de Heer, een heilige van adel en een groot brenger van paardoffers. Als hij, hongerig en dorstig, is getroffen door vermoeidheid, verdient hij het nooit op deze manier door ons te worden vervloekt.'

(47) Daarop wendde de wijze zich tot de Allerhoogste, Alomtegenwoordige Heer om zich te verontschuldigen voor de grote zonde die het kind in zijn onvolwassen intelligentie had begaan jegens een zondeloze en waardige onderworpen ziel. (48) [Hij bad:] 'Ook al worden ze door het slijk gehaald, bedrogen, vervloekt, verstoord, verwaarloosd of zelfs als een van hen wordt gedood, zullen de verdraagzame toegewijden van de Heer zich nooit wreken voor welk van deze zaken ook.' (49) De grote wijze betuigde aldus zijn spijt over de zonde van zijn zoon en dacht zeker niet dat de belediging door de koning een zonde was. (50) Over het algemeen tonen de heiligen in deze wereld zich niet verdrietig of gelukkig als ze door toedoen van anderen betrokken raken bij de dualiteit van de wereld, ze bevinden zich immers in de bovenzinnelijkheid van de ziel."





Hoofdstuk 19: De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî

(1) Sûta zei: "De koning vond dat wat hij gedaan had iets afschuwelijks was en dacht zeer gedeprimeerd: 'Helaas, het was onbeschaafd en slecht wat ik de foutloze, ernstige en machtige brahmaan aandeed. (2) Vanwege de minachting van wat ik die goddelijke persoon heb aangedaan zal ik ongetwijfeld zeer spoedig een zeer lastige calamiteit onder ogen moeten zien. Ik hoop van harte dat dat gebeurt, zodat ik van mijn zonden zal worden verlost en nooit meer iets dergelijks zal doen. (3) Moge ik vandaag nog, met mijn koninkrijk, kracht en weelde aan rijkdommen, branden in het vuur ontstoken door de brahmaanse gemeenschap, opdat het ongeluk van zondig denken tegen de Heer, de tweemaal geborenen en de koeien me niet weer zal overkomen.' (4) Terwijl hij aldus aan het peinzen was, vernam hij van de doodsvloek van de zoon van de wijze. Die vloek in de vorm van het vuur van een slangenvogel, aanvaardde hij als goedgunstig, want die spoedige gebeurtenis zou het gevolg zijn van zijn onverschilligheid over wereldse zaken. (5) Hij besloot deze wereld op te geven alsook de wereld hierna, want hij was reeds tot het inzicht gekomen dat ze beiden inferieur waren ten opzichte van een leven van dienstverlenen aan de voeten van Krishna dat hij als de grootste prestatie beschouwde. Dus ging hij aan de oever van de bovenzinnelijke rivier [de Ganges] zitten om te vasten. (6) Die rivier, altijd stromend vermengd met tulsî-blaadjes [een plant gebruikt in de eredienst], bestaat uit het water dat het stof meevoert van de voeten van Heer Krishna dat de wereld vanbinnen en vanbuiten heiligt en zelfs de Heer van de Vernietiging [Heer S'iva]. Welke persoon die gedoemd is te sterven zou zich niet tot die rivier wenden? (7) In een geest niet afwijkend van de geloften van de wijzen zou hij  zich vrijmaken van alle vormen van materiële gehechtheid. Met dat besluit gaf hij, de waardige nakomeling van de Pândava's, neerzittend aan de oever van de rivier stromend van de voeten van Vishnu, zich over aan de genade van Mukunda tot de dood erop volgde.
 
(8) Al de grote geesten en denkers die tezamen met hun leerlingen de hele wereld kunnen zuiveren, kwamen daar toen bijeen met het argument een bedevaart te maken. Het is door de persoonlijke aanwezigheid van de wijzen dat de bedevaartsoorden hun heilige status genieten. (9-10) Atri, Cyavana, S'aradvân, Arishthanemi, Bhrigu, Vasishthha, Parâs'ara, Vis'vâmitra, Angirâ, Paras'urâma, Uthathya, Indrapramada, Idhmavâhu, Medhâtithi, Devala, Ârshthisena, Bhâradvâja, Gautama, Pippalâda, Maitreya, Aurva, Kavasha, Kumbhayoni, Dvaipâyana en de grote persoonlijkheid Nârada kwamen. (11) Ook vele andere goddelijke persoonlijkheden, heilige brahmanen, de besten van de wijzen die de meest vooraanstaande adel adviseerden en vele andere wijzen als Aruna kwamen opdagen. Al deze leidende persoonlijkheden van de dynastieën van wijzen werden door de keizer eerbiedig verwelkomd met een buiging van zijn hoofd. (12) Toen ze allen comfortabel zaten sprak hij, na nogmaals hen zijn eerbetuigingen te hebben gebracht, nederig over zijn besluit om te vasten, met gevouwen handen voor hen staand als iemand wiens denken zich heeft losgemaakt van wereldse zaken. (13) De koning zei: 'We zijn werkelijk zeer dankbaar om de meest fortuinlijke te zijn van al de koningen getraind om open te staan voor de gunsten van de grote zielen, want aan de voeten van de brahmanen zijn de koninklijke geslachten niet meer dan afval waarvan men zich verre dient te houden vanwege hun verwerpelijke handelingen. (14) Vanwege mijn zonden, zal de Heerser over de bovenzinnelijke en de stoffelijke wereld in de vorm van die brahmaanse vloek, spoedig de oorzaak zijn van mijn onthechting van hen, ik die, almaar aan familiezaken denkend, vol van vrees was. (15) O brahmanen, aanvaard mij daarom als iemand die met de Heer in zijn hart zijn toevlucht heeft genomen tot de Ganges, de goddelijke moeder. Laat de slangenvogel of wat voor magisch iets de tweemaal geborene ook afriep, mij terstond bijten. En gaat u alstublieft door met de verhalen over Vishnu. (16) En, nogmaals, laat het zo zijn dat waar ik ook, met betrekking tot de Allerhoogste Onbegrensde Heer en de associatie die Hij aantrekt in de materiële wereld, mijn geboorte moge nemen, ik overal vriendschappelijke verhoudingen met eerbetuigingen voor de tweemaal geboren zielen mag aantreffen.'

(17) En zo gebeurde het dat de koning, met dezelfde vasthoudendheid als hij voordien had getoond, geheel zelfbeheerst op kus'agras ging zitten dat neergelegd was naar het oosten terwijl hij naar het noorden keek vanaf de zuidelijke oever van de echtgenote van de zee [de Ganges]. Het bestuur had hij overgedragen aan zijn zoon. (18) Al de goden die vanuit de hemel hadden gezien dat de koning zou vasten tot zijn dood, bestrooiden daarop waarderend bij die gelegenheid de aarde met bloemen en sloegen daarbij blij op de hemelse trommen. (19) Al de grote wijzen die zich daar hadden verzameld waren vol lof over zijn aldus betoonde wijsheid. Instemmend vanuit hun genade voor de levende wezens, een hartskwaliteit overeenkomstig het karakter van Hem geprezen in de geschriften, zeiden ze toen: (20) 'Het wekt totaal geen verbazing o heilige koning, aanvoerder van ons allen die Krishna strikt volgen, dat u gezeten op de troon gersierd met de helmen van de koningen, uw leven zo terstond als dit opgaf in uw verlangen omgang  te hebben met de Fortuinlijke. (21) We zullen allen zolang hier blijven als deze vooraanstaande toegewijde nodig heeft om zijn lichaam op te geven en naar de wereld van de Allerhoogste terug te keren, waar hij volledig vrij zal zijn van alle wereldse zorgen en geweeklaag.'

(22) Nadat hij de verzamelde wijzen aldus onpartijdig, aangenaam om te horen, ernstig en volmaakt naar waarheid had horen spreken, complimenteerde Parîkchit ze allen met hun gepaste eerbetoon en zei hij in zijn verlangen te vernemen over de activiteiten van Vishnu: (23) 'U bent allen bijeengekomen uit alle windstreken als de belichamingen van de Vedische kennis gehandhaafd boven de drie werelden, met geen ander oogmerk in deze wereld of een wereld hierna dan u, geheel naar uw wezensaard, in te zetten voor het heil van anderen. (24) Daarom smeek ik u, vertrouwenswaardige Vedisch geleerden, me te vertellen welke van al de verschillende verplichtingen die er zijn voor een ieder en in het bijzonder voor hen die op het punt staan heen te gaan, u [voor mij] de juiste acht.'

(25) Op dat moment verscheen de machtige zoon van Vyâsa, S'ukadeva Gosvâmî. Gekleed als een bedelmonnik, reisde hij tevreden in zijn zelfverwerkelijking vrij rond over de aarde, omringd door kinderen en zonder zich te onderscheiden in zijn identiteit of zich te bekommeren om materiële gemakken. (26) Hij, zestien jaar oud, had een fijngebouwd lichaam met delicate armen, benen, handen, dijen, schouders en voorhoofd. Zijn ogen waren prachtig groot in een gezicht met een hoog oplopende neus, daarbij passende oren, fijne wenkbrauwen en een nek die zo welgevormd was als een hoornschelp. (27) Met diepliggende sleutelbeenderen, een gewelfde borst en een diepe navel had hij een fraai gelijnde buik. Geheel naakt met krullend, zwart, loshangend haar en lange armen was zijn tint die van de beste onder de goden [van Krishna; een donkere huid]. (28) Hoewel hij zijn naaktheid bedekte, herkenden de wijzen, die een goed oog hadden voor iemands lichaamsbouw, de symptomen van de zwarte, donkere huid, de eeuwige schoonheid van zijn prille leeftijd en de aantrekking voor het andere geslacht met zijn mooie glimlachen. En dus stonden ze allen op van hun zitplaatsen. (29) Om de nieuwe gast te verwelkomen, boog degene die altijd door Vishnu wordt beschermd [Parîkchit], zich voor hem om hem zijn eerbetuigingen te brengen. Zijn minder ontwikkelde gevolg van jongens en vrouwen trok zich meteen terug toen hij zijn verheven zitplaats innam in ontvangst van het respect. (30) Aldaar omringd door de grootsten van de grote heiligen onder de brahmanen, edellieden en goddelijke zielen, straalde S'ukadeva, gelijk de hoogste heer, zo prachtig als de maan omringd door de planeten, hemellichamen en sterren. (31) Kalm, intelligent en zelfverzekerd daar zittend, werd de wijze  benaderd door de grote toegewijde, de koning, die zich op gepaste wijze met gevouwen handen voor hem verbuigend, beleefd en vriendelijk vragen stelde.

(32) Parîkchit zei: 'O brahmaan, welk een zegen is het voor ons, kshatriya vrienden, om met de genade van u als onze gast, vandaag te zijn verkozen als de dienaar van de toegewijde, om met het bezoek van uw goede zelf onze weg te mogen vinden. (33) Als we denken aan uw persoon zuivert dat terstond al de plaatsen waar we wonen, om nog maar te zwijgen over wat het betekent om u te zien, u aan te raken, uw voeten te wassen en u een zetel aan te bieden! (34) Door uw aanwezigheid, o grote mysticus, worden iemands zwaarste zonden terstond weggevaagd, zoals het ongelovigen vergaat in de aanwezigheid van Vishnu. (35) Eindelijk is Krishna, de Allerhoogste Heer die zo geliefd is bij de zoons van Pându, tevreden over mij en heeft Hij, vanuit Zijn genegenheid voor Zijn neven, mij, hun afstammeling, [met uw komst] aanvaard als een van de hunnen. (36) Hoe zou het anders mogelijk zijn dat u, uit eigen beweging, speciaal voor iemand die op het punt staat te sterven, hier bent verschenen om ons te ontmoeten, terwijl u, volmaakt als u bent, zich normaal gesproken ongezien beweegt onder de gewone man? (37) Derhalve smeek ik u, de meest verheven geestelijk leraar van de asceten, wat voor een persoon in dit leven het pad van de perfectie inhoudt, en met name wat dat voor iemand die op het punt staat te sterven betekent. (38) Leg alstublieft uit waar iemand naar moet luisteren en waar hij op moet mediteren, o meester, wat hij moet doen, wat hij in gedachten moet houden en wat hij moet dienen, alsook wat daarmee in strijd zou zijn. (39) Dit vraag ik u omdat men, o allerhoogste toegewijde, u thuis bij de huishouders zich zelden langer ziet ophouden dan precies de tijd nodig om een koe te melken.' "

(40) Sûta zei: "Aldus op aangename wijze toegesproken en ondervraagd door de koning, begon de verheven zoon van Vyâsadeva, goed thuis in de kennis van iemands eigenlijke plicht, met zijn antwoord."

 

Aldus eindigt het eerste Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: Schepping.


 


CANTO 2: De Kosmische Manifestatie

 


Hoofdstuk 1: De Eerste Stap in de Godrealisatie

(-) Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (1) S'rî S'uka zei: 'Dit vragen stellen door u voor het heil van alle mensen is het beste dat u kan doen, want dit verheven onderwerp van studie, o Koning, draagt de goedkeuring weg van de transcendentalisten en vormt het hoogste van alles wat de aandacht waard is. (2) O Keizer, in de menselijke samenleving kan men vernemen over talloze onderwerpen die van belang zijn voor hen die, gehecht aan huis en haard, materieel vergroofd zijn en blind zijn voor de werkelijkheid van de ziel. (3) Ze brengen hun leven door met slapen en de liefde bedrijven gedurende de nacht en met geld verdienen en het verzorgen van hun gezin overdag. (4) Al te gehecht aan de feilbare bondgenoten van het lichaam, de kinderen, de echtgenote en alles wat erbij hoort, zien ze, ondanks hun ervaring, niet de eindigheid van dat alles in. (5) Om die reden o afstammeling van Bharata, moet Hij worden besproken, verheerlijkt en herinnerd die als de Superziel en de Hoogste Persoonlijkheid de heersende en overwinnende Heer is die hen die verlangens koesteren bevrijdt van de angst. (6) Al dit analyseren in de kennis van de yoga van iemands eigen aard en hoe een persoon na zijn geboorte tot het volle besef van het Allerhoogste zou moeten komen, komt uiteindelijk enkel neer op het zich herinneren van Nârâyana [Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid]. (7) Het zijn doorgaans de wijzen die, vrij van de materiële geaardheden, de voorschriften en beperkingen de baas zijn, o Koning, en er behagen in scheppen om met name de heerlijkheden van de Heer te beschrijven.

(8) Deze geschiedenis genaamd het Bhâgavatam bevat de essentie van de Veda's en werd aan het einde van dit Dvâpara-tijdperk [de yuga van het eren van vorsten] door mij bestudeerd onder leiding van mijn vader Dvaipâyana Vyâsa. (9) Hoewel volleerd in bovenzinnelijkheid trokken de verlichte verzen die het spel en vermaak [van de Heer] beschreven mijn aandacht, o heilige Koning, en dus bestudeerde ik ze. (10) Die zal ik aan u voordragen, daar u, o goedheid, een hoogst oprechte toegewijde bent. Zij die respectvol er hun volle aandacht aan schenken zullen zeer spoedig een onwankelbaar geloof in Mukunda verwerven [in Krishna als de Heer die bevrijding schenkt]. (11) Zowel voor hen die begeren zonder devoot respect te oefenen, als voor alle yoga beoefenaren vrij van angst en twijfel, o Koning, vormt het, in navolging van de traditie, herhalen van de naam van de Heer de aangewezen methode. (12) Wat voor nut heeft het vele jaren als een onwetende in deze wereld door te brengen zonder [deze] ervaring op te doen? Van meer waarde is het uur dat men welbewust besteedt aan het dienen van het hogere belang. (13) De heilige koning die bekend staat als Khathvânga zette, toen hij besefte dat hem nog slechts een enkel moment restte in deze wereld, alles van zich af en ervoer de volledige geborgenheid van de Heer. (14) O lid van de Kurufamilie, daarom zou ook uw levensduur die beperkt is tot zeven dagen, u ertoe moeten inspireren om alles te volbrengen wat traditioneel hoort bij de rituelen voor een volgend leven. (15) Als men het einde van zijn leven ziet naderen moet men zich bevrijden van de angst voor de dood door, met behulp van het wapen van de onthechting, een einde te maken aan zijn begeerten en al het materiële dat er betrekking op heeft. (16) In vrome zelfbeheersing moet men zijn huis achter zich laten en zich begeven naar een heilige plaats om daar naar behoren gereinigd in afzondering plaats te nemen in een houding overeenkomstig de voorschriften. (17) Het denken moet dan worden gericht op de drie heilige letters [A-U-M]. Door het reguleren van de ademhaling moet men de geest aldus onder controle krijgen zodat de primaire oorzaak van de Geest van het Absolute [Brahman] niet wordt vergeten. (18) Met de intelligentie als de wagenmenner, moeten de [paarden van de] zinnen met behulp van de geest worden weggeleid van hun voorwerpen. De geest die uit is op resultaten moet voor dat doel bewust worden gefixeerd op de gunstige zaak [van de Heer]. (19) Men richt dan, zonder zich te laten afleiden door de buitenwereld, de geest achtereenvolgend op Zijn verschillende lichaamsdelen. Het gaat er daarbij om aan niets anders te denken dan de toevlucht [die wordt gevormd door de voeten] van de Allerhoogste Heer Vishnu die de geest aldus tot rust brengt. (20) Vanwege de hartstocht en traagheid van de natuur is het denken altijd aangedaan en verbijsterd, maar in de concentratie van hen die vrede vonden, in de focus die aan al de onzuiverheid een einde maakt, krijgt men dat onder controle. (21) Zij die gefixeerd in de gewoonte van een dergelijke systematische heugenis de vereniging zoeken en vasthouden aan deze toewijding zullen spoedig succes hebben in de toevlucht van de yoga die dat voorstaat.'

(22) De koning, die aandachtig had geluisterd, vroeg: 'O brahmaan, wat is in het kort het idee van de manier waarop een persoon direct een einde kan maken aan de onzuiverheden van zijn geest?'
 

(23) S'rî S'uka zei: 'Als men beheerst neerzit, zijn adem onder controle heeft, de gehechtheid overwonnen heeft en de zinnen heeft onderworpen, moet men zijn aandacht richten op de grove materie van de uiterlijke gedaante van de Allerhoogste Heer [de virâth-rûpa]. (24) Zijn persoonlijke lichaam is deze grofstoffelijke materiële wereld waarin we al het verleden, heden en toekomstige ervaren dat deel uitmaakt van het bestaan van dit universum. (25) Dit uiterlijke omhulsel van het universum dat bekend staat als een lichaam met zeven lagen [zie kos'a's], vormt het idee van het voorwerp van de Universele Gedaante van de Purusha [de Oorspronkelijke Persoon] die de Allerhoogste Heer is. (26) De lagere werelden worden door hen die het bestudeerden herkend als Zijn voetzolen [genaamd Pâtâla], Rasâtala worden dan Zijn hielen en tenen genoemd, Zijn enkels Mahâtala en de kuiten van de gigantische persoon heten de Talâtala werelden. (27) De twee knieën van de Universele Gedaante worden Sutala genoemd, de dijen Vitala en Atala en de heupen Mahîtala, o Koning. De kosmische ruimte houdt men voor de welving van Zijn navel. (28) De hogere, verlichte werelden vormen Zijn borstkas, met daarboven de nek genaamd Mahar. Zijn mond is genaamd Jana terwijl Tapas de naam is van de werelden van het voorhoofd met Satyaloka [de wereld van de Waarheid] als de opperste van de [midden]werelden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die duizend hoofden heeft. (29) De goden aangevoerd door Indra zijn Zijn armen, de vier windrichtingen zijn Zijn oren en geluid is Zijn hoorzin. De neusvleugels van de Allerhoogste zijn de As'vinî-Kumâra's [een soort halfgoden], terwijl geur Zijn reukzin is en Zijn mond het laaiende vuur. (30) Het omhulsel van de atmosfeer vormt Zijn oogkassen terwijl de oogbol van de zon Zijn zien vormt. De oogleden van Vishnu zijn de dag en de nacht, de bewegingen van Zijn wenkbrauwen zijn het allerhoogste wezen [Brahmâ en de andere halfgoden], Zijn verhemelte is de bestuurder van het water [Varuna] en Zijn tong is het zoete sap. (31) Ze zeggen dat de Vedische hymnen het denkproces van de Onbegrensde vormen, dat de kaken Yamarâja [de Heer van de dood] zijn, Zijn tanden Zijn genegenheid zijn en dat Zijn glimlach de hoogst bekoorlijke onoverkomelijke materiële energie [mâyâ] is. De materiële schepping is slechts het werpen van Zijn blik. (32) Bescheidenheid is Zijn bovenlip, Zijn kin staat voor de hunkering, religie vormt Zijn borst en het pad van de ongelovigheid wordt gevormd door Zijn rug. Brahmâ vormt Zijn genitaliën, Zijn testikels zijn de Mitrâ-varuna's [de vrienden], Zijn middel zijn de oceanen en Zijn verzameling botten zijn de bergen. (33) Zijn aderen zijn de rivieren en de planten en bomen zijn de haren op het lichaam van de Universele Gedaante, o Koning. De lucht is Zijn almachtige ademhaling, het verloop van de tijdperken, de Tijd, is Zijn beweging en de constante werking van de geaardheden van de materiële natuur vormt Zijn activiteit. (34) Laat me u zeggen dat de haren op het hoofd van de Allerhoogste de wolken zijn, o beste van de Kuru's, en dat de intelligentie van de Almachtige geldt als de grondoorzaak van de materiële schepping. Zijn geest, de bron van alle veranderingen, staat bekend als de maan. (35) Het grote principe vormt Zijn bewustzijn terwijl Heer S'iva, zo zegt men, de innerlijke oorzaak is [Zijn ego, Zijn zelf]. Het paard, het muildier, de kameel en de olifant zijn Zijn nagels en al het andere wild en de viervoetigen zijn in de streek van Zijn gordel vertegenwoordigd. (36) Het zingen van de vogels is Zijn kunstzin, en Manu, de vader van de mens vormt de inhoud van Zijn gedachten met de mensheid als Zijn verblijfplaats. De engelen en hemelse wezens [de Gandharva's, Vidyâdhara's en Cârana's] vormen Zijn muzikale ritme en de herinnering aan terroriserende soldaten vertegenwoordigt Zijn macht. (37) Met de intellectuelen [brahmanen] als het gezicht en de heersers [kshatriya's] als de greep van de Universele Gedaante, zijn de handelaren [vais'ya's] de dijen en de arbeiders [s'ûdra's, de donkere of 'krishna'-klasse]  Zijn voeten. Door de verschillende namen van de halfgoden wint Hij in aanzien met het verschaffen van geschikte goederen [die Hem tevredenstellen] middels het brengen van offers.

(38) Ik heb u een uiteenzetting gegeven van al deze lokaties in de Gedaante van de Heer opdat een ieder die zich concentreert op deze virâth-rûpa Universele Gedaante middels de intelligentie zijn doel kan bereiken. Buiten Hem is er in het grofstoffelijke immers niets anders te vinden. (39) Hij die als de Superziel op zoveel manieren kan worden waargenomen in allerlei gedaanten, zoals een dromer zichzelf [in verschillende situaties] kan zien, is de ene Allerhoogste Waarheid en oceaan van gelukzaligheid. Men moet zich op Hem richten en nergens anders op als men zich niet door gehechtheden verlaagd wil zien.'

 


Hoofdstuk 2: De Heer in het Hart

(1) S'rî S'uka zei: 'Door je te bezinnen op het Hoogste Zelf  [van de Universele Gedaante] waar je [net als Heer Brahmâ] uit voortkwam, krijg je, aldus voldoening vindend [met de Oorspronkelijke Persoon], je geheugen terug dat teloor ging. Met je blik aldus helder werkt de intelligentie weer als voorheen en kan je je leven op orde krijgen. (2) Het [geestelijk] aanhangen van de klanken van de [onpersoonlijke] Absolute Waarheid, zorgt ervoor dat de intelligentie, vanwege de vele termen [die ermee gemoeid zijn], zich bezighoudt met onsamenhangende ideeën waarvan men, zonder ooit vreugde te vinden, ronddoolt in illusoire werkelijkheden - en de verschillende verlangens die erbij horen - alsof men aan het dromen is. (3) Op basis van het praktisch inzicht dat hij zich anders in zou zetten voor [zinloos] zwaar werk, moet een intelligente en oplettende persoon met zijn aandacht gefixeerd [in meditatie] om de perfectie te bereiken, zich enkel minimaal, niet meer dan noodzakelijk, betrekken op denkbeeldige [niet spirituele] doelen. (4) Waarom zou je streven naar een bed als je op de grond kan liggen; waarom zou je je druk maken om een kussen als je armen hebt; waarom zou je je inspannen voor allerlei gerei als je met je handen kan eten en waarom zou je je bekommeren om kleren als de bomen die verschaffen [met hun bast]? (5) Vindt je dan geen afgedankte kleding op straat; zijn er dan geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes met het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer het opgegeven de overgegeven zielen te beschermen? Waarom zou een geleerd mens dan degenen die zich door weelde laten leiden naar de mond moeten praten? (6) Als men aldus met de zaak van Hem, de meest geliefde, eeuwige Ene Superziel die geheel aanwezig is in het hart, onthecht is van de wereld, moet men Hem, de Fortuinlijke, vereren die het permanente voordeel vormt waarmee men zonder twijfel een einde ziet komen aan de oorzaak van de materiële gebondenheid. (7) Wie anders dan de materialisten zouden, met het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten, hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van materiële aanduidingen, waardoor zij, die de grote massa vormen die beheerst wordt door de misère van de terugslag van de baatzuchtige arbeid, zich als gevallen zien in de rivier van het lijden?

 
(8) Anderen zien in de meditatie op Hem binnenin hun eigen lichaam in de hartstreek ter grootte van twintig centimeter de persoonlijkheid van God daar verblijven met vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijdknots hooghouden. (9) Met op Zijn mond de uitdrukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geel gekleurd als een Kadambabloem, bedekt met juwelen en met gouden sieraden ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen. (10) Zijn voeten bevinden zich op het bloemhart van de lotusharten van grote mystici. Op Zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien. (11) Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit. (12) Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn gelaat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zegeningen van deze bijzondere bovenzinnelijke gedaante van de Heer waarop men zich behoort te richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn ter wille van iemands meditatie. (13)  Men behoort op de ledematen stuk voor stuk te mediteren, van de voeten af aan, totdat men het glimlachen van Zijn gezicht ziet. Aldus geleidelijk de beheersing over het denken verkrijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie. (14) Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materiële en bovenzinnelijke werelden, moet hij, als hij zijn voorgeschreven plichten heeft vervuld, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon voor de geest halen.

(15) Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven, o Koning, behoort men als een wijze, zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten en met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, met het beheersen van de levensadem de zinnen in te perken met behulp van de geest. (16) Met het in relatie tot het levende wezen reguleren van de geest bij machte van de eigen zuivere intelligentie moet men opgaan in dit zelf. Dat zelf moet men herleiden tot de volkomen, voldane Superziel zodat men aldus, aan alle activiteiten een einde makend, de volkomen gelukzaligheid bereikt. (17) Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen of enige andere materiële verandering of oorzakelijkheid van de grote natuur. (18) Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de transcendentale positie, geven zij die het goddeloze uit de weg willen gaan volledig de verwardheid op [van het argumenteren naar plaats en tijd], en plaatsen daarbij steeds in een zuiver op Hem gerichte goede wil Zijn aanbiddelijke lotusvoeten in hun hart. (19) De wijze die goed op de hoogte is van de wetenschap van het ter wille van het levensdoel naar behoren reguleren van de kracht [der zinnen], dient zich als volgt terug te trekken: hij moet zijn aars ['het lucht-gat'] blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven richten door de zes primaire plaatsen [navel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van de schedel] en aldus de materiële inertie te boven komen. (20) De mediterende moet, met de kracht van zijn visie van wijsheid, zijn levensadem geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart'] leiden, hem dan verder naar boven naar de borst brengen om dan uit te komen bij het strottenhoofd en zo zijn materiële verlangens beëindigen. (21) De ziener die van verzaking is moet, om het Allerhoogste te bereiken, met het blokkeren van de zeven uitgangen [ogen, oren, neusgaten en mond], van tussen zijn wenkbrauwen het domein van het hoofd binnengaan om daar een poos ['een half uur'], afzijdig te verwijlen ter wille van het altijd nieuwe eeuwige.

(22) Als men er echter een verlangen op nahoudt, o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men ernaar streeft de wereld van de guna's [de geaardheden van de natuur] te beheersen met de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's of perfecties], dan krijgt men onvermijdelijk ook te maken met de geest en de zinnen die daarbij horen. (23) Men beweert dat de grote transcendentalisten in het bereik van het subtiele lichaam, zich op basis van hun kennis, verzaking, yoga en verzonkenheid in en buiten de drie werelden vrij kunnen bewegen, maar dat zij die hun werk doen op basis van materiële motieven nimmer die vooruitgang  bereiken.

(24) Met het beheersen van de goddelijkheid van het vuur [Vais'vânara, ofwel met regelmatig offeren en mediteren] bereikt men door het pad van de [sushumnâ, het kanaal van het in evenwicht brengen van de] ademhaling, de verlichtende zuivere Geest van het Absolute, waarna men bevrijd van onzuiverheden zich naar boven bewegend [in achting voor de hemellichamen] de [galactische cakra-orde van de] Heer bereikt, o Koning, genaamd S'is'umâra [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd]. (25) Zich voorbij die navel van het universum, het centrum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu] begevend, wordt door enkel het individuele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid [de yogi], de plaats bereikt aanbeden door hen die de Absolute Waarheid kennen. De zelfgerealiseerde zielen genieten aldaar voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ]. (26) Daarop zal hij, die vanaf het bed van Vishnu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, vandaar naar de hoogste verblijfplaats vertrekken die, als het thuis van de gezuiverde zielen van de verheffing, voortbestaat voor de duur van twee parârdha's [de twee helften van Brahmâ's leven]. (27) Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van mededogen heeft als men de onwetenden ziet die onderworpen zijn aan de moeilijk te overwinnen misère van de herhaling van geboorte en dood.

(28) Na het achter zich gelaten hebben van de gedaanten van water en vuur en aldus hebben bereikt van het zuivere zelf dat vrij is van angst, bereikt men met het op die manier komen tot de stralende atmosfeer, na de nodige tijd via de adem van het zelf het etherische zelf, de ware grootheid van de ziel. (29) Door geuren de reuk krijgend, door de mond iets proevend, met het oog iets ziend, door fysiek contact aanraking ervarend en tenslotte door geluidstrillingen de kwaliteit van de ether ervarend, komt de yogi door middel van de activiteit van de zintuigen eveneens tot realisatie [van het meer subtiele]. (30) Nadat hij aldus op het mentale vlak in verhouding tot het grove en subtiele een neutraal punt van ik-bewustzijn heeft bereikt, overstijgt hij in de geaardheid goedheid die realisatie van zichzelf die onderhevig is aan verandering [het ego] en vordert hij, door het stoppen van de werking van de materiële geaardheden, in de richting van de werkelijkheid van de volmaakte wijsheid. (31) Door die zuivering in de richting van het zelf van de Superziel, bereikt de persoon de vrede, bevrediging en natuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle onzuiverheden. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal zeker nooit opnieuw gehecht raken aan deze materiële wereld, mijn beste [Parîkchit].

(32) De [twee directe en indirecte] wegen die ik u beschreven heb, o beschermer van de mens, stemmen zoals uwe Majesteit dat verlangde zoals het hoort overeen met de Veda's. Ook stemt het geheel overeen met de eeuwige waarheid zoals die voorheen door de aanbeden Opperheer Vâsudeva werd uitgesproken voor Heer Brahmâ die Hem voldoening had geschonken. (33) Voor hen die in dit leven ronddolen in het materiële universum bestaat er zeker geen methode van realisatie die gunstiger is dan de [directe] weg waarin men komt tot de toegewijde dienst [bhakti-yoga] van de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vâsudeva. (34) De grote persoonlijkheid [Vyâsadeva] bestudeerde de Veda's in totaal drie keer en stelde studieus, nauwgezet onderzoek doend vast dat iemand optimaal is gefocust als hij zich aangetrokken voelt tot de ziel. (35) De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargenomen in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel, als de Heer die door de intelligentie van de ziener wordt herkend aan de hand van verschillende tekenen en effecten. (36) Derhalve, o Koning, behoort iedere ziel, waar hij ook is en wanneer hij ook bestaat, te vernemen over, te zingen van en terug te denken aan de Heer die verheerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Persoonlijkheid van het menselijk wezen. (37) Zij die hun oren vullen met de vertellingen over de Allerhoogste Heer die de toegewijden het dierbaarst is en van die nectar drinken, zullen hun, door het materiële plezier verontreinigde, geestesstaat gezuiverd zien en terugkeren naar de aanwezigheid van Zijn lotusvoeten.'



Hoofdstuk 3: Zuivere Toegewijde Dienst - de Verandering in het Hart

(1) S'rî S'ukadeva zei: 'Ter wille van de intelligenten onder de mensen, heb ik u al de antwoorden gegeven in reactie op de vragen die uw goede zelf stelde over het menselijk wezen op de drempel van de dood. (2-7) Zij die verlangen naar de luister van het Absolute aanbidden de meester van de Veda's [Brihaspati]; Indra, de koning van de hemel is er voor degenen die de kracht van de zinnen verlangen [seks] en de Prajâpati's [de krachtige stamvaders] zijn er voor hen die nageslacht verlangen. De godin [Durgâ] is er voor hen die verlangen naar de schoonheid van de materiële wereld, de vuurgod is er voor hen die naar macht uitzien, voor de weelde zijn er de Vasu's [een type halfgod] en de incarnaties van Rudra [Heer S'iva] zijn er voor hen die kracht en heldhaftigheid wensen. Voor een goede oogst wordt de moeder van de halfgoden Aditi aanbeden, verlangend naar de hemel aanbidt men haar zonen, voor hen die koninklijke rijkdom begeren zijn er de Vis'vadeva halfgoden en voor een commercieel succes zijn er de Sâdhya goden. De As'vinî's [twee halfgodenbroers] zijn er voor het verlangen om lang te leven, voor een sterk lichaam wordt moeder aarde aanbeden en zij die hun positie willen handhaven en bekendheid willen, respecteren de godinnen van de aarde en de hemelen. Schoonheid nastrevend zijn er de hemelse Gandharva's, zij die een goede vrouw willen zoeken de meisjes van de hemelse samenleving [de Apsara's en Urvas'î's] en iedereen die wil heersen over anderen is gebonden aan de aanbidding van Brahmâ, het hoofd van het universum. Yajña, de Heer van het Offer, wordt aanbeden voor tastbare roem en voor een goed banksaldo wordt Varuna de schatbewaarder gezocht. Zo ook moeten zij die verlangen om te leren, S'iva aanbidden, terwijl voor een goed huwelijk zijn kuise echtgenote Umâ wordt geëerd.

(8) Voor geestelijke vooruitgang wordt de hoogste waarheid [Heer Vishnu en Zijn toegewijden] aanbeden, voor nakomelingen en hun zorg zoekt men het voorouderlijke [de bewoners van Pitriloka], vrome personen worden gezocht door hen die bescherming zoeken terwijl de halfgoden in het algemeen er zijn om sterk in het leven te kunnen staan. (9) De goddelijke Manu's [de vaders van de mensheid] zijn er voor hen die een koninkrijk verlangen, maar men zoekt de demonen om vijanden te verslaan. Zij die zinsbevrediging begeren zijn gebonden aan de maan [Candra], terwijl zij die vrij zijn van begeerte de Hoogste Persoonlijkheid in het voorbije aanbidden. (10) Of iemand nu vrij is van verlangen, er vol van is of naar bevrijding verlangt, iemand die goed nadenkt zal met heel zijn hart in toegewijde dienst [bhakti-yoga] van achting zijn voor de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoonlijkheid. (11) Al deze typen van aanbidders ontwikkelen, in hun aanbidding van de hoogste zegening in dit leven, een niet aflatende spontane aantrekking tot de Allerhoogste Heer door omgang te hebben met Zijn zuivere toegewijden. (12) De kennis die leidt tot het uiterste van het zich volledig terugtrekken uit de draaikolk van de materiële geaardheden, resulteert in de voldoening van de ziel. In de transcendentie van het onthecht zijn van deze geaardheden, draagt die tevredenheid de zegeningen met zich mee van het pad van de bhakti-yoga. Wie in beslag genomen door de vertellingen over de Heer, zou dan niet in actie komen door deze aantrekking?"

(13) S'aunaka zei: "Wat wilde de koning, de heerser van Bharata, na dit alles gehoord te hebben, nog meer weten van de zoon van Vyâsadeva, de geleerde wijze? (14) O hooggeleerde Sûta, zet voor ons die er zo naar uitzien erover te vernemen deze onderwerpen uiteen. In een gezelschap van toegewijden zijn immers die verhalen welkom die leiden tot de vertellingen over de Heer. (15) Hij, die kleinzoon van de Pândava's, de koning, was zonder twijfel een grote toegewijde, een groot strijder die als kind al met zijn speelgoed de activiteiten van Krishna naspeelde. (16) En dat moet ook hebben gegolden voor de zoon van Vyâsadeva die, daar in de aanwezigheid van al die toegewijden, in zijn gehechtheid aan de Opperheer Vâsudeva door zovelen verheerlijkt, blijk gaf van al de goede kwaliteiten. (17) Behalve voor degene die zijn tijd doorbrengt met de onderwerpen betreffende Hem verheerlijkt in de verzen, maakt de op- en ondergaande zon de levensduur van de mensen alleen maar korter. (18) Groeien  de bomen ook niet, blazen de blaasbalgen van de smid geen lucht en eten de beesten om ons heen ook niet en planten ze zich ook niet voort? [Moeten wij dan ook niet aan onze ware aard beantwoorden?] (19) Een persoon wiens oor nimmer de heilige naam van Hem die ons bevrijdt van alle kwaden bereikte is niet beter dan een hond, een varken, een ezel of een kameel. (20) De oren van een mens die nooit hoorden van Vishnu, Hij van de grote stap voorwaarts, zijn als die van slangen, en ook de tongen van hen die nooit hardop de gezangen vol van waarde zongen zijn zo nutteloos als die van kikkers. (21) Zelfs getooid met een zware zijden tulband, is het bovenste deel van het lichaam slechts een zware last, als dat lichaam nooit buigt voor Mukunda [Krishna die bevrijding schenkt], net zoals de handen die, niet gebruikt voor de aanbidding van de Heer, zijn als die van een lijk, ook al zijn ze gesierd met schitterende gouden armbanden. (22) Gelijk de ogen op de pluimen van een pauw zijn de ogen van die mensen die de gedaanten van Vishnu niet zien en hun benen zijn als boomwortels als ze nimmer de heilige plaatsen van de Heer bezoeken. (23) Dood bij het leven zijn de stervelingen die nimmer het stof van de voeten van de zuivere toegewijden ontvingen en een afstammeling van Manu [een mens] is maar een ademend lijk als hij nooit de weelde van het aroma van de tulsîblaadjes van Vishnu's lotusvoeten heeft opgesnoven. (24) Voorzeker is dat hart in staal gevat dat, ondanks dat het verzonken is in het zingen van de naam van de Heer, niet in beroering komt met daarbij horende emoties van tranen in de ogen en haren die overeind staan. (25) Sûta Gosvâmî, u drukt zich zo waarheidlievend uit. Spreek daarom alstublieft over de bovenzinnelijke kennis waar die leidende grote toegewijde S'ukadeva Gosvâmî zo deskundig over sprak in antwoord op de uitstekende vragen van de koning."

 



Hoofdstuk 4: Het Proces van de Schepping

(1) Sûta zei: "Nadat hij zich realiseerde wat S'ukadeva Gosvâmî aldus zei over het zich verwittigen van de werkelijkheid van de ziel, concentreerde de kuise zoon van Uttarâ [Parîkchit] zich op Krishna. (2) Hij [aldus mediterend] gaf [voor een ogenblik innerlijk] zijn diep gewortelde en constante zelfzucht op die samenhing met zijn lichaam, zijn echtgenote, zijn zoon, zijn schatkist en al zijn verwanten en vrienden in zijn onbetwiste koninkrijk. (3-4) Uit volle overtuiging deed de grote ziel op precies dezelfde manier hierover navraag zoals u me het nu vraagt, o grote wijzen. Op de hoogte gesteld van zijn dood verzaakte hij zijn materiële bedoelingen wat betreft de drie principes [- van de burgerdeugd: de regulatie van  religieuze handelingen, economische belangen en zinsbevrediging] en alles wat erbij hoort en raakte aldus stevig verankerd in zijn liefde voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (5) De koning zei: 'Wat u zei is volkomen waar, o brahmaan, vrij van smetten bezit u al de kennis en verdrijft u het duister van de onwetendheid door verhalen over de Heer te vertellen. (6) Graag zou ik nogmaals vernemen over de Opperheer. Hoe creëert Hij middels Zijn persoonlijke energieën deze zichtbare wereld van het universum die zo ondoorgrondelijk is voor zelfs de meesters van de meditatie? (7) En alstublieft vertel me tevens over de manier waarop de machtige tot Zijn energieën komt, ze handhaaft en ze weer terugtrekt. Hoe gaat de almachtige Hoogste Persoonlijkheid te werk met Zijn expansies, hoe is Hij er zelf bij betrokken, wat doet Hij dan en waar zet Hij toe aan [zie ook canto 1, hoofdstuk 3]? (8) Zelfs de geleerden, beste brahmaan, schieten, ondanks dat ze zich voor Hem inzetten, tekort in het verklaren van de wonderbaarlijke, ondoorgrondelijke handelingen van de Allerhoogste Heer. (9) Hoe kan Hij, die één is maar verschillende gedaanten aanneemt, tegelijkertijd Zijn verschillende natuurlijke kwaliteiten in de materiële natuur aannemen en activiteiten aan de dag leggen in verschillende opeenvolgende persoonlijke verschijningen? (10) Alstublieft verschaf opheldering over al deze door mij gestelde vragen. U die zowel van de mondelinge traditie met de Vedische geschriften bent als volledig zelfverwerkelijkt in bovenzinnelijkheid, bent immers zo goed als de Opperheer Zelf.' "

(11) Sûta zei: "Na er aldus door de koning toe zijn verzocht om de bovenzinnelijke eigenschappen van Heer Hrishîkes'a [Krishna als de meester van de zinnen] te beschrijven, dacht S'uka een tijdje na en begon toen te antwoorden.

(12) S'rî S'uka zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Persoonlijkheid, die voor zowel de handhaving als voor het terugtrekken van het volkomen geheel van de materiële schepping, middels Zijn spel en vermaak de macht van de drie geaardheden aannam terwijl Hij Zich binnen in alle lichamen ophoudt als de Ene wiens wegen ondoorgrondelijk zijn. (13) Nogmaals mijn eerbetuigingen voor Hem die de waarachtigen bevrijdt van de ellende van de controverses van hen die het onware aanhangen, mijn respect voor Hem die de vorm van de zuivere goedheid is en alles toekent waar zij naar zoeken die de status bekleden van het hoogste stadium van geestelijke perfectie [de paramahamsa's]. (14) Laat me mijn eerbetuigingen brengen voor die grootste van alle toegewijden die, zich verre houdend van werelds gekonkel, de niet-toegewijden verslaat. Ik verbuig me voor Hem die net zo groot is in het genieten van de weelde als in het genieten van Zijn verblijf in de geestelijke hemel. (15) Voor Hem van wie de verheerlijking, de heugenis, het aanschouwen, de gebeden, het luisteren en het eerbetoon alle mensen terstond van de gevolgen van hun zonde bevrijdt, voor Hem over wie men zegt dat Hij ten gunste werkt in alle opzichten, breng ik telkens weer de eerbetuigingen die ik Hem schuldig ben. (16) Zij die helder van geest zich overgeven aan Zijn lotusvoeten, geven alle gehechtheid aan een huidig of toekomstig [materieel] bestaan op en realiseren moeiteloos de vooruitgang van hun hart en ziel naar een spiritueel bestaan. Die vermaarde en in ieder opzicht gunstige persoonlijkheid breng ik telkens weer mijn eerbetuigingen. (17) Grote wijzen, helden van liefdadigheid, zich onderscheidende personen, denkers, mantrazangers [en reciteerders] en strikte volgelingen kunnen nooit tot tastbare resultaten komen als ze Hem niet toegewijd zijn. Hem over wie te vernemen zo iets gunstigs is breng ik telkens weer mijn eerbetuigingen. (18) De volkeren van Oud-Bharata [India], Europa, het zuiden van India, Griekenland, Pulkas'a [een provincie], Âbhîra [deel van oud Sind], S'umbha [een andere provincie], Turkije, Mongolië en ook vele anderen verstrikt in zonde, raken terstond gezuiverd als ze hun toevlucht nemen tot Zijn toegewijden. Hem, de machtige Heer Vishnu, bied ik mijn respectvolle eerbetuigingen. (19) Hij is de Superziel en Heer van de zelfverwerkelijkte zielen, de verpersoonlijking van de Veda's, de religieuze literatuur en de versobering. Moge die Allerhoogste Heer die de achting geniet van hen die boven alle pretenties verheven zijn - de Ongeboren Ene [Heer Brahmâ], Heer S'iva en anderen - mij gunstig gezind zijn. (20) Moge Hij, de Allerhoogste Heer en meester van de toegewijden die de eigenaar is van alle weelde, de leider van alle offerandes, de aanvoerder van alle levende wezens, de meester van de intelligenten, de heerser over alle werelden, de hoogste instantie van de planeet aarde en de nummer één en bestemming van de [Yadu]koningen van de Sâtvata's, de Andhaka's en de Vrishni's, mij genadig zijn. (21) Men beweert dat, met achting voor de autoriteiten,  door steeds te denken aan Zijn lotusvoeten, men in die trance zuivering zal vinden en tot kennis zal komen van de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel. O Mukunda, mijn Opperheer die de geleerden ertoe aanzet Hem naar eigen inzicht te beschrijven, moge Uw genade altijd met me zijn. (22) Bij de aanvang van de schepping werd Sarasvatî, de godin van het leren die uit Brahmâ's mond leek te zijn voortgebracht, door Hem geïnspireerd om hem, het eerste geschapen wezen, te sterken in het hart terwille van de juiste heugenis van Hemzelf. Moge Hij, de Leraar van alle Leraren, tevreden over mij zijn. (23) Hij, de Almachtige, die ten grondslag ligt aan de materiële schepping en haar wezens tot leven wekt die zijn samengesteld uit de stoffelijke elementen, onderwerpt als de Purusha [de oorspronkelijke persoon] allen aan de geaardheden van de natuur met haar zestien onderdelen [van bewustzijn, de vijf elementen van aarde, water, lucht, vuur en ether, de vijf organen van handelen en de vijf zintuigen]. Moge die Allerhoogste Heer mijn uitlatingen charme verlenen. (24) Mijn eerbetuigingen voor hem, de grote expansie van Vâsudeva [Vyâsadeva] die de Vedische literatuur samenstelde en uit wiens lotusmond zijn aanhangers de nectar van deze kennis dronken. (25) Het eerste levende wezen [Brahmâ], mijn beste koning, gaf daartoe verzocht door Nârada, vanbinnenuit de Vedische kennis exact door zoals die was uitgesproken door de Heer in het hart.' "
 




Hoofdstuk 5: De Oorzaak Aller Oorzaken

(1) Nârada zei [tot de Schepper]: 'Ik breng u mijn eerbetuigingen o god van de halfgoden, omdat u de eerstgeborene bent uit wie alle levende wezens zijn voortgekomen. Leg alstublieft uit welke kennis in het bijzonder tot het transcendentale leidt. (2) Wat is de vorm, de basis en de bron van deze geschapen wereld? O meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is ze in feite? (3) U weet dit alles in uw goedheid, aangezien u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is. Meester, u houdt dit universum in de greep van uw wetenschappelijke kennis als betrof het een walnoot. (4) Waar hebt u uw wijsheid vandaan, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, met behulp van de macht van de ziel, in uw eentje de levens van alle wezens met de elementen van de materie? (5) Zoals een spin zijn web maakt, manifesteert u zonder enige hulp vanuit uw eigen zielsvermogen al deze levens door wie u zich nooit laat bepalen. (6) O almachtige, ik ken in deze wereld niet één bestaansvorm met een naam, een vorm en kwaliteiten, die superieur, inferieur of gelijkwaardig is, van een tijdelijke aard of eeuwigdurend, die zijn bestaan te danken heeft aan een andere bron [dan u]. (7) Het baart ons zorgen dat uw goede zelf  met een volmaakte discipline strenge boetedoeningen op zich nam. Zo kregen we de kans eraan te twijfelen of u wel de uiteindelijke waarheid bent [en dachten we aan een hogere bestaansvorm dan u]. (8) O, alwetende heerser over alles, verschaf alstublieft uitleg over dit alles waar ik naar vroeg zodat ik een begrip zal hebben overeenkomstig uw instructies.'

(9) De schepper antwoordde: 'O vriendelijke ziel mij zo dierbaar, jij, zo aardig,  hebt volkomen gelijk te twijfelen, want ik werd [door die onderwerping in boete] ertoe aangezet de heldhaftigheid, macht en glorie van  de Allerhoogste Heer onder ogen te zien. (10) Mijn zoon, het is niet onterecht wat je zo-even zei in je beschrijving van mij, want zonder het Allerhoogste te kennen boven mij zal het zeker zo zijn [dat het lijkt alsof die grootheid] mij allemaal toekomt. (11) Alles van de wereld die ik schiep werd geschapen door de gloed [de brahmajyoti] van Zijn bestaan, net zoals dat het geval is met het vuur, de zon, de planeten en de sterren [die vanuit Zijn gloed stralen]. (12) Ik breng Hem mijn eerbetuigingen, Hij de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer. Dankzij Zijn onoverwinnelijke vermogens noemt men mij de leraar [de goeroe] van de wereld. (13) Mensen zich er niet voor schamend een prominente positie in te nemen met de begoochelende materiële energie, maken in hun staat van verbijstering een verkeerd gebruik van de taal met het bezigen van de woorden 'ik' en 'mijn'. Met dat woordgebruik wordt ik slecht begrepen. (14) De basisingrediënten van de materie in hun interactie met de Eeuwige Tijd en de natuurlijke aard van het levende wezen, maken zeker deel uit van Vâsudeva, o brahmaan, maar de waarheid is dat ieder van deze onderdelen op zichzelf geen waarde heeft. (15) De bedoeling en de oorzaak van de Veda's is Nârâyana [Krishna als de vierarmige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer van de mensheid], de halfgoden zijn de helpende handen van Nârâyana, de werelden bestaan terwille van Nârâyana en alle offers zijn er om Nârâyana te behagen. (16) De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de cultuur van de transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad van de bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan. (17) Geïnspireerd door Zijn visie en hetgeen werd geschapen door Hem, de Ziener, de Heerser, de Stabiliteit en Superziel van Allen, die ook mij heeft geschapen, schep ik eveneens.

(18) Van de goedheid, hartstocht en traagheid [de guna's] die door de uitwendige energie werd aangenomen, zijn er de drie kwaliteiten van de transcendentie van de Almachtige [Heer van de Tijd]: handhaving, schepping en vernietiging [zie ook 2.4: 23]. (19) De eeuwige transcendentale persoon, die onder invloed staat van de basiskwaliteiten van de materiële natuur, is onderhevig aan omstandigheden van oorzaak en gevolg. Dit resulteert in de symptomen van kennis [uit goedheid], activiteiten [uit hartstocht] en goederen [uit onwetendheid]. (20) Hij, de getuige van de individuele ziel die wordt beheerst door de symptomen van de drie geaardheden, de Allerhoogste Heer in het Voorbije, de heerser over mij en iedereen, kan in Zijn voortgang niet goed worden herkend, o brahmaan. (21) De Heer die Heerst middels het vermogen van Zijn materiële energie kwam aldus, vanuit de onafhankelijke wil van Zijn goddelijke zelf, tot verschillende verschijningen, waarbij Hij hun karma, [onderworpenheid aan de] tijd en hun bijzondere aard op Zich nam. (22) Door het toezicht van de Oorspronkelijke Persoon vond de schepping van de mahat-tattva plaats [de 'grotere werkelijkheid'], door de eeuwige tijd was er de omvorming van de geaardheden en uit de omvorming van de oorspronkelijke aard vonden de verschillende activiteiten hun bestaan. (23) Vanwege de transformatie van de grotere werkelijkheid domineerden echter [in het begin] de hartstocht en de goedheid, maar toen [tegenwicht biedend in reactie] vonden de materie, de materiële kennis en materiële activiteiten hun vitale bestaan. (24) Die omvorming van het materiële deel van het zelf, het ego, manifesteerde zich, zoals gezegd, overeenkomstig de drie kenmerken van de goedheid, hartstocht en onwetendheid. Aldus prabhu, verdeelden zich de krachten van een begeleidende intelligentie, kennis van de schepping en de materiële evolutie.
   
(25) Van al de materiële elementen ontwikkelde zich [allereerst] de [proto-materiële, onzichtbare] ether uit de duisternis die transformatie onderging. Met de kwaliteit van het geluid als zijn subtiele vorm is het als de ziener in verhouding tot het geziene [van alle andere materie]. (26-29) Door omvorming van de ether vond de lucht zijn bestaan die gekenmerkt wordt door de kwaliteit van de beroering. Daarbij trad ook het geluid naar voren als een kenmerk dat werd overgenomen van de ether. Zo verwierf de lucht tevens een leven vol onderscheid met energie en kracht. De lucht die op haar beurt weer transformeerde onder invloed van de tijd bracht in reactie op het voorgaande uit haar natuur weer het vuurelement voort. Bij de vorm ervan was er dan evenzo de nodige tastbaarheid en geluid [als de erfelijke last of het karma van de voorgaande elementen]. Het vuur vormde zich om tot [of condenseerde uit waterstof en zuurstof als] water en zo ontstond het smaakelement hetgeen eveneens consequent gepaard ging met tastbaarheid, geluid en vorm. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van het water vond weer daaropvolgend het geurrijke van het sap zijn bestaan dat [als het aarde-element] vorm aannam samen met de kwaliteiten van de tastbaarheid en het geluid. (30) Uit de geaardheid goedheid kwamen de [kosmische] geest en de tien goden voort die handelen in goedheid: die van de windrichtingen, de lucht [Vâyu], de zon [Sûrya], de wateren [Varuna], de langlevendheid [de As'vinî-Kumâra's], het vuur [Agni], de hemel [Indra], de transcendentie [Vishnu in de gedaante van Upendra], de vriendschap [Mitra] en de bewaker van de schepping [Brahmâ]. (31) Door de transformatie van de hartstocht van het ego ontstond de tienvoudigheid van de zinnen van het handelen en de waarneming - de mond, de handen, de voeten, het geslachtsorgaan en de anus, plus het horen, zien, voelen, proeven en ruiken - alsook de levenskracht en de intelligentie. (32) Zolang al deze categoriën van de elementen, de zinnen, de geest en de geaardheden van de natuur los van elkaar bestonden, kon het lichaam [van de mens en de mensheid] zich niet vormen, o beste in de kennis [Nârada]. (33) Toen zij [die elementen] bijeen werden gebracht door de [drijvende] kracht van de Allerhoogste en ze hun toepassing vonden, kwam dit [persoonlijke en universele bestaan] met zowel zijn ware en illusoire als zijn geestelijke en materiële werkelijkheden [sat/asat] tot stand.

(34) Het universum werd na talloze millennia verzonken te zijn geweest in de [causale] wateren, tot zijn eigen tijd van leven opgewekt door de persoonlijke ziel [de Heer] die het levenloze leven inblies. (35) Hij als de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] kwam uit het ei van het universum tevoorschijn om Zich te verdelen over duizenden afdelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden. (36) De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum er zijn als de ledematen van een lichaam [de virâth-rûpa] dat bestaat uit zeven systemen onder de gordel en zeven aan de bovenzijde. (37) De brahmanen vertegenwoordigen de mond van de Oorspronkelijke Persoon, de heersende klasse is er als Zijn armen, de handelaren vormen de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse manifesteerde zich uit Zijn voeten. (38) De aardse [lagere] werelden [Bhûrloka's] behoren tot Zijn benen zo zegt men, de etherische werelden [Bhuvarloka's] behoren tot Zijn buik, de hemelse werelden van het hart [Svarloka's] bevinden zich in Zijn borst en de hoogste werelden van de heiligen en wijzen [Maharloka's] zijn van de Grote Ziel. (39) Boven de borst tot aan de nek treft men de wereld van de godmensen [de zonen van Brahmâ, Janaloka] aan en daar weer boven in de hals vindt men de wereld van de verzaking [Tapoloka, van de asceten]. De wereld van de waarheid [Satyaloka van de zelfgerealiseerde, verlichte mensen] treft men in het hoofd aan. [Deze werelden zijn allen aan tijd gebonden,] maar de geestelijke wereld [Brahmaloka, de wereld van de ene Ziel, de Opperheer] is eeuwig. (40-41) Met op Zijn middel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, lager bij Zijn knieën de derde, de vierde op Zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virâth-rûpa of universele gedaante] geheel gevuld met al de [veertien] werelden. (42) Men stelt het zich alternatief [eenvoudig in drieën verdeeld zo] voor dat de aardse, lagere werelden zich bevinden op de benen, de etherische, middelste werelden zich bevinden in het gebied van de navel en dat de hemelse, hogere werelden vanaf de borst naar boven te vinden zijn.'



Hoofdstuk 6: De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd

(1) De Schepper zei: 'De mond [van de Oorsponkelijke Persoon] zoals gevormd door het vuur vormt de oorsprong van de stem. De zeven bestanddelen [van Zijn lichaam: huid, vlees, zenuw, merg, been, bloed en vet] vormen het veld waar de Vedische hymnen worden ontwikkeld en de tong van de Heer is de plaats die alle vormen van voedsel en lekkernijen biedt die worden geofferd aan de voorvaderen en de goden. (2) Van het bovenzinnelijke pad van Zijn neus is er al de levensadem en de buitenlucht met de As'vinî halfgoden [die je een lang leven bezorgen] in combinatie met al de medicinale kruiden. Zijn reukvermogen geeft het genot van geurende stoffen. (3) De ogen [van de grote gedaante] bieden de perceptie van allerlei vormen van alles wat verlicht wordt en schittert voor het oog van de zon en Zijn oren bieden de waarneming van zowel de geluiden uit alle richtingen als de [geestelijke] geluiden van alle offerplaatsen die weerklinken in de ether. (4) Zijn uiterlijke verschijning [het oppervlak van de Universele Gedaante] vormt de basis voor alle zaken en gunstige gelegenheden en het veld waar men oogst, terwijl Zijn huid van de luchtbewegingen de tastzin vormt en de plaats voor allerlei offers. (5) Zijn lichaamsbeharing is de vegetatie van de koninkrijken met behulp waarvan in het bijzonder de offerplechtigheden worden voltrokken. Daarbij vormen de wolken met hun bliksem, de stenen en het ijzererts Zijn hoofdhaar [zoals ik al zei], Zijn aangezichtshaar en Zijn nagels. (6) Zijn armen, de besturende mensen van God, zijn hoofdzakelijk bezig met het voorzien in de behoeften en het beschermen van de burgerbevolking. (7) In de Heer Zijn toevlucht verschaffende lotusvoeten herkent men de vooruitgang van de lagere, middelste en hemelse werelden, omdat ze in alle behoeften voorziend met het verschaffen van wat nodig is, vrijwaren van vrees en alle zegeningen inhouden. (8) Water, het zaad en het vitaliserend vermogen van regens verwijst naar de genitaliën van de Schepper, de Heer, of de plek waar het geluk ontspringt dat wordt teweeggebracht door [de noodzaak van] het teweegbrengen van nageslacht [of cultuurproducten]. (9) O Nârada, het rectum van de Universele Gedaante vormt de oorsprong van Mitra en van Yama, de godheid die heerst over alles wat op zijn einde loopt. Men denkt eraan als de plaats van afgunst, ongeluk, de dood en de hel. (10) Frustratie, immoraliteit en onwetendheid ontdekt men aan Zijn rugzijde, terwijl Zijn aderen [als gezegd] de rivieren en stromen vormen en Zijn verzameling botten de bergen laten zien. (11) De ongeziene beweger [de Tijd] van de zeeën en oceanen van de tot leven komende en de ook weer [fysiek] in Zijn buik [tijdens Brahmâ's nacht] vernietiging vindende levende wezens, wordt door de intelligenten gekend als het [kloppende] hart dat in het subtiele lichaam is gelokaliseerd.

(12) De verdediger van het dharma, u, ikzelf, mijn zoons [de Kumâra's] en Heer S'iva, zijn allen afhankelijk van het leven en de ziel van het Opperwezen [die de veilige haven vormt] van waarheid en wijsheid. (13-16) Ik, u, Heer [S'iva], alsook de grote wijzen vóór u, de goddelijken, de demonen, de menselijke wezens en de excellenten [de Nâga's], de vogels, de beesten, de reptielen en al de hemelse wezens, alsmede de planten en vele andere bestaansvormen op het land, in de wateren en in de lucht, tezamen met de astroïden, de sterren, kometen, planeten en manen en de donder en bliksem; al wat er was, wat er is en zal worden geschapen, dit gehele universum bij elkaar wordt [doordrongen en] omvat door de Oorspronkelijke Persoon in [het hart met] een formaat van niet meer dan zestien centimeter [zie ook 2.2: 8]. (17) Op dezelfde manier als de zon zijn stralen vanbuiten uitspreidt en al het bestaande verlicht en [vanbinnen met prâna] kracht verschaft, wekt ook de Hoogste Persoonlijkheid, met Zijn expansie van de Universele Gedaante, vanbinnen en vanbuiten tot leven. (18) Hij beheerst de onsterfelijkheid en onbevreesdheid en is verheven boven de dood en het materieel genoegen van iedereen en derhalve, o brahmaan, is de glorie van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid onbegrensd.

(19) Weet dat het gehele materiële bereik van al de levende wezens slechts een gedeelte vormt van de energieën van de Persoon van het geluk voorbij de materiële lagen waar geen sprake is van dood of angst. (20) Terwijl zij die gehecht zijn aan het gezinsleven en zich niet strikt houden aan de gelofte van het celibaat hun plaats hebben in de drie materiële werelden vormt het drievoud van dat deel de plaats in het voorbije waar zij verblijven die nimmer meer geboorte zullen nemen. (21) Maar de Alomtegenwoordige Heer vormt de bestemming voor de beide wegen van materiële actie en toewijding, Hij is de toevlucht en de Oorspronkelijke Persoon voor de twee paden van onwetendheid en kennis. (22) Hij, uit wie al de planeten en de gigantische Universele Gedaante compleet met de elementen, de zinnen en de materiële kwaliteiten van het universum ontstonden, is, boven al die werelden verheven, [inderdaad] te vergelijken met de zon die alles overziet wat hij met zijn stralen verhit.


(23) Toen ik geboorte nam uit de lotusbloem ontspringend aan de navel van de Grote Persoon, had ik naast de persoonlijke ledematen van de Oorspronkelijke Persoon niets om offers mee te brengen. (24) Wat er nodig is om offers te brengen zijn zaken zoals bloemen en groen, brandbaar materiaal [zoals stro], een altaar alsook een tijdskader [een kalender b.v.] om de kwaliteiten van de natuur [zoals de lente] te kunnen volgen. (25) Men heeft gebruiksvoorwerpen nodig, granen, brandstof [geklaarde boter], een zoetstof ['honing'], kapitaal ['goud'] en een vuurplaats ['aarde'], water, de geschriften ['Rig, Yajur en Sâma Veda'] en [ten minste] vier [voorgaande] personen, o godvruchtige. (26) Het vereist ook de aanhef van heilige namen en mantra's, beloningen, geloften en een speciaal geschrift voor het doel en het proces van de godheid in kwestie. (27) Middels mijn gebruik van de ledematen van de Allerhoogste Persoon slaagde ik erin deze ingrediënten bijeen te brengen en stap voor stap met compensaties en presentaties mijn doel te bereiken met het vereren van de halfgoden. (28) Goed toegerust gebruikmakend van al de ingrediënten was ik aldus, met de ledematen van de Oorspronkelijke Persoon en genieter van alle offers, van aanbidding voor de Allerhoogste Persoonlijkheid [Vishnu]. (29) En dienovereenkomstig voerden uw [gods-]broeders, de negen meesters van de levende wezens [de negen scholen; de halfgoden naast Brahmâ; vergelijk 5: 30], het offer met gepast ritueel uit voor de tevredenheid van zowel de geziene als ongeziene persoonlijkheden. (30) In navolging [van die scholen of halfgoden] waren ook de Manu's, de vaders van de mensheid, in de loop van de tijd van aanbidding om Hem te behagen, en zo deden dat ook de andere grote wijzen, voorvaderen, geleerden, tegenstanders [Daitya's] en de mensheid als geheel.

(31) Met de hele kosmos zich bevindend in Hem, Nârâyana, de Persoonlijkheid van God, heeft Hij, die aan zichzelf genoeg heeft in Zijn transcendentie, terwille van schepping, behoud en vernietiging de materiële illusie aanvaard in verschillende hoogst machtige verschijningsvormen. (32) Naar Zijn wil schep ik, onder Zijn beschikking vernietigt S'iva en Hij in de vorm van de Oorspronkelijke Persoon behoudt het hele universum als de beheerser van de drie energieën.

(33) Wat betreft dit alles wat ik op uw verzoek heb uitgelegd, mijn beste, onthou dat niets waaraan je ook denkt in termen van tijdelijkheid en eeuwigheid, buiten de Allerhoogste Heer zijn bestaan heeft. (34) Omdat ik in mijn hart met grote ijver vasthield aan de Heer bleken mijn woorden, o Nârada, nimmer tevergeefs te zijn, ook was mijn geest niet doelloos of vruchteloos, noch deden mijn zinnen mij verdwalen in de tijdelijkheid. (35) Ik ben een expert in de Vedische traditie, ben geslaagd in mijn verzaking, een aanbiddelijke meester onder de voorvaderen, van resultaat in mijn yoga en doorkneed in zelfrealisatie, maar ik slaagde er niet in Hem volledig te kennen uit wie ik voortkwam. (36) Ik ben [derhalve] de gezegende voeten van de Heer van de overgegeven zielen toegewijd die de herhaling van geboorte en dood stoppen en zicht op het geluk verschaffen. Net zo min als de hemel zijn eigen begrenzing kan zien kan Hij zelf zich nog niet eens een voorstelling maken van het vermogen van Zijn eigen Persoonlijke energieën. En hoe zouden anderen dat dan wel kunnen? (37) Aangezien noch ik, noch wie van jullie zonen ook, noch de Vernietiger Zijn werkelijke positie kennen, kan je ook niet verwachten dat andere godsbewuste zielen dat kunnen. Met onze intelligentie verbijsterd door de begoochelende energie kan je het universum alleen maar kennen zover je persoonlijke vermogen reikt.

(38) Hij wiens incarnaties en activiteiten wij bezingen, Hij die door mensen zoals wij niet volledig kan worden gekend, is de Allerhoogste Heer die wij onze respectvolle eerbetuigingen brengen. (39) Hij, de Voorwereldlijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid schept millennium na millennium in Zichzelf, middels Zichzelf, Zijn Zelf [het universum], handhaaft Zichzelf  [voor enige tijd] en neemt [Zichzelf ook weer] op in Zichzelf. (40-41) Zonder een materiële smet, zuiver en volmaakt in de kennis en alles doordringend in Zijn volheid is Hij gevestigd in waarheid als het absolute zonder een begin en een einde, vrij van de natuurlijke kwaliteiten en eeuwig zonder Zijns gelijke. O mijn wijze, de grote denkers kunnen dit alleen maar begrijpen als hun zinnen in rust zijn en hun zelf in vrede verkeert, anders zal dit zeker aan hun oog zijn onttrokken en worden vervormd door tijdgebonden argumenten. (42) De eerste avatâra van de Heer, is de Oorspronkelijke Persoon: [Mahâvishnu of Kâranodakas'âyi Vishnu. Hij vormt het fundament van] de ruimtetijd [kâla svabhavah, de oorspronkelijke aard van de tijd], oorzaak, effect, de elementen, de geaardheden, alsook het ego, de zinnen en de geest. Samen vormen ze de diversiteit van het gigantische universele onafhankelijke lichaam [genaamd Garbhodakas'âyi Vishnu] van al het bewegende en niet bewegende van het Almachtige Allerhoogste.

(43-45) Ikzelf [Brahmâ], de Vernietiger en de Handhaver; al de vaderen van de levende wezens zoals Daksha [en Manu], jijzelf en de andere zonen [de Kumâra's]; de leiders van de hogere werelden, de ruimtereizigers, de aarde en de lagere werelden; de aanvoerders van de hemelbewoners [van de Ghandarva, Vidyâdhara en Cârana werelden] alsook de leiders van de demonen [de Yaksha's, Râkshasa's en Uraga's] en de onderwereld; de eersten onder de wijzen, de voorvaderen, de atheïsten, de speciale talenten, de onbeschaafden en ook de doden; de boze geesten, de Jinn en Kûshmânda's [andere boze geesten] met inbegrip van de grote waterdieren, beesten en vogels - met andere woorden alles en iedereen die in de wereld in een bepaalde mate machtig is of van een specifieke mentale of zintuiglijke begaafdheid of buitengewoon vermogen, vergevingsgezindheid, schoonheid, bescheidenheid, weelde, intelligentie of geslacht is, bestaat alsof hij zelf de [opperste] gedaante van [het representeren van] Zijn bovenzinnelijke werkelijkheid zou zijn, maar in feite vormt ieder van hen slechts een onderdeel. (46) O Nârada, heb nu waardering voor de toewijding voor het spel en vermaak van de belangrijkste incarnaties van de Oorspronkelijke Hoogste Persoonlijkheid. Die toewijding zal de trage materie doen verdampen die zich in je oren heeft opgehoopt. Ik zal je deze verhalen, die stuk voor stuk een genoegen zijn om naar te luisteren, de één na de ander vertellen zoals ze zich in mijn hart bevinden.'





Hoofdstuk 7: Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's

(1) De Schepper zei: 'Toen de Heer als de Onbegrensde in het universum voor Zijn spel en vermaak de vorm aannam van het totaal van alle offers [als de everzwijn-avatâra Varâha], was Hij in die gedaante van plan de aarde op te heffen uit de [Garbhodaka] oceaan. In de oceaan verscheen toen de eerste demon [genaamd Hiranyâksha, de 'demon van het goud'] die door Hem, als een bliksemflits die een wolkenpartij doorklieft, werd verslagen met Zijn slagtand.

(2) Uit Âkûti ['goede bedoeling'], de vrouw van Prajâpati Ruci, werd Suyajña ['gepast offer'] geboren die met zijn vrouw Dakshinâ ['de beloning'] de goddelijken ter wereld bracht die werden aangevoerd door Suyama ['juiste regulatie']. Met hen drong Hij in beduidende mate het leed van de drie werelden terug om reden waarvan de vader van de mensheid Svâyambhuva Manu hem de nieuwe naam Hari [de Heer] gaf.

(3) Vervolgens nam Hij geboorte in het huis van de tweemaal geboren Kardama ['de schaduw van de Schepper'], uit de schoot van Devahûti ['de aanroeping der Goden'] samen met negen zusters. Als Heer Kapila ['de analytische'] sprak Hij met Zijn moeder over spirituele zelfverwerkelijking, waardoor zij in dat leven verlost werd van de materiële geaardheden die de ziel overdekken en bereikte ze de bevrijding.

(4) Tevreden over de overgave van de wijze Atri die bad voor nageslacht, zei de Heer hem: 'Ik zal je Mij geven!' en om die reden kreeg Hij de naam Datta [Dattâtreya, 'hij die geschonken werd']. Het stof van Zijn lotusvoeten leidde tot de zuivering van het mystiek lichaam en bracht de rijkdom van de geestelijke en materiële werelden van Yadu [die de dynastie grondvestte], Haihaya [een afstammeling] en anderen.

(5) Omdat ik in het verleden sober leefde in boete voor het heil van de schepping van de onderscheiden werelden, verscheen de Heer als de vier Sana's ['van ouds', de vier celibataire zoons van Brahmâ genaamd Sanat-kumâra, Sanaka, Sanandana en Sanâtana]. In het tijdperk daarvoor werd de spirituele waarheid verwoest toen de wereld in het water verzonk, maar met hen werd een heldere visie op de ziel mogelijk voor alle wijzen.

(6) Uit Mûrti ['de beeltenis'], de vrouw van Dharma ['rechtschapenheid'] en de dochter van Daksha ['de capabele', een Prajâpati], nam Hij de gedaante aan van Nara-Nârâyana ['de mens, de vooruitgang van de mens']. De Opperheer aldus [nedergedaald] stond het op basis van de kracht van [de schoonheden voortkomend uit] Zijn persoonlijke boetedoeningen nimmer toe dat Zijn geloften werden gebroken door de hemelse schoonheden die Hem met Cupido [de god van de liefde] benaderden. (7) De lust kan worden verslagen door grote voorvechters [als Heer S'iva] met een gestrenge blik van afkeer, maar die kunnen niet hun eigen intolerantie de baas worden. Met [de twee van] Hem vanbinnen aanwezig, is de lust echter te bedeesd om naar voren te treden. Hoe kan met Hem voor de geest nu ooit de lust de aandacht opeisen?

(8) Ertoe aangezet door de scherpe bewoordingen van een bijvrouw die ondanks de aanwezigheid van de koning [Uttânapâda, 'de poolster'] werden geuit, nam zijn zoon Dhruva ['de onverzettelijke'], toen hij nog maar een jongen was, zijn toevlucht tot strenge boetedoeningen in een groot woud. De Heer [in dit verband Pris'nigarbha genaamd, de 'veelvormige'] door zijn bidden behaagd bevestigde het doel van zijn realisatie [Dhruvaloka, de spil der sterren] waarvoor de grote wijzen en de bewoners van de hemel sedertdien bidden, gericht naar boven en naar beneden.

(9) Toen de tweemaal geborenen koning Vena ['de bezorgde'] vervloekten die afdwaalde van het pad der religie, verbrandde hem dat als een blikseminslag waarbij hij met al zijn grote daden en weelde in de hel belandde. Nadat er voor de Heer was gebeden werd hij bevrijd door Hem die naar de aarde kwam als zijn zoon [genaamd Prithu, 'de grote, wereldwijde'] en bracht daarbij tevens tot stand dat de aarde kon worden ontgonnen voor de opbrengst van allerlei gewassen.

(10) Als de zoon van Koning Nâbhi ['de spil'] werd Hij geboren als Rishabha ['de beste'] uit Sudevî. Evenwichtig in de aangelegenheid van de yoga, presteerde Hij, hoewel dwaas toeschijnend, op het hoogste niveau van de wijzen. Op dat niveau heeft men, met het aanvaarden van de spirituele essentie - van de onafhankelijkheid - de activiteit van de zinnen onderworpen en is men volmaakt bevrijd van materiële invloeden.

(11) De Allerhoogste Heer, de ziel van al de goden, de Persoonlijkheid van het Offer die in alle offers wordt aanbeden, verscheen in een offerande van mij met een hoofd als dat van een paard en een gouden glans [en wordt aldus Hayagrîva genoemd]. Door Zijn ademen door Zijn neusgaten kan men de geluiden van de Vedische hymnen horen.

(12)
Hij die de Manu werd [genaamd Satyavrata, 'de waarheidsgetrouwe'] zag aan het einde van het tijdperk Heer Matsya ['de vis'] die als het behoud voor de aarde een toevlucht vormde voor alle levende wezens [in de vorm van een boot tijdens de zondvloed]. De Veda's die vanwege de grote angst voor het water voortkwamen uit mijn mond werden toen door Hem opgepikt die daar Zijn sport bedreef.

(13) Toen in de oceaan van melk [ofwel de kennis] de aanvoerders van de onsterfelijken en hun tegenstanders de berg [genaamd Mandara, de 'grote berg'] aan het karnen waren voor het winnen van de nectar, ondersteunde de voorwereldlijke Heer hem half slapend als een schildpad [genaamd Kurma], zodat het over Zijn rug schuurde en jeukte.

(14) Als Nrisimha ['de leeuw'] verscheen Hij als degene die de angst van de godsbewusten wegnam met het fronsen van Zijn wenkbrauwen en de schrikwekkende tanden van Zijn mond, terwijl Hij zonder pardon op Zijn schoot met Zijn nagels de gevallen koning van de demonen [Hiranyakas'ipu] doorboorde die Hem had uitgedaagd met een strijdknots in zijn handen.

(15) De leider der olifanten [Gajendra] die in de rivier bij zijn poot gegrepen werd door een uitzonderlijk sterke krokodil, riep Hem, terwijl hij een lotus vasthield, in grote nood op de volgende wijze aan: 'U bent de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Heer van het Universum. Uit U die beroemd bent als een pelgrimsoord komt al het goede voort als men alleen maar Uw naam hoort, de naam die het zo waard is om gezongen te worden.' (16) De Heer die hem in zijn lijden hoorde kliefde, als de Onbegrensd Machtige gezeten op de koning van de vogels [Garuda], de bek van de krokodil in tweeën met Zijn cakrawapen en bevrijdde hem in Zijn grondeloze genade door hem aan zijn slurf omhoog te trekken.

(17) Hoewel Hij, de grootste in bovenzinnelijke kwaliteiten, [de jongste was van] al de zonen van Aditi ['de oneindige'], overtrof Hij [hen allen] door in dit universum al de werelden te omspannen en werd Hij derhalve de Heer van het Offer genoemd. Bedelend voorwendend slechts behoefte te hebben aan drie voetstappen land nam Hij zo als Heer Vâmana al het land [van Bali Mahârâja] in bezit zonder ooit in overtreding te raken met de autoriteiten onder wiens gezag men nimmer zijn bezit mag verliezen. (18) O Nârada, bij de genade van de kracht van het water dat spoelde van de voeten van de Heer, probeerde hij [Bali Mahârâja], die het op zijn hoofd hield en de heerschappij over het koninkrijk der goddelijken had, nooit, zelfs niet als dat ten koste ging van hemzelf, aan iets anders vast te houden dan aan wat hij had beloofd omdat hij besloten had zich aan de Heer te wijden.

(19) De Opperheer tevreden over de goedheid die je ontwikkelde middels je bovenzinnelijke liefde o Nârada, gaf [zich manifesterend als de bovenzinnelijke zwaan, als de Hamsâvatâra] heel vriendelijk gedetailleerd uitleg over het licht van de kennis van de yoga en de wetenschap van het zich verhouden tot de ziel die allen, die zich hebben overgegeven aan Vâsudeva, zo volmaakt weten te waarderen.

(20) Onversaagd onder alle omstandigheden heersend over de tien windrichtingen met de kracht van Zijn cakra-orde [Zijn schijfwapen of orde van de tijd], onderwerpt Hij de drie systemen [zie loka] incarnerend  in de verschillende Manutijdperken [manvantara's] als een Manu of stamvader, een nakomeling van de Manudynastie. Aldus heersend over de onverlaten en hun koningen vestigt Hij Zijn roem tot in de hoogste wereld der waarheid [Satyaloka]. 

(21) Onder de naam Dhanvantari daalde de Opperheer neer in het universum als de roem in eigen persoon om sturing te geven aan de kennis die men nodig heeft om een lang leven te krijgen. Hij deed dit door een aandeel te verwerven van de nectar die voortkomt uit het [Kurma karn-]offer en die snel de ziekten van alle levende wezens geneest.

(22) Met de bedoeling het toenemende overwicht van de heersende klasse terug te dringen hielp de grote ziel [Heer Paras'urâma], de Opperste Geestelijke Waarheid in eigen persoon, al de doorns uit de wereld die waren afgedwaald van het pad en solliciteerden naar een hels bestaan. Hij hanteerde voor dat doel ontzagwekkend machtig eenentwintig keer Zijn bovenzinnelijke bijl.

(23) Vanwege Zijn grondeloze, allesomvattende genade voor ons, daalde de Heer van Alle Vermogens [als Râma] neer in de familie van Ikshvâku [de dynastie van de zonne-orde]. Op het gebod van Zijn vader [Das'aratha] trok Hij het woud in met Zijn vrouw [Sîtâ] en broer [Lakshmana] in reactie op de tegenstand van de tien-hoofdige [de demonische heerser Râvana] die groot leed veroorzaakte. (24) Op het moment dat Hij in Zijn toorn over Zijn bedroefde vriendin [de ontvoerde Sîtâ] op een afstand met bloedrode ogen mediteerde op de stad van de vijand [op het eiland Lankâ], zoals Hara dat deed in zijn verlangen [het hemelrijk] plat te branden [met zijn vurige blikken], maakte de Indische oceaan die angstig zag dat haar waterdieren [haaien, zeeslangen en dergelijke] erdoor verbrandden, snel baan. (25) Toen de slurf van de olifant die Indra draagt brak op de borst van Râvana, straalde er licht in alle richtingen. Râvana paradeerde van vreugde heen en weer  tussen de legers, maar binnen de kortste keren kwam aan dat lachen en de levensadem van hem die Sîtâ ontvoerde een einde door het zingen van de boog [van Râma].

(26) Toen de hele wereld in staat van ellende verkeerde vanwege de last van de soldaten van de ongelovigen, verscheen Hij [Krishna], met Zijn Volkomen Aspect [Balarâma], Zijn schoonheid en Zijn zwarte haar, terwille van de decimering van de atheïsten, Hij wiens pad van glorieuze daden zo moeilijk te herkennen is voor mensen in het algemeen. (27) Wie anders dan Hij kon, als een kind nog maar, een levend wezen doden dat de vorm van een gigantische demone had aangenomen [Pûtanâ], of slechts drie maanden oud zijnde met Zijn beentje een hele kar omverwerpen alsook twee hoog oprijzende Arjunabomen ontwortelen? (28) Te Vrindâvana [waar Krishna opgroeide] wekte Hij met Zijn genadige blik de koeherdersjongens en hun dieren weer tot leven die hadden gedronken van het vergiftigde water [van de Yamunâ]. Om het [water] te zuiveren van de overmaat aan het zeer krachtige gif schiep Hij er in de rivier behagen in de slang streng te bestraffen die zich daar schuilhield met zijn giftige tong. (29) Hij met Zijn bovenmenselijke daden redde al de bewoners van Vraja [het koeiendorp] die die nacht zorgeloos lagen te slapen, van verbranding door het vuur dat laaide in het droge woud. Op die manier overtuigde Hij samen met Balarâma hen die er zeker van waren dat het met hun leven was afgelopen, van Zijn ondoorgrondelijke vermogen door ze simpelweg hun ogen te laten sluiten [en redde hen zo op dezelfde manier als Hij later de gopa's redde uit een andere bosbrand]. (30) Wat voor touw Zijn [pleeg-]moeder [Yas'odâ] ook probeerde om haar zoon mee vast te binden, telkens weer bleek het te kort te zijn. En dat wat ze zag toen Hij Zijn mond opendeed voor de twijfelende koeherdersvrouw [die naar aarde zocht die Hij gegeten zou hebben] waren al de werelden, hetgeen iets was dat haar op een andere manier overtuigde. (31) Nanda Mahârâja, Zijn [pleeg-]vader, die Hij eveneens redde - van de angst voor Varuna [de halfgod van de wateren] - en de koeherders die gevangen gehouden werden in de grotten door de zoon van Maya [een demon] alsook zij die [wonend in Vrindâvana] overdag hard werkten en 's nachts sliepen, beloonde Hij allen met de hoogste wereld van de geestelijke hemel [Brahmaloka of Vaikunthha]. (32) Toen de koeherders er [door Krishna] van werden weerhouden om hun offers voor de koning van de hemel te brengen, veroorzaakte Indra een zware regenval. Hij [Krishna], nog maar zeven jaar oud, wilde toen de dieren beschermen en hield in Zijn grondeloze genade zeven dagen lang met enkel één hand de heuvel Govardhana speels omhoog alsof [het een paraplu was], zonder dat Hij er moe van werd. (33) In Zijn nachtelijke avonturen in het bos verlangde Hij het om bij het zilveren licht van de maan met zoetgevooisde liedjes en melodieuze muziek te dansen en de liefdesverlangens op te wekken van de vrouwen van Vrajabhûmi en onthoofde Hij tevens hun ontvoerder [S'ankhacûda] die uit was op de rijkdom van Kuvera [de hemelse schatbewaarder]. (34-35) [Demonische] types als Pralamba, Dhenuka, Baka, Kes'î, Arishtha, Cânûra en Mushthika [die voor Kamsa worstelden], Kuvalayâpîda [de olifant], Kamsa [de demonische oom], vele koningen uit den vreemde [zoals die van Perzië], de aap Dvivida, Paundraka en anderen, alsook koningen als S'âlva, Narakâsura, Balvala, Dantavakra, Saptoksha, S'ambara, Vidûratha en Rukmî en een ieder die machtig en goed bewapend was zoals Kâmboja, Matsya, Kuru [de zoons van Dhritarâshthra], Sriñjaya, en Kekaya, zouden dankzij Hem van het toneel verdwijnen en Zijn hemelverblijf bereiken, danwel dankzij één van de andere namen verdwijnen die bij Hem horen zoals Baladeva [Krishna's broer], Arjuna of Bhîma.

(36) Geboren uit Satyavatî zal Hij [als Vyâsadeva] na de nodige tijd inzien wat voor moeite de minder intelligente en maar kortlevende mensen hebben met de al te ingewikkelde en toegespitste Vedische literatuur. Aangepast aan het tijdperk zal Hij dan de gehele verzameling van deze wensboom van de Veda's in verschillende takken onderverdelen.

(37) Voor hen die zeer goed onderlegd raakten op de weg van de scholing maar jaloers op het goddelijke, de werelden en de ether ongezien doorkruisen met uitvindingen van Maya [ofwel met moderne technologie], zal Hij zich heel aantrekkelijk uitdossen en [als de Boeddha en zijn vertegenwoordigers] met uitvoerige verhandelingen hun geesten verbijsteren door gebruik te maken van vele termen die van de traditie afwijken.

(38) Als er zelfs onder de beschaafde heren geen sprake meer is van de Heer en de tweemaal geborenen [de hogere klasse] en de regering bestaat uit hypocriete, gemene kerels die zelf nimmer met Zijn lofzangen, parafernalia, altaren en woorden begaan zijn, dan zal, aan het einde van het tijdperk van de Onenigheid, de Allerhoogste Heer [Kalki], de Heer van Alle Heren, verschijnen.

(39) In het begin is er de boete met mij en de negen stamvaders, de wijzen van de schepping. In het midden is er het religieuze offeren [de handhaving met Vishnu], de Manu's, de halfgoden en de koningen in hun leefwerelden. En op het eind is er de goddeloosheid en zijn er de kwaaie atheïsten en dergelijken met S'iva. Het zijn allemaal machtige [guna] vertegenwoordigers van de begoochelende energie van de Ene Oppermacht. (40) Wie kan ten volle het vermogen van Heer Vishnu omschrijven? Zelfs de wetenschapper die de atomen telt kan dat niet. In één grote beweging wist Hij [als Trivikrama] opschuddng te veroorzaken door met Zijn been moeiteloos het universum te bestrijken tot aan de neutrale staat boven de natuurlijke geaardheden toe [Satyaloka]. (41) Noch ik, noch al de wijzen die vóór u werden geboren zijn in staat het bereik van de Almachtige Oorspronkelijke Persoon te overzien. En wat kan men dan verwachten van anderen die nà ons geboren werden? Zelfs Ananta S'esha [het 'slangenbed' van Vishnu], de eerste incarnatie van de voorwereldlijke goddelijkheid die met duizenden gezichten tot op de dag van vandaag Zijn kwaliteiten bezingt, kan Zijn uiterste grens bereiken. (42) De Heer verleent Zijn onbegrensde genade alleen aan die zielen die zich in ieder opzicht hebben overgegeven. Alleen zij die dat zonder dubbelhartigheid deden kunnen de oneindige oceaan van Zijn begoochelende energieën oversteken, alleen zij die bewust niet 'ik' en 'mijn' zeggen tegen dat [lichaam] van hen wat bestemd is te worden gegeten door jakhalzen en honden. (43-45) O Nârada, weet dat we beiden behoren tot het begoochelende spel van illusies van de Allerhoogste Ene, en dat geldt ook voor de grote Heer S'iva, Prahlâda Mahârâja ['de vreugdevolle'] van de atheïstenfamilie, S'atarûpâ, de vrouw van Manu, en Svâyambhuva Manu zelf met zijn kinderen, Prâcînabarhi, Ribhu, Anga [de vader van Vena], alsook Dhruva, Ikshvâku, Aila, Mucukunda, Janaka, Gâdhi, Raghu, Ambarîsha, Sagara, Gaya, Nâhusha, en anderen als Mândhâtâ, Alarka, S'atadhanu, Anu, Rantideva, Bhîshma, Bali, Amûrttaraya, Dilîpa, Saubhari, Utanka, S'ibi, Devala, Pippalâda, Sârasvata, Uddhava, Parâs'ara, Bhûrishena en kampioenen als Vibhîshana, Hanumân, S'ukadeva Gosvâmî, Arjuna, Ârshthishena, Vidura en S'rutadeva. (46) Als ze de gedragsaanwijzingen van de bewonderenswaardige toegewijden naleven kunnen ook zij die behoren tot de vrouwen, de arbeiders, de barbaren en de uitgestotenen, ondanks dat ze een zondig leven leiden, de illusie van de goddelijke energie overwinnen en tot kennis komen. Als het zelfs mensen die worden beheerst door dierlijke gewoonten lukt, hoeveel meer zou dat dan niet opgaan voor hen die over Hem vernamen en Hem in gedachten houden? (47) Het Absolute van de Geest [Brahman] staat bekend als onbegrensd geluk dat vrij is van leed. Het is de uiteindelijke positie van de Allerhoogste Persoon, de Fortuinlijke, voor wie geplaatst de illusie wegvlucht uit schaamte. Die zuivere, onbevlekte staat vrij van onderscheidingen gaat de woorden te boven die horen bij het materieel motief van vruchtdragende handelingen, hij vormt het oorspronkelijk beginsel van de Superziel, is de oorzaak van alle oorzaak en gevolg en [vormt de basis van] het altijd vrij van angst vreedzaam ontwaken tot het Volkomen Geheel [zie ook B.G. 2: 52]. (48) In die staat van volledige onafhankelijkheid bestaat er geen behoefte aan de controle en het streven naar perfectie in zelfbeperking als van de mystici, net zo goed als Indra [de god van de regens] geen waterput hoeft te graven. (49) De Opperheer is de ene meester van alle geluk omdat Hij het succes brengt van [de spirituele realisatie met] al het goede werk dat het levende wezen verrichtte overeenkomstig zijn natuurlijke aard en materiële positie. Nadat het lichaam werd opgegeven [aan het einde van het leven] lost het op in zijn samenstellende elementen, maar, net zoals de ether nimmer verloren gaat, gaat ook de ongeboren geestelijke ziel van de persoon niet verloren [zie ook B.G. 2: 24].

(50) Mijn beste, aldus heb ik in het kort uitleg gegeven over de Allerhoogste Heer die het universum heeft geschapen. Wat er ook bestaat in het fenomenale [materiële] of noumenale [geestelijke] bereik kan geen andere oorzaak hebben dan Hari, de Heer. (51) Dit verhaal over de Fortuinlijke genaamd het S'rîmad Bhâgavatam, werd aan mij doorgegeven door Hem, de Allerhoogste Heer. Het vormt de samenvatting van Zijn diverse vermogens. En alsjeblieft geef nu, vanuit je goede zelf, hier zelf verder uitleg aan. (52) Beschrijf aldus, voor het heil van de verlichting van de mensheid, met overtuiging deze wetenschap van toewijding [bhakti] voor de Allerhoogste Persoonlijkheid, de ondersteuner van alles en alle zielen. (53) Met de beschrijving van de Heer Zijn uiterlijke aangelegenheden zal het levende wezen, dat met regelmaat er aandacht aan besteed en er toegewijd waardering voor opbrengt, nimmer begoocheld raken door de illusies opgewekt door de materiële wereld.'



Hoofdstuk 8: Vragen Gesteld door Koning Parîkchit

(1) De koning vroeg: 'Hoe gaf Nârada, de ziener van het goddelijke die was geïnstrueerd door Heer Brahmâ, o brahmaan, uitleg over de geaardheden en hun transcendentie en aan wie gaf hij die uitleg? (2) Dit zou ik graag willen begrijpen, o beste: wat is de werkelijkheid van hen die bekend zijn met de waarheid van de Heer die zo vol is van wonderbaarlijke vermogens en wiens vertellingen zo gunstig zijn voor al de werelden? (3) Spreekt u alstublieft verder, u die van het grootste geluk bent, zodat ik met mijn geest gericht op de Ziel van het Geheel, S'rî Krishna, bevrijd van materiële gehechtheid mijn geconditioneerde lichaam kan opgeven. (4) Zij die met geloof regelmatig luisteren naar deze spirituele materie en tevens stand weten te houden in die onderneming, zullen niet lang daarna de Allerhoogste Heer in hun harten zien verschijnen. (5) Als je aldus via je oren deze klanken [van het Bhâgavatam] ontvangt zal de lotusbloem van je liefdevolle relatie met Krishna al de onzuiverheden wegwassen, net zoals het water van de herfst de poelen zuivert. (6) Een persoon die gezuiverd raakte zal, bevrijd zijnde van al de ellende in het leven, nimmer de beschutting van Krishna's voeten opgeven, net zoals een reiziger nimmer zijn thuis zal opgeven [zie ook B.G. 5: 17; 8: 16; 8: 21-28; 9: 3; 15: 3-4; 15: 6].

(7) Kan u vanuit uw zelfkennis, me zeggen of het levende wezen dat zelf niet materieel is, o brahmaan, een materieel lichaam aanvaardt op basis van toeval of dat het dat doet om een of andere reden? (8) Hoe kan de Oorspronkelijke Persoon wiens positie in deze wereld wordt gedefinieerd door deze lotusbloem [dit gigantische universum] die ontsproot aan Zijn navel, nu net zo worden gekend in de situatie van de [veel kleinere] afmeting van Zijn verschillende belichamingen? (9) Hij van de lotusbloem, [Brahmâ] die niet uit de materie was voortgekomen maar uit Zijn navel, hij die het leven gestalte gaf van allen die werden geboren met een lichaam, hoe kon hij door Zijn genade Zijn Gedaante waarnemen? (10) Hoe kan de Oorspronkelijke Persoon, Hij die de materiële werelden handhaaft, schept en vernietigt, onberoerd blijven door Zijn eigen uitwendig vermogen terwijl Hij als de Heer van alle energieën rust in het hart van een ieder? (11) Voorheen hoorde ik u [in 2.5] spreken over de verschillende [planeten of leef-]werelden met hun bestuurders als de verschillende delen van het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon. Wat [kan u ons vertellen] over die bestuurders die met hun verschillende werelden Zijn verschillende delen vormen?

(12) En hoe zit het met een dag van Brahmâ [een kalpa] en de tussenliggende perioden [vikalpa's]? Wat kan u zeggen over de tijd waarnaar we verwijzen met de woorden verleden, heden en toekomst? En hoe zit het met de levensduur die belichaamde wezens is toebemeten? (13) O beste der tweemaal geborenen, wanneer is de tijd begonnen en wat kan u zeggen over de ervaring van de tijd als lang of kort als je ergens mee bezig bent? (14) En wat is het effect van het karma dat de levende wezens als gevolg van hun verlangens verzamelen vanwege hun [zich identificeren] met de basiskwaliteiten van de natuur? (15) Beschrijf ons alstublieft hoe de aarde, de lagere regionen, de vier windstreken, de ether, de planeten, de sterren, de heuvels, de rivieren, de zeeën en de eilanden en hun bewoners zijn verschenen. (16) Wat zijn de proporties van de buitenruimte [van het universum] en de innerlijke ruimte, en wat zijn hun verdelingen? En wat is de aard en de bezigheid van de grote zielen en, alstublieft, beschrijf de verschillende roepingen en leeftijdsgroepen in de samenleving. (17) Wat zijn de verschillende tijdperken, hoe lang duren ze en wat is hun aard? En welke incarnatie van de Heer spreidt welk soort van wonderbaarlijke handelingen tentoon in ieder van de tijdperken?

(18) Wat is het dharma van de menselijke samenleving in zijn geheel en wat zijn de specifieke plichten van de verschillende beroepen en de wijze heersende klasse? En wat zijn de verplichtingen jegens mensen in nood? (19) Hoeveel elementen telt de schepping, wat zijn hun kenmerken en hoe reageren ze op elkaar? Wat zijn de regels en bepalingen van de toegewijde dienst aan de Oorspronkelijke Persoon en voor het zich verhouden tot het innerlijke zelf in de cultuur van de yoga? (20) Wat zijn de speciale vermogens die de yogameester zich eigen maakt en waar leiden die toe? Hoe onthechten de yogi's zich van hun astrale lichaam en van welke aard is de geestelijke kennis die men aantreft in de Veda's, de aanhangende literatuur [de Upaveda], de wetboeken en de Vedische verhalen en geschiedenissen? (21) Hoe vinden de levende wezens hun bestaan, hoe vinden ze stabiliteit en hoe vinden ze hun einde? Wat zijn de procedures voor het uitvoeren van rituelen, het verrichten van goede daden en behartigen van het eigenbelang en wat zijn de regelingen voor de drie levensdoelen [de economische, religieuze en zinnelijke belangen]? (22) Hoe kunnen alle zielen als gevolg van hun handelingen weer opnieuw geschapen worden [na hun dood], hoe komen ketters tot stand, wat betekent het voor een ziel om gebonden of bevrijd te zijn en wat houdt het in om je oorspronkelijke positie van dienst verlenen te realiseren [svarûpa]? (23) Hoe geniet de Opperheer als een onafhankelijke ziel nu van Zijn spel en vermaak op basis van eigen vermogen en hoe kan Hij van deze handelingen afzien als Hij, als de Almachtige, getuige blijft van Zijn uitwendige vermogen?

(24) Over dit alles en meer waar ik niet naar vroeg, o fortuinlijke, heb ik mij vanaf het begin verwonderd. Doe alstublieft in overeenstemming met de waarheid, o grote wijze, verslag van wat u mij aan uw voeten gevallen, wilt vertellen. (25) Waar anderen enkel het gebruik volgen van een in het verleden geformuleerde filosofie, bent u een autoriteit op dit gebied als de zelf-geboren Brahmâ. (26) Ik ben het nooit moe, o brahmaan, om in de honger van mijn vasten te drinken van de nectar-oceaan van woorden over de Onfeilbare Heer.' "

(27) Sûta Gosvâmî zei: "Hij [S'ukadeva] die aldus in de samenkomst, door de koning met dit soort vragen werd bestookt over onderwerpen betreffende de hoogste waarheid, was, als het werktuig van de Schepper, zeer blij met deze dienaar van Vishnu. (28) Hij  zei hem dat deze purâna genaamd het Bhâgavatam door de Allerhoogste Heer aan Heer Brahmâ werd overgedragen bij aanvang van de eerste dag [of kalpa] van de schepping. (29) Hij beloofde te proberen een volledige beschrijving te geven, van het begin tot het einde, van alles wat de koning, de beste van de Yadudynastie, had gevraagd en nog meer zou vragen."




Bewerkt: 9 september 2016


Hoofdstuk 9: Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer

(1) S'rî S'uka zei: "Tussen de ziel van zuiver bewustzijn in het voorbije en het materiële lichaam kan er nooit enige sprake zijn van een zinnige relatie zonder het begoochelend mâyâ vermogen van het [goddelijke] zelf [van de Heer of van 'het'] o Koning, net zoals het ook niet mogelijk is voor een dromer om enig gebruik te maken van de dingen die hij in een droom zag. (2) Met de wens op verschillende manieren genoegen te beleven aan de vele gedaanten die de uitwendige energie van mâyâ te bieden heeft is er vanwege [de werking van] haar kwaliteiten of geaardheden het idee van 'ik' en 'mijn'. (3) Zo gauw hij [de getuige, de ziel], in zijn glorie van het overstijgen van de tijd van de materiële energie, ervan geniet om vrij van begoocheling te zijn, geeft hij in die volheid het ook op met dat tweetal [van het 'ik' en 'mijn']. (4) Toen de Opperheer Zijn gedaante toonde aan de Schepper die waarachtig was in zijn geloften en ijver, maakte Hij duidelijk dat het doel van alle zuivering eruit bestaat de liefde te vinden van de kennis der zelfverwerkelijking [âtma-tattva, filognosie, het principe van de ziel]. (5) [En dus] begon hij, de eerste goddelijke persoon in het universum, de allerhoogste geestelijk leraar, vanuit zijn eigen goddelijke positie [op de lotus der schepping] zich af te vragen waar die [lotus] vandaan kwam. Daarbij overwegende hoe hij met zijn schepping zou moeten beginnen, kon hij er echter niet achter komen wat de richtlijnen en procedures waren van hoe hij alles materieel moest samenvoegen.

(6) Toen hij op een keer verdiept was in het denken op deze manier, hoorde hij dat er twee lettergrepen werden uitgesproken die de zestiende [ta] en de eenentwintigste [pa] van het spars'a-alfabet waren. Samengevoegd [tot tapas, boete] raakten die twee lettergrepen bekend als het vermogen van de wereldverzakende orde o Koning. (7) Toen hij dat hoorde, keek hij overal om zich heen om de spreker te zien, maar er was niemand te bekennen. Vanwaar hij zat in zijn goddelijke positie bedacht hij toen dat hij maar het beste aandacht kon besteden aan het doen van boete zoals hem dat opgedragen was. (8) Hij begiftigd met een smetteloze visie beheerste zijn levensadem, geest en zinnen van waarnemen en handelen voor de duur van duizend godenjaren*, en verlichtte aldus in het verleden al de werelden door van alle boetvaardigen degene te zijn met de strengste praktijk.

(9) Voor hem manifesteerde de Allerhoogste Heer die tevreden was over zijn boete, Zijn eigen verblijfplaats [ook wel Vaikunthha genaamd, de plaats vrij van indolentie], waar voorbij geen andere wereld te vinden is en welke wordt aanbeden als de plaats waar de vijf vormen van ellende van het materiële leven [onwetendheid, zelfzucht, gehechtheid, afkeer en doodsangst] volledig zijn beëindigd met personen die zonder illusie en angst voor het bestaan van een volmaakte zelfverwerkelijking zijn. (10) Daar waar de Heer wordt aanbeden door zowel de verlichte als de onverlichte  toegewijden, voert de geaardheid goedheid de boventoon boven de andere twee van hartstocht en traagheid zonder er ooit mee vermengd te zijn. Noch is er daar de invloed van de tijd of de uitwendige energie om nog maar te zwijgen over [de invloed van] al de andere zaken [als gehechtheid, begeerte etc]. (11) Zo blauw als de hemel en gloeiend met lotusgelijke ogen, zeer aantrekkelijk en jeugdig met geelgekleurde kledij, zijn al de bewoners daar toegerust met de vier armen en de luister en pracht van parels en verfijnde sieraden.  (12) Sommigen stralen als koraal of diamanten, met hoofden met oorbellen en bloemenslingers bloeiend als een hemelse lotus. (13) Die plaats die straalt met rijen hoog oprijzende, schitterende bouwwerken [speciaal ontworpen] voor de grote toegewijden en die bevolkt is met flitsende schoonheden met een hemelse teint, ziet er zo mooi uit als een hemel met wolken en bliksemflitsen. (14) De godin van het geluk [S'rî] verricht aldaar in haar persoonlijke gedaante, in verrukking met haar persoonlijke, zingende begeleidsters, met behulp van verschillende toebehoren toegewijde dienst aan de lotusvoeten van de Heer, omringd door zwarte bijen die druk meezoemen in de aantrekking van [het eeuwigdurende seizoen van] de lente. (15) Daar zag hij [Brahmâ] de Heer van de hele gemeenschap der toegewijden, de Heer van de godin, van het Universum en het offer, de Almachtige, die in bovenzinnelijke liefde gediend wordt door de meest vooraanstaande metgezellen zoals Sunanda, Nanda, Prabala en Arhana. (16) De dienaren die vol van liefde hun gelaat naar Hem op hebben geheven zijn dronken van de zeer aangename aanblik van Zijn glimlach, Zijn rood doorlopen ogen, Zijn gezicht met Zijn helm en oorbellen, Zijn vier handen, Zijn gele kleding, Zijn borst met merkteken en de Godin van het Geluk aan Zijn zijde. (17) Gezeten op Zijn hoogst kostbare troon geniet Hij als de Allerhoogste Heer volop van Zijn verblijfplaats alwaar Hij wordt omringd door de weelde van Zijn vier energieën [de principes van de materie, de oorspronkelijke persoon, het intellect en het ego], Zijn zestien energieën [de vijf elementen, de waarnemende en werkende zintuigen en de geest], Zijn vijf energieën [de zinsobjecten van vorm, smaak, geluid, geur en aanraking], Zijn zes energieën [de volheden van de kennis, intelligentie, schoonheid, boetvaardigheid, roem en rijkdom] en de overige persoonlijke vermogens die Hij soms ten toon spreidt [de acht siddhi's of mystieke perfecties].

(18) De Schepper van het Universum, die overweldigd was door de aanblik van dat gehoor, boog met zijn hart vol van extase en met zijn lichaam vol van goddelijke liefde zich met tranen in zijn ogen neer voor de lotusvoeten van de Heer. Het vormde een voorbeeld dat gevolgd wordt door de grote bevrijde zielen. (19) Toen Hij hem voor zich aanwezig zag achtte de Heer de waardige, grote geleerde geschikt voor het gestalte geven - overeenkomstig zijn eigen gezag - aan de levens van alle levende wezens. Mild glimlachend schudde Hij zeer vergenoegd zijn partner in de goddelijke liefde de hand en richtte Hij zich in verlichte termen tot hem. (20) De Allerhoogste Heer zei: 'In tegenstelling tot de boete van hen die valselijk verenigd zijn [de 'kûtha yogi's'], ben Ik hoogst tevreden over de lang volgehouden boete, de boete waardoor zich in u, die het verlangde te scheppen, de Vedische kennis verzamelde. (21) Al Mijn zegen voor u, vraag enkel Mij, de schenker van alle zegeningen, welke gunst u ook maar wenst o Brahmâ. Want het uiterste van het komen tot de realisatie van Mij vormt het ultieme succes van een ieder zijn boetedoeningen. (22) Deze benijdenswaardige blik op Mijn verblijfplaats werd u vergund omdat u onderworpen luisterde toen u in afzondering van de hoogste boetedoening was. (23) Ik was het die het in die situatie zei [dat u boete moest doen] omdat u niet wist hoe u uw plicht moest doen. Die boete is Mijn hart zelf en de Ziel is wat Ik ben voor degene die erin verwikkeld is o zondeloze. (24) Ik schep door boetedoening, Ik handhaaf de kosmos door boetedoening en Ik trek me ook weer terug op basis van boetedoeningen. Men vindt Mijn macht door gestrenge boetedoening.'

(25) Brahmâ zei: 'O Allerhoogste Heer van alle levende wezens, U bent de regisseur zich bevindend in het hart die op basis van Uw onbetwiste, superieure intelligentie op de hoogte bent van alle ondernemingen. (26) Niettemin vraag ik U o Heer, alstUblieft mijn wens te vervullen om te begrijpen hoe U, terwijl U Zelf geen gedaante heeft, enerzijds kan verblijven in het voorbije terwijl U anderzijds nederdaalt in Uw gedaante zoals wij die mogen kennen. (27) En hoe speelt U het klaar om vanuit Uzelf middels Uzelf, door te combineren en te herschikken, Uw verschillende energieën ten toon te spreiden inzake het evolueren, accepteren, onderhouden en vernietigen? (28) O Mâdhava [meester van alle energieën], stel me alstUblieft in makkelijk te begrijpen woorden in kennis van al die [gedaanten] waaraan U feilloos, vastberaden gestalte geeft zoals een spin [zijn energie in zijn web] investeert. (29) Moge ik,  het van U lerend als mijn leraar van het voorbeeld en door Uw genade optredend als Uw instrument, ondanks het scheppen van de levens van de levende wezens, aldus nimmer gevangen raken in materiële gehechtheden. (30) O Heer, zoals een vriend dat doet met een vriend hebt U me [met een handdruk] aanvaard voor het tot stand brengen van de verschillende levens van de levende wezens. O mijn Heer, mogen allen die [via mij] in de dienst aan U ongestoord het licht van de wereld zien, er nimmer aanleiding toe geven dat de verbeelding me naar het hoofd stijgt, o Ongeborene.'

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'De kennis over Mij verkregen is zeer vertrouwelijk en wordt gerealiseerd in combinatie met toegewijde dienst en de nodige parafernalia. Begin er aan zoals Ik het u uitleg. (32) Moge er door Mijn genade voor u deze feitelijke realisatie zijn van Mijn eeuwige gedaante en bovenzinnelijke bestaan, Mijn kleuren, kwaliteiten en handelingen. (33) Ik was er voordat de schepping er was toen er nog niets anders bestond, niets van de oorzaak en het gevolg van dit alles dat Ik ook ben, en Ik ben het ook die van al het geschapene ten slotte overblijft; dat is wat Ik ben. (34) Dat wat zich als waardevol voordoet, is niet wat het schijnt te zijn als het niet met Mij in relatie staat - ken Mijn begoochelende energie als een afschaduwing van de duisternis. (35) De elementen van het universum doen zich, voordat ze [bij de schepping] betrokken raken zowel als erna, in het klein voor zowel als in het groot. Op dezelfde manier ben Ik [op Mijn kleinst] in hen aanwezig zowel als [op Mijn grootst] niet in hen aanwezig. (36) Hij die van de ziel zijn studie heeft gemaakt mag ervan uitgaan dat hij, totdat hij hierop uitkomt, de werkelijkheid en het principe van het Zelf zowel direct [spiritueel] als indirect [wetenschappelijk] moet onderzoeken, in relatie tot iedere tijd, op iedere plaats en in elke omstandigheid. (37) Als je doelbewuste denken gefixeerd blijft op deze conclusie over het Allerhoogste, hoef je er niet bang voor te zijn je verstand te verliezen, niet als je even [met de kalpa] de weg kwijt bent, noch als je leven [met de eindtijd van de vikalpa] is afgelopen.' "

(38) S'uka zei: "Na aldus alles goed te hebben uitgelegd, verdween de Ongeborene, Heer Hari, zoals Hij door de leider van de levende wezens [Brahmâ] werd waargenomen in Zijn bovenzinnelijke gedaante van het Allerhoogste Zelf. (39) Nadat Hij uit het zicht was verdwenen hervatte Brahmâjî die zijn handen had gevouwen voor de Heer die het voorwerp vormt van al de zinnen [der toegewijden], op dezelfde wijze als voorheen het scheppingswerk van de levens van alle levende wezens die het universum bevolken. (40) Zo gebeurde het op een keer dat hij, de vader van alle levende wezens en het religieuze leven, zich met gelofte en respect wijdde aan de kwestie van het welzijn van de levende wezens, want dat was wat hij verlangde in het belang van hun eigen goede kwaliteiten. (41) Nârada, de meest dierbare van zijn erfgenamen, is hem zeer gehoorzaam in zijn bereidheid dienst te verlenen met zijn goede gedrag, zachtgeaardheid en zinsbeheersing. (42) O Koning, de grote wijze en eersteklas toegewijde behaagde zijn Vader [Heer Brahmâ] zeer met zijn verlangen om [meer] te weten over Vishnu, de Heer van alle energieën. (43) Op dezelfde manier als u mij aan het ondervragen bent, ondervroeg Nârada Muni hem toen hij zag dat dat naar de tevredenheid was van de overgrootvader van het hele Universum. (44) Dit Verhaal van de Fortuinlijke, de Bhâgavata Purâna met zijn tien eigenschappen [dat werd samengevat in de vier verzen 33-36, zie verder het volgende hoofdstuk], werd met grote voldoening door de Allerhoogste Heer uiteengezet aan Zijn [ongeboren] zoon, de schepper van het universum. (45) Aan de oever van de Sarasvatî onderrichtte Nârada [op zijn beurt] dit Allerhoogste van de Geest aan de grote wijze, de meditatieve Vyâsadeva die van een onbegrensd vermogen is, o Koning. (46) Al de dingen die u me vroeg wat betreft de wereld van de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon en andere aangelegenheden, zal ik u nu zeer gedetailleerd beschrijven."

*: Een goddelijk, hemels of godenjaar staat gelijk aan 360 menselijke jaren.




Hoofdstuk 10: Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen

(1) S'rî S'uka zei: 'In dit [boek, het S'rîmad Bhâgavatam] komen de volgende [tien onderwerpen] ter sprake: de primaire schepping [sarga], hoe de interacties tussen het levende en het levenloze tot stand kwamen [visarga], de planetaire orde [sthâna], het geloofsbehoud [poshana], de aanzet tot handelen [ûtaya], de bestuurlijke tijdperken [manvantara's], verhalen over de Heer Zijn verschijningen [îs'a-anukathâ], terugkeer naar God [nirodha], bevrijding in toegewijde dienst [mukti] en het summum bonum [het leven van Krishna, âs'raya]. (2) De grote wijzen herleidden de bedoeling van de [eerste negen] kenmerken van dit [Bhâgavatam] tot de verheldering van het summum bonum. Dit leidden ze af uit de woorden zelf die in de tekst gebruikt worden danwel uit hun strekking. (3) De [zestien elementen van de vijf] grofstoffelijke elementen, de  [vijf] objecten van de zinnen en de zintuigen zelf met inbegrip van de geest vormen de manifestatie die de schepping van de schepper [sarga] wordt genoemd en wat resulteerde uit hun interactie met de drie geaardheden van de natuur [de guna's] wordt de secundaire schepping [visarga] genoemd. (4) De stabiliteit van de werelden [sthâna] is de glorie van de Heer van Vaikunthha en Zijn genade vormt het geloofsbehoud [poshana]. Het bestuur van de Manu's [in de manvantara's] regelt de volmaaktheid van de plichtsbetrachting die de aanzet tot handelen vormt met de karmische geneigdheden [ûtaya]. (5) De verschillende verhalen over de Heer [îs'a-anukathâ] beschrijven de activiteiten van de avatâra's van de Hoogste Persoonlijkheid van God en de personen die Zijn volgelingen zijn. (6) Terugkeren naar God [nirodha] gaat over het berusten van de zielen in de Oorspronkelijke Persoon en Zijn energieën, terwijl bevrijding [mukti] het opgeven van andere vormen [van bestaan] behelst om gevestigd te raken in de Oorspronkelijke Aard. (7) Hij die als de bron van waaruit de kosmische manifestatie plaatsvindt ook staat voor de terugkeer naar God, wordt om die reden het reservoir [de âs'raya] van de Allerhoogste Geest of de Superziel genoemd.

(8) Hij als de persoon in het bezit van zijn zinnen [adhyâtmika] is zowel de heersende godheid [adhidaivika] als de persoon die daarvan onderscheiden er is als een ander belichaamd levend wezen [adhibhautika]. (9) Hij die inziet dat men geen begrip kan hebben van één van de drie zonder de andere twee, weet dat Hij, de Superziel, de ondersteuning vormt voor Zijn eigen toevlucht. (10) Toen die Allerhoogste Persoon [expanderend in de ruimtetijd] de universa scheidde, trad Hij in Zijn verlangen om van de zuiverste transcendentie te zijn, buiten Zichzelf om zich neer te vleien in de geschapen [causale] wateren. (11) Voor een duizendtal godenjaren in deze wateren van Zijn eigen schepping verblijvend werd Hij bekend onder de naam Nârâyana ['de weg van Nâra'] omdat deze wateren die ontstonden uit de Allerhoogste Persoon [uit 'Nara'], Nâra heten. (12) De materiële elementen, het karma, de tijd en de geconditioneerde levende wezens bestaan allen bij Zijn genade en houden op te bestaan bij [Zijn] verwaarlozing. (13) Waar Hij lag in Zijn mystieke sluimer was Hij geheel alleen. Aldus wenste Hij zich bij machte van Zijn mâyâ te vermenigvuldigen en deelde Hij Zijn goud glanzende zaadbeginsel in drieën. (14) Laat me u nu vertellen over hoe de Heer die Zijn ene vermogen toen in drie verschillende vermogens deelde kwam tot de drie delen van 1) Zichzelf of van Zijn natuur, adhidaiva, 2) de individuele ziel, adhyâtma en 3) de andere levende wezens, adhibhûta.

(15) Vanuit de ether in het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon ontwikkelde zich, met Zijn wens, het zinsvermogen, het mentale vermogen en het lichamelijke vermogen, waarna toen de levensadem [de prâna] naar voren trad als het alles en iedereen beheersende principe. (16) Net als het gevolg van een koning, volgen de zinnen de levenskracht van de prâna die actief is in alle levende wezens en als de levenskracht niet langer actief is houdt de rest er ook mee op. (17) De levenskracht die werd opgewekt  [vanuit de ether] wekte in de Almachtige honger en dorst op en om die dorst te lessen en honger te stillen, opende zich toen allereerst de mond. (18) Van de mond openbaarde zich het verhemelte waarna de tong zich manifesteerde alsmede de verschillende smaken die hij ermee kon genieten. (19) Met de behoefte om te spreken kwamen er uit de Allerhoogste [de daarover heersende god van] het vuur voort,  het spraakvermogen en het spreken zelf, maar omdat Hij in rust verkeerde in de wateren, bleven die voor een zeer lange tijd opgeschort. (20) Ernaar verlangend geuren te ruiken ontwikkelde de neus zich met zijn reukzin tesamen met de neusgaten om snel de lucht te kunnen inademen die de geur meevoert. (21) Op zichzelf bestaand in de duisternis verlangde Hij het om Zichzelf en de rest van de schepping te zien. Toen splitste ter wille van Zijn waarnemen de zon zich af die de ogen het gezichtsvermogen schonk. (22) Toen de Heer ertoe besloot dat de wijzen het opperwezen zouden moeten begrijpen manifesteerden zich eveneens de oren met inbegrip van het gezag der windrichtingen, de gehoorzin en dat wat er kon worden gehoord. (23) Vanuit Zijn verlangen om het harde, zachte, lichte, het gewicht, de hitte en de kou van alle materie te ervaren, verpreidde de tastzin zich over de huid samen met de lichaamsbeharing, de planten en de bomen. Die tastzin van de huid wierp zich op door de voorwerpen die vanbinnen en vanbuiten werden waargenomen.

(24) Vanuit Zijn verlangen naar verschillende vormen van arbeid manifesteerden zich Zijn handen, maar om kracht te verlenen aan hun manipulatie [hun godheden] vond Indra, de koning der goden, zijn bestaan als de manifestatie van beiden. (25) Het wensend het bewegen te beheersen manifesteerden zich de benen, ter wille waarvan de Heer van het Offer [Vishnu] Zichzelf manifesteerde [als hun heersende godheid] die de verschillende levende wezens motiveert overeenkomstig de plichten van hun vruchtdragend handelen [hun karma]. (26) Verlangend de nectar van het genoegen van de voortplanting te proeven verschenen de geslachtsorganen van de man en de vrouw en vond het lustmatige zijn bestaan waar beiden zo graag hun toevlucht toe nemen [beheerst door de Prajâpati]. (27) Ernaar verlangend de overblijfselen van het eten uit te scheiden kwam eerst de opening van de anus tot stand en toen de zin en substantie ervan waarna Mitra, de heerser over de uitscheiding, verscheen ter wille van de bescherming van hen beide. (28) Met Zijn wens zich vrij van het ene lichaam naar het andere te verplaatsen, manifesteerde zich in het lichaam de navel die de schuilplaats werd voor eerst de laatste adem die wordt uitgeblazen en vervolgens de dood. (29) In de behoefte aan voedsel en drinken vond de buik met de ingewanden en de aderen zijn oorsprong waarvoor de rivieren en de zeeën de bron vormen van hun onderhoud en stofwisseling. (30) Ernaar verlangend Zijn eigen energie te kennen manifesteerde zich het hart [als de zetel van het denken] waarna de geest, Candra de heerser erover [de maan] verscheen en daarmee ook de vastberadenheid en al het verlangen. (31) De zeven elementen van de nagels, de huid, het vlees en het bloed, het vet, het merg en het been zijn hoofdzakelijk van aarde, water en vuur terwijl de levensadem een product is van de ether, het water en de lucht [zie ook kos'a].

 
(32) De zinnen van het materiële ego zijn gehecht aan de geaardheden van de materie. Die geaardheden beïnvloeden de geest en al de gevoelens die erbij horen waardoor de intelligentie en de gerealiseerde kennis voor het individu hun vorm aannemen. (33) De Allerhoogste Heer Zijn grofstoffelijke gedaante wordt, zoals ik u dat uitlegde, onder dit alles gekend aan de hand van de acht elementen [van aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] waaruit de planeten en al het overige bestaan, die samen een onbegrensd uitgedijde, uitwendige bedekking vormen. (34) Om die reden hebben we de woorden van het denken overeenkomstig het transcendentale die het Allerhoogste dienen dat fijner is dan het fijnste, dat het ongemanifesteerde is zonder kenmerken, dat zonder een begin is, zonder een tussenstadium en zonder een einde en aldus eeuwig is. (35) Geen van deze twee [materiële en verbale] vormen van de Allerhoogste Heer zoals ik ze u beschreef worden, vanwege hun uitwendigheid, ooit door de geleerden van het bewustzijn voetstoots aangenomen. (36) Hij die in feite niets doet [akarma is] vertoont zich in de gedaante van het woord en dat waar dat woord betrekking op heeft: de uiteenlopende gedaanten van de Absolute Waarheid en de Allerhoogste Heer en vat in het spel en vermaak van Zijn vormen en namen het werk op van de transcendentie. (37-40) O Koning, weet dat al het geluk en leed en hun mengvormen er is als het gevolg van baatzuchtig handelen [het karma]. Dat is de ervaring van al de leden van de familie van Brahmâ, de Manu's, de goddelijken, de wijzen, de bewoners van Pitriloka [de voorvaderen] en Siddhaloka [de volmaakten], de Cârana's [de eerbiedwaardigen], Gandharva's [de zangers van de hemel], Vidyâdhara's [de wetenschappers], de Asura's [de onverlichten], Yaksha's [schatbewaarders of boze geesten], Kinnara's [van de supermachten] en de engelen; de slangachtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de menselijke wezens, de bewoners van Mâtriloka [de plaats van de moeder], de demonen en de Pis'âca's [gele vleesetende duivels]. En dat geldt ook voor de spoken, geesten, waanzinnigen en boze geesten, duivels die bezit van mensen nemen, de vogels, de dieren die in het bos leven en de huisdieren, de reptielen, zij die in de bergen leven, de bewegende en niet bewegende levende wezens, de levende wezens geboren uit embryo's, uit eieren, uit broeiwarmte [micro-organismen] en uit zaden, en alle overigen, of ze zich nu in het water, op het land, of in de lucht bevinden.

(41) Afhankelijk van de geaardheden der goedheid, hartstocht en traagheid zijn er aldus de drie [bestaansvormen] van het goddelijke, het menselijke en zij die moeten lijden. Er bestaan ook andere [geboorten] o Koning, als men uitgaat van mengvormen overeenkomstig de gewoonten die men in een van de drie geaardheden ontwikkelt met benaderingen ontleend aan de andere twee. (42) Duidelijk is dat als de Allerhoogste Heer, de handhaver van het universum de universa tot stand heeft gebracht Hij het dharma handhaaft [en de levende wezens verlost] door de gedaanten aan te nemen van goden, mensen en lagere levensvormen. (43) Zoals de wind de wolken uiteendrijft zal Hij in de gedaante van Rudra [S'iva of  de vernietiger] aan het einde van het tijdperk middels vuur alles geheel vernietigen. (44) De Allerhoogste Heer wordt door hen die Zijn wezen niet kennen beschreven met het idee van deze kenmerken [van scheppen en vernietigen], maar de wijzen en leraren moeten zich niet verwaardigen de hoogste glorie enkel zo te bezien. (45) Nimmer wordt wat betreft de zaak der schepping enzovoorts, het bovenzinnelijke Allerhoogste beschreven als zijnde de instantie die zaken bewerkstelligt, want het idee [van het bekleden van een verheven positie] is er om tegenwicht te bieden aan dat wat door de materiële energie ten toon wordt gespreid. (46) Wat ik hier samengevat zeg betreft het tot stand komen van de gehele uitgebreidheid van de materiële schepping. Ik weidt er nu alleen maar over uit om de regulerende beginselen te illustreren die een rol spelen bij het proces van schepping gedurende de periode van een dag van Brahmâ [een kalpa] en van vernietiging gedurende een tussenliggende periode [een vikalpa]. (47) Ik zal u ook nog uitleg verschaffen over de kenmerken en afmetingen van de tijdmaten van een dag van Brahmâ [kalpa], maar laat me u allereerst op de hoogte brengen van dit tijdperk [ookwel de Pâdma Kalpa of Varâha Kalpa genaamd].' "

(48) S'aunaka zei: "O Sûta, u vertelde vanuit de goedheid van uzelf over Vidura, die één van de beste toegewijden is,  op weg naar de pelgrimsoorden op deze aarde en die daarbij de verwanten achterliet die zo moeilijk op te geven zijn. (49-50) O zachtmoedige, vertel ons hier alstublieft over de conversatie die Vidura had met Maitreya [een beroemde rishi] die zo vol van bovenzinnelijke kennis is. Wat vroeg hij Zijne genade allemaal en welke waarheden kreeg hij toen ten antwoord? En waarom gaf Vidura eigenlijk zijn bezigheden en metgezellen op en keerde hij nadien weer terug naar huis?"

(51) Sûta antwoordde: "Dit werd ook door Koning Parîkchit gevraagd. Ik zal u vertellen wat de grote wijze erover zei toen hij de vraag van de koning beantwoordde. Luister goed."

 

Aldus eindigt het tweede Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: De Kosmische Manifestatie.


 

CANTO 3: De Status Quo


Hoofdstuk 1: Vragen Gesteld door Vidura

(1) S'uka zei: 'Dit is wat Vidura voorheen vroeg aan Zijne Genade Maitreya Rishi toen hij het woud inging nadat hij zijn leven in welstand had verzaakt: (2) 'Wat te zeggen van het huis [van de Pândava's] waar ik mee geïdentificeerd ben? S'rî Krishna, de Allerhoogste Heer en meester van allen, werd aanvaard als de gezant van Zijn volk en had het opgegeven het huis van Duryodhana te betreden.'

(3) De koning zei: 'Alstublieft zeg ons meester, waar en wanneer ontmoette Vidura Zijne Genade Maitreya Rishi om dit te bespreken? (4) De vragen die Vidura de heilige man stelde kunnen zeker niet onbelangrijk zijn geweest, ze moeten vol van de hoogste bedoeling zijn geweest zoals die op prijs wordt gesteld door de zoekers der waarheid.'

(5) Sûta zei: "Hij, de grote wijze S'ukadeva aldus ondervraagd door Koning Parîkchit, antwoordde hem volkomen tevredengesteld sprekend vanuit zijn grote kunde: 'Alstublieft, luister hiernaar'.

(6) S'rî S'ukadeva zei: 'In de tijd dat koning Dhritarâshthra zijn oneerlijke zoons aan het opvoeden was had hij die zich nooit op het rechte pad bevond zijn gezichtsvermogen verloren toen hij voor de zoons van zijn jongere broer [de verscheiden Pându, zie stamboom] optrad als hun voogd. Hij liet hen het huis van schellak ingaan dat hij toen aanstak [zie Mahâbhârata I 139-148]. (7) Toen in de samenkomst de echtgenote van de heilige Kuru's [Draupadî] werd beledigd door zijn zoon [Duhs'âsana] die haar bij haar haar greep, verbad de koning dit niet hoewel zijn schoondochter tranen plengde die het rode stof van haar borst wegwaste [zie Mahâbhârata II 58-73]. (8) Toen hij die geen vijanden heeft [Yudhishthhira] met oneerlijke methoden werd verslagen in een dobbelspel en als waarheidsgetrouw iemand het woud inging, werd hem toen hij na de afgesproken tijd terugkeerde nooit zijn gerechte deel toegekend door hem die overmand was door illusie [Dhritarâshthra]. (9) Ook werd Heer Krishna, toen Hij op de smeekbede van Arjuna in de bijeenkomst voor hen verscheen als de leraar van de wereld, met al Zijn woorden zo goed als nectar, door de koning niet serieus genomen temidden van al de zinnige mannen van wie het laatste restje vroomheid aan het wegkwijnen was.

(10) Toen Vidura op verzoek van zijn oudere broer [Dhritarâshthra] naar het paleis werd geroepen ging hij daar naar binnen om raad te geven en het advies dat hij toen met zijn aanwijzingen gaf was precies wat de goedkeuring van de ministers van staat kon wegdragen: (11) 'Geef nu het rechtmatig deel terug aan hem die zonder vijand is [Yudhishthhira] en die zo verdraagzaam was onder jouw onverdraaglijke overtredingen. Voor hem samen met zijn jongere broers, waaronder Bhîma die als een slang zo wraakzuchtig is van woede, zou u waarlijk bevreesd moeten zijn. (12) De zoons van Prithâ vallen nu onder de zorg van de Allerhoogste Heer der Bevrijding die met de ondersteuning van de brahmanen en de goddelijken zich momenteel ophoudt bij Zijn familie, de eerbiedwaardige Yadu dynastie, die samen met Hem een ongekend aantal koningen versloeg. (13) Hij [Duryodhana], deze slechte kerel die u voor uw zoon houdt, trad in uw huishouden naar voren als een vijand van de Oorspronkelijke Persoon. U die zich aldus tegen Krishna heeft gekeerd bent aldus verstoken van al het goede - aan dat ongeluk moet u, voor het heil van de familie, zo snel mogelijk een einde maken.'

(14) Nadat Vidura deze woorden had uitgesproken werd hij door Duryodhana ter plekke aangesproken. Rood aangelopen van woede en met trillende lippen beledigde hij in de aanwezigheid van Karna, zijn jongere broers en S'akuni [een oom van moeders zijde] de respectabele man van goede kwaliteiten met het volgende: (15) 'Wie heeft hem hier uitgenodigd, deze bastaardzoon van een dienstmaagd die opgroeide terend op de zak van hen die hij verraadt als een vijandelijke spion? Gooi hem onmiddellijk het paleis uit en laat hem slechts zijn adem!' (16) Vidura op zijn beurt zette terstond zijn boog bij de deur neer en verliet het paleis van zijn broer, in het diepst van zijn hart geraakt door het geweld dat op hem afkwam. Ondanks deze voor het oor kwetsende pijlen, zat hij er niet over in en voelde hij zich prima.

(17) Nadat hij de Kaurava's had verlaten, bereikte hij met zijn vertrek uit Hastinâpura de vroomheid van de Allerhoogste Heer op het moment dat hij zijn toevlucht nam tot pelgrimages. Hij verlangde enkel naar de hoogste graad van toewijding zoals die middels al die duizenden beeltenissen was gevestigd. (18) Hij reisde naar heilige plaatsen van toewijding alwaar de lucht, de heuvels en de boomgaarden, de wateren, rivieren en meren zuiver zijn met tempels opgeluisterd met de verschijningsvormen van het Oneindige. Aldus bewoog hij zich in zijn eentje rond over de heilige gronden. (19) Zuiver en onafhankelijk de aarde bereizend, werd hij geheiligd door de grond waar hij op sliep en zonder zijn gebruikelijke kleding uitgedost als een bedelaar tewerkgaand volgens de geloften om de Heer te behagen, kon men hem niet herkennen. (20) Op deze manier enkel door India reizend, kwam hij aan bij het land van Prabhâsa, dat destijds onder het bestuur van koning Yudhishthhira stond die bij de genade van de Onoverwinnelijke Heer de wereld onder één krijgsmacht en vlag regeerde [zie 1.13]. (21) Daar hoorde hij hoe al zijn verwanten waren omgekomen [te Kurukshetra] in een gewelddadige hartstocht als met een bamboebos dat afbrand door vlam te vatten als gevolg van de eigen wrijving. Daarop ging hij, stil met zijn gedachten, westwaarts in de richting van de rivier de Sarasvatî. (22) Aan de oever van de rivier bezocht hij en aanbad hij naar behoren, de heilige plaatsen genaamd Trita, Us'anâ, Manu, Prithu, Agni, Asita, Vâyu, Sudâsa, Go, Guha en S'râddhadeva. (23) Ook waren er andere plaatsen ingericht door de goddelijke tweemaal geborenen en toegewijden van de verscheidene vormen van Heer Vishnu, die als de leidende persoonlijkheid tot in de kleinste hoeken van de tempels terug te vinden was. Zelfs op een afstand deden ze denken aan Heer Krishna. (24) Vandaar door de welvarende koninkrijken van Surat, Sauvîra en Kurujângala (het westen van India) trekkend, gebeurde het dat toen hij na een zekere tijd bij de Yamunâ rivier aankwam, hij Uddhava, de Allerhoogste Heer Zijn grootste toegewijde tegenkwam [zie ook Canto 11].

(25) Hij omhelsde de sobere en zachtaardige constante metgezel van Vâsudeva die voorheen een student was van Brihaspati, de meester aller rituelen, en met grote liefde en veel gevoel hoorde hij hem uit over de familie van de Allerhoogste Heer: (26) 'Gaat het goed met de oorspronkelijke persoonlijkheden van God [Krishna en Balarâma] in het huis van S'ûrasena [de vader van koningin Kuntî, Prithâ], die, op het verzoek van de Schepper die uit de lotus werd geboren, voor de verheffing en het welzijn van een ieder nederdaalden in de wereld? (27) En is onze grootste Kuru en zwager Vasudeva [de vader van Heer Krishna] gelukkig, o Uddhava? Hij is waarlijk als een vader voor zijn zusters en vrijgevig in het naar het genoegen van zijn vrouwen voorzien in alles wat ze verlangen! (28) Alsjeblieft Uddhava, zeg me of de veldheer van de Yadu's, Pradyumna, wel helemaal gelukkig is. Hij was in zijn voorgaande leven de god van de liefde en is nu de grote held waaraan Rukminî, na het tevredenstellen van de brahmanen, geboorte schonk als de prins van de Allerhoogste Heer. (29) En gaat alles goed met Ugrasena, de koning van de Sâtvata's, Vrishni's,  Dâs'ârha's en Bhoja's? Hij is degene die van Heer Krishna weer op de troon mocht hopen toen hij het had moeten opgeven omdat hij buiten spel geplaatst was [onder oom Kamsa's heerschappij]. (30) O ernstige, gaat het goed met Sâmba, de zoon van de Heer die zoveel op Hem lijkt? Hij is de meest vooraanstaande en best gemanierde van alle strijders aan wie Jâmbavatî [een andere vrouw van Krishna] die zo rijk is in haar geloften het leven schonk na zijn voorgaande leven als de goddelijke Kârttikeya die geboren werd uit de echtgenote van S'iva. (31) En hoe is het met Yuyudhâna [Sâtyaki], hij die van Arjuna leerde en zijn doel bereikte als iemand die de finesses van de krijgskunst begreep en bovendien door dienst te leveren de bestemming van het Transcendentale bereikte die zelfs voor de grote verzakers zo moeilijk te bereiken is. (32) En de goed onderlegde, onbesproken zoon van S'vaphalka, Akrûra, hoe gaat het met hem? Hij is degene die in zijn overgave op het pad van Krishna's lotusvoeten uit zijn evenwicht geraakt neerviel in het stof en de tekenen vertoonde van bovenzinnelijke liefde. (33) Is alles goed met de dochter van Koning Devaka-Bhoja? Zoals uit de Veda's de bedoeling van het offeren voortkwam gaf zij [Devakî], net als de moeder der halfgoden [Aditi] die de godheid ter wereld bracht, geboorte aan Vishnu. (34) En is ook Hij, de Persoonlijkheid van God Aniruddha, volmaakt gelukkig, Hij die als de bron voor het vervullen van de verlangens van de toegewijden van oudsher beschouwd wordt als het geboortekanaal voor de Rig-Veda, de schepper van de geest en de vierde transcendentale, volkomen expansie van het Werkelijkheidsprincipe [van Vishnu-tattva]? (35) En anderen als Hridîka, Cârudeshna, Gada en de zoon van Satyabhâmâ die het goddelijke van hun eigen zelf als zijnde de ziel aanvaardden, o ootmoedige, en met een absoluut geloof van navolging zijn, gaat het hen ook allemaal goed met het doorbrengen van hun tijd?

(36) Handhaaft Yudhishthhira die heerst met de principes van het menszijn, het religieuze respect dat behoed wordt door de armen van Arjuna en de Onfeilbare? Het was hij die met de rijkdom van zijn koninklijke hofhouding en de dienst van Arjuna, de afgunst van Duryodhana wekte. (37) En koelde de onoverwinnelijke Bhîma, die gelijk een cobra is, zijn lang gekoesterde woede op de zondaren? Hij was niet te verslaan zoals hij met het wonderbaarlijke spel van zijn strijdknots optrad op het slagveld. (38) Gaat het goed met Arjuna, hij die zo roemrijk is onder de strijdwagenvechters en met zijn boog de Gândîva  zo vele vijanden versloeg? Eens behaagde hij Heer S'iva door hem met pijlen te bestoken toen S'iva zich onherkenbaar voordeed als een valse jager. (39) En zijn de tweelingzoons van Prithâ [Nakula en Sahadeva] nu zonder zorgen? Als oogleden die ogen beschermen werden ze beschermd door hun broers toen ze hun eigendommen terughaalden in het gevecht met de vijand zoals Garuda [de drager van Vishnu] dat deed [met de nectar] uit de mond van Indra. (40) O beminnelijke, is Prithâ nog in leven? Zij wijdde zich aan de zorg voor de vaderloze kinderen toen ze moest leven zonder koning Pându die in z'n eentje als een bevelvoerend strijder de vier windrichtingen de baas kon met enkel een tweede boog.

(41) O zachtmoedige, ik maak me alleen maar zorgen over hem [Dhritarâshthra] die ten val kwam toen zijn broer [Pându] stierf. Hij keerde zich tegen mij die hem het beste wenste en verdreef me uit mijn eigen stad met het zich aanmeten van dezelfde houding als zijn zoons. (42) Daarom reis ik bij de genade van Zijn voeten incognito rond door deze wereld van de Heer die voor anderen dan Hij zo verbijsterend is om te beheersen. Ik verloor Zijn voeten nooit uit het oog omdat ik geen twijfel kende in deze aangelegenheid. (43) Wat betreft de koningen die afdwaalden door de drie soorten van valse trots [als gevolg van bezittingen, afkomst en navolgers] en die voortdurend moeder aarde van streek brachten door de bewegingen van hun troepen, wachtte Hij als de Allerhoogste Heer die er op uit is het lijden van de overgegeven zielen weg te nemen, er ondanks de overtredingen van de Kuru's natuurlijk mee om hen te doden. (44) De verschijning van de Ongeborene, van Hem die zonder enige verplichting in de wereld aanwezig is, is er om korte metten te maken met de parvenu's opdat allen tot inzicht mogen komen. Voor welk doel zou Hij anders een lichaam en allerlei soorten van karma op zich nemen? (45) O mijn vriend, bezing de heerlijkheden en bespreek de verhalen van de Heer van alle heilige plaatsen die vanuit Zijn ongeboren positie geboorte nam in de familie van de Yadu's voor het heil van alle heersers van het universum die zich overgaven aan Hem en [de devotionele cultuur van] Zijn zelfbeheersing.'

 

Hoofdstuk 2: Terugdenken aan Krishna

(1) S'uka zei: 'De grote toegewijde [Uddhava] ondervraagd door Vidura over wat aangaande de meest dierbare kon worden gezegd, moest terugdenken aan de Heer en kon niet direct antwoorden omdat hij overweldigd werd door emoties. (2) Hij was iemand die in zijn kindertijd op vijfjarige leeftijd door zijn moeder aan het ontbijt geroepen, er niets van wilde weten omdat hij was opgegaan in een spel van dienstbaarheid [aan Heer Krishna]. (3) Hoe zou een dergelijke dienstbaarheid van Uddhava in de loop van de jaren nu minder kunnen worden? Toen hem [dus] enkel maar gevraagd werd over Hem te vertellen, schoot hem zich alles van de Heer Zijn lotusvoeten te binnen. (4) Voor een ogenblik viel hij geheel stil als gevolg van de nectar van de voeten van de Heer. Sterk als hij was en goed gerijpt in de verbondenheid van de toewijding, raakte hij volledig in beslag genomen door de liefde van de goedheid ervan. (5) Ieder deel van zijn lichaam vertoonde de tekenen van bovenzinnelijke extase en toen hem de tranen in de ogen sprongen omdat hij Hem zo miste, zag Vidura dat hij het voorwerp van zijn grootste liefde had bereikt. (6) Langzaam keerde Uddhava uit de wereld van de Heer weer terug naar de menselijke wereld en zijn tranen wegwissend sprak hij vol gevoel tot Vidura vanuit al die herinneringen.'

(7) Uddhava zei: 'Wat kan ik nu over ons welbevinden zeggen nu de zon van Krishna is ondergegaan en het huis van mijn familie is verzwolgen door het grote serpent van het verleden? (8) Hoe onfortuinlijk is het voor deze wereld en in het bijzonder de Yadu dynastie om samenlevend met de Heer Hem net zo min te herkennen als de vissen de maan. (9) Zijn eigen mensen de Sâtvata's waren onverschrokken lieden met een goede mensenkennis die zich met Hem als het hoofd van de familie konden ontspannen en over Hem dachten als degene die overal achter stak. (10) Ook al zijn zij, net zo goed als anderen die zich aan illusies vastklampen, allen bevangen door de illusie van het uiterlijke van God, de intelligentie van de zielen die zich innerlijk volledig hebben overgegeven aan de Heer zal door de woorden die de anderen bezigen [echter] nooit op een dwaalspoor raken. (11) Na zich te hebben vertoond aan personen die zonder boete en de vervulling van idealen leefden ging Hij vervolgens, toen Hij Zijn gedaante aan het gezicht van het publiek onttrok, over tot het wapenfeit van Zijn eigen verdwijnen. (12) Die gedaante die Hij toonde  in de sterfelijke wereld was volmaakt geschikt voor Zijn spel en vermaak waarin Hij de macht van Zijn magie van binnenuit toonde. Die gedaante leidde tot de ontdekking van Zijn wonderen, Zijn opperste weelde en het ultieme ornament der ornamenten: Zijn voeten.

(13) Al de [bewoners van de] drie werelden die tijdens Koning Yudhishthhira's Rajasûya-[konings-]offer Zijn alleraantrekkelijkste gedaante zagen stonden versteld en vonden dat het vakmanschap van Brahmâ's universele schepping met Hem aanwezig in de stoffelijke wereld was overtroffen. (14) Door Zijn lachen, speelse aard en zijdelingse blikken raakten de vrouwen van Vraja meer en meer aan Hem gehecht en volgden ze Hem met hun blikken zodat ze helemaal afgeleid afwezig zaten te dromen zonder nog aan hun huishoudelijk werk toe te komen. (15) De Ongeborene die toch geboren werd, de eindeloos genadige Heer en heerser over het spirituele en materiële bereik verscheen ter wille van de toegewijden als de Fortuinlijke, de Heer der Volheden, als Bhagavân die onder begeleiding van al Zijn metgezellen als een vuur is voor al de anderen die, [zoals Kamsa] levend volgens hun eigen materiële opvattingen, een plaag vormen.

(16) Het doet me pijn om te zien hoe Hij, ongerboren van aard, Zijn zo verbijsterende geboorte nam [in de gevangenis] waar Vasudeva leefde, hoe Hij thuis bij Vasudeva in Vraja leefde alsof Hij bang was voor de vijand [oom Kamsa] en hoe Hij, de Onbegrensd Machtige, uit de stad Mathurâ vluchtte [de hoofdstad waar Krishna verbleef na Kamsa verslagen te hebben]. (17) Het doet me verdriet wat Hij in Zijn respectbetoon aan de voeten van Zijn ouders zei: 'O moeder, o vader, in grote angst voor Kamsa hebben we gefaald in onze dienstverlening, wees alstublieft tevreden over ons!' (18) Hoe kan men als men eenmaal het stof van Zijn lotusvoeten in de neus heeft, Hem nu vergeten die met enkel het optrekken van Zijn wenkbrauwen de last van de wereld de genadeslag gaf? (19) Uwe goedheid zag toch met eigen ogen hoe tijdens Yudhishthhira's koninklijke offerplechtigheid de koning van Cedi [S'is'upâla] ondanks zijn jaloezie met Krishna de volmaaktheid bereikte, de perfectie die het hoogst begeerde doel vormt voor de yogi's die dankzij hun yoga het kunnen verdragen van Hem gescheiden te zijn. (20) En zeker hebben ook anderen in de menselijke samenleving Zijn hemelverblijf bereikt: zij die als krijgsheren Krishna's zeer aangenaam ogende lotusgezicht en ogen zagen op het slagveld dat door Arjuna's pijlen werd gezuiverd. (21) Hij is niemand minder dan de unieke Opperheer van de drievoudige werkelijkheid door wiens onafhankelijkheid het hoogste geluk wordt bereikt en voor wiens voeten alle [koningen vol van] verlangens hun helmen buigen in aanbidding met alle toebehoren onder leiding van de eeuwige behoeders van de maatschappelijke orde. (22) Derhalve smart het ons als dienaren in Zijn dienst o Vidura, om te zien hoe Hij zich voor Koning Ugrasena  die afwachtend op zijn troon zat onderwierp met de woorden: 'O mijn Heer, alstublieft, bezie het op deze manier'.

(23) Tot wiens beschutting zou ik anders mijn toevlucht moeten nemen? Oh, wie verzekert me van een grotere genade dan Hij die, ondanks het trouweloze van die demone [Pûtanâ] die uit jaloezie haar borst vergiftigde om Hem dood te voeren, haar de positie toekende van een moeder? (24) Ik denk dat zij die als tegenstanders vijandigheid koesteren jegens de Heer der Drievoudigheid grote toegewijden zijn omdat ze, verzonken in de gedachte aan de strijd met Hem, Hem op Zijn drager [Garuda] konden zien aankomen met Zijn cakrawapen. (25) Geboren uit de schoot van Devakî in de gevangenis van de koning van Bhoja [Kamsa], verscheen de Fortuinlijke op de gebeden [van de Schepper] ter wille van het welzijn van de aarde. (26) Daarna werd Hij door Zijn [pleeg-]vader Nanda grootgebracht op de weidegronden, waar Hij uit angst voor Kamsa, tezamen met Baladeva [Balarâma] elf jaar lang [in het geheim] verbleef op de manier waarop men een vlam beschut. (27) Omringd door koeherdersjongens kalveren weidend trok de Almachtige rond langs de oevers van de Yamunâ door tuinen vol van de geluiden van het getjilp van de hemelse vogels in de vele bomen aldaar. (28) Het verlokkelijke vertoon van het spel en vermaak van Zijn jeugd kon alleen worden gewaardeerd door de inwoners van Vraja, het land van Vrindâvana, alwaar Hij eruit ziende als een leeuwenwelpje net als andere kinderen huilde en lachte en met verwondering geslagen was. (29) Als de bron van het geluk bracht Hij, terwijl Hij  de schat aan prachtige koeien hoedde, de koeherdersjongens in de stemming door op Zijn fluit te spelen. (30) De grote tovenaars die door de koning van Bhoja waren ingezet om iedere gedaante aan te nemen die ze wilden, werden toen ze in de loop van Zijn spel en vermaak ten tonele verschenen, gedood door Hem die tewerk ging als een kind dat met poppen speelt. (31) [Om de inwoners van Vrindâvana te helpen die] in moeilijkheden [verkeerden] door het [door hun zonen] drinken van het vergif [van de slang Kâliya in het water van de Yamunâ], onderwierp Hij de aanvoerder der reptielen en liet Hij, nadat Hij uit het water kwam, de koeien ervan drinken om te bewijzen dat het weer in zijn natuurlijke staat verkeerde. (32) Verlangend de weelde van Nanda, de rijkdom van de koning der koeherders, naar behoren te gebruiken, liet Hij ze met behulp van de brahmanen de koeien en het land aanbidden [in plaats van Indra]. (33) Indra boos over de belediging liet het hoogst verstoord zwaar regenen boven Vraja. De koeherders werden toen door de genadevolle Heer daartegen beschermd met de [Govardhana] heuvel die in Zijn spel dienst deed als paraplu, o nuchtere Vidura. (34) Tijdens de herfst schiep Hij eens, in een nacht helder van het maanlicht, er ter vermaak van de vrouwen genoegen in om als het schone aangezicht van de nacht Zelve in hun midden aangename liederen te zingen.'


Hoofdstuk 3: Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana

(1) Uddhava zei: 'Toen de Heer daarna naar de stad Mathurâ kwam, sleurde Hij, die  het welzijn van Zijn ouders [die gevangen zaten] verlangde, samen met Baladeva [Kamsa] de aanvoerder der staatsvijandigheid van de troon en doodde hem door hem met kracht naar de grond te trekken. (2) Hij maakte zich ieder detail van de Veda's eigen na ze slechts één keer gehoord te hebben van Zijn leraar Sândîpani die Hij met de zegen beloonde dat Hij zijn zoon uit het innerlijke domein der overleden zielen - van de dood [Yamaloka] - terug zou halen. (3) Op verzoek van de dochter van koning Bhîshmaka [Rukminî] stal Heer Krishna  precies zoals Garuda dat deed [met de nectar der goden] haar als Zijn aandeel weg door allen het nakijken te geven die overeenkomstig het gebruik kandidaat waren om met haar te trouwen en toen waren gekomen in de hoop op dat geluk. (4) In een open wedstrijd voor de verkiezing van de bruidegom voor Prinses Nâgnajitî onderwierp Hij zeven wilde stieren en won Hij haar hand, maar de dwazen die in hun teleurstelling haar alsnog wilden, doodde en verwondde Hij zonder Zelf schade te lijden, goed uitgerust als Hij was met alle wapens. (5) Enkel vanwege het feit dat Hij, als een gewoon levend wezen, Zijn geliefde echtgenote een plezier probeerde te doen die wilde dat Hij  voor haar de Pârijâta heester [uit de hemel] haalde, trad Indra, de Koning van de Hemel, op de kop gezeten natuurlijk door zijn eigen vrouwen, in blinde woede tegen Hem in het geweer.

(6) Toen moeder Aarde zag hoe Narakâsura [Bhauma] haar zoon, die in de slag [tegen Krishna] fysiek vanuit de lucht een overwicht vormde [met projectielen], werd gedood door Zijn Sudars'ana Cakra [werpschijf], bad ze ervoor dat Hij aan Narakâsura's zoon [Bhagadatta] zou geven wat er restte [van het koninkrijk]. Toen Hij dat deed betrad Hij Narakâsura's vesting. (7) Direct stonden al de prinsessen die daar gekidnapt door de demon verbleven, voor Hem, de Vriend der Verdrukten klaar en aanvaardden ze vreugdevol Hem, Hem verlegen met reikhalzende blikken in hun harten sluitend [als hun echtgenoot]. (8) Hoewel ze in verschillende appartementen verbleven accepteerde Hij de hand van al de vrouwen tegelijkertijd door met een volmaakte regeling zich geheel naar ieders individuele aard te voegen middels Zijn innerlijk vermogen. (9) Met de wens Zich te vermeerderen verwekte Hij in ieder van hen een tiental kinderen die allemaal in ieder opzicht waren zoals Hijzelf.

(10) Kâlayavana, de koning van Magadha [Jarâsandha], Koning S'âlva en anderen die met hun soldaten Mathurâ hadden omsingeld, toonde Hij niet Zijn eigen wonderbaarlijke macht maar de macht van Zijn mannen. (11) Van S'ambara, Dvivida, Bâna, Mura, Balvala en anderen zoals Dantavakra en dergelijken, doodde Hij er enkele, terwijl Hij andere demonen door anderen liet doden [door Balarâma b.v.].

(12) Daarna vonden in de slag bij Kurukshetra, waar de aarde schudde onder het geweld van de wagenwielen, de koningen van beide partijen van je neven de dood. (13) Hij beleefde er geen genoegen aan om te zien hoe door het slechte advies van Karna, Duhs'âsana en Saubala, Duryodhana met al zijn macht van zijn geluk en levensduur was beroofd en nu samen met zijn gevolg met gebroken ledematen [op het slagveld] lag. (14) 'Wat is dit', zei de Heer toen met de hulp van Bhîshma en Drona [enerzijds], en Arjuna en Bhîma [anderzijds] de enorme last van de aarde van achttien akshauhinî's [een leger bestaande uit tien anikini's, ofwel 21.870 olifanten, 21.870 strijdwagens, 65.610 paarden, en 109.350 man voetvolk] was weggevaagd. 'Nog steeds is er de ondraaglijke last van de grote macht van Mijn verwanten, de Yadudynastie. (15) Ze zullen verdwijnen als onder invloed van drank er een onderlinge strijd uitbreekt die hun ogen rood als koper zal maken; er is geen alternatief om Me hiervan te verzekeren voor als Ik ben heengegaan.' (16) Met dat in gedachten kroonde de Allerhoogste Heer Yudhishthhira tot koning, en maakte Hij Zijn vrienden gelukkig door een uiteenzetting te geven over het pad der heiligen.

(17) De afstammeling van Pûru [Parîkchit] die door de held Abhimanyu werd verwekt in de schoot van Uttarâ, zou zeker verbrand zijn door het wapen van de zoon van Drona als de Opperheer dat niet nogmaals zou hebben afgewend door hem te beschermen [zie S.B. 1: 7 & 8]. (18) De Almachtige bewoog de zoon van Dharma [Yudhishthhira] ertoe om ook drie paardoffers te brengen en daarin bijgestaan door zijn broers beschermde en genoot hij de aarde als een trouwe volgeling van Krishna.

(19) De Allerhoogste Heer en Superziel van het Universum die naar gebruik het pad der Vedische principes volgde, genoot in de stad Dvârakâ van de lusten des levens zonder gehecht te raken. Dat deed Hij door vast te houden aan het analytisch systeem van de yoga [Sânkhya]. (20) Zachtmoedig en met lieve glimlachen en woorden gelijk aan nectar, hield Hij zich daar met Zijn smetteloze karakter op in Zijn bovenzinnelijke lichaam, in het verblijf van de godin van het geluk. (21) Met het met name behagen van de Yadu's genoot Hij van deze aarde en zeker ook van de overige werelden, terwijl Hij in de rustige uren van de nacht de vriendschap met de vrouwen onderhield in de echtelijke liefde. (22) Aldus genoot Hij voor vele, vele jaren een  huishoudelijk bestaan van [zinnelijke] vereniging die de basis vormde voor Zijn onthechting. (23) Net zoals dat bij Hem het geval is, wordt het genot van de zintuigen van welk levend wezen ook geregeld door het goddelijke, een heiligheid waarin men vertrouwen kan stellen door zich te verenigen in dienstbaarheid aan de Heer van de Yoga.

(24) In de stad Dvârakâ hadden de prinselijke nazaten van Yadu en Bhoja op een dag een streek uitgehaald en zich zo de woede van de wijzen op de hals gehaald die hen toen vervloekten zoals de Heer dat gewenst had. (25) Een paar maanden later begaven de afstammelingen van Vrishni, Bhoja en anderen als de zonen van Andhaka, begoocheld door Krishna, zich opgetogen naar het pelgrimsoord genaamd Prabhâsa. (26) Daar namen ze een bad en betoonden ze met hetzelfde water hun voorvaderen, de goden en de grote wijzen hun respect. Toen schonken ze in adellijke vrijgevigheid koeien aan de brahmanen. (27) Voor hun levensonderhoud verschaften ze hen ook goud, gouden munten, beddengoed, kleding, zetelbedekkingen, dekens, paarden, strijdwagens, olifanten, meisjes en land. (28) Na de brahmanen te hebben voorzien van hoogst kostelijk voedsel dat eerst aan de Opperheer was geofferd, brachten de heldhaftige vertegenwoordigers, voor het heil van hun goede leven, de koeien en de brahmanen hun eerbetuigingen door de grond met hun hoofden te beroeren.'

 

Hoofdstuk 4: Vidura wendt zich tot Maitreya

(1) Uddhava zei: 'Na met de permissie van de brahmanen te hebben gegeten van de offers dronken zij [de Yadu's] sterke drank waarmee ze hun geest bedierven zodat ze  elkaar kwetsten met ruwe taal. (2) Toen de zon onderging waren ze de evenwichtigheid van hun denken kwijtgeraakt en moesten ze als gevolg van de vergissingen die de bedwelming in de hand werkte onder ogen zien hoe de vernietiging met de bamboestokken [waarmee ze begonnen te vechten] plaats greep. (3) De Allerhoogste Heer, die vanuit Zijn innerlijk vermogen het einde had voorzien, ging naar de rivier de Sarasvatî en na te nippen van het water ging Hij onder een boom zitten. (4) De Heer neemt het leed weg van de zielen die zich aan Hem overgeven en daarom zei Hij die de vernietiging van Zijn eigen familie wenste: 'Je moet naar Badarikâs'rama gaan'. (5) Maar omdat ik niet in staat was het te verdragen gescheiden te zijn van Zijn lotusvoeten ging ik tegen Zijn wens in de Meester achterna, o onderwerper van de vijand [Vidura]. (6) Ik zag toen hoe mijn Beschermheer en Meester, Hij die geen toevlucht hoeft te zoeken, diep in gedachten alleen aan de oever van de rivier ging zitten om Zijn toevlucht te zoeken bij de godin.

(7) Prachtig met Zijn donkere huidskleur, van zuivere goedheid en vreedzaam met Zijn rood doorlopen ogen, kon Hij worden herkend als degene met de vier armen en de gele zijden kleding [Vishnu]. (8) Met Zijn rechtervoet op Zijn dijbeen rustend tegen een jonge banyanboom zag Hij die Zijn huiselijke gemakken achter zich had gelaten er opgelucht uit.

(9) Op dat moment kwam [Maitreya,] een grote toegewijde en volgeling van Krishna Dvaipâyana Vyâsa [Vyâsadeva], een weldoener en vriend die de drie werelden bereisde, op eigen gelegenheid daar [eveneens] op die plek aan. (10) Gehecht aan Hem boog de wijze zich voorover in een houding van eerbied en luisterde aandachtig, terwijl de Heer der Bevrijding met vriendelijke blikken me glimlachend liet uitrusten en het woord tot me richtte. (11) De Opperheer zei: 'Ik weet van binnenuit wat je vroeger verlangde toen de welgestelden die deze wereld opbouwden hun offers aan het brengen waren. Ik schenk je nu wat voor de anderen zo moeilijk te bereiken is, o fortuinlijke: de associatie met Mij waarnaar je verlangt als het uiteindelijke doel van het leven. (12) Van al je incarnaties, o oprechte, is dit leven de vervolmaking omdat je Mijn genade hebt bereikt nu je Mij in de afzondering van het hebben verlaten van de werelden der mensen hebt gezien. Dit is wat je ziet als je van een niet aflatende toewijding bent [: Vaikunthha, het bevrijd zijn van de dwaasheid]. (13) Lang geleden, bij de aanvang van de Schepping, stelde ik Brahmâ op de lotus die uit Mijn navel kwam op de hoogte van de kennis van het allerhoogste van Mijn bovenzinnelijke heerlijkheden: ik legde hem uit wat de godvruchtigen het Bhâgavatam noemen.'

(14) Met de gunst die Hij mij verleende door zich aldus op mij te richten, zag ik, omdat ik voortdurend het object was van de genade van de Allerhoogste Persoon, hoe in mijn emotie mijn haren recht overeind gingen staan. Met mijn ogen wazig van het wissen der tranen, zei ik met gevouwen handen stamelend: (15) 'O mijn Heer, voor hen die naar Uw voeten leven, welke zo moeilijk te verwerven zijn, is het in deze wereld allemaal een kwestie van die vier doelen van het leven [dharma, artha, kâma, moksha; religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en bevrijding], maar daar geef ik niet zo veel om o Grootheid,  ik bekommer me er meer om Uw lotusvoeten te dienen. (16) Hoewel U geen verlangens kent onderneemt U van alles; hoewel U ongeboren bent neemt U niettemin geboorte; hoewel U de heerser over de eeuwige Tijd bent, zoekt U Uw toevlucht tot de vesting uit vrees voor Uw vijanden en hoewel U behagen schept in Uzelf leidt U een huiselijk bestaan in het gezelschap van vrouwen; dit verbijstert de intelligentie van de geleerden in deze wereld. (17) Hoewel U nooit verdeeld bent onder de invloed van de tijd, wendt U, in Uw eeuwige intelligentie o Meester, zich tot mij voor advies, alsof U het niet meer zou weten. Maar dat is nooit zo. Dat doet mij versteld staan, o Heer. (18) Als U mij er voldoende geschikt voor acht, onthul me dan - om de wereldse zorgen te boven te komen  - alstUblieft mijn Heer tot in detail het geheel van de kennis omtrent het mysterie van de hoogst verlichtende aard van Uw Zelf, zoals U dat ook de fortuinlijke Brahmâjî hebt verteld.'

(19) Op die manier door mij aanbeden vanuit het diepst van mijn hart, instrueerde Hij, de lotusogige Opperheer van het voorbije, mij over Zijn bovenzinnelijke positie. (20) Aldus heb ik, naar de aanwijzingen van de Meester, de kennis der zelfverwerkelijking bestudeerd en gewaardeerd, waarbij ik het pad doorgrondde door Zijn Lotusvoeten te respecteren.  En zo bereikte ik, na Hem te hebben omlopen, deze plek met droefenis in mijn hart als gevolg van de gescheidenheid. (21) Mijn beste [Vidura], het doet me dus pijn het zonder het genoegen te moeten stellen Hem te zien. Ik zal nu zoals Hij het me opdroeg naar Badarikâs'rama [in de Himalaya's] gaan om in het juiste gezelschap te verkeren. (22) Het is daar dat de Allerhoogste Heer als Nârâyana geïncarneerd in de gedaante van Zijn menselijkheid en als Nârâ in de vorm van een wijze beminnelijk voor iedereen, een lange tijd zware boete deed ter wille van het welzijn van alle levende wezens.'

(23) S'rî S'uka zei: 'Toen hij van Uddhava het ondraaglijke [nieuws] vernam van de vernietiging van zijn vrienden en verwanten, kalmeerde de geleerde Vidura zijn opkomende droefenis middels bovenzinnelijke kennis. (24) Bij het vertrek van de grote toegewijde van de Heer en beste onder de Kaurava's, legde Vidura in vertrouwen het volgende voor aan deze leidende persoonlijkheid in de toegewijde dienst van Krishna. (25) Vidura zei: 'De Heer van de Yoga lichtte je in over het mysterie van de bovenzinnelijke kennis van de eigen ziel - wees zo goed het nu zelf  uiteen te zetten zodat we Vishnu en de dienaren die rondtrekken ter wille van anderen eer aandoen.' (26) Uddhava zei toen: 'Wendt je tot de aanbiddelijke wijze, de zoon van Kushâru [Maitreya] die hier in de buurt verblijft. Hij werd rechtstreeks door de Heer geïnstrueerd toen Hij de sterfelijke wereld achter zich liet.'

(27) S' S'uka zei: 'Met de overweldigende emotie waarmee hij met Vidura de nectar besprak van de kwaliteiten van de Heer van het Universum, vloog de nacht in een oogwenk voorbij. Daarna vervolgde de zoon van Aupagava zijn weg.'

(28) De koning [Parîkchit] vroeg: 'Hoe kon het zo zijn dat na de vernietiging die de Vrishni- en Bhojadynastie onderging, de grote leider die onder hen vooropging, de vooraanstaande Uddhava, de enige was die overbleef nadat de Heer Zijn spel en vermaak als de Meester over de drie werelden had afgerond?'

(29) S' S'uka zei: 'Nadat Hij in de naam van de onfeilbare Tijd het einde had afgeroepen over Zijn talrijke familie middels de vloek van de brahmanen en Hij op het punt stond Zijn uiterlijke verschijning op te geven dacht Hij bij zichzelf: (30) 'Als Ik deze  wereld heb verlaten zal de kennis over Mij en Mijn toevlucht met Uddhava, die momenteel de meest vooraanstaande van de toegewijden is, in goede handen zijn. (31) Uddhava doet in geen enkel opzicht onder voor Mij wat betreft het niet beroerd zijn door de materiële geaardheden. Hij blijft dan terecht over als de meester aangaande de kennis over Mij die hij in deze wereld kan verspreiden.'

(32) Na op die manier op volmaakte wijze door de geestelijk leraar en bron van alle Vedische kennis onderricht te zijn bereikte hij [Uddhava] Badarikâs'rama zich zielsgelukkig voelend in zijn verzonkenheid in de Heer. (33) Zo verging het ook Vidura die van Uddhava had gehoord hoe Krishna, de Superziel, voor Zijn spel en vermaak op buitengewone wijze een gedaante had aangenomen en hoe zegerijk Hij daarmee tewerk was gegaan. (34) Zijn aannemen van een fysiek lichaam is voor vasthoudende, grote wijzen zo goed als voor andere mensen, iets dat moeilijk te begrijpen is en voor mensen met een dierlijke instelling is het gewoonweg iets waanzinnigs. (35) Nu raakte Vidura zelf ook, o beste onder de Kuru's, toen hij zich voor de geest haalde hoe Krishna de Fortuinlijke bij Zijn vertrek aan hem had gedacht, overweldigd door extatische vreugde en barstte hij in tranen uit.

(36) O beste onder de Bharata's, nadat Vidura aldus zijn dagen had doorgebracht aan de oever van de Yamunâ [zie 3:1.24], bereikte hij de heilige wateren der Ganges alwaar hij de wijze Maitreya ontmoette [de zoon van Mitrâ, zijn moeder].'

 

Hoofdstuk 5: Vidura spreekt met Maitreya

(1) S'rî S'uka zei: 'Aan de bron van de hemelse rivier [de Ganges] zat Vidura, de beste onder de Kuru's die nader tot de Onfeilbare was gekomen, voor Maitreya Muni wiens kennis peilloos was en met een volmaakt respect stelde hij beleefd vragen vanuit zijn voldoening in de bovenzinnelijkheid. (2) Vidura zei: 'Ter wille van het geluk is iedereen in deze wereld bezig met vruchtdragende activiteiten, maar door die activiteiten wordt men nooit gelukkig of tevreden, in tegendeel, men wordt er eerder ongelukkig van. Alstublieft o grootste, wees zo goed ons in te lichten over wat de juiste benadering is onder welke omstandigheden. (3) Omdat de grote zielen die van opoffering zijn begaan zijn met  de gewone man die zijn gelaat afwendde van Heer Krishna en onder de invloed van de materiële wereld altijd ongelukkig is met het verwaarlozen van zijn plichten jegens God, trekken ze rond voor het heil van de Heer der drie werelden. (4) Derhalve, o grootste onder de heiligen, instrueer me alstublieft over het pad ten gunste van het volmaakt dienen van de Allerhoogste Heer die, verblijvend in het hart van de levende wezens, de zuivere toegewijden de kennis verleent van de fundamentele principes [de Waarheid] waarmee men de klassieke wijsheid leert kennen [de Veda]. (5) Wat voor dingen doet de onafhankelijke Allerhoogste Heer en heerser over de drie werelden allemaal als Hij, zonder Zelf ergens naar te verlangen, het aanvaardt om geïncarneerd te zijn ter wille van de handhaving van het geschapen universum? (6) En hoe kan Hij die Zich in de ether terugtrekt om Zich neer te vleien en niets te doen aan de basis van het universum nu als de Ene Heer der Vereniging, als de enige ware, oorspronkelijke meester dan weer een bestaan hebben in de vorm van vele verschillende [avatâra's?]. (7) Waarom is het zo dat, wat betreft het spel en vermaak dat Hij voor het welzijn van de tweemaal geborenen, de koeien en de verlichte zielen in de bovenzinnelijke handelingen van Zijn verschillende incarnaties aan de dag legt, we er nooit genoeg over vernemen kunnen, ook al horen we steeds weer opnieuw over de gunstige, nectargelijke eigenschappen van de Heer? (8) Wat zijn de verschillende principes op basis waarvan de Heer der Heerscharen de verschillende heersers en hun hogere en lagere leefwerelden genereerde waarin zoals men weet alle klassen van levende wezens hun uiteenlopende bezigheden hebben?  (9) En beschrijf ons alstublieft o eerste onder de brahmanen, hoe de schepper van het universum Nârâyana, de onafhankelijke Heer die voor de mens de weg vormt, kwam tot de samenstelling van de verschillende gedaanten, bezigheden en verspreide culturen van de geïncarneerde zielen.

(10) O fortuinlijke, ik vernam uit de mond van Vyâsadeva herhaaldelijk over het hogere en lagere van deze bezigheden, maar zonder te horen over de nectar van de verhalen over Krishna ben ik weinig tevreden over die zaken en het geluk dat men daaraan ontleent. (11) Wie kan genoeg krijgen van de verhalen over Hem wiens voeten worden gevormd door de pelgrimsoorden en die in de  samenleving wordt aanbeden door de grote toegewijden? Als iemands oren die verhalen opvangen doorbreken ze door de liefde die ze opwekken de banden van  genegenheid die een mens voor zijn familie heeft! (12) Uw vriend de wijze Krishna Dvaipâyana Vyâsa heeft de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Opperheer in de Mahâbhârata beschreven. Dat boek is er alleen maar om de aandacht van mensen die behagen scheppen in het luisteren naar wereldse onderwerpen te richten op de verhalen van de Heer. (13) Het gewicht van dat geloof brengt geleidelijk aan onverschilligheid teweeg voor andere zaken. Hij die zich steeds de voeten van de Heer herinnert heeft de gelukzaligheid bereikt die zonder meer alle misère uitbant. (14) Ik heb het te doen met al die arme mensen die, in verval verkerend met de goddelijkheid van de Tijd,  zich in de zondigheid van hun onwetende zieligheid van de verhalen over de Heer hebben afgekeerd en de jaren van hun leven verspillen met nutteloze filosofische oefeningen, denkbeeldige doelen en een diversiteit aan rituelen. (15) O Maitreya, u die als de vriend van hen die lijden het geluk behartigt [van een ieder], beschrijf daarom ter wille van ons welzijn alstublieft dat wat de essentie is van al de gespreksonderwerpen: de verhalen over de Heer die als de nectar van bloemen de glorie vormen van al het pelgrimeren. (16) Alstublieft vertel over alles met betrekking tot de transcendentale, bovenmenselijke handelingen door de Heer verricht in Zijn met alle vermogens toegeruste belichamingen ter wille van een volmaakte greep op de schepping en handhaving van Zijn universum.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus ertoe verzocht deed met het oog op ieders welzijn de grote wijze in de Heer, Maitreya, Vidura de grote eer een uiteenzetting te geven [over deze zaken]. (18) S'rî Maitreya zei: 'Alle zegen voor u o goedgeaarde wiens geest steeds gericht is op de Heer voorbij de zinnen. Uw vragen stellen ter wille van het welzijn van allen vormt een bewijs van de goedheid van uw genade om de heerlijkheden van de ziel in deze wereld te verkondigen. (19) O Vidura het verbaast me niet dat u die de Allerhoogste Persoonlijkheid onze Heer hebt aanvaard, zonder af te dwalen in uw denken deze vragen stelt. U werd immers geboren uit het zaad van Vyâsa. (20) Vanwege een vloek van de machtige wijze Mândavya Muni nam u, uit de dienstmaagd van de broeder [Vicitravîrya] en de zoon van Satyavatî [Vyâsadeva], geboorte als de incarnatie van Yamarâja, de heerser over de dood [zie stamboom]. (21) Uwe goedheid wordt gerekend tot de eeuwige metgezellen van de Heer. Toen Hij terugkeerde naar Zijn hemelverblijf gaf Hij mij de opdracht u te instrueren in de geestelijke kennis. (22) Daarom zal ik u nu systematisch een beschrijving geven van de wederwaardigheden van de Allerhoogste Heer in Zijn beheersen van de enorme uitgebreidheid van de uiterlijke illusie ter wille van de handhaving, schepping en beëindiging van het universum.

(23) Voordat het universum werd geschapen was de Allerhoogste Heer, het Zelf en de meester van de levende wezens, er als de enige zonder een ander. Het was [toen] Zijn wens om niet gemanifesteerd te zijn als een [veelvoud aan] individuele ziel[-en] met [ieder] een eigen visie en uiterlijke kenmerken. (24) Hij die dat alles nog niet was, kon toentertijd als ziener helemaal niets waarneembaars herkennen. Alleen ervoor staand vond Hij met Zijn innerlijk vermogen aanwezig, maar met Zijn expansies en Zijn materieel vermogen afwezig dat het was alsof Hij niet bestond. (25) Dat wat Hij als de volmaakte Ziener ziet is energie die wordt gekenmerkt door oorzaak en gevolg. O fortuinlijke, deze energie waarmee de Almachtige deze wereld heeft opgebouwd wordt mâyâ [illusoir, begoochelend] genoemd. (26) Met de uitwerking van de Eeuwige Tijd [kâla] op de drie geaardheden van deze illusoire energie wekte het Opperwezen, Hij die in wezen geestelijk is, door [erin binnen te gaan als] de persoon [als de Purusha] de viriliteit op [de heldenmoed, de mannelijkheid, de kracht]. (27) Uit het ongemanifesteerde ontstond toen door de wisselwerking van de tijd de Mahat-tattva [het geheel van het Allerhoogste, de kosmische intelligentie]. Dit in de totaliteit gesitueerde fysieke zelf dat de duisternis en onwetendheid verdrijft is begrijpend van aard en in staat complete [geestelijke] universa in het leven te roepen. (28) Het [geheel der manifestatie] dat zo een volkomen expansie vormt van guna, kâla en [jîv]-âtmâ, vormt het gezichtsbereik van de Persoonlijkheid van God. Het is het reservoir, de bestaansgrond, het zelf, van de vele gedifferentieerde levensvormen van dit universum dat aanzet tot creatieve inspanning.

(29) Het Mahat-tattva zich omvormend tot de materiële werkelijkheid van het egobewustzijn manifesteert zich in termen van oorzaak, gevolg en doener. Aldus zijn er drie soorten van ego die de weerspiegeling in de geest vormen van [de guna's van] het zelf, de materiële elementen en de zintuiglijkheid vormen:  [respectievelijk] de begaafdheid [sattva] de onwetendheid [tamas] en de veranderlijkheid [rajas]. (30) Met het principe van de veranderlijkheid [vaikârika] van het ego ontstaat er een omvorming van de geest die in zijn emotionaliteit al de godsbewusten in het leven riep die de basis vormen van de materiële kennis over de wereld der verschijnselen. (31) Met de begaafdheid van iemands zinnigheid [taijasâni] overheerst de spirituele kennis omtrent vruchtdragende bezigheden [karma]. (32) In de onwetendheid [tamas] realiseert men zich de subtiele zinsobjecten [van voorgestelde beelden en geluiden] waarvan de ether [hun medium] de representatie vormt van de Superziel. (33) De materiële energie vormt een gedeeltelijke vermenging van de tijd [van expanderen en contraheren]. De Heer die dit vanuit de ether overziet creëerde aldus aangeraakt de transformatie van die aanraking in de vorm van de lucht. (34) De lucht, eveneens getransformeerd door de uiterst machtige ether deed de vorm van het licht ontstaan en [de bio-electriciteit van] de zintuiglijke gewaarwording waarmee de wereld wordt gezien. (35) Van de interactie van de lucht en haar bio-electriciteit met de blik van de Heer [der ether] was er met de vermenging van de tijd een transformatie die de smaak [voor het leven] in water schiep. (36) Het geëlectrificeerde water dat aldus werd geschapen als gevolg van de transformatie van de Allerhoogste Geest [van de ether] die de aarde overschouwde, leidde tot de schepping van de kwaliteit van de geur met het zich deels verenigen van de uitwendige energie met de eeuwige tijd. 

(37) O zachtmoedige, begrijp dat van de ether af aan al de materiële elementen en het grote aantal van hun superieure en inferieure kwaliteiten, [hun bestaan te danken hebben aan] de afronding doorde Allerhoogste. (38) De goden die heersen over al deze fysieke elementen zijn allen deel en geheel van Heer Vishnu. In de aan tijd gebonden materiële energie belichaamd als deelaspecten schieten ze in hun persoonlijke verplichtingen tekort en geven ze uiting aan hun oprechte gevoelens voor de Almachtige. (39) De goden zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan Uw lotusvoeten o Heer, in nood gaven we ons aan hen over omdat ze de beschermende paraplu vormen die al de grote wijzen beschutting biedt die rigoreus volledig braken met al de grote vormen van ellende van het materiële leven. (40) O Vader, vanwege het feit dat in deze materiële wereld o Heer, de individuele zielen altijd in verlegenheid verkeren door de drie vormen van ellende [voortkomend uit jezelf, anderen en de natuur] zijn ze nooit gelukkig, maar als ze Uw Zelf bereiken o Allerhoogste, verwerven ze de beschutting van de schaduw van Uw lotusvoeten en de kennis. (41) Bij iedere stap hun toevlucht nemend tot het pelgrimsoord van Uw voeten, vinden de wijzen die op de vleugelen der Vedische hymnen met een heldere geest speuren naar Uw lotusgelijke gezicht hun beschutting aan de beste der rivieren [de Ganges] die bevrijdt van de terugslagen der zonde. (42) De meditatie die door geloof, simpelweg luisteren en toewijding het hart zuivert met de kracht van de kennis der onthechting, verplicht hen die de vrede vonden ertoe om af te gaan op het heiligdom van Uw lotusvoeten. (43) Laten we allen de beschutting zoeken van de lotusvoeten van U die de gedaanten van de avatâra's aannam ter wille van de schepping, het behoud en de beëindiging van het universum. O Heer, ze vormen de toevlucht die de moed van de toegewijden met heugenis beloont. (44) Omdat de mensen verstrikt raken en aldus in het materiële lichaam verkeren in de geest van 'ik' en 'mijn', gaan ze op in een ongewenste drift en zien ze zich ver van U verwijderd, ook al bent U in het lichaam aanwezig. Laten we daarom Uw lotusvoeten aanbidden, o Heer. (45) Zij [Uw voeten] kunnen niet worden gezien door hen die, verkerend onder de invloed van de materiële wereld, door hun zintuiglijke waarneming vervreemd zijn van het innerlijk waarnemen o Allerhoogste. Maar o Grootheid, voor hen die wel de [innerlijke] visie hebben is er het spel en vermaak van Uw goddelijk handelen. (46) O Heer, zij die er serieus bij betrokken zijn bereiken eenvoudig door te drinken van de nectar van de verhalen de volle rijpheid van de toegewijde dienst, de ware betekenis van de verzaking, de intelligentie waarin zij snel de spirituele levenssfeer bereiken waar aan de dwaasheid en de indolentie een einde is gekomen [Vaikunthha]. (47) Ook voor anderen die van bovenzinnelijke realisatie  zijn in de yoga waarin men de machtige materiële natuur overwint, bent U de ene, vredestichtende Oorspronkelijke Persoon waarin zij binnengaan. Maar terwijl dat voor hen een zware opdracht is, is dat voor zij die U dienen niet het geval. (48) O Oorspronkelijke Heer, om die reden zijn we allen aan U verplicht. Aangezien we voor het heil van de schepping der wereld de één na de ander werden geschapen en in het verleden van elkaar werden gescheiden als gevolg van wat we deden naar gelang de werking van de drie geaardheden, raakten we verstrikt in onze eigen genoegens en waren we zodoende niet in staat U saamhorig te dienen. (49) O Ongeborene, leidt ons in het op de juiste tijd brengen van onze offers waardoor we samen de maaltijd kunnen delen en ook alle andere levende wezens te eten hebben zodat we met het aanbieden van het voedsel ongestoord kunnen eten. (50) O Heer, U bent voor ons goden, de godsbewusten en onze orden, de ene en dezelfde oorspronkelijke en eigenlijke persoon. U o Heer bent, hoewel U ongeboren bent, voor de materiële energie de oorzaak van de guna's en het karma, gelijk het zaad dat wordt ingebracht voor het verwekken van de soorten. (51) O Allerhoogste Ziel, zeg ons wat wij, die allen werden geschapen van en voor de totaliteit van de kosmos, voor U zouden moeten doen en gun ons in het bijzonder de visie van Uw persoonlijke plan. Schenk ons het vermogen, o Heer, te werken en te handelen overeenkomstig Uw speciale genade voor ons [van statusoriëntaties en hun overstijging].'


 

Hoofdstuk 6: De Manifestatie van de Universele Gedaante

(1) De wijze [Maitreya] zei: 'En zo werd de Heer geplaatst voor het feit dat de vooruitgang van wat er geschapen was in het universum tijdelijk was opgehouden bij een gebrek aan samenhang tussen Zijn verschillende vermogens [zie 3.5: 48]. (2) Toen ging Hij tegelijkertijd met Zijn oppermachtige vermogen dat bekend staat als Kâlî, de godin van de kracht der vernietiging, al de drieëntwintig elementen binnen [de vijf elementen en hun kwaliteiten, de vijf organen van handelen en de zintuigen en de drie vormen van individueel bewustzijn: geest, intelligentie en ego; vergelijk 2.4: 23]. (3) Dat later binnengaan van de Allerhoogste Heer in de vorm van de kracht der materie, Kâlî, zette afzonderlijk de levende wezens aan het werk waarbij ze uit hun onbewuste staat werden opgewekt tot hun karma. (4) Toen de drieëntwintig hoofdelementen aldus door de wil van God tot [samenhangende] actie werden opgewekt, bracht hun combinatie de manifestatie voort van Zijn volkomen expansie van de Oorspronkelijke Persoon [in de vorm van de Universele Gedaante]. (5) Op het moment dat Hij er aldus in binnenging met Zijn volkomen expansie [van de materiële kracht] transformeerden al de elementen van de schepping die elkaar daarin toen vonden tot de werelden van het organische en anorganische. (6) Hij, de Oorspronkelijke Persoon, deze [Garbhodakas'âyî] Vishnu genaamd Hiranmaya, verbleef voor de tijd van duizend hemelse jaren [één zo'n jaar is 360 jaar voor de mens] samen met alles wat behoorde tot Zijn goedheid in het eivormige universum dat werd gedragen door de [causale] wateren.

(7) Met de inhoud van dat ei, het geheel van de gigantische persoon, aan het werk gezet door Zijn goddelijke Zelf vol van Zijn [vrouwelijke] kracht, verdeelde Hij aldus Zichzelf in één [bewustzijn], drie [identificaties van het zelf] en tien [activiteiten]. (8) Deze oneindige uitgebreidheid vormt het zelf van de levende wezens, de eerste incarnatie en het volkomen deelaspect van de Superziel, waarop het geheel van hen allen tezamen floreert. (9) Het drievoudige van het gigantische hangt samen met de drie aspecten van âdhyâtmika [het zelf met zijn zintuigen en de geest], âdhidaivika [de natuur met al haar goden] en âdhibhautika [de anderen en wat zich meer aan de zinnen voordoet], het tienvoudige heeft betrekking op de [organen van de] levenskracht [de prâna: de handen, de voeten, de anus, de geslachtsorganen, de ogen, de neus, de oren, de tong, de huid en de mond; zie brahma sûtra 2.4: 5-6] en het enkelvoudige verwijst naar het hart. (10) De Heer voorbij de zinnen die Zich het gebed herinnerde van de godheden van het universum verlichtte met Zijn eigen straling [aldus] de gigantische gedaante ter wille van hun begrip. (11) Luister nu naar mijn beschrijving van de vele verschillende wegen der halfgoden die zich toen vanuit Zijn overweging manifesteerden.

(12) Er manifesteerde zich een mond en toen dat gebeurde was het de god van het vuur die onder de bestuurders van de materiële wereld zijn plaats innam tezamen met zijn vermogen: het spraakorgaan waarmee men zich uitdrukt in woorden. (13) Er verscheen een verhemelte. Het was de verblijfplaats van Varuna [de god van de wateren] die in [het lichaam van] de Heer onder de bestuurders van de materiële wereld zijn positie innam tezamen met zijn vermogen: het lichaamsdeel van de tong waarmee men proeft. (14) Toen verschenen de neusvleugels, waar de  twee As'vinî Kumâra's zich ophouden met de reukzin waarmee men geur kan ervaren [zie ook 2.1: 29 en 2.5: 30]. (15) Er verschenen ogen in de gigantische gedaante die plaats boden aan Tvashthâ, de god van het licht en het gezichtsvermogen waarmee vormen kunnen worden waargenomen. (16) Toen vertoonde zich de huid van de gigantische gedaante, een positie die werd ingenomen door Anila, de heerser over de lucht die met de macht van de adem de tastzin mogelijk maakt. (17) Met het zich manifesteren van de oren van de gigantische gedaante werd die positie ingenomen door de godheden van de windrichtingen [de Digdevatâ's] met het vermogen te horen waarmee geluiden worden waargenomen. (18) Daarna manifesteerde zich van de gigantische gedaante de [beharing van de] huid voor de heersende goddelijkheid van [de kruiden en planten met] het vermogen te voelen middels de haren waarmee jeuk wordt ervaren. (19) Toen de genitaliën van de gigantische gedaante verschenen nam het eerste levende wezen [Brahmâ, de Prajâpati] zijn positie in met de functie van het zaad waarmee het [seksueel] genot wordt ervaren. (20) Er vormde zich een anus in de oorspronkelijke belichaming die plaats bood aan de god Mitra met de functie van uitscheiding waarmee men zich ontlast. (21) Met de manifestatie van de handen van de Universele Gedaante nam de koning van de hemel Indra zijn positie in met het vermogen te handelen waarmee men zich in zijn levensonderhoud kan voorzien. (22) De benen die zich in de grote gedaante vormden werden bezet door Vishnu, de godheid van het vermogen zich te verplaatsen waarmee men zijn reisbestemming bereikt. (23) Met het zich vormen van de intelligentie van de Universele Gedaante trad de godheid Brahmâ,  de Heer van het gesproken woord naar voren met de macht van het inzicht waarmee men tot begrip komt. (24) Vervolgens manifesteerde zich het hart van  het Universele Wezen waarin Candra, de god van de maan, zijn positie innam met de functie van de mentale activiteit waardoor men zich verliest in gedachten. (25) Vervolgens ontwikkelde het ik-besef zich in de Universele Gedaante waarin [Heer Rudra heersend over] de vereenzelviging met het lichaam [het 'valse ego'] zijn plaats heeft met de functie van het karma waarmee men overgaat tot concrete handelingen. (26) Wat volgde was de manifestatie van de spirituele essentie der goedheid in de gigantische gedaante waarin de volledigheid [van de mahat-tattva] zijn plaats vond met de macht van het bewustzijn waarmee men de wijsheid cultiveert.

(27) Uit het hoofd van de kosmische gedaante kwamen de hemelse werelden voort, de aardse werelden uit Zijn benen en de ruimte ontstond uit Zijn buik. In die gebieden vertonen zich de verlichte zielen en de andere levende wezens die het resultaat vormen van de werking der drie geaardheden. (28) Door het oneindig goede [van sattva] vonden de goden hun plaats in de hemelen terwijl al de menselijke wezens die op aarde de aard van hun hartstocht [rajas] volgen aan hen ondergeschikt zijn. (29) Zij die behoren tot de derde soort treft men vanwege hun aard [van tamas] aan als de metgezellen van Rudra in het bereik van de atmosfeer - de navel van de Heer - dat zich bevindt tussen de andere twee.

(30) De spirituele wijsheid ontsproot aan de mond van de Universele Gedaante, o aanvoerder van de Kuru dynastie. Degenen die zich tot deze wijsheid aangetrokken voelen vormen de leiding [de belangrijkste varna] van de samenleving. Zij, de brahmanen, zijn de erkende leraren en spirituele woordvoerders [de goeroes]. (31) De macht om de burgers te beschermen manifesteerde zich uit de armen [van de gigantische gedaante]. De beoefenaars van die macht [de kshatriya's of bestuurders] zijn de volgelingen [van de brahmanen] en vrijwaren, als vertegenwoordigers van de Hoogste Persoonlijkheid, de andere klassen van de ondeugd van storende maatschappelijke elementen. (32) Ter wille van de productie en distributie van de goederen voor het levensonderhoud manifesteerde zich uit de dijen van de Almachtige de handelsgemeenschap [de vais'ya's], wiens beroep eruit bestaat in de behoeften van ieder mens te voorzien. (33) Uit de benen van de Opperheer manifesteerde zich de dienstverlening die van essentieel belang is voor het vervullen van alle heilige plichten. Het is van oudsher het beroep van de arbeider [de s'ûdra] waardoor de Heer tevreden wordt gesteld [*]. (34) Om hun ziel te zuiveren aanbidden middels hun beroepsmatige bezigheden al deze klassen van de samenleving onder leiding van hun geestelijk leraar met geloof en toewijding de Heer uit wie ze samen met hun plichten voortkwamen.

(35) O Vidura, wie denkt er nu een volledige beschrijving te kunnen geven van de goddelijke aard, de werking en het persoonlijke zelf van het kosmisch lichaam dat de Allerhoogste Heer manifesteerde vanuit de kracht van Zijn innerlijk vermogen [yogamâyâ]? (36) O broeder, niettemin zal ik een beschrijving geven voor zover mijn intelligentie dat toestaat en de kennis reikt die mij ter ore kwam over de heerlijkheden van de Heer die ons zuiveren, want zonder ons uit te spreken [over Hem] verdolen we in onwaarheid. (37) Men zegt dat Hij die alle beschrijvingen te boven gaat wordt bereikt met besprekingen over de Hoogste Persoonlijkheid die historisch vroom werden overgedragen ter wille van de verheerlijking van Zijn handelingen. Ook is het oor het best gediend met de nectar van de bovenzinnelijke boodschap zoals die [in geschrift] werd verschaft door de geleerden. (38) Mijn zoon, werden de heerlijkheden van de Opperziel door de oorspronkelijke poëet [Brahmâ] gekend toen zijn intelligentie een duizendtal hemelse jaren had gerijpt in meditatie? (39) Daarom, als zelfs zij die bedreven zijn in het creëren van illusies geen weet hebben omdat zij - zowel als de zelfvoldane [de Schepper] in eigen persoon - in de ban verkeren van het begoochelend vermogen van de Allerhoogste Heer, wat kan  je dan verwachten van anderen? (40) Hem die buiten ons bereik ligt en die noch voor ons ego, onze geest en onze woorden, noch voor de desbetreffende goden grijpbaar is, bieden wij onze eerbetuigingen.'


*: S'astri Gosvâmî merkt in dit verband op dat de arbeider, de s'ûdra, een belangrijke plaats inneemt onder de klassen in de samenleving. Van de purushârtha's, de vier burgerdeugden, behartigt de brahmaan de moksha, de bevrijding. De kshatriya behartigt de regulatie van de zinsbevrediging, kâma, en de vaishya is er voor de distributie van de welvaart, artha. Maar de arbeider maakt in feite de religiositeit, de dienst aan God van alle plichtsbetrachting mogelijk. Hij die gewoon ten dienst staat, is net zo belangrijk voor het dharma.




Hoofdstuk 7: Verdere Vragen van Vidura

(1) S'rî S'uka zei: 'Op die manier met Maitreya Muni pratend, formuleerde de geleerde zoon van Dvaipâyana Vyâsa, Vidura, respectvol een verzoek. (2) Vidura zei: 'O brahmaan, de Opperheer is de onveranderlijke Ene van het volkomen geheel. Hoe kan ondanks het feit dat Hij zich buiten de geaardheden bevindt Zijn spel en vermaak plaatsvinden van handelen met de geaardheden der natuur? (3) Jongens die met andere jongens willen spelen zijn geestdriftig wat betreft hun spel, maar in welk opzicht is dat anders met iemand die aan zichzelf genoeg heeft en te allen tijde onthecht is? (4) De schepping van dit universum werd teweeggebracht door het begoochelend vermogen van de Heer zelve dat de drie geaardheden in gang zette. En door haar handhaaft en vernietigt hij het universum ook weer. (5) Hoe kan Hij, het Zuivere Zelf wiens bewustzijn nimmer wordt versluierd door plaats of tijd, door eigen toedoen, door anderen of door wat zich manifesteerde [als de natuur], nu [in de normale positie van een levend wezen verkeren en] verwikkeld zijn in onwetendheid? (6) Hoe kan de Ene Opperheer die aanwezig is in ieder bereik van de levens [in alle kshetra's] van al de levende wezens [zie ook B.G. 13: 3] nu op karmisch bepaald ongeluk en tegenstand stuiten? (7) O wijze door de onwetendheid waaraan ik lijdt bezorgt mijn geest mij moeilijkheden. O allergrootste, verdrijf daarom de grote onzuiverheid van mijn denken.'

(8) S'rî S'uka zei: 'De wijze aldus ertoe aangezet door Vidura in zijn ijver om erachter te komen hoe het zat, deed verbaasd en gaf toen zonder aarzeling een godsbewust antwoord. (9) Maitreya zei: 'Het is met elkaar in tegenspraak om te beweren dat de Fortuinlijke enerzijds onder de invloed van de materiële illusie verkeert en dat Hij anderzijds vrij is van onvolkomenheden en gebondenheid. (10) Van een dergelijke tegenstrijdigheid omtrent de ziel raakt een mens het spoor bijster, het is dan alsof men van buitenaf zichzelf ziet met het hoofd eraf gehakt. (11) Zoals door de kwaliteit van water de erin gespiegelde maan rimpelt, vormt de kwaliteit van het lichaam een drogbeeld voor de getuige die ervan verschilt. (12) In dit bestaan neemt dat [begoocheld zijn] geleidelijk aan af als men, ten gunste van de Fortuinlijke geestelijk verenigd zijnd in de toewijding [in bhakti-yoga], bij de genade van Vâsudeva tewerk gaat in onthechting. (13) Als de zinnen, van de waarnemende ziel die betrokken raakt in transcendentie tot de Heer, op die manier hun bevrediging vinden, is het volledig gedaan met de misère alsof men van een gezonde nachtrust heeft genoten. (14) Als men al een einde kan maken aan allerlei soorten van ellende door eenvoudig te luisteren naar de herhaalde verklaringen over de kwaliteiten van Murâri [Krishna als de vijand van Mura], wat kan men dan wel niet verwachten van het, zoals het hart het ingeeft, dienen in het stof van Zijn lotusvoeten?'

(15) Vidura zei: 'O almachtige, u hebt mijn twijfels bestreden met het wapen van uw overtuigende bewoordingen o Heer, nu is mijn geest wat betreft beide [God en het levend wezen], o allerhoogste, tot een volmaakte eenheid gekomen. (16) O geleerde, u hebt volkomen gelijk als u stelt dat [redeneren vanuit] de begoochelende energie van de Heer voor de ziel niet het juiste pad vormt; het bewijst zich als zijnde betekenisloos zonder de basis van het Allerhoogste waarbuiten men het eenvoudig bij het verkeerde eind heeft. (17) In deze wereld geniet zowel de onwetende dwaas als hij wiens intelligentie terugkeerde naar de bovenzinnelijke positie het geluk, terwijl de personen die zich daartussen bevinden lijden. (18) Nu dat ik inzicht heb en overtuigd ben van het feit dat als men zich baseert op uiterlijkheden men de essentie mist, men de ziel mist, ben ik met het dienen van uw voeten in staat af te zien [van het verkeerde idee dat de Allerhoogste onderhevig zou zijn aan illusie]. (19) In het dienen van de Persoonlijkheid van God die de onversaagde vijand van de demon Madhu is, ontwikkelt men, in verschillende relaties [râsa's] tot de voeten, de intensiteit die het leed verdrijft. (20) Van hen die het er slecht van afbrengen qua versobering ziet men zelden dat ze zich op het pad van dienst bevinden naar het Koninkrijk Gods [Vaikunthha] alwaar de Heer zonder ophouden door de goden wordt verheerlijkt als de heerser over alle levende wezens.

(21) Na de schepping van eerst het volledige van de materiële energie, manifesteerde zich in een geleidelijk proces van differentiatie [evolutie] de Universele Gedaante tezamen met de zintuigen en organen waarin later de Almachtige binnenging [voor Zijn incarnaties]. (22) Hij die de oorspronkelijke persoon wordt genoemd heeft duizenden ledematen, benen en handen en herbergt al de werelden van het universum met al het leven wat daarop zijn bestaan heeft. (23) U verklaarde hoe er drie verschillende soorten van leven zijn [naar de geaardheden] waarin men tien soorten van levenskracht met de [vijf] zinnen en hun [vijfvoudig] belang heeft. Beschrijf alstublieft nu voor me wat de specifieke capaciteiten zijn van de maatschappelijke onderverdelingen. (24) In dezen [in deze onderverdelingen] heeft, met de zonen, kleinzonen en familieleden van de verschillende generaties, dat vermogen zich uitgespreid in verschillende vormen van bestaan. (25) Wie zijn de oorspronkelijke stamvaders [de Prajâpati's] die door hun oorspronkelijke leider [Brahmâ] tot ontwikkeling werden gebracht? Wat zijn de generaties van de vaders der mensheid en welke generaties volgden op hen?  En welke Manu's heersten over de verschillende manvantara's [culturele tijdperken]? (26) Welke werelden bevinden zich boven de aardse werelden en welke eronder, o zoon van Mitrâ? Beschrijf alstublieft wat hun posities en afmetingen zijn en ook wat de maten en verhoudingen zijn van de aardse werelden. (27) Vertel me wat de generaties en onderafdelingen zijn van de onmenselijke, menselijke en bovenmenselijke levende wezens, zoals geboren uit eieren, uit baarmoeders, uit vocht [micro-organismen] en uit de aarde [de planten]. (28) Wees zo goed de incarnaties overeenkomstig de geaardheden der materiële natuur te beschrijven ter wille van de schepping, handhaving en vernietiging van het universum [Brahmâ, Vishnu en S'iva] en de grootse activiteiten van de Persoonlijkheid van God die samenleeft met de Godin van het Fortuin [S'rînivâsa] die de  uiteindelijke toevlucht vormt.

(29) Wat zijn de verdelingen van maatschappelijke status [varna] en de geestelijke orde [âs'rama] en wat zijn hun uiterlijke kenmerken, hoe gedragen ze zich en wat is hun wezensaard? Wat zijn de geboorten en handelingen van de wijzen en wat zijn de verdelingen van de Veda? (30) Wat o meester zijn al de plechtigheden van het offeren en wat zijn de verschillende wegen van de yogaperfecties, van de analytische studie der kennis en van het zich verhouden tot de Persoonlijkheid van God met regulerende beginselen? (31) Welke wegen bewandelen de ongelovigen en wat zijn hun onvolkomenheden? Welke plaats bekleden zij die uit gemengde huwelijken voortkomen en wat is de levensbestemming van de vele verschillende soorten individuele zielen naar gelang de geaardheden die ze volgen en de soorten van arbeid die ze verrichten? (32) Hoe zijn de verschillende belangen van de religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en verlossing, de middelen van bestaan, de regels van de wet, de schriftuurlijke voorschriften en de verschillende regulerende beginselen met elkaar in evenwicht te brengen? (33) O brahmaan, wat zijn de regelingen voor de [S'râddha] periodieke offerplechtigheden om de overledenen te eren en om wat de voorvaderen tot stand brachten te respecteren? En hoe zijn de tijden ingesteld met achting voor de posities van hemellichten als de planeten en de sterren? (34) Wat mag men verwachten van liefdadigheid, boetedoening en het aanleggen van vergaarbekkens en wat zijn de voorgeschreven plichten van iemand die van huis weg is of van een man die zich in gevaar bevindt? (35) Alstublieft beschrijf voor me, o zondeloze, hoe Hij die de Allerhoogste Persoon is, de Vader van de Religie en de Heerser over Allen, volledig kan worden tevredengesteld en wie van ons zou dat dan kunnen? (36) O beste onder de brahmanen, de geestelijk leraren die zo genadig zijn voor de behoeftigen vertellen hun toegewijde leerlingen en zonen zelfs dat waar ze niet om vroegen. (37) O allerhoogste meester, hoeveel vernietigingen [of eindtijden] bestaan er voor de elementen der natuur? Wie zijn zij die dan gered worden en wie zijn zij die [vol lof zijnde] Hem dan mogen dienen? En wie mag zich met Hem verenigen als Hij zich ten ruste legt? (38) En wat is de wezensaard en identiteit van zowel de individuele persoon als het Allerhoogste, wat is het leidmotief van de Vedische wijsheid en wat beweegt de goeroe en zijn leerlingen? (39) Onberispelijke toegewijden spreken van deze bron van kennis in de wereld. Hoe zou iemand nu uit zichzelf kennis kunnen hebben van de toegewijde dienst en de onthechting?

(40) Ik stelde al deze vragen in het verlangen kennis te nemen van het spel en vermaak van de Heer. Alstublieft beantwoord ze als een vriend voor mij [en ieder ander] die in zijn onwetendheid het zicht heeft verloren met de uitwendige energie. (41) O onberispelijke wijze, de verzekering van een angstvrij bestaan die we krijgen van iemand als u is in geen enkel opzicht te vergelijken met de bevrijding geboden door al de Veda's, offers, boetedoeningen en liefdadigheid.'

(42) S'rî S'uka zei: 'Met deze vragen van de voornaamste onder de Kuru's was hij [Maitreya], de eerste onder de wijzen die zo goed thuis was in de verhalen [Purâna's], zeer ingenomen en gaf hij aldus aangespoord tot de onderwerpen betreffende de Heer, Vidura met een glimlach antwoord.'



Hoofdstuk 8: Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu

(1) S'rî Maitreya zei: 'De afstammelingen van Koning Pûru zijn vererenswaardig omdat hun koningen in hoofdzaak de Hoogste Persoonlijkheid zijn toegewijd; en met u die ook geboren bent in deze opeenvolging van toegewijde activiteit voor de Onoverwinnelijke, wordt er stap voor stap [met iedere vraag die u stelt]  steeds weer een nieuw licht op de zaak geworpen. (2) Laat me dan nu dit Bhâgavatam bespreken, dit Vedisch supplement dat oorspronkelijk door de Allerhoogste Heer persoonlijk werd uitgesproken voor de wijzen ter verzachting van het grote lijden van de mensen die zo weinig geluk ervaren.

(3) De zoon van Brahmâ [Sanat-kumâra] deed, als de leider van de grote wijzen [de vier kind-heiligen, de Kumâra's], net als u wat betreft de waarheid aangaande de Oorspronkelijke Persoonlijkheid navraag bij Heer Sankarshana [het eerste volkomen deelaspect en de eerste metgezel van de Heer] die Zich onverschrokken in de kennis ophoudt aan de basis van het universum. (4) Hij had in die positie met Hem die men met de hoogste achting Vâsudeva noemt, Zijn blik inwaarts gekeerd, maar ter aanmoediging van de hoogst geleerde wijzen opende Hij direct Zijn lotusgelijke ogen een beetje. (5) Met de haren op hun hoofden nat van het water van de Ganges beroerden ze de toevlucht van Zijn lotusvoeten die door de dochters van de slangenkoning met grote toewijding en verscheidene parafernalia wordt aanbeden in het verlangen naar een goede echtgenoot. (6) Bekend met Zijn spel en vermaak verheerlijkten ze met woorden en met veel gevoel ritmisch overeenstemmend herhaaldelijk Zijn handelingen terwijl zich vanuit de duizenden van opgeheven kragen [van Ananta, de slangenkoning] de stralende gloed verspreidde van de edelstenen op hun duizenden helmen. (7) O Vidura, naar verluid besprak Hij toen de strekking van het Bhâgavatam met Sanat-kumâra die de [yoga]gelofte der verzaking had afgelegd en het, op verzoek, verder vertelde aan Sânkhyâyana die eveneens de eed had afgelegd. (8) Toen de grote wijze Sânkhyâyana als de belangrijkste der transcendentalisten die dit Bhâgavatam reciteren er [daarna] uitleg aan gaf, waren de geestelijk leraar Parâs'ara die ik volgde alsmede Brihaspati er bij aanwezig. (9) Er toe aangezet door de wijze Pulastya vertelde hij [Parâs'ara] mij welgezind deze allerbelangrijkste onder de Purâna's welke ik op mijn beurt voor u zal uitspreken, mijn beste zoon, daar u een immer trouwe volgeling bent.

(10) Toen de drie werelden waren verzonken in het water lag Hij [Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin neergevleid met vrijwel gesloten ogen op het slangenbed Ananta zonder iets anders te willen dan de voldoening van Zijn innerlijk vermogen. (11) Zoals de macht van het vuur verborgen is in hout verbleef Hij daar in het water en hield Hij al het bestaande in het subtiele van Zijn bovenzinnelijk lichaam vanwaaruit Hij leven geeft in de vorm van de Tijd [kâla]. (12) Voor de duur van duizend keer vier yuga's [4.32 miljard jaar] lag Hij met Zijn innerlijk vermogen te rusten ter wille van de verdere ontwikkeling - middels Zijn kracht genaamd kâla [tijd] - van de werelden van de levende wezens die afhankelijk zijn van vruchtdragende handelingen. Die rol deed Zijn lichaam er blauwkleurig uitzien [het blauw van de toevlucht van het levengevend water]. (13) Overeenkomstig de bedoeling van Zijn innerlijke aandacht voor de subtiele kwestie, was er na de nodige tijd door de materiële activiteit van de geaardheden der natuur, de agitatie [van de oersubstantie] die toen zeer subtiel uit Zijn buik [uit de ether] tevoorschijn brak. (14) Met de Tijd die het karma in gang zette, verscheen daarmee [met die agitatie] spoedig uit het oorspronkelijke zelf [van Vishnu] een lotusknop die net als een zon de uitgestrekte wateren verlichtte middels zijn gloed.

(15) Die lotusbloem van feitelijk het universum ging Vishnu persoonlijk binnen als het reservoir van alle kwaliteiten van waaruit, zo zegt men, Hij in den beginne de persoonlijkheid der Vedische wijsheid, de heerser van het universum die de uit zichzelf geborene is voortbracht [Brahmâ]. (16) Hij [Brahmâ] in dat water gezeten op de werveling van de lotus was niet in staat de wereld te onderscheiden en al rondspiedend in de vier richtingen kreeg hij aldus zijn vier hoofden. (17) [Brahmâ] gezeten op en behoed door de lotusbloem die vanwege de stormlucht aan het einde van de yuga uit de roerige wateren was verschenen, kon in zijn verbijstering het mysterie van de schepping niet doorgronden noch begrijpen dat hij de eerste halfgod was. (18) 'Wie ben ik die bovenop deze lotus zit? Waar kwam deze lotus vandaan? Er moet iets onder het water zitten. Hier aanwezig zijn houdt in dat dat waaruit het zijn bestaan vond er ook moet zijn!' (19) Op deze wijze zich bezinnend op de steel van de lotus, kon hij door dat kanaal in het water te volgen naar de navel [van Vishnu], ondanks dat hij daar binnen ging en uitvoerig over de oorsprong nadacht, de basis niet doorgronden. (20) In het duister tastend o Vidura gebeurde het dat met zijn contemplatie op deze manier de enormiteit van het driedimensionale van de tijd tot stand kwam [tri-kâlika] die als een wapen [een cakra] de belichaamde, ongeboren ziel vrees inboezemt door zijn levensduur tot een honderdtal jaren te beperken [vergelijk 2.2: 24-25].

(21) Toen hij het doel dat hij zich gesteld had niet bereiken kon gaf de godheid de onderneming op en ging hij weer op de lotus zitten om vol vertrouwen daar stap voor stap zijn adem te beheersen, zijn geest terug te trekken en zijn bewustzijn te verenigen in meditatie. (22) Met het voor de duur van zijn leven [aldus] beoefenen van yoga ontwikkelde de zelfgeborene mettertijd het begripsvermogen en zag hij hoe zich in zijn hart vanzelf dat manifesteerde wat hij voordien niet kon waarnemen. (23) Op het bed van de volledig witte gigantische S'esha-nâga [slang] lotusbloem lag de Oorspronkelijke Persoon geheel alleen neer onder de overkapping van de slangenkraag die was bedekt met de hoofdsieraden waarvan de gloed de duisternis in het water der vernietiging verdreef. (24) Het panorama van Zijn handen en benen, juwelen, bloemenkrans en aankleding overtrof het groene koraal van de avondschittering van de zon boven de grote gouden bergtoppen met hun watervallen, kruiden, bloemen en bomen. (25) Met de schoonheid van de hemelse gloed van de ornamenten die Zijn lichaam sierden dekte de gehele lengte en breedte  van de uitgestrektheid van Zijn bovenzinnelijke aanwezigheid het totaal van de drie werelden in al hun diversiteit.

(26) Overeenkomstig het verlangen van het menselijk wezen dat in de aanbidding van Zijn lotusvoeten - die belonen met alles waarnaar verlangd wordt - het pad der toegewijde dienst volgt, toonde Hij in Zijn grondeloze genade met de maangelijke glans van Zijn teen- en vingernagels de prachtigste [bloem]verdeling. (27) Met Zijn gelaatsuitdrukking beantwoordend aan ieders verdienste, verdrijft Hij het leed van de wereld met de betovering van Zijn glimlachen, de pracht van Zijn oorsieraden, het licht gereflecteerd van Zijn lippen en de schoonheid van Zijn neus en wenkbrauwen. (28) Beste Vidura, Zijn middel was fraai gesierd met een gordel en stof met de saffraankleur van kadambabloemen; er was een kostbare halsketting en op Zijn borst was er het aantrekkelijke S'rîvatsa teken [een paar witte haren]. (29) Zoals de bomen in de wereld hun eigen bestaan hebben en met hun duizenden takken hun grote waarde [aan bloemen en vruchten] tentoonspreiden alsof  ze gesierd zijn met kostbare juwelen, is ook de Heer, de heerser van Ananta, [Garbhodakas'âyî Vishnu] getooid met de kragen boven Zijn schouders. (30) De Opperheer vormt als een berg omringd door water de verblijfplaats voor alles wat zich rondbeweegt en niet beweegt en als de vriend van Anantadeva met zijn duizenden gouden helmen [en juwelen] manifesteert Hij zich daarbij met Zijn Kaustubhajuweel als een bergketen van goud in de oceaan. (31) Omringd door de bloemenkrans van Zijn eigen heerlijkheden in de vorm van de lieflijke, fraaie klanken der Vedische wijsheid was de Heer van de zon, de maan, de lucht en het vuur [zo zag Brahmâ toen] zeer moeilijk te bereiken omdat Hij, vechtend voor de plicht, Zich rondbewoog door de drie werelden. (32) En zo kon het gebeuren dat de godheid van het universum, de schepper van het lot, het meer van Zijn navel kon aanschouwen, de lotusbloem, de wateren der vernietiging, de lucht met zijn winden en de hemel, maar dat hij zijn blik niet kon werpen voorbij het geschapene van de kosmische manifestatie. (33) Met de reikwijdte van die visie raakte hij als het zaadbeginsel van alle wereldse handelingen geïnspireerd door de geaardheid hartstocht en bad aldus, in overweging van de zich enthousiast voortplantende levende wezens, ervoor te scheppen ten dienste van de Aanbiddelijke der transcendentie op het pad van de standvastige ziel.'

 

Hoofdstuk 9: Brahmâ's gebeden voor het Creatief Vermogen

(1) Brahmâ zei: 'Vandaag, na een lange tijd [van boeten], heb ik U leren kennen en kan ik zeggen dat het heel spijtig is als levende wezens geen kennis hebben van Uw optreden als de Allerhoogste Heer. Er is niemand die U overtreft mijn Heer, en alles wat er de schijn van heeft kan nooit het absolute zijn, want U bent [de transcendentie van] de grotere werkelijkheid voor de geaardheden van de materiële energie die zijn evenwicht verloor. (2) Die [grote] gedaante is altijd vrij van de duisternis der materie omdat U in den beginne ter wille van de toegewijden Uw innerlijk vermogen manifesteerde, het vermogen dat de bron is van de honderden avatâra's en waaruit ook ikzelf op de lotusbloem die aan Uw navel ontsproot mijn bestaan vond. (3) O mijn Heer, hier voorbij [aan deze bron] zie ik geen andere die superieur is aan Uw eeuwige gedaante vol van gelukzaligheid die vrij is van verandering en verlies van vermogen. U bent de enige echte Schepper van de kosmische manifestatie en de onstoffelijke Allerhoogste Ziel Zelve. Ik die zo trots ben in de identificatie met het lichaam en de zinnen zoek mijn toevlucht bij U. (4) Die gedaante, of hoe U Uw aanwezigheid dan ook vormt, is alleszins gunstig voor het gehele universum en bevorderlijk voor onze meditatie, en U, Allerhoogste Heer die Zich manifesteerde voor ons toegewijden, biedt ik mijn eerbetuigingen. Voor U volbreng ik dat wat door personen wordt verwaarloosd die in hun voorkeur voor het materiële recht op de hel afstevenen. (5) Maar zij die vasthouden aan de smaak en geur van Uw lotusvoeten die wordt meegevoerd door de geluiden van de Veda die hun oren bereikt, aanvaardden door hun toegewijde dienst Uw bovenzinnelijke weg. Voor hen die Uw toegewijden zijn is er nimmer de scheiding van U [geplaatst] op de lotus van hun harten o Heer. (6) Tot dat het geval is zal er angst zijn vanwege de weelde, het lichaam en de verwanten, en zal het weeklagen en het verlangen, alsook de begeerte en de minachting groot zijn. Tot die tijd, zolang de mensen van de wereld niet hun toevlucht zoeken tot de geborgenheid van Uw lotusvoeten zal men, ondernemend overeenkomstig het vergankelijke idee van iets te bezitten, vol van zorgen zijn. (7) Hoe onfortuinlijk zijn zij die beroofd zijn van de heugenis van Uw onderwerpen! In beslag genomen door ongeluk en verstoken van gezond verstand, handelen ze naar hun begeerten en vinden ze slechts kortstondig geluk. Het zijn arme stakkers wiens geesten beheerst worden door bezitsdrang en wiens handelingen vol van stress zijn. (8) Hun steeds geplaagd zijn door [neurotische] honger, dorst en hun drie afscheidingen [slijm, gal en lucht], winter en zomer, wind en regen en vele andere verstoringen alsook door een sterke seksuele aandrang en een onvermijdelijke boosheid, zie ik alles bij elkaar als geestelijk hoogst ondraaglijk, o Man van de Grote Stappen, dat doet me veel verdriet. (9) Zolang iemand onder de invloed van de materiële illusie een dienaar is van zijn zintuigen en zich geplaatst ziet voor een afgescheiden  bestaan in een lichaam o Fortuinlijke, zal o Heer, zo iemand er niet toe in staat zijn het rad van herhaalde wedergeboorten in de materiële wereld te boven te komen. Hoewel het werken voor uiterlijke resultaten feitelijk van geen betekenis is [voor de ziel], zal het hem onophoudelijk ellende bezorgen. (10) Gedurende de dag zijn ze bezig met stressvolle arbeid en 's nachts lijden ze onder slapeloosheid vanwege hun gepieker dat steeds hun intelligentie en slaap verstoord. De goddelijke orde frustreert hun plannen en ook de wijzen o mijn Heer, die zich tegen Uw onderwerpen keerden zullen blijven ronddolen in deze wereld. (11) Op U gericht voor honderd procent verenigd in toewijding, met U verblijvend op de lotus van hun harten, zien de toegewijden die zich op het pad van het luisteren bevinden, o mijn Heer,  hoe U, in het hier en nu, in Uw grondeloze genade precies die bovenzinnelijke gedaante manifesteert die ze van U, die door zovelen wordt verheerlijkt, in gedachten hebben. (12) U bent nooit echt tevreden met de pompeuze vertoningen met alles erop en eraan van hooggeplaatste dienaren die van aanbidding zijn met harten vol van allerlei soorten van verlangens. Want U, de zo verschillend waargenomen Ene en Unieke Weldoener, de Superziel in het hart van de levende wezens, bent er om alle levende wezens Uw grondeloze genade te tonen en kan niet worden bereikt door hen die zich richten op wat door mensen is geschapen en tijdelijk is [asat]. (13) De juiste, onvergankelijke handelwijze [het dharma] om zich op te fixeren is daarom de aanbidding die door de mensen wordt volbracht met verschillende vruchtdragende handelingen, vormen van liefdadigheid, zware boetedoeningen en bovenzinnelijke dienstverlening om enkel U de Fortuinlijke te behagen.

(14) Ik breng U, de Allerhoogste, mijn eerbetuigingen die Zich altijd, in het genieten van het spel en vermaak van Zijn kosmische schepping, vernietiging en behoud, onderscheidt door de heerlijkheden van Zijn bovenzinnelijke gedaante. U, de Transcendentie die men zich realiseert door intelligent om te gaan met de illusoire verscheidenheid, breng ik mijn eerbetuigingen. (15) Ik neem mijn toevlucht tot de Ongeborene wiens namen, die staan voor Zijn nederdalingen, bovenzinnelijke kwaliteiten en handelingen, de weg openen naar de onsterfelijkheid. Als ze, al is het maar onbewust, worden aangeroepen ten tijde van het verlaten van dit leven, nemen ze terstond alle zonden weg die zich van vele, vele levens ophoopten zodat men Hem bereikt. (16) Hij de Almachtige Persoonlijkheid die om redenen van de schepping, handhaving en vernietiging [deze wereld] doordringt met drie stammen - ik, S'iva en Hemzelf - groeide wortelend in de ziel als de enige ware voor de vele takken [der religie]. Hem, de Persoonlijkheid van God, deze boom van het systeem der werelden, breng ik mijn eerbetuigingen. (17) Zolang de mensen van de wereld bezig zijn met ongewenste activiteiten en in de handelingen van hun eigenbelang de door U gunstig verklaarde toegewijde activiteiten minachten, zal de strijd om het bestaan van deze mensen zeer hard zijn en onder het gezag van Uw Waakzaamheid [in de vorm van de Tijd] op een janboel uitlopen. Moge er mijn eerbetuiging zijn voor U. (18) Zelfs ik die besta in een plaats die twee parârdha's lang voortbestaat [2 x 50 jaar, waarvan één dag en nacht twee maal 4.32 miljard aardse jaren duurt: 311.04 biljoen jaar], gerespecteerd wordt in al de werelden en voor vele jaren zware boetedoeningen heb ondergaan voor mijn zelfrealisatie, vrees U. U biedt ik mijn respectvolle eerbetuigingen mijn Heer, o Hoogste Persoonlijkheid en genieter van alle offers. (19) In het verlangen Uw plicht te doen spreidt U bij de genade van Uw wilsbesluit zich projecterend in de verschillende levensvormen van de dieren, de mensen en de goden Uw bovenzinnelijk spel en vermaak tentoon. Daarbij verkeert U ondanks het manifesteren van Uw Goddelijke gedaante nimmer onder de invloed van de materie. Mijn eerbetuigingen voor die Heer van de Volheden, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (20) En ook de onwetendheid [avidya] die zich op vijf manieren doet kennen [zie verder 3.12: 2] raakt U niet. Integendeel, U bent zo welgezind temidden van de gewelddadige reeksen golven in het water op het slangenbed in contact te staan [met Ananta S'esha] en te sluimeren met al de werelden die U in Uw buik draagt ter wille van hun behoud. En daarmee laat U de [intelligente] mens Uw geluk zien. (21) Hem door wie ik vanuit het lotushuis dat ontspringt aan de navel tot stand kwam met de bedoeling om Hem, de Aanbiddelijke met Zijn genade bij te staan in de schepping van de drie werelden, Hij die het universum in Zijn buik heeft en wiens ogen na het beëindigen van Zijn yogasluimer bloesemen als lotussen, biedt ik mijn eerbetuigingen.

(22) Moge hij, de Heer van alle universa, die ene vriend en filosoof, de Superziel die als de Allerhoogste Heer van de zes volheden [schoonheid, intelligentie, boetvaardigheid, macht, roem en rijkdom] het geluk schenkt middels de geaardheid goedheid, mij de macht der introspectie vergunnen zodat ik als voorheen in staat zal zijn dit universum te creëren als een overgegeven ziel die Hem lief is. (23) Tot deze begunstiger van de overgegeven ziel die met de godin van het fortuin [Lakshmî] geniet van wat Hij ook maar tentoon moge spreiden vanuit Zijn innerlijk vermogen met het aanvaarden van Zijn incarnaties van de goedheid, bidt ik dat ik, begiftigd met Zijn omnipotentie, van dienst mag zijn en dat ik, ondanks de materiële emoties van mijn hart, er ook toe in staat zal zijn er weer mee op te houden. (24) Ik bidt dat ik, die als de energie van het totale universum werd geboren uit het meer van de Allerhoogste Persoon Zijn navel ter wille van de manifestatie van de verscheidenheid van Zijn onbegrensde macht, niet zo onfortuinlijk zal zijn de geluidstrillingen van de Vedische waarheid kwijt te raken. (25) En moge Hij, de Allerhoogste Heer die eindeloos genadevol is in Zijn opperste liefde en glimlachen, Zijn lotusogen openen zodat de kosmische schepping op kan bloeien en de heerlijkheid vinden als Hij met Zijn zoete woorden als de oudste en Oorspronkelijke Persoon onze neerslachtigheid wegneemt.'

(26) Maitreya zei: 'Nadat hij aldus met het gadeslaan van de bron van Zijn verschijnen boetvaardig, vol van kennis en met een geconcentreerde geest naar zijn beste vermogen aandacht had besteed aan de woorden van zijn gebed, viel hij stil alsof hij moe was. (27-28) Toen Madhusûdana [Krishna als de doder van Madhu] de oprechtheid van Brahmâ zag en hoe terneergeslagen hij was over de verwoestende wateren van het tijdperk en in dubio verkeerde over de posities van de verschillende werelden, sprak Hij tot hem in diepe, betekenisvolle bewoordingen teneinde zijn zorgen weg te nemen.'

(29) De Opperheer zei: 'Jij begiftigd met de diepgang van alle Vedische wijsheid, wanhoop niet over de onderneming der schepping. Dat waar je jezelf toe hebt gezet en voor bidt, heb ik reeds geregeld. (30) Om zeker te zijn van Mijn ondersteuning moet je jezelf er als vanouds toe brengen boete te doen en de principes van de waarheid te behartigen. Door die kwaliteiten zal je de hele wereld in je hart geopenbaard zien, o brahmaan. (31) Dan, als je je verbonden in de toewijding geheel hebt verdiept in het universum, zal je zien dat Ik Mij er overal in bevindt, o Brahmâ en dat jij met inbegrip van al de werelden en al de levensvormen, deel van Mij uitmaakt. (32) Als je Mij in alle levende wezens en in het universum ziet als betrof het vuur in hout, zal je zonder twijfel datzelfde moment in staat zijn de zwakheid achter je te laten. (33) Zo gauw je vrij bent van het grove en subtiele zelf en je zinnen niet meer onder de invloed verkeren van de geaardheden der natuur, zal je, Mij benaderend, je zuivere essentie [svarûpa] zien en het koninkrijk der hemelen genieten. (34) Met jouw verlangen de verscheidenheid aan diensten uit te breiden en de bevolking eindeloos te doen toenemen, zal je ziel nooit bedroefd zijn in deze aangelegenheid omdat aan Mijn genade geen grenzen gesteld zijn. (35) Jij bent de oorspronkelijke wijze; de verraderlijke geaardheid der hartstocht zal je nooit bekruipen omdat, ondanks dat je nageslacht genereert, je denken altijd tot Mij beperkt zal zijn. (36) Hoewel Ik voor de geconditioneerde ziel moeilijk te kennen ben, word Ik vandaag door jou gekend omdat je begrijpt dat Ik niet een product ben van de materie, de zinnen, de geaardheden of de verbijstering van het zelf. (37) Ik toonde Mij vanbinnenuit aan jou toen je in het overwegen van de bron van de lotus via zijn stengel in het water Mij probeerde te achterhalen. (38) Jouw gebeden voor Mij, o Brahmâ, handelend over Mijn verhalen met een opsomming van Mijn heerlijkheden of over je boete en geloof, mag je allemaal zien als het resultaat van Mijn grondeloze genade. (39) Moge alle zegen op jou rusten die in je verlangen bad voor de victorie van al de werelden door zo fraai Mijn kwaliteiten en Mijn transcendentale positie te beschrijven. Je hebt Mij er zeer mee behaagd. (40) Een ieder die regelmatig deze verzen bidt zoals weergegeven zal door zijn aanbidding zeer spoedig al zijn verlangens vervuld zien, daar Ik de Heer van alle zegening ben. (41) Door met goede werken, boetedoeningen, offers, liefdadigheid en verzonkenheid in yoga Mij tevreden te stellen, zal het menselijk wezen zich verzekeren van zijn uiteindelijke succes zo luidt de mening van hen die de Absolute Waarheid kennen. (42) Omdat Ik  de Superziel ben, de bepaler van alle andere zielen en de meest dierbare van alles wat dierbaar is zou men al zijn gehechtheid aan Mij moeten opdragen. Want de liefde die men  heeft voor zijn lichaam en andere zaken heeft men aan Mij te danken. (43) Breng nu, met de beheersing van je kennis van de Veda en met je lichaam, die beiden rechtstreeks hun bestaan aan de [Super]ziel ontlenen, zoals te doen gebruikelijk de levens voort van allen die in Mij toegewijde gehechtheid moeten vinden.'

(44) Maitreya zei: 'Na hem, de schepper van het universum, aldus te hebben geïnstrueerd, verdween de voorwereldlijke, oorspronkelijke Heer in Zijn persoonlijke Nârâyanagedaante uit het zicht.'


Hoofdstuk 10: De Afdelingen van de Schepping

(1) Vidura zei: 'Hoeveel levende wezens werden door de almachtige grootvader van alle schepselen op deze planeet geschapen vanuit zijn lichaam en geest, nadat de Hoogste Persoonlijkheid was verdwenen? (2) Met het oog op alles waar ik naar gevraagd heb, o machtige, wees zo goed ze me allemaal van het begin tot het eind te beschrijven, o hoogst geleerde persoon; wees zo genadig al mijn twijfels weg te nemen.' "

(3) Sûta zei [zie Canto 1]: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de grote wijze, de zoon van Kushâra [Maitreya] aldus gestimuleerd door Vidura, voelde zich tevredengesteld en gaf sprekend vanuit zijn hart antwoord op de vragen.

(4) Maitreya zei: 'Brahmâ verrichtte aldus voor het heil van de ziel voor een honderdtal hemelse jaren boete zoals hem dat gezegd was door de Ongeboren Allerhoogste Heer. (5) Hij die op de lotus zijn bestaan gevonden had zag toen hoe de lotus waarop hij zat en het water eromheen werden bewogen door de wind die werd aangewakkerd door de kracht van de eeuwige Tijd. (6) Omdat door zijn boete zijn bovenzinnelijke kennis en zelfbewustzijn was toegenomen was zijn praktisch inzicht gerijpt, en met dat vermogen nam hij de wind tezamen met het water in zich op. (7) Toen hij zag hoe uitgebreid de lotus was waarop hij zich bevond dacht hij bij zichzelf: 'Ik zal hiermee [met deze lotus in het Tijdbewogen water] al de werelden die voorheen in mij zijn opgegaan weer tot leven wekken.' (8) Nu hij er door de Opperheer toe was aangemoedigd tot actie over te gaan, ging hij de werveling van de lotus binnen en verdeelde hij het geheel in drie hoofdafdelingen die hij over veertien onderafdelingen verdeelde [zie ook 2.5: 42]. (9) Deze verschillende leefomstandigheden van de individuele zielen vormen samen de consequentie van de [meerdere of mindere mate van] onzelfzuchtige plichtsvervulling jegens de Hoogste Persoonlijkheid.'

(10) Vidura zei: 'Toen u de keuze aan verschillende gedaanten van de Heer, de wonderbaarlijke acteur, besprak had u het over de eeuwige tijd als een van Zijn namen. O brahmaan, kan u alstublieft beschrijven hoe de tijd zich feitelijk laat kennen o meester, wat zijn zijn kenmerken?'

(11) Maitreya zei: 'Hij [de Eeuwige Tijd] vormt de bron van de verschillende [organische en anorganische] interacties van de natuurlijke geaardheden, hij is onverdeeld en onbegrensd en vormt het instrument van de Oorspronkelijke Persoon die middels Zijn spel en vermaak het materiële leven van de ziel gestalte geeft. (12) Tijd [kâla] is het verborgen, onpersoonlijke aspect van God door middel waarvan de kosmische schepping in de vorm van de materiële energie werd gescheiden van de Opperheer als Zijn objectieve manifestatie, als het fenomenale dat door Vishnu's begoochelend vermogen werd gevestigd. (13) Zoals hij [de Eeuwige Tijd] er is in het heden, was hij er in het begin en zal hij er hierna zijn.

(14) De conditionering [of schepping] die er door plaatsgreep wordt in negenen gedeeld overeenkomstig zijn materiële veranderingen [of geaardheden: hartstocht, goedheid en onwetendheid],  overeenkomstig de materiële kwaliteiten van de eeuwige tijd [beweging, kennis en onbeweeglijkheid] en naar gelang de drie soorten van verval mettertijd [het einde van de mensen, de dieren en de onbeweeglijke afdeling der planten en de rest van het universum]. (15) De eerste [de mahat-tattva, van de goedheid] wordt gevormd door het geheel van de schepping dat voortkwam uit de Heer met de interactie van de drie geaardheden. De tweede [van de hartstocht] is die van het ik-besef [of ego] waaruit materiële voorwerpen, materiële kenmerken en materiële activiteiten volgden. (16) De derde soort van schepping is dat wat werd geschapen als een mengvorm van de materie [der onwetendheid] en [in de vorm van levende wezens] van zintuiglijke waarneming is. Ten vierde zijn er de goederen voor de zintuigen die de praktische basis vormen van de materiële kennis. (17) De wisselwerking [de beweging] met de geaardheid goedheid en de geest die er uit voortkomt resulteert in de godheden [die over de zintuigen heersen en] die de vijfde soort van schepping vormen. Ten zesde is er dan de duisternis van de schepping [de traagheid der materie] die van meesters dwazen maakt. (18) Dit zijn de zes primaire materiële scheppingen. Verneem nu van mij over de drie secundaire scheppingen [van plant, dier en mens] voortgebracht door de almachtige incarnatie van de geaardheid hartstocht [Brahmâ] die de Heer Zijn intelligentie vormt.

(19) De zevende hoofdafdeling van de schepping betreft de zes soorten van wezens die niet uit zichzelf bewegen: bomen die vruchten dragen zonder bloemen, planten en struiken die bestaan totdat de vrucht is gerijpt, de klimplanten, de gewassen met een holle stengel, planten die opklimmen zonder steun en de bloesemende vruchtbomen. (20) Deze wezens voeden zich van bovenaf en zijn vrijwel onbewust met enkel een innerlijk voelen en bestaan uit vele soorten. (21) De achtste schepping wordt gevormd door de lagere diersoorten. Er zijn er achtentwintig verschillende en men gaat ervan uit dat ze geen kennis hebben van hun lot, buitengewoon onwetend zijn, zaken onderscheiden middels de reuk en van een gebrekkige gewetensfunctie zijn. (22) O allerzuiverste, de koe, de geit, de buffel, de antiloop, het zwijn, de gavaya [een soort van os], het hert, het schaap en de kameel hebben allen gespleten hoeven. (23) De ezel, het paard en het muildier, de gaura, de s'arabha-bison en het wilde rund hebben slechts één teen. O Vidura, laat me je nu vertellen over de dieren met vijf nagels. (24) Dat zijn de hond, de jakhals, de vos, de tijger, de kat, het konijn, het sajâru-stekelvarken, de leeuw, de aap, de olifant, de schildpad, de iguana ['vier-benige slang'], de krokodil en dergelijken. (25) De reiger, de gier, de kraanvogel, de havik, de bhâsa [een ander soort aaseter], de bhallûka, de pauw, de zwaan, de sârasa [indische kraanvogel], de cakravâka, de kraai, de uil en meer van hen zijn de vogels. (26) Van de negende soort die [ook] zijn buik vult, o Vidura, is er slechts één type: de mensen. Bij hen staat de geaardheid hartstocht voorop. Ze hebben het heel druk met [het terugdringen van] hun misère, maar beschouwen zich altijd als heel gelukkig.

(27) Deze drie secundaire scheppingen zijn met inbegrip van de schepping der halfgoden [als een extra categorie], mijn beste, in tegenstelling tot de andere scheppingen die ik beschreef [overeenkomstig de geaardheden en hun kwaliteiten], onderhevig aan aanpassingen [aan mutaties ofwel aan een evolutie], maar de zonen van Brahmâ [de brahmanen, de Kumâra's] zijn van beide [d.w.z. ze passen zich fysiek aan, maar veranderen niet in kwaliteit]. (28-29) De schepping van de halfgoden bestaat uit acht soorten: (1) de zelfgerealiseerde zielen, (2) de voorvaderen, (3) de atheïsten, (4) de transcendentale wezens, de engelen en de heiligen, (5) de beschermers en de giganten, (6) de hemelse zangers, (7) de leidgeesten voor het goede en het kwade en de hemelbewoners en (8) de bovenmenselijke wezens en dergelijken. Alle tien soorten van scheppingen die ik je beschreef o Vidura, zijn geschapen door Brahmâ, de schepper van het universum. (30) Hierna zal ik de verschillende nakomelingen van de Manu's bespreken en hoe de Schepper, bewogen door de geaardheid hartstocht, in de verschillende tijdperken met een feilloze vastbeslotenheid zijn scheppingswerk doet met achting voor de Allerhoogste Heer die, middels Zijn eigen energie, vanuit Zichzelf ten tonele verschijnt als Zichzelf.'


Hoofdstuk 11: De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend vanuit het Atoom

(1) Maitreya zei: 'Men moet weten dat de uiteindelijke waarheid van dat wat zichzelf in het vele toont als het ondeelbare, een oneindig klein deeltje [paramânu] is waarvan de combinatie [in verschillende vormen] illusie verwekt in de mens. (2) De opperste eenheid van dat deeltje dat aanwezig is in de materiële vormen behoudt zijn oorspronkelijke gedaante tot het einde der tijden, het is van een eeuwigdurende, onovertroffen uniformiteit. (3) En zo kan, mijn beste, de tijd worden afgemeten aan de beweging van zowel de kleinste als de grootste vormen van deeltjescombinaties waarvan de Allerhoogste, ongemanifesteerde Heer de grote kracht is die alle fysieke actie beheerst. (4) De atoomtijd is de tijd die door een oneindig klein deeltje in beslag wordt genomen in het zich uitstrekken over [of vibreren in] een bepaalde atomaire ruimte. De allergrootste tijd is de tijd die in beslag genomen wordt door het bestaan van het geheel van alle atomen.

(5) Twee oneindig kleine deeltjes vormen een atoom [een anu] en drie atomen vormen een trasarenu waaraan men wordt herinnerd met een straal zonlicht vallend door het latwerk van een raam waarin men iets [een stofdeeltje] in de lucht naar boven ziet bewegen. (6) De tijd in beslag genomen door de combinatie van drie trasarenu's wordt een truthi genoemd [1/16.875 seconde] waarvan er honderd een vedha worden genoemd. Drie van hen worden een enkele lava genoemd. (7) De tijdsduur van drie ervan staat gelijk aan één nimesha [± 0.53 seconde] en de tijd van drie van hen heet een kshana [± 1.6 seconde], vijf daarvan staan voor een kâshthhâ [± 8 seconden] en een laghu bestaat uit vijftien van hen [± 2 minuten]. (8) Precies vijftien van die laghu's wordt een nâdikâ [of danda van ± 30 minuten] genoemd en twee van hen vormen één muhûrta [ongeveer een uur] terwijl zes tot zeven van hen een yâma vormen [een kwart van een lichtdag of een nacht] afhankelijk van de menselijke berekening [het seizoen of de breedtegraad]. (9) Het meetvat [de waterklok] heeft een gewicht van zes pala's [± 4 ons] met een vier mâsha [17 karaats] gouden peilstift van vier vingers lang die een gat bedekt waardoor het zich vult met water tot de volgende zonsopgang. (10) Vier yâma's beslaan de duur van zowel de dag als de nacht van het menselijk wezen en vijftien dagen [van acht yâma's elk] vormen één pakshah [periode van twee weken] welke men gemeten kent als zijnde ofwel zwart ofwel wit [afhankelijk van het feit of er een volle maan dan wel een nieuwe maan in optreedt]. (11) Het samenstel van zo een 'dag' en 'nacht' wordt een voorouderlijke [traditionele of solaire] maand genoemd waarvan een tweetal een seizoen vormt. Zes van hen [resp. 'koude' of hemanta, 'dauw' of s'is'ira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grîshma, 'regen' of varshâs en 'herfst' of s'arad, gerekend vanaf de 22e december] stroken met de beweging van de zon gaande door de noordelijke en zuidelijke hemel. (12) Deze beweging van de zon wordt gezegd één dag van de halfgoden te vormen en wordt een vatsara genoemd [een tropisch jaar] van twaalf maanden. De levensduur van het menselijk wezen wordt geschat op een groot aantal [een honderdtal] van dergelijke jaren [zie ook de 'volledige kalender van orde'].

(13) De oneindig kleine deeltjes en hun combinaties, de planeten, de hemellichamen [zoals de maan] en de sterren, draaien allen rond in het universum om in een jaar terug te keren in het Almachtige [cyclische] van de eeuwige tijd. (14) We spreken van een omloop van de zon alsook van de omloop van een planeet, de omloop van onze sterren [in ons sterrenstelsel rond Sagittarius A in de hemel], de omloop van de maan en de omloop van de aarde, o Vidura, als zijnde één enkel [maar verschillend benoemd] jaar [resp. een sterrenjaar, een planetair jaar, een galactisch jaar, een lunatie en een tropisch jaar]. (15) Men moet de Ene [Heer van de Tijd] die verschillend van al het geschapene Zich roert onder de naam van de Eeuwige Tijd, die middels Zijn energie op verschillende manieren de zaden van de schepping tot leven wekt en die gedurende de dag de duisternis verdrijft, respect betonen met achting voor al Zijn vijf verschillende typen van  jaren, zodat men aldus door offers te brengen kwaliteit teweegbrengt in het materieel bestaan.'

(16) Vidura zei: 'U gaf de uiteindelijke tijdmaat aan van  de levensperioden van de verheven levende wezens gevormd door de voorvaderen, de goden en de mensen. Kan u, o grote geleerde, nu een beschrijving geven van de tijdsperioden die meer dan een millennium beslaan? (17) O machtige van de Geest, u kent de bewegingen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van de eeuwige tijd, want u hebt in de beheersing van de yoga de ogen van een zelfgerealiseerde waarmee u het gehele universum kan zien.'

(18) Maitreya zei: 'De vier yuga's [tijdperken of millennia] genaamd Satya, Tretâ, Dvâpara en Kali beslaan tezamen ongeveer [één mahâyuga van] 12.000 godenjaren [welke ieder uit 360 vatsara's bestaan]. (19) De opeenvolgende yuga's beginnende met Satya-yuga zijn respectievelijk ieder vier, drie, twee en één maal 1.200 halfgodenjaren lang. (20) Experts zeggen dat de overgangsperioden aan het begin en einde van iedere yuga verschillende honderden godenjaren beslaan en dat dat de millennia zijn [zoals het millennium waarin we nu leven] waarin allerlei soorten van religieuze activiteiten plaatsvinden. (21) Het volledige plichtsbesef van de mensheid wat betreft zijn vier principes der religie [die van satya, dayâ, tapas, s'auca; waarheid, mededogen, boete en zuiverheid] werd gedurende Satya-yuga naar behoren nageleefd, maar in de andere yuga's namen de principes geleidelijk aan de één na de ander af [eerst boete, dan mededogen, dan zuiverheid] met het meer en meer toestaan van het niet-religieuze. (22) Naast het duizendtal [mahâ-]yuga's  die samen één dag van Brahmâ [van 4.32 miljard jaar] uitmaken van de uiterlijke werkelijkheid van de drie werelden [de hemelse, svarga; aardse, martya en lagere, pâtâla werelden], o mijn beste, is er ook een nacht die net zo lang is en waarin de Schepper van het universum zich te rusten legt. (23) Na het einde van de nacht als een andere dag van Heer Brahmâ zijn aanvang neemt, begint de schepping van de drie werelden die in totaal de levens van veertien Manu's beslaat, weer van voren af aan. (24) Iedere Manu geniet een tijd van leven van iets meer dan eenenzeventig [mahâ-]yuga's.

(25) Na iedere Manu verschijnt de volgende ten tonele zoals ook tezelfdertijd zijn afstammelingen,  de zeven wijzen, de godsbewusten en de koning der halfgoden [Indra] tezamen met iedereen die hen volgen. (26) Dit is Heer Brahmâ's schepping van dag tot dag waarin de lagere dieren, de menselijke wezens, de voorvaderen en de halfgoden zich door de drie werelden bewegen op basis van hun karma. (27) Telkens als de ene Manu de ander opvolgt spreidt de Allerhoogste Heer Zijn goedheid ten toon in Zijn verschillende incarnaties, als de Manu Zelve en als anderen, en handhaaft Hij met het zich ontvouwen van Zijn goddelijke vermogens dit universum. (28) Aan het einde van de dag [van Brahmâ] staakt de Hoogmogende Tijd zijn manifestatie en verkeren, met het geheel vervallen in duisternis, alle levende wezens opgegaan in stilte. (29) Voorzeker moeten daarna al de werkelijkheden van de drie werelden die de nacht van Brahmâ binnengingen, precies zoals dat is met een gewone nacht, het stellen zonder het schijnsel van de zon en de maan. (30) Als de drie werelden in vuur en vlam gezet zijn door de kracht van het vuur dat voortkomt uit de mond van Heer Sankarshana [zie 3.8: 3], bewegen Bhrigu en andere wijzen zich geteisterd door de hitte van de wereld van de heiligen [Maharloka] naar de wereld van de godmensen [Janaloka, de volgende wereld van de celibataire heiligen, zie 2.5: 38]. (31) Direct na de aanvang van de verwoesting van de drie werelden stromen al de zeeën over met overdadige, gewelddadige winden en orkanen die de golven opstuwen. (32) In het water wordt de Heer die daar met Zijn gesloten ogen op het bed van Ananta in Zijn mystieke sluimering neerligt verheerlijkt door de bewoners van de werelden der godsbewuste mensen.

(33) Aldus is er teloorgang in de loop van de tijd van deze dagen en nachten waarin zijn [Heer Brahmâ's] leven op een einde loopt. [Zijn leven komt ten einde in honderd jaren] zoals dat ook met onze levens gebeurt, ook al duurt het [in zijn geval] een honderdtal van zijn jaren [die samen twee parârdha's duren of twee maal 155.5 biljoen menselijke jaren, zie ook 3.9: 18]. (34) De eerste helft van zijn tijd van leven genaamd één parârdha is voorbij en nu zijn we in dit tijdperk begonnen met de tweede helft. (35) De superieure eerste helft begon met een grootse kalpa genaamd de Brâhma-kalpa waarin Heer Brahmâ zich manifesteerde die men kent als de [bron der] Vedische klanken. (36) Aan het einde van die kalpa kwam wat men de Pâdma-kalpa noemt tot stand waarin aan het waterbekken van de navel van de Heer de lotus van het universum ontsproot. (37) De huidige kalpa aan het begin van de tweede helft, o afstammeling van Bharata, wordt gevierd als die van Vârâha waarin de Heer verscheen in de gedaante van een everzwijn [zie 1.3: 7]. (38) De tijd afgemeten aan de twee helften van Brahmâ's leven beslaat voor de ongeboren, onveranderlijke en onbegrensde Ziel van het universum slechts een kort moment. (39) Deze eeuwige tijd die vanaf het allerkleinste deeltje reikt tot de uiteindelijke tijdsduur van twee parârdha's, is nimmer bepalend voor de Allerhoogste Heer, hij is de heerser over hen die zich met het lichaam identificeren. (40) Als een combinatie van de basiselementen en hun transformaties heeft dit manifeste universum zich uitgebreid tot een diameter van een half miljard [yojana's - een dynamische kosmische maat]. (41) [De ruimte van de oneindig kleine deeltjes, de oerether, pradhâna] breidde zich uit tot het tienvoudige [van de omvang van de zich eruit condenserende basiselementen en hun transformaties] die verschijnend als atomen er in binnengingen om samen te clusteren tot vele andere lagere universa [of sterrenstelsels]. (42) Die oorzaak aller oorzaken [waarin men al de universa aantreft] wordt de onvergankelijke Absolute Waarheid genoemd, het bovenzinnelijk verblijf van de rechtstreekse, persoonlijke manifestatie van de Opperziel: Heer Vishnu.'

Zie ook de pagina: "S'rîmad Bhâgavatam & Bhagavad Gîtâ Tijdcitaten".


Hoofdstuk 12: De Schepping van de Kumâra's en Anderen

(1) Maitreya zei: 'Tot dusverre heb ik u de glorie van de Superziel onder de naam van kâla beschreven, o Vidura, probeer nu van me te begrijpen hoe de bron der Veda's [Brahmâ] de dingen schiep zoals ze zijn.

(2) Allereerst ontstond er [van vijf soorten van onwetendheid:] het idee dat men zou sterven [andha-tâmisra], vervolgens was er verongelijktheid [tâmisra] toen was er de hunkering der zotheid [mahâ-moha], daarop de begoocheling met fouten [zoals het zich met het lichaam identificeren en dergelijke, moha] en tenslotte was er het duister van de onwetendheid omtrent het eigen handelen [tamas]. (3) Toen hij [Brahmâ] een dermate problematische schepping voor zich zag, had hij geen hoge dunk van wat hij gedaan had en vond toen, na zich gezuiverd te hebben door te mediteren op de Allerhoogste Heer, de geest voor een andere. (4) De zelfgeborene schiep toen Sanaka, Sananda, Sanâtana en Sanat-kumâra, [de Kumâra's] die vrij van alle vruchtdragende handelingen overgegeven celibatairen zijn ['zij wiens zaad opwaarts gaat']. (5) Hij zei hen vanbinnenuit: 'O mijn zoons, plant je voort', maar ze wilden dat niet, omdat ze in hun toewijding voor de Allerhoogste Heer zich op de weg bevonden van de principes der bevrijding. (6) Niet gerespecteerd door zijn zoons die weigerden de opdracht uit te voeren, deed hij zijn best de woede te beheersen die toen in hem opwelde. (7) Ondanks de meditatieve beheersing van de oorspronkelijke vader kwam er vanuit zijn woede rechtstreeks van tussen zijn wenkbrauwen een kind ter wereld  dat een kleur had die bestond uit een combinatie van rood [staande voor hartstocht] en blauw [staande voor onwetendheid]. (8) Het kind riep luidkeels naar de vader van al de goden: 'O machtige heerser van het lot, wijs me mijn namen toe en zeg me wat mijn plaatsen zijn o leraar van het universum.'

(9) Hij, de almachtige geboren uit de lotus, ging in op dat verzoek en suste het kind met de woorden: 'Schreeuw maar niet, ik zal doen wat je wilt. (10) O belangrijkste der halfgoden, omdat je als een jongen zo heftig een keel opzette, zullen de mensen je aanspreken met de naam Rudra. (11) Het hart, de zinnen, de levensadem, de ether, de lucht, vuur en water, aarde en de zon, de maan en ook de verzaking vormen samen de plaatsen die voor jou bestemd zijn. (12) Je namen zijn: Manyu, Manu, Mahinasa, Mahân, S'iva, Ritadhvaja, Ugraretâ, Bhava, Kâla, Vâmadeva en Dhritavrata. (13) Dhî, Dhriti, Rasalâ, Umâ, Niyut, Sarpi, Ilâ, Ambikâ, Irâvatî, Svadhâ en Dîkshâ zijn, o Rudra, je elf echtgenotes [de Rudrânî's]. (14) Aanvaard deze verschillende namen en plaatsen en de vrouwen die erbij horen en verwek nageslacht met hen op grote schaal, aangezien je de meester van de levende wezens bent.' (15) Aldus geïnstrueerd door zijn eigen geestelijk leraar, bracht de machtigste van de vermenging van blauw en rood de generaties voort die, dezelfde kracht, verschijning en furieuze natuur bezaten als hij.  (16) Maar toen hij zag wat de zonen die door Rudra waren voortgebracht allemaal deden en hoe hun eindeloze aantallen samen het hele universum in beslag namen, werd de vader van de levende wezens bang. (17) 'O beste der halfgoden, [zei hij,] je hebt genoeg van dit soort levende wezens tot stand gebracht. Ze verschroeien met het laaiend vuur van hun ogen alle windrichtingen en mij erbij. (18) Ga boete doen, dat zal je goed doen en alle levende wezens geluk brengen. Alleen door boete te doen zal je het universum tot stand kunnen brengen zoals het was. (19) Alleen door te boeten kent een persoon het hoogste licht en kan hij volledig zijn in zijn respect voor de Opperheer voorbij de zinnen die in ieders hart verblijft.'

(20) Maitreya zei: 'Aldus geïnstrueerd door de zelfgeborene omliep hij [Rudra] de meester der Veda's terwijl hij 'Zo zij het' zei. Vervolgens begaf hij zich in het woud om boete te doen.  (21) Vastbesloten tot schepping over te gaan verwekte hij [Brahmâ] die door de Aanbiddelijke was toegerust met het vermogen, toen tien zonen teneinde de wereld te bevolken: (22) Marîci, Atri, Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu, Vasishthha, Daksha met als de tiende Nârada. (23) Nârada kwam voort uit zijn schoot, Daksha kwam uit de duim voort, uit de levensadem zag Vasishthha het licht, terwijl Bhrigu voortkwam uit zijn aanraking en de wijze Kratu uit zijn hand. (24) Pulaha kwam voort uit de navel, Pulastya uit de oren, de grote wijze Angirâ uit de mond, uit de ogen kwam de wijze Atri voort en de wijze Marîci verscheen uit zijn geest. (25) Uit de rechter zijde van de borst, waar Nârâyana huist, manifesteerde zich de religie terwijl de ongelovigheid, waardoor de wereld de verschrikkingen van de dood vreest, uit zijn rug verscheen. (26) Uit het hart manifesteerde zich de lust, uit de wenkbrauwen de woede, van tussen zijn lippen de hebzucht, uit de mond kwam de aandrang tot spreken voort terwijl uit zijn penis de oceanen verschenen en uit de anus, het reservoir van alle ondeugd, de laagste activiteiten voortkwamen. (27) Uit zijn schaduw manifesteerde zich Kardama Muni, de echtgenoot van Devahûti. Aldus ontwikkelde zich zowel uit het lichaam als de geest van de meester zich het geheel van dit levende universum van de schepper.

(28) O Vidura, we hoorden dat de dochter Vâk die uit zijn lichaam werd geboren de geest van Brahmâ afleidde en verlangens bij hem opwekte hoewel zij zelf geen lust koesterde.  (29) De zonen, de wijzen met Marîci aan het hoofd, die toen zagen dat zijn geest zich in de greep van het amorele bevond, spraken zich met het nodige respect als volgt uit: (30) 'Dat wat u nu met uw dochter aan het doen bent zonder uw seksuele verlangen te beheersen hebt u, noch iemand anders, ooit gedaan noch zal iemand in de toekomst dat ooit doen, o meester. (31) Zeker is een dergelijke houding niet gepast voor de meest machtige wiens goede gedrag en karakter, o meester van het universum, een voorbeeld vormt dat door de wereld die streeft naar voorspoed wordt nagevolgd. (32) Laten we de Allerhoogste Heer de eer betuigen die vanuit de ziel bij de kracht van Zijn eigen luister deze manifestatie tot stand bracht. Moge Zijn plichtsbetrachting ons allen beschermen.' (33) Met voor ogen zijn zonen die zich aldus tot hem richtten, verliet de vader aller vaders der mensheid die de schuld op zich nam van de mist die overal bekend staat als de duisternis, beschaamd zijn lichaam. (34) Toen de schepper der werelden zich op een goede dag afvroeg hoe hij de drie werelden opnieuw tot stand moest brengen zoals ze voorheen geweest waren, manifesteerde de Vedische literatuur zich uit zijn vier monden. (35) Aldus manifesteerden zich de vier functies van het [op offeren gerichte] handelen [het offer, de offeraar, het vuur en het offeren] en de aanvullingen op de Veda met hun logische gevolgtrekkingen, alsmede de vier principes der religie [waarheid, reinheid, versobering en mededogen] en de spirituele afdelingen [âs'rama's] en afdelingen der roepingen [varna's].'

(36) Vidura zei: 'Kan u, o weelde der verzaking, alstublieft zeggen met welke mond welke Veda werd voortgebracht door de god die de heerser over de scheppers van het universum is?'

(37) Maitreya zei: 'De vier Veda's genaamd Rig-, Yajur-, Sâma- en Atharva Veda kwamen, te beginnen bij de voorkant [oost, zuid, west, noord], ieder uit een van de vier monden tevoorschijn en in dezelfde volgorde volgden de schriftuurlijke beschouwingen [de S'astra voor de Hotâpriester], de rituelen [de Ijya voor de Adhvaryupriester], het recitatiemateriaal [de Stutistoma voor de Udgâtâpriester] en de bovenzinnelijke dienst der verzoening [de Prâyas'citta voor de Brahmâritvik]. (38) Op dezelfde manier werden te beginnen bij de voorste mond in de oostelijke richting de Vedische wetenschappen van de geneeskunde [de Âyurveda], het boogschieten [de Dhanurveda], de muziekwetenschap [de Ghandarvaveda] en de bouwkunst [de Sthâpatyaveda] voortgebracht [die samen de Upaveda's worden genoemd]. (39) Ook werden de Itihâsa's - de  aparte geschiedenissen - en de verzamelingen van klassieke verhalen genaamd de Purâna's, die samen bekend staan als de z.g. vijfde Veda, voortgebracht door de monden van hem die in alle richtingen kan zien. (40) Uit zijn oostelijke mond alsmede uit ieder van de andere monden bracht hij een tweetal offers voort: shodas'î, uktha [uit het oosten], purîshi, agnishthoma [uit het zuiden], âptoryâma, atirâtra [uit het westen] en vâjapeya en gosava [uit het noorden]. (41) Educatie [vidyâ of ook wel zuiverheid s'auca door kennis genoemd], liefdadigheid [dâna], boete [tapas] en waarheid [satya] zijn de vier pijlers van de religie  die tot stand kwamen overeenkomstig hetzelfde aantal levensorden [de studenten, gehuwden, teruggetrokken mensen en de verzakers] en roepingen [de arbeiders, de handelaren, de bestuurders en de intellectuelen]. (42) Toen kwamen er [ter regulatie van de brahmacârî, de celibataire student] de geloften van Sâvitra [drie dagen van celibaat na de heiligedraadceremonie], Prâjâpatya [celibaat voor één jaar], Brâhma [celibaat tijdens de studie van de Veda] en Brihat [levenslang celibaat] en de geloften [ter regulering van het huishoudelijk leven] van Vârtâ [beroepsuitoefening volgens de geschriften], Sañcaya [leiden van plechtigheden], S'âlîna [leven van alles wat zonder te vragen wordt verkregen] en S'îluñcha [leven van wat er overblijft in het veld en op de marktplaats]. (43) [Ook manifesteerden zich zo de aanwijzingen voor] de [vânaprashta's of] teruggetrokken zielen: de vaikhânasa's [die leven van wat in het wild groeit], de vâlakhilya's [zij die hun voorraad opgeven als ze nieuwe granen ontvangen], de audumbara's [die leven van het voedsel dat ze op hun weg vinden] en de phenapa's [zij die leven van vruchten die van de bomen vielen], alsmede [voor] de wereldverzakende orde [van de sannyâsî's die] bestaat uit de kuthîcaka's [kluizenaars met een vaste plek], de bahûdaka's [of de bahvoda's, zij die de voorkeur geven aan kennis boven handelingen], de hamsa's [zij die zich volledig op het pad der bovenzinnelijke kennis bevinden] en de nishkriya's of paramahamsa's [zij die de spirituele wijsheid bereikten en zich onthouden van handelingen]. (44) In dezelfde volgorde verschenen [de vier takken van kennis]: ânvîkshikî [de spirituele kennis der bevrijding], trayî [de kennis der rituelen], vârtâ [technische kennis] en dandanîti [politieke wetenschap]. Zo ook verschenen de vyâhriti's [van de eerste regel en de drie eerste woorden van de Gâyatrî mantra] tezamen met de Pranava [de mantra Aum] die uit zijn hart opwelde. (45) Uit de haren op zijn lichaam kwam ushnik [een bepaald metrum in de poëzie] voort, uit de huid van de machtige kwam de gâyatrî [de drievoet] voort, trishthup [een ander metrum] kwam voort uit zijn vlees, uit de aderen kwam anushthup voort en uit de beenderen van de vader der levende wezens werd jagatî gegenereerd [twee andere metrums]. (46) Uit zijn beenmerg manifesteerde zich pankti terwijl brihatî, voortkwam uit de levensadem [twee vers-soorten]. (47) Zijn individuele ziel manifesteerde zich als de spars'a letters [de harde medeklinkers] van het Sanskriet alfabet [van ka tot ma], terwijl zijn lichaam zich uitdrukte in de Sanskriet medeklinkers [a, â, i, î, u, û, ri, rî, l, e, ai, o, au]. Zijn zinnen worden de dubbelklanken genoemd [s'a, sha sa en ha], zijn kracht toonde zich als de tussenklanken [ya, ra, la en va] en vanuit de innerlijke vreugde van de heer der levende wezens manifesteerden zich de zeven muzieknoten [*]. (48) Het bovenzinnelijke geluid van Zijn Ziel, de Superziel, die zich voorbij het begrip van gemanifesteerd of niet gemanifesteerd zijn bevindt, is de bron van waaruit het Absolute [van de volledige gedaante van Brahmâ], dat bekleed is met vele verschillende energieën, zich volledig manifesteerde.

(49) Nu hij een ander lichaam had aanvaard richtte hij [wederom] zijn aandacht op de zaak der schepping. (50) O zoon van de Kuru's, in de wetenschap dat ondanks het grote, aardse vermogen van de wijzen de bevolking zich niet uitbreidde, wijdde hij zijn hart opnieuw aan deze materie. Hij dacht: (51) 'Helaas, hoe wonderlijk om steeds zo druk bezig te zijn maar er niet in te slagen om het nageslacht tot voortplanting te bewegen! Er moet een bepaalde goddelijke voorbeschikking zijn die me in dezen tegenwerkt.' (52) Terwijl hij aldus zijn situatie overzag en zich erop bezon, manifesteerde zich een tweedeling in zijn lichaam waarvan men zegt dat het de menselijke gedaante is geschapen naar zijn evenbeeld [kâya - 'dat wat hoort bij Ka of Brahmâ']. (53) Zijn gedaante aldus in tweeën verdeeld ging toen op een volmaakte wijze een seksuele relatie aan. (54) De verschijning die van het mannelijk geslacht was werd de volledig onafhankelijke vader der mensheid [de Manu] genaamd Svâyambhuva en de verschijning die de vrouw was raakte bekend als S'atarûpâ; zij was de koningin voor de grote ziel die hij was. (55) Sedertdien vermeerderden door de seksuele activiteit volgens de regulerende beginselen [zie vers 41] zich de geslachten. (56) O beste van allen, in de loop van de tijd verwekte hij in S'atarûpâ vijf kinderen: Priyavrata, Uttânapâda en de drie dochters, o zoon van Bharata, geheten Âkûti, Devahûti en Prasûti. (57) Zij die Âkûti werd genoemd huwde hij uit aan de wijze Ruci, de middelste [Devahûti] schonk hij aan de wijze Kardama en Prasûti werd aan Daksha gegeven. Door hen raakte de gehele wereld bevolkt.'

*: De zeven Vedische muzieknoten zijn: sa, ri, gâ, ma, pa, dha en ni [resp. c, d, e, f, g, a, bes] ookwel genaamd shadja, rishabha, gândhâra, madhyama, pañcama, dhaivata en nishâda.




Hoofdstuk 13: Het Verschijnen van Heer Varâha

(1) S'rî S'uka zei: 'Na te hebben geluisterd naar deze zo heilige woorden van Maitreya Muni o Koning, stelde de beste der Kuru's vol van aanbidding voor de verhalen over Vâsudeva nog meer vragen. (2) Vidura zei: 'O grote wijze, wat deed Svâyambhuva Manu, de koning aller koningen en beminde zoon van Brahmâ, nadat hij zijn liefdevolle echtgenote had gekregen? (3) Wees zo goed me te vertellen over het karakter van deze heilige, oorspronkelijke koning o beste van allen. Ik zou heel graag vernemen over die koning die zijn toevlucht zocht bij Vishvaksena  [de almachtige Heer Vishnu]. (4) Personen die standvastig en met inspanning luisteren naar dat wat uitvoerig wordt verklaard door zuivere toegewijden, zullen dankzij de uitspraken van hen die de lotusvoeten van de Heer der Bevrijding in hun hart plaatsten, de bovenzinnelijke kwaliteit van een trouwe geest vinden.' (5) S'rî S'uka zei: 'Nadat de uiterst bescheiden Vidura, die op zijn schoot de lotusvoeten ontving van Hem met de duizend hoofden, zich aldus had uitgelaten, kreeg hij de complimenten en een antwoord van de wijze van wie in extase de haren overeind stonden in de geest van de woorden over de Allerhoogste Heer.

(6) Maitreya zei: 'Toen Svâyambhuva Manu tezamen met zijn vrouw was verschenen, richtte hij als de vader van de mensheid met gevouwen handen en eerbetuigingen zich tot het reservoir der Vedische wijsheid [Brahmâ]: (7) 'U bent de ene, ware verwekker van alle levende wezens, de vader en bron van het bestaan, maar wij echter die allen uit u werden geboren, vragen ons af hoe wij u van dienst kunnen zijn. (8) Geef ons, met alle respect, o aanbiddelijke, daarvoor aanwijzingen. Wat zijn de verplichtingen die we, voor zover dat in ons vermogen ligt, jegens u hebben? Wat moet men doen voor de roem [Zijn roem] alom in deze wereld en wat om te vorderen naar de volgende wereld?'

(9) Brahmâ zei: 'Ik ben heel tevreden over jou, mijn zoon, moge al mijn zegen op jullie beiden rusten o heer van de wereld, omdat je zonder enige terughoudendheid in je hart jezelf aan mij hebt overgegeven ter wille van mijn instructies. (10) Dit is precies de goede manier o held, om de geestelijk leraar te eren. Zij die een gezond verstand hebben en hun jaloezie de baas zijn behoren naar hun volle vermogen en met de hoogste achting deze instructie te aanvaarden. (11) Zorg jij in die rol daarom bij haar voor kinderen die dezelfde eigenschappen hebben als jij, zodat ze eenmaal geboren over de wereld kunnen heersen met de principes der religie, hun offers brengen en respect oefenen voor de Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (12) Beschouw het beschermen van de levende wezens als de beste manier om mij van dienst te zijn, o heerser over de mensen. Hrishîkes'a, de Opperheer der Zinnen, zal tevreden zijn als je de bewaker van hun levens bent. (13) Het werk van hen die nooit de Allerhoogste Heer Janârdana ['de Heer van alle levende wezens'], het voorwerp van alle offeranden tevredenstelden, is zeker nutteloos daar ze hun eigen zelf als zijnde de Allerhoogste Ziel niet respecteerden.'

(14) Manu zei: 'Ik zal me houden aan wat uw machtige zelf heeft opgedragen, o doder van alle zonde, alstublieft zeg me wat mijn plaats is in deze wereld en wat de plaats is van hen die uit mij geboren zijn. (15) O god van deze planeet, de aarde, de verblijfplaats van alle wezens, is verzonken in de uitgestrekte wateren [van de Garbhodhaka oceaan van het geschapen universum]. Wilt u haar alstublieft naar boven halen?'

(16) Maitreya zei: 'De persoonlijkheid der transcendentie [Brahmâ] die ook zag dat de aarde was ondergedompeld dacht: 'Hoe zal ik haar opheffen?' en dacht er toen een lange tijd als volgt over na: (17) 'Toen ik bezig was met haar schepping, werd de aarde overspoeld door een vloed en raakte ze diep ondergedompeld. Wat kunnen wij die verwikkeld zijn in deze kwestie van het scheppen nu het beste doen? Moge de Heer uit wiens hart ik werd geboren me hierin bijstaan!' (18) Aldus in gedachten verzonken kwam er opeens uit zijn neusgat o zondeloze, een klein zwijntje [Varâha] tevoorschijn dat niet groter was dan het topje van een duim. (19) Toen hij dat zo voor zich zag breidde de gedaante zich op wonderbaarlijke wijze plotseling in de lucht uit, zich omvormend tot het formaat van een gigantische olifant, o zoon van Bharata. (20) Met de gedaante van die zwijnachtige verschijning voor zich probeerde hij toen met Manu, de brahmanen die door Marîci werden aangevoerd en de Kumâra's de zaak op verschillende manieren onder woorden te brengen: (21) 'Wie is dit uitzonderlijke wezen dat zich voordoet als een zwijn? En hoe verwonderlijk dat Hij uit mijn neus tevoorschijn kwam! (22) Het ene moment is Hij slechts zo groot als de top van een duim en direct daarop is Hij zo groot als een megaliet! Zou dit de Opperheer der offers Vishnu zijn? Ik sta versteld!' (23) Terwijl Brahmâ zo met zijn zoons aan het uitweiden was, produceerde de Allerhoogste Heer der Opoffering, de Oorspronkelijke Persoon, een woeste schreeuw alsof Hij wilde aanvallen. (24) Met het ongekende stemgeluid dat in alle richtingen weergalmde verzette de almachtige Heer zowel Brahmâ als de hoog verheven brahmanen in grote vreugde.  (25) Met in hun oren het luide gebrul waarmee de algenadige Heer in de gedaante van een Zwijn aan het persoonlijk leed een einde maakte, hieven de bewoners van Tapoloka, Satyaloka en Janaloka [zie 2.5: 39] toen allen een lofzang aan met de heilige mantra's van de drie Veda's.

(26) Zichzelf heel goed kennend als de gedaante die het resultaat is van de verbreiding van het Vedische geluid dat voortspruit uit de kennis van de autoriteiten der waarheid, brulde Hij nogmaals in reactie op het bovenzinnelijk eerbetoon van de wijzen en intelligenten en ging, speels als een olifant, het water in om hunnentwille. (27) Met Zijn staart in de lucht zwiepend en huiverend met de scherpe en harde haren van Zijn vacht, dreef Hij de wolken met Zijn hoeven uiteen en straalde Hij met Zijn blinkend witte slagtanden Zijn glorie als de Opperheer en Handhaver van de wereld. (28) De aarde met Zijn neus zoekend speurde Hij die het bovenzinnelijk lichaam van een zwijn had aangenomen overal om zich heen en toonde Hij zijn schrikwekkende slagtanden, maar al de brahmanen gingen desondanks over tot gebed toen ze zagen hoe Hij Zijn blik op hen wierp terwijl Hij het water inging. (29) De enorme berg van Zijn lichaam dreef door de kracht van de duik de oceaan uiteen in twee hoge golven waardoor die als met twee armen behept in nood hardop het gebed uitsprak: 'O meester van alle offers, bescherm mij alstUblieft!' (30) Hij als de Meester van alle Offers die met Zijn vlijmscherpe hoeven het water binnendrong vond haar tenslotte toen Hij de grenzen van de grenzeloze oceaan bereikte. Hij zag haar, de weelde van de levende wezens, daar liggen zoals ze altijd geweest was en tilde haar persoonlijk omhoog. (31) Omhoog komend uit het water verscheen Hij die de ondergedompelde aarde ophief met Zijn slagtanden, in Zijn volle glorie. Maar toen moest Hij, gloeiend in een heftige woede Zijn cakra [Zijn werpschijf of wiel] inzetten tegen de demon [Hiranyâksha - 'hij met de gouden ogen'] die zich met een strijdknots in Zijn richting spoedde. (32) Op een onnavolgbare wijze doodde Hij toen vaardig zonder moeite de zich in het water tegenover Hem opgestelde vijand zoals een olifant zich ontdoet van een leeuw en raakten daarbij Zijn kaken en tong met bloed besmeurd als was Hij een olifant die heeft zitten graven in de [roodgekleurde] aarde. (33) En terwijl Hij blauwgekleurd als een tamâla-boom  de aarde omhoog hield op Zijn gekromde slagtanden als was Hij een spelende olifant o Vidura, konden zij die werden aangevoerd door Brahmâ Hem herkennen als de Allerhoogste Heer. Daarop brachten ze Hem met gevouwen handen gebeden uit de Vedische hymnen.

(34) De wijzen zeiden: 'U zij de glorie en victorie o Onoverwinnelijke, U die middels het brengen van offers wordt begrepen. Al onze eerbetuigingen gelden U die met Zijn lichaam schudt dat bestaat uit de drie Veda's en in wiens poriën van de haren op Zijn lichaam deze [Vedische waarheid] verborgen ligt. Wij betuigen U de eer die zich geroepen voelde de gedaante van een Zwijn aan te nemen! (35) O Heer, voor de onverlaten is deze gedaante van U maar moeilijk te zien die men middels het brengen van offers kan aanbidden: met de Gâyatrî en andere mantra's vereert men Uw huid, met het kus'agras [waarop men zit als men mediteert] vereert men de haren op Uw lichaam; met de geklaarde boter [die wordt gebruikt bij het offeren] eert men Uw ogen en met de vier functies van het offeren respecteert men Uw vier poten [zie 3.12: 35]. (36) Uw tong is het offerbord en Uw neusgaten vormen een ander bord, o Heer. In Uw buik herkennen we het bord om van te eten en de gaten van Uw oren vormen ook zo'n bord. Uw mond is het [Brahmâ]bord voor het  geestelijk aspect van het offeren en Uw keel is het bord voor de soma [een rituele drank], maar dat wat U vermaalt met Uw tanden o Allerhoogste Heer, is wat U tot zich neemt middels het offervuur [agni-hotra]. (37) De drie [upasada ishthi's of] inzegeningen vormen samen Uw nek: Uw herhaalde incarnaties vormen de inleidende offers van uitgietingen in het vuur [genaamd de dîkshanîya ishthi], Uw slagtanden vormen het [prâyanîya ishthi] verloop van de inzegening en de [udayanîya ishthi] afsluiting van de inzegening. Uw tong wordt gevormd door de [pravargya] aanheffingen [voor de drie upasada's]. Uw hoofd zijn de vuren zonder offerplechtigheden [satya] en de vuren met offerplechtigheden [âvasatya] en Uw levensadem bestaat uit de combinatie van alle offers. (38) Uw semen is de soma offerande, Uw  stabiliteit respecteert men met de rituelen in de ochtend, de middag en de avond o Heer, de verschillende lagen van Uw lichaam vormen de zeven soorten offers  [zie 3.12: 40] en de gewrichten van Uw lichaam zijn de verschillende offerplechtigheden [genaamd de satrâni's] die men gedurende een periode van twaalf dagen uitvoert. U o Heer, die zich slechts laat binden door offers, bent het voorwerp van aanbidding van al de soma- en asoma-offers. (39) Wij bewijzen U de eer die als de Allerhoogste Heer voor al de ingrediënten en soorten van offers te aanbidden bent met behulp van de universele gebeden. Door in verzaking met toewijding de geest te overwinnen kan men zich U realiseren als de essentie van alle offers. U als de geestelijk leraar van dergelijke kennis, brengen we keer op keer onze eerbetuigingen. (40) O Allerhoogste Heer, met de aarde en haar bergen zo prachtig gesitueerd op de toppen van Uw vooruitstekende tanden o Heer der Verheffing, kwam U uit het water tevoorschijn als een statige olifant met op Zijn slagtand een lotus compleet met zijn bladeren. (41) Deze gedaante van U van de Veda's in eigen persoon die als een zwijn de planeet aarde op Zijn slagtanden omhoog houdt, straalt met de schoonheid van grote bergtoppen die nog mooier lijken door de wolken eromheen. (42) U als de vader tilt deze moeder aarde, waarop de zich bewegende en de niet-bewegende levende wezens verblijven, als Uw echtgenote omhoog. Laat ons U de eer betuigen zowel als haar in wie U Uw vermogen investeerde zoals een offeraar aranihout in brand steekt. (43) Wie anders dan U o meester, kon de aarde uit het water bevrijden? Voor U zijn zulke daden niets wonderlijks daar het wonder van het wonderbaarlijke universum dat U op basis van Uw vermogens schiep alle andere overtreft. (44) Toen U als de verpersoonlijking van de Veda's Uw lichaam uitschudde, werden wij als de bewoners van Janaloka, Tapoloka en Satyaloka besprenkeld met de druppels die waren achtergebleven in het haar op Uw schouders en raakten zo geheel gezuiverd, o Allerhoogste Heer. (45) Hij die de grens wil kennen die aan Uw talloze handelingen gesteld zou zijn is zijn verstand kwijt. Het hele universum dat wordt beheerst door de materiële kwaliteiten is begoocheld door de eenheid van Uw innerlijk [yogamâyâ] vermogen. O Heer der Volheden, schenk ons Uw genade!'

(46) Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de grote wijzen en transcendentalisten plaatste Heer Zwijn, de Handhaver, de aarde op het water waar Hij met Zijn hoeven zwaar op rustte. (47) Nadat de Almachtige Persoonlijkheid van God Vishvaksena, de Meester van Alle Levende Wezens, aldus de aarde en haar schepselen bij wijze van spel en vermaak bovenop het water had getild, keerde de Heer terug naar Zijn hemelverblijf. (48) Met degene die met een toegewijde houding luistert naar of anderen vertelt over deze heilzame en waardevolle geschiedenis van de Heer die een einde maakt aan het materiële motief, zal de Heer aanwezig in 't hart [van een ieder] zeer spoedig tevreden zijn. (49) Wat zou er moeilijk te bereiken zijn voor degene die de grenzeloze genade van Zijn tevredenheid geniet? Als iets buiten die genade valt ziet het er onbeduidend uit. Die toegewijden die niets anders dan Zijn genade wensen verheft Hij persoonlijk verblijvend in het hart tot de allerhoogste transcendentie van Zijn woning. (50) Och, is men niet een onmens als men eenmaal vertrouwd met de werkelijke waarde van het menselijk verleden er weerstand tegen biedt om zich via zijn oren te laven aan de nectar van de verhalen over de Heer die een einde maakt aan de pijn van het materiële bestaan?'


Hoofdstuk 14: De Bevruchting van Diti in de Avond

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij van de wijze Maitreya de beschrijving had gehoord van het verhaal over de Allerhoogste Persoonlijkheid die voor het opheffen van de wereld als een zwijn was verschenen, verzocht Vidura, gezworen als hij was, hem met gevouwen handen om meer, aangezien hij zich niet geheel voldaan voelde. (2) Vidura zei: 'O belangrijkste onder de wijzen, ik hoorde van u dat de demon Hiranyâksha werd gedood door de Heer, het oorspronkelijke doel van alle offers. (3) Om welke redenen had Hij in Zijn spel en vermaak waarin Hij de aarde optilde met Zijn slagtanden o brahmaan, een gevecht met de koning der demonen? (4) Alstublieft vertel deze trouwe persoon, deze toegewijde, tot in detail over Zijn verschijnen o grote wijze, want ik met mijn nieuwsgierige geest, heb nog niet genoeg gehoord.'

(5) Maitreya zei: 'Mijn beste toegewijde, o grote held, dat wat u me vraagt over de onderwerpen aangaande de Allerhoogste Persoonlijkheid, vormt voor hen die gedoemd zijn te sterven de bron der bevrijding van geboorte en dood. (6) De zoon van koning Uttânapâda [Dhruva] werd als kind door Nârada over deze onderwerpen op de hoogte gesteld en plaatste, toen hij [bij zijn dood] vertrok om op te stijgen naar het verblijf van de Heer, zijn voet op het hoofd van Mrityu [de god van de dood, als opstapje om in de vimâna van Nanda en Sunanda te stappen, zie 4.12: 30]. (7) Wat betreft deze kwestie [van het verschijnen van Heer Varâha] vernam ik van Brahmâ, de god der goden, de nu volgende geschiedenis die hij lang geleden vertelde naar aanleiding van vragen die waren gesteld door de halfgoden.

(8) O Vidura, op een avond smeekte Diti, de dochter van Daksha, in seksuele nood verkerend haar echtgenoot Kas'yapa, de zoon van Marîci, om bij haar een kind te verwekken. (9) Na het aanbidden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid Aller Offers met uitgietingen op Zijn tong die wordt gevormd door het offervuur, zat hij diep verzonken in de tempelkamer terwijl de zon onderging.

(10) Diti zei: 'O geleerde, Cupido heeft met jou op het oog al zijn pijlen op mij gericht en brengt, me opjagend als een dolle olifant die een bananenboom te lijf gaat, daarmee mijn arme zelf in verlegenheid. (11) Wees zo goed voor me, het doet me pijn om de kinderen en de welstand te zien van je andere vrouwen, gun [ook] mij en jezelf [daarmee] dat welzijn in ieder opzicht. (12) De roem van een echtgenoot die van zijn vrouw houdt zal zich in de wereld verspreiden omdat van de kinderen van een goede echtgenoot als jij, de samenleving zich zeker uitbreidt. (13) Lang geleden vroeg onze vader, de zeer vermogende Daksha, vol genegenheid ieder van zijn dochters: 'Aan wie geef je de voorkeur als je echtgenoot, mijn kind?' (14) Hij, zijn kinderen het beste wensend, schonk, met achting voor hun wensen, ze alle dertien aan jou; zij die je nu allemaal trouw zijn. (15) Wees daarom zo aardig aan mijn verlangens tegemoet te komen o lotusogige, de verzoeken van hen die in nood een persoon van statuur benaderen zullen, o almachtige, toch zeker niet vergeefs zijn?'

(16) Aldus, o held, gaf de zoon van Marîci haar in kalmerende bewoordingen antwoord daar ze, behoeftig en praatgraag, zeer van streek was vanwege de lust die bezit van haar genomen had. (17) 'Ik ga in op je verzoek, ik zal doen wat je van me verlangt mijn gekwelde lieveling! Wie zou er niet ingaan op  de wensen van degene die staat voor de realisatie van de drie levensdoelen [van dharma, artha, kâma: het regelen van de religie, de economie en de zinsbevrediging]? (18) Levend met een metgezel kan iemand die zijn beroep uitoefent en alle levensstadia doorloopt, de gevaarlijke oceaan van het materiële bestaan oversteken zoals men een zee met zeewaardige schepen doorkruist. (19) Met iemand die de wederhelft van je lichaam vormt kan men alle verlangens in goede banen leiden en kan men met het aan de ander toevertrouwen van verantwoordelijkheden een [relatief] onbezorgd leven leiden. (20) De zinnen zijn voor andere levensorden dan die van de huishouders, moeilijk te overwinnen vijanden; wij die daarin ons heil zoeken kunnen ze gemakkelijk de baas, net als de bevelhebber van een veste dat kan met binnendringende plunderaars. (21) We zullen er nimmer in slagen om voor jou te doen wat jij voor ons gedaan hebt, o koningin van het huis; ons hele leven zal dat niet lukken, noch in een volgend leven en ook zullen anderen die waardering hebben voor je kwaliteiten dat niet kunnen. (22) Laat mij, nu dat gezegd is, meteen werk maken van deze seksuele belangstelling van je om een kind te verwekken; maar wacht eerst een moment zodat mij niets te verwijten valt. (23) Dit ogenblik is het minst gunstige moment daarvoor, het is de verschrikkelijke tijd waarin de akelige geesten en hun meester iemands voortdurende gezelschap vormen. (24) Om deze tijd van de dag o kuise, in de schemering, trekt [S'iva] de Heer en weldoener van de spoken die hem omringen rond als hun koning op de rug van de stier [Nandî]. (25) Met de schoonheid van het onberispelijk zuiver, stralende lichaam van de halfgod dat besmeurd is met het stof en de rook opgewaaid van de crematie van de doden en met zijn samengeklitte haar overdekt door as, beziet je [zuster's, d.w.z. Satî's] echtgenoot [een ieder] met zijn drievoudige blik [van zon, maan en vuur]. (26) Hij beschouwt niemand in deze wereld als zijn verwant noch denkt hij dat ook maar iemand los van hem zou staan; hij ziet niemand als groter en evenmin beschouwt hij wie dan ook als misdadig. Trouw eerbiedigen wij verplicht aan hem zijn voeten en verzekeren wij ons van de overblijfselen van wat hij afwees van het geofferde voedsel. (27) Hoewel wat betreft zijn onberispelijke karakter, dat door de wijzen wordt nagevolgd in hun verlangen de onwetendheid van de massa te beëindigen, er niemand is die even zo groot is, treedt hij niettemin, ter wille van de realisatie der toegewijden, persoonlijk op als een antagonist [naakt en besmeurd met as]. (28) De onfortuinlijken die met wat ze doen feitelijk om hem lachen en zich niet bewust zijn van zijn bedoeling zich bezig te houden met het zelf, koesteren met luxe als kleding, bloemenslingers en smeersels hun lichaam als was het de ziel zelve, het lichaam dat uiteindelijk dienst doet als hondenvoer. (29) Brahmâ zowel als de andere goden houden zich aan de rituele gedragscode van hem, de heerser over de materiële energie, de mâyâ die onder zijn gezag staat. Oh, het tegendraadse optreden van dit grootse karakter is niets dan een schijnvertoning [waarin hij het karma op zich neemt]!'

(30) Maitreya zei: 'Ondanks dat ze aldus door haar echtgenoot op de hoogte was gesteld, greep ze, met haar zinnen onder de druk van Cupido, de grote, wijze brahmaan bij zijn kleren, als was ze een schaamteloze publieke vrouw. (31) Hij toen, met begrip voor de koppigheid van zijn vrouw over de verboden daad, bood de voorzienigheid zijn eerbetuigingen en vleide zich in afzondering neer met zijn vrouw. (32) Daarna nam hij een bad en mediteerde hij, met het in gebed [met de Gâyatrî] beheersen van zijn adem en zijn stem, met behulp van de zuivere geest van het Absolute op het licht van de eeuwigheid. (33) O zoon van Bharata, Diti, beschaamd over de foute daad, benaderde de geleerde wijze met haar gezicht naar beneden gewend en sprak beleefd tot hem. (34) Diti zei: 'Laat mijn zwangerschap o brahmaan, o edelste van allen, niet worden afgebroken door Rudra, want ik beging een overtreding tegen de meester der schepselen. (35) Ik betuig Rudra de eer, de woeste, grote halfgod die alle verlangens vervult, de algunstige en vergevingsgezinde die je onmiddellijk woedend terecht wijst. (36) Moge hij, de hoogste, grote en genadige persoon, de aangetrouwde broer die gehuwd is met Satî ['de kuise', de zuster van Diti] over ons tevreden zijn, hij die de god van alle vrouwen is voor wie zelfs de laagsten nog sympathie koesteren.'

(37) Maitreya zei: 'De echtgenote [bevend van angst] vanwege het zich hebben afgekeerd van de regels en voorschriften voor de avond, wenste het welzijn van haar kinderen in de wereld en werd [toen] toegesproken door deze vader van de mensheid. (38) Kas'yapa zei: 'Vanwege je onzuivere geest, omdat je de heiligheid van het moment onteerde en ook omdat je al te onverschillig was over mijn aanwijzingen, had je tevens te weinig achting voor de goden. (39) O ongelukkige, uit je noodlottige baarmoeder zullen twee kwalijke zoons hun geboorte nemen en zij, o hartstochtelijke, zullen voortdurend treurnis onder de bestuurders van de drie werelden teweegbrengen. (40) Ze zullen arme en onschuldige levende wezens doden, vrouwen kwellen en de grote zielen kwaad maken. (41) Als dat gebeurt zal de Hoogste Persoonlijkheid en Heer van het Universum die het welzijn van de gewone man op het oog heeft, in eigen persoon nederdalen en hen beiden in grote woede doden als was Hij de gesel der bergen met de bliksemschicht zelve [Indra].'

(42) Diti zei: 'Het is een grote eer om ter plekke te worden gedood door de werpschijf in handen van de Fortuinlijke o echtgenoot, ik bid [slechts] dat mijn zonen nimmer hun einde zullen vinden als gevolg van de woede der brahmanen. (43) Een persoon die is afgestraft door de vloek van een brahmaan en hij die andere levende wezens in angst doet leven, wordt noch door hen die van de hel zijn, noch door de andere levensvormen waaronder een overtreder zijn geboorte kan nemen goedgekeurd.'

(44-45) Kas'yapa zei: 'Omdat je meteen met een juiste bekentenis blijk geeft van spijt en je je boetvaardig opstelt en omdat je grote bewondering hebt voor de Allerhoogste Persoonlijkheid, voor Heer S'iva en ook mij respecteert, zal er uit een van de twee zoons [Hiranyakas'ipu] een zoon worden geboren [Prahlâda] die wèl de goedkeuring van de toegewijden zal wegdragen. Zijn bovenzinnelijke glorie zal de geschiedenis ingaan als zijnde gelijk aan die van de Allerhoogste Heer. (46) Zoals goud van een inferieure kwaliteit door zuivering wordt veredeld, zullen heilige personen, die zuivering zoeken in hun streven naar vrijheid van vijandigheid en dergelijke, in het voetspoor treden van deze instelling en dit karakter. (47) Hij, de Hoogste Persoonlijkheid door wiens genade dit universum zijn geluk vindt, zal in de bijzondere zorg die Hij aan dat karakter in Zijn toegewijden besteed zeer verheugd zijn over iemand met zo'n rotsvast geloof. (48) Hij zal zonder twijfel de beste der toegewijden zijn, de grootste ziel met de grootste invloed die goed gerijpt is door toegewijde dienst [*]. Met zijn geest in extatische liefde zal hij ongetwijfeld Vaikunthha [de uiteindelijke werkelijkheid, het paradijs, de hemel] bereiken als hij deze materiële wereld verlaat. (49) Hij zal een deugdzaam en gekwalificeerd vergaarbekken van goede kwaliteiten zijn, hij zal zich verheugen op het geluk van anderen en van streek zijn als anderen ongelukkig zijn. Hij zal geen vijanden hebben en een einde maken aan alle treurnis in de wereld zoals de prettige maan dat doet na te hebben geleden onder de zomerzon. (50) Je kleinkind zal, in zichzelf en buiten zichzelf, de zuivere gedaante [van de Heer] met de lotusogen aanschouwen die de vorm aanneemt die Zijn toegewijde zich wenst en die met een gezicht dat gesierd is met schitterende oorhangers, de uitnemendheid vormt van de prachtige Godin van het Geluk.'

(51) Maitreya zei: 'Toen ze hoorde dat haar kleinzoon een grote toegewijde zou zijn was Diti zeer verheugd en had ze er vrede mee te weten dat haar twee zoons door Krishna zouden worden gedood.'

Bij vers 48: Goed gerijpt betekent gerijpt in drie stadia: sthâyi-bhâva, een bepaalde emotionele relatie hebben met God; anubhâva, bepaalde emoties in die relaties ervaren, en mahâbhâva of het stadium waarin men extatische gevoelens van liefde voor God ervaart.



Hoofdstuk 15: Beschrijving van het Koninkrijk Gods

(1) Maitreya zei: 'Diti was er bang voor dat ze door de macht van [het zaad van] de grote Prajâpati een eeuw lang de macht van anderen zou vernietigen en ze de godsbewuste mensen ellende zou bezorgen. (2) De wereld was door die dreiging verstoken van licht en dus raadpleegden de plaatselijke autoriteiten die hun greep zagen verslappen de schepper van het universum [Heer Brahmâ] omtrent de duisternis die zich in alle richtingen uitbreidde. (3) De halfgoden zeiden: 'U, o machtige, moet op de hoogte zijn van deze duisternis waar we zo heel erg bang voor zijn. Uw goddelijkheid is vrij van de invloed van de tijd en dus is er niets dat voor u verborgen is. (4) O god der goden die het universum onderhoudt, u als het  kroonjuweel van al de bewakers van de geestelijke en materiële werelden bent op de hoogte van de beweegredenen van alle levende wezens. (5) Wij brengen u wiens kracht in de wijsheid schuilt onze eerbetuigingen. Met het verworven hebben van dit lichaam van de uitwendige energie en in aanvaarding van uw bijzondere aard [der hartstocht] betonen wij u, o ongeziene bron, ons respect. (6) Zij die onwankelbaar zijn in hun toewijding mediteren op u die de oorsprong bent van alle schepselen, de bovenzinnelijke oorzaak van het ware en onware en het zelf waarin alle werelden met elkaar verbonden zijn. (7) Zij die gerijpt zijn in de praktijk van de yoga en uw genade bereikten met het beheersen van de zinnen en de geest middels hun ademhaling, zullen nimmer door wat dan ook verslagen worden. (8) Hem door wiens aanwijzingen alle levende wezens worden geleid zoals een stier met een touw wordt geleid, hem onder wiens gezag de offers worden gebracht, hem die allerbelangrijkste persoon, u, bieden we onze eerbetuigingen aan. (9) Vanwege deze duisternis komen we niet meer toe aan onze voorgeschreven plichten. We vragen u om ten gunste van ons op te treden o grote Heer, gun ons overgegeven zielen de weldaad van uw genadige blik. (10) O god, dit zaad dat Kas'yapa uitstortte in de schoot van Diti, veroorzaakt een algehele duisternis in alle richtingen zoals een vuur beladen met te veel brandhout .'

(11) Maitreya zei: 'Glimlachend o machtig gearmde, stelde hij, de zelfgeborene die in de gebeden wordt begrepen als de oorspronkelijke eigenaar van alle weelde, de halfgoden tevreden door ze in aangename bewoordingen antwoord te geven. (12) Brahmâ zei: 'Zij die vóór uw tijd uit mijn geest hun geboorte namen en door Sanaka worden aangevoerd [Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra], reisden zonder verlangens te koesteren heen en weer tussen de bewoners van de geestelijke en materiële werelden. (13) Op een dag gingen zij die vrij zijn van alle materiële besmetting Vaikunthha binnen, het eeuwige verblijf van de Hoogste Persoonlijkheid Heer Vishnu, een bereik waarvoor men bidt in alle werelden. (14) Alle personen die daar leven hebben dezelfde gedaante als de Heer van Vaikunthha en houden er vanwege hun toegewijde dienst van onafgebroken eerbetoon aan de Hoogste Persoonlijkheid geen verlangens op na. (15) De Heer van het Fortuin, de oorspronkelijke persoon die men verstaat middels de geschriften, houdt zich daar op als de verpersoonlijking van de religieuze beginselen om tot het grote geluk van ons die bij Hem horen, in Zijn goedheid onze zuiverheid te aanvaarden. (16) Aldaar, waar alles spiritueel en persoonlijk is, zijn er bossen ter bevordering van het geluk die tegemoet komen aan alle verlangens met [wens]bomen die gedurende alle seizoenen zijn overladen met bloemen en vruchten. (17) Huizend in paleizen wonen de toegewijden daar samen met hun echtgenotes en bezingen ze vrij van alle ongunstige kwaliteiten, onophoudelijk de Allerhoogste Heer, waarbij ze de geestverruimende geur proberen te negeren die de wind meevoert van de mâdhavîbloemen die vol van nectar bloeien temidden van het water. (18) Als de koning van de hommels luid de heerlijkheid van de Heer bezingt komt er even een einde aan het tumult van de duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's en zwanen, andere watervogels, papegaaien, patrijzen en pauwen. (19) De geurige mandâra, de kunda, de kurabaka, de utpala, de campaka, de arna, de punnâga, de nâgakes'ara, de bakula, de lelie en de pârijâta zijn het er allemaal over eens dat de tulsîplant [de basilicumplant waarmee de Heer zich opsiert en] die in de vorm van een slinger om haar geur [door Hem] wordt geëerd, wel het meest van hen allen recht doet aan de goede geest der boete aldaar. (20) Door eenvoudig van eerbetoon te zijn voor de Heer Zijn voeten verdienden de toegewijden de paleizen die er overal staan gemaakt van lapis lazuli met smaragd en goud, waarvan de [vrouwelijke] bewoners brede heupen hebben en mooie glimlachende gezichten. Maar zij met hun vriendelijke lachen en grappenmakerij, geven met hun geesten verzonken in Krishna nooit enige aanleiding tot lustmatigheid. (21) In dat huis van de Heer wordt [somtijds], weerspiegeld in de kristalheldere muren ingelegd met goud, de Godin van het Geluk waargenomen die vrij is van alle fouten. Ze neemt dan een prachtige gedaante aan met rinkelende [enkelbanden aan haar] voeten en spelend met een lotusbloem. En die genade van haar is iets ter wille waarvan de andere dames zich met de grootste inspanning manifesteren als ware poetsvrouwen. (22) In hun tuinen op de met koraal omlijste oevers van de vijvers vol met kristalhelder, heerlijk water, offeren ze omringd door hun dienaressen tulsîblaadjes voor de Heer en stellen zich daarbij voor hoe met de aanblik van de mooie haarlokken van de godin gereflecteerd in het water, haar gezicht gekust wordt door de Heer. (23) Hoe onfortuinlijk zijn zij die zich nimmer bewegen in de richting van deze Vaikunthha-schepping van de Overwinnaar van Alle Zonde, maar liever vernemen over onderwerpen gevat in slechte bewoordingen die je intelligentie doden. Helaas, dergelijke personen die ver verwijderd zijn van de waarden van het leven worden, verstoken van alle toevlucht als ze zijn, in de diepste duisternis geworpen. (24) Zij die niet van aanbidding zijn voor de Allerhoogste Heer en die niet, zoals wij [Heer Brahmâ en de halfgoden] het verlangden, de menselijke vorm van leven bereikten en kennis verkregen over het Absolute en de juiste gedragswijze [dharma], zijn helaas verbijsterd door  Zijn alomtegenwoordige, begoochelende energie. (25) [Maar] tredend in het voetspoor van [mij] de leider van de halfgoden zullen zij naar Vaikunthha gaan, het bereik dat zich boven dat van mij bevindt, die  aangetrokken tot elkaar in besprekingen over de Heer zijn begeerlijke, superieure kwaliteiten en heerlijkheden extase ondervinden, tranen in hun ogen hebben en de rillingen over hun lijf voelen lopen, en aldus Yamarâja [de heer van de dood] op een afstand houden.

(26) [Brahmâ vervolgde:] Toen de wijzen [met Sanaka voorop] bij machte van hun spiritueel vermogen Vaikunthha bereikten, ervoeren ze een bovenzinnelijk geluk dat ze nog nooit eerder hadden ervaren. Het was de plaats, stralend met de paleizen van de meest verdienstelijke en geleerde toegewijden, waar de leraar van het universum heerst die het voorwerp van aanbidding is in alle werelden. (27) Nadat ze aldaar zes poorten waren gepasseerd zonder er veel belang aan te hechten, vonden ze bij de zevende poort twee halfgoden op hun weg van gelijke leeftijd die waren uitgerust met kostbare knotsen, armbanden, oorhangers, helmen en prachtige kledij. (28) Om hun nek tussen hun vier blauwe armen hadden ze een slinger van woudbloemen met daaromheen bedwelmde bijen. Maar om zich heenkijkend met opgetrokken wenkbrauwen, een onrustige adem en rood doorlopen ogen zagen ze er enigszins opgewonden uit. (29) Hen beide bij de poort zien staand passeerden de zonen van Brahmâ, zoals ze voorheen deden, zonder op of om te kijken de gouden en diamanten deuren; zij waren de grote wijzen die uit eigen beweging zich overal begaven zonder te worden gecontroleerd of betwijfeld. (30) Toen ze hen zagen, vier naakte, oudere jongens die de waarheid van het zelf hadden gerealiseerd, maar er uitzagen alsof ze niet ouder dan vijf jaar oud waren, hielden de twee poortwachters in weerwil van de glorie en de etiquette met een houding die de Heer onwelgevallig is ze onterecht tegen met hun staf. (31) Geconfronteerd met de onbeduidende belemmering van de twee poortwachters die hen, hoewel ze alleszins de meest geschikten waren van de Heer, weigerden voor ogen van de bewoners van Vaikunthha, kleurden hun ogen in hun verlangen hun meest geliefde persoon te treffen, plots rood van woede ['het jongere broertje van de lust'].

(32) De wijzen zeiden: 'Wie zijn jullie twee die het door je deugdzame daden in het verleden schopten tot de dienst van de Opperheer? Wie ook van de toegewijden die in Hem verkeren zonder angst en vijandschap, kan nu zo vals bezig zijn als jullie? Wie houdt er nu zo'n onbehouwen mentaliteit op na die het vertrouwen beschaamt? (33) Niemand hier is een vreemde voor de Allerhoogste Persoonlijkheid die een ieder in Zijn onderbuik herbergt; het levende wezen heeft zijn plaats in de Superziel zoals het kleine beetje lucht dat men in zijn longen heeft deel uitmaakt van de lucht erbuiten. Je vraagt je als een nuchtere ziel af hoe met de twee van jullie voor ogen die zijn uitgedost als bewoners van Vaikunthha, als ontwaakte zielen die onderscheid maken tussen lichaam en ziel, er zo iets verschrikkelijks kan bestaan. Hoe heeft zich dit met Hem nu kunnen ontwikkelen? (34) Daarom zijn we van mening dat met het oog op het afroepen van de genade van de Heer van Vaikunthha de gepaste maatregel voor jullie antipathieke geesten die de dingen tegengesteld zien, eruit bestaat dat jullie beiden van hier vertrekken naar de materiële wereld der tegenstellingen waar men leeft met deze drievoudige zonde die de vijand van het levende wezen is [lust, woede en begeerte, zie B.G. 16: 21].'

(35) De twee [poortwachters] die begrepen dat er een verschrikkelijke brahmaanse vloek door hen was uitgesproken, een vloek die met geen wapen kan worden tegengegaan, vielen terstond bevangen door vrees voor de toegewijden van de Heer ter aarde om in grote angst hun voeten vast te grijpen: (36) 'Het zij zo dat u ons vanwege onze zonden heeft bestraft. Een gebrek aan respect voor grote wijzen zoals u moet worden bestreden. Maar we bidden dat we, met een beetje van uw onbegrensd mededogen voor ons berouw, we met ons afdalen in de materiële wereld niet in staat van illusie de herinnering aan de Allerhoogste Heer zullen verliezen.'

(37) Datzelfde moment vernam de Allerhoogste Heer uit wiens navel de lotus ontsproot, van de overtreding jegens de rechtschapen wijzen en kwam toen tot hun grote vreugde daar naar toe begeleid door Zijn geluksgodin, lopend op de voeten die worden aanbeden door de kluizenaars en wijzen. (38) Toen ze Hem samen met al Zijn toegewijden en toebehoren op hen af zagen komen vervielen de wijzen, die nu degene waar ze altijd naar hadden uitgezien voor zich zagen, in extase over de aanblik van de câmara's [wuifkwasten van yak-haar] die als fraaie zwanen een koele bries gaven en de parels van Zijn witte parasol bewogen, waardoor ze eruit kwamen te zien als druppels water op een gereflecteerde maan. (39) Allen zegenend met Zijn genadige gelaat als de verlangde toevlucht, bezag Hij hen vol genegenheid en ontroerde Hij hen zich in hun harten uitbreidend. Met Zijn donkergekleurde huid en Zijn brede borst opgesierd door de geluksgodin, spreidde Hij het goede geluk ten toon als het hoogtepunt der geestelijke werelden en de verblijfplaats van de ziel. (40) Gehuld in het geel had Hij een helder glanzende gordel rond Zijn heupen en zoemende bijen om Zijn slinger van woudbloemen. Om Zijn polsen had Hij fraaie armbanden en terwijl één van Zijn handen rustte op de schouder van de zoon van Vinatâ [Garuda] wuifde Hij met een andere een lotusbloem. (41) Helderder stralend dan de bliksem completeerde de versiering van Zijn krokodilvormige oorhangers de kaken en rechte neus van Zijn voorkomen. Hij droeg een met juwelen versierde kroon, had een bekoorlijk, hoogst waardevol halssnoer tussen Zijn sterke armen en het Kaustubhajuweel sierde Zijn hals. (42) Met Zijn aanwezigheid stelde Hij de glimlachen van de Godin van de Schoonheid in de schaduw zo dachten Zijn toegewijden in hun meditatie. Van de zeer mooie gedaante aanbiddelijk voor zowel mij als voor S'iva alsook voor jullie allen, konden de wijzen zoals ze die zagen, niet genoeg krijgen en daarvoor bogen ze vol van vreugde hun hoofden. (43) Toen de bries, met het aroma van de tulsîblaadjes van de tenen van de lotusvoeten, hun neusgaten binnendrong, ondergingen ze een innerlijke transformatie, ondanks het feit dat ze in lichaam en geest de [onpersoonlijke realisatie van] woorden waren toegewijd. (44) Daarna opkijkend zagen ze Zijn gezicht dat leek op het hart van een blauwe lotus en zagen ze ook de nog mooiere jasmijnbloem van Zijn glimlachende lippen. Aldus hun levensdoel bereikt hebbend keken ze vervolgens weer naar beneden naar de robijnrode nagels van Zijn lotusvoeten en mediteerden toen op hun toevlucht. (45) Voor hen die in deze wereld bevrijding zoeken langs de wegen der yoga is Hij het voorwerp van meditatie zoals goedgekeurd door de groten. Met de bevrediging die Hij de ogen schenkt met het tentoonspreiden van Zijn menselijke gedaante wordt Hij, eeuwig aanwezig zijnd als Degene die Verbindt, geprezen als de vervolmaking van de acht verworvenheden, een vervolmaking die voor anderen niet bereikbaar is [de zogeheten acht perfecties of siddhi's zijn: animâ: klein zijn, mahimâ: groot zijn, garimâ: gewicht, laghimâ: lichtheid, prâpti: vrije toegang, prâkâmyam: op wens handelen, vas'itva: controle over de elementen en îs'itvam: heerschappij over alles].'

(46) De Kumâra's zeiden: 'Ook al bevindt U zich in het hart, toch bent U niet zichtbaar voor hen die zich ver van de ziel verwijderd hebben. Vandaag, o Onbegrensde, zien we U van aangezicht tot aangezicht, U die ons innerlijk wezen via onze oren bereikte toen we van onze vader [Brahmâ] de beschrijving hoorden van de mysteriën van Uw verschijnen. (47) U, o Allerhoogste Heer, die met Uw persoonlijkheid bestaande uit zuivere goedheid, allen in verrukking brengt [die zijn zoals wij], kennen we op dit moment als de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel. Deze werkelijkheid kan men, overeenkomstig het begrip van de wijzen die niet geïnteresseerd zijn in een materieel leven, bij Uw genade doorgronden in standvastige toegewijde dienst, met een hart dat vrij is van gehechtheden. (48) Zij [die deze praktijk volgen] bekommeren zich zelfs niet om de zegeningen van Uw onvergankelijke zaligheid [kaivalya, de verlichting] of om welk ander ondergeschikt geluk dan ook waarmee zij het fronsen van Uw wenkbrauwen te vrezen hebben. Zij, o Allerhoogste, nemen hun toevlucht tot Uw lotusvoeten en de verhalen over Uw zuivere heerlijkheden die het zo waard zijn om door de uiterst ter zake kundige kenners van Uw rasa's [de emotionele relaties die men met U kan hebben] bezongen te worden. (49) Door de zondige levens die we begeerden kunnen we van een lage geboorte zijn en geesten hebben die zo druk zijn als bijen, maar als we betrokken mogen worden bij de toegewijde dienst aan Uw lotusvoeten en onze oren mogen vullen met Uw bovenzinnelijke kwaliteiten, zullen onze woorden zo mooi worden als de tulsîblaadjes van Uw genade. (50) Het schonk ons zo enorm veel voldoening deze eeuwige gedaante die U manifesteerde te zien, o alom geprezen Heer. Laten we daarom U, de Hoogste Persoonlijkheid van God, onze eerbetuigingen brengen die door spirituele personen als wij kan worden herkend maar niet door personen die niet spiritueel zijn.'



Hoofdstuk 16: De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen

(1) Brahmâ zei: 'Na de vier wijzen van het yogageweten gecomplimenteerd te hebben met hun woorden van lof, richtte de Almachtige van de verblijfplaats Vaikunthha het woord tot hen. (2) De Opperheer zei: 'Deze twee dienaren van Mij genaamd Jaya en Vijaya begingen voorzeker, omdat ze Mij negeerden, een ernstige overtreding jegens u. (3) De straf die u, die van toewijding bent, hen bedeelde, keur Ik goed o grote wijzen, daar ze zich vijandig tegen u keerden. (4) Daarom zoek Ik nu uw vergeving omdat die overtreding jegens u brahmanen die de hoogsten van God  zijn, geheel de Mijne is; Ik beschouw Mezelf  als degene die de overtreding beging aangezien zij die u niet respecteerden Mijn dienaren zijn. (5) Over het algemeen geeft men als een dienaar iets verkeerd doet degene in wiens naam de overtreding is begaan de schuld. Het schaadt de reputatie van die persoon net zoveel als lepra de huid schaadt. (6) De nectar van de onbezoedelde glorie [van Mijn naam en faam] die iemand ter ore komt, zuivert het ganse universum op slag met inbegrip van de laagsten der lagen. Ik ben die persoon van de vrijheid van nalatigheid en dwaasheid, van Vaikunthha, en voor u die de heerlijkheid van dat verheven pelgrimsoord hebt bereikt, zou Ik zelfs mijn arm afhakken als dat oord vijandig tegen u zou werken. (7) Van hen die dienen in het stof van Mijn heilige lotusvoeten worden alle zonden terstond uitgewist en daarvan heb Ik een zodanige aard verworven dat, zelfs al ben Ik niet gehecht aan de Godin van het Fortuin, zij Me nimmer verlaat, terwijl anderen heilige geloften in acht moeten nemen om de geringste gunst van haar te verkrijgen. (8) Anderzijds geniet Ik niet zoveel van de uitgietingen in het vuur van de offeraar die de ghee, die overvloedig vermengd is met het voedsel, in die mond van Mij offert, als Ik geniet van de beetjes voedsel die de monden van de optredende brahmanen tevredenstellen die de resultaten van hun handelen aan Mij opdroegen. (9) Als Ik die met de macht van Mijn oneindig en ongehinderd inwendig vermogen en met het Gangeswater dat van Mijn voeten spoelde en met Heer S'iva terstond de drie werelden heiligt, op Mijn kroon het heilige stof weet te dragen van de voeten der brahmanen, wie zou dat dan niet [kunnen]? (10) Zij die de besten der tweemaal geborenen, de koeien en de hulpeloze schepselen die deel uitmaken van Mijn lichaam als verschillend van Mij zien omdat hun oordeelsvermogen door zonde is belemmerd, zullen als waren ze nijdige slangen door de kwade gieren van boodschappers van de meester der bestraffing [Yamarâja] verscheurd worden. (11) Maar zij die met verheugde harten en de nectar van hun glimlachende lotusgezichten intelligent, zoals een zoon dat zou die tevreden stelt door lofuitingen, erin slagen met liefdevolle woorden de brahmanen te respecteren die zich zelf van restrictieve woorden bedienen, zijn in Mij, want Ik wordt beheerst door die brahmanen. (12) Laat het daarom zo zijn dat de verbanning van deze twee dienaren die niet bekend met de bedoeling van hun meester in overtreding waren jegens u en het onmiddellijke gevolg ervan onder ogen moeten zien, niet te lang moge zijn zodat ze spoedig weer de gunst van Mijn nabijheid mogen genieten.'

(13) Heer Brahmâ zei: 'Alhoewel ze nu Zijn liefdevolle, goddelijke toespraak hadden gehoord die klonk als een reeks mantra's, waren hun zielen die waren gebeten door de slang der woede, niet bevredigd. (14) Toen ze met hun oren wijd open de uitnemende en zorgvuldig gekozen woorden van monumentaal belang aanhoorden, hadden ze er moeite mee ze te doorgronden en konden ze, diep nadenkend over hun diepgang zich geen voorstelling maken van de Heer Zijn bedoeling. (15) De grootse conclusie die de Allerhoogste Heer had geopenbaard vanuit Zijn innerlijk vermogen deed de vier brahmanen, in de hoogste staat van verrukking met hun haren overeind spreken met gevouwen handen. (16) De wijzen zeiden: 'O Fortuinlijke, we snappen niet wat U wilt zeggen o Heer omdat U, ondanks dat U de heerser bent, spreekt over [het  van onze kant] genade hebben met U! (17) U bent de allerhoogste leider van de geestelijke wereld en de hoogste autoriteit van de brahmanen die anderen onderrichten. U o meester der geleerden, bent de God der goden, de Fortuinlijke die de Ziel is, de aanbiddelijke godheid. (18) Van U is er de bescherming van de eeuwige roeping [sanâtana dharma] in al Uw verschillende verschijningen, U bent het verheven doel van de religieuze beginselen; volgens ons bent U de ene onveranderlijke werkelijkheid. (19) Omdat dankzij Uw genade de transcendentalisten die breken met alle materiële verlangens zonder moeite geboorte en dood overwinnen, kan het nooit zo zijn dat U als zodanig afhankelijk zou zijn van de genade van anderen. (20) De Genade van het Fortuin [de godin Lakshmî], van wie anderen in hun verlangen naar materieel voordeel bij gelegenheid het stof van haar voeten op hun hoofd aanvaarden, staat voor U klaar, bezorgd om een plaats voor haar gelijk aan die van de koning der hommels met het aroma van de krans van verse tulsîblaadjes die door de toegewijden wordt aangeboden. (21) Hoe kan U, die als het reservoir van alle volheden zich geen zorgen maakt om haar feilloze toegewijde diensten, U, die voor de zuivere toegewijden het voorwerp van de grootste toewijding bent, worden geheiligd door het stof op het pad van de brahmanen of het fortuin vinden aan de hand van het S'rîvatsa-teken [de paar witte haren op Uw borst]? (22) U, o Fortuinlijke, bent drievoudig [tapas, s'auca, dayâ] aanwezig in al de drie [voorgaande] yuga's [zie 3.11] ter bescherming van het  leven en het levenloze van dit universum. Moge voor het heil van de goden en de brahmanen Uw bovenzinnelijke gedaante van zuivere goedheid de onwetendheid en de hartstocht uitbannen en ons zo al het beste brengen. (23) Als U als de beschermer van de brahmanen - de hoogste klasse - hen niet als de besten acht die alle respect verdienen en het waard zijn in vriendelijke bewoordingen te worden aangesproken, dan zal o God, Uw heilzame weg verloren zijn op basis waarvan de gewone man het gezag van de wijsheid zou aanvaarden. (24) En dat is niet wat U wilt. U, die als het vergaarbekken van alle goedheid het goede wenst te doen voor de mensen in het algemeen, vernietigde middels Uw vermogens de tegenstand. O Heer, U bent de Ene van de drievoud der natuur en de handhaver van het universum en daarom heeft Uw vermogen niet [onder de rol die U nu speelt] te lijden. Die onderworpen houding is slechts [een spel voor] Uw genoegen. (25) Wat voor straf o Heer, U ook denkt dat deze twee verdienen die van een beter leven zijn, zullen we met heel ons hart aanvaarden. Neem welke maatregel die U ook maar gepast acht; we begrijpen dat we de zondelozen hebben vervloekt.'

(26) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze twee zullen elders spoedig geboorte nemen uit een goddeloze moederschoot. Met een door woede versterkte geconcentreerde geest zullen ze hecht met Mij verenigd zijn en snel weer naar Mijn aanwezigheid terugkeren. Weet dat uw vloek door Mij alleen is afgeroepen, o wijzen.'

(27) Brâhma zei: 'De wijzen hadden nu het oogstrelende, zelfverlichte bereik van Vaikunthha gezien, de verblijfplaats van de onweerstaanbare Heer. (28) Nadat ze de Allerhoogste Heer hadden omlopen en hun respect hadden getoond keerden ze opgetogen terug, vol van lof over hun ervaring met de glorie van de Vaishnava's [de dienaren van Heer Vishnu]. (29) De Opperheer zei toen tegen Zijn twee dienaren: 'Ga hier weg, weest onbevreesd, maar leef in saamhorigheid. Hoewel Ik in staat ben de vloek van een brahmaan te herroepen, wens Ik dat niet te doen, integendeel, Ik keur hem zelfs goed. (30) Dit vertrek werd voorzien door Lakshmî die boos op jullie was toen jullie haar ooit eens de toegang weigerden terwijl Ik lag te rusten. (31) Verenigd in jullie bewustzijn als Mijn vijand zullen jullie worden bevrijd van de consequentie van het niet respecteren van de brahmanen en na slechts een korte tijd naar Mij terugkeren.'

(32) Na aldus de twee poortwachters te hebben toegesproken, keerde de Opperheer terug naar Zijn verblijfplaats die wordt opgesierd door reeksen paleizen vol van de weelde der dienstbaarheid van de godin Lakshmî. (33) Maar dat gold niet voor de twee excellente halfgoden die onvermijdelijk vanwege de vloek der brahmanen de schoonheid en luister van Vaikunthha moesten ontberen en in treurnis vervielen. (34) Toen ze in dat hemelverblijf van de Heer van Vaikunthha ten val kwamen, steeg er een grote schreeuw van teleurstelling op uit al de fijne paleizen van de toegewijden. (35) Deze twee vooraanstaande  metgezellen van de Heer zijn nu via het zeer krachtige zaad van Kas'yapa de schoot van Diti binnengegaan. (36) Omdat de Allerhoogste Heer het zo wenste, zijn  jullie allen,  geplaatst voor het vermogen van deze twee onverlichte zielen van de Heer, nu uit je doen. (37) Met Hem als de oorzaak van het handhaven, scheppen en vernietigen van het universum, kan het begoochelend yogamâyâ-vermogen van de Alleroudste zelfs door de meesters der yoga niet makkelijk worden doorgrond. Maar Hij is onze Opperheer en Meester over de Geaardheden en zal alles in orde brengen. Wat zou [anders] de bedoeling zijn van ons uitweiden over dit onderwerp?'



Hoofdstuk 17: De overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum

(1) Maitreya zei: 'Toen de hemelbewoners de verklaring van Brahmâ hoorden over de oorzaak [der duisternis], raakten ze bevrijd van hun angst en keerden ze vervolgens allen terug naar hun hemelplaatsen. (2) De deugdzame Diti, vol van zorgen over de levenslange problemen waarover haar echtgenoot had gesproken met betrekking tot haar kinderen, bracht tweelingzonen ter wereld. (3) Toen ze werden geboren, waren er vele zeer angstwekkende, ongunstige voortekenen te zien in de hemel, op aarde en in de lucht. (4) De bergen en de aarde schudden van de aardbevingen en het leek alsof er uit alle richtingen vuur kwam met vallende meteoren, bliksemschichten, kometen en ongunstige gesternten. (5) Scherpe winden bliezen die voortdurend huilden en legers van cyclonen met stofwolken als hun vaandel ontwortelden de grootste bomen. (6) Samenpakkende wolken verduisterden de hemellichten met de bliksem hardop lachend in de hemel; alles was gehuld in duisternis en men kon niets meer onderscheiden. (7) Getroffen door verdriet huilde de oceaan vol van geagiteerde schepselen met hoge golven en de drinkplaatsen en rivieren waren verstoord terwijl de lotussen wegkwijnden. (8) Voortdurend verschenen er mistige halo's rondom de zon en de maan die verduisteringen vertoonden, men hoorde donderslagen en ratelende geluiden van strijdwagens komen uit de grotten in de bergen. (9) In de dorpen braakten angstaanjagende jakhals-teven vuur uit hun muilen en er waren de schreeuwen van uilen en het onheilspellende gehuil van jakhalzen. (10) De honden hieven hun koppen allerlei geluiden voortbrengend alsof ze zongen somtijds en dan weer huilden. (11) De ezels, o Vidura, renden als gekken wild balkend van hot naar haar rond in groepen waarbij ze de aarde hard raakten met hun hoeven. (12) Opgeschrikt door de ezels vlogen de vogels krijsend op van hun nesten en stond het vee zich te ontlasten en te urineren in de stallen en de bossen. (13) De koeien gaven in hun angst bloed [in plaats van melk] en uit de wolken regende het pus; de beeltenissen huilden met tranen en bomen vielen om zonder een zuchtje wind. (14) De gunstigste planeten en de andere hemellichten stonden in conjunctie, beschreven retrograde banen of namen conflicterende posities in. (15) Met uitzondering van de zonen van Brahmâ dachten al de mensen die meer van dit alles zagen, niet op de hoogte zijnde van het geheim van al deze grote voortekenen van het kwade, vol van angst dat de wereld op zijn einde liep. (16) De twee van God verlaten, eerste Daitya's van de geschiedenis groeiden snel en ontwikkelden ongewone lichamen die als van staal waren en zo groot als een berg. (17) Met hun schitterende armbanden om hun armen en met de schoonheid van de versierde gordels om hun middel die de zon deed verbleken, schudde de aarde bij iedere stap van hun voeten terwijl de toppen van hun helmen de hemel raakten en ze het zicht in alle richtingen blokkeerden.

(18) Prajâpati Kas'yapa gaf de twee hun namen: hij van de tweeling die van zijn vlees en bloed het eerst werd verwekt [en als tweede ter wereld kwam] noemde hij Hiranyakas'ipu ['hij die op goud teert'] en degene die het eerste uit Diti ter wereld kwam [en als tweede werd verwekt] noemde hij Hiranyâksha ['hij met de geest voor goud']. (19) Omdat Hiranyakas'ipu vol van verbeelding dankzij een zegen van Heer Brahmâ niet bang was dat ook maar iemand hem zou doden, slaagde hij erin de drie werelden en hun beschermheren in zijn greep te krijgen. (20) Hiranyâksha, zijn geliefde jongere broer die altijd voor hem klaar stond, doorkruiste, met een knots in zijn handen klaar om te vechten, de hogere sferen op zoek naar gewapend verzet. (21) Hij had een moeilijk te weerstreven drift, rinkelende enkelbanden van goud en was versierd met een bijzonder grote bloemenkrans over zijn schouders waarop een gigantische strijdknots rustte. (22) Trots als hij was op de fysieke en mentale kracht die hij ontleende aan de zegen, vreesde hij niemand want niemand was hem de baas, zodat de halfgoden zich vol vrees voor hem verborgen als waren ze slangen bevreesd voor Garuda. (23) Toen hij ontdekte dat Indra en de halfgoden met zijn macht voor ogen verdwenen waren en nergens te vinden, wond de leider van de Daitya's zich op en brulde hij luid. (24) Het machtige wezen gaf zijn zoektocht op en dook wraaklustig als een olifant enkel voor de sport diep de oceaan in onder het uitstoten van dat verschrikkelijke geluid.

(25) Toen hij de oceaan inging, raakten de waterdieren, de verdedigers van Varuna die zich onder water ophielden, bevangen door angst door hem te pakken te worden genomen en vluchtten toen, geïntimideerd door zijn schittering, zo ver weg als ze maar konden. (26) De oceaan voor vele jaren doorkruisend, sloeg hij met zijn knots met grote kracht keer op keer op de machtige, door de wind opgestuwde golven en bereikte zo Vibhâvarî, o Vidura, de hoofdstad van Varuna. (27) Toen hij daar in de regionen der onverlichte zielen was aangekomen, boog hij, enkel om de spot te drijven, met een lach op zijn gezicht als een laaggeborene voor Varuna, de Heer en beschermer van de waterdieren en zei: 'O grote Heer, lever strijd met Mij! (28) U bent de bewaarder van dit oord, een bekend heerser. Door uw macht die de trots terugdrong van de ingebeelde helden en waarmee u al de Daitya's en Dânava's [de zoons van Diti en Daksha's dochter Danu, beschouwd als demonen] in de wereld heb overwonnen, wist u ooit een groot koningsoffer [râjasûya] te brengen, o meester.'

(29) Aldus goed op de hak genomen door een vijand wiens ijdelheid geen grenzen kende, werd de respectabele heer der wateren kwaad, maar zich met gezond verstand intomend gaf hij ten antwoord: 'O mijn beste, we hebben het pad der gewapende strijd achter ons gelaten. (30) Er schiet me niemand anders dan de Alleroudste Persoon te binnen die naar uw tevredenheid in een gevecht met u afdoende vaardig zal zijn in de krijgskunst, o koning van de wereld. Benader Hem maar, Hij die zelfs door helden als u wordt gewaardeerd. (31) Als u Hem bereikt, o grote held, zal u snel van uw trots genezen zijn en op het slagveld tenondergaan om tussen de honden te belanden. Om het kwaad uit te roeien dat u bent en om de deugdzamen Zijn genade te tonen, verlangt Hij het om Zijn gedaanten aan te nemen.'

 

Hoofdstuk 18: De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha
 
(1) Maitreya vervolgde: 'Nadat hij de trotse woorden van de Heer der zeeën gehoord had, trok de hoogmoedige zich er weinig van aan. Hij had van Nârada gehoord waar de Heer zich ophield, o mijn beste Vidura, en begaf zich toen gehaast naar de plaats der bestraffing. (2) Aldaar zag hij hoe de glorieuze Heer die de aarde op de punten van Zijn slagtanden droeg hem in de schaduw stelde met Zijn stralende, rooddoorlopen ogen. Hij lachte luid en zei: 'O een beest van de wildernis!'  (3) Hij zei tegen de Heer: 'Kom en vecht o dwaas, laat de wereld  maar aan ons de bewoners van de lagere werelden over. De schepper van het universum vertrouwde ons deze aarde toe. Het feit dat ik Jou hier aantref zal Je bezuren, o toppunt van goddelijkheid die de vorm van een zwijn heeft aangenomen. (4) Ben Je door onze vijanden in het leven geroepen om ons te doden? Je doodde hen die aan de wereld hechten terwijl Je Jezelf niet liet zien! Jouw inwendig zinsbegoochelend vermogen stelt niks voor. De treurnis van mijn verwanten zal ik wegwissen door Jou te doden idioot! (5) Als Jij gedood bent met je schedel verbrijzeld door de knots in mijn hand, zullen al de wijzen en godsbewusten die voor Jou hun offers brachten bevrijd raken en automatisch ophouden te bestaan zonder die wortel.'

(6) Toen Hij getroffen door het offensieve wapengekletter van de vijand zag dat de aarde die Hij op Zijn slagtanden droeg schrik werd aangejaagd, droeg Hij die pijn en kwam Hij uit het water als een olifant die in het gezelschap van zijn wijfjes wordt aangevallen door een krokodil. (7) Hij die gouden haren had en schrikwekkende tanden in zijn mond, jaagde Hem die uit het water kwam op zoals de krokodil dat zou doen met de olifant. Hij brulde luid als de donder: 'Is er ook maar iets waar een vervloekte arme duivel [als Jij die voor me wegvlucht] zich voor schaamt?' (8) Terwijl  de vijand toekeek plaatste Hij  [Heer Zwijn] de aarde binnen Zijn gezichtsveld op het water en begiftigde haar met de macht van Zijn eigen kracht [om boven water te blijven]. [Daarvoor werd] Hij geprezen door de Schepper van het universum en door de machthebbers behaagd met bloemen. (9) Hiranyâksha met zijn weelde aan gouden sieraden, zijn enorme strijdknots en zijn prachtige gouden wapenrusting kwam achter Hem aan en krenkte Hem onophoudelijk in het diepst van Zijn hart met verschrikkelijk kwaaie scheldpartijen. Maar Hij lachte erover en sprak tot hem. (10) De Allerhoogste Heer zei: 'Wij [everzwijnen] zijn inderdaad schepselen van de jungle, want ik zie er naar uit om honden als jij o kwaadaardige, af te maken. [En wat betreft je beledigingen: Wij] helden die vrij zijn van de gebondenheid aan de dood slaan geen acht op de loze praat van iemand die gebonden is [aan deze of gene cultuur]. (11) Wij [die zaken opwroeten] zijn dieven van de voorraden van de bewoners der lagere werelden en schamen ons er niet voor. Ondanks dat We door uw knots worden belaagd zullen We er op een of andere manier in slagen in de strijd stand te houden. Waar moet men heen als men zo'n machtige tegenstander heeft uitgedaagd? (12) [Jij] als de aanvoerder van de leiders van de voetsoldaten moet stappen ondernemen om Ons onverwijld te verslaan, zonder verder na te denken. En als je Ons gedood hebt wis je daarmee de tranen weg van je naaste verwanten. Is het niet zo dat hij die niet nakomt wat hij beloofd heeft geen plaats verdiend in een vergadering?'

(13) Maitreya zei: 'De aanvaller die aldus beledigd en belachelijk gemaakt werd door de Allerhoogste der Toewijding raakte danig aangeslagen en nijdig als een uitgedaagde cobra. (14) Briesend van woede en in al zijn zinnen geroerd door de wraaklust viel de Daitya Hem snel aan en wierp hij zijn strijdknots naar de Heer. (15) De Heer echter deed een stap opzij en ontweek de klap van de knots die de vijand lanceerde, als een volleerde yogi die aan de dood ontsnapt. (16) Nadat hij zijn knots weer had opgepakt zwaaide hij er mee heen en weer en beet hij in het vuur van zijn woede op zijn lip om zich wederom op de Heer te storten. (17) Maar o zachtgeaarde [Vidura], Hij als een expert met de knots redde Zichzelf met Zijn wapen door er de vijand een slag mee toe te brengen op zijn rechter wenkbrauw. (18) Op deze manier waren Hiranyâksha en de Heer, die beiden op de overwinning uit waren, elkaar verwoed met hun enorme strijdknotsen aan het bewerken. (19) De twee vechtenden met hun lichamen verwond door de scherpgepunte knotsen, roken het gutsende bloed, hetgeen hun inzet verhoogde om verscheidene manoeuvres uit te voeren in hun poging het te winnen. Het zag eruit als een confrontatie tussen twee stieren die elkaar om een koe betwisten.

(20) O nazaat van Kuru, Brahmâ, de zelfgeborene, wilde getuige zijn van wat zich voor het heil van de wereld afspeelde en kwam begeleid door de wijzen af op de Daitya Hiranyâksha en de Superziel aller offers die Zijn vermogen had aangewend om de gedaante van een everzwijn aan te nemen. (21) Toen hij zag welke macht  de Daitya Hiranyâksha had verworven en hoe hij, zonder angst, op een niet te weerstane wijze de oppositie had gekozen, richtte de achtenswaardige Brahmâ, de leider van duizenden wijzen, zich tot de oorspronkelijke Heer Nârâyana in Zijn zwijnengedaante. (22-23) Brahmâ zei: 'Hij hier, o God, is voor de goden, de brahmanen, de koeien, de normale levende wezens en de onschuldigen die Uw voeten verwierven, een kwaadwillige, een bron van angst die onheil sticht op basis van een gunst die ik hem verleende. Hij rondwarend tot overlast van iedereen heeft als een duivel het gehele universum afgezocht bij gebrek aan een geschikte tegenstander. (24) Speel geen onschuldig spel met hem o God, hij gaat tewerk als een slang vol trucs en is arrogant, verwaten en hoogst doortrapt. (25) O Onfeilbare, wendt Uw mystiek vermogen aan en doodt de zondaar alstUblieft ter plekke voordat hij op een gegeven moment de kans grijpt zijn formidable macht verder uit te bouwen. (26) Deze donkerste avondstond die ons bekruipt vernietigt de wereld, o Ziel der Zielen, alstUblieft, breng de godsbewusten de overwinning. (27) Dit gunstige moment genaamd abhijit [de achtste muhûrta, ongeveer 's middags] is nu bijna voorbij. Maak ter wille van het welzijn van ons, Uw vrienden, snel een eind aan deze formidabele vijand. (28) De dood van dit heerschap die gelukkig uit eigen beweging hierheen kwam, is door U voorbeschikt. Toon hem in het duel Uw macht, doodt hem en herstel de vrede der werelden.'

 


Hoofdstuk 19: Het doden van de demon Hiranyâksha

(1) Maitreya zei: 'Het horen van Brahmâ's oprechte, nectargelijke woorden ontlokte een hartelijke lach aan de Heer die ze aanvaardde met een blik vol van liefde. (2) Toen, opspringend, bracht de Heer die uit het neusgat was verschenen met Zijn strijdknots de demonische vijand die onbevreesd voor Hem heen en weer sloop, zijwaarts op zijn kin een slag toe. (3) Maar die klap stopte Hiranyâksha zodanig met zijn knots, dat de Heer Zijn knots wonderbaarlijk genoeg uit Zijn handen glipte en met een verrassende gloed naar beneden wervelde. (4) Hoewel Hiranyâksha daardoor toen een uitstekende kans kreeg, hield hij zich aan de gevechtscode dat men iemand die geen wapen heeft niet aanvalt. Dit wond de Heer op. (5) Toen Zijn strijdknots viel rees er een angstkreet op [onder de toeschouwers] maar de Almachtige Heer, geplaatst voor Hiranyâksha's rechtzinnigheid, moest aan Zijn Sudars'ana-cakra denken. (6) Spelend met de gemene zoon van Diti, deze grootste van Zijn metgezellen, liet Hij Zijn werpschijf roteren en werd toen onthaald met verschillende uitingen van ongeloof van de kant van hen die zich onbewust [van al Zijn vermogens] in de hemel verdrongen en zeiden: 'Alle geluk aan U, breng hem alstUblieft ter dood.'

(7) Toen de Daitya Hem die ogen had gelijk de blaadjes van lotusbloemen, met Zijn schijf gewapend voor zich zag, klaar voor hem en hem aankijkend, raakte hij buiten zinnen van verontwaardiging en beet hij in grote weerzin sissend als een slang op zijn lippen. (8) Met zijn angstaanjagende, enorme tanden en starende, vuurschietende ogen viel hij Hem toen aan met zijn knots uitroepend: 'En zo wordt Je dan verslagen!', en slingerde hem naar de Heer. (9) Hoewel die knots o zoeker van de waarheid, de kracht had van een orkaan, werd hij door de Heer der offers die de vorm van een everzwijn had aangenomen, voor ogen van Zijn vijand speels met Zijn linkerpoot afgeweerd.

(10) Toen zei Hij: 'Raap hem op en probeer het nog eens, als je het zo graag wil winnen'. Op dat ogenblik deed de aldus uitgedaagde Hiranyâksha luid brullend opnieuw een uitval. (11) De Heer die de strijdknots op zich af zag komen zette zich schrap en ving hem net zo makkelijk op als Garuda een slang beetgrijpt. (12) Met zijn bravoure aldus gefrustreerd was de grote demon gekrenkt in zijn trots en had hij er vernederd geen zin meer in de knots weer terug te nemen die de Heer hem aanbood. (13) In plaats daarvan nam hij een drietand ter hand en stoof laaiend als vuur verwoed op de Varâhagedaante van de Heer der Offers af, zoals iemand met kwaad in de zin tegen een brahmaan in zou gaan. (14) De glanzende drietand die de machtigste onder de Daitya's met al zijn kracht naar de Heer had geworpen, lichtte in zijn vlucht helderder op maar, zoals Indra Garuda zijn vleugel afsneed [toen hij ooit eens een pot nectar had weggegrist], werd hij in stukken gehakt door de scherpgerande cakra. (15) Toen hij zijn drietand in stukken gehakt zag door de Heer Zijn werpschijf, kwam hij woedend brullend naar voren om de brede met het S'rîvatsateken gemerkte borst van de Heer, de verblijfplaats van de godin, hard met zijn vuist te treffen. Daarna verdween de demon uit het gezicht. (16) Door hem aldus getroffen, o Vidura, was de Allerhoogste Heer in Zijn eerste incarnatie als een zwijn niet in het minst geraakt. Hij was niet meer beroerd dan een olifant geslagen met een bos bloemen. (17) De omstanders echter zagen hoe de Heer van het inwendig vermogen nu belaagd werd door een serie trucs en vol van angst dachten ze dat het einde van de wereld op handen was. (18) Felle winden raasden en in alle richtingen verspreidde zich door het stof duisternis terwijl er stenen naar beneden kwamen alsof een heel leger bezig was. (19) De hemellichten verdwenen achter massa's wolken waaruit het donderde en bliksemde, terwijl het de hele tijd pus, haar, bloed, ontlasting, urine en beenderen regende. (20) O zondeloze, vanuit de bergen werden allerlei soorten wapens gelanceerd en men zag naakte duivelinnen met loshangende haren die gewapend waren met drietanden. (21) Vele woeste duivels en demonen te voet, te paard, op strijdwagens en met olifanten verschenen ten tonele die wrede, moorddadige woorden riepen. (22) Volgend op dit magisch machtsvertoon van de demon lanceerde de geliefde genieter der drie offers [van het luisteren, de goederen en de adem, zie B.G. 4: 26-27] die een einde aan dat alles wilde maken het wapen van Zijn meest uitnemende aanwezigheid [de Sudars'ana-cakra].

(23) Op dat moment doortrok plotseling een huivering het hart van Diti [de moeder van de demon] en zich de woorden van haar echtgenoot [Kas'yapa] herinnerend vloeide er bloed uit haar borsten. (24) Toen zijn magische krachten verdreven waren [door de lancering van de cakra] doemde de demon opnieuw op voor de Opperheer en omhelsde hij Hem vol razernij  om Hem te pletten, maar hij ontdekte dat de Heer zich buiten zijn greep bevond. (25) Hiranyâksha sloeg Heer Adhokshaja [Hij voorbij de controle der zinnen] met zijn vuist hard als een donderslag, maar kreeg van Hem een trap precies onder zijn oor, zoals de heer der Maruts [Indra] dat deed met de demon Vritra. (26) Hoewel door de onoverwinnelijke Heer slechts terloops geraakt, tolde het lichaam van de duivel in het rond, puilden zijn ogen uit hun kassen en viel hij, met zijn armen en benen levenloos en zijn haar in wanorde, als een gigantische boom geveld door de wind ter aarde.

(27) De zelfgeborene [Brahmâ] en de anderen die hem op de grond zagen liggen met zijn bloed nog niet uit zijn gezicht weggetrokken en zijn schrikwekkende tanden door zijn lip, zeiden, vol bewondering naderbij komend: 'O waarlijk wie kon er nu zo zijn eindbestemming vinden? (28) Hij op wie de yogi's in afzondering verzonken in de vereniging van hun bewustzijn mediteren om bevrijding te vinden uit het onwerkelijke, materiële lichaam, trof met een van Zijn poten de zoon, het kroonjuweel van de Daitya's, die zijn lichaam verliet terwijl hij Hem in het gelaat staarde. (29) Beide medewerkers van de Heer zijn vervloekt om enkele levens opnieuw geboorte te nemen in goddeloze families, waarna ze weer naar hun posities zullen terugkeren.'

(30) De halfgoden zeiden: 'Alle eer aan U, o Genieter Aller Offers die ter wille van de handhaving [van deze wereld] een gedaante van zuivere goedheid hebt aangenomen. Tot ons grote geluk hebt U een einde gemaakt aan hem hier die zoveel onheil stichtte in al de werelden. Met de toewijding tot Uw voeten, zijn we nu op ons gemak.'

(31) S' Maitreya zei: 'Na aldus de zo hoogst machtige Hiranyâksha te hebben gedood, keerde de Heer, de oorsprong van de zwijn-incarnatie, onder de lofprijzingen van hem die op de lotus is gezeten en de andere goden, terug naar Zijn hemelverblijf waar men ononderbroken [Zijn glorie] viert. (32) Ik heb u, beste vriend, uiteengezet zoals het mij werd verteld, hoe de Opperheer door neder te dalen in een materiële gedaante, een einde maakte aan de acties van die zo heel machtige Hiranyâksha die in een groots gevecht werd gedood alsof hij een speeltje was.' "

(33) Sûta zei: "Toen Vidura, de grote toegewijde, aldus van de zoon van Kushâru [Maitreya] de vertelling vernam over de Allerhoogste Heer, bereikte hij het opperste geluk o brahmaan [S'aunaka]. (34) Als men zich al verheugt over het aanhoren van de verhalen van deugdzame zielen van naam en faam, welk een vreugde ontleent men dan wel niet aan het luisteren naar een verhaal over Hem met het S'rivatsateken op de borst? (35) Toen de koning der olifanten [Gajendra] die door een krokodil werd aangevallen, mediteerde op de lotusvoeten terwijl zijn wijfjes jammerden, werd hij snel van het gevaar verlost [zie 8.2-4]. (36) Wie zou er niet z'n toevlucht nemen tot Hem die zo gemakkelijk te aanbidden is voor mensen zonder pretenties; welke dankbare ziel zou geen dienst verlenen aan degene die onmogelijk te aanbidden is voor hen die geen echte zoekers zijn? (37) Hij die verneemt over, zingt over en genoegen beleeft aan dit wonderlijke avontuur van de Allerhoogste die als een zwijn de aarde ophief uit de oceaan en Hiranyâksha doodde, zal terstond worden bevrijd, zelfs als hij een brahmaan aan zijn eind hielp, o tweemaal geborene! (38) Deze vertelling is hoogst stichtelijk, is zeer heilig en verschaft weelde, roem en een lang leven en zal iemand alles bezorgen wat hij nodig heeft. Wie er ook maar naar luistert zal op het slagveld er zijn levenskracht en zinnen door gesterkt zien en aan het eind van zijn leven er de toevlucht van Nârâyana mee verkrijgen, o beste S'aunaka."


Hoofdstuk 20: De Wezens Geschapen door Brahmâ

(1) S'aunaka zei: "Wat was het, nadat de aarde in haar positie was teruggeplaatst [door Heer Varâha] o zoon van Romaharshana [Sûta], dat Svâyambhuva Manu [zie 2.7: 2, 3.12: 54, 3.13: 2] deed om hen die geboren zouden worden de weg te wijzen? (2) Vidura, de grote, zuivere toegewijde en intieme vriend van Heer Krishna, verliet zijn oudere broer [Dhritarâshthra] omdat hij en zijn honderd zoons tegen Krishna ingingen. (3) Geboren uit het lichaam van Vyâsa en in geen enkel opzicht minder dan hij, nam hij met heel zijn hart zijn toevlucht tot Heer Krishna en volgde hij hen die Hem zijn toegewijd. (4) Wat vroeg deze held van de zuiverheid toen hij de heilige plaatsen bezocht aan Maitreya, de meest vooraanstaande kenner van het geestelijk leven die hij had ontmoet te Kus'âvarta [Hardwar] waar hij toen verbleef? (5) Toen de twee hun conversatie hadden, o Sûta, resulteerde dat in de onberispelijke vertellingen die gelijk de wateren van de Ganges alle zonden wegvagen als men zijn toevlucht neemt tot de Heer Zijn lotusvoeten. (6) Moge al het goede uw deel zijn! Vertel ons de verhalen over Zijn onzelfzuchtige handelingen die het bezingen zo waard zijn.  Welke toegewijde die waardering heeft voor de emotionele relaties [rasa's] die men met Hem heeft zou ooit genoeg hebben van het zich laven aan de nectar van de Heer Zijn spel en vermaak?"

(7) Aldus verzocht door de wijzen verzameld in het Naimishâranyawoud, zei Sûta die zijn denken aan de Heer had gewijd hen toen: "Luister enkel hiernaar."

(8) Sûta zei: "Vidura die had gehoord hoe de Heer het lichaam van een Zwijn had aangenomen, middels Zijn eigen vermogen de aarde had opgeheven van de bodem van de oceaan en op sportieve wijze achteloos Hiranyâksha had gedood, was vol van vreugde en richtte zich tot de wijze. (9) Vidura zei: 'O heilige wijze, kenner van dat wat ons verstand te boven gaat, zeg ons alstublieft waar Brahmâ mee begon nadat hij de Prajâpati's had voortgebracht die de mensheid tot stand brachten. (10) Hoe leefden de geleerden onder leiding van Marîci de brahmaanse orde van Svâyambhuva Manu na en hoe ontwikkelden ze deze wereld? (11) Gingen ze gehuwd te werk, behielden ze hun onafhankelijkheid of werkten ze allen samen toen ze dit alles tot stand brachten?'

(12) Maitreya zei: 'Door Mahâ-Vishnu, door de eeuwig werkende macht van de goddelijke voorzienigheid, raakte het evenwicht van de drie geaardheden in de natuur verstoord zodat het geheel van de materiële elementen van de Fortuinlijke werd voortgebracht. (13) Vanuit het grootste van de kosmische intelligentie [de mahat-tattva], vond zoals beschikt door de goddelijkheid, beginnend vanuit [het ruimtelijk krachtveld van] de ether de geboorte van de fundamentele werkelijkheid van de materiële elementen plaats [het ego zoals gekend] in groepen van vijf [de vijf elementen, vijf zintuigen, vijf zinsobjecten en vijf zinsorganen] met de drievoudigheid van de natuur waarin het onderdeel van de hartstocht [of de kwaliteit van de beweging] overheerst. (14) Die elementen, welke op zichzelf de materiële samenhang van het universum niet konden voortbrengen, gingen combinaties aan met de eenheid van het goddelijke en produceerden een bol die glansde als van goud. (15) Hij lag in de wateren van de oceaan der oorzaken als een ei in een onbewuste staat voor de duur van in feite nogal wat meer dan een duizendtal [hemelse] jaren voordat de Heer [als Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin binnenging. (16) Uit de Heer Zijn navel ontsproot toen de lotus van een duizend en meer zonnen met een schitterende pracht [het sterrenstelsel, zie 2.2: 24-25]. Hij vormt de verblijfplaats voor alle geconditioneerde zielen waar de zelfgeborene [Heer Brahmâ, de Schepper] als eerste zijn bestaan vond. (17) Toen de Heer die in de causale wateren rust Brahmâ's hart binnenging, schiep hij het universum zoals hij dat voorheen had gedaan.

(18) Allereerst schiep hij vanuit zijn schaduw de vijf soorten onwetendheid genaamd tâmisra [vergetelheid], andha-tâmisra [de illusie van de dood], tama [het zich niet kennen], moha [de illusie de materie te zijn] en mahâ-moha [verzot zijn op de materie, de hunkering; vergelijk 3.12: 2]. (19) Ontevreden wierp Brahmâ dit lichaam van onwetendheid af dat toen in de vorm van de nacht, die de bron vormt van honger en dorst, in bezit werd genomen door Yaksha's [boze geesten] en Râkshasa's [wildemannen, demonen]. (20) Beheerst door die honger en dorst jaagden ze om hem te verslinden en riepen in hun toestand uit: 'Spaar hem niet!' (21) Dat stoorde de godheid die hen toen zei: 'Eet me niet op, maar hou me in leven, want jullie Râkshasa's en Yaksha's zijn mijn zoons!' 

(22) De halfgoden die uitblinken met de glorie der godvrezendheid en het eerst werden voortgebracht, namen bezit van de stralende vorm van het daglicht dat als het voertuig van God was achtergebleven. (23) De god schonk toen van achteren het leven aan de goddelozen die, verzot op seks, in hun lust te copuleren toenadering zochten tot de Schepper. (24) Aanvankelijk moest de aanbiddelijke Heer erom lachen te worden gevolgd door de schaamtelozen der duisternis, maar toen haastte hij zich verschrikt en geïrriteerd, om weg te komen. (25) Hij wendde zich tot Hem wiens voeten worden gezocht en die alle gunsten verleent, de Heer die het leed verdrijft en die, om de toegewijden Zijn genade te tonen, zich manifesteert in een geschikte gedaante: (26) 'Bescherm Mij o Superziel, op Uw gezag schiep ik al die zondige levende wezens die me benaderen om seks te hebben, o Meester. (27) Alleen U kan werkelijk de mensen verlossen die te lijden hebben onder het materiële leed, alleen U kan hen die niet hun heil zoeken bij Uw voeten een halt toeroepen.'

(28) Hij die feilloos weet wat er in iedere ziel omgaat zei, toen hij het leed van Heer Brahmâ zag: 'Werp uw onzuivere lichaam af' en aldus opgedragen wierp hij het af. (29) Dat lichaam [in de vorm van een vrouw] was betoverend met rinkelende enkelbelletjes, aanbiddelijke voeten, overweldigende ogen en een met goud versierde, blinkende gordel om de heupen gehuld in een fijne stof. (30) De borsten waren dicht op elkaar gedrukt en hoog opgeheven, de neus was welgevormd, de tanden prachtig, de glimlach lieflijk en de blik uitdagend. (31) Ze verborg zichzelf uit verlegenheid. O Vidura, kijkend naar de vlechten van haar zwarte haar waren al de goddelozen door de vrouw in beslag genomen: (32) 'O wat een schoonheid, wat een gratie; o welk een bloeiende jeugd! Dat zij zich onder ons begeeft, wij die zo naar haar verlangen, alsof ze vrij is van hartstocht!' (33) Zich verliezend in allerlei speculaties over de avondschemering die de vorm van een jonge vrouw had aangenomen, vroegen ze vol van respect verzot op haar, maar met slechte gedachten in hun hoofd: (34) 'Wie ben jij? Wie behoor jij toe, o schoonheid? Waarom ben je naar hier gekomen, o hartstochtelijke dame? Je brengt ons ongelukkigen, het hoofd op hol met het onbetaalbare bezit van jouw schoonheid! (35) Wie je ook moge zijn, o mooi meisje, door het geluk jou te zien spelen met een bal zijn wij toeschouwers van ons verstand beroofd. (36) Rondstappend met je lotusvoeten o prachtige vrouw, stuiter je die bal met de palm van je hand. Het gewicht van je volle borsten moet wel erg vermoeiend zijn bij die taille van je. Je ziet er wat moe uit, maak je vlechten maar los!'

(37) De goddelozen die aldus met hun verstand beneveld de avondschemering hielden voor de verlokkende, begeerlijke vorm van een vrouw, grepen haar toen. (38) Met een veelbetekenende glimlach schiep de aanbiddelijke Heer daarop vanuit het zelfbewustzijn van Zijn eigen lieflijkheid de geledingen der hemelse muzikanten en dansmeisjes [de Gandharva's en Apsara's]. (39) De lieftallige gedaante die feitelijk het schijnsel van het maanlicht was, gaf hij op en werd door de Gandharva's aangevoerd door Vis'vâvasu verheugd in bezit genomen. (40) Nadat Heer Brahmâ vanuit de luiheid de spoken en boze geesten had geschapen, zag hij hen naakt en met hun haar in de war voor zich en sloot hij zijn ogen. (41) Zij namen bezit van het lichaam dat de meester der schepping afwierp en dat bekend staat als het gapen. Men ziet de levende wezens ermee kwijlen in hun slaap en dat is een onreine staat die [met de erbij behorende spoken en boze geesten] de verbijstering vormt waarvan men spreekt als de krankzinnigheid. (42) Zich realiserend dat hij vol van energie was, schiep de aanbiddelijke Brahmâ, de meester aller schepselen, uit zijn ongeziene vorm de geledingen der Sâdhya's en Pitâ's [de onzichtbare halfgoden en verscheiden zielen]. (43) Zij, de Pitâ's, aanvaardden dat lichaam, de bron van hun bestaan, en het is door dat lichaam dat zij die goed thuis zijn in de rituelen, hun offerhandelingen [genaamd s'râddha] verrichten voor deze Sâdhya's en Pitâ's. (44) De Siddha's [zij die van speciale vermogens zijn] en ook de Vidyâdhara's [de met kennis begiftigde geesten] werden geschapen uit zijn eigenschap voor het gezicht verborgen te blijven. Hen schonk hij die wonderschone vorm van zichzelf die bekend staat als Antardhâna [van het aanwezig zijn maar ongezien blijven]. (45) Vanuit het zich bewonderen toen hij zijn spiegelbeeld in het water zag, schiep de meester in zijn zelfreflectie de Kinnara's [de machtigen] en Kimpurusha's [de aapachtigen]. (46) Zij namen bezit van de vorm van de schaduw die hij achter liet, om welke reden ze telkens omstreeks de dageraad [tijdens de brâhma-muhûrta, anderhalf uur voor zonsopkomst] samenkomen met hun echtgenotes om zijn daden te bezingen. (47) Toen hij eens zijn lichaam volledig uitstrekte terwijl hij neerlag, zag hij tot zijn grote bezorgdheid dat het de schepping ontbrak aan vooruitgang. Daarop gaf hij uit zijn woede toen ook dat lichaam op. (48) O Vidura, uit het haar dat uit zijn lichaam viel werden zij die geen poten hebben geschapen. Uit hun kruipende lichamen kwamen de slangen voort waarvan men bij de nijdige cobras de kraag aan hun nek ziet.
 
(49) Toen hij [eens] het gevoel had alsof hij zijn levensdoel had bereikt, ontsproten aan zijn geest de Manu's [de oorspronkelijke vaders der mensheid] die er zijn om het welzijn van de wereld te bevorderen. (50) Hen schonk hij de gedaante van zijn eigen bezielde, persoonlijke lichaam bij het zicht waarvan zij die eerder waren geschapen de Prajâpati [de stamvader] verwelkomden met de volgende lofzang: (51) 'O schepper van het universum, hoe goed hebt u alles tot stand gebracht. O, hoe degelijk hebt u al de rituele gebruiken gevestigd waarmee we kunnen delen in de offerhandelingen! (52) Door boete te doen, van aanbidding te zijn en door verbondenheid in de yogadiscipline opgegaan in de fijnste verzonkenheid, bracht u, de eerste ziener, de beheerser der zinnen, de wijzen die uw geliefde zoons zijn tot ontwikkeling. (53) Ieder van hen schonk u, de ongeborene, een deel van uw eigen lichaam dat diepe meditatie, de eenheid van de yoga, het bovennatuurlijk vermogen, de boete, de kennis en de verzaking in zich draagt.'


Hoofdstuk 21: De Conversatie tussen Manu en Kardama

(1) Vidura zei: 'O Allerhoogste, wees zo goed de zo zeer geachte dynastie van Svâyambhuva Manu te beschrijven, waarvan de seksuele gemeenschap voor al het nageslacht zorgde. (2) Priyavrata en Uttânapâda, de twee zonen van Svâyambhuva Manu, regeerden overeenkomstig de principes der religie de wereld bestaande uit de zeven continenten. (3) De dochter van die Manu genaamd Devahûti o brahmaan, was de echtgenote van de vader der mensheid waarover u sprak [zie 3.12: 27] als Kardama Muni, o zondeloze. (4) Kan u mij die er zo naar verlangt het verhaal vertellen over hoe het talrijke nageslacht van Kardama Muni, die in feite een grote mystieke yogi was begiftigd met de acht volmaaktheden [zie 3.15: 45], uit haar voortkwam? (5) En hoe brachten de bewonderenswaardige Ruci, o brahmaan, en Daksha, de zoon van Brahmâ, hun nageslacht voort nadat ze de twee andere dochters van Svâyambhuva Manu als hun echtgenotes hadden verworven?'

(6) Maitreya zei: 'Heer Brahmâ droeg de allerhoogste muni Kardama op kinderen te verwekken nadat hij zo'n tienduizend jaar boete had gedaan aan de oever van de rivier de Sarasvatî. (7) Verzonken in die verbondenheid was Kardama in zijn yoga van toegewijde dienst voor Hem, de Heer die de overgegeven zielen alles vergunt. (8) Behaagd toonde de Allerhoogste Heer met de lotusogen hem toen in Satya-yuga via het proces van het luisteren o Vidura, de absolute waarheid van Zijn bovenzinnelijk lichaam. (9) Hij zag dat dat lichaam van Hem zo stralend en zuiver was als de zon met een bloemenslinger van witte waterlelies en lotussen en een overvloed aan sluike zwart-blauwe haarlokken, een lotusgelijk gezicht en gehuld in smetteloze kleding. (10) Opgesierd met een kroon en oorsieraden dragend hield Hij, het hart betoverend met Zijn glimlachende blikken, een schelphoorn vast, een werpschijf en een strijdknots, onderwijl met een witte lelie spelend. (11) Hij zag Hem in de lucht met Zijn lotusvoeten staan op de schouders van Garuda met op Zijn borst het beroemde Kaustubha juweel dat Hij om Zijn hals had. (12) Nu het verlangen in vervulling was gegaan van hem wiens hart altijd vol van liefde was geweest, wierp hij vol van vreugde zich languit op de grond met gevouwen handen en behaagde [Hem] met gebeden.

(13) De wijze zei: 'Oh aanbiddelijke Heer, nu zijn we dan van het volkomen succes U voor ogen te hebben, het Reservoir van Alle Goedheid; het is een aanblik die [zelfs] wordt nagestreefd door yogi's die de volmaaktheid van de yoga bereikten door in vele geboorten geleidelijk op te klimmen. (14) O Heer U vervult zelfs de verlangens van hen die, vanwege Uw begoochelende energie, hun intelligentie kwijtraakten en Uw lotusvoeten -  die de boot vormen om de oceaan van het werelds bestaan over te steken -  aanbidden ter wille van oppervlakkige genoegens die ook in de hel te vinden zijn. (15) Ernaar verlangend een meisje te huwen van een gelijke gezindheid die in het huwelijksleven is als een koe van overvloed, heb ook ik U met lustmotieven benaderd, U die de wortel en oorsprong bent van alles en de wensboom die alle wensen in vervulling doet gaan. (16) O oorspronkelijke vader van allen, de geconditioneerde zielen in de greep van het verlangen zijn allen gebonden aan het touw van de woorden van U als de Heer van de levende wezens. Ik, hun voorbeeld volgend breng eveneens mijn offers voor U, o licht van de eeuwige tijd. (17) Maar zij die het opgaven hun dierlijke, aardse belangen na te jagen met inbegrip van de mensen die daar bij horen, en door Uw kwaliteiten met elkaar te bespreken hun toevlucht zochten onder de paraplu van Uw lotusvoeten, zetten met die bedwelmende nectar er een punt achter een dienaar te zijn van hun fysieke lichamen. (18) Het wiel van het universum dat met een ontzagwekkende snelheid ronddraait rond de spil van het onvergankelijke van U [Brahman] met drie assen [zon, maan en sterren], [twaalf tot] dertien spaken [als de maanmaanden], driehonderdzestig verbindingen [als de dagen in een halfgodenjaar], zes randen [als de seizoenen], en ontelbare blaadjes [momenten], verkort wel de levensduur van het universum maar niet die van de toegewijden. (19) U o Allerhoogste Heer als het Ene Zelf dat zijn gelijke niet kent, verlangt het om in Uzelf en heersend middels Uw innerlijk yogamâyâ-vermogen, de universa in het leven te roepen die U op eigen kracht schept, handhaaft en weer in U opneemt zoals een spin  dat doet. (20) Deze materiële wereld met haar grofstoffelijke en subtiele elementen die U voor ons manifesteert, is er niet enkel omdat U ons zinsgenoegens wilt verschaffen. Laat die wereld er ook zijn voor ons uiteindelijke heil [de zaligheid], telkens als we door Uw grondeloze genade de gedaante mogen zien van de Fortuinlijke prachtig met de tulsî [van de toewijding voor U]. (21) Teneinde de onthechting van het genieten van de vruchten tot stand te brengen, bracht U middels Uw energieën, de materiële werelden voort. Zonder ophouden breng ik mijn eerbetuigingen aan de aanbiddelijke lotusvoeten die alle zegen doen neerdalen op de onaanzienlijken.'

(22) De wijze [Maitreya] zei: 'Aldus oprecht geprezen beantwoordde Heer Vishnu Kardama Muni in bewoordingen zoet als nectar, terwijl Hij, stralend van genegenheid op de schouders van Garuda staande, met een glimlach toekeek vanonder Zijn expressieve wenkbrauwen. (23) De Allerhoogste Heer zei: 'Bekend met wat er in je omgaat heb ik reeds voorzien in dat waarvoor je jezelf hebt getraind met Mij als de enige om te aanbidden. (24) De exclusieve aanbidding van Mij zoals die er kan zijn door mensen als jij die hun aandacht geheel op Mij gevestigd hebben, is nimmer zonder zin en betekenis o leider der levende wezens. (25) De zoon van de vader der mensen [Brahmâ], de keizer Svâyambhuva Manu, wiens rechtschapen handelingen alom bekend zijn, leeft in Brahmâvarta [de wereld als deel van Brahmâ's lotus] waar hij heerst over de zeven zeeën en de aarde. (26) Hij, de heilige koning, o geleerde, zal overmorgen hier naar toe komen met zijn koningin omdat hij u als expert in religieuze zaken wil ontmoeten. (27) Hij heeft een volwassen dochter met zwarte ogen en een karakter vol van goede kwaliteiten en is op zoek naar een echtgenoot. Hij zal u haar hand schenken o meester, daar u een geschikte kandidaat bent. (28) Zij is degene naar wie uw hart al deze jaren heeft uitgezien, zij is uw prinses o brahmaan en zal u spoedig van dienst zijn naar uw zin. (29) Zij zal, van het zaad dat door u in haar wordt gezaaid, negen dochters ter wereld brengen en uit die dochters zullen de wijzen al hun kinderen verwekken. (30) Als u naar behoren Mijn instructies hebt nageleefd en volledig gezuiverd bent naar Mij toe in de verzaking van de vruchten van het handelen, zal u Mij uiteindelijk bereiken. (31) En als u mededogen hebt getoond en alle zielen zekerheid hebt verschaft, zal u zelfverwerkelijkt zijn en uzelf en het universum zien als zich bevindend in Mij en Mij als aanwezig in uzelf. (32) Via uw zaad zal ik [persoonlijk verschijnen] als Mijn eigen volkomen expansie o grote wijze en uw vrouw Devahûti onderrichten in de leer van de uiteindelijke werkelijkheid.'

(33) Maitreya zei: 'Nadat Hij aldus tot hem had gesproken vertrok de Allerhoogste Heer die rechtstreeks door de zinnen kon worden waargenomen, van het Bindu-sarovar-meer waar doorheen de rivier de Sarasvatî stroomt. (34) Terwijl Hij recht voor zijn ogen vertrok [naar de geestelijke wereld] via het pad der perfectie dat wordt geprezen door alle bevrijde zielen, hoorde de wijze in de vleugelslag van de drager van de Heer [Garuda] de hymnen weerklinken die de Sâma Veda vormen. (35) Toen, na Zijn vertrek, bleef Kardama, de grote en machtige wijze, achter op de oever van het Bindu-meer, in afwachting van wat komen zou.

(36) Svâyambhuva Manu klom samen met zijn vrouw in een met goud beslagen strijdwagen, plaatste zijn dochter erop en reisde rond door de hele wereld. (37) O grote boogschutter, zoals voorspeld door de Heer, bereikte hij de hermitage van de wijze precies op de dag dat hij klaar was met zijn geloften van verzaking. (38-39) Het heilige, heilzame water van de Sarasvatî dat door het meer stroomde, was de nectar die door reeksen van grote heiligen werd bezocht. Het was waarlijk een meer van tranen, zoals het werd genoemd naar aanleiding van de tranen die neervielen uit de ogen van de Heer toen Hij overweldigd was door Zijn enorme mededogen voor deze overgegeven ziel. (40) De plaats was heilig met groepjes bomen en struiken met de aangename schreeuwen van goedaardige dieren en vogels. Omlijst door de schoonheid van het geboomte, was het rijk aan vruchten en bloemen gedurende alle seizoenen. (41) Het bruiste er van het leven met allerlei kolonies vogels, doldwaze bijen die als gekken rondzoemden, trots dansende pauwen en vrolijke koekoeken die elkaar toeriepen. (42-43) Het meer werd opgeluisterd door kadamba-, campaka-, a'soka-, karañja- en bakulabloemen en âsana, kunda, mandâra, kuthajabomen en jonge mangobomen en men hoorde er de aangename geluiden van kârandava eenden, plava's, zwanen, visarenden, waterhoenen, kraanvogels, cakravâka- en cakoravogels. (44) Ook waren er massa's reeën, wilde zwijnen, stekelvarkens, gavaya's [wilde koeien], olifanten, bavianen, leeuwen, apen, stokstaartjes en muskusherten.

(45-47) Toen de eerste monarch met zijn dochter die uitgelezen plek betrad zag hij de wijze voor zijn hut zitten, offers brengend in het vuur. Zijn lichaam straalde schitterend door zijn lang volgehouden, verschrikkelijke yogaboete en was niet erg uitgemergeld, want de Heer had Zijn liefdevolle, zijdelingse blik op Hem geworpen en hem doen luisteren naar Zijn maangelijke ambrozijnen woorden. Hij was lang met ogen als de bloembladen van een lotus, had samengeklitte haarlokken en gescheurde kleding. Hem benaderend maakte hij een vervuilde indruk als was hij een ongepolijste edelsteen. (48) De monarch die zijn stulpje had benaderd boog voor hem, waarop de wijze hem eervol ontving en hem verwelkomde zoals dat voor een koning gepast is. (49) Na zijn eerbetoon in ontvangst te hebben genomen, bleef hij stil neerzitten en was hij verrukt te horen wat de wijze, indachtig wat de Heer hem had opgedragen, toen op aangename wijze zei:

(50) 'Ik ben er zeker van o goddelijke persoonlijkheid, dat uw rondgang er is om de deugdzamen te beschermen en hen die van het onware zijn te dwarsbomen, aangezien u de persoon bent die de Heer Zijn beschermend vermogen vertegenwoordigt. (51) Naar gelang de noodzaak neemt u de verschillende gedaanten aan van de zon, de maan, het vuur [Agni], de Heer van de hemel [Indra], de wind [Vâyu], de bestraffing [Yama], de religie [Dharma] en van de wateren [Varuna]. Ik bied Hem, de Heer Vishnu die U is, mijn eerbetuigingen. (52-54) Als u de strijdwagen der overwinning overdekt met massa's edelstenen niet had beklommen en uw boog niet zo schrikwekkend had laten zoeven en al de schurken angst had aangejaagd met uw aanwezigheid, als onder uw leiding een leger van marcherende soldaten te voet niet de aarde had doen schudden met het bestrijken van de aardbol als de schitterende zon, dan zouden zeker alle gedragsregels en verplichtingen van de roepingen [varna] en leeftijdsgroepen [âs'rama] zoals die door de Heer zijn ingesteld o Koning, op betreurenswaardige wijze zijn gebroken door de boeven. (55) Als u zou rusten, dan zou het onrecht zegevieren met het ontbreken van de greep op mensen die eenvoudigweg op het geld uit zijn. Deze wereld zou dan door de onverlaten in bezit worden genomen en tenondergaan [zie ook B.G. 3: 23]. (56) Niettemin vraag ik u, o heldhaftige, wat de reden is van uw bezoek, want dat zullen we zonder te aarzelen met hart en ziel ten uitvoer brengen.'



Hoofdstuk 22: Het huwelijk van Kardama Muni en Devahûti

(1) Maitreya zei: 'Nadat de wijze op deze manier het grootse van de deugden en handelingen van keizer Manu had beschreven viel hij stil. De keizer die er enigszins door in verlegenheid was gebracht richtte zich toen tot hem. (2) Manu zei: 'Jullie [brahmanen] zijn in jullie verbonden zijn in boete, kennis en yoga en afgekeerd zijn van zinsbevrediging door de Schepper uit Zijn mond geschapen met de bedoeling Hem hoog te houden met lofzangen [Vedische hymnen]. (3) En wij werden door de Vader met de Duizend Voeten [de Heer van de Universele Gedaante] geschapen uit Zijn duizend armen om hen weer te beschermen. Zo worden de brahmanen Zijn hart en de kshatriya's [de bestuurders] Zijn armen genoemd. (4) Omdat de godheid, Hij de Onvergankelijke die zowel oorzaak als gevolg is, hen beiden hooghoudt, komen de brahmanen en de kshatriya's op voor elkaar zowel als voor [het belang van] de ziel. (5) Door enkel maar te zien hoe u o allerhoogste, persoonlijk zo liefdevol uitlegde wat de plicht van een koning is jegens zijn onderdanen, zijn al mijn twijfels opgelost. (6) Tot mijn grote geluk o machtige, kon ik u treffen die niet makkelijk te zien bent voor hen die zich niet overeenkomstig de ziel gedragen. Ik was er gelukkig toe in staat om met mijn hoofd het stof van uw voeten te beroeren die alle zegen brengen. (7) Ik ben zo gelukkig dat mij de grote gunst ten deel is gevallen door u geïnstrueerd te worden. O wat een geluk is het om met gespitste oren te hebben mogen luisteren naar uw zuivere woorden! (8) O wijze, hooggeëerde, wees nu zelf verheugd te luisteren naar de bede van deze bescheiden persoon wiens geest vol zorgen is uit liefde voor zijn dochter. (9) Deze dochter van mij, de zuster van Priyavrata en Uttânapâda, is op zoek naar een echtgenoot die geschikt is qua leeftijd, karakter en goede kwaliteiten. (10) Vanaf het moment dat ze van Nârada Muni vernam over uw nobele karakter, geleerdheid, verschijning, jeugd en deugd, zette ze haar zinnen op u. (11) Aanvaard haar derhalve alstublieft o beste der tweemaal geborenen, ik biedt u haar aan in de overtuiging dat ze in alle opzichten geschikt is voor uw huishoudelijke taken. (12) Om iets waarnaar men verlangde en dat uit zichzelf kwam af te slaan is niet aan te raden, zelfs niet voor iemand die vrij is van gehechtheid aan zingenot, om nog maar te zwijgen van iemand die eraan verslaafd is. (13) Hij die wat hem [genereus] wordt aangeboden afwijst en dat zoekt bij een gierig iemand, gooit zijn eer te grabbel en zal zijn goede naam en faam geschaad zien. (14) O wijze man, ik hoorde dat u van plan was om te trouwen en derhalve niet de eed van onafgebroken celibaat hebt afgelegd. Aanvaardt dan alstublieft mijn aanbod [*].'

(15) De rishi gaf ten antwoord: 'Ja, ik wil graag trouwen en uw dochter heeft zichzelf aan niemand anders beloofd. Op basis hiervan zal een huwelijk van ons volgens de regels gepast zijn. (16) Laat dat verlangen van uw dochter dat wordt ondersteund door het schriftuurlijk gezag in vervulling gaan o Koning. Wie zou uw dochter nu niet aanbidden? De luister van haar lichaam alleen al overtreft de schoonheid van haar sieraden! (17) [Maar...] was het niet Vis'vâvasu [een Gandharva, een hemelbewoner], die, toen hij haar met haar tinkelende enkelbelletjes en een enthousiaste blik op het dak van het paleis zag spelen met een bal, verdwaasd uit zijn verheven positie [zijn 'hemelwagen'] ten val kwam met een ontregelde geest? (18) Welke man van wijsheid zou niet haar, dat sieraad van de vrouwelijkheid, verwelkomen die op eigen gelegenheid kwam [om mijn hand te vragen] als de geliefde dochter van Manu en zuster van Uttânapâda, zij die niet wordt gevonden door hen die de voeten van de godin van het fortuin gemist hebben? (19) Dit is daarom mijn voorwaarde: Ik zal het kuise meisje aanvaarden zo lang als ze nodig heeft om zwanger te raken van het van het zaad van mijn lichaam. Daarna ben ik van zins de verplichtingen van dienstverlening op me te nemen die worden nageleefd door de besten der volmaakten [de paramahamsa's], die geweldloos zijn en waarover de Heer tot mij sprak [in 3.21: 31]. (20) Het hoogste gezag voor mij is de Allerhoogste Onbegrensde, de Heer van de vaders der mensheid [de Prajâpati's] uit wie deze wonderbaarlijke schepping voortkwam, Hem in wie zij [die schepping] weer zal opgaan en bij wiens genade zij op dit moment bestaat.'

(21) Maitreya zei: 'Hij, o grote strijder, zei niet meer dan dat en werd stil met zijn gedachten gericht op Vishnu's lotusnavel. Met een mooie glimlach op zijn gelaat wist hij toen de aandacht van Devahûti te vangen. (22) Nadat Manu zich overtuigd had van het besluit genomen door de koningin moeder [S'atarûpâ] en hij ook had nagegaan hoe zijn dochter erover dacht, schonk hij buitengewoon verheugd haar weg die met evenzovele goede kwaliteiten goed aan hem [Kardama] gewaagd was. (23) S'atarûpâ, de keizerin, gaf de bruid en bruidegom liefdevol als bruidsschat waardevolle geschenken als sieraden, kleding en huishoudelijke artikelen mee. (24) De keizer bevrijd van zijn verantwoordelijkheid zijn dochter aan een geschikte persoon weg te schenken sloot haar toen in zijn armen met een overbezorgde, gekwelde geest. (25) Niet in staat afscheid van haar te nemen bleef hij maar tranen plengen en doordrenkte hij met het water van zijn ogen het haar van zijn dochter uitroepend: 'O lieve moeder, mijn liefste dochter!'

(26-27) Na toestemming gevraagd en gekregen te hebben om hem, de beste der wijzen, te verlaten, beklom de keizer met zijn echtgenote zijn strijdwagen en vertrok hij samen met zijn gevolg naar zijn hoofdstad. Onderweg genoot hij van het rustgevende uitzicht op de hermitages van de kluizenaars op allebei de bekoorlijke oevers van de rivier de Sarasvatî. (28) Op de hoogte van wie er arriveerde kwamen de bewoners van Brahmâvarta hun heer ter begroeting dolblij tegemoet met gezang, lofprijzingen en instrumentale muziek. (29-30) De stad, welke alle soorten van weelde kende, droeg de naam Barhishmatî, naar de haren van het schuddende lichaam van Heer Zwijn die daar waren neergevallen en veranderd in het eeuwig groene kus'a- en kâs'a-gras [grassen gebruikt voor zitplaatsen en matten] waarmee de wijzen de verstoorders der offers aan de door hen aanbeden Vishnu versloegen. (31) Door dat kus'a- en kâs'a-gras uit te spreiden, creëerde de hoogst fortuinlijke Manu een zitplaats in aanbidding van de Heer der Offers [Vishnu] dankzij wie hij zijn positie op aarde had verkregen. (32) De stad Barhishmatî betredend waar hij tot dan toe had geleefd, ging de machtige zijn paleis, dat de drievoudige misère [van lichaam, geest en uiterlijke natuur] versloeg, binnen. (33) Tezamen met zijn echtgenote en onderdanen genoot hij, niet gestoord door anderen, van de geneugten des levens en werd hij geprezen vanwege zijn reputatie van zedelijkheid, daar het hem in zijn hart zeer aantrok met zijn vrouwen iedere ochtend te luisteren naar de hemelse muzikanten en de verhalen over de Heer. (34) Hoewel in beslag genomen door de begoochelende eenheid der materie, was Svâyambhuva Manu als een heilige. Als sublieme toegewijde van de Heer konden zijn materiële genoegens hem niet op het verkeerde pad brengen. (35) Hij bracht zijn uren niet zinledig door. Tot aan het einde van zijn dagen bracht hij zijn leven door met het luisteren naar en zich bezinnen op en het vastleggen en bespreken van de onderwerpen van Heer Vishnu. (36) Zodoende de drie levensbestemmingen [overeenkomstig de drie geaardheden, zie B.G. hfdstk 18] overstijgend in zijn verbondenheid met de onderwerpen van Vâsudeva, duurde zijn tijdperk daardoor eenenzeventig mahâyuga's lang. (37) Hoe kan de misère met betrekking tot het lichaam en de geest, de natuurkrachten en andere mensen en levende wezens o Vidura, ooit iemand die leeft onder de hoede van de Heer, tot last zijn? (38) Hij [Manu], die altijd uit was op het welzijn van alle levende wezens, bracht, op verzoek van de wijzen, de vele soorten van plichten van de statusoriëntaties [de varna's en âs'rama's, de roepingen en leeftijdsgroepen] onder woorden, die goed zijn voor de menselijke samenleving. (39) Dit is wat ik u kon vertellen over het wonderbaarlijke karakter van Manu, de eerste keizer die alle lof verdient. Luister nu alstublieft naar hoe zijn dochter [Devahûti] zich ontwikkelde.'

 

*: Naishthhika-brahmacârî's leggen een eed af op een levenslang celibaat, upakurvâna-brahmacârî's doen dat slechts tot aan een zekere leeftijd.


Hoofdstuk 23: Devahûti's klacht

(1) Maitreya zei: 'Na het vertrek van de ouders diende de kuise vrouw die begrip had voor de verlangens van haar echtgenoot, haar man steeds met een liefde zo groot als die van Pârvatî voor S'iva, haar Heer. (2) Intiem, met een zuivere ziel, een groot respect en zinsbeheersing was ze van dienst met liefde en lieve woorden o Vidura. (3) Afziend van lust, trots, afgunst, hebzucht, zondige handelingen en ijdelheid behaagde ze haar machtige echtgenoot altijd vlijtig en met gezond verstand. (4-5) Hij, voorzeker de meest vooraanstaande van alle rishi's van God, de man van wie zij, de dochter van Manu volledig toegewijd een grotere zegen verwachtte dan van de voorzienigheid, zag dat ze zwakker werd en uitgemergeld raakte van de lang volgehouden religieuze inachtnemingen en met een van liefde stokkende stem sprak hij tot haar, overmand door mededogen. (6) Kardama zei: 'Op het ogenblik ben ik tevreden over jou o respectvolle dochter van Manu, vanwege je zeer uitnemende, allerhoogste dienstbaarheid en toewijding. Dat lichaam van je dat deze belichaming zo uitzonderlijk dierbaar is, verzorg je echter niet naar behoren; je put het uit in mijn dienst. (7) De zegeningen van de Heer die ikzelf realiseerde in mijn religieuze leven van volledig zijn opgegaan in versoberingen, meditatie en het verankeren van mijn geest in het weten, kunnen net zo goed door jou worden verworven in je toegewijde dienst aan mij. Bezie ze met behulp van de bovenzinnelijke blik die vrij is van angst en weeklagen en die ik je nu verleen. (8) Welke materiële verworvenheden zijn nu te vergelijken met deze genade van Heer Fortuin? Dat soort geneugten vinden hun vernietiging in één enkele beweging van de wenkbrauw van de Heer der Grote Stappen. Dankzij jouw gewetensvolle dienstverlening kan je nu het succes genieten van de bovenzinnelijke gaven die voor mensen die trots zijn op hun goede afkomst zo lastig te verwerven zijn.' (9) Nadat hij op deze manier had gesproken vond de vrouw die hoorde hoezeer hij uitblonk in de speciale kennis van de yoga voldoening en sprak ze met een stralend, glimlachend gezicht met een ietwat verlegen blik tot hem met een stem verstikt van nederigheid en liefde.

(10) Devahûti zei: 'O beste der brahmanen, o machtige echtgenoot, ik weet van het meesterschap van je onfeilbaarheid in de macht der yoga. Laat dan nu de belofte die je deed in vervulling gaan dat als we ons eenmaal lichamelijk verenigd hebben we dan de meerdere glorie van nageslacht mogen genieten die voor een kuise vrouw van zulk een grote waarde is. (11) Doe ter wille hiervan dat wat overeenkomstig de geschriften moet worden gedaan en waarmee dit door een onvervulde passie en emoties geteisterde, uitgeteerde, arme lichaam voor je geschikt kan worden gemaakt. En o Heer, denk alsjeblieft ook aan een geschikte woning.'

(12) Maitreya zei: 'Erop uit zijn geliefde te behagen zette Kardama zijn yogavermogen in en bracht hij terstond een hoog oprijzend paleis voort naar zijn idee van wat gewenst was, o Vidura. (13) Het beantwoordde aan alle verlangens en was wonderschoon overdekt met allerlei juwelen, had alle soorten van luxe die mettertijd toenam en zuilen gehouwen uit het meest kostbare gesteente. (14-15) Het was uitgerust met een hemel aan gebruiksartikelen en was behaaglijk in alle jaargetijden, was versierd met wimpels en vlaggen en draperieën van uiteenlopende kleuren en stoffen, bekoorlijke zoete bloemen zoemend van de bijen, fijne linnen en zijden stoffen en was behangen met verschillende wandkleden. (16) In verdiepingen boven elkaar waren er afzonderlijke voorzieningen met bedden, comfortabele ligbanken en gekoelde zitplaatsen. (17) Hier en daar was verschillend kunstzinnig beeldhouwwerk tentoongesteld met de buitengewone schoonheid van een vloer met smaragden, toegerust met verhogingen van koraal. (18) De toegangen hadden drempels van koraal en deuren prachtig overdekt met diamanten. De koepels van saffier waren gekroond met gouden torentjes. (19) Op de diamanten muren was er een keur aan robijnen die ze ogen leken te geven. Er was voorzien in verschillende baldakijnen en hoogst kostbare poorten van goud. (20) De vele kunstig gemaakte zwanen en groepen duiven her en der deden de echte die dachten dat ze hun eigen soort zagen, herhaaldelijk overvliegen onder het weerklinken van hun geluiden. (21) De lusttuinen, zitkamers, slaapkamers, binnen- en buitenplaatsen ontworpen voor het comfort deden de wijze zelf versteld staan.

(22) Kardama, die ieders hart kon doorvorsen, zag dat Devahûti er niet zo mee was ingenomen een dergelijke woning voor zich te zien en richtte zich toen persoonlijk tot haar. (23) 'Neem alsjeblieft voordat je dit hoog oprijzend paleis bestijgt o jij die het angstig te moede is, een bad in het heilige meer geschapen door Heer Vishnu [Bindu-sarovara] dat ieder verlangen van de mens in vervulling doet gaan.' (24) Zij, de lotusogige met haar samengeklitte haar en vuile kleren, gaf toen gehoor aan de woorden van haar echtgenoot. (25) Met haar lichaam en borsten groezelig en overdekt door vuil, ging ze toen het meer in dat de heilige wateren van de Sarasvatîrivier bevatte. (26) In het meer zag ze een huis voor zich met een duizendtal meisjes zo geurig als lotussen in de bloei van hun jeugd. (27) Toen ze haar zagen stonden al de maagden meteen voor haar op en zeiden ze met gevouwen handen: 'We zijn uw dienstmaagden, alstublieft zeg ons wat we voor u kunnen doen.' (28) Na haar te hebben gebaad met de kostbaarste oliën, gaven de eerbiedige meisjes de deugdzame echtgenote fijne, nieuwe, smetteloze kleren. (29) Ze gaven haar ook waardevolle sieraden en zeer uitgelezen spijzen en  zoete bedwelmende dranken die al de goede kwaliteiten in zich droegen. (30)  Toen bekeek ze in een spiegel haar lichaam dat, gezuiverd van alle vuil en in schone kleren gestoken, door de uiterst eerbiedige dienstmaagden was opgesierd met een bloemenslinger en versierd met gelukbrengende tekens. (31) Ze was van top tot teen gewassen en opgesierd met een gouden halsketting met een hanger en armbanden en tinkelende enkelbelletjes gemaakt van goud. (32) Om haar heupen droeg ze een gordel gemaakt van goud ingelegd met talloze edelstenen en ook was ze gesierd met een kostbare parelketting en gelukbrengende substanties [zoals saffraan, kunkuma - hetgeen geparfumeerd rood poeder voor de borsten is -, mosterdzaadolie en sandelhoutpulp]. (33) Met haar prachtige tanden, charmante wenkbrauwen, lieflijke, vochtige ogen die de schoonheid van lotusknoppen overtrof en haar blauwzwarte, gekrulde haar straalde ze van alle kanten. (34) Toen ze aan haar dierbare echtgenoot dacht, de meest vooraanstaande onder de wijzen, trof ze zichzelf [plots] tezamen met haar dienstmaagden daar aan waar hij, de stamvader, de Prajâpati, was. (35) Die plotselinge terugkeer in de aanwezigheid van haar man met de duizend dienstmaagden eromheen deed haar versteld staan over zijn yogavermogen.

(36-37) De wijze, die haar schoongewassen zag, hem tegemoet stralend met een ziel van een schoonheid zonder weerga, omgord en met bekoorlijke borsten, bediend door duizend hemelse meisjes en uitstekend gekleed, genoot van de aanblik en leidde haar omhoog naar die verheven plaats, o vernietiger van de vijand. (38) Ook al was hij gehecht aan zijn geliefde die werd verzorgd door de hemelse meisjes, verloor hij niets van zijn glans. Samen met haar in zijn paleis straalde zijn persoon zo charmant als de maan in de hemel omringd door de sterren die reeksen van lelies doet opengaan in de nacht. (39) In dat paleis, dat hemelse voertuig [een vimâna], reikte hij tot de lusthoven van de goden in de hemel en de dalen van Indra de koning der bergen, die zo prachtig zijn met het vallende water van de Ganges en de koele briesjes die de hartstocht opwekken. Hij die net als de schatbewaarder Kuvera was omringd door maagden, genoot aldus voor een lange tijd van zijn leven terwijl zij die van de perfectie zijn, de Siddha's, het gunstige geluid lieten weerklinken van hun lofuitingen. (40) Bemind door zijn vrouw genoot hij van de tuinen van Vais'rambhaka, Surasana, Nandana, Pushpabhadraka, Caitrarathya en het Mânasa-sarovarameer. (41) Met dat luisterrijke en grootse paleis dat aan iedere wens beantwoordde, bewoog hij net als de lucht die tot overal reikt door alle werelden en overtrof hij daarmee al de hemelse paleizen, de hemelwagens, van de grootste goden. (42) Wat zou er nu te moeilijk te bereiken zijn voor hen die vastberaden zijn, voor hen die hun toevlucht genomen hebben tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid die alle gevaar overwint?

(43) Na zijn vrouw het gehele universum te hebben getoond met alles wat erbij hoort aan vele wonderen, keerde de grote yogi terug naar zijn hermitage. (44) Teneinde zijn vrouw, de dochter van Manu, seksueel te behagen verdeelde hij zich in negen gedaanten en genoot van de vele jaren met haar als in een ogenblik. (45) In het paleis liggend op een bed dat uitstekend geschikt was voor de liefde, had zij geen notie van het verstrijken van de tijd in het gezelschap van haar zeer knappe echtgenoot. (46) Aldus verstreken voor het genietende paar dat opging in hun lusten dankzij de macht van de yoga een honderdtal herfsten als betrof het een korte spanne tijds. (47) De machtige Kardama als kenner van de ziel wist van ieders verlangen. Hij beminde haar als zijn wederhelft en loosde met zijn lichaam dat hij in negenen had verdeeld zijn zaad in haar. (48) Spoedig daarna schonk Devahûti het leven aan [negen] meisjes die allen in al hun leden even bekoorlijk waren als een geurige rode lotus. (49) Toen ze zag dat haar echtgenoot op het punt stond van huis te vertrekken, hield ze zich goed met een glimlach maar was ze innerlijk ontdaan met een hart vol leed. (50) Haar tranen bedwingend schraapte ze met de stralende, juwelen nagels van haar voet over de vloer en hield ze haar hoofd naar beneden gebogen terwijl ze zich langzaam uitdrukte in bekoorlijke woorden.

(51) Devahûti zei: 'Alles wat u me beloofd hebt mijn Heer is in vervulling gegaan, maar u moet een overgegeven ziel als ik ook vrijwaren van angst. (52) Mijn beste brahmaan, het is aan je dochters om een geschikte echtgenoot te vinden. Maar wie is er om mij te troosten als je naar het woud bent vertrokken? (53) Zonder acht te slaan op de kennis van de Allerhoogste Ziel hebben we zoveel tijd verdaan mijn meester, toen we ons uitputten in het behagen van onze zintuigen. (54) Bekoord door het bevredigen van onze zinnen ging mijn liefde voor jou niet samen met het erkennen van je bovenzinnelijk bestaan. Moge die liefde me niettemin bevrijden van alle vrees. (55) Omgang met hen die druk bezig zijn hun zinnen te behagen is de oorzaak van de kringloop van geboorte en dood, terwijl dat soort van onwetend handelen in omgang met een heilige persoon tot bevrijding leidt. (56) Als men zijn werk alhier niet verricht ter wille van een hoger, meer rechtschapen leven, als iemands rechtschapen leven niet leidt tot onthechting en als iemands onthechting niet leidt tot toegewijde dienst op de plaats waar de Lotusvoeten worden aanbeden, is men een zombie, iemand die dood is bij het leven. (57) Het lijdt geen twijfel dat ik [degene ben die] geheel misleid was door het uitwendig materieel vermogen van de Heer, want ondanks dat ik jou schenker van de bevrijding verwierf, heb ik er niet naar uitgezien bevrijd te raken uit de materiële gebondenheid.'


Hoofdstuk 24: De Verzaking van Kardama Muni

(1) Maitreya zei: 'De genadige wijze die aldus vanuit zijn verzaking sprak tot de prijzenswaardige dochter van Manu, antwoordde wat hij zich herinnerde dat Heer Vishnu gezegd had. (2) De wijze zei: 'Maak jezelf niet zulke verwijten prinses! O onberispelijke dame, de onfeilbare Opperheer zal zeer spoedig in je schoot verschijnen. (3) Moge God je zegenen voor het afleggen van de heilige geloften van de zinsbeteugeling, religieuze inachtneming, versoberingen en het schenken van geld in liefdadigheid, waarmee je met een vast geloof de Opperheer aanbidt. (4) Door jou aanbeden zal Hij mijn roem verbreiden. Hij als je zoon zal met het onderrichten van de kennis van Brahman [de Absolute Waarheid] de knoop in je hart doorsnijden.'

(5) Maitreya zei: 'Devahûti in haar grote respect voor de leiding die deze vader der mensheid gaf, stelde volledig vertrouwen in hem en aanbad aldus de meest aanbiddelijke persoon, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God die aanwezig is in ieders hart. (6) Na vele, vele jaren ging de Opperheer, de doder van Madhu, het zaad van Kardama binnen en verscheen Hij zoals vuur dat doet in brandhout. (7) Er weerklonken toen muziekinstrumenten vanuit de regenwolken in de hemel, de Gandharva's bezongen Hem en de Apsara's dansten in vreugdevolle extase. (8) De goden die zich door de hemel bewegen strooiden prachtige bloemen uit en alle windstreken, alle wateren en alle geesten werden gelukkig. (9) De zelfgeborene [Brahmâ] kwam toen samen met Marîci en de andere wijzen naar Kardama's plaats waar de Sarasvatî langsstroomt. (10) O doder van de vijand [Vidura], de onafhankelijke ongeborene [Brahmâ] wist dat de Opperheer, het hoogste gezag van Brahman, als een volkomen deelaspect uit zuivere goedheid was verschenen om de filosofie van de analytische yoga [Sânkhya yoga] uiteen te zetten. (11) Na met een zuiver hart [de persoonlijkheid van] Vishnu te hebben aanbeden zei de ongeborene in al zijn zinnen verheugd over Zijn optreden, het volgende tegen Kardama en Devahûti.

(12) Brahmâ zei: 'Kardama, door mijn aanwijzingen ten volle te aanvaarden o zoon, heb je mij geëerd en slaagde je erin mij te aanbidden zonder te huichelen. (13) Precies op deze manier behoort een zoon zijn vader van dienst te zijn. Met de nodige achting 'Ja dat zal ik' zeggend, moet hij de aanwijzingen van zijn geestelijk leraar [of zijn vader] opvolgen. (14) Deze volslanke, kuise dochters van je mijn beste zoon, zullen met hun kroost op verschillende manieren bijdragen tot deze schepping. (15) Schenk derhalve alsjeblieft vandaag je dochters weg aan de meest vooraanstaande wijzen in overeenstemming met het temperament en de voorkeur van de meisjes, en verspreid daarmee je roem over de hele wereld. (16) Ik weet dat de oorspronkelijke genieter, Hij die alle verlangens van de levende wezens vervuld, nederdaalde op basis van Zijn inwendig vermogen en het lichaam van Kapila Muni heeft aangenomen o wijze. (17) Met behulp van de spirituele kennis en de wetenschap van de vereniging van het bewustzijn in de yoga zal Hij die men herkent aan Zijn gouden haar, Zijn lotusogen en Zijn met de lotus gemerkte voeten, de wortels van de baatzuchtige arbeid blootleggen. (18) Devahûti, weet dat de doder van de demon Kaithabha je baarmoeder is binnengegaan en met het doorklieven van de knoop der onwetendheid en twijfel de hele wereld zal rondtrekken. (19) Deze persoonlijkheid zal de leider zijn der volmaakten, Zijn Vedische analyse zal de goedkeuring wegdragen van de leraren van het voorbeeld [de âcârya's] en Hij zal, tot je meerdere eer en glorie, in de wereld bekend staan als Kapila.'

(20) Maitreya zei: 'Toen hij het echtpaar deze verzekering had gegeven keerde Hamsa [een andere naam voor Brahmâ die vliegt met de transcendentale zwaan], de schepper van het universum, tezamen met de Kumâra's [zijn zoons] en Nârada [de spreekbuis] teru