Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html




S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

Derde herziene versie 2012

 

Inleiding

 

CANTO 1: Schepping

 

Hoofdstuk 1 Vragen van de Wijzen

Hoofdstuk 2 Goddelijkheid en Dienst aan God

Hoofdstuk 3 Krishna is de Bron van Alle Incarnaties.

Hoofdstuk 4 De Verschijning van S'rî Nârada.

Hoofdstuk 5 Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.

Hoofdstuk 6 Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

Hoofdstuk 7 De Zoon van Drona Gestraft

Hoofdstuk 8 Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

Hoofdstuk 9 Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna

Hoofdstuk 10 Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ

Hoofdstuk 11 De Binnenkomst van Heer S'rî Krishna in Dvârakâ

Hoofdstuk 12 De Geboorte van keizer Parîkchit

Hoofdstuk 13 Dhritarâshthra Gaat van Huis

Hoofdstuk 14 De Verdwijning van Heer Krishna

Hoofdstuk 15 De Pândava's Trekken Zich Terug

Hoofdstuk 16 Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging

Hoofdstuk 17 De Straf en het Loon van Kali

Hoofdstuk 18 Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen.

Hoofdstuk 19 De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî

 

CANTO 2: De Kosmische Manifestatie

 

Hoofdstuk 1 De Eerste Stap in de Godrealisatie

Hoofdstuk 2 De Heer in het Hart

Hoofdstuk 3 Zuivere Toegewijde Dienst - de Verandering in het Hart

Hoofdstuk 4 Het Proces van de Schepping

Hoofdstuk 5 De Oorzaak Aller Oorzaken

Hoofdstuk 6 De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd

Hoofdstuk 7 Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's

Hoofdstuk 8 Vragen Gesteld door Koning Parîkchit

Hoofdstuk 9 Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer

Hoofdstuk 10 Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen

 

CANTO 3: De Status Quo

 

Hoofdstuk 1 Vragen gesteld door Vidura

Hoofdstuk 2 Terugdenken aan Krishna

Hoofdstuk 3 Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana

Hoofdstuk 4 Vidura Wendt zich tot Maitreya

Hoofdstuk 5 Vidura Spreekt met Maitreya

Hoofdstuk 6 De Manifestatie van de Universele Gedaante 

Hoofdstuk 7 Verdere Vragen van Vidura

Hoofdstuk 8 Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu

Hoofdstuk 9 Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen

Hoofdstuk 10 De Afdelingen van de Schepping

Hoofdstuk 11 De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend Vanuit het Atoom

Hoofdstuk 12 De Schepping van de Kumâra's en Anderen

Hoofdstuk 13 Het Verschijnen van Heer Varâha

Hoofdstuk 14 De Bevruchting van Diti in de Avond

Hoofdstuk 15 Beschrijving van het Koninkrijk Gods

Hoofdstuk 16 De Twee Poortwachters van Vaikunthha Vervloekt door de Wijzen

Hoofdstuk 17 De Overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum

Hoofdstuk 18 De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha 

Hoofdstuk 19 Het Doden van de Demon Hiranyâksha

Hoofdstuk 20 De Wezens Geschapen door Brahmâ

Hoofdstuk 21 De Conversatie tussen Manu en Kardama

Hoofdstuk 22 Het Huwelijk van Kardama Muni en Devahûti

Hoofdstuk 23 Devahûti's Klacht

Hoofdstuk 24 De Verzaking van Kardama Muni

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheden van de Toegewijde Dienst  

Hoofdstuk 26 Basisprincipes van de Materiële Natuur

Hoofdstuk 27 Bevrijding uit de Valsheid

Hoofdstuk 28 Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk

Hoofdstuk 29 De Uitleg van Kapila over Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 30 Heer Kapila Beschrijft de Nadelige Gevolgen van Vruchtdragende Handelingen

Hoofdstuk 31 Heer Kapila's Instructies over de Omzwervingen van de Levende Wezens

Hoofdstuk 32 De Verstriktheid in Vruchtdragende Bezigheden

Hoofdstuk 33 De Verzaking van Devahûti

 

Canto 4: De Schepping van de Vierde orde, de Bescherming door de Heer

 

Hoofdstuk 1 Stamboom van de Dochters van Manu

Hoofdstuk 2 Daksha Vervloekt Heer S'iva

Hoofdstuk 3 Het Gesprek tussen Heer S'iva en Satî

Hoofdstuk 4 Satî Verlaat haar Lichaam

Hoofdstuk 5 Het Verhinderen van Daksha's Offerplechtigheid

Hoofdstuk 6 Brahmâ stelt Heer S'iva Tevreden

Hoofdstuk 7 Het Offer Uitvoerd door Daksha

Hoofdstuk 8 Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud

Hoofdstuk 9 Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis

Hoofdstuk 10 Het Gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's

Hoofdstuk 11 Svâyambhuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen

Hoofdstuk 12 Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God

Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja

Hoofdstuk 14 Het Verhaal van Koning Vena

Hoofdstuk 15 Koning Prithu's Verschijnen en Kroning

Hoofdstuk 16 Koning Prithu Geprezen

Hoofdstuk 17 Prithu Mahârâja Wordt Kwaad op de Aarde

Hoofdstuk 18 Prithu Mahârâja Melkt de Aarde

Hoofdstuk 19 Koning Prithu's Honderd Paardoffers

Hoofdstuk 20 Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Prithu Mahârâja

Hoofdstuk 21 Het Onderricht van Prithu Mahârâja

Hoofdstuk 22 Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâra's

Hoofdstuk 23 Prithu Mahârâja Keert Terug naar Huis

Hoofdstuk 24 Het Lied Gezongen door Heer S'iva

Hoofdstuk 25 Over het Karakter van Koning Purañjana

Hoofdstuk 26 Koning Purañjana gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan

Hoofdstuk 27 Candavega Valt de Stad van Koning Purañjana Aan; het Karakter van Kâlakanyâ

Hoofdstuk 28 Purañjana Wordt een Vrouw in zijn Volgende Leven

Hoofdstuk 29 De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi

Hoofdstuk 30 De Activiteiten van de Pracetâ's

Hoofdstuk 31 Nârada Onderricht de Pracetâ's

 

CANTO 5: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1 De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

Hoofdstuk 2 De Activiteiten van Mahârâja Âgnîdhra

Hoofdstuk 3 Rishabhadeva's Verschijnen in de Schoot van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi

Hoofdstuk 4 De Eigenschappen van Rishabhadeva

Hoofdstuk 5 Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons

Hoofdstuk 6 Heer Rishabhadeva's activiteiten

Hoofdstuk 7 De activiteiten van Koning Bharata

Hoofdstuk 8 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

Hoofdstuk 9 Het Verheven Karakter van Jada Bharata

Hoofdstuk 10 Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

Hoofdstuk 11 Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

Hoofdstuk 12 Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 13 Vervolg van het gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 14 De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot

Hoofdstuk 15 De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

Hoofdstuk 16 Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

Hoofdstuk 17 Hoe de Ganges naar beneden komt

Hoofdstuk 18 Gebeden tot de verschillende Avatâra's

Hoofdstuk 19 De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

Hoofdstuk 20 De Structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

Hoofdstuk 21 De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya

Hoofdstuk 22 De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten

Hoofdstuk 23 Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel

Hoofdstuk 24 De Lagere Werelden

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheid van Heer Ananta

Hoofdstuk 26 De Helse Werelden of de Karmische Terugslag

 

CANTO 6: Voorgeschreven Plichten voor de Mensheid

  

Hoofdstuk 1 Dharma en Adharma: het Leven van Ajâmila

Hoofdstuk 2 Ajâmila Bevrijd door de Vishnudûta's: de Motivatie voor de Heilige Naam

Hoofdstuk 3 Yamarâja Instrueert Zijn Boodschappers

Hoofdstuk 4 De Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksha Opgedragen aan de Heer

Hoofdstuk 5 Nârada Muni Vervloekt door Prajâpati Daksha

Hoofdstuk 6 Het Nageslacht van de Dochters van Daksha

Hoofdstuk 7 Indra Beledigt Zijn Geestelijk Leraar, Brihaspati

Hoofdstuk 8 De Wapening met Mantra's die Indra Beschermde

Hoofdstuk 9 Het Verschijnen van de Demon Vritrâsura

Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en Vritrâsura

Hoofdstuk 11 De Bovenzinnelijke Kwaliteiten van Vritrâsura

Hoofdstuk 12 Vritrâsura's Glorieuze Heengaan

Hoofdstuk 13 Koning Indra Aangedaan door de Terugslag der Zonde

Hoofdstuk 14 Koning Citraketu's Weeklagen

Hoofdstuk 15 De Wijzen Nârada en Angirâ Instrueren Koning Citraketu

Hoofdstuk 16 Koning Citraketu Ontmoet de Allerhoogste Heer

Hoofdstuk 17 Moeder Pârvatî Vervloekt Citraketu

Hoofdstuk 18 Diti doet een Gelofte om Koning Indra te Doden

Hoofdstuk 19 De Uitvoering van het Pumsavana Ritueel

 

CANTO 7: De Wetenschap van God

 

Hoofdstuk 1 De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

Hoofdstuk 2 Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droefenis

Hoofdstuk 3 Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

Hoofdstuk 4 Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

Hoofdstuk 5 Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

Hoofdstuk 6 Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes

Hoofdstuk 7 Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

Hoofdstuk 8 Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

Hoofdstuk 9 Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

Hoofdstuk 10 Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura

Hoofdstuk 11 De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

Hoofdstuk 12 De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten

Hoofdstuk 13 Het Gedrag van een Heilige Persoon

Hoofdstuk 14 Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder

Hoofdstuk 15 Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

 

CANTO 8: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1 De Manu's, de Bestuurders van het Universum  

Hoofdstuk 2 De Nood van de Olifant Gajendra

Hoofdstuk 3 Gajendra's Gebeden van Overgave

Hoofdstuk 4 Gajendra Keert Terug naar de Geestelijke Wereld

Hoofdstuk 5 De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's

Hoofdstuk 6 De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af

Hoofdstuk 7 Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara

Hoofdstuk 8 Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari

Hoofdstuk 9 De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de nectar uit te Delen

Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en de Demonen

Hoofdstuk 11 De Dânava's Vernietigd en Weer Opgewekt

Hoofdstuk 12 Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer

Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Toekomstige Manu's

Hoofdstuk 14 De Wijze van Universeel Bestuur

Hoofdstuk 15 Bali Mahârâja Verovert de Hemelse Plaatsen

Hoofdstuk 16 Aditi Ingevoerd in de Payo-vrata Ceremonie, de beste van alle Offerandes

Hoofdstuk 17 De Allerhoogste Heer Zegt Toe Aditi's Zoon te Worden

Hoofdstuk 18 Heer Vâmanadeva, de Dwergincarnatie

Hoofdstuk 19 Heer Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali Mahârâja

Hoofdstuk 20 Heer Vâmanadeva Omsluit Alle Werelden

Hoofdstuk 21 Bali Mahârâja Ingerekend door de Heer

Hoofdstuk 22 Bali Mahârâja Geeft zich Geheel Over

Hoofdstuk 23 De Halfgoden Heroveren de Hemelse Plaatsen

Hoofdstuk 24 Matsya, de Vis-incarnatie van de Heer

 

CANTO 9: Bevrijding

 

Hoofdstuk 1 Koning Sudyumna Wordt een Vrouw

Hoofdstuk 2 De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu

Hoofdstuk 3 Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni

Hoofdstuk 4 Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni

Hoofdstuk 5 Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha

Hoofdstuk 6 De Val van Saubhari Muni

Hoofdstuk 7 De Nazaten van Koning Mândhâtâ

Hoofdstuk 8 De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva

Hoofdstuk 9 De Dynastie van Ams'umân

Hoofdstuk 10 Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 11 Heer Râmacandra Regeert de Wereld

Hoofdstuk 12 De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 13 Het Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila.

Hoofdstuk 14 Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î

Hoofdstuk 15 Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer

Hoofdstuk 16 Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen

Hoofdstuk 17 De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ

Hoofdstuk 18 Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd

Hoofdstuk 19 Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust

Hoofdstuk 20 De Dynastie van Pûru tot aan Bharata

Hoofdstuk 21 De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva

Hoofdstuk 22 De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's

Hoofdstuk 23 De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna

Hoofdstuk 24 De Yadu- en Vrishnidynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna

 

CANTO 10: Het Hoogste Goed

 

Hoofdstuk 1 De Komst van Heer Krishna: Inleiding

Hoofdstuk 2 De Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de Moederschoot

Hoofdstuk 3 De Geboorte van Heer Krishna

Hoofdstuk 4 De Wreedheden van Koning Kamsa

Hoofdstuk 5 Krishna's Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda Mahârâja en Vasudeva

Hoofdstuk 6 Het Doden van de Demone Pûtanâ

Hoofdstuk 7 Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum

Hoofdstuk 8 De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond

Hoofdstuk 9 Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast

Hoofdstuk 10 De Verlossing van de Zoons van Kuvera 

Hoofdstuk 11 Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen

Hoofdstuk 12 Het Einde van de Demon Aghâsura

Hoofdstuk 13 Heer Brahmâ Steelt de Jongens en Kalveren

Hoofdstuk 14 Brahmâ's Gebeden tot Heer Krishna

Hoofdstuk 15 Het Doden van Dhenuka de Ezel-demon en Gif in de Rivier

Hoofdstuk 16 Krishna Bestraft de Slang Kâliya

Hoofdstuk 17 De Geschiedenis van Kâliya en Krishna Slokt een Bosbrand op.

Hoofdstuk 19 Krishna Slokt Opnieuw een Bosbrand Op

Hoofdstuk 20 Het Regenseizoen en de Herfst in Vrindâvana

Hoofdstuk 21 De Gopî's Verheerlijken het Lied van Krishna's Fluit

Hoofdstuk 22 Krishna Steelt de Kleren van de Ongehuwde Gopî's

Hoofdstuk 23 De Echtgenotes van de Brahmanen Gezegend

Hoofdstuk 24 Krishna in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

Hoofdstuk 25 Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op

Hoofdstuk 26 Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

Hoofdstuk 27 Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

Hoofdstuk 28 Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

Hoofdstuk 29 Het Râsa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

Hoofdstuk 30 De Gopî's op Zoek naar Krishna die Verdween met Râdhâ

Hoofdstuk 31 De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

Hoofdstuk 32 Krishna Keert Terug naar de Gopî's

Hoofdstuk 33 De Râsadans

Hoofdstuk 34 Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood

Hoofdstuk 35 De Gopî's Zingen over Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

Hoofdstuk 36 De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

Hoofdstuk 37 Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

Hoofdstuk 38 Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

Hoofdstuk 39 Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ

Hoofdstuk 40 Akrûra's Gebeden

Hoofdstuk 41 De Aankomst van de Heren in Mathurâ

Hoofdstuk 42 Het Breken van de Offerboog

Hoofdstuk 43 Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

Hoofdstuk 44 De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

Hoofdstuk 45 Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

Hoofdstuk 46 Uddhava Brengt de Nacht in Gokula door Pratend met Nanda

Hoofdstuk 47 De Gopî Onthult haar Emoties: Het Lied van de Bij

Hoofdstuk 48 Krishna Behaagt Zijn Toegewijden

Hoofdstuk 49 Akrûra's Missie in Hastinâpura

Hoofdstuk 50 Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ

Hoofdstuk 51 De Verlossing van Mucukunda

Hoofdstuk 52 De Heren Springen van een Berg en Rukminî's Bericht aan Heer Krishna

Hoofdstuk 53 Krishna Ontvoert Rukminî

Hoofdstuk 54 Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd

Hoofdstuk 55 De Geschiedenis van Pradyumna

Hoofdstuk 56 Hoe het Syamantaka Juweel Krishna Jâmbavatî en Satyabhâmâ Bracht

Hoofdstuk 57 Satrâjit Vermoord, het Juweel Gestolen en Weer Teruggegeven

Hoofdstuk 58 Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ, Lakshmanâ en Bhadrâ

Hoofdstuk 59 Mura en Bhauma Gedood en de Gebeden van Bhûmi

Hoofdstuk 60 Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî

Hoofdstuk 61 Heer Balarâma Maakt een Einde aan Rukmî op Aniruddha's Huwelijk

Hoofdstuk 62 Ûshâ Verliefd en Aniruddha Ingerekend

Hoofdstuk 63 De Koorts in de Strijd en Bâna Verslagen

Hoofdstuk 64 Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon

Hoofdstuk 65 Heer Balarâma in Vrindâvana en de Stroom Verdeeld

Hoofdstuk 66 De Valse Vâsudeva Paundraka en Zijn Zoon Verzengd door Hun Eigen Vuur

Hoofdstuk 67 Balarâma Slays the Ape Dvivida

Hoofdstuk 68 Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru-stad Bevend voor Zijn Woede Gesleept

Hoofdstuk 69 Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

Hoofdstuk 70 Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

Hoofdstuk 71 De Heer Reist op Aanraden van Uddhava naar Indraprastha

Hoofdstuk 72 Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

Hoofdstuk 73 Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

Hoofdstuk 74 De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

Hoofdstuk 75 Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

Hoofdstuk 76 De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

Hoofdstuk 77 Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

Hoofdstuk 78 Dantavakra Gedood en Romaharshana Geslagen met een Grasspriet

Hoofdstuk 79 Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen

Hoofdstuk 80 Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

Hoofdstuk 81 De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen

Hoofdstuk 82 Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna

Hoofdstuk 83 Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

Hoofdstuk 84 Vasudeva Offert voor de Wijzen die te Kurukshetra de Weg naar het Succes Wijzen

Hoofdstuk 85 Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug

Hoofdstuk 86 Arjuna Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va en S'rutadeva

Hoofdstuk 87 Het Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Veda's in Eigen Persoon

Hoofdstuk 88 Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura

Hoofdstuk 89 Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

Hoofdstuk 90 De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat

 

CANTO 11: Algemene Geschiedenis

 

Hoofdstuk 1 De Vloek over de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 2 Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

Hoofdstuk 3 Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer

Hoofdstuk 4 De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven

Hoofdstuk 5 Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

Hoofdstuk 6 Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken

Hoofdstuk 7 Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

Hoofdstuk 8 Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ

Hoofdstuk 9 Onthechting van Al het Materiële

Hoofdstuk 10 De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

Hoofdstuk 11 Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 12 Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis

Hoofdstuk 13 De Hams'a-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ

Hoofdstuk 14 De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu

Hoofdstuk 15 Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's

Hoofdstuk 16 De Volheden van de Heer

Hoofdstuk 17 Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders

Hoofdstuk 18 Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers

Hoofdstuk 19 De Perfectie van de Spirituele Kennis

Hoofdstuk 20 Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting

Hoofdstuk 21 Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

Hoofdstuk 22 Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter

Hoofdstuk 23 Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana

Hoofdstuk 24 De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat

Hoofdstuk 25 De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven

Hoofdstuk 26 Het Lied van Purûravâ

Hoofdstuk 27 Over het Respecteren van de Vorm van God

Hoofdstuk 28 Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke

Hoofdstuk 29 Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen

Hoofdstuk 30 Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 31 De Hemelvaart van Krishna

 

CANTO 12: Het Tijdperk van Verval

 

Hoofdstuk 1 Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

Hoofdstuk 2 Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

Hoofdstuk 3 Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

Hoofdstuk 4 Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

Hoofdstuk 5 De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

Hoofdstuk 6 Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

Hoofdstuk 7 De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

Hoofdstuk 8 Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

Hoofdstuk 9 Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

Hoofdstuk 10 S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

Hoofdstuk 11 Vishnu Zijn Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

Hoofdstuk 12 De Onderwerpen van het S'rîmad Bhâgavatam Samengevat

Hoofdstuk 13 De Heerlijkheden van het S'rîmad Bhâgavatam

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt in zowel India, Amerika als Europa. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie der verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 17 april 2012.


 

CANTO 1: Schepping


Hoofdstuk 1
: Vragen van de Wijzen

(1) Moge er het eerbetoon zijn voor de oorspronkelijke verschijning van Hem, Vâsudeva, de Fortuinlijke die in de materiële wereld zowel als in het voorbije aanwezig is en van wie, voor het doel van de heugenis en de volledige onafhankelijkheid, de Vedische kennis werd doorgegeven in het hart van degene die het eerst geschapen levende wezen is [Heer Brahmâ]. Over Hem verkeren de verlichte [en zeker ook de gewone] zielen, zoals dat met een luchtspiegeling van water is in relatie tot [het vuur van] de zon, in een staat van begoocheling waarin, door de actie en reactie van de geaardheden van de materiële natuur, er de [schijn]zekerheid van het feitelijke is. Ik mediteer op Hem die altijd op zichzelf staat, de bovenzinnelijke [allerhoogste en absolute] waarheid is en die de weerlegging vormt die vrij is van illusie.

(2) In dit boek wordt bedrieglijke religiositeit [die van nevenmotieven is] afgewezen. Men treft er het hoogste in aan dat kan worden begrepen door onzelfzuchtige, waarheidlievende personen. Hierin wordt dat geboden wat feitelijk het welzijn inhoudt dat een einde maakt aan de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door de persoon zelf, door anderen of door de natuur]. Waarom zou men andere verhalen nodig hebben als men hierin het prachtige verhaal aantreft van de Fortuinlijke, zoals dat werd samengesteld door de grote wijze [Vyâsadeva] en dat, met de hulp van de vromen die volijverig van dienst zijn, terstond de Heer in het hart vestigt. (3) Het is de gerijpte vrucht van de wensboom van de Vedische literatuur die vloeiend van de lippen van S'ukadeva [de zoon van Vyâsadeva] zich manifesteerde als zoete nectar die volmaakt is in ieder opzicht. O jullie die zo bedreven en gewetensvol verrukt zijn over de toewijding, geniet toch altijd de veilige haven van het S'rîmad Bhâgavatam!

(4) In het woud van Naimishâranya, een geliefde plek van Vishnu, brachten wijzen onder leiding van de wijze S'aunaka een duizendjarig offer terwille van de Heer van de hemel en de toegewijden op aarde. (5) Op een ochtend terwijl het offervuur brandde, vroegen ze met het nodige respect S'rîla Sûta Gosvâmî, die een erezetel was aangeboden, het volgende: (6) "U die vrij bent van alle zonde en op de hoogte bent van de verhalen en historische verslagen, staat bekend als zijnde goed thuis in de religieuze geschriften waaraan u ook uitleg hebt gegeven. (7) Als de oudste van de geleerden van de Veda's kent u Vyâsadeva, de Heer onder hen - en Sûta, u kent eveneens de anderen die goed thuis zijn in de fysische en metafysische kennis. (8) Alstublieft o hooggeëerde, vertel ons daarom, omdat u goed op de hoogte, eenvoudig en zuiver bent door hun genade, over de geheimen die u als een onderworpen discipel vernomen hebt van die geestelijk leraren. (9) U die daardoor gezegend bent met een lang leven, vertel ons in eenvoudige bewoordingen vanuit uw goedheid alstublieft wat u hebt kunnen vaststellen als zijnde het absolute en uiteindelijke goed dat alle mensen verdienen. (10) Over het algemeen, o achtenswaardige, zijn de mensen in deze tijd van Kali lui, misleid, ongelukkig en bovenal verstoord. (11) Er zijn zoveel geschriften met evenzoveel voorgeschreven plichten die ieder apart hun aandacht opeisen. O wijze zeg ons daarom wat hiervan naar uw beste weten, voor het heil van alle levende wezens, de essentie is die bevredigend is voor de ziel. (12) U bent gezegend Sûta, omdat u weet voor welk doel de Allerhoogste, de beschermer der toegewijden, verscheen in de schoot van Devakî als de zoon van Vasudeva. (13) O Sûta u zou, zoals de traditie het voorschrijft, ons die er zo naar verlangen moeten vertellen over Zijn incarnatie die er is voor het heil en de bemoediging van alle levende wezens. (14) Verwikkeld in de complicaties van geboorte en dood vinden we zelfs als we er niet geheel met ons verstand bij zijn bevrijding als we de naam van de Heer respecteren die gevreesd wordt door de vrees zelve. (15) O Sûta, zij die hun toevlucht hebben genomen tot de lotusvoeten van de wijzen die zijn verzonken in toewijding vinden meteen zuivering door eenvoudigweg omgang met ze te hebben, terwijl een dergelijke zuivering met het water van de Ganges alleen maar wordt bereikt als men het cultiveert. (16) Wie die verlangt naar bevrijding zou nu niet liever willen vernemen over de Heer Zijn aanbiddelijke, deugdzame daden en glorie als degene die ons heiligt in het Tijdperk der Onenigheid [Kali]? (17) Vertel ons, volijverige gelovigen, alstublieft over het spel en vermaak van Zijn nederdalen in de tijd. (18) O scherpzinnige, beschrijf ons daarom de zegenrijke avonturen en andere wederwaardigheden van de meervoudige incarnaties van de Hoogste Beheerser Zijn persoonlijke energieën. (19) Wij die de smaak weten te waarderen zijn het nooit moe steeds weer te bidden en te vernemen over de avonturen van de Verheerlijkte die ons telkens weer verrukken. (20) Vermomd als een menselijk wezen deed Hij met Balarâma [Zijn oudere broer] bovenmenselijke dingen. (21) Wetend van de aanvang van het tijdperk van Kali hebben we ons voor langere tijd hier op deze plek die voor de toegewijden is bestemd verzameld, om offers te brengen en de tijd te nemen om te luisteren naar de verhalen over de Heer. (22) Door de voorzienigheid ontmoetten we uwe goedheid die ons als de kapitein van een schip door dit onoverkomelijke tijdperk van Kali kan loodsen dat zo'n bedreiging vormt voor iemands goede eigenschappen. (23) Zeg ons bij wie we nu onze toevlucht moeten zoeken, nu de Heer van de Yoga, S'rî Krishna, de Absolute Waarheid en de beschermer van de religie, vertrokken is naar Zijn verblijfplaats."

 

Hoofdstuk 2: Goddelijkheid en Dienst aan God  

(1) Volmaakt tevreden over de juiste vragen van de wijzen daar aanwezig, probeerde de zoon van Romaharshana [Sûta] antwoord te geven na hen bedankt te hebben voor hun woorden. (2) Sûta zei: "Hij [S'ukadeva] die wegging om te leven met de wereldverzakende orde zonder de voorgeschreven vormingsceremonie van de heilige draad, deed Vyâsadeva, die bang was voor de gescheidenheid uitroepen: 'O mijn zoon', en al de bomen en levende wezens antwoordden sympathiserend in het hart van de wijze. (3) Laat mij mijn eerbetuigingen brengen aan hem, die van zijn levenservaring, als het enige transcendentale baken in het verlangen de duisternis te verdrijven van het materiële bestaan van de materialistische mens, zich de essentie van de Veda's eigen maakte en vanuit zijn grondeloze genade de zeer vertrouwelijke kennis overdroeg als de meester der grote wijzen. (4) Na eerst eerbetuigingen te hebben gebracht aan Nara-Nârâyana, [de Heer als] het opperste menselijke wezen, de godin van het leren en Vyâsadeva, laat er dan de verkondiging zijn van alles wat nodig is om te overwinnen.

(5)
O wijzen, uw vragen over Heer Krishna zijn van belang voor het welzijn van de wereld omdat ze het ware zelf voldoening schenken. (6) Die plichtsvervulling is zonder twijfel voor de mensheid de hoogste, waarvan er de ononderbroken toegewijde dienst zonder nevenmotieven is aan Krishna als de Bovenzinnelijke Ene [Vishnu] die leidt tot de volledige bevrediging van de ziel. (7) De praktijk van het zich verbinden in toewijding tot Vâsudeva, de Persoonlijkheid Gods, leidt zeer spoedig tot de onthechting en de spirituele kennis die berust op eigen kracht. (8) Wat de mens doet in zijn verplichtingen overeenkomstig de eigen positie, is zinloze arbeid die nergens toe leidt, als ze niet leidt tot de boodschap van Vishvaksena [de Opperbevelhebber]. (9) Iemands beroepsmatige verplichtingen zijn zeker bedoeld voor de uiteindelijke bevrijding en niet voor de zaak van het materiële gewin, noch is, overeenkomstig de wijzen, de materiële vooruitgang van de plichtsbetrachting in toegewijde dienst er voor het realiseren van zinsbevrediging. (10) Iemands verlangen is er niet zozeer voor de bevrediging van de zinnen, het profijt en het zelfbehoud, maar in plaats daarvan is het karma er voor geen andere bedoeling dan te achterhalen wat de Absolute Waarheid is. (11) De geleerde zielen zeggen dat de werkelijkheid van de onverdeelde kennis bekend staat als Brahman, Paramâtmâ en Bhagavân [het onpersoonlijke, gelokaliseerde en persoonlijke aspect]. (12) De wijzen die, met het goede van de kennis en de onthechting, er een serieuze wil tot onderzoek op na houden, zullen in zichzelf en het Paramâtmâ in toegewijde dienst precies dat zien waarvan ze in de Veda's hebben gehoord. (13) Zo bereikt de mens, o besten der tweemaal geborenen, de hoogste volmaaktheid van beroepsmatige plichtsbetrachting overeenkomstig de verdelingen van status en roeping door de Heer te behagen. (14) Daarom moet men met onverdeelde aandacht voortdurend over de Opperheer, de beschermer van de toegewijden, vernemen en Hem verheerlijken, herinneren en aanbidden. (15) Wie zou geen aandacht besteden aan deze boodschap van het zich op intelligente wijze heugen van de Heer door de banden van de materieel gemotiveerde arbeid [karma] te doorbreken? (16) Iemand die met zorg en aandacht met respect voor Vâsudeva luistert, zal door de toegewijde dienst verleend aan zuivere toegewijden affiniteit vinden met de boodschap, o geleerden, en van alle ondeugd gezuiverd worden. (17) Degenen die dit horen van Zijn woorden ontwikkelden zullen deugd vinden in het luisteren en zingen en zullen zeker in hun harten hun verlangen om te genieten gezuiverd zien door de begunstiger van de waarheidlievenden. (18) Door regelmatig aandacht te besteden aan het fortuinlijke [van het boek en de toegewijde] zal vrijwel al het ongunstige zijn greep verliezen, en zal aldus de Opperheer van dienst zijnd met transcendentale gebeden onherroepelijk liefdevolle dienstbaarheid tot stand komen. (19) Te dien tijde, niet aangedaan door de effecten van de hartstocht en de onwetendheid zoals de lust, de begeerte en wat dies meer zij, zal het bewustzijn zijn gevestigd in goedheid en het geluk vinden. (20) Het denken in samenhang met de toegewijde dienst aan de Heer aldus opgehelderd, krijgt, door de omgang bevrijd, dan greep op de kennis der wijsheid in relatie tot de Fortuinlijke. (21) De ontdekking dat het [ware] zelf op die manier de meester is zal zeker de knopen in het hart aan stukken snijden, al de twijfels oplossen en een einde maken aan de keten van materieel gemotiveerde handelingen [karma]. (22) Daarom heeft het alle transcendentalisten altijd behaagd Krishna dienstbaar te zijn - het brengt hun ziel tot leven. (23) Het uiteindelijk voordeel van de Transcendentale Persoonlijkheid, dat zowel geassocieerd is met de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, als met de Handhaver Vishnu, de Schepper Brahmâ en de Vernietiger S'iva, wordt natuurlijk gevonden in de vorm van de kwaliteit van de goedheid [Vishnu]. (24) Zoals we het brandhout van de offers hebben dat van de aarde afkomstig is en in vlam rook produceert, zo hebben we ook de hartstocht afkomstig van traagheid die leidt tot de goedheid van welke de essentiële aard wordt gerealiseerd.

(25) Wie deze wijzen ook volgt die voordien aldus dienst leverden aan de transcendentale Heer die boven deze drie geaardheden van de natuur staat, verdient hetzelfde voordeel. (26) Om die reden verwerpen zij die de bevrijding zoeken de minder aantrekkelijke gedaanten der halfgoden en zijn ze, zonder afgunst, de vele gedaanten van de gelukzalige Heer Vishnu [Nârâyana] toegewijd. (27) Degenen die onwetend zijn en van de hartstocht, begeren weelde, macht en nageslacht, vasthoudend aan voorvaderen en andere wezens van kosmische heerschappij van een gelijksoortige aard. (28-29) Maar Vâsudeva is het voorwerp van de kennis, het doel van de offers en de yoga, de heerser over alle materiële activiteiten en de hoogste kennis, verzaking, kwaliteit, religie en doel van het leven. (30) Vanaf het begin der manifestatie is Hij, door Zijn innerlijk vermogen, de oorzaak en het gevolg geweest van alle vormen van de schepping en is Hij het transcendentale Absolute van de geaardheden der natuur. (31) Hoewel Hij zich manifesterend met de geaardheden, daarin binnen gegaan, onder de invloed van de geaardheden schijnt te staan, is Hij de volle manifestatie van alle wijsheid. (32) Hij, als de Superziel, doordringt al de levende wezens als de bron van de schepping zoals vuur dat doet in hout en treedt naar buiten als verschillende levende wezens, terwijl Hij tegelijkertijd de Absolute Persoon is. (33) Die Superziel, schiep de subtiele zintuigen beïnvloed door de geaardheden der natuur door de levende wezens in Zijn eigen schepping binnen te gaan, hen ertoe aanzettend te genieten van die geaardheden. (34) Aldus behoudt Hij alles in de geaardheid goedheid, Zelf belichaamd zijnd in het vertoon van Zijn spel en vermaak als de meester over al de werelden van de goddelijke, menselijke en de dierlijke wezens."

 

Hoofdstuk 3: Krishna is de Bron van alle Incarnaties

(1) Sûta zei: "In den beginne nam de Allerhoogste Heer, terwille van de schepping der werelden, de gedaante aan van de Oorspronkelijke Persoon[: de integriteit van het materiële bereik] zoals samengesteld uit de zestien elementen [van de tien waarnemende en werkende zinnen, de vijf elementen en de geest] en de kosmische intelligentie en dergelijke. (2) In Zijn meditatieve sluimer rustend, manifesteerde zich in dat water, uit de lotus die zich vanuit het meer van Zijn navel uitspreidde, Brahmâ, de meester van alle stamvaders in het universum. (3) Men gaat ervan uit dat de verschillende werelden [als expansies] deel uitmaken van de gedaante van de Fortuinlijke die de uitnemendheid van het zuiverste bestaan vormt. (4) Zijn gedaante aldus perfect bezien heeft tal van benen, dijen, armen en gezichten, met prachtige hoofden, oren, ogen en neuzen, allen stralend met bloemenslingers en kledij. (5) Deze bron van de veelvormige incarnaties is het onvergankelijke zaadbeginsel waaruit de volkomen delen en delen daar weer van, de goden, de menselijke wezens en de dieren, voortkomen."

(6) "De zonen van Brahmâ [de Kumâra's] werden eerst gedisciplineerd in versobering om continuïteit te verzekeren. (7) Toen Hij vervolgens incarneerde omwille van de welvaart van de wereld, hief Hij, als een everzwijn, haar op uit de lagere regionen. (8) Ten derde aanvaardde Hij [in de gedaante van Nârada Muni] Zijn aanwezigheid onder de geleerden ter wille van de ontwikkeling van Vedische kennis wat betreft het verrichten van diensten in toewijding zonder verdere materiële motieven. (9) Ten vierde geboren als de tweelingzoon van koning Dharma in de gedaante van Nara-Nârâyana onderging Hij gestrenge boetedoeningen om de zinnen onder controle te krijgen. (10) Ten vijfde gaf Hij met de naam Kapila een uiteenzetting aan de brahmaan Âsuri over de aard van de metafysica en de elementen der schepping aangezien in de loop van de tijd de kennis verloren was gegaan. (11) Ten zesde, geboren als de zoon [genaamd Dattâtreya] van Atri uit Anasûyâ die voor Hem gebeden had, onderrichtte Hij Alarka, Prahlâda en anderen over het transcendentale. (12) Ten zevende geboren uit Âkûti als Yajña, de zoon van Prajâpati Ruci, heerste Hij, bijgestaan door de goddelijken,
tezamen met Zijn zoon Yama gedurende de periode van Svâyambhuva Manu. (13) Ten achtste nam Hij uit Merudevî, de vrouw van koning Nâbhi, geboorte als koning Rishabha en toonde Hij het pad der perfectie gerespecteerd door mensen van alle levensstadia. (14) Zijn negende incarnatie accepterende in reactie op de gebeden van de wijzen, heerste Hij [als Prithu] over de aarde terwille van haar cultivering en opbrengst, welke haar prachtig en aantrekkelijk maakte. (15) Als een vis [Mâtsya] in het water hield Hij Vaivasvata Manu na de periode van Câkshusha Manu in een boot beschermend drijvende op de wateren toen de wereld diep was gezonken. (16) Ten elfde ondersteunde Hij als een schildpad [Kurma] de Mandarâcala Heuvel van de theïsten en atheïsten welke diende als een draaipunt in de oceaan. (17) De twaalfde was Dhanvantari [Heer van de medische wetenschap] en ten dertiende verscheen Hij als een bekoorlijke mooie vrouw voor de atheïsten, toen Hij nectar gaf aan de goddelijken. (18) Zijn veertiende incarnatie verscheen Hij als Nrisimha, die met Zijn nagels half als een leeuw op Zijn schoot de koning der atheïsten uiteen reet zoals een timmerman bamboe splijt. (19) Ten vijftiende nam Hij de gedaante aan van Vâmana [de dwergbrahmaan] die naar het offerperk van Mahârâja Bali ging en daar om drie voetstappen land vroeg, terwijl Hij in feite de drie werelden veroveren wilde. (20) In zijn zestiende incarnatie trad Hij [als Bhrigupati of Paras'urâma] eenentwintig keer op tegen de heersende klasse die de intelligentsia negeerde. (21) De gewone man als minder intelligent ziend incarneerde Hij ten zeventiende als Vyâsadeva uit Satyavatî met Parâs'ara Muni als Zijn vader, om de wensboom van de Veda in verschillende takken onder te verdelen. (22) Vervolgens toonde Hij zich bovenmenselijk in het beheersen van de Indische Oceaan, de vorm aangenomen hebbende van een goddelijk menselijk wezen [Râma] teneinde op te kunnen treden terwille van de goddelijken. (23) Negentien zowel als twintig verscheen Hij als Balarâma en Krishna van de Vrishni-familie en aldus nam Bhagavân de last van de wereld weg. (24) Daarna zal in het Kalitijdperk Zijn geboorte als Heer Boeddha uit Añjanâ in Gayâ plaatsvinden om hen die jaloers zijn op de theïsten te misleiden. (25) Daaropvolgend als er twee yuga's in elkaar overgaan, en er nauwelijks nog een leider te vinden is die niet een plunderaar is, zal de Heer der Schepping geboorte nemen met de naam Kalki als de zoon van Vishnu Yas'â."

(26) "O tweemaal geborenen, verschenen uit de oceaan der goedheid zijn de incarnaties van de Heer zo talloos als de duizenden stroompjes ontspringend aan de meren. (27) Al de machtige wijzen, de goddelijken, de Manu's en hun nageslacht, zowel als de Prajâpati's [de stamvaders] zijn aspecten van de Heer. (28) Al dezen maken deel uit van Heer Krishna, de Allerhoogste Heer [Bhagavân] in eigen persoon die bescherming biedt in alle tijden en werelden tegen de vijanden van de koning van de hemel [Indra]. (29) Zij die in de ochtend en de avond zorgvuldig deze mysterieuze geboorten reciteren, zullen bevrijding vinden van alle ellende van de wereld. (30) Al deze gedaanten van de Heer ontstonden zonder twijfel uit de Ene die geen gedaante heeft en transcendentaal is; ze kwamen in het zelf voort uit de geaardheden van de materiële energie met hun elementen. (31) Voor de minder intelligente waarnemer zijn ze er om te worden waargenomen zoals men wolken in de lucht ziet en stof in de wind. (32) Dit ongemanifesteerde zelf in het voorbije, dat men niet kan zien of horen heeft geen gedaante die wordt aangedaan door de geaardheden der natuur - dàt is het levende wezen dat herhaaldelijk zijn geboorte neemt. (33) Zo gauw men inziet dat deze grofstoffelijke en subtiele vormen in het zelf ontstaan vanwege de onwetendheid, verliezen ze hun waarde en verwerft men omgang met het goddelijke. (34) Als de bedrieglijke materiële energie niet meer voorop staat raakt men verrijkt met de volle kennis der verlichting en heeft men aldus gevestigd kennis van de heerlijkheden van het Zelf. (35) Aldus is de inactieve en ongeboren Heer van het Hart met Zijn geboorten en activiteiten door de geleerden beschreven als zijnde niet te onderscheiden, zelfs niet in de Veda's. (36) Aanwezig in ieder levend wezen is Hij, de almachtige meester der zinnen wiens spel vlekkeloos is, onafhankelijk en onaangedaan door schepping, vernietiging en behoud. (37) Vanwege Zijn manipulaties kan Hij, optredend als een acteur in een toneelstuk, door hen die het mankeert aan de nodige kennis niet door middel van speculaties en redeneringen worden gekend in Zijn handelingen, namen en gedaanten. (38) Alleen hij die onvoorwaardelijk, onafgebroken en welgezind dienst levert aan Zijn geurige lotusvoeten kan kennis nemen van de transcendentale heerlijkheden van de almachtige Schepper die het wiel van de strijdwagen in Zijn hand heeft. (39) Men kan in deze wereld slagen als men volledig op de hoogte is van de Hoogste Persoonlijkheid van God die al Zijn universa omspant en die inspireert tot het volkomene van de geest der vervoering in welke men nooit de gevreesde vicieuze cirkels van het wereldse belang zal aantreffen."

(40) "Dit boek waarin men het verhaal van de Persoonlijkheid van God en Zijn toegewijden aantreft is samengesteld door de wijze man van God en is, als een toevoeging bij de Veda's, er voor het uiteindelijke goed alle mensen succes, geluk en perfectie te bezorgen. (41) S'rîla Vyâsadeva gaf het verhaal, dat de room vormt die hij van alle Vedische geschriften en geschiedenissen wist te verzamelen, door aan zijn zoon die de meest eerbiedwaardige onder de zelfgerealiseerden is. (42) Hij op zijn beurt vertelde het aan keizer Parîkchit die omringd door de wijzen bij de Ganges neerzat om te vasten tot de dood erop volgde. (43) Nu Krishna is vertrokken naar Zijn hemelverblijf en samen met Hem ook het juiste gedrag en het spiritueel inzicht is verdwenen, is deze Purâna helder als de zon aan de horizon verschenen terwille van al de mensen die het in het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] niet meer zien zitten. (44) Toen ik van die machtige grote wijze het verhaal vernam, slaagde ook ik, die perfect aandachtig was door zijn genade, erin het te begrijpen, zodat ik het nu vanuit mijn eigen realisatie ook aan u kan vertellen."

 

Hoofdstuk 4: De Verschijning van S'rî Nârada.

(1) De oudere en geleerde S'aunaka, het hoofd van de langdurige ceremonie waar de wijzen voor verzameld waren, feliciteerde Sûta Gosvâmî, hem aldus dankend: (2) "O meest fortuinlijke onder hen die men respecteert als sprekers, vertel ons van de boodschap van het Bhâgavatam, zoals die werd uitgesproken door S'ukadeva Gosvâmî. (3) Wanneer, waar, om welke reden en waardoor geïnspireerd kon deze literatuur worden samengesteld door Vyâsadeva? (4) Zijn zoon, die evenwichtig en standvastig met zijn denken altijd gefixeerd was op de Ene, was een groot toegewijde en een ontwaakte ziel, maar onbekend zijnde leek hij onwetend. (5) Naakte badende schoonheden bedekten uit verlegenheid hun lichaam toen ze op een dag de wijze Vyâsa zijn zoon achterna zagen komen, terwijl ze verbazingwekkend genoeg toen hij er naar vroeg van zijn zoon zeiden dat ze zich niet voor hem schaamden daar hij ze zuiver beschouwde zonder seksueel onderscheid te maken. (6) Hoe werd hij [S'uka], die een achterlijke domme gek leek toen hij rondzwierf door de Kuru-jângala provincies, herkend door de inwoners van Hastinâpura [nu: Delhi] op het moment dat hij de stad bereikte? (7) Hoe kon, o beste ziel, tussen deze heilige en de nazaat van Pându, de wijze koning, de discussie plaatsvinden waarin deze Vedische waarheid aangaande Krishna aan de orde kwam? (8) Als pelgrim die plaatsen zegenend die hij bezocht verbleef hij niet langer bij de deur van huishouders dan de tijd die nodig is om een koe te melken. (9) Vertel ons alstublieft over Parîkchit, de zoon van Abhimanyu, van wie beweerd wordt dat hij een eersteklas toegewijde is wiens geboorte en kwaliteiten allen wonderbaarlijk zijn. (10) Om welke reden verwaarloosde de keizer, die de naam van Pându eer aandeed, de rijkdom van zijn koninkrijk toen hij aan de Ganges neerzat om boete te doen tot de dood erop volgde? (11) Waarom toch gaf hij, aan wiens voeten alle vijanden in hun eigen belang hun weelde overgaven, in de kracht van zijn jeugd zijn zo moeilijk te verzaken leven in koninklijke welstand op? (12) Zij die van toewijding zijn voor de Ene Verheerlijkt in de Verzen, leven terwille van het welzijn, de welvaart en de voorspoed van alle levende wezens en niet voor zelfzuchtige doelen; om welke reden gaf hij, vrij van alle gehechtheid, dit sterfelijk lichaam op dat de toevlucht vormde voor anderen? (13) Verschaf ons uitleg over al de vragen die we hiermee aan u voorleggen want we achten u volledig op de hoogte van de betekenis van vrijwel alle woorden in de geschriften, uitgezonderd die van de Vedische hymnen."

(14) Sûta Gosvâmî zei: "Toen het tweede tijdperk overging in het derde en aldus eindigde, werd de wijze [Vyâsa] geboren als de zoon van Parâs'ara uit de schoot van de dochter van Vasu. Hij vormde een deelaspect van de Heer. (15) Op een ochtend toen de schijf van de zon boven de horizon uitkwam zat hij, na zich met het water van zijn ochtendrituelen te hebben gewassen, neer aan de oever van de rivier de Sarasvatî om zich te concentreren. (16) De rishi die het verleden en de toekomst kende zag dat er zich geleidelijk onregelmatigheden ontwikkelden in het dharma van zijn tijd. Het was iets dat men wel vaker in de verschillende tijdperken op aarde ziet optreden als gevolg van niet te stuiten, ongeziene krachten. (17-18) De wijze die zich in zijn bovenzinnelijke visie bezon op het welzijn van alle roepingen en stadia van het leven, zag toen vanuit zijn transcendentale positie hoezeer men met het afgestompte en ongeduldige van ongelovigen tekortschoot in goedheid, er sprake was van een afname van de natuurlijke capaciteit van allerlei soorten mensen alsook van de andere schepselen en dat de gewone man er ongelukkig aan toe was en maar kort leefde. (19) Overeenkomstig het inzicht dat er vier offervuren waren voor het zuiveren van de arbeidsinzet van de mensen, verdeelde hij de ene oorspronkelijke Veda in vier gedeelten van offerhandelingen. (20) Rig, Yajuh, Sâma en Atharva waren de namen van deze vier Veda's terwijl de Itihâsa's [de enkele geschiedenissen] en de Purâna's [de verzamelingen van verhalen] de vijfde Veda werden genoemd. (21) Daarna werd de Rig Veda uitgedragen door de rishi Paila, de Sâma Veda door de geleerde Jaimini, terwijl Vais'ampâyana de enige was goed genoeg thuis in de materie om ervoor in aanmerking te komen de Yajur Veda hoog te houden. (22) Het serieuze respect voor de Atharva Veda nam Angirâ zich ter harte - die ook wel Sumantu Muni wordt genoemd - terwijl de Itihâsa's en de Purâna's werden verdedigd door mijn vader Romaharshana. (23) Al deze geleerden op hun beurt verdeelden de hen toevertrouwde kennis over hun volgelingen die hetzelfde deden met hun volgelingen die dat weer deden met hun leerlingen en aldus ontstonden de verschillende takken van navolgers van de Veda's. (24) Teneinde ervoor te zorgen dat de Veda evenzogoed werd opgenomen door de minder intellectuele mensen, bekommerde de grote wijze Vyâsa, de Heer in dezen, zich erom dit voor de minder onderlegden op schrift te stellen. (25) Op deze manier denkend terwille van de vrouwen, de dwazere arbeidersklasse, [zie 6.9: 6 & 9] en de vrienden van de tweemaal geborenen die zelf niet zozeer voor het begrip werken, was de wijze zo genadig om in hun voordeel de geschiedenis van de Mahâbhârata op schrift te stellen."

(26) "O dierbare tweemaal geborenen, op geen enkele manier was hij, die zich altijd inspande voor het welzijn van alle levende wezens, in staat daar toen tevreden over te zijn. (27) In afzondering gezuiverd verkerend aan de oever van de Sarasvatî, zei hij, wetende wat religie inhoudt, derhalve vanuit de ontevredenheid in zijn hart tegen zichzelf: (28-29) 'Met strikte discipline heb ik oprecht op de juiste manier mijn respect betoond in het overeenkomstig de traditie van de Vedische hymnen brengen van mijn offers met achting voor de meesters. Zelfs voor vrouwen, arbeiders en anderen heb ik, door de Mahâbhârata samen te stellen, naar behoren vanuit de erfopvolging uiteengezet wat men moet zeggen over het pad der religie. (30) Hoewel ik naar het schijnt afdoende aan de eisen van de vedantisten tegemoet ben gekomen wat betreft het bespreken van de Opperziel zoals die zich in het lichaam bevindt en zelfs van mijn eigen persoon, heb ik het gevoel dat er iets aan ontbreekt. (31) Ik heb misschien niet genoeg aandacht besteed aan de toegewijde dienst die de perfecten en de Onfeilbare zo dierbaar is.'

(32)
Terwijl Krishna Dvaipâyana Vyâsa op deze manier spijtig na zat te denken over zijn tekortkomingen bereikte Nârada, zoals ik al zei, zijn hutje. (33) Het fortuin daarvan inziend, stond hij snel op en betuigde hij hem alle eer op de manier zoals de goddelijken Brahmâjî, de schepper, de eer betuigen."

 

Hoofdstuk 5: Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.

(1) Sûta zei: "Toen hij comfortabel naast hem zat richtte de alom bekende rishi van God met de vînâ in zijn handen zich tot de geleerde wijze. (2) Hij zei: 'O hoogst fortuinlijke zoon van Parâs'ara, kan u in de zelfrealisatie van uw ziel de tevredenheid vinden van het lichaam en de geest? (3) U hebt uitvoerig onderzoek gedaan en goed thuis zijnde in de materie hebt u de grote en wonderbaarlijke Mahâbhârata opgesteld waaraan u uw uitgebreide verklaringen hebt toegevoegd. (4) Ondanks de volledigheid van uw uitweidingen over het Absolute en Eeuwige, beste meester, betreurt u het dat u niet genoeg zou hebben gedaan voor het doel van de ziel.'

(5)
Vyâsa zei: 'Wat u allemaal zei is zeker waar maar mijn ziel heeft er geen vrede mee gevonden. Wat is de wortel die ik gemist heb, vraag ik aan u die zich vanuit de ziel heeft ontwikkeld als een man van onbeperkte kennis. (6) U bezit de allesomvattende kennis als een vertrouwelijke toegewijde van de Hoogste Persoonlijkheid, die de Oorspronkelijke Heerser is van het materiële en het geestelijke en in wiens denken alleen, vanuit de transcendentie boven de geaardheden van de materiële natuur, het universum wordt geschapen en vernietigd. (7) In uw goedheid bereist u de drie werelden, in ieders hart als de zelfverwerkelijkte getuige doordringend zoals de alles doordringende ether. Zeg me alstublieft wat mijn tekortkoming is in mijn met discipline en gelofte verzonken zijn in het Absolute wat betreft de aangelegenheden van oorzaak en gevolg.'

 (8)
S'rî Nârada zei: 'U hebt nauwlijks de glorie van de onberispelijke Fortuinlijke geprezen en ik denk niet dat Hij erg behaagd is met die mindere kijk op de zaak. (9) Hoewel u, grote wijze, herhaaldelijk hebt geschreven voor het heil van de vier principes van de religie [dharma, artha, kâma, moksha of rechtschapenheid, economie, zinsbevrediging en bevrijding], hebt u dat niet gedaan ter wille van Vâsudeva. (10) Het zich maar amper bedienen van de woorden die de glorie beschrijven van de Heer die het universum heiligt, is iets waarvan de heiligen denken als van het pelgrimeren naar een verblijfplaats van kraaien; niet als iets waar de perfecten van het transcendente behagen in scheppen. (11) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door diegenen die gezuiverd en oprecht zijn. (12) Ondanks zelfverwerkelijking vrij van materiële motieven, ziet de kennis van het onfeilbare er niet goed uit als men persoonlijke namen loslaat. Wat voor goeds valt er te verwachten van het steeds maar weer moeizaam werken voor een resultaat als men de Heer ermee mist? Daar schiet je niets mee op! (13) Derhalve zou u als hoogst fortuinlijke, vlekkeloze en beroemde perfecte ziener die de waarheid toegedaan is en verankerd is in de kwaliteiten, vanuit uw staat van vervoering terwille van de bevrijding uit de universele gebondenheid moeten nadenken en schrijven over Hem wiens handelingen bovennatuurlijk zijn.

(14)
Wat u ook wilt beschrijven dat van een visie is die losstaat van Hem, zal alleen maar tot namen en vormen leiden die de geest van streek brengen als een boot die van zijn ligplaats wordt meegevoerd door de wind. (15) U hebt voor de zaak van de religie de mensen geïnstrueerd in verband met hun natuurlijke geneigdheden [om dieren te doden voor hun voedsel b.v.], hetgeen in feite afkeurenswaardig en nogal onredelijk is. De mensen gericht op een dergelijke leidraad zullen niet denken aan de verbodsbepalingen. (16) Voor het begrijpen van de oneindige Heer komen zij in aanmerking die er goed in zijn zich te weerhouden van materiële genoegens en daarom moet u vanuit uw goedheid hen, die gebonden aan de geaardheden het aan geestelijke kennis ontbreekt, de wegen en handelingen van de Heer tonen.

(17)
Onervaren in de toegewijde dienst aan de lotusvoeten kan men als men de eigen, ware aard verloochent in die positie ten val komen. Maar wat voor een ongeluk overkomt de niet-toegewijde wel niet die, druk met zijn beroepsmatige bezigheden, niet reikt tot dat wat in Zijn belang is? (18) Zij die filosofisch geneigd zijn zouden zich om die reden enkel moeten bekommeren om wat niet zo zeer wordt gevonden door van hoog naar laag te dwalen. In de loop van de tijd, de tijd die zo onvermoeibaar en subtiel is, zal men automatisch het genoegen - zo goed als de misère - als resultaat van de gedane arbeid overal vinden. (19) Om een of andere reden falend heeft de toegewijde een andere ervaring dan anderen: zo gauw hij in dit materiële leven de smaak te pakken heeft, zal hij, met in gedachten de voeten van de Heer der Bevrijding die hij omhelsde, het nooit meer willen opgeven. (20) Vanuit uw eigen goedheid weet u dat alles van deze kosmos de Heer Zelve is, ook al verschilt Hij ervan. Hij vormt het begin en het einde van de schepping; ik vat het alleen maar even voor u samen. (21) Geef alstublieft een natuurgetrouwe beschrijving van het spel en vermaak van de Allerhoogste Heer. U immers kan door het perfecte inzicht van uw eigen ziel achterhalen wat de transcendentie inhoudt van de Persoonlijkheid van de Superziel waarvan u een volledig aspect bent omdat u geboorte hebt genomen terwille van het welzijn van de hele wereld. (22) De erkende geleerden zijn het er allen over eens dat het onmiskenbare doel van de versoberingen, studie, opoffering, het bijwonen van lezingen, het koesteren van de intelligentie en de liefdadigheid van een ieder eruit bestaat te komen tot de beschrijving van de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer die in de verzen wordt verheerlijkt.

(23)
O wijze, in het voorgaande millennium nam ik geboorte uit een dienstmaagd van bepaalde volgelingen van deze conclusie [de Vedânta]. Nog maar een kleine jongen was ik hen druk van dienst toen ik met hen samenleefde gedurende de maanden van het regenseizoen. (24) Deze volgelingen der wijsheid waren mij, een gehoorzame, goed gemanierde, zelfbeheerste en zwijgzame jongen zonder veel belangstelling voor sport en spel, bijzonder genadig, ondanks hun onpartijdigheid jegens gelovigen. (25) Toen de tweemaal geborenen in die periode het mij eens toestonden te genieten van de resten van hun maaltijd, raakte ik door die handeling bevrijd van al mijn zonden en zo manifesteerde zich in mij die in zuiverheid van dienst was, zich de aantrekking tot dat dharma. (26) Daarna hoorde ik iedere dag hoe het leven van Krishna werd beschreven. Door hun respect voor mij o mijn beste Vyâsa, slaagde ik erin aandachtig te luisteren en kon zich zo bij iedere stap die ik deed mijn smaak ontwikkelen. (27) O grote wijze, zo de smaak te pakken krijgend, vond ik continuïteit met de Heer en zag ik in dat men al het grove en subtiele van het leven aanvaardt in de eigen onwetendheid wat betreft het Allerhoogste der transcendentie. (28) Zo twee seizoenen lang, de herfst en het regenseizoen, voortdurend niets anders horend dan de glorie zoals die werd bezongen door de wijzen, begon mijn toegewijde dienst vorm aan te nemen met het naar de achtergrond verdwijnen van de [invloed van de] geaardheden van de hartstocht en de onwetendheid. (29) Als een gehoorzame jongen vrij van zonde slaagde ik, aldus aangetrokken tot wat het Zijne is, er in mijn strikte navolgen toen vanwege die volgelingen in om [mijn zinnen] in bedwang te krijgen. (30) Toen die toegewijden zo vol van zorg voor de deemoedigen vertrokken, waren ze zo genadig mij te instrueren in die allervertrouwelijkste kennis die rechtstreeks door de Heer Zelf wordt uitgedragen. (31) Daardoor kon ik makkelijk begrijpen wat de invloed is van de begoochelende materiële energie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, Vâsudeva, de allerhoogste schepper, en hoe men de toevlucht die Hij is kan bereiken.

(32)
O geleerde, men zegt dat het opdragen van je handelingen aan de Allerhoogste Heer de remedie is tegen de drievoudige misère van het leven. (33) O goede ziel, is het niet zo dat de genezing van een kwaal wordt gevonden in [het tegengaan van] dat wat er de oorzaak van is? (34) Zo zullen ook alle handelingen van de mens die zijn gericht op het teweegbrengen van een materieel [een materialistisch] bestaan aan dat zelf [aan die zelfzucht] een einde maken als men erin slaagt ze te wijden aan de Bovenzinnelijkheid. (35) Alles wat men in deze wereld doet om de Heer te behagen en wat daartoe wordt gedaan in afhankelijkheid van de kennis is bhakti yoga [yoga van de toewijding]. (36) Als men zijn plichten vervult indachtig de wil van de Fortuinlijke, gaat de geest voortdurend uit naar de kwaliteiten en de namen van Heer Krishna. (37) Laten we daarom mediteren op de naam en de glorie van Vâsudeva en Zijn volledige expansies Pradyumna, Aniruddha en Sankarshana. (38) Die persoon die aldus de Heer die geen vorm heeft aanbidt met behulp van de geluidsvorm [van deze namen] die Hem vertegenwoordigen is, in zijn aanbidden van [Heer Vishnu] de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, van een volmaakt inzicht. (39) O geleerde, door op deze manier bezig te zijn werd ik, goed op de hoogte zijnde van het vertrouwelijke gedeelte van de Vedische kennis, gezegend met de kennis van Zijn bovenzinnelijke weelde en een intieme persoonlijke liefde voor Heer Krishna [Kes'ava]. (40) U beste, goede ziel met uw uitgebreide Vedische kennis, weidt tevens uit over de Almachtige dankzij wie de wijzen er altijd bevrediging in gevonden hebben om kennis te nemen van het transcendentale. Beschrijft u alstublieft Zijn handelingen om het lijden terug te dringen van de massa der gewone mensen voor wie er geen andere uitweg is.' "

 

Hoofdstuk 6: Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

(1) Sûta zei: "Aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden vernemend, vroeg de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem: (2) 'Wat deed u, voordat uw huidige leven een aanvang nam, nadat de grote toegewijden die u instructie gaven over de transcendentale wijsheid vertrokken? (3) Wat waren de levensomstandigheden waaronder u verkeerde na deze inwijding en hoe bent u in de loop van de tijd tot dit lichaam gekomen? (4) Hoe kon u, o grote wijze, zich dit zo in detail herinneren uit een voorgaand tijdperk, want maakt de tijd op den duur niet aan alles een einde?'

(5)
S'aî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me in mijn voorgaande leven de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en toen ze waren vertrokken gebeurde er het volgende. (6) Ik was de enige zoon van mijn moeder die een eenvoudige vrouw was die werkte als dienstmaagd. Ik, haar nageslacht, werd volkomen door de emotionele band die ik met haar had bepaald en had niemand anders om me te beschermen. (7) Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, was ze daar niet toe in staat omdat ze zo afhankelijk was als een pop aan een touwtje. (8) Ik volgde toen ik nog maar vijf jaar oud was het onderricht van de brahmanen en leefde afhankelijk van haar zonder een idee te hebben van de tijd, de richting en de plaats waarin we leefden. (9) Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer. (10) Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en met dat in gedachten ging ik op weg naar het noorden. (11) Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden. (12) Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was blij met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen. (13) Ik kwam door struikgewas van bamboe, scherp gras en onkruid, ging door moeilijk begaanbare grotten en bereikte diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden. (14) Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik hongerig en dorstig een bad en dronk ik het water van een meer van een rivier waarin ik van mijn vermoeidheid herstelde. (15) In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en mediteerde ik intelligent mijn toevlucht zoekend in de Superziel vanbinnen zoals ik dat had geleerd van de bevrijde zielen. (16) Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde. Ik was zo vol van ijver dat de tranen uit mijn ogen liepen toen ik de Heer direct in mijn hart zag verschijnen. (17) Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik o wijze, volledig verzonken als ik was in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer van elkaar onderscheiden. (18) Zonder daarna nog langer de gedaante van de Heer die alle strijdigheid uit de geest bant te zien, stond ik plotsklaps op, verstoord als iemand die iets begerenswaardigs heeft verloren. (19) Ernaar verlangend dat opnieuw te ervaren zag ik met mijn denken op het hart gericht, Hem ondanks mijn afwachten niet en ik raakte zeer neerslachtig, gefrustreerd als ik was op die manier. (20) Het op die eenzame plek alsmaar proberend, hoorde ik hoe van gene zijde ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn treurnis wegvaagden. (21) 'Luister eens, voor de duur van je leven zal je het zicht op Mij hier niet deelachtig zijn, daar het moeilijk is dat zicht te verkrijgen als men, onvolwassen met onzuiverheden, schuldig blijft in de vereniging. (22) Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, omdat door het toenemen van het verlangen van de toegewijde al de lust uit het hart wordt verdreven. (23) Als men zelfs maar voor een paar dagen het Absolute van dienst zijnd een gefixeerde intelligentie jegens Mij heeft bereikt, zal men met het opgegeven hebben van het mismoedige van deze wereld zijn schreden richten naar en deel uitmaken van Mijn gezelschap. (24) De intelligentie die op deze manier betrokken is in toewijding kan nooit van Mij gescheiden worden omdat, of levende wezens nu in wording zijn of uit beeld verdwijnen, hun herinnering zich door Mijn genade zal voortzetten.'

(25)
Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat grootse en wonderbaarlijke geluid van de Hoogste autoriteit en boog ik, dankbaar voor de genade, mijn hoofd in eerbetoon voor het grote en verheerlijkte. (26) Vrij van formaliteiten de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en in de constante heugenis van Zijn mysterieuze en zegenende activiteiten verkerend, bereisde ik bevrijd en tevreden de wereld in alle bescheidenheid en wachtte zonder rancune mijn tijd af. (27) Op die manier vrij van alle gehechtheid aan de materiële wereld verzonken zijnd in Krishna o Vyâsadeva, kwam na de nodige tijd de dood me halen, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits. (28) Beloond met dat bovenzinnelijk lichaam een metgezel van de Heer waardig, verliet ik het lichaam samengesteld uit de vijf elementen, toen ik zag dat mijn verworven karma tot een einde was gekomen. (29) Aan het einde van het tijdperk nam de Heer die zich had neergevleid in de wateren der vernietiging mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling. (30) Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik opnieuw tezamen met rishi's als Marîci. (31) Me trouw houdend aan de gelofte reis ik rond zowel in de drie werelden als erboven en ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan en staan daar en wanneer ik maar wil. (32) Aldus beweeg ik me rond onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer en het bespelen van de bovenzinnelijk geladen vînâ waarmee de Godheid me heeft onderscheiden. (33) Als ik zo zing verschijnt al snel, als was Hij geroepen, het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten over wiens handelingen men met genoegen verneemt, in de zetel van mijn hart. (34) Ik kwam tot het inzicht dat voor hen die in hun verlangen naar de objecten van hun zintuigen vol van zorgen zijn, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaalde bezingen van de glorie van de Heer. (35) Verlangen en lust steeds weer ondervangen met behulp van de discipline van de yoga zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de toegewijde dienst aan de Persoonlijkheid van God. (36) Ik beschreef voor jou, vrij van zonden als je bent, dit alles over mijn geboorte en activiteiten, zowel voor de voldoening van jouw ziel als die van mij.' "

(37)
Sûta zei: "Na aldus de machtige wijze toe te hebben gesproken nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij, onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, naar waar dan ook. (38) Alle glorie en succes aan de wijze der goden die er behagen in schept de heerlijkheden van de Persoonlijkheid van God te bezingen en met behulp van zijn instrument het lijdende universum tot leven te wekken."

 

Hoofdstuk 7: De Zoon van Drona Gestraft

(1) S' S'aunaka zei: "Wat deed, toen Nârada Muni was vertrokken, de alvervulde Vyâsadeva nadat hij van de grote wijze gehoord had wat hij wilde horen?"

(2) Sûta antwoordde: "Op de westelijke oever van de Sarasvatî waar de wijzen mediteren is er bij S'amyâprâsa een âs'rama voor de bevordering van bovenzinnelijke activiteiten. (3) Daar op zijn plek concentreerde Vyâsadeva neerzittend temidden van bessenbomen zijn geest nadat hij zijn wateroffer gebracht had. (4) Met zijn denken in de toewijding van de yoga gelijkgericht zag hij, volmaakt gefixeerd zonder materiële zorgen, het geheel van de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] samen met de uitwendige energie die van Hem afhankelijk is. (5) De levende wezens geconditioneerd op de natuurlijke geaardheden, beschouwen, ondanks het transcendentale van hun ziel, het ongewenste als iets vanzelfsprekends en ondergaan daarvan de terugslagen. (6) Terwille van de gewone man die zich er niet van bewust is dat men in de yoga van de toewijding tot Hem die zich in het voorbije bevindt een einde ziet komen aan het ongewenste, verzamelde de wijze, die dit inzag, de verschillende verhalen met betrekking tot de Absolute Waarheid. (7) Eenvoudigweg aandacht besteden aan de literatuur over Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, zal het devotionele doen ontspruiten dat het weeklagen, de illusie en de angst wegneemt. (8) Na de verzamelingen van verhalen te hebben bijeengebracht en geredigeerd, onderrichtte hij zijn zoon S'ukadeva Gosvâmî erin, die de wijze is van het pad der zelfverwerkelijking."

(9) S'aunaka vroeg: "Waarom zou hij, die op het pad der zelfverwerkelijking altijd innerlijk tevreden is met minachting voor al het overige, nu werk maken van zo'n uitgebreide studie?"

(10) Sûta zei: "De wonderbaarlijke kwaliteiten van de Heer zijn van dien aard dat de gewone man zowel als de wijzen die vrij zijn van alle materiële bindingen, ondanks het feit dat men behagen schept in de ziel, zuivere, toegewijde dienst verrichten ter wille van Heer Vishnu, Urukrama. (11) De machtige zoon van Vyâsa was geliefd onder de toegewijden omdat hij, met het op zich nemen van de regelmatige studie van deze grootse vertelling, altijd was verzonken in de bovenzinnelijke kwaliteit van de Allerhoogste Heer. (12) Laat me u daarom vertellen over de geboorte, activiteiten en bevrijding van koning Parîkchit, de wijze onder de koningen, en over hoe de zonen van Pându tot het verzaken van de wereld kwamen. Deze verhalen leiden tot de verhalen over Krishna.

(13-14) Toen op het slagveld van Kurukshetra de krijgslieden van de Pândava's en de Kaurava's hun heroïsche lotsbestemming gevonden hadden en de zoon van koning Dhritarâshthra [Duryodhana] treurde over zijn gebroken ruggengraat als gevolg van een klap van de knots van Bhîma, dacht de zoon van Dronâcârya [As'vatthâmâ] zijn meester Duryodhana te behagen door hem bij wijze van trofee de hoofden van de slapende zonen van Draupadî te bezorgen. Maar toen de meester dit onder ogen kwam keurde hij deze schandelijke daad af. (15) De moeder van de kinderen [van de Pândava's], huilde vol verdriet bittere tranen toen ze van de slachting hoorde. Arjuna [die de Pândava's aanvoerde], probeerde haar te kalmeren en zei: (16) 'O zachtmoedige dame, ik kan alleen maar de tranen van uw wangen wissen als het hoofd van die gevallen brahmaanse agressor er is afgeschoten door de pijlen van mijn boog Gândîva. Ik zal het u komen brengen zodat u er uw voet op kan plaatsen en dan, na de crematie van uw zoons, een bad kan nemen.' (17) Na haar met deze woordkeus tevreden hebben gesteld besteeg Arjuna, hij die geleid wordt door de Onfeilbare, gewapend en in kuras zijn strijdwagen om As'vatthâmâ, de zoon van zijn leraar in de krijgskunst, te achtervolgen. (18) Toen die hem op een afstand achter zich aan zag komen, raakte de kindermoordenaar in paniek en vluchtte hij vrezend voor zijn leven met grote snelheid in zijn strijdwagen weg zoals Sûrya ook voor S'iva wegvluchtte [*]. (19) Zich onbeschermd ziend toen zijn paarden uitgeput raakten, nam de zoon van de tweemaal geborene [As'vatthâmâ], alleen maar aan zichzelf denkend, zijn toevlucht tot het ultieme wapen [de brahmâstra]. (20) Met zijn leven in gevaar, beroerde hij water en concentreerde hij zich op het reciteren van de mantra's, zonder echter te weten hoe hij het proces moest stoppen. (21) Een helder licht verspreidde zich dermate fel in alle richtingen, dat bij het zien van die levensbedreiging Arjuna zich wendde tot de Heer [die zijn strijdwagen mende] en zei: (22) 'O, Krishna, Krishna, Jij bent de Almachtige die de angst van de toegewijden wegneemt, Jij alleen bent het pad der bevrijding voor hen die te lijden hebben in hun materiële bestaan. (23) Jij bent de transcendentale oorspronkelijke genieter en directe beheerser van de materiële energie. Jij bent degene die middels Zijn eigen innerlijke vermogen de materiële illusie afwendt in de gelukzaligheid en de kennis van Je eigen Zelf. (24) Vanuit die positie schenk Je in het hart van degenen die materieel verstrikt zijn, met de deugd van Je invloed het hoogste goed van de rechtschapenheid en zo meer [dat het dharma kenmerkt: waarheid, zuiverheid, versobering en mededogen]. (25) Aldus neem Je Je geboorte om de last van de wereld weg te nemen en Je vrienden en zuivere toegewijden tevreden te stellen als hun constante voorwerp van bezinning. (26) O Heer der Heerscharen, ik weet niet waar dit hoogst gevaarlijke, oogverblindende licht vandaan komt dat zich in alle richtingen verspreidt.'

(27)
De Allerhoogste Heer zei: 'Neem van Mij aan dat het afkomstig is van de zoon van Drona die, met de dood voor ogen, het wapen van de mantra's lanceerde zonder te weten hoe hij het moet terugtrekken. (28) Niets anders kan dit wapen tegenwicht bieden dan nog zo'n wapen; in feite zal je deze immense gloed moeten tegengaan door gebruik te maken van je eigen brilliante krijgskunsten.' "

(29) Sûta zei: "Na gehoord te hebben wat de Allerhoogste Heer zei, sipte Arjuna, terwijl hij de Heer omliep, zelf van water en nam hij het hoogste wapen op om dat van zijn tegenstander onschadelijk te maken. (30) Daarop raakte door de gezamenlijke gloed van de twee elkaar dekkende wapens de ganse hemel en het uitspansel doortrokken van een expanderende vuurbal zo fel als de zon. (31) Toen de bewoners der drie werelden zagen hoe de hitte van beide wapens hen ernstig schroeide, deed hen dat denken aan het vuur der vernietiging van de eindtijd [sâmvartaka]. (32) Inziende welk een verstoring dit inhield voor de gewone man en zijn woonplaatsen, trok Arjuna, op aanwijzing van Vâsudeva, beide wapens terug. (33) Toen nam Arjuna, met ogen rood als koper van de woede, de zoon van Gautamî gevangen, hem vaardig vastbindend met touwen alsof het een beest betrof. (34) Nadat hij de vijand vastgebonden had en hem met geweld naar het militaire kampement had gebracht, zei de Allerhoogste Heer, die het met Zijn lotusogen gadesloeg, tegen de kwaad geworden Arjuna: (35) 'Laat deze brahmanenzoon nooit lopen, straf hem, want hij heeft onschuldige jongens in hun slaap gedood. (36) Iemand die de principes van de religie kent is er beducht voor vijanden te doden die onoplettend zijn, onder invloed verkeren, krankzinnig zijn, slapen, nog jong zijn, vrouw zijn, dwaas zijn, een overgegeven ziel zijn of iemand die zijn strijdwagen kwijt is. (37) Maar iemand die schaamteloos en wreed denkt dat hij zich met recht in leven kan houden ten koste van de levens van anderen, verdient het zeker dat hem voor zijn eigen bestwil een halt wordt toegeroepen, omdat als gevolg van de misdaad de persoon [die hem laat begaan zowel als de misdadiger zelf] tenondergaat. (38) Ik hoorde persoonlijk dat je de dochter van de koning van Pâñcâla beloofde: 'Ik zal je het hoofd brengen van hem die je ziet als de moordenaar van je zoons.' (39) Hij, niet meer zijnde dan de verbrande as van zijn familie, een zondaar in overtreding die verantwoordelijk is voor de moord op je zoons en die zijn eigen meester mishaagde, moet daarom het oordeel ondergaan.' "

(40) Sûta zei: "Hoewel Arjuna, die door Krishna aan een test van zijn plichtsbetrachting werd onderworpen, ertoe was aangemoedigd, ging zijn hart er niet naar uit de zoon van zijn leraar te doden, ook al was die dan de schandelijke moordenaar van zijn zoons. (41) Op het moment dat hij daarop samen met zijn dierbare vriend en wagenmenner Govinda zijn kampement bereikte, vertrouwde hij de moordenaar toe aan zijn beminde vrouw die weeklaagde over haar vermoorde zoons. (42) Toen ze hem zag die als een crimineel stil van zijn schandelijke daad als een dier in touwen geslagen naar haar werd toegebracht, betoonde Draupadî vanuit de schoonheid van haar aard de zoon van de leraar meedogend het benodigde respect. (43) Ze kon het niet verdragen zoals hij vastgebonden werd opgebracht en zei: 'Maak hem los, want hij als brahmaan is een leraar van ons. (44) Door zijn [Drona's] genade heb je zelf de vertrouwelijke kennis van de krijgskunst en het lanceren en beheersen van allerlei wapens ontvangen. (45) Heer Drona bestaat voorzeker voort in de gedaante van zijn zoon, want zijn wederhelft Kripî [zijn vrouw] is niet uit het leven gestapt [middels satî] omdat er een zoon was. (46) Derhalve, o meest gelukkige in het kennen van het dharma, bezorg vanuit de goedheid die in je is de immer respectabele en vererenswaardige familie geen verdriet. (47) Maak zijn moeder, Drona's toegewijde echtgenote, niet aan het huilen zoals ik die voortdurend tranen pleng in treurnis over een verloren kind. (48) Als het adellijke bestuur zich niet weet in te tomen in relatie tot de orde van hen die studeerden, zal dat bestuur in een oogwenk afbranden en zal het, samen met haar familieleden, in verdriet belanden.' "

(49) Sûta zei: "O hooggeleerden, de koning [van de Pândava's, Yudhishthhira] viel de uitlatingen van de koningin bij daar ze in overeenstemming waren met de principes van het dharma der rechtspraak en ze genadevol waren, zonder dubbelhartigheid en verheven in rechtschapenheid. (50) Nakula en Sahadeva [de jongere broers van de koning] en ook Sâtyaki, Arjuna, de Allerhoogste Heer de zoon van Devakî, zowel als de dames en anderen vielen haar allen bij. (51) Daarop zei Bhîma verontwaardigd: 'Over het feit dat hij zonder een goede reden, noch voor zichzelf noch voor zijn meester, slapende kinderen gedood heeft, wordt gesteld dat hij de dood verdient.'

(52) De vierarmige [Heer Krishna] die de woorden gesproken door Bhîma en Draupadî aangehoord had en het gezicht van Zijn vriend [Arjuna] had gezien, zei met een flauwe glimlach: (53-54) 'Het familielid van een brahmaan moet men niet ter dood brengen, hoewel men een agressor wel ter dood brengt - wat Mij betreft staat vast dat de uitvoer van beiden staat voorgeschreven als we ons willen houden aan de regels. Je moet je aan de waarheid houden van de belofte die je deed toen je je vrouw genoegdoening beloofde en je tevens inspannen om zowel Bhîma als Mij tevreden te stellen.'

(55) Meteen doorhebbend wat de Heer bedoelde, scheidde hij met behulp van zijn zwaard het juweel tezamen met het haar van het hoofd van de tweemaal geborene. (56) Hij [As'vatthâmâ], die naast het verlies van zijn lichamelijke luister als gevolg van de kindermoord ook door het verlies van zijn juweel aan kracht had ingeboet, werd, na te zijn losgemaakt, toen uit het kampement verdreven. (57) Het afsnijden van het haar, het beslag leggen op de rijkdom en verbanning zijn de soorten van fysieke straffen die gereserveerd zijn voor de familieleden van hen die studeerden, en niet enige andere methode om met het lichaam af te rekenen. (58) Daarna voltrokken de zonen van Pându, door verdriet overmand, de rituelen die moeten worden verricht uit respect voor overleden familieleden."


*: Toen de zonnegod de demon Vidyunmâlî nazat viel Heer S'iva in woede met zijn drietand hem aan. De zonnegod op de vlucht struikelde te Kâs'î, alwaar hij bekend raakte als Lolârka.    

 

 Hoofdstuk 8: Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

(1) Sûta zei: "Aldus begaven ze zich tezamen met Draupadî en de vrouwen voorop, naar de Ganges met de wens de waterrituelen uit te voeren voor hun verwanten. (2) Nadat een ieder zijn wateroffer had gebracht en afdoende nogmaals getreurd had, namen ze een bad in het water van de Ganges dat gezuiverd is door het stof van de lotusvoeten van de Heer. (3) Daar zaten, getroffen door verdriet, de koning van de Kuru's [Yudhishthhira] met zijn jongere broers, Dhritarâshthra en Ghândârî samen met Kuntî, Draupadî en de Heer Zelve. (4) Heer Krishna samen met de muni's kalmeerde aldaar de geschokte en geëmotioneerde familie die haar vrienden en leden had verloren, door erop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd. (5) Vanwege het bedriegen van Yudhishthhira [de oudste van de Pândava's], die geen vijanden had, waren de niets ontzienden [Duryodhana en zijn broers] gedood die op doortrapte wijze het koninkrijk hadden ingepalmd en hun levensduur hadden bekort met de belediging van het bij de haren vastgrijpen van de koningin [Draupadî]. (6) Door het op gepaste wijze uitvoeren van drie paardoffers raakte hij [Yudhishthhira] in alle uithoeken zo bekend als Indra die dat offer een honderdtal keren had gebracht.

(7) Aanbeden door de wijzen en de geschoolden, nodigde de Heer, in reactie op hun afscheidsgroet, de zoons van Pându uit tezamen met Uddhava [een andere verwant en vriend van Krishna]. (8) Gezeten op Zijn strijdwagen zag Hij, juist toen Hij naar Dvârakâ wilde vertrekken, Uttarâ [de moeder in verwachting van Parîkchit] die zich vol vrees in Zijn richting spoedde. (9) Ze zei: 'Bescherm me, bescherm me, o Grootste der Yogi's, Aanbedene der Aanbedenen en Heer van het Universum; behalve U zie ik niemand anders die onbevreesd is in deze wereld van dood en dualiteit. (10) O almachtige Heer, een gloeiende pijl van ijzer komt op me af. Laat hem mij verbranden, o Beschermer, maar redt mijn vrucht!' "

(11) Sûta zei: "Haar woorden geduldig aanhorend begreep de Allerhoogste Heer, die Zijn toegewijden altijd een warm hart toedraagt, dat dit het resultaat was van een brahmâstra-wapen van de zoon van Drona die aan het bestaan van alle nazaten van de Pândava's een einde wilde maken. (12) O leider van de wijzen [S'aunaka], toen de Pândava's het laaiende wapen op zich af zagen komen grepen ze naar hun eigen vijf wapens. (13) Ziende dat ze zich in groot gevaar bevonden met geen andere middelen tot hun beschikking, nam de Almachtige Zijn eigen Sudars'ana werpschijf ter hand om Zijn toegewijden te beschermen. (14) Vanuit Zijn positie in de ziel van alle levende wezens, schermde de Allerhoogste Heer van de Yoga middels Zijn persoonlijke energie de vrucht van Uttarâ af om het nageslacht van de Kurudynastie te beschermen. (15) O S'aunaka, hoewel het brahmâstra-wapen niet door tegenmaatregelen te stuiten is, werd het, geconfronteerd met de kracht van Vishnu, geneutraliseerd. (16) Maar bezie dit alles, met al het mysterieuze en onfeilbare dat we van Hem kennen, niet als iets bijzonders. De ongeziene godheid is middels Zijn materieel vermogen van schepping, handhaving en vernietiging.

(17) Gered van de straling van het wapen, richtte de kuise Kuntî samen met haar zoons, zich tot Heer Krishna die op het punt stond te vertrekken. (18) Kuntî zei: 'Mijn eerbetuigingen voor Jou, de Purusha, de Oorspronkelijke Beheerser van de Kosmos die onzichtbaar is en voorbij al het bestaande zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is. (19) Verhuld door de begoochelende [materiële] sluier, onberispelijk transcendent en niet te onderscheiden voor de dwazen, ben Jij als een acteur uitgedost voor het acteren.  (20) Jij verschijnt terwille van de gevorderde transcendentalisten en filosofen die geest en stof van elkaar weten te onderscheiden, om de wetenschap in praktijk te brengen die ze verenigt in de toewijding. Maar hoe moeten wij vrouwen dan respect voor Je oefenen? (21) Daarom breng ik Je mijn respectvolle eerbetuigingen, Jij, de beschermer van de koeien en de zinnen, de Allerhoogste Heer, de zoon van Vasudeva en Devakî, Hij van Nanda en de koeherders van Vrindâvana. (22) Mijn eerbetoon is er voor Jou, die een lotusachtige welving in Je buik hebt, die altijd gesierd bent met lotusbloemen, wiens blik koel als een lotusbloem is en wiens voetafdruk het merkteken van lotusbloemen draagt. (23) Jij bent de meester der zinnen en hebt Devakî die in nood verkeerde [de moeder van Krishna] bevrijd uit een langdurige gevangenschap opgelegd door de afgunstige [oom] koning Kamsa. En, o Heer, Jij hebt mij en mijn kinderen beschermd tegen een voortdurende dreiging. (24) Na ons in het verleden gered te hebben van een grote brand, menseneters, een laaghartige vergadering, ontberingen onder verbanning in het woud en tegen wapens in veldslagen met grote generaals, heb Jij ons nu volledig beschermd tegen het wapen van de zoon van Drona. (25) Hadden we maar meer van die calamiteiten, zodat we Jou keer op keer zouden kunnen ontmoeten, o Meester van het Universum, want Jou ontmoeten betekent dat we niet langer de herhaling van geboorten en dood onder ogen hoeven zien. (26) Zij die onder de invloed verkeren van het streven naar een goede geboorte, rijkdommen, scholing en schoonheid, zullen nooit en te nimmer het verdienen zich tot Jou te mogen richten, die gemakkelijk te benaderen bent voor hen die berooid zijn. (27) Alle eer aan Jou, de rijkdom van hen die in armoede leven; Jij die staat voor het transcendentale dat het aangedaan zijn door de materiële geaardheden te boven gaat; Jij als degene die in Zichzelf gelukkig is en het meest zachtgeaard is; al mijn eerbetoon voor Jou,  de meester der zaligheid. (28) Ik beschouw Jou als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd, als de Heer die zonder een begin en een einde is, en als de alles doordringende Ene die Zijn genade overal gelijkelijk verdeelt over de levende wezens die met elkaar in onenigheid verkeren. (29) O Heer, niemand doorgrondt Je spel en vermaak, dat zo strijdig lijkt als wat de gewone man doet; mensen denken dat Je partijdig bent, maar Je begunstigt niemand en hebt ook aan niemand een hekel. (30) O Ziel van het Universum, van de vitale energie zijnde Je geboorte nemend hoewel Je ongeboren bent en handelend hoewel Je inactief bent, ben Je waarlijk verbijsterend zoals Je Je manifesteert met de dieren, de menselijke wezens, de wijzen en de schepselen in het water. (31) Het verwart me om te zien hoe Jij, toen de gopî [Yas'odâ, het koeherderinnetje, de pleegmoeder van Krishna] een touw pakte om Je vast te binden, bang was en Je de make-up van Je ogen huilde, terwijl Je gevreesd wordt door de Vrees zelve. (32) Sommigen zeggen dat Je, zoals sandelhout verschijnt in de Malaya heuvels, uit het ongeborene bent geboren terwille van de glorie van de deugdzame koningen of het genoegen van de familie van de dierbare koning Yadu. (33) Anderen zeggen dat Je bent nedergedaald uit het ongeborene voor het heil van Vasudeva en Devakî die voor Je baden en voor het einde van degenen die afgunstig op de goddelijken zijn. (34) Weer anderen beweren dat Je, als een boot op zee, bent gekomen om de last van hevig werelds verdriet weg te nemen en dat Je Je geboorte nam vanwege de gebeden van Heer Brahmâ. (35) En nog weer anderen zeggen dat Je verscheen voor degenen die, door de begeerte en onwetendheid in de materieel gemotiveerde wereld, het zwaar te verduren hebben, zodat ze zich van hun taak kunnen kwijten met het over Je vernemen, het Jou in gedachten houden en met het Jou aanbidden. (36) Die mensen die er behagen in scheppen voortdurend over Je handelingen te horen, ze te bezingen en ze te herinneren, zullen zeker zeer snel Je lotusvoeten zien die een einde maken aan de herhaling van wedergeboorten. (37) O Heer, met alles wat Jij voor ons gedaan hebt, laat Je, vertrekkend naar de koningen die in vijandschap verwikkeld zijn, ons nu achter. Wij, Je intieme vrienden die, enkel bij Jouw genade, in afhankelijkheid van Je lotusvoeten, hun leven hebben. (38) Wij, zonder Jou, zullen tezamen met de Yadu's en Pândava's, zonder de faam en de naam zijn, zoals een lichaam is zonder de zinnen nadat de geest is vertrokken. (39) Het land van ons koninkrijk zal niet langer er zo mooi uitzien als nu het geval is met de verbluffende merktekenen van Je voetsporen. (40) Al deze steden en plaatsen bloeiden, dankzij Jouw blikken, meer en meer op met hun weelde aan kruiden, groenten, wouden, heuvels, rivieren en zeeën. (41) Daarom, o Heer van het Universum, Persoonlijkheid van de Universele Gedaante, verbreek mijn band van diepe genegenheid voor mijn soortgenoten de Pândava's en de Vrishni's. (42) Maak mijn aantrekking voor Jou zuiver en voortdurend overlopend, zoals de Ganges die naar zee stroomt. (43) O Krishna, vriend van Arjuna en leider van de Vrishni's, vernietiger van de opstandige geslachten van deze aarde, met Jouw niet aflatende heldenmoed bevrijdt Je de koeien in nood, de tweemaal geborenen en de goddelijken, o nederdaling van de Heer der Yoga, Universele Leraar en Oorspronkelijke Eigenaar, Jou biedt ik mijn eerbetuigingen.' "

(44) Sûta zei: "Na met die keuze van woorden door Koningin Kuntî in Zijn universele glorie te zijn aanbeden, gaf de Heer een milde glimlach ten beste zo betoverend als Zijn mystiek vermogen. (45) Dat alles zo aanvaardend werd de Heer, nadat Hij verder nog Zijn respect betoonde jegens de dames in het paleis van Hastinâpura, toen Hij wilde vertrekken naar Zijn eigen verblijfplaats, tegengehouden door de liefde van de koning [Yudhishthhira]. (46) De geleerden, de wijzen en Heer Krishna, Hij notabene van de bovennatuurlijke werken in eigen persoon, konden de koning van streek als hij was niet overtuigen, noch kon hij troost vinden in de klassieke geschiedenissen. (47) Koning Yudhishthhira, zoon van Dharma, denkend vanuit de materiële opvatting van het verloren hebben van zijn vrienden, liet zich, o wijzen, gaan op de begoocheling van zijn genegenheid toen hij zei: (48) 'Och bezie mij nou eens die in de onwetendheid van zijn hart diep is gezonken in de zonde van het met dit lichaam, dat eigenlijk bedoeld is voor de dienstverlening aan anderen, gedood hebben van zovele formaties van strijders. (49) Ik die zoveel jongens, tweemaal geborenen, zorgdragers, vrienden, ouderen, broeders en leraren heb gedood, zal voorzeker nooit, in nog geen miljoen jaar, uit de hel bevrijd raken. (50) Voor een koning die vecht voor de goede zaak van het beschermen van de burgers is het geen zonde om mensen te doden in de strijd met zijn vijanden, maar deze woorden, die ingesteld zijn voor de tevredenheid van het bestuur, zijn op mij niet van toepassing. (51) Ik kan niet verwachten dat al de vijandigheid die zich heeft opgeworpen vanwege de vrienden die ik heb gedood die vrouwen hebben achtergelaten, teniet zal worden gedaan door me in te spannen terwille van het materiële welzijn. (52) Zoals men geen modderwater met modder kan filtreren of een wijnvlek met wijn kan verwijderen, heeft het ook geen zin het doden van mensen tegen te gaan door dieren te offeren.' "

 

Hoofdstuk 9: Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna

(1) Sûta zei: "Yudhishthhira die in angst verkeerde vanwege het feit dat hij mensen gedood had ging daarna, vanuit zijn volle besef van de religieuze plicht, naar het slagveld waar hij de stervende Bhîshma op de grond liggend aantrof. (2) Getrokken door de beste paarden opgesierd met gouden ornamenten volgden alle broers hem derwaarts, begeleid door Vyâsa, Dhaumya [de priester van de Pândava's] en andere rishi's. (3) Ook de Allerhoogste Heer kwam mee met Arjuna op de strijdwagen, o wijzen onder de geschoolden, en op die manier heel aristocratisch overkomend was hij [de Koning] als Kuvera [de schatbewaarder van de halfgoden] samen met zijn begeleiders. (4) Toen Yudhishthhira Bhîshma als een uit de hemel gevallen halfgod op de grond zag liggen, maakte hij tezamen met zijn broers en de Heer met de werpschijf, Krishna, een buiging voor hem. (5) Aldaar waren al de wijzen onder de brahmanen, de goddelijken en de adel aanwezig, enkel om de leider te zien van de afstammelingen van Koning Bharata [de gemeenschappelijke voorouder]. (6-7) Parvata Muni, Nârada, Dhaumya, Heer Vyâsa, Brihadas'va, Bharadvâja en Paras'urâma waren er daar met hun discipelen en ook Vasishthha, Indrapramada, Trita, Gritsamada, Asita, Kakshîvân, Gautama, Atri, Kaus'ika en Sudars'ana waren gekomen. (8) O hooggeleerden, ook vele andere wijzen als S'ukadeva, het werktuig van God, en andere zuivere zielen als Kas'yapa en Ângirasa arriveerden daar vergezeld van hun discipelen.

(9) Bhîshmadeva, de beste onder de Vasu's die heel goed wist hoe hij zich naar tijd en omstandigheden volgens het dharma diende te gedragen, verwelkomde al de groten en machtigen die zich daar hadden verzameld. (10) Op de hoogte van Krishna's heerlijkheid verwelkomde hij ook in aanbidding Hem, de Heer van het Universum die, zich bevindend in het hart, Zijn gedaante openbaart middels Zijn innerlijk vermogen. (11) Toen hij de zoons van Pându in stilte aan zijn zijde zag zitten, feliciteerde Bhîshma hen hartelijk. Met tranen in zijn ogen was hij in staat van vervoering overmand door gevoelens van liefde over de samenkomst. (12) Hij zei: 'O hoe pijnlijk en onrechtvaardig is het geweest voor jullie goede zielen, zonen der rechtschapenheid, om zo'n leven vol van leed te hebben gehad dat jullie echt niet verdienden onder de bescherming van de geschoolden, de religie en de Onfeilbare. (13) Na de dood van de grote veldheer Pându had Kuntî, mijn schoondochter, toen haar kinderen nog jong waren, veel te lijden wegens jullie, en dat was ook zo toen jullie jongens waren opgegroeid. (14) Al het onaangename dat voorviel kan je denk ik aan de Tijd toeschrijven; jullie, evenzogoed als de ganse wereld met zijn heersende goden, staan onder die controle zo goed als de wolken door de wind worden meegevoerd.(15) Waarom zou dat ongeluk er anders zijn met de aanwezigheid van Yudhishthhira, de zoon van de heerser der religie, Bhîma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gândîva in zijn hand en onze weldoener Heer Krishna? (16) Niemand kan Gods plan doorgronden o Koning; het verbijstert zelfs de grote filosofen die verwikkeld zijn in uitputtende onderzoekingen. (17) Derhalve, verzeker ik u, o besten van de afstammelingen van Bharata, dat dit allemaal toe te schrijven is aan de wil van God's voorzienigheid; o heerser, ontfermt u zich toch vooral over de hulpeloze onderdanen, o meester. (18) Hij [Krishna] die zich op ondoorgrondelijke wijze beweegt onder de Vrishni's, is niemand anders dan de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke oergenieter Nârâyana die een ieder verbijstert door Zijn energieën. (19) O Koning, Heer S'iva, Nârada de wijze onder de goden en de grote Heer Kapila zijn degenen die rechtstreeks kennis hebben van de meest vertrouwelijke heerlijkheden van Zijn goddelijkheid. (20) Hij is dezelfde persoon die u beschouwt als de neef van uw moeders kant, uw meest dierbare vriend, ijverige weldoener, raadgever, boodschapper, begunstiger en wagenmenner. (21) Hij die in ieders hart aanwezig is, die iedereen gelijkgezind is en die van het Absolute zijnde zich nimmer valselijk vereenzelvigt, is in Zijn bewustzijn van met alles wat Hij doet op ieder moment een verschil maken, vrij van welke voorkeur ook. (22) Niettemin, hoe onpartijdig Hij ook is met Zijn toegewijden, zie, o Koning, hoe Krishna meteen, in mijn stervensuur, zich erom bekommert aan mijn zijde aanwezig te zijn. (23) Die yogatoegewijden die met Hem in hun geest vroom mediteren op Zijn heilige naam en met hun mond Zijn heerlijkheden bezingen, zullen, op het afzweren van de materiële levensopvatting, bevrijding vinden van het verlangen dat eigen is aan hun materieel gemotiveerde handelingen. (24) Moge Hij die in mijn meditaties verschijnt als de vierarmige God der Goden, de Allerhoogste Heer, met Zijn bemoedigende glimlach, Zijn ogen rood als de ochtendzon en Zijn opgesierde lotusgezicht mij opwachten op het moment dat ik dit materiële lichaam verlaat.' "

(25) Sûta zei: "Yudhishthhira, die dit van hem die neerlag op een bed van pijlen hoorde, vroeg hem, terwijl de rishi's toehoorden, naar de verschillende religieuze verplichtingen. (26) Bhîshma beschreef hem de verschillende levensstadia en de roepingen zoals bepaald door de kwaliteiten van de persoon, naast de manier hoe men systematisch moet omgaan met de symptomen van zowel de gehechtheid als de onthechting. (27) Hij gaf uitleg over de plichten der liefdadigheid, het leiderschap en de bevrijding door hun indelingen te geven en gaf een algemeen idee van de plichten van de vrouw en de toegewijde dienst. (28) Bekend met de waarheid beschreef hij, o wijzen, de [vier fundamentele burgerdeugden van de] religieuze plichtsbetrachting, de economie, de bevrediging van verlangens en de bevrijding, en gaf daarbij voorbeelden uit de bekende geschiedenissen. (29) Gedurende de tijd dat Bhîshma een beschrijving gaf van de plichten, bewoog de zon zich over het noordelijk halfrond, hetgeen precies de gewenste tijd is waar de wijzen de voorkeur aan geven als ze deze wereld willen verlaten [zie B.G. 8: 24]. (30) Bhîshmadeva, de beschermheer van duizenden wetenschappen en kunsten, verviel toen in stilte en met zijn denken bevrijd van alle gebondenheid vestigde hij zijn ogen wijd open gesperd op de Oorspronkelijke Persoon Heer Krishna, de Vierhandige die voor hem stond in gele kledij. (31) Eenvoudigweg naar Hem, de Vernietiger van het Ongunstige kijkend, zuiverde zich zijn meditatie en verdween in een oogwenk de pijn die hij had van de pijlen. En terwijl hij zijn gebeden deed voor het materiële tabernakel stopte al de activiteit van zijn zinnen en vertrok hij naar de Heerser over Alle Levende Wezens. (32) S'rî Bhîshmadeva zei: 'Laat me bevrijd van verlangens mijn geest instellen op de Allerhoogste Heer, de Leider der Toegewijden, de Grote In Zichzelf Tevredene die in de realisatie van Zijn bovenzinnelijke vreugde bij tijden [in de gedaante van een avatâra] er genoegen in schept deze materiële wereld met haar schepping en vernietiging te aanvaarden. (33) Hij is de meest begeerlijke persoon van de hogere, lagere en tussenwerelden. Grijsblauw als een tamâlaboom draagt Hij kleding die straalt als de gouden gloed van de zon. Hij heeft een lichaam opgesierd met sandelhoutpasta en een gezicht als een lotus. Moge mijn liefde zonder materiële bijbedoelingen berusten in de vriend van Arjuna. (34) Laat het denken gericht zijn op S'rî Krishna die op het slagveld met zijn wuivende haar dat askleurig was door het stof van de hoeven, met Zijn gezicht gesierd met transpiratie en Zijn huid doorboord door mijn scherpe pijlen, met het dragen van Zijn beschermende wapenrok genoegen in dit alles schiep. (35) Na het horen van het bevel van Zijn vriend manoeuvreerde Hij Zijn strijdwagen tussen de tegenover elkaar opgestelde strijdkrachten en in die positie bekortte Hij de levensduur van de vijand door slechts naar hen te kijken. Moge er mijn liefde zijn voor die vriend van Arjuna. (36) Terwijl de troepen op afstand toekeken, vaagde Hij met Zijn bovenzinnelijke kennis de onwetendheid weg van hem die, vanwege een onzuivere intelligentie, weifelde om zijn soortgenoten te doden. Laat er de transcendentie zijn van mijn aantrekking voor Zijn voeten.

(37) Terwille van mijn taakvervulling om er feitelijk meer werk van te maken en tegen Zijn gezworen principe in [zich buiten de strijd te houden] kwam Hij van Zijn strijdwagen af en nam Hij het wiel ervan op om - terwijl Hij Zijn bovenkleed liet vallen - op me af te stormen als een leeuw die van plan is een olifant te doden.(38) Gewond door de scherpe pijlen en zonder Zijn schild, bewoog Hij zich besmeurd met bloed in de woedende stemming van de grote agressor in mijn richting om me te doden. Moge die Allerhoogste Heer die bevrijding schenkt mijn bestemming worden. (39) Laat me in dit stervensuur van liefde zijn voor de Persoonlijkheid van God die de paarden mennend met een zweep in Zijn rechter en de teugels in Zijn linker hand zo elegant om te zien alles in het werk stelde om de strijdwagen van Arjuna te beschermen. Het was door naar Hem te kijken dat zij die op deze plek stierven hun eigenlijke gedaante realiseerden. (40) Kijkende naar de aantrekkelijke bewegingen van Zijn hooggestemde, fascinerende handelingen en zoete glimlachen, vonden de gopî's van Vrajadhâma [het dorp van Krishna's jeugd] die in extase Hem nadeden, hun oorspronkelijke natuur. (41) Toen koning Yudhishthhira het [Râjasûya] grote koningsoffer bracht waarbij de grote wijzen en koningen waren verzameld, ontving Hij het respectvolle eerbetoon van de ganse elite. Ik daar aanwezig herkende Hem toen [en herinner me Hem nu nog steeds] als de geestelijke ziel, als het voorwerp van verering. (42) Na de verzonkenheid ervaren te hebben van het bevrijd zijn van de misvattingen der dualiteit, weet ik [sedertdien] dat Hij, hier nu aanwezig voor me, de Ongeborene is in het hart van de geconditioneerde ziel. Het is Hij die in Zijn positie in het hart van allen die door Hem zijn geschapen, net als de ene zon, vanuit vele gezichtshoeken verschillend wordt bekeken.' "

(43) Sûta zei: "Met zijn denken, spreken, zien en doen aldus op Krishna alleen gefixeerd viel hij toen stil en stopte hij met ademhalen nadat hij was overgegaan in het levende wezen van de Superziel. (44) Na dit alles van Bhîshmadeva gehoord te hebben toen hij overging in het Allerhoogste Absolute, vervielen allen in stilte zoals vogels aan het einde van de dag. (45) Daarna klonken van overal trommels geslagen door goden en mensen, met oprechte lofprijzingen van de kant van de godvruchtige, koninklijke orde en bloemenregens die uit de hemel neerdaalden.(46) O afstammeling van Bhrigu [S'aunaka], nadat Yudhishthhira de begrafenisriten voor het stoffelijk overschot volbracht had was hij een ogenblik aangedaan. (47) De wijzen die tevreden en gelukkig waren over [de ontboezeming van] het vertrouwelijke geheim van de heerlijkheden van Heer Krishna, keerden toen met Hem in hun hart gesloten terug naar hun hermitages. (48) Koning Yudhishthhira ging samen met Heer Krishna naar Hastinâpura om zijn oom [Dhritarâshthra] en ascetische tante Ghândhârî te troosten. (49) Met de goedkeuring van zijn oom en de instemming van Heer Vâsudeva voldeed hij, getrouw de grootheid van zijn voorvaderen, daarna toen aan zijn koninklijke verplichtingen."

 

Hoofdstuk 10: Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ

(1) S'aunaka Muni vroeg: "Hoe regeerde Koning Yudhishthhira, de grootste van de strikte volgers der religie, samen met zijn jongere broers het koninkrijk na de agressors gedood te hebben die zich onrechtmatig de wettige nalatenschap wilden toeëigenen? Zij moesten toch de geneugten des levens aan banden leggen nietwaar?"

(2) Sûta zei: "Na de uitputtende bamboebrand van de Kurudynastie, was de Heer, de handhaver van de schepping, er verheugd over te zien hoe de spruit van Yudhishthhira's koninkrijk zich had hersteld. (3) Na gehoord te hebben wat Bhîshma en de Onfeilbare hadden gezegd, was Yudhishthhira, doorgrond van perfecte kennis, zijn verbijstering te boven gekomen en heerste hij, gevolgd door zijn broers en beschermd door de onoverwinnelijke Heer, over de aarde en de zeeën als was hij de koning van de hemel [Indra]. (4) Alle regen die nodig was viel uit de hemel, de akkers brachten al het nodige voort en uit pure vreugde bevochtigden de koeien de weiden met hun volle uiers. (5) De rivieren, oceanen en heuvels verzekerden hem in alle seizoenen van alle noodzakelijke groenten, begroeiing en medicinale kruiden. (6) Nimmer werd, vanwege henzelf, de natuur of vanwege anderen, enig levend wezen geplaagd door angsten, ziekten of extreme temperaturen, zoals dat altijd het geval is met een koning die geen vijanden heeft.

(7) Om Zijn familie tot rust te brengen en Zijn zuster [Subhadrâ, die met Arjuna was getrouwd] een plezier te doen, verbleef de Heer een paar maanden in de stad Hastinâpura. (8) Na die periode werd het Hem, nadat Hij om de nodige toestemming had gevraagd, toegestaan te vertrekken. Na zich toen te hebben verbogen voor de koning en hem omhelsd te hebben besteeg Hij Zijn strijdwagen, en daarbij werd Hij door de anderen op dezelfde manier geëerd en omhelsd. (9-10) Zijn zus, [de vrouw van de Pândava's] Draupadî, [hun moeder] Kuntî, [Parîkchit's moeder] Uttarâ en [de blinde grootvader] Dhritarâshthra en [zijn vrouw] Gândhârî, [hun zoon] Yuyutsu, [de Kurupriester] Kripâcârya, [de tweelingbroers] Nakula en Sahadeva tezamen met Bhîma, en [de Pândava priester] Dhaumya en ook andere dames van het paleis en [Vyâsa's moeder] Satyavatî, konden de scheiding van Hem met de schelphoorn in Zijn hand maar moeilijk verdragen en bezwijmden het bijna. (11-12) Hij die intelligent is zal wat betreft de faam die wordt bezongen, bevrijd als hij door het juiste gezelschap is van een materialistisch leven, er niet over peinzen het op te geven als hij ook maar één enkele keer die verering heeft meegemaakt. Hoe konden dan de Pândava's die Hem hun hart hadden geschonken de scheiding van Hem verdragen als ze Hem van aangezicht tot aangezicht gezien hadden en Hem aangeraakt en met Hem samen geslapen, neergezeten en gegeten hadden? (13) Allen, met wijd open ogen naar Hem kijkend, smolten voor Hem en bewogen zich rusteloos, gebonden als ze waren door pure genegenheid. (14) De dames van de familie die uit het paleis kwamen, hadden het er moeilijk mee een vloed van tranen te beheersen, bang als ze waren dat om die reden ongunstige dingen zouden gebeuren met de zoon van Devakî. (15) Op dat moment klonken er mridanga's [trommels gebruikt in de toegewijde dienst], schelphoorns, hoorns, snaarinstrumenten, fluiten en nog meer slagwerk, bellen en andere ritme-instrumenten. (16) Om het goed te kunnen zien klommen de dames van de Kurudynastie op het dak van het paleis, vanwaar ze met liefde en verlegen glimlachen bloemen lieten neerregenen op Krishna. (17) Voor de Meest Geliefde der Geliefden nam de overwinnaar van de slaap [Arjuna] een geborduurde parasol ter hand die versierd was met parels en kantwerk en een met juwelen ingelegde handgreep had. (18) Als de meester van Madhu, schitterend gezeten op overal rondgestrooide bloemen, werd Hem onderweg door Uddhava, Zijn halfbroer-neef en Zijn wagenmenner Sâtyaki koelte toegewuift.

(19) Van alle kanten kon men de woorden horen weerklinken van het eerbetoon der brahmanen die voor de gelegenheid noch gepast noch ongepast waren gezien het feit dat de Absolute Waarheid daar aanwezig was in een gedaante onderworpen aan de drie geaardheden der natuur. (20) De dames van de hoofdstad van de koning der Kuru's waren dusdanig met hun hart verzonken in gesprekken onder elkaar over Hem die geprezen wordt in de geschriften, dat het aantrekkelijker klonk dan de lofzangen van de Veda's zelve: (21) 'Hem zullen we ons beslist blijven herinneren als de Persoonlijkheid van God, als de Oorspronkelijke Persoon die, toen Hij zich materieel nog niet gemanifesteerd had, in Zichzelf bestond vóór de schepping van de geaardheden der natuur was begonnen. Hij is die Superziel, die Allerhoogste Heer, waar de levende wezens met hun energieën uiteindelijk in opgaan zoals ze 's nachts gaan rusten. (22) Hij als degene die de geopenbaarde geschriften in de praktijk brengt kent aldus, bij het tentoonspreiden van Zijn eigen persoonlijke vermogen, de individuele ziel telkens weer opnieuw namen en vormen toe als Hij [in de gedaante van een avatâra] de uiterlijke schijn van de materiële natuur in het leven roept. En die namen geeft Hij aan dat wat in feite niet te benoemen is. (23) Hij is toevallig dezelfde Persoonlijkheid van God als degene die de grote toegewijden voor ogen hebben die erin slaagden hun zinnen en leven te beheersen en die, bij de gratie van hun toewijding, de ontwikkeling van een zuivere geest mogen zien. Het zijn zij die hierdoor, alleen maar hierdoor, een gezuiverd bestaan verdienen. (24) O vriendinnen, het is Hij die omwille van Zijn fijne spel en vermaak, dat vertrouwelijk wordt beschreven in de Veda's en door de intieme toegewijden wordt besproken, wordt gerespecteerd als de enige ware Allerhoogste Beheerser en Superziel van de totale schepping, als Hij die door de manifestatie van Zijn spel en vermaak schept, handhaaft en vernietigt zonder er ooit aan gehecht te raken. (25) Wanneer er ook maar heersers zijn die onwetend als beesten tegen de goddelijke principes ingaan, dan manifesteert Hij, voorzeker uit goedheid, Zijn allerhoogste macht en positieve waarheid, genade en wonderbaarlijke activiteiten in verscheidene gedaanten terwille van de handhaving [van het dharma] in verschillende perioden en tijdperken [zie ook B.G 4: 7]. (26) O, hoe hoogst verheerlijkt is de dynastie van koning Yadu en hoe verheven is de deugd van het land van Mathurâ, want Hij die hier ten tonele verscheen en rondging is de allerhoogste leider van alle levende wezens en de echtgenoot van de godin van het geluk. (27) Hoe wonderbaarlijk is Dvârakâ [het eiland waar Krishna Zijn verblijf heeft], de plaats die, tot de meerdere deugd en glorie van de aarde, de roem van de hemelse werelden overtreft en waarvan de bewoners het gewoon zijn voortdurend de ziel van de levende wezens [Krishna] te zien die Zijn genade schenkt met de zegening van Zijn goedlachse blik. (28) Om keer op keer te genieten van Zijn lippen zijn de vrouwen die Hij huwde ongetwijfeld met geloften, wassingen, vuuroffers en dergelijke van een volmaakte aanbidding geweest voor de Heer. O vriendinnen, vaak bezwijmden de dames in Vraja het als ze hun geesten daarop gericht hadden! (29) Van de koningin van Dvârakâ [Rukminî, Krishna's eerste vrouw], die met grote moed door Hem werd ontvoerd uit de open verkiezing van de bruidegom als de prijs die moest worden betaald door de aanvallende koningen aangevoerd door S'is'upâla, en van de andere dames die op dezelfde manier werden thuisgebracht na het doden van duizenden doortrapte koningen [met Bhaumâsura aan het hoofd], zijn er kinderen als Pradyumna, Sâmba en Amba. (30) Al deze zo heel goede vrouwen van het hoogste aanzien die van hun individualiteit en zuiverheid waren beroofd, werden door hun lotusogige echtgenoot die hen raakte door hen in Zijn hart te sluiten, aldus nooit alleen thuis achtergelaten.'

(31) Terwijl de dames van de hoofdstad op deze manier over Hem aan het bidden en praten waren, gunde Hij hen de genade van Zijn blik en hen groetend met een glimlach op Zijn gezicht, vertrok de Heer. (32) Yudhishthhira die geen vijanden had, engageerde uit genegenheid en bezorgdheid, vier divisies troepen [te paard, op olifanten, met wagens en te voet] om de vijand der atheïsten te beschermen. (33) Nadat ze Hem aldus over een grote afstand begeleid hadden, haalde de Heer beleefd en vol genegenheid de vastberaden Pândava's over om terug te keren. Ze werden geheel beheerst door de gedachte aan het komende afscheid. Daarna vervolgde Hij met Zijn geliefde metgezellen Zijn weg naar Dvârakâ. (34-35) Reizend door Kurujângala [de provincie van Delhi], Pâñcâlâ [een deel van Punjab], S'ûrasenâ, Brahmâvarta [het noorden van Uttar Pradesh] en de districten langs de rivier de Yamunâ, kwam Hij langs Kurukshetra waar de veldslag was uitgevochten en trok Hij door de provincie Matsyâ, Sârasvatân [een ander deel van Punjab] en zo verder. Toen kwam Hij door het land der woestijnen [Rajasthan] en het land waar nauwelijks water is [Madhya Pradesh], en na Sauvîra [Saurastra] en Âbhîra [een deel van Gujarat] door te hebben getrokken, kwam Hij, o S'aunaka, met Zijn door de lange reis lichtelijk vermoeid geraakte paarden uiteindelijk aan in het westelijk deel van de provincie van Dvârakâ. (36) In verschillende plaatsen gebeurde het dat de Heer werd verwelkomd en Hem verschillende diensten werden aangeboden als Hij in de avond arriveerde nadat de zon de oostelijke hemel had doortrokken om daar onder te gaan waar de oceaan zich bevindt."

 

Hoofdstuk 11: De Binnenkomst van Heer S'rî Krishna in Dvârakâ

(1) Sûta zei: "Toen Hij de grens van het land der Ânarta's [het land van hen die vrij zijn van het ongewenste, Dvârakâ] bereikte, liet Hij ter wille van de aankomst in Zijn eigen welvarende stad Zijn schelphoorn klinken [de Pâñcajanya], welke, zo bleek, een einde maakte aan de neerslachtigheid van de bewoners. (2) Het schitterende wit van de ronde vorm van de schelphoorn zoals hij in Zijn handen luid tot klinken werd gebracht zag, hoewel hij rood kleurde door de lippen van de Grote Avonturier, eruit als een zwaan die naar beneden is gedoken bij de stelen van lotusbloemen. (3) Na het horen van het geluid waar de angst om een materieel bestaan zelf nog bang voor is, spoedden al de burgers zich in de richting ervan om de beschermer van de toegewijden te treffen waar ze al zo lang naar hadden uitgekeken. (4-5) Daarop bereidden ze Hem, de In Zichzelf Tevredene die hen bij de genade van Zijn eigen vermogen onophoudelijk in alles voorzag, een welkomstceremonie. Het was alsof men een lamp offerde voor de zon. Met opgetogen en geëmotioneerde gezichten hielden ze extatisch vreugdevolle toespraken voor de Vader, zoals vrienden en beschermelingen dat doen voor hun beschermer.

(6) Ze zeiden: 'We hebben ons altijd neergebogen voor Uw lotusvoeten zoals men dat doet in de aanbidding van Brahmâ en Zijn zonen en de koning van de hemel, omdat U, voor degene die het opperste welzijn in dit leven verlangt, de Meester der Transcendentie bent waarop de onvermijdelijke tijd geen vat heeft. (7) Wees voor ons welzijn de Schepper van onze wereld en ook onze moeder, weldoener, echtgenoot, vader, Heer en geestelijk leraar; in het voetspoor tredend van U als ons idool, onze hoogst vereerde zijn we geslaagd in ons leven. (8) O hoe gelukkig mogen we ons prijzen nu we Uw zegenrijke gedaante zien, nu we weer onder de bescherming staan van Uw goede Zelf, zelfs de halfgoden krijgen immers Uw toegenegen, liefdevol glimlachende gezicht maar zelden te zien. (9) Telkens, o lotusogige, als U hier vandaan vertrekt om Uw vrienden en verwanten onder de Kuru's op te zoeken [in Hastinâpura] en onder de mensen van Mathurâ, o Onfeilbare, lijkt ons ieder moment een miljoen jaar te duren en zijn onze ogen even nutteloos als ze zouden zijn zonder de zon. (10) Hoe kunnen we  als U elders verkeert nu leven zonder de bevrediging van Uw blik die de ellende van de wereld verdrijft; hoe kunnen we nu leven zonder dat we Uw mooie, lachende en opgesierde, aantrekkelijke gezicht zien?'

Met de klank van deze woorden van de burgers in Zijn oren ging de zorgdrager van de toegewijden, Hij die de mens het menselijke bijbrengt middels het werpen van Zijn blikken, toen de stad Dvârakâ binnen. (11) Zoals de stad Bhogavatî werd beschermd door de Nâga's, werd Dvârakâ beschermd door de kracht van de afstammelingen van Vrishni [Krishna's familie], Bhoja, Madhu, Das'ârha, Arha, Kukura, Andhaka enz. [ofwel de Yadu's], die allen zo goed waren als Krishna zelf. (12) In alle seizoenen was er de rijkdom van de boomgaarden en de bloementuinen die met al hun bomen en planten en ook met de hermitages die er waren, fraaie parken vormden rondom vijvers vol met lotusbloemen die de stad nog eens extra mooi maakten. (13) De toegangspoort tot de stad zowel als de verschillende wegen waren versierd met erebogen en vlaggen die, beschilderd met vertrouwde symbolen, hun schaduw wierpen in de zonneschijn. (14) De lanen, straten, de marktplaats en de pleinen waren grondig schoongemaakt, besprenkeld met geparfumeerd water en bestrooid met vruchten, bloemen en ongebroken zaden. (15) Bij de deur van ieder huis in de stad was er een uitstalling van yoghurt, ongebroken vruchten, suikerriet, versieringen, potten met water en artikelen voor het eerbetoon zoals wierook en lampen. (16-17) Horende dat Hij die hun het meest lief was thuis kwam, werden Zijn vader Vasudeva en de onovertroffen Akrûra, Ugrasena, Krishna's bovenmenselijk machtige oudere broer Balarâma, Pradyumna, Cârudeshna en Sâmba de zoon van Jâmbavatî allen er door de kracht van een buitengewoon geluk toe gedreven hun rusten, zitten en dineren te staken. (18) Met olifanten voorop, met gelukbrengende zaken, het weerklinken van schelphoorns en het verheerlijkende gezang van hymnen, spoedden ze zich in blijde verwachting samen met de brahmanen op hun wagens in Zijn richting. (19) Honderden courtisanes die er hevig naar verlangden Hem te zien volgden in hun voertuigen, oogverblindende oorbellen dragend die de schoonheid van hun kaaklijn verhoogden. (20) Er waren artiesten, dansers, zangers, geschiedkundigen, genealogen en geleerde sprekers die geestdriftig de bovenmenselijke handelingen van de Heer aanprezen. (21) De Allerhoogste Heer benaderde met het nodige betoon van respect iedere vriend en burger die op Hem afkwam om Hem te verwelkomen en ontvangen zoals het hoort. (22) Hij, de Almachtige, die tot aan de laagsten aan toe Zijn begeerde zegeningen schonk, boog met de bemoediging van Zijn vluchtige glimlach Zijn hoofd en begroette hen in woorden, omhelsde ze en schudde hun handen. (23) Toen ging Hij, begeleid door de gezaghebbende ouderen en de brahmanen en hun vrouwen,  de stad binnen waar Hij eveneens werd verwelkomd met de zegeningen en lofuitingen van andere bewonderaars.

(24) O hoog geleerden, terwijl Hij door de straten van Dvârakâ liep klommen de dames van stand op het dak van hun huizen om van Zijn aanblik te kunnen genieten. (25) Hoewel het hun gewoonte was altijd zo naar Hem te kijken, waren de inwoners van Dvârakâ het verlokkelijke schouwspel van de belichaming van de schoonheid van het Onfeilbare nimmer moe. (26) In Zijn borst huist de godin van het geluk, van Zijn gezicht drinken de ogen, bij Zijn armen houden de halfgoden stand, en Zijn lotusvoeten zijn de toevlucht voor de pratende en zingende toegewijden. (27) Gediend met een witte parasol, waaiers en een straat bezaaid met bloemen, zag de Heer in Zijn gele kledij en bloemenslingers eruit als een wolk omringd door de zon, de maan, bliksemschichten en een regenboog tezamen.

(28) Maar toen Hij daarna Zijn ouderlijk huis inging werd Hij omhelsd door Zijn zeven moeders [Zijn eigen moeder, de vrouw van de priester, van de leraar en van de koning, de koe, de min, en moeder aarde] die vreugdevol werden aangevoerd door Devakî voor wie Hij diep Zijn hoofd boog ter begroeting. (29) Nadat ze Hem allen op hun schoot hadden gekregen, werden hun borsten nat van hun liefde en van het vocht van de tranen die hen overweldigden. (30) Daarna ging Hij Zijn persoonlijke verblijven binnen die, bevolkt met Zijn vrouwen wiens aantal de zestienduizend overschreed, aan alle mogelijke verlangens beantwoordden. (31) Toen ze op een afstandje hun echtgenoot thuis zagen komen stonden de dames innerlijk verheugd met een verlegen blik onmiddellijk van hun zitplaatsen op. (32) Op het moment dat Hij verscheen stuurden ze hun zoons op Hem af en omhelsden zij die zo verlegen waren Hem eerst vanbinnen in hun harten in een moeilijk te beheersen extase, maar ze verstikten, o leider van de Bhrigu's, desondanks in de tranen die onafwendbaar als water uit hun ogen vloeiden. (33) Hoewel Hij hen altijd terzijde stond, zelfs als ze alleen waren, leken Zijn voeten hen niettemin iedere keer weer helemaal nieuw - wie zou zich ook kunnen losmaken van de voeten van de Eeuwige die nimmer door de godin van het geluk worden verlaten? (34) Hij schiep, zonder er zelf deel aan te hebben, de onderlinge vijandschap tussen de heersers die sedert de dag dat ze geboren waren een last voor de aarde waren geworden met de militaire macht die ze hadden over hun omgeving. Hij bracht verlichting door ze te doden zoals de wind dat doet met bamboestaken als hij middels wrijving vuur veroorzaakt. (35) De Allerhoogste Heer trad vanuit Zijn eigen grondeloze genade op eigen initiatief naar voren onder hen die deeluitmaken van deze menselijke wereld, en genoot van een leven met de waardigsten onder de vrouwen alsof het een gewone wereldse aangelegenheid betrof. (36) Hoewel ze onberispelijk waren en opwindend met hun bekoorlijke glimlachen, zoals ze met een ernstige gelaatsuitdrukking vanuit hun ooghoeken keken op een manier die zelfs Cupido ertoe verleidde zijn boog op te geven, waren ze als eersteklas, verstandsverbijsterende vrouwen er nimmer toe in staat Zijn zinnen van streek te brengen met hun magie. (37) Gewone mensen die zien hoe Hij, ondanks Zijn onthechte staat, druk bezig is met van alles en nog wat, beschouwen in hun onwetendheid Hem om die reden als een menselijk wezen vol van gehechtheden dat net zo onder de invloed staat als zij zelf. (38) De goddelijkheid van de Persoonlijkheid van God is van dien aard dat Hij, hoewel Hij in contact staat met de materiële natuur, nooit door de kwaliteiten ervan is aangedaan; en dat geldt ook voor de intelligentie van hen die zich bevinden in het eeuwige van de Heer die hun toevlucht vormt. (39) De vrouwen dachten in hun zwakheid en eenvoud dat ze met Hem te maken hadden met een meeloper die wordt gedomineerd en geïsoleerd door zijn vrouw. Ze waren zich niet bewust van de heerlijkheden van hun echtgenoot zoals dat ook het geval is met de geest der atheïsten die Hem niet kennen als de Opperheer."

 

Hoofdstuk 12: De Geboorte van Keizer Parîkchit

(1) S'aunaka zei: "De [vrucht van de] schoot van Uttarâ, die werd geteisterd door de enorme hitte van het onoverwinnelijke wapen dat was gelanceerd door As'vatthâmâ, werd door de Heer weer opnieuw tot leven gewekt. (2) Hoe vond de geboorte plaats van keizer Parîkchit, die hoog intelligent was en zich bewees als een grote ziel? Hoe precies vond hij de dood en waar bracht hem die dood? (3) Vertel het ons alstublieft, we willen allemaal graag alles te weten komen over wat u over hem het vermelden waard vindt; we hebben niets dan achting voor u aan wie S'ukadeva Gosvâmî de kennis van het Allerhoogste gaf."

(4) Sûta zei: "Koning Yudhishthhira bracht welvaart op de manier zoals zijn vader dat deed, door in zijn achting voor Krishna's voeten zonder enig nevenmotief van materieel gewin of zinsbevrediging het zijn onderdanen naar de zin te maken. (5) Zijn roem wat betreft zijn rijkdom, de offers die hij bracht, waar hij voor stond, zijn koninginnen, zijn broers en zijn soevereiniteit over de planeet aarde waar we leven, drong zelfs door tot in het rijk der hemelen. (6) Maar zo goed als een hongerig iemand met niets anders tevreden is dan met voedsel, kon ook hij in zijn honger als een godvrezende persoon, o brahmanen, niet warmlopen voor al het begeerlijke van de aarde waar zelfs de bewoners van de hemel op uit zijn.

(7) Toen Parîkchit de grote strijder als kind in de schoot van zijn moeder te lijden had onder de hitte van het brahmâstra wapen, kon hij, o zoon van Bhrigu, de Purusha [de oorspronkelijke persoon] waarnemen in een stralende gedaante. (8) In de schittering zag hij ter grootte van slechts een duim de bovenzinnelijke, onfeilbare Heer prachtig met een donkere huid, een gouden helm en oplichtende kleding. (9) Met de rijkdom van Zijn vier armen, oorsieraden van het zuiverste goud, bloeddoorlopen ogen en een strijdknots in Zijn handen, bewoog Hij zich rond waarbij Hij voortdurend met de knots om zich heen zwaaide alsof het een toorts was. (10) Terwijl Hij de straling van de brahmâstra tegenging zoals de zon dauwdruppels verdampt, werd Hij door het kind gadegeslagen dat zich afvroeg wie Hij was. (11) Hij zag hoe de allesdoordringende Superziel, de Allerhoogste Heer en beschermer van de rechtschapenen, de gloed wegnam waarna de Heer die zich in alle richtingen uitstrekt plotseling uit het oog verdween. (12) Toen daarna de gunstige voortekenen van een goede stand van de sterren zich geleidelijk ontwikkelden nam hij die net zo bedreven als Pându zelf zou blijken te zijn, zijn geboorte als de troonopvolger van Pându. (13) Koning Yudhishthhira liet verheugd priesters als Dhaumya en Kripa het geboorteritueel uitvoeren onder de recitatie van zegenrijke hymnen. (14) Wetend waar, wanneer en hoe, beloonde hij vrijgevig bij die gelegenheid de geschoolden met goed voedsel en giften van goud, koeien, land, huisvesting, olifanten en paarden. (15) Blij richtten de brahmanen zich tot de koning, de leider van de Puru's, en lieten hem weten dat ze zich zeer verplicht voelden aan de afstamming in de lijn van de Puru's [van de nazaten van de voorvader koning Puru]. (16) Ze zeiden: 'Teneinde u aan Hem te verplichten werd deze zoon door de allesdoordringende en almachtige Heer gered van de ondergang als gevolg van het onoverwinnelijke, bovennatuurlijke wapen. (17) Daarom zal hij overal ter wereld bekend raken als degene die door Vishnu wordt beschermd. Zonder twijfel zal hij een hoogst fortuinlijke, allerverhevenste toegewijde zijn begiftigd met alle goede kwaliteiten.'

(18) De goede koning zei: 'O besten onder de waarachtigen, zal hij in de voetsporen treden van al de grote zielen van deze familie van heilige koningen? Zal hij de goede naam van zijn familie eer aandoen en zich aan zijn woord houden in wat hij tot stand brengt?'(19) De brahmanen antwoordden: 'O zoon van Prithâ [Kuntî], hij zal de behoeder zijn van alle levende wezens, precies zoals koning Ikshvâku, de zoon van Manu, en hij zal trouw zijn in zijn beloften en respect hebben voor de geleerden, net zoals Râma, de zoon van Das'aratha. (20) Hij zal zo liefdadig zijn als koning S'ibi van Us'înara en de overgegeven zielen beschermen. Hij zal zoals Bharata dat deed, de zoon van Dushyanta die vele offers bracht, de naam en faam van zijn familie verspreiden. (21) Onder de boogschutters zal hij zo goed zijn als de twee Arjuna's [zijn grootvader en de koning van Haihaya], hij zal zo onweerstaanbaar zijn als vuur en zo onoverkomelijk als de oceaan. (22) Zo krachtig als een leeuw, en even waardig voor het zoeken van een schuilplaats als de Himalaya's, zal hij zo verdraagzaam zijn als de aarde en zo tolerant zijn als zijn ouders. (23) Met een geest zo goed als die van de oorspronkelijke vader Brahmâ, zal hij zo vrijgevig en gelijkmoedig zijn als Heer S'iva en de toevlucht vormen voor alle levende wezens zo goed zijnde als de Opperste Heer bij wie de godin van het geluk verblijft. (24) Volgend in de voetsporen van Heer Krishna zal hij de majesteit van alle goddelijke deugden zijn, hij zal de grootheid van koning Rantideva hebben en zo vroom zijn als Yayâti. (25) Geduldig als Bali Mahârâja zal dit kind zo toegewijd zijn als Prahlâda was met Heer Krishna en zal hij vele As'vamedha [paard-]offers brengen en trouw zijn aan de ouderen en ervarenen. (26) Hij zal een geslacht van wijze koningen voortbrengen, de parvenu's terechtwijzen en, terwille van de wereldvrede en de religie, korte metten maken met de ruziemakers. (27) Na vernomen te hebben over de dood die hij zal sterven, veroorzaakt door een slangevogel die werd gestuurd door de zoon van een brahmaan, zal hij zich bevrijden van zijn gehechtheden en zijn toevlucht zoeken bij de Heer. (28) Nadat hij bij de zoon van de wijze Vyâsa zijn licht heeft opgestoken over de juiste zelfkennis zal hij, o koning, aan de oever van de rivier de Ganges zijn materiële leven opgeven en zal hij een leven vrij van vrees bereiken.'

(29) Nadat ze de koning aldus op de hoogte hadden gesteld en ze rijkelijk beloond waren, keerden zij die onderlegd waren op het gebied van de astrologie en het geboorteritueel, terug naar hun verblijfplaatsen. (30) Hij, o meester [S'aunaka], zou in deze wereld beroemd worden als Parîkchit, de onderzoeker, omdat hij door wat hij vóór zijn geboorte had gezien, met Hem in gedachten alle mensen steeds nauwlettend onderzocht. (31) Net zoals de wassende maan dag na dag toeneemt, groeide ook de kroonprins onder de hoede van zijn beschermende ouders spoedig op tot wie hij zou zijn.

(32) Koning Yudhishthhira, die graag een paardoffer wilde brengen om de last van zich af te schudden van het hebben gestreden tegen zijn familieleden, dacht erover fondsen te werven daar hij slechts ontvangsten had uit belastingen en boetes. (33) Uit respect voor zijn wijze wens gingen zijn broers toen op aanraden van de Onfeilbare noordwaarts om voldoende rijkdommen in te zamelen. (34) Met het resultaat van die ingezamelde rijkdommen kon Yudhishthhira, de bezorgde, godvruchtige koning, drie paardoffers brengen waarmee hij Heer Hari volmaakt aanbad. (35) De Allerhoogste Heer, met wiens hulp de tweemaal geborenen de offerplechtigheden konden verrichten, bleef toen, daartoe uitgenodigd door de koning, nog een paar maanden langer om degenen die Hem liefhadden een plezier te doen. (36) Daarna, beste brahmanen, ging Hij met de instemming van de koning, Draupadî en Zijn verwanten, terug naar Dvârakâ, begeleid door Arjuna en andere leden van de Yadudynastie."


Hoofdstuk 13: Dhritarâshthra Gaat van Huis

(1) Sûta zei: "Toen Vidura [*] rondtrok langs de verschillende bedevaartsoorden had hij van de grote wijze Maitreya kennis ontvangen over de bestemming van het zelf, en aangezien hij door die kennis voldoende op de hoogte was van alles wat er te weten viel, keerde hij terug naar de stad Hastinâpura. (2) Na al de vragen die Vidura aan Maitreya had voorgelegd in zijn aanwezigheid, had zich in hem een onverdeelde toewijding voor Govinda ontwikkeld en zag hij af van verdere vragen. (3-4) Daar arriverend, werd hij, beste brahmanen, verwelkomd door Yudhishthhira en zijn jongere broers, Dhritarâshthra, Sâtyaki en Sañjaya, Kripâcârya, Kuntî, Gândhârî, Draupadî, Subhadrâ, Uttarâ, Kripî, andere vrouwen van de familieleden van de Pândava's en andere dames met hun zonen. (5) Alsof ze uit de dood waren opgewekt kwamen ze hem opgetogen tegemoet om hem met alle respect te ontvangen met omhelzingen en eerbetuigingen. (6) In hun genegenheid lieten ze emotioneel hun tranen de vrije loop vanwege de angsten en het verdriet dat ze gevoeld hadden als gevolg van de scheiding. Koning Yudhishthhira bood hem een zitplaats en bereidde hem vervolgens een ontvangst.

(7) Nadat hij rijkelijk had gegeten, gerust had en comfortabel gezeten was boog de koning zich nederig voorover om zich in de aanwezigheid van iedereen tot hem te richten. (8) Hij zei: 'Herinnert u zich hoe we, opgevoed onder uw beschermende vleugels, samen met onze moeder werden gered van verschillende calamiteiten als vergiftiging en brandstichting? (9) Waarmee voorzag u in uw levensonderhoud toen u rondtrok over het oppervlak van de aarde en in welke heilige bedevaartsplaatsen bent u op deze planeet dienstbaar geweest? (10) Toegewijden als uwe goedheid veranderen zelf in heilige plaatsen o machtige; en met de Hoogste Persoonlijkheid in uw hart, verandert u dan alle plaatsen in pelgrimsoorden. (11) Beste oom, kan u zeggen wat u van onze vrienden en weldoeners gezien of vernomen hebt? Zijn de nakomelingen van Yadu, die met Krishna zo gelukkig zijn in hun liefde voor God, allen gelukkig met waar ze wonen?'

(12) Aldus door de koning ondervraagd, beschreef hij zoals dat gepast was, het ene na het andere onderwerp afhandelend, alles wat hij ervaren had, zonder echter de vernietiging van de dynastie te vermelden. (13) Omdat hij ze niet van streek wilde brengen was hij zo genadig niet uit te weiden over dit in feite zo onverkwikkelijke en onverdragelijke aspect van het gedrag van de mensheid. (14) Zo bleef de wijze, die behandeld werd met de achting die een god past, enkele dagen te gast, zodat hij iets voor zijn oudste broer kon betekenen en iedereen er gelukkig mee zou zijn. (15) Vanwege een vloek van Mandûka Muni [die onder Yama's verantwoordelijkheid onrechtvaardig was behandeld], moest Vidura honderd jaar lang de rol van een s'ûdra [iemand van de arbeidende klasse] spelen. Aryamâ nam zolang zijn plaats in om de straffen uit te delen die de zondaars toekwamen [**].

(16) Yudhishthhira had gezien dat er een kleinzoon in de dynastie was geschikt om het koninkrijk te besturen dat hij weer in handen had gekregen en genoot samen met zijn bestuurlijk bekwame broers van een leven in grote welstand. (17) Maar de onoverkomelijke, niet waarneembare, eeuwige Tijd overtreft op onnavolgbare wijze al degenen die onoplettend en vergroofd zijn in de geest der gehechtheid aan familieaangelegenheden. (18) Vidura, die hier weet van had, zei tegen Dhritarâshthra: 'O Koning, [beste broer] trek je alstjeblieft zonder te dralen terug, zie toch hoe je leven door de angst wordt beheerst. (19) In deze materiële wereld is er niets of niemand die deze angst kan afwenden, omdat het de Allerhoogste Heer betreft die zich in de gedaante van de eeuwige Tijd voor een ieder van ons aandient. (20) Onvermijdelijk ten prooi aan de macht van de tijd moet een persoon dit leven, zo dierbaar als het is voor een ieder, zomaar weer opgeven, om nog maar te zwijgen van de weelde en dergelijke zaken die hij heeft verworven. (21) Met je vader, broer, weldoeners en zoons allen dood, met je leven uitgeblust en je lichaam gebrekkig van de ouderdom, leef je bij iemand anders in huis. (22) Je bent van jongs af aan blind geweest, je hoort niet meer zo goed, je geheugen laat het afweten en recentelijk zijn je tanden los gaan zitten, bezorgt je lever je moeilijkheden en hoest je luidruchtig slijm op. (23) Ach, hoe zeer hecht het levende wezen aan het leven, zozeer zelfs dat jij daardoor, als een hond, de resten eet van de maaltijd die werd achtergelaten door Bhîma [je Pândava neef]. (24) Hoe kan je nu teren op de genade van degenen die je geprobeerd hebt te verbranden en te vergiftigen en wiens vrouw je beledigd hebt terwijl je hun koninkrijk inpalmde? (25) Of je het nu wilt of niet, je zal, hoezeer je ook aan het leven hecht, onder ogen moeten zien dat dit miserabele lichaam wegkwijnt en uiteenvalt als een oud kledingstuk. (26) Iemand is een moedig en hoogstaand mens als hij, onbezorgd en verlost van alle verplichtingen, inziet dat hij zich naar een onbekend oord moet begeven als hij niet meer naar behoren kan beschikken over zijn lichaam. (27) Een ieder die in deze wereld, naar eigen inzicht of het geleerd hebbend van anderen, tot bewustzijn komt in het ontwaken uit zijn materiële gehechtheid en dan zijn huis verlaat met de Heer gevestigd in zijn hart, is voorzeker een hoogstaand mens. (28) Vertrek daarom alsjeblieft in noordelijke richting zonder je verwanten te zeggen waar je heen gaat, want hierna zal weldra de tijd zich aandienen waarin de kwaliteiten van de mens in een algeheel verval raken [Kali-yuga].' (29) Na dit gehoord te hebben verbrak de oude koning van de Ajamîdha familie, indachtig de wijsheid van zijn jongere broer Vidura, vastberaden de krachtige banden van de familieliefde en vertrok hij in die richting die is vastgesteld voor de weg der bevrijding. (30) Hij werd gevolgd door de kuise en waardige dochter van koning Subala [Gândhârî] die met haar echtgenoot meeging naar de Himalaya's - de plaats die de verrukking is van hen die de staf der verzaking hebben opgenomen als waren ze vechters die het legitieme van een goed pak slaag accepteren.

(31) Terugkerend naar het paleis wilde hij die niemand als zijn vijand beschouwde [Yudhishthhira], nadat hij de halfgoden had aanbeden met offerandes en giften voor de  brahmanen, de ouderen zijn respect betonen met eerbetuigingen, maar hij kon zijn twee ooms en tante Gândhârî niet vinden. (32) Bezorgd wendde hij zich tot Sañjaya de zoon van Gavalgana [de assistent die de blinde Dhritarâshthra het verslag deed van de strijd], en zei tot hem: 'Waar is onze oude, blinde oom? (33) Waar zijn mijn weldoener Vidura en moeder Gândhârî die in de rouw is over het verlies van haar nakomelingen? Heeft de oude koning, mij ondankbaar vanwege het verlies van zijn zonen, vol van twijfel over mijn aanmatiging, zich in zijn verdriet samen met zijn vrouw verdronken in de Ganges? (34) Na de val van mijn vader koning Pându, waren zij de weldoeners die ons allen beschermden die nog maar kleine kinderen waren - waarheen zijn mijn ooms vanhier vertrokken?' "

(35) Sûta zei: "Sañjaya die bezorgd in de liefde voor zijn meester hem niet kon vinden, was van streek over de gescheidenheid en kon in zijn droefenis geen woord uitbrengen. (36) Met de voeten van zijn meester in gedachten veegde hij met zijn handen de tranen van zijn gezicht en deed hij zijn best zich te hervinden om koning Yudhishthhira antwoord te geven. (37) Sañjaya zei: 'Ik weet niet wat uw ooms of Gândhârî van plan waren, o afstammeling van de Kuru dynastie - o grote Koning, ik ben door deze grote zielen op een dwaalspoor gezet.' (38) Op dat moment verscheen de verheven persoonlijkheid Nârada ten tonele met zijn muziekinstrument en nadat Yudhishthhira en zijn jongere broers van hun zetels waren opgestaan en op een gepaste wijze ter verwelkoming van de wijze hun respect hadden betoond, zei de koning: (39) 'O Allerhoogste, ik weet niet in welke richting mijn ooms en mijn ascetische tante die zo bedroefd is over het verlies van haar zoons van hieruit zijn vertrokken. (40) Als een kapitein op een schip in de uitgestrekte oceaan bent u de Heer om ons naar de overkant te helpen.'

Op die manier aangesproken richtte de goddelijke persoonlijkheid Nârada, de grootste onder de wijze filosofen der eeuwigheid, het woord tot hen: (41) 'O Koning, weeklaag nooit, om welke reden dan ook, want de Allerhoogste Heer waakt over u. Alle levende wezens en hun leiders houden om die reden erediensten voor hun bescherming. Hij is degene die allen bijeenbrengt en ze ook allen weer uiteendrijft. (42) Zoals een koe met een touw door de neus wordt vastgebonden, wordt men op dezelfde manier er door de hymnen en voorschriften van de Veda aan gebonden zich te houden aan wat het Allerhoogste verlangt. (43) Zoals men in deze wereld naar believen spelbenodigdheden bij elkaar brengt en weer opbergt, vergaat het ook de mensen die onderworpen aan het spel van de Heer worden samengebracht en weer apart komen te staan. (44) Of je nu personen wel of niet als eeuwig [als een ziel] of als tijdelijk [als een lichaam] beschouwt of anders als zijnde beiden [belichaamde zielen] of als geen van beiden [vanwege de Absolute Waarheid die verheven is boven alle kenmerken], onder geen voorwaarde vormen ze een reden tot treurnis; zoiets doet men alleen maar omdat men emotioneel verwikkeld is geraakt of zijn verstand kwijt is. (45) Derhalve, o Koning, geef uw bezorgdheid op die te wijten is aan een gebrek aan zelfkennis, denk er niet steeds aan hoe deze mensen, hulpeloos en ellendig, het zonder u zouden moeten redden. (46) Hoe kan dit lichaam, dat bestaat uit de vijf elementen [vuur, water, lucht, aarde en ether] en wordt beheerst door de tijd, resultaatgericht handelen en de materiële geaardheden der natuur [kâla, karma en de guna's], nu anderen beschermen als het zelf evenzogoed gebeten wordt door die slang? (47) Zij [de dieren] die geen handen maar poten hebben, zijn overgeleverd aan hen die wel handen hebben [de mensen]. Heeft het levende wezen geen ledematen [zoals gras], dan is het overgeleverd aan de vierbenigen [zoals de koeien]. De zwakkere is overgeleverd aan de sterkere en zo houdt het ene levende wezen zich in leven met het andere. (48) Sla daarom enkel acht op de uiterlijke verschijningsvorm van Hem die zich bij de macht der illusie voordoet als een verscheidenheid; Hij o Koning is de Allerhoogste Heer, de Superziel stralend in Zijn eigen licht die zich zowel manifesteert als het subject als het object van de verschillende levende wezens. (49) Die Ongeborene, de Vader van de Schepping, is, 0 Koning, nu nedergedaald in deze wereld in een gedaante van de [allesverslindende] Tijd met de bedoeling een einde te maken aan al de vijanden van de verlichte zielen. (50) Voor de verlichte zielen heeft de Heer volbracht wat moest worden gedaan en nu wacht Hij de verdere loop der gebeurtenissen af. Zo ook moeten jullie Pândava's zolang als Hij hier nog op aarde aanwezig is, de zaak bezien en maar afwachten.

(51) Dhritarâshthra, zijn broer Vidura en zijn vrouw Gândhârî zijn vertrokken naar de zuidelijke zijde van de Himalaya's waar de wijzen hun toevluchtsoord hebben. (52) De plaats staat bekend als Saptasrota [zeven bronnen] omdat de rivier der hemelen [de Svardhunî] daar aan de dag treedt en naar de voldoening van de desbetreffende wijzen zich verdeelt in de zeven stromen die we kennen als haar vertakkingen. (53) Door daar regelmatig te baden, plengoffers in het vuur te doen overeenkomstig de regulerende beginselen en te vasten op enkel water, heeft Dhritarâshthra zijn zinnen en denken geheel in bedwang en is hij aldus verlost van de afhankelijkheid die hij had met zijn familie. (54) Met behulp van zithoudingen, adembeheersing en het naar binnen richten van de geest weg van de zes zinnen kan men, verzonken in de Heer, de wereldse smetten van de passie, de goedheid en de onwetendheid overwinnen. (55) Door zijn zelf in de wijsheid te laten opgaan en de wijsheid te laten opgaan in de zuivere getuigenis heeft hij zich verenigd met het Absolute [brahman], het reservoir van het zuivere zijn, net zoals de lucht in een pot zich verenigt met de ruimte erbuiten. (56) Met het breken met de effecten van de werking der geaardheden zullen zijn zinnen en denken ermee ophouden zich te voeden als hij, niet langer gehinderd in het verzaken van alle verplichtingen, zonder zich te bewegen geconcentreerd neerzit. (57) Ik verwacht dat hij zijn lichaam vijf dagen vanaf heden zal verlaten o Koning, en het tot as zal laten vergaan. (58) Terwijl zij buiten toekijkt hoe het lichaam van haar man met inbegrip van zijn hut [op mystieke wijze] ontvlamt, zal zijn kuise vrouw hem bij vol bewustzijn in het vuur volgen. (59) Vidura, ooggetuige van dat wonderlijke voorval o zoon van de Kurudynastie, zal met gemengde gevoelens van verrukking en verdriet vandaar vertrekken om zich op een inspirerende pelgrimstocht te begeven.' (60) Nadat hij aldus de koning had toegesproken steeg Nârada samen met zijn snaarinstrument op naar de hemel. Yudhishthhira die  zich de instructies ter harte nam, gaf daarna al zijn weeklagen op."


*: Vidura is een jongere broer van Dhritarâshthra. Hij werd als een s'ûdra, een arbeider, geboren omdat hij door Vyâsa werd verwekt bij een dienstmaagd van de moeder van Pându.


**: Aryamâ is een zoon van Aditi en Kas'yapa, die Yamarâja, de Heer der bestraffingen vertegenwoordigt. Vidura wordt gezien als zijn s'ûdra-incarnatie.



Hoofdstuk 14
: De Verdwijning van Heer Krishna

(1) Sûta zei: "Arjuna ging naar de stad Dvârakâ om zijn vrienden en Krishna, Degene Verheerlijkt door de Vedische Hymnen, te zien en om uit te vinden wat Zijn verdere plannen waren. (2) Na een paar maanden, toen Arjuna daar niet van terugkeerde, nam Yudhishthhira verschillende beangstigende tekenen waar. (3) De tijd had een ongunstige wending genomen: hij bemerkte onregelmatigheden in de seizoenen en zag dat de burgers in hun menselijke zondigheid zich aan woede, begeerte en valsheid overgaven in de behartiging van hun middelen van bestaan. (4) Er was bedrog in normale transacties, wanbegrip wierp zich op in de achting voor weldoeners, vaders, moeders en broeders, terwijl er ook tussen man en vrouw strijd was te bespeuren. (5) De mensen maakten zich geleidelijk aan goddeloze gewoonten als hebzucht en dergelijke eigen. De koning, geplaatst voor deze ernstige zaken en slechte voortekenen, sprak er toen met zijn jongere broer over.

(6) Yudhishthhira zei [tot Bhîma]: 'Arjuna vertrok om zijn vrienden te zien en ook om uit te vinden wat Krishna van plan was. (7) Het is nu zeven maanden geleden dat je jongere broer vertrok o Bhîmasena, en ik weet niet precies waarom dat zo is. (8) Is het zo, zoals Nârada ons voorhield, dat de Hoogste Persoonlijkheid vindt dat het tijd is om deze manifeste wereld achter zich te laten? (9) Aan Hem hebben we onze welvaart, koninkrijk en vrouwen te danken. Door Hem is het bestaan van de dynastie en het leven van onze onderdanen mogelijk geworden en door Zijn genade konden we onze vijanden verslaan en leven voor een betere wereld. (10) Zie eens, o man met de kracht van een tijger, hoe de planeten er voorstaan, hoe de zaken op aarde verlopen en wat er gebeurt met het lichaam en de geest. Al deze angstwekkende tekenen die onze intelligentie op een dwaalspoor zetten, duiden op een groot gevaar in de nabije toekomst. (11) Keer op keer beginnen mijn dijen, ogen, armen en de linker kant van mijn lichaam te trillen en heb ik hartkloppingen als gevolg van de angst die ik voel. Dit wijst allemaal op ongewenste gebeurtenissen. (12) Zie, o Bhîma, hoe heftig de jakhals huilt met zonsopkomst en hoe de hond zonder angst naar me blaft. (13) O tijger onder de mensen, de koeien laten me links liggen en ezels en dergelijke draaien om me heen terwijl mijn paarden lijken te huilen. (14) De duif lijkt een boodschapper van de dood en de kreten van uilen en hun rivalen de kraaien doen mijn hart beven alsof ze de leegte van de kosmos wensen. (15) O Bhîma, zie hoe de rook in de lucht blijft rondhangen en hoe de aarde tezamen met de heuvels en de bergen verzucht onder luide donderslagen bij een heldere, wolkenloze hemel. (16) De wind waait guur en schept duisternis met het stof, en de regen stroomt als bloed uit de wolken alsof het een alomvattende ramp betreft. (17) De zon schijnt minder - zie hoe de sterren in de hemel op elkaar lijken te storten en hoe de levende wezens verward en van streek zijn alsof ze huilen. (18) Rivieren en hun zijarmen, de meren en de geest zijn allemaal verstoord terwijl met behulp van boter het vuur niet wil ontvlammen. Wat is dit voor een buitengewone tijd? Wat staat er te gebeuren? (19) De kalveren willen niet drinken van de spenen en de koeien willen niet gemolken, angstig kijkend alsof ze huilen, terwijl de stieren er in de weiden geen zin in hebben. (20) De beelden van de godheden lijken te huilen en te zweten alsof ze de tempel willen verlaten en ook de steden, dorpen en plaatsen, tuinen, mijnen en toevluchtsoorden hebben hun schoonheid verloren, beroofd als ze zijn van alle geluk. Wat voor rampen staan ons te wachten? (21) Ik denk dat al wat zich zo opwerpt zich manifesteert uit behoefte aan de voetafdrukken van de Hoogste Persoonlijkheid - de aarde beroofd van de buitengewone kwaliteit van de Allerhoogste Persoon zal onfortuinlijk zijn zonder die gunstige tekens.' 

(22) O brahmaan, terwijl koning Yudhishthhira op die manier denkend de slechte voortekenen waarnam, keerde Arjuna terug uit het koninkrijk van de Yadu's. (23) Terwijl hij voor de voeten van de koning boog was zijn verslagenheid ongekend met de tranen die van zijn naar beneden gerichte gezicht uit zijn lotusogen liepen. (24) Toen hij het benauwde hart en het bleke voorkomen van Arjuna zag, ondervroeg de koning, die zich herinnerde wat Nârada had gezegd, hem temidden van de vrienden. (25) Yudhishthhira zei: 'Zijn onze Yaduverwanten van Madhu, Bhoja, Das'ârha, Ârha, Sâtvata, en Andhaka allen gelukkig met de dagen die ze doorbrengen in Dvârakâ? (26) Is mijn achtenswaardige grootvader [van moeders zijde] S'ûrasena goed gezond met het slijten van zijn laatste dagen en gaat het met mijn oom [van moeders zijde] Vasudeva en zijn jongere broers allemaal goed? (27) Zijn mijn tantes - zijn vrouwen - alle zeven zusters met Devakî in eigen persoon aan het hoofd, met hun zonen en schoondochters allen gelukkig? (28-29) Zijn koning Ugrasena, wiens zoon de slechterik was [Kamsa], en zijn jongere broer, Hridîka en zijn zoon Kritavarmâ en Akrûra, Jayanta, Gada en Sâranâ alsook S'atrujit en de rest allen gelukkig? Is ook alles goed met de Hoogste Persoonlijkheid Balarâma, die de beschermer van de toegewijden is? (30) Zijn de grote krijgsheer Pradyumna [een zoon van Krishna] en alle anderen van de Vrishni-familie gelukkig - en verkeert de volkomen expansie van Krishna Aniruddha [een kleinzoon van Krishna] in goede doen? (31) En hoe gaat het met Sushena, Cârudeshna en Sâmba, de zoon van Jâmbavatî, en de andere eminente zoons van Krishna en hun bovenste beste zoons? (32-33) En gaat het ook net zo goed met de constante metgezellen van Krishna als S'rutadeva, Uddhava en anderen, Sunanda, Nanda en andere leiders? En zijn ook de andere bevrijde zielen in orde die de besten onder de mensen zijn? En denken allen die in vriendschap verbonden zijn onder de bescherming van Balarâma en Krishna er ook aan hoe het met ons gaat? (34) Schept de Allerhoogste Heer, die de vreugde van de koeien en de zinnen is en die altijd zorg draagt voor de toegewijden en de brahmanen [zij die onderlegd zijn in de geestelijke kennis], nog altijd genoegen in het zedige gezelschap van de vrienden rondom Hem in Dvârakâ? (35-36) Ten behoeve van de bescherming en de verheffing van alle leefwerelden verkeert er in het gezelschap van de oceaan van leden van de Yadudynastie de Oorspronkelijke, Allerhoogste Genieter alsmede Ananta [Balarâma]. In Zijn eigen stad genieten de leden van de Yadufamilie van Zijn beschutting en proeven ze daarbij het transcendentale genoegen zoals de ingezetenen van de hemel dat doen. (37) Middels het hoogst belangrijke bestieren van de gemakken aan de voeten, zorgden de zestienduizend metgezellen van het zwakke geslacht met Sathyabhâmâ aan het hoofd ervoor dat de Heer de ingezetenen van de hemel onderwierp, zodat zij konden genieten van wat normaal is voorbehouden aan de vrouwen van de heer van de donder. (38) De Yadu's, die de bescherming van Zijn armen genieten, betreden immer onbevreesd de Sudharmâ vergaderzaal die, met geweld verkregen [van Indra], de beste der goden waardig was.

(39) Mijn beste broer, ben je helemaal gezond? Het lijkt me dat je je luister hebt verloren. Is het omdat je het respect mist en verwaarloosd bent of, mijn broer, omdat je zo lang weg was? (40) Heb je je greep verloren omdat iemand je onvriendelijk heeft bejegend of je bedreigde, of kon je niet vrijgevig zijn of de belofte nakomen dat te zullen doen? (41) Was jij die benaderd wordt voor de bescherming van de geschoolden, de kinderen, de koeien, de ouden van dagen, de zieken en de vrouwen, er niet toe in staat in de behoeften te voorzien van ieder levend wezen dat zijn toevlucht zocht? (42) Kwam je in contact met een verwerpelijke vrouw of heb je misschien een acceptabele vrouw onheus behandeld, of is je goede zelf onderweg alsnog verslagen door een hogere macht of door gelijken? (43) Heb je oude mannen en jongens die het verdienden met je samen te eten over het hoofd gezien of heb je iets onbehoorlijks gedaan dat moeilijk te vergeven is? (44) Of is het zo, mijn broeder Arjuna, dat met betrekking tot de meest dierbare, je hartsvriend Heer Krishna, je een leegte voelt omdat je Hem voortdurend moet missen? Ik kan geen andere redenen bedenken waarom je zo van streek zou zijn.' "


Hoofdstuk 15: De Pândava's Trekken Zich Terug

(1) Sûta zei: "Aldus werd Arjuna, de vriend van Krishna, die gescheiden van Krishna erg vermagerd was, onderworpen aan de verschillende vormen van twijfel en speculatie van zijn oudere broer de koning. (2) Door zijn treurnis waren zijn mond en lotus-gelijke hart opgedroogd en was zijn lichamelijke luister verdwenen. In beslag genomen door gedachten aan de Allerhoogste Heer S'rî Krishna was hij niet in staat naar behoren antwoord te geven. (3) Hoe meer hij de tranen uit zijn ogen veegde en met grote moeite de kracht van zijn verdriet probeerde te beheersen, des te meer raakte hij in zijn gevoelens voor Hem verzonken in gedachten over Hem en des te meer raakte hij van streek. (4) Zich Hem herinnerend als de weldoener, begunstiger, intieme relatie en wagenmenner, begon Arjuna, overmand en zwaar ademend, tot zijn oudere broer de koning te spreken. (5) Hij zei: 'O mijn Koning, de Persoonlijkheid van God Hari die met me omging als Zijn intieme vriend heeft me verlaten. Nu ben ik verstoken van de verbluffende, grote macht die zelfs de goden versteld deed staan. (6) Ik verloor Hem van wie zelfs maar voor een enkel moment gescheiden alle universa ongunstig en ontdaan van alle leven toeschijnen, alsof ze allemaal lijken zijn. (7) Door de kracht van Zijn genade kon ik al de prinsen bedwingen die lustten naar de macht bij de verkiezing van de bruidegom in koning Drupada's paleis waar ik Draupadî's hand verwierf door de vis die als schietschijf fungeerde met mijn boog te doorboren. (8) Omdat Hij mij terzijde stond was ik in staat Indra en zijn goddelijke metgezellen te overwinnen, slaagde ik erin de vuurgod ertoe aan te zetten zijn woud in lichterlaaie te zetten en kon ik het wonderschoon gebouwde vergaderhuis realiseren dat werd ontworpen door Maya [uit dankbaarheid dat hij hem redde uit de brand in het woud genaamd Khândava] waar al de prinsen te uwer ere bijeenkwamen met geschenken uit alle windstreken. (9) Onder Zijn invloed slaagde onze jongere broer [Bhîma], die de kracht heeft van een duizend olifanten, erin terwille van het [râjasûya] offer hem [Jarâsandha] te doden die werd aanbeden door de vele koningen. Het was Hij die de koningen redde die door Jarâsandha [in zijn hoofdstad] waren bijeengebracht om te worden geofferd aan de heer der geesten [Mahâbhairava]. Nadien betaalden ze je allen schatting. (10) Hij benam [ter vergelding] de echtgenoten [van de Kuru's] het leven wiens vrouwen ertoe waren veroordeeld hun haar los te dragen omdat het samengebonden haar van je vrouw [Draupadî], dat prachtig gekapt en gezegend was voor de grote ceremonie, werd losgemaakt. Gegrepen door de schurken [de Kuru's onder leiding van Duhs'âsana], wierp ze zich in tranen aan de Voeten. (11) Hij beschermde ons toen we in moeilijkheden belandden, bedreigd in het woud door de intrige van onze vijanden die waren geassocieerd met Durvâsâ Muni, die aldaar met zijn tienduizend discipelen langs kwam om te eten. Door simpelweg voordat zij er aan toe waren de voedselresten te aanvaarden stelde Hij al de drie werelden zowel als de muni's die op dat moment aan het baden waren tevreden door ze zo het idee te geven dat ze reeds gevoed waren. (12) Onder Zijn invloed kon ik ooit eens de Persoonlijkheid van God met de Drietand [Heer S'iva] en zijn vrouw, de dochter van de Himalaya, versteld doen staan, om reden waarvan hij en de andere goden me beloonden met hun eigen wapens. En zo slaagde ik er levend in dit lichaam in een half verheven zitplaats in het Huis van Indra te verwerven. (13) Als een gast van die hemel kon ik met beide armen, met mijn boog de Gândîva, Indra en al de goden, de demon Nivâtakavaca doden, gemachtigd als ik was, o afstammeling van koning Ajamîdha, door Hem, de Hoogste Persoonlijkheid van wie ik momenteel verstoken ben. (14) Door Zijn vriendschap alleen kon ik, gezeten op de strijdwagen, de onoverkomelijke oceaan van het eindeloze bestaan van de militaire macht van de Kaurava's oversteken, en door Zijn vriendschap alleen, kon ik terugkeren met de enorme weelde van de vijand; de schittering van al de juwelen die ik met geweld van hun hoofden nam. (15) Hij was het die met de macht van Zijn blik de geestelijke onrust beëindigde die voortkwam uit het verlangen naar resultaten van al de strijders die met de rijkdom van hun strijdwagens stonden opgesteld op het slagveld, o grote Koning, en uit wiens gelederen ik naar voren trad met voor ogen de immensiteit van grote koninklijke persoonlijkheden als Bhîshma, Karna, Drona en S'alya. (16) Onder Zijn bescherming konden de zeer machtige, onoverwinnelijke wapens die werden gebruikt door Drona, Bhîshma, Karna, Bhûris'ravâ, koning Sus'armâ, S'alya, koning Jayadratha, Bâhlika [een broer van Bhîshma] etc., me niet raken, precies zoals dat ook ging met Prahlâda [de beroemde toegewijde van Nrisimhadev, de leeuw-incarnatie] die werd bedreigd door de demonen. (17) Abusievelijk over Hem denkend als alleen maar mijn wagenmenner werd ik door Hem verlost wiens voeten door de intelligenten worden gediend terwille van de verlossing. Door Zijn genade sloegen mijn vijanden geen acht op mij en vielen ze me niet aan als ik afsteeg voor mijn dorstige paarden. (18) Met Zijn glimlachende gezicht maakte Hij grappen en was Hij open met me, me aansprekend met 'zoon van Prithâ', 'vriend' en 'zoon van de Kurudynastie' en dergelijke; hartelijke uitspraken van mijn Mâdhava [Krishna] die mijn ziel raken en overmannen nu ik er aan terugdenk. (19) Toen ik met Hem sliep, neerzat, liep en at, en we elkaar de waarheid voorhielden en dergelijke, zag ik Hem verkeerdelijk aan voor een vriend die gelijk is aan mij, terwijl Hij me, ondanks dat ik Hem in mijn overtreding voor lager aanzag, groots in Zijn glorie tolereerde zoals een vriend een vriend aanvaard of een vader zijn kind. (20) O Keizer, zonder de Hoogste Persoonlijkheid, mijn geliefde vriend en weldoener, zijn mijn hart en ziel leeg. Pas geleden nog werd ik, als was ik een zwakke vrouw, verslagen door een stel ontrouwe koeherders toen ik Krishna's vrouwen beschermde. (21) Met dezelfde boog, pijlen, strijdwagen en paarden, ben ik dezelfde Arjuna en strijdwagenvechter die door alle koningen werd gerespecteerd. Maar dit alles werd in één enkel ogenblik, Hem missend, zo betekenisloos als boter geofferd in de as, als geld verkregen door magie of zaden gezaaid in onvruchtbare grond.

(22-23) O Koning, in antwoord op je vraag naar onze vrienden en verwanten in Dvârakâ kan ik je zeggen dat ze werden vervloekt door de brahmanen. Als gevolg van die vloek hebben ze, dronken van de rijstwijn, elkaar als een stel dwazen met stokken gedood, elkaar niet eens herkennend in die beschonken toestand. Slechts vier of vijf van hen zijn er overgebleven. (24) Het is door de Hoogste Persoonlijkheid, onze Heer, zo beschikt dat de levende wezens elkaar de ene keer doden terwijl ze elkaar de andere keer beschermen. (25-26) Zoals in de oceaan de groteren de kleineren opeten en de sterkeren de zwakkeren verorberen o Koning, nam ook de Almachtige Ene de last die werd gevormd door de Yadu's weg van de wereld door in een gevecht de sterkere Yadu de zwakkere te laten doden en de grotere Yadu de kleinere. (27) Met voor de geest de woorden gesproken door Govinda, herinner ik me hoe aantrekkelijk ze zijn en hoe ze, doortrokken van betekenis en aan de tijd en omstandigheid aangepast, een einde maken aan de pijn in het hart.' "

(28) Sûta zei: "Aldus denkend aan de lotusvoeten van de Heer en wat Hij hem allemaal had bijgebracht in de vertrouwlijkheid van hun diepe vriendschap, kwam Arjuna tot rust met een geest bevrijd van alle materiële betrokkenheid. (29) Voortdurend zich de voeten van Vâsudeva herinnerend, nam Arjuna's toewijding snel toe en kwam er een eind aan zijn eindeloos gepieker. (30) Zich opnieuw de aanwijzingen van de Hoogste Heer over het transcendentale voor de geest halend die hij midden op het slagveld ontving en terugdenkend aan Zijn tijd en handelen, verdreef hij de duisternis van zijn onwetendheid en werd hij zijn zinnen de baas. (31) Omdat hij vrij van treurnis er door zijn spiritueel vermogen in slaagde te breken met de twijfels die werden opgeroepen door de dualiteit van het geïdentificeerd zijn met de materie, was hij, dankzij de transcendentie van het bestaan zonder een materiële gedaante, bevrijd van het verstrikt zijn in de kringloop van geboorte en dood. (32) Met het aangehoord hebben van de uitweidingen over het verdwijnen van de Opperheer naar Zijn hemelverblijf en het einde van de Yadudynastie, besloot ook Yudhishthhira voor het heil van de ziel zich terug te trekken en de wereld achter zich te laten. (33) Ook koningin Kuntî, die alles had gehoord wat Arjuna vertelde over het einde van de Yadu's en het verdwijnen van de Heer, vond, samen met alle anderen die onverdeeld waren in hun toewijding voor de transcendentie van de Heer, in haar bezielde betrokkenheid bevrijding van haar materiële bestaan. (34) Door de last weg te nemen van de wereld werd dat lichaam [van de Yadudynastie] door de Ongeborene prijsgegeven zoals een doorn die werd gebruikt om een andere doorn te verwijderen wordt weggegooid, aangezien voor de Heer alle doorns hetzelfde zijn. (35) Zoals met Zijn Matsya-incarnatie en andere verschijningen, gaf Hij, precies als een goochelaar het ene lichaam opgevend om een ander weer op te pakken, het lichaam prijs dat Hij manifesteerde om de last van de aarde te verlichten. (36) Toen Mukunda [de Heer der Bevrijding], de Fortuinlijke over wie te vernemen zo de moeite waard is, deze aarde verliet - manifesteerde van die dag af aan Kali[-yuga] zich ten volle, tot het ongeluk van een ieder wiens geest niet ontwaakt is.

(37) Yudhishthhira die slim als hij was zag hoe in zijn hoofdstad, staat en thuis, alsook in het zelf, de zaken verergerden met de vicieuze cirkel van hebzucht, valsheid, oneerlijkheid, goddeloosheid en geweld en dergelijke, begreep dat het tijd was om te vertrekken en kleedde zich dan ook gepast voor dat doel. (38) Zijn kleinzoon [Parîkchit], die naar behoren was getraind en qua kwaliteiten zijns gelijke was in alle opzichten, kroonde hij voor de gelegenheid in de hoofdstad Hastinâpura tot keizer en heerser over al het land dat door de zee werd begrensd. (39) Te Mathurâ maakte hij Vajra [de zoon van Aniruddha] tot koning van S'ûrasena, waarna hij een prâjâpatya offer liet brengen om in staat te zijn in zichzelf het vuur te vinden om zijn doel te bereiken. (40) Zijn gordel, sieraden en dat alles opgevend, raakte hij onthecht zijnde van de grenzeloze gebondenheid volkomen ongeïnteresseerd. (41) Hij trok zijn spraak terug in zijn denken, zijn denken tezamen met zijn andere zinnen terug in zijn adem, zijn adem trok hij terug in de dood en in volledige toewijding verenigde hij dat weer met het lichaam bestaande uit de vijf elementen. (42) Na die vijf elementen te hebben geofferd aan de drie kwaliteiten van de natuur, verenigde hij het nadenkende zelf in één en dezelfde onverschilligheid en fixeerde hij het geheel daarvan in de ziel die hij richtte op de geestelijke ziel van het onuitputtelijke Brahman. (43) Gescheurde kleding aanvaardend, vast voedsel weigerend, niet meer sprekend en met zijn haar loshangend, begon hij eruit te zien als een afgestompte waanzinnige en als een onverantwoordelijke kwajongen die nergens meer naar luisterde alsof hij doof was geworden. (44) Zich naar het noorden begevend betrad hij, net als vele anderen die in die richting gingen, het pad van zijn gewetensvolle voorvaderen en bracht hij zijn dagen door met het voortdurend vanuit het hart overdenken van de Opperste Verhevenheid, waar hij zich ook begaf.

(45) Gelijk hun vriend inziende dat het tijdperk van Kali met zijn goddeloosheid alle bewoners van de aarde in zijn greep had, volgden al de broers de oudste en vertrokken ze van huis. (46) Zij allen, die met alle deugd en kennis der heiligheid hun offers hadden gebracht, hielden, met het uiteindelijke doel van het levende wezen in gedachten, in hun denken ononderbroken vast aan de voeten van de Heer van Vaikunthha. (47-48) Dat is de bestemming van degenen die door positieve meditatie gezuiverd in toewijding bevrijding hebben gevonden door hun geest te richten op de bovenzinnelijke voeten van de Ene Nârâyana. Zij bereikten, met het wegwassen van hun materiële besmetting, met dezelfde lichamen als waar ze mee ter wereld kwamen, de verblijfplaats die voor de materialisten die opgaan in materiële zorgen zo heel moeilijk te bereiken is. (49) Ook Vidura, die met zijn geest en handelen Krishna was toegewijd, vertrok na het verlaten van zijn fysieke zelf te Prabhâsa vergezeld door zijn voorvaderen naar zijn hemelverblijf [het rijk van Yama]. (50) Ook Draupadî die besefte dat haar echtgenoten zich niet meer om haar bekommerden concentreerde zich op Vâsudeva, de Hoogste Persoonlijkheid van God, en bereikte Hem zo. (51) Een ieder die met toewijding kennis neemt van dit afscheid terwille van het uiteindelijke doel van de zoons van Pându die de Heer zo na aan het hart liggen, zal enkel goed geluk en zuiverheid vinden en winnend in perfectie aldus komen tot de toegewijde dienst van de Heer."

Hoofdstuk 16: Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging

(1) Sûta zei: "O hooggeleerden, daarna regeerde Parîkchit, de grote toegewijde, over de aarde onder leiding van de tweemaal geborenen met de kwaliteiten waarvan de astrologen, die de toekomst voorspelden bij zijn geboorte, hadden gedacht dat hij ze zou hebben. (2) Hij trouwde met Irâvatî, de dochter van Koning Uttara, en verwekte vier zoons in haar met Janamejaya als de eerste. (3) Aan de Ganges bracht hij drie paardoffers met gepaste beloningen voor Kripâcârya, die hij als zijn geestelijk leraar had gekozen, en de godsbewusten die erbij kwamen kijken. (4) Eens, tijdens een veroveringscampagne, slaagde hij, de dappere held, er door zijn bekwaamheid in de meester van het Kalitijdperk terecht te wijzen die, vermomd als een koning, maar lager dan een s'ûdra [loonarbeider] de poten van een koe en een stier aan het pijnigen was."

(5) S'aunaka wilde weten: "Waarom berispte hij tijdens zijn campagne alleen maar de meester van Kali die uitgedost was als een koning maar als iemand lager dan een s'ûdra tegen de poten sloeg van een koe? O fortuinlijke, beschrijf dat allemaal voor ons alstublieft, voor zover het verband houdt tenminste met de gespreksonderwerpen van Krishna. (6) Want waarom zouden zij die bevrijd zijn en van de honing aan Zijn lotusvoeten genieten, nu hun leven verspillen met het eindeloos bespreken van illusoire zaken? (7) O Sûta, in deze wereld van sterfelijke menselijke wezens die maar kort te leven hebben wordt voor het heil van hen daarin die een eeuwig leven verlangen de heer van de dood, Yamârâja aangeroepen die heerst over het zoenoffer [van het vlees van de dieren]. (8) [Men is ervan overtuigd dat] niemand zal sterven zolang hij die over de dood heerst hier zijn plaats heeft. Om die reden wordt hij er door de wijzen als [de vertegenwoordiger van] de grote heer bij betrokken. Laat [dus] hen die onder zijn gezag vallen drinken van de nectar van de vertellingen van Zijn goddelijke spel en vermaak. (9) Brengen zij die lui zijn, oppervlakkig van belangstelling zijn en maar kort leven, hun dagen en nachten niet door met doelloze activiteiten en met slapen?"

(10) Sûta zei: "Toen Parîkchit, die in de Kuruhoofdstad verbleef, hoorde dat de tekenen van Kali-yuga zijn rechtsgebied waren binnengedrongen, vond hij dat nieuws niet te verteren en nam hij, in zijn verantwoordelijkheid om militair het gezag te handhaven, zijn pijl en boog ter hand. (11) Fraai uitgedost onder de bescherming van de leeuw in zijn vlag en met zwarte paarden voor zijn strijdwagen, verliet hij de hoofdstad in het gezelschap van strijdwagenvechters, ruiters, olifanten en grondtroepen om zich te verzekeren van een overwinning. (12) Bhadrâs'va, Ketumâla, Bhârata, de noordelijke gebieden van Kuru en Kimpurus'a achter de Himalaya's waren de gedeelten van de aarde die hij veroverde en waar hij zijn gezag handhaafde door schattingen te heffen. (13-15) Overal waar hij kwam hoorde hij voortdurend wat voor grote zielen zijn voorvaderen waren en vond hij ook aanwijzingen van de glorieuze daden van Heer Krishna onder de mensen die hij ontmoette. Ook vernam hij over zijn eigen bevrijding van het wapen van As'vatthâmâ en over de toewijding voor Heer Kes'ava [Krishna als de doder van de demon Kes'î, het dolle paard] onder de afstammelingen van Vrishni en Parthâ. Zeer blij daarmee beloonde hij, met grote  ogen van vreugde, de mensen grootmoedig met kleding, halssnoeren en andere rijkdommen. (16) Optredend als een wagenmenner, voorzittend in bijeenkomsten, handelend als een dienaar, als een vriend, als een boodschapper en als nachtwaker, had Hij die van Vishnu is en Zelf universeel door iedereen wordt gehoorzaamd [Krishna], gehandeld met gebeden en eerbetuigingen in relatie tot de godvrezende zoons van Pându. Dit vervulde de koning van toewijding voor Zijn lotusvoeten.

(17) Aldus verzonken in gedachten over de goede kwaliteiten van zijn voorvaderen hield hij in zijn dagelijkse bezigheden vast aan hun voorbeeld. Verneem nu van mij over een zeer opmerkelijk voorval dat zich toen niet ver van hem vandaan voordeed. (18) De persoonlijkheid van de religie die slechts op één poot stond [de z.g. 'stier' van dharma waarvan de poten staan voor de vier menselijke hoofdwaarden], kwam rondzwervend de bedroefde koe [moeder aarde] tegen die tranen in haar ogen had zoals een moeder die haar kind heeft verloren. (19) Dharma zei: 'Mevrouw, gaat het wel helemaal goed met uw gezondheid? Bedroefd kijkend met een hangend gezicht ziet u eruit alsof u wordt gekweld door een ziekte of dat u in beslag wordt genomen door een verwant ver van u vandaan, o moeder. (20) Treurt u erover dat drie van mijn poten achteruit zijn gegaan en ik nog maar op één poot sta, of is het omdat de vleeseters gebruik willen maken van uw lichaam? Of komt het omdat de verlichte zielen en aanverwanten het moeten stellen zonder hun aandeel in het offer als gevolg van een tekort aan plechtigheden of omdat de levende wezens in toenemende mate te lijden hebben onder schaarste, hongersnood en droogte? (21) Treurt u over de ongelukkige vrouwen en kinderen op aarde die het moeten stellen zonder de bescherming van hun echtgenoten en vaders of hebt u verdriet over de manier waarop men in de families van de geschoolden zich afzet tegen de principes van de godin [van het leren]? Of spijt het u dat de meesten van hen tegen de brahmaanse cultuur in handelen door hun toevlucht te zoeken bij de heersende klasse? (22) Is het omdat de nakomelingen van de adel onder invloed van het Kali-tijdperk hun verstand lijken kwijt te zijn en de aangelegenheden van de staat links en rechts in het honderd laten lopen? Of is het vanwege de gewoonten die  de samenleving heeft opgevat om zich te voeden en te drinken en hoe men slaapt, baadt en geslachtsgemeenschap heeft? (23) Kan het zijn, o moeder aarde, dat u denkt aan het heil dat werd gesticht door de handelingen van de incarnatie van de Heer die uw zware last verlichtte maar nu uit het zicht is verdwenen? (24) Breng me alstublieft op de hoogte, o bron van alle overvloed, van de reden van de droefenis die u tot een dergelijke zwakte heeft teruggebracht. Of heeft o moeder, de almachtige Tijd u beroofd van het goede geluk waarover zelfs de verlichte zielen zich lovend uitlieten?'

(25) Moeder Aarde antwoordde: 'O Dharma ik zal mijn best doen antwoord te geven op al de vragen die u gesteld heeft, daar u met uw vier poten [de vidhi] er in al de werelden bent om het geluk te brengen. (26-30) Waarheidsliefde, reinheid, mededogen, zelfbeheersing, grootmoedigheid, tevredenheid, openhartigheid, concentratie, zinsbeteugeling, verantwoordelijkheid, gelijkheid, tolerantie, gelijkmoedigheid en trouw. En zeker ook kennis, onthechting, leiderschap, ridderlijkheid, invloed, macht, plichtsbesef, onafhankelijkheid, vaardigheid, schoonheid, kalmte en goedhartigheid, zowel als vindingrijkheid, goede manieren, beleefdheid, vastberadenheid, kundigheid, behoren, genoeglijkheid, vreugde, onverzettelijkheid, geloof, roem en waardigheid - al deze en vele andere vormen de eeuwige kwaliteiten van de Allerhoogste Heer, de nimmer aflatende hogere natuur welke kan worden bereikt door degenen die de grootheid waardig zijn. Dankzij Hem ben ikzelf, net zoals de godin van het geluk dat is, een dergelijke bron van kwaliteiten, maar in de afwezigheid van Hem die de spil ervan is, treft men Kali, de bron van alle zonden, aan in alle werelden.  (31) Ik treur voor mezelf zowel als voor u en ook voor de besten onder de verlichte zielen, de goden en de voorvaderen in de hemel, de wijzen en de toegewijden, alsook voor alle mensen in hun statusoriëntaties in de samenleving. (32-33) Lakshmî [de godin van het geluk] wiens genade werd gezocht door halfgoden als Brahmâ en voor wie de goden menigmaal boete deden in overgave aan de Heer, heeft terwille van de eredienst haar eigen verblijfplaats in het woud der lotusbloemen opgegeven uit gehechtheid aan de zaligmakende voeten. Als gevolg van wat Hij deed slaagde ik, die op mijn huid de voetafdrukken ervoer van de Hoogste Heer, de eigenaar van alle weelde, erin op schitterende wijze in de drie werelden te zegevieren uitgerust als ik was met de door mij verworven speciale vermogens van de lotusbloem, de bliksemschicht, de vlag en de drijfstok. Maar op het laatst, juist toen ik mij zo gelukkig achtte, heeft Hij me verlaten. (34) Hij die me heeft verlost van de last van de honderden legermachten van de ongelovige koningen, incarneerde eveneens voor u in de Yadufamilie, en wel vanwege het feit dat u, die de kracht miste om u staande te houden, in moeilijkheden verkeerde. (35) Wie, vraag ik u, kan het verdragen om gescheiden te zijn van de liefde, blikken, glimlachen en hartelijkheden van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon die de gepassioneerde wrake en ernst van een vrouw als Satyabhâmâ overwon en mijn haar [mijn gras] overeind deed staan uit vreugde over de afdruk van Zijn voeten?'

(36) Terwijl de aarde en de persoonlijkheid van de religie aldus converseerden, kwam Parîkchit, die de naam had de heilige onder de koningen te zijn, aan bij de rivier de Sarasvatî die naar het oosten stroomde."



Hoofdstuk 17: De Straf en het Loon van Kali

(1) Sûta zei: "Daar [bij de rivier de Sarasvatî] zag de koning hoe een s'ûdra [iemand van de laagste klasse] die zich had uitgedost als een koning, met een knuppel een koe en een stier aan het slaan was, alsof er niemand was om ze te beschermen. (2) De stier, die wit was als een lotus, verkeerde, geslagen door de s'ûdra, in doodsnood en urineerde en trilde van de angst terwijl hij nog maar op één poot stond. (3) Ook de koe, op zichzelf een religieus voorbeeld maar er nu ellendig aan toe en van streek vanwege de s'ûdra die haar tegen haar poten sloeg, was zonder een kalf en had tranen in haar ogen terwijl ze in haar zwakte verlangde naar wat gras om te eten. (4) Vanaf zijn met goud beslagen strijdwagen vroeg Parîkchit, goed uitgerust met pijl en boog, met een donderende stem: (5) 'Wie ben jij om te denken dat je op deze plek de hulpelozen, die onder mijn bescherming staan, ter dood kan brengen! Als een acteur doe je je krachtig voor verkleed als een godsbewust man, maar je gedraagt je als iemand die nog nooit het licht van de beschaving [van het twee maal geboren zijn] heeft gezien! (6) Denk je dat, omdat Heer Krishna en de drager van de boog de Gândîva [Arjuna] uit het gezicht zijn verdwenen, je stiekem een onschuldige koe kan slaan? Als de schurk die je op die manier bent verdien je het gedood te worden!'

(7) 'En u', zei hij zich tot de stier wendend, 'bent u alleen maar een stier die zich, wit als een lotus, voortbeweegt op één poot en er drie kwijt is, of bent u een of andere halfgod die ons in de vorm van een stier verdrietig maakt? (8) Nog nooit heeft er, behalve dan in het geval van u die tranen in uw ogen heeft om een ander, er onder de bescherming van het gezag [van de armen] van welke koning van de Kurudynastie dan ook een dergelijke treurnis op aarde bestaan. (9) O zoon van Surabhi [de hemelse koe] ik zeg u, in mijn koninkrijk zal er geen geweeklaag zijn, wees dus niet bang voor de s'ûdra, en moedertje koe, huil niet, zolang als ik leef als de heerser over en onderwerper van de afgunstigen, zal het u goed gaan. (10-11) O kuise, hij in wiens staat de levende wezens bang moeten zijn voor onverlaten zal zijn faam, levensduur, fortuin en een goede geboorte verliezen. Het is voorzeker de hoogste plicht voor koningen gezag uit te oefenen zodat er een einde komt aan het leed van hen die te lijden hebben en daarom zal ik deze slechte kerel die zo gewelddadig is jegens andere levende wezens ter dood brengen. (12) Wie heeft uw drie poten afgehakt, o zoon van Surabhi? Wat u overkwam is nog nooit eerder gebeurd in het rijk van de koningen die leven zoals Krishna het wil. (13) O stier, u bent eerlijk en vrij van overtredingen, vertel me daarom over hem die u verminkt heeft en die de reputatie van de zonen van Prithâ heeft bezoedeld. (14) Zij die de zondelozen doen lijden mogen me vrezen waar ze zich ook bevinden, daar ik een einde zal maken aan de handelingen van de onverlaten en de voorspoed van hen die eerlijk zijn zal herstellen. (15) De parvenu die het bezien heeft op onschuldige levende wezens, zal ik terstond een kopje kleiner maken, of hij nu een halfgod uit de hemel is met wapenrok en sierselen of niet. (16) Het is zonder twijfel de heilige plicht van het staatshoofd om altijd hen te beschermen die trouw hun plicht doen en, veilig overeenkomstig de geschriften, diegenen terecht te wijzen die in deze wereld het spoor bijster zijn geraakt.'

(17) De persoonlijkheid der religie zei: 'Al hetgeen u zei ter wille van de vrijheid van angst van hen die te lijden hebben past iemand van de Pândavadynastie, de dynastie die door zijn kwaliteiten Heer Krishna ertoe aanzette zich te gedragen als een dienaar en dergelijke. (18) O grootste onder de mensen, omdat de persoon verbijsterd is als gevolg van alle meningsverschillen, kunnen we niet zeggen wie [of wat] de oorzaak zou zijn van al het menselijk lijden. (19) Sommigen die zich afkeren van alle dualiteiten verklaren dat men lijdt door eigen toedoen, anderen zeggen dat het door het bovennatuurlijke wordt veroorzaakt, terwijl weer anderen beweren dat het te wijten is aan de werking van de materiële natuur of het gevolg is van het aanvaarden van gezag van buitenaf. (20) Sommigen ook kwamen tot de slotsom dat het een kwestie is die niet uit te leggen is en het bevattingsvermogen te boven gaat. Wie van hen in dezen gelijk heeft, o wijze onder de koningen, is aan uw eigen oordeelsvermogen overgelaten.' "

(21) Sûta zei: "Parîkchit, die aandachtig volgde wat de persoonlijkheid van de religie had te zeggen, o beste onder de brahmanen, antwoordde weloverwogen. (22) 'U o kenner der plichten, o dharma in de vorm van een stier, u spreekt alleen maar op deze manier [van de niet te achterhalen oorzaak] omdat u weet dat [net zoals dat gaat met een goeroe die op het karma wijzend het karma op zich neemt] hij die met zijn vinger wijst naar degene die fout bezig is zelf in de positie belandt fout bezig te zijn. (23) Met andere woorden: zoals de Heer in de materiële wereld tewerk gaat is iets dat voor levende wezens niet te verwoorden noch te doorgronden is. (24) Boetvaardigheid, reinheid, mededogen en waarheidsliefde, [tapas, s'auca, dayâ, satya] zijn de poten die het tijdperk van de waarheid vestigden [Satya-yuga, de 'oude tijd'], maar door goddeloosheid zijn drie ervan gebroken in hoogmoed, het vasthouden aan het hebben van seksuele gemeenschap en de zucht zich te bedwelmen. (25) Op het ogenblik, o persoonlijkheid der religie, hinkt u verder op het ene been van de waarheidlievendheid terwijl de onenigheid in eigen persoon [Kali], die gedijt op misleiding, goddeloos probeert die poot ook te vernietigen. (26) Door toedoen van de Allerhoogste Heer werd moeder aarde bevrijd van een grote last, Zijn zegenrijke voetafdrukken brachten overal het goede geluk. (27) Jammerend met tranen in haar ogen wordt de onfortuinlijke en kuise [moeder aarde] die door Hem werd verlaten nu genoten door mensen van een laag niveau die verstoken zijn van de cultuur van het leren en zich in mijn plaats stellen als degenen die het voor het zeggen hebben.'

(28) Op deze wijze werden de persoonlijkheden van de religie en moeder aarde tot rust gebracht door de grote strijder die zijn scherpe zwaard opnam teneinde Kali, de grondoorzaak van de goddeloosheid, te doden. (29) Beseffend dat de koning hem wilde doden wierp Kali, onder de druk van de angst, zijn koninklijke uitdossing af en boog hij in volledige overgave zijn hoofd aan de voeten. (30) Uit mededogen zag hij die de armen welgevallig is en in staat is met aanbidding om te gaan, er met een glimlach van af om degene te doden die de held die hij was ten voeten was gevallen, hij, de held van wie gezegd wordt dat hij het waard is te worden bezongen. (31) De koning zei: 'Vrees niet daar u zich met gevouwen handen hebt overgegeven. Wij erfden zeker de roem van Arjuna, maar dat wil nog niet zeggen dat u in mijn koninkrijk kan blijven. U bent immers de vriend van de goddeloosheid. (32) Met u fysiek aanwezig als een god der mensen, zal de goddeloosheid van begeerte, valsheid, roofzucht, onbeleefdheid, verraad, ongeluk, bedrog, redetwist en ijdelheid en dat alles welig tieren onder de volkeren. (33) Derhalve, o vriend der goddeloosheid, verdient u het niet u op te houden in de buurt van die plaatsen van eerbetoon waar de experts van de religie en de waarheid plichtsgetrouw en ter zake kundig in dienst aan de Heer der Offers hun offeranden hebben. (34) In dergelijke offerdiensten wordt de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Heer, aanbeden als de ziel van alle aanbiddelijke godheden. In die vorm verspreidt Hij welvaart omdat Hij de voor alle verlangens onschendbare Superziel is die zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is, net zoals de lucht dat is voor alles wat beweegt en niet beweegt.' "

(35) Sûta zei: "Op die manier toegesproken door koning Parîkchit, beefde de persoonlijkheid van Kali toen hij hem sprekend als Yamarâja, de Heer van de Dood, voor zich zag staan met opgeheven zwaard. (36) Kali zei: 'Waar ik onder uw gezag ook moge leven, o Keizer, zie ik mij altijd geplaatst voor de heerschappij van uw boog en pijlen. (37) Daarom alstublieft, o leider van de beschermers der religie, wijs me een plaats toe waar ik zeker ben van een permanent verblijf onder uw heerschappij.' "

(38) Sûta zei: "Aldus verzocht, verleende hij toen Kali de toestemming te verblijven in plaatsen waar de vier zondige activiteiten van het gokken, drinken, de prostitutie en het slachten van dieren [dyûtam, pânam, striyah, sûnâ] plaatsvonden. (39) Daarnaast kende de meester, op zijn aandringen, hem de plaats toe waar men het goud aantreft, want goud is door de hartstocht de vijfde zonde vanwege de valsheid, bedwelming, lust en vijandigheid die het met zich meebrengt. (40) Aldus werden op aanwijzing van de zoon van Uttarâ de vijf verblijfplaatsen aan Kali toegewezen waar inderdaad de goddeloosheid wordt aangemoedigd. (41) Derhalve dient een persoon die uit is op zijn welzijn nimmer zijn toevlucht te nemen tot welke van deze plaatsen ook, in het bijzonder niet die personen die zich bevinden op het pad der bevrijding, de adel, de dienaren van de staat en de leraren. (42) Door activiteiten aan te moedigen die de drie verloren gegane poten van versobering, reinheid en mededogen van de stier weer terugbrachten, werd [door koning Parîkchit] de aarde volmaakt in ere hersteld. (43-44) Het huidige bestuur hebben we aan hem te danken, het is de troon die werd overgedragen door de koning, de grootvader [Yudhishthhira] toen die het wenste zich in het woud terug te trekken. Door die heerschappij staat die wijze onder de koningen en leider van de Kurudynastie, nu in Hastinâpura bekend als de meest fortuinlijke en befaamde keizer. (45) Door de ervaring van de zoon van Abhimanyu de koning, dankzij zijn heerschappij over de aarde, kunt u nu allen de inwijding genieten van het uitvoeren van dit soort offers."



Hoofdstuk 18: Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen

(1) Sûta zei: "Hij [Parîkchit] die in de schoot van zijn moeder werd geschroeid door het wapen van de zoon van Drona, stierf niet dankzij de genade van de Allerhoogste Heer S'rî Krishna wiens daden wonderbaarlijk zijn. (2) Door een brahmaan vervloekt te zullen sterven als gevolg van een slangenvogel, was hij nooit overmand door de grote angst voor de dood omdat hij zich welbewust aan de Allerhoogste Heer had overgegeven. (3) Nadat hij al degenen die hem nabij stonden had achter gelaten en hij de eigenlijke positie van de Onoverwinnelijke had begrepen, gaf hij als een discipel van de zoon van Vyâsa [S'ukadeva Gosvâmî] zijn lichaam op aan de oever van de Ganges. (4) Zij die met Zijn voeten in gedachten zich bezighouden met Zijn lofzangen en waardering hebben voor de nectargelijke verhalen waarin Hij wordt verheerlijkt, zullen zelfs niet in hun stervensuur in verwarring verkeren. (5) De persoon van Kali, hoewel overal aanwezig, kan niet gedijen zolang het de machtige heerser, de zoon van Abhimanyu is die feitelijk de dienst uitmaakt. (6) Vanaf het ogenblik dat de Allerhoogste Heer deze aarde verliet verscheen Kali, hij die de goddeloosheid bevordert, in deze wereld. (7) De keizer die een realist was die op de essentie afging was nooit afgunstig op de persoon van Kali. Net als een bij die recht op de nectar afgaat wist hij dat gunstige zaken tot een onmiddellijk succes leiden, terwijl men zich inspannend voor het ongunstige nooit iets bereikt. (8) Kali die in de ogen van de zwakken een grote macht lijkt te zijn is voor de zelfbeheersten iemand om voor op je hoede te zijn, en zo was Parîkchit als een tijger onder de mensen degene die onder de zorgelozen de zorgzame was. (9) Op uw verzoek heb ik u vrijwel al de verhalen verteld die er over de vrome Parîkchit in samenhang met Vâsudeva te vertellen zijn. (10) Zij die zich willen ontwikkelen en waarmaken doen er goed aan kennis te nemen van alles wat ik heb besproken aangaande de Allerhoogste Heer Zijn wonderen, bovenzinnelijke kwaliteiten en ongewone daden."

(11) De wijzen zeiden: "O Sûta, moge u een lang, gelukkig en in het bijzonder eeuwig roemrijk leven beschoren zijn, omdat u met uw zo fraaie spreken over Heer Krishna ons stervelingen voorzeker de nectar der eeuwigheid vergunt. (12) Met het brengen van dit offer waarvan de afloop onzeker is zien we zwart van de rook, maar met het door uw goede zelf behagen van Govinda's voeten genieten we de nectar van een lotusbloem. (13) Het bereiken van hogere leefwerelden of bevrijding uit de stof, om nog maar te zwijgen van de wereldse zegeningen van hen die onvermijdelijk op hun dood afstevenen, is niet te vergelijken met het enkel maar voor een ogenblik volmaakt in evenwicht verkeren in de omgang met een toegewijde van de Heer. (14) Als men er eenmaal de smaak van te pakken heeft zal men nooit genoeg krijgen te genieten van de nectar van de vertellingen over de grootste en enige toevlucht onder de levende wezens, Hem wiens bovenzinnelijke kwaliteiten nimmer konden worden gepeild door zelfs de grootste meesters in de vereniging als Heer Brahmâ en Heer S'iva. (15) Wees, o geleerde, zo aardig om voor ons die er zo naar verlangen erover te vernemen een beschrijving te geven van Zijn onpartijdige, bovenzinnelijke activiteiten. Want voor uwe goedheid, u die onze belangrijkste persoon bent in relatie tot de Allerhoogste Heer, vormt Hij de enige echte toevlucht, is Hij de grootste onder de groten. (16) Duidelijk is dat Parîkchit, die een eersteklas toegewijde was, de lotusvoeten bereikte van Hem die Garuda in Zijn vaandel voert, nadat hij zijn intelligentie had gesterkt met de kennis zoals die werd verwoord door de zoon van Vyâsa met het doel hem in te wijden inzake het pad der bevrijding. (17) Vertel ons daarom over het allerhoogste en zuiverende dat zo wonderbaarlijk in de bhakti [de toewijding] is vervat. Beschrijf voor ons, op de manier zoals het Parîkchit werd verteld, de handelingen van de Onbegrensde die de zuivere toegewijden zo bijzonder dierbaar zijn."

(18) Sûta zei: "Zie hoe wij, die door deze manier van converseren zijn verbonden met de groten, ondanks dat we van een verschillende komaf zijn, er duidelijk toe zijn bevorderd vandaag [een hogere] geboorte [in de geest des Heren] te nemen. Als men hen van dienst is die in de kennis gevorderd zijn, raakt men spoedig bevrijd van het lijden dat het gevolg is van het in een lagere [materiële] zin geboren worden. (19) En, wederom, hoeveel temeer geldt dat niet voor hen die enkel hun heil zoeken bij de grote toegewijden en daarbij de heilige naam zingen van Hem die Ananta wordt genoemd vanwege het feit dat Hij onbegrensd is in Zijn vermogen en onmetelijk groot is in Zijn hoedanigheden? (20) Om een beschrijving te geven van Hem die onmetelijk is in Zijn hoedanigheden en Zijns gelijke niet kent, volstaat het erop te wijzen dat de godin van het geluk, met het afwijzen van anderen die er haar om vroegen, het wenste te dienen in het stof van Zijn voeten terwijl Hij er Zelf niet om vroeg. (21) Wie anders zou de positie waard zijn van het dragen van de naam van Allerhoogste Heer dan Mukunda [Heer Krishna als degene die bevrijding schenkt] uit wiens teennagels het water [van de Ganges] verzameld door Brahmâjî voortkwam dat via Heer S'iva het hele universum zuivert? (22) Zij die hecht verankerd zijn in Hem zijn ertoe in staat van het ene moment op het andere al de gehechtheden van het grofstoffelijk lichaam en de subtiele geest achter zich te laten en te vertrekken om hun toevlucht te nemen tot de hoogste staat van volmaaktheid [sannyâsa], het levensstadium waarin geweldloosheid en verzaking wordt gevonden. (23) Omdat u die zo sterk als de zon bent er mij om vroeg kan ik een beschrijving geven van de kennis die ik heb verworven; in dezen is het als met de vogels die vliegen zover ze maar kunnen: ik kan u op de hoogte stellen van Vishnu voor zover mijn realisatie dat toestaat.

(24-25) Eens toen Parîkchit op herten jaagde met pijl en boog, raakte hij zeer vermoeid, hongerig en dorstig. Op zoek naar een drinkplaats ging hij de kluizenaarshut van de beroemde rishi S'amîka binnen alwaar hij de wijze in stilte zag zitten met zijn ogen dicht. (26) Na zijn zinnen, ademhaling, denken en intelligentie te hebben ingeperkt, had hij, in kwaliteit gelijk aan het Allerhoogste Absolute, alle activiteit beëindigd terwijl hij onaangedaan in trance verkeerde verheven boven de drie vormen van bewustzijn [waken, dromen en droomloze slaap]. (27) Hij was bedekt door zijn lange, samengeklitte haar zowel als door een hertenvel. De koning, wiens verhemelte droog was, vroeg om water. (28) Omdat hij niet naar behoren werd ontvangen met een zitplaats, water en gepaste woorden, voelde hij zich verwaarloosd en werd hij zodoende kwaad. (29) O brahmanen, gegeven de omstandigheid dat hij door zijn honger en dorst was aangeslagen, was zijn woede en vijandigheid jegens de brahmaan ongekend. (30) Zijn respect verloren hebbende raapte hij met de punt van zijn boog kwaad een levenloze slang van de grond op en legde die op zijn weg naar buiten over de schouder van de wijze om vervolgens terug te keren naar zijn paleis. (31) Daar vroeg hij zich af of de meditatieve staat van de wijze van het zich met gesloten ogen terugtrekken van de zinnen, geen vals voorgewende trance was om een ontmoeting uit de weg te gaan met een lagere bestuurder.

(32) Toen de zoon van de wijze, die een zeer machtige persoonlijkheid was, hoorde van het verdriet dat de koning zijn vader had bezorgd terwijl hij met wat jochies aan het spelen was, zei hij dit: (33) 'Kijk nu eens hoe goddeloos de heersende klasse is! Zich verrijkend als de kraaien gaan ze recht in tegen wat is vastgesteld voor dienaren, terwijl ze niet meer zijn dan waakhonden bij de deur! (34) De zonen van de heersende klasse hebben over de geleerden te waken als waakhonden - op basis waarvan verdient hij die verondersteld wordt voor de deur te liggen van het huis van zijn meester, het om naar binnen te gaan en van hetzelfde bord te eten? (35) Aangezien Krishna onze beschermer, de Allerhoogste Heer en heerser over al die parvenu's, vertrokken is, zal ik ze nu zelf bestraffen, zie maar eens hoe machtig ik ben!' (36) Aldus met zijn ogen roodgloeiend van de woede zijn speelkameraadjes toesprekend, beroerde de zoon van de wijze het water van de Kaus'ika rivier en ontketende hij de volgende donderslag van woorden: (37) 'Voorwaar, vanwege het breken met de etiquette zal een slangenvogel over zeven dagen de snoodaard van de dynastie bijten die mijn vader heeft beledigd.' (38) Daarna, toen de jongen was teruggekeerd naar de hermitage, zag hij de slang op de schouder van zijn vader en huilde hij hardop vanwege die deerlijke toestand."

(39) O S'aunaka, toen de rishi zijn zoon hoorde huilen van verdriet, opende hij die was geboren in de familie van Angirâ langzaam zijn ogen en zag de dode slang op zijn schouder. (40) Die terzijde werpend vroeg hij: 'Mijn beste zoon, waar huil je over? Heeft iemand je kwaad gedaan?' Aldus ertoe verzocht, vertelde de jongen hem alles. (41) Nadat hij vernam over de vloek die was uitgesproken tegen de koning die nimmer mocht worden veroordeeld omdat hij de beste onder de mensen is, complimenteerde hij zijn zoon niet, maar jammerde hij in plaats daarvan: 'Helaas! Welk een grote zonde heb je vandaag zelf begaan in het toemeten van zo'n zware straf voor een dermate onbetekenende overtreding! (42) In feite mag niemand ooit een bovenzinnelijke persoon van God op gelijke voet plaatsen met de gewone man - jouw idee van intelligentie is nog onvolgroeid... door zijn onvergelijkelijke bekwaamheid genieten zijn onderdanen volkomen beschermd de welvaart. (43) O mijn jongen, de Heer die het wiel van de strijdwagen draagt wordt vertegenwoordigd door deze monarch, als men hem de rug toekeert zal deze wereld vol van dieven zijn die er meteen toe zullen overgaan de onbeschermden te pakken te nemen alsof ze lammeren zijn. (44) Omdat we de monarch de rug toe hebben gekeerd, zal vanaf heden de terugslag van deze zonde zijn beslag krijgen en grote maatschappelijke wanorde veroorzaken - dieven zullen zich meester maken van de welvaart en onderling zal men elkaar naar het leven staan en schade toebrengen en zal men ook verkeerd omgaan met de vrouwen en de dieren. (45) De rechtschapen samenleving van mensen die zich overeenkomstig de Vedische voorschriften ontwikkelen in hun roepingen en levensstadia zal dan systematisch teniet worden gedaan, en met het economisch handelen dat dan in dienst zal staan van het zingenot zal dat resulteren in een ongewenste bevolking op het niveau van apen en honden. (46) De beschermer van de religie, de koning, is een alom gewaardeerd keizer, een directe, eersteklas toegewijde van de Heer en een heilige van adel; een groot brenger van paardoffers - en als hij hongerig en dorstig is getroffen door vermoeidheid verdient hij het nooit op deze manier door ons te worden vervloekt.'

(47) Daarop wendde de wijze zich tot de Allerhoogste, Alomtegenwoordige Heer om zich te verontschuldigen voor de grote zonde die door het qua intelligentie onvolgroeide kind werd begaan jegens een zondeloze en waardige onderworpen ziel. (48) [Hij bad:] 'Ook al worden ze door het slijk gehaald, bedrogen, vervloekt, verstoord, verwaarloosd of zelfs als een van hen wordt gedood, zullen de verdraagzame toegewijden van de Heer zich nooit wreken voor deze dingen.' (49) Op die wijze betuigde de wijze zijn spijt over de zonde van zijn zoon, terwijl hij persoonlijk niet vond dat het beledigen van de kant van de koning iets zondigs was. (50) Over het algemeen tonen de heiligen in deze wereld zich niet verdrietig of gelukkig als ze door toedoen van anderen betrokken raken bij de dualiteit van de wereld, ze bevinden zich immers in de bovenzinnelijkheid van de ziel."


Hoofdstuk 19: De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî

(1) Sûta zei: "Toen de koning op weg was naar huis bedacht hij dat wat hij gedaan had iets afschuwelijks was en hij raakte zeer gedeprimeerd bij de gedachte: 'Helaas, het was onbeschaafd en slecht wat ik de foutloze, ernstige en machtige brahmaan aandeed. (2) Voorzeker is het vanwege het ingaan tegen de voorschriften dat ik zeer spoedig een zeer lastige calamiteit onder ogen zal moeten zien. Ik hoop van harte dat dat zo gauw mogelijk gebeurt, zodat ik van mijn zonden zal worden verlost en nooit meer iets dergelijks zal doen. (3) Moge ik, vandaag nog, met mijn koninkrijk, kracht en weelde aan rijkdommen branden in het vuur ontstoken door de brahmaanse gemeenschap, opdat het ongeluk van het zondigen tegen de Heer, de cultuur en de koeien me niet weer zal overkomen.' (4) Terwijl hij zo aan het peinzen was vernam hij van de doodsvloek van de zoon van de wijze. Die vloek in de vorm van het vuur van een slangenvogel aanvaardde hij als iets goedgunstigs omdat die zich nog te voltrekken gebeurtenis het logisch gevolg zou zijn van de onverschilligheid van een al te gehechte persoon. (5) Hij besloot deze wereld op te geven alsmede de wereld hierna, want hij was reeds tot het inzicht gekomen dat ze beiden inferieur waren ten opzichte van een leven van dienstverlenen aan de voeten van Krishna. Dus ging hij aan de oever van de bovenzinnelijke rivier [de Ganges] zitten om te vasten. Dat was wat hij naar zijn mening het beste kon doen. (6) Die rivier, altijd stromend vermengd met tulsî-blaadjes [een plant gebruikt in de eredienst], bestaat uit het water dat het stof meevoert van de voeten van Heer Krishna dat de wereld vanbinnen en vanbuiten heiligt en zelfs de Heer der Vernietiging [Heer S'iva]. Welke persoon die gedoemd is te sterven zou zich niet tot die rivier wenden? (7) Met dat besluit gaf hij, de waardige nakomeling van de Pândava's, met zijn plaatsnemen aan de oever van de rivier die stroomde van de voeten van Vishnu, zich over aan de genade van Mukunda tot de dood erop volgde. Hij zou vrij van alle vormen van materiële gehechtheid, het vasten volbrengen zonder af te wijken van de geest der geloften die door de wijzen worden gerespecteerd.
 
(8) Al de grote geesten en denkers die tezamen met hun leerlingen de hele wereld op een hoger plan kunnen brengen,  kwamen toen daar bijeen met het argument van een bedevaart. Het is door de persoonlijke aanwezigheid van de wijzen dat de bedevaartsoorden hun heilige status genieten. (9-10) Atri, Cyavana, S'aradvân, Arishthanemi, Bhrigu, Vasishthha, Parâs'ara, Vis'vâmitra, Angirâ, Paras'urâma, Uthathya, Indrapramada, Idhmavâhu, Medhâtithi, Devala, Ârshthisena, Bhâradvâja, Gautama, Pippalâda, Maitreya, Aurva, Kavasha, Kumbhayoni, Dvaipâyana en de grote persoonlijkheid Nârada kwamen. (11) Ook vele andere goddelijke persoonlijkheden, heilige brahmanen, de besten der wijzen die de meest vooraanstaande adel van advies dienden en vele andere wijzen als Aruna kwamen opdagen. Al deze leidende persoonlijkheden van de dynastieën der wijzen werden door de keizer eerbiedig verwelkomd met een buiging van zijn hoofd. (12) Met allen comfortabel gezeten en na nogmaals hen zijn eerbetuigingen te hebben gebracht, sprak hij, voor hen staand als iemand wiens denken zich heeft losgemaakt van wereldse zaken, nederig met gevouwen handen over zijn besluit om te vasten. (13) De koning zei: 'We zijn werkelijk zeer dankbaar om van al de koningen die het geleerd hebben om open te staan voor de gunsten der grote zielen degene te zijn die zo fortuinlijk is, want aan de voeten der brahmanen zijn de koninklijke geslachten vanwege hun verwerpelijke handelingen niet meer dan afval waarvan men zich verre dient te houden. (14) Vanwege mijn zonden, heeft de Heerser over zowel de bovenzinnelijke als de stoffelijke wereld via die brahmaan een vloek tegen me uitgesproken, ik die in mijn gehechtheid almaar aan familiezaken zat te denken. Met het aangenomen hebben van die gedaante zal Hij spoedig, met de vrees die Hij aanjaagt, mijn wereldse gehechtheid hebben verslagen. (15) Aanvaard mij derhalve o hoog geleerden, als iemand die met de Heer in zijn hart zijn toevlucht heeft genomen tot de goddelijke moeder de Ganges. Laat de slangenvogel of wat voor magisch iets de tweemaal geborene ook afriep, mij terstond bijten. En gaat u alstublieft door met het verslag doen van de daden van Heer Vishnu. (16) En, nogmaals, laat het zo zijn dat waar ik ook met betrekking tot de Allerhoogste Onbeperkte Heer en de associatie die Hij aantrekt in de materiële wereld mijn geboorte moge nemen, ik overal vriendschappelijke verhoudingen in eerbetoon voor de tweemaal geborenen mag aantreffen.'

(17) En zo gebeurde het dat de koning, met dezelfde vasthoudendheid als hij voordien had getoond, geheel zelfbeheerst op kus'agras ging zitten dat neergelegd was naar het oosten terwijl hij naar het noorden keek vanaf de zuidelijke oever van de echtgenote van de zee [de Ganges]. Het bestuur had hij overgedragen aan zijn zoon. (18) Al de goden die vanuit de hemel hadden gezien dat de koning zou vasten tot zijn dood, bestrooiden daarop waarderend de aarde met bloemen waarbij ze vergenoegd op de hemelse trommen sloegen. (19) Al de grote wijzen die zich daar hadden verzameld waren vol lof over zijn aldus betoonde wijsheid en zeiden, instemmend vanuit de macht van hun goedheid voor de levende wezens, een goedheid die kwalitatief van dezelfde schoonheid is als het goddelijke geprezen in de geschriften: (20) 'Het wekt geen verbazing dat deze heilige koning die ons allen die strikt Krishna volgen aanvoert, met het bekleden van de troon die versierd is met de helmen der koningen, zijn leven onmiddellijk opgaf in zijn verlangen om omgang met de Fortuinlijke te krijgen. (21) We zullen allen zolang hier blijven als de koning nodig heeft om zijn lichaam op te geven en naar de wereld van het Allerhoogste terug te keren, alwaar deze vooraanstaande toegewijde volledig vrij zal zijn van alle wereldse zorgen en geweeklaag.'

(22) Nadat hij de verzamelde wijzen aldus onpartijdig, aangenaam om te horen, ernstig en volmaakt naar waarheid had horen spreken, complimenteerde Parîkchit ze allen met hun gepaste eerbetoon en zei hij in zijn verlangen te vernemen over de activiteiten van Vishnu: (23) 'U bent allen bijeengekomen uit alle windstreken als de vertegenwoordiging van de Ene boven de drie werelden [Heer Brahmâ], met geen ander oogmerk in deze wereld of een wereld hierna dan u, geheel naar uw wezensaard, in te zetten voor het heil van anderen. (24) Daarom smeek ik u, vertrouwenswaardige Vedisch geleerden, me nu,  na de nodige bezinning, te zeggen wat  van al de verschillende verplichtingen van een ieder en in het bijzonder van diegenen die op het punt staan heen te gaan, de juiste en gepaste handelwijze zou zijn.'

(25) Op dat moment verscheen, als geroepen, de machtige zoon van Vyâsa, S'ukadeva Gosvâmî. Hij die eruitzag als een bedelmonnik reisde zelfvoldaan in zijn zelfverwerkelijking omringd door kinderen rond zonder zich te bekommeren om materiële gemakken of om een identiteit. (26) Hij, slechts zestien jaar oud, had een fijngebouwd lichaam met delicate armen, benen, handen, dijen, schouders en voorhoofd. Zijn ogen waren prachtig groot in een gezicht met een hoog oplopende neus, daarbij passende oren, fijne wenkbrauwen en een nek die zo welgevormd was als een hoornschelp. (27) Met diepliggende sleutelbeenderen, een gewelfde borst en een diepe navel had hij een fraai gelijnde buik. Geheel naakt met krullend, zwart, loshangend haar en extra lange armen was zijn tint die van de beste onder de goden [Krishna; een donkere huid]. (28) Hoewel hij zijn naaktheid bedekte, herkenden de wijzen, die een goed oog hadden voor iemands lichaamsbouw, de symptomen van de zwarte, donkere huid, de schoonheid van zijn prille leeftijd en de aantrekking voor het andere geslacht met zijn mooie glimlachen. En dus stonden ze allen op van hun zitplaatsen. (29) Om de nieuwe gast te verwelkomen, boog degene die altijd door Vishnu wordt beschermd [Parîkchit], zich voor hem om hem zijn eer te betuigen. Zijn minder ontwikkelde gevolg van jongens en vrouwen trok zich meteen terug toen hij zijn verheven zitplaats innam in ontvangst van het respect. (30) Aldaar omringd door de grootsten der grote heiligen onder de brahmanen, edellieden en goddelijken, straalde S'ukadeva als de hoogste heer, zo prachtig als de maan omringd door de planeten, hemellichamen en sterren. (31) Kalm, intelligent en zelfverzekerd daar zittend werd de wijze  benaderd door de grote toegewijde, de koning, die zich op gepaste wijze met gevouwen handen voor hem verboog en hem toen beleefd en vriendelijk vragen stelde.

(32) Parîkchit zei: 'O brahmaan, wat een zegen is het voor ons van de heersende klasse om vandaag te zijn uitverkozen als de dienaar van de toegewijde, om bij uw genade dat u onze gast wil zijn, het bezoek waardig te worden geacht van al deze relaties van uwe goedheid. (33) Als we denken aan uw persoon zuivert dat meteen al de plaatsen waar we wonen, om nog maar te zwijgen over wat het betekent om u te zien, u aan te raken, uw voeten te wassen en u een zetel aan te bieden. (34) Door uw aanwezigheid, o grote mysticus, worden onze zwaarste zonden terstond weggevaagd, precies zoals dat gebeurt met de ongelovigen als Vishnu aanwezig is. (35) Eindelijk is Krishna, de Allerhoogste Heer die zo geliefd is bij de zoons van Pându, mij genadig en heeft Hij, voor het genoegen van Zijn neven en broers mij, hun afstammeling, aanvaard als een van de hunnen. (36) Hoe was het anders mogelijk dat u, uit eigen beweging, speciaal voor iemand die op het punt staat te sterven, hier bent verschenen om ons te ontmoeten, terwijl u, volmaakt als u bent, normaal gesproken niet onder de gewone man wordt aangetroffen? (37) Derhalve smeek ik u, de meest verheven geestelijk leraar der asceten, om duidelijk te maken wat voor een persoon in dit leven de volmaaktheid, de uiteindelijke zaligheid is, en wat voor iemand die op het punt staat te sterven allemaal de plicht zou zijn. (38) Leg alstublieft uit o meester, waar de mensen in het algemeen naar moeten luisteren en wat ze moeten bezingen, wat ze moeten doen, wat ze in gedachten moeten houden en delen, alsmede wat in strijd met de beginselen zou zijn. (39) Dit vraag ik u omdat, o allerhoogste toegewijde, men thuis bij de huishouders u zich zelden langer ziet ophouden dan de precieze tijd nodig om een koe te melken.' "

(40) Sûta zei: "Aldus op aangename wijze toegesproken en ondervraagd door de koning, begon de verheven zoon van Vyâsadeva die zo goed thuis was in de kennis van iemands eigenlijke plicht, met zijn antwoord."

 

Aldus eindigt het eerste Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: Schepping.


 


CANTO 2: De Kosmische Manifestatie

 

Hoofdstuk 1: De Eerste Stap in de Godrealisatie

(-) Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (1) S'rî S'uka zei: 'Dit vragen stellen door u voor het heil van allen is het beste dat u kan doen, want dit verheven onderwerp van studie o Koning, draagt de goedkeuring weg van de transcendentalisten en vormt het hoogste van alles wat de aandacht waard is. (2) Er zijn talloze onderwerpen waar men over kan vernemen in de menselijke samenleving, o Keizer, die van belang zijn voor hen die materieel vergroofd zijn en blind voor de werkelijkheid van de ziel. (3) Ze brengen hun leven door met slapen en seks bedrijven gedurende de nacht en met het verwerven van inkomsten en het verzorgen van hun gezin overdag. (4) Al te gehecht aan de feilbare bondgenoten van het lichaam, de kinderen, de echtgenote en alles wat erbij hoort, zien ze ondanks hun ervaring niet de eindigheid van dat alles in. (5) Om die reden o afstammeling van Bharata, moet Hij worden besproken, verheerlijkt en herinnerd die als de Superziel en de Hoogste Persoonlijkheid de heersende en overwinnende Heer is die hen die verlangens koesteren bevrijdt van de angst. (6) Al dit analyseren in de kennis van de yoga van iemands eigen aard en hoe een persoon na zijn geboorte tot het volle besef van het Allerhoogste zou moeten komen, komt uiteindelijk enkel neer op het zich herinneren van Nârâyana [Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid]. (7) Het zijn over het algemeen de wijzen die de sfeer van voorschriften en beperkingen hebben overstegen o Koning, die er behagen in scheppen om met name de heerlijkheden van de Heer te beschrijven.

(8) Deze geschiedenis genaamd het Bhâgavatam bevat de essentie van de Veda's en werd aan het einde van dit Dvâpara-tijdperk [de yuga van het eren van vorsten] door mij bestudeerd onder leiding van mijn vader Dvaipâyana Vyâsa. (9) Volledig gerealiseerd als ik was in bovenzinnelijkheid werd mijn aandacht getrokken naar de verlichte verzen over het spel en vermaak [van de Heer] o heilige Koning, en dus bestudeerde ik de vertelling. (10) Die zal ik aan u voordragen, daar u, o goedheid, een hoogst oprechte toegewijde bent. Zij die respectvol er hun volle aandacht aan schenken zullen zeer spoedig een onwankelbaar geloof in Mukunda verwerven [in Krishna als de Heer die bevrijding schenkt]. (11) Zowel voor hen die vrij zijn van materiële verlangens als voor hen die begeren, alsook voor allen die vrij van angst en twijfel zijn in hun innerlijk verenigd zijn [de yogi's] o Koning, vormt, in navolging van de traditie, het steeds weer zingen van de Heer Zijn heilige naam de aangewezen methode. (12) Wat voor nut heeft het vele jaren als een onwetende in deze wereld door te brengen zonder [deze] ervaring op te doen? Van meer waarde is het uur dat men welbewust besteedt aan het dienen van het hogere belang. (13) De heilige koning die bekend staat als Khathvânga zette, toen hij besefte dat hem nog slechts een enkel moment restte in deze wereld, alles van zich af en ervoer de volledige geborgenheid van de Heer. (14) O lid van de Kurufamilie, daarom zou ook uw levensduur die beperkt is tot zeven dagen, u ertoe moeten inspireren om alles te volbrengen wat traditioneel hoort bij de rituelen voor een volgend leven. (15) Als men het einde van zijn leven ziet naderen moet men zich bevrijden van de angst voor de dood door, met behulp van het wapen der onthechting, te kappen met alle begeerten en al het fysieke dat er betrekking op heeft. (16) Nadat men zijn thuis in vrome zelfbeheersing op weg naar een heilige plaats verlaten heeft, behoort men overeenkomstig de reglementen naar behoren gereinigd en gezuiverd, in afzondering in de goede houding plaats te nemen. (17) Het denken behoort men te onderwerpen aan het praktiseren van de drie heilige letters [A-U-M]. Aldus het zaad van het Absolute [Brahman, de onpersoonlijke geest] niet vergetend, realiseert men zich door het reguleren van zijn ademhaling de beheersing [die uitgaat] van het Allerhoogste. (18) Als men voor het heil van de deugd zich concentreert in meditatie, keert de geest zich af van dat waar de zintuigen zich mee bezighouden. Dit gebeurt omdat de intelligentie die is opgegaan in vruchtdragende handelingen geneigd is zich te laten leiden door het denkapparaat. (19) Met het daarna, zonder het geheel uit het oog te verliezen, richten van de geest op de verschillende onderdelen en verdelingen [van het lichaam alsook van de logica], moet men er dan ook voor zorgen dat men aan niets anders denkt dan die toevlucht [die wordt gevormd door de voeten] van de Allerhoogste Heer Vishnu die de geest tot rust brengt. (20) Vanwege de hartstocht en traagheid van de natuur is het denken altijd aangedaan en verbijsterd, maar men zal zien dat dat weer goed komt in de concentratie van hen die de vrede vonden die aan al het verkeerde een einde maakt. (21) Zij die gefixeerd in de gewoonte van een dergelijke systematische heugenis de vereniging zoeken en vasthouden aan deze toewijding zullen spoedig succes hebben in de toevlucht van de yoga die dat goedkeurt.'

(22) De koning, aandachtig voor wat was gezegd, vroeg: 'O brahmaan, wat is in het kort het idee van op welke plaats en met welke soort activiteiten een persoon zich moet bezighouden en mee moet blijven doorgaan, om zich zonder omwegen te kunnen ontdoen van een onzuivere geest?'

(23) S'rî S'uka zei: 'Als men beheerst neerzit, zijn adem onder controle heeft, de gehechtheid overwonnen heeft en de zinnen heeft onderworpen, moet men zijn aandacht richten op de grove materie van de uiterlijke gedaante van de Allerhoogste Heer [de virâth-rûpa].

(24) Zijn individuele lichaam is deze grofstoffelijke materiële wereld waarin we al het verleden, heden en toekomstige ervaren dat deel uitmaakt van het bestaan van dit universum. (25) Dit uiterlijk omhulsel van het universum dat bekend staat als een lichaam met zeven lagen [zie kos'a's], vormt het idee van het voorwerp van de Universele Gedaante van de Purusha [de Oorspronkelijke Persoon] die de Allerhoogste Heer is. (26) De lagere werelden worden door hen die het bestudeerden herkend als Zijn voetzolen [genaamd Pâtâla], Rasâtala worden dan Zijn hielen en tenen genoemd, Zijn enkels Mahâtala en de kuiten van de gigantische persoon heten de Talâtala werelden. (27) De twee knieën van de Universele Gedaante worden Sutala genoemd, de dijen Vitala en Atala en de heupen Mahîtala o Koning. De kosmische ruimte houdt men voor de welving van Zijn navel. (28) De hogere, verlichte werelden vormen Zijn borstkas, met daarboven de nek genaamd Mahar. Zijn mond is genaamd Jana terwijl Tapas de naam is van de werelden van het voorhoofd met Satyaloka [de wereld van de Waarheid] als de opperste van de [midden]werelden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die duizend hoofden heeft. (29) De goden aangevoerd door Indra zijn Zijn armen, de vier windrichtingen zijn Zijn oren en geluid is Zijn hoorzin. De neusvleugels van het Allerhoogste zijn de As'vinî-Kumâra's [een soort halfgoden], terwijl geur Zijn reukzin is en Zijn mond het laaiende vuur. (30) Het omhulsel van de atmosfeer vormt Zijn oogkassen terwijl de oogbol van de zon Zijn zien vormt. De oogleden van Vishnu zijn de dag en de nacht, de bewegingen van Zijn wenkbrauwen zijn het allerhoogste wezen [Brahmâ en de andere halfgoden], Zijn verhemelte is de bestuurder van het water [Varuna] en Zijn tong is het zoete sap. (31) Ze zeggen dat de Vedische hymnen het denkproces van de Onbegrensde vormen, dat de kaken Yamarâja [de Heer van de dood] zijn, Zijn tanden Zijn genegenheid zijn en dat Zijn glimlach de hoogst bekoorlijke onoverkomelijke materiële energie [mâyâ] is. De materiële schepping is slechts het werpen van Zijn blik. (32) Bescheidenheid is Zijn bovenlip, Zijn kin staat voor de hunkering, religie vormt Zijn borst en het pad der ongelovigheid wordt gevormd door Zijn rug. Brahmâ vormt Zijn genitaliën, Zijn testikels zijn de Mitrâ-varuna's [de vrienden], Zijn middel zijn de oceanen en Zijn verzameling botten zijn de bergen. (33) Zijn aderen zijn de rivieren en de planten en bomen zijn de haren op het lichaam van de Universele Gedaante o Koning. De lucht is Zijn almachtige ademhaling, het verloop der tijdperken, de Tijd, is  Zijn beweging en de constante werking van de geaardheden van de materiële natuur vormt Zijn activiteit. (34) Laat me u zeggen dat de haren op het hoofd van de Allerhoogste Beheerser de wolken zijn o beste van de Kuru's, en dat de intelligentie van de Almachtige geldt als de grondoorzaak van de materiële schepping. Zijn denken, de bron van alle veranderingen, staat bekend als de maan. (35) Het materiële principe vormt Zijn bewustzijn terwijl Heer S'iva, zo zegt men, de innerlijke oorzaak is [Zijn ego, Zijn zelf]. Het paard, het muildier, de kameel en de olifant zijn Zijn nagels en al het andere wild en de viervoetigen zijn in de streek van Zijn gordel vertegenwoordigd. (36) Het zingen van de vogels is Zijn kunstzin, en Manu, de vader van de mens vormt de inhoud van Zijn gedachten met de mensheid als Zijn verblijfplaats. De engelen en hemelse wezens [de Gandharva's, Vidyâdhara's en Cârana's] vormen Zijn muzikale ritme en de herinnering aan terroriserende soldaten vertegenwoordigt Zijn kunnen. (37) Met de intellectuelen [brahmanen] als het gezicht en de heersers [kshatriya's] als de greep van de Universele Gedaante, zijn de handelaren [vais'ya's] de dijen en de arbeiders [s'ûdra's, de donkere of 'krishna'-klasse] zij die de bescherming van Zijn voeten genieten. Door de verschillende namen van de halfgoden overheerst Hij met het verschaffen van geschikte goederen [die Hem tevredenstellen] middels het brengen van offers.

(38) Ik heb u een uiteenzetting gegeven van al deze lokaties in de Gedaante van de Heer opdat een ieder die zich concentreert op deze virâth-rûpa Universele Gedaante middels de intelligentie zijn doel kan bereiken. Buiten Hem is er in het grofstoffelijke als zodanig immers niets anders te vinden. (39) Hij die zich als de Superziel op zoveel manieren laat kennen in alle vormen, ongeveer zoals een dromer die zichzelf [in verschillende situaties] ziet, is de ene Allerhoogste Waarheid en oceaan van gelukzaligheid. Men moet zich op Hem richten en nergens anders op als men zich niet door gehechtheden verlaagd wil zien.'

 

Hoofdstuk 2: De Heer in het Hart

(1) S'rî S'uka zei: 'Ontstaan uit de Superziel [zoals Heer Brahmâ] hervindt iemand in het zich bezinnen [op de Universele Gedaante], door het aldus voldoening vinden [met de Heer] de verloren gegane herinnering aan zijn voorgaande bestaan. Daarop kan hij [de individuele ziel] die met een opgehelderde blik de intelligentie vond zijn leven weer opbouwen zoals het voorheen was. (2) Als iemand [echter] de geestelijke klanken aanhangt van de [onpersoonlijke] Absolute Waarheid doet dat de intelligentie, vanwege de vele termen [die ermee gemoeid zijn], verwijlen in onsamenhangende ideeën om reden waarvan men zonder ooit de vreugde te vinden rondwaart in illusoire werkelijkheden - en de verschillende verlangens die erbij horen - alsof men aan het dromen is. (3) Om die reden moet een intelligent iemand die zijn aandacht heeft gefixeerd [op de Universele Gedaante], als hij de perfectie wil bereiken, slechts minimaal, naar gelang de noodzaak zich betrekken op benamingen [vormen en andere materiële belangen] zonder zich er ooit door te laten leiden. Hij behoort van het praktisch inzicht te zijn dat hij zich anders in zou zetten voor [niets dan] zware arbeid. (4) Waar heeft men een bed voor nodig, als men op de grond kan liggen; waar is een kussen voor nodig als men zijn armen heeft; waarom moet men zich van allerlei gerei bedienen als men met zijn handen kan eten en wat is met de beschutting van bomen nu het nut van kleding? (5) Vindt men afgedankte kleding niet gewoon op straat, zijn er geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes in het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer het opgegeven de overgegeven zielen te beschermen? Waarom zou een geleerd mens dan hen die zich door weelde laten leiden naar de mond moeten praten? (6) Als men aldus met de zaak van Hem, de meest geliefde, eeuwige Ene Superziel die geheel aanwezig is in het hart, onthecht is van de wereld, moet men Hem, de Fortuinlijke, vereren die het permanente voordeel vormt waarmee men zonder twijfel een einde ziet komen aan de oorzaak van de materiële gebondenheid. (7) Wie anders dan de materialisten zouden met het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van materiële aanduidingen, waardoor zij, die de grote massa vormen die beheerst wordt door de misère van de terugslag der baatzuchtige arbeid, zich als gevallen zien in de rivier van het lijden?

Anderen zien in de meditatie op Hem binnenin hun eigen lichaam in de hartstreek de persoonlijkheid van God daar verblijven ter grootte van twintig centimeter met vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijdknots hooghouden. (9) Met op Zijn mond de uitdrukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geelgekleurd als een Kadambabloem, bedekt met juwelen en met gouden sieraden ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen. (10) Zijn voeten bevinden zich op het bloemhart van de lotusharten van grote mystici. Op zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien. (11) Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit. (12) Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn gelaat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zegeningen van deze bijzondere bovenzinnelijke gedaante van de Heer waarop men zich behoort te richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn terwille van iemands meditatie. (13)  Men behoort op de ledematen stuk voor stuk te mediteren, van de voeten af aan, totdat men het glimlachen van Zijn gezicht ziet. Aldus geleidelijk de beheersing over het denken verkrijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie. (14) Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materiële en bovenzinnelijke werelden, moet hij, als hij zijn voorgeschreven plichten heeft vervuld, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon voor de geest halen.

(15) Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven o Koning, behoort men als wijze, zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten en met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, met het beheersen van de levensadem de zinnen in te perken met behulp van de geest. (16) Met het in relatie tot het levende wezen reguleren van de geest bij machte van de eigen zuivere intelligentie moet men opgaan in dit zelf. Dat zelf moet men herleiden tot de volkomen, voldane Superziel zodat men aldus, aan alle activiteiten een einde makend, de volkomen gelukzaligheid bereikt. (17) Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen, noch enige andere materiële verandering of oorzakelijkheid van de grote natuur. (18) Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de transcendentale positie, geven zij die het wensen de goddelozen uit de weg te gaan volledig de verwardheden op [van het argumenteren naar plaats en tijd], en plaatsen daarbij steeds in het absolute van de goede wil de aanbiddelijke lotusvoeten van de Heer in hun hart. (19) De wijze die goed op de hoogte is van  de wetenschap van het terwille van het levensdoel naar behoren reguleren van de kracht [der zinnen], dient zich als volgt terug te trekken: hij moet zijn aars ['het lucht-gat'] blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven richten door de zes primaire plaatsen [navel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van de schedel] en aldus de materiële inertie te boven komen. (20) De mediterende moet de zwevende kracht geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart'] leiden, hem dan verder naar boven naar de borst brengen om dan uit te komen bij het strottehoofd. Dit moet hij intelligent uitzoeken in meditatie. (21) Van tussen de wenkbrauwen behoort de ziener die van verzaking is om het Allerhoogste te bereiken, met het blokkeren van de uitgang van de zeven centra het domein van het hoofd binnen te gaan om een poos ['een half uur'] onafhankelijk van zingenot daar stand te houden terwille van het onvermoeibare en eeuwige.

(22) Als men er echter een verlangen op nahoudt o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men het verlangt de wereld van de guna's [de geaardheden der natuur] te bestieren met behulp van de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's of perfecties], dan moet men onvermijdelijk ook rekenen met de geest en de zinnen die daarbij komen kijken. (23) Men beweert over de weg gevolgd door de grote transcendentalisten dat ze, vertrekkend vanuit het bereik van het subtiele lichaam, zich binnen en buiten de drie werelden vrij kunnen bewegen, terwijl zij die hun werk doen op basis van materiële motieven nimmer de vooruitgang  bereiken die is weggelegd voor hen die in de verzaking van hun toegewijde dienst verzonken zijn in de yoga.

(24) In de beheersing van de goddelijkheid van het vuur [Vais'vânara, ofwel met regelmatig offeren en mediteren] bereikt men via het gracieuze verloop  [de sushumnâ, het kanaal van het in evenwicht brengen] van de ademhaling, als men de hemelbewegingen volgt [de cakra-orde], de zuivere geest [Brahmaloka, de plaats van de Schepper] die opheldering verschaft en de onzuiverheden wegneemt. Dan bereikt men naar boven gericht o Koning, de schijf [de cakra, het wiel] genaamd S'is'umâra [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd]. (25) Zich voorbij die navel van het universum, het centrum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu] begevend, wordt door het individuele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid, de plaats bereikt die aanbiddenswaardig is voor hen die zich in het bovenzinnelijke bevinden. De zelfgerealiseerde zielen genieten aldaar voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ]. (26) Daarop zal hij, die vanaf het bed van Vishnu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, vandaar naar de hoogste verblijfplaats [van Brahmâ] vertrekken die, als het thuis van de gezuiverde zielen der verheffing, voortbestaat voor de duur van twee parârdha's [de twee helften van Brahmâ's leven]. (27) Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van mededogen heeft als men  de onwetenden ziet die onderworpen zijn aan de moeilijk te overwinnen misère van de herhaling van geboorte en dood.

(28) Na het achter zich gelaten hebben van de gedaanten van water en vuur en aldus hebben bereikt van het zuivere zelf dat vrij is van angst, reikt men met het op die manier komen tot de stralende atmosfeer, na de nodige tijd via de adem van het zelf het etherische zelf, de ware grootheid van de ziel. (29) Door geuren de reuk krijgend, door de mond iets proevend, met het oog iets ziend, door fysiek contact aanraking ervarend en tenslotte door geluidstrillingen de kwaliteit van de ether ervarend, komt de yogi door middel van de activiteit der zintuigen eveneens tot realisatie [van het meer subtiele]. (30) Nadat hij aldus op het mentale vlak in verhouding tot het grove en subtiele een neutraal punt van ik-bewustzijn heeft bereikt, overstijgt hij in de geaardheid goedheid die realisatie van zichzelf die onderhevig is aan verandering [het ego]. Bijgevolg vordert hij met het geheel buiten werking stellen van de materiële geaardheden in de richting van de werkelijkheid der volmaakte wijsheid. (31) Door die zuivering in de richting van het zelf van de Superziel bereikt de persoon de vrede, bevrediging en natuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle besmettingen. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal voorzeker nooit opnieuw worden aangetrokken tot deze materiële wereld, mijn beste [Parîkchit].

(32) Alles wat ik u beschreven heb o beschermer van de mens, stemt zoals uwe Majesteit dat verlangde naar behoren overeen met de Veda's. Ook stemt het geheel overeen met de  eeuwige waarheid zoals die voorheen door de aanbeden Opperheer Vâsudeva werd uitgesproken voor Heer Brahmâ die Hem voldoening had geschonken.  (33) Voor hen die in dit leven ronddolen in het materiële universum bestaat er voorzeker geen methode van realisatie die beter is dan de weg waarin men komt tot de toegewijde dienst [bhakti-yoga] voor de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vâsudeva. (34) De grote persoonlijkheid [Vyâsadeva] bestudeerde de Veda's in totaal drie keer en stelde studieus, nauwgezet onderzoek doend vast dat iemands denken naar behoren gefixeerd is als hij zich aangetrokken voelt tot de ziel. (35) De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargenomen in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel, als de Heer die door de intelligentie van de ziener wordt herkend aan de hand van verschillende tekenen en effecten. (36) Derhalve, o Koning, behoort iedere ziel, waar hij ook is en wanneer hij ook bestaat, te vernemen over, te zingen van en terug te denken aan de Heer die verheerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Persoonlijkheid van het menselijk wezen. (37) Zij die met het vullen van hun oren met de vertellingen over de Allerhoogste Heer die de toegewijden het dierbaarst is van de nectar drinken, zullen hun door het materiële plezier verontreinigde geestesstaat gezuiverd zien en terugkeren naar de voeten die bij de lotus staan.'



Hoofdstuk 3: Zuivere Toegewijde Dienst - de Verandering in het Hart

(1) S'rî S'ukadeva zei: 'Terwille van de intelligenten onder de mensen, heb ik u al de antwoorden gegeven in reactie op de vragen die uw goede zelf stelde over het menselijk wezen op de drempel van de dood. (2-7) Zij die verlangen naar de luister van het Absolute aanbidden de meester van de Veda's [Brihaspati]; Indra, de koning van de hemel is er voor degenen die de kracht van de zinnen verlangen [seks] en de Prajâpati's [de krachtige stamvaders] zijn er voor hen die nageslacht verlangen. De godin [Durgâ] is er voor hen die verlangen naar de schoonheid van de materiële wereld, de vuurgod is er voor hen die naar macht uitzien, voor de weelde zijn er de Vasu's [een type halfgod] en de incarnaties van Rudra [Heer S'iva] zijn er voor hen die kracht en heldhaftigheid wensen. Voor een goede oogst wordt de moeder der halfgoden Aditi aanbeden, verlangend naar de hemel aanbidt men haar zonen, voor hen die koninklijke rijkdom begeren zijn er de Vis'vadeva halfgoden en voor een commercieel succes zijn er de Sâdhya goden. De As'vinî's [twee halfgodenbroers] zijn er voor het verlangen om lang te leven, voor een sterk lichaam wordt moeder aarde aanbeden en zij die hun positie willen handhaven en bekendheid willen, respecteren de godinnen van de aarde en de hemelen. Schoonheid nastrevend zijn er de hemelse Gandharva's, zij die een goede vrouw willen zoeken de meisjes van de hemelse samenleving [de Apsara's en Urvas'î's] en iedereen die wil heersen over anderen is gebonden aan de aanbidding van Brahmâ, het hoofd van het Universum. Yajña, de Heer van het Offer, wordt aanbeden voor tastbare roem en voor een goed banksaldo wordt Varuna de schatbewaarder gezocht. Zo ook moeten zij die verlangen om te leren, S'iva aanbidden, terwijl voor een goed huwelijk zijn kuise echtgenote Umâ wordt geëerd.

(8) Voor geestelijke vooruitgang wordt de hoogste waarheid [Heer Vishnu en Zijn toegewijden] aanbeden, voor nakomelingen en hun zorg zoekt men het voorouderlijke [de bewoners van Pitriloka], vrome personen worden gezocht door hen die bescherming zoeken terwijl de halfgoden in het algemeen er zijn voor de minder gewone verlangens. (9) De goddelijke Manu's [de vaders der mensheid] zijn er voor hen die een koninkrijk verlangen, maar men zoekt de demonen om vijanden te verslaan. Zij die zinsbevrediging begeren zijn gebonden aan de maan [Candra], terwijl zij die vrij zijn van begeerte de Hoogste Persoonlijkheid in het voorbije aanbidden. (10) Of hij nu vrij is van verlangen, er vol van is of naar bevrijding verlangt, iemand die het ruimer beziet dient met heel zijn hart in toegewijde dienst [bhakti-yoga] de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, de Allerhoogste te aanbidden. (11) Al deze typen van aanbidders ontwikkelen in aanbidding van de hoogste zegening in dit leven, door om te gaan met Zijn zuivere toegewijden een niet aflatende spontane aantrekking tot de Allerhoogste Heer. (12) De kennis die leidt tot het uiterste van het zich volledig terugtrekken uit de draaikolk van de materiële geaardheden geeft de bevrediging van de ziel, welke in de transcendentie van het onthecht zijn van deze geaardheden de zegeningen met zich meedraagt van het pad van de bhakti-yoga. Wie die in beslag wordt genomen door de vertellingen over de Heer zou niet in actie komen door deze aantrekking?"

(13) S'aunaka zei: "Wat wilde de koning, de heerser van Bharata, na dit alles gehoord te hebben, nog meer weten van de zoon van Vyâsadeva, de poëtische wijze? (14) O hooggeleerde Sûta, zet voor ons die er zo naar uitzien erover te vernemen deze onderwerpen uiteen. In een gezelschap van toegewijden zijn immers die verhalen welkom die leiden tot de vertellingen over de Heer. (15) Hij, die kleinzoon van de Pândava's, de koning, was zonder twijfel een grote toegewijde, een groot strijder die als kind al met poppen de activiteiten van Heer Krishna naspeelde. (16) En zo moet het - met al die toegewijden daar - ook zo gegaan zijn in de aanwezigheid van de zoon van Vyâsadeva die, in zijn gehechtheid aan de Opperheer Vâsudeva die door zovelen wordt verheerlijkt, er al de goede kwaliteiten voor had. (17) Met uitzondering van degene die zijn tijd doorbrengt met de onderwerpen betreffende Hem waar de Allerhoogste schriftuurlijke waarheid over handelt, maakt het op- en ondergaan van de zon de levensduur van de mensen alleen maar korter. (18) Leven de bomen ook niet, blazen de blaasbalgen van de smid geen lucht en eten de beesten om ons heen ook niet en planten ze zich ook niet voort? (19) Een persoon wiens oor nimmer de heilige naam van Hem die ons bevrijdt van alle kwaden bereikte is niet loffelijker dan een een hond, een varken, een ezel of een kameel. (20) De oren van een mens die nooit hoorden van Vishnu, de Ene van de enorme vooruitgang, zijn als die van slangen, en ook de tongen van hen die nooit hardop de gezangen van waarde zongen zijn zo nutteloos als die van kikkers. (21) Zelfs getooid met een zware zijden tulband is het bovenste deel van het lichaam slechts een zware last als dat lichaam nooit neerbuigt voor Mukunda [Krishna die bevrijding schenkt], precies zoals handen, die niet gebruikt worden voor de aanbidding van de Heer, gelijk zijn aan die van een lijk, zelfs al zijn ze gesierd met schitterende gouden armbanden. (22) Gelijk de ogen op de pluimen van een pauw zijn de ogen van die mensen die niet de gedaanten van Vishnu zien en hun benen zijn als de wortels van de bomen als ze nooit naar de heilige plaatsen van de Heer gingen. (23) Dood bij het leven zijn de stervelingen die nooit en te nimmer het stof van de voeten van de zuivere toegewijden ontvingen en een afstammeling van Manu [een mens] is maar een ademend lijk als hij nooit de weelde van het aroma van de tulsîblaadjes van de lotusvoeten van Heer Vishnu heeft geroken. (24) Voorzeker is dat hart in staal gevat dat, ondanks dat het verzonken is in het zingen van de Heer zijn naam, niet transformeert met de emoties van het daarbij hebben van tranen in de ogen en haren die overeind staan. (25) O Sûta Gosvâmî, u drukt zich uit in gunstige bewoordingen, vertel daarom welke bovenzinnelijke kennis de zo deskundig leidende S'ukadeva Gosvâmî desgevraagd de koning die naar de waarheid zocht onthulde."

  

Hoofdstuk 4: Het Proces van de Schepping

(1) Sûta zei: "Meteen nadat hij zich realiseerde wat S'ukadeva Gosvâmî aldus zei over het zich verwittigen van de werkelijkheid van de ziel, concentreerde de kuise zoon van Uttarâ [Parîkchit] zich op Heer Krishna. (2) Hij [aldus mediterend] gaf [voor een ogenblik innerlijk] zijn diep gewortelde en constante bezitsdrang op die samenhing met zijn lichaam, zijn echtgenote, zijn zoon, zijn schatkist en al zijn verwanten en vrienden in zijn onbetwiste koninkrijk. (3-4) Uit volle overtuiging deed de grote ziel op precies dezelfde manier hierover navraag zoals u me het nu vraagt, o grote wijzen. Op de hoogte gesteld van zijn dood verzaakte hij zijn vruchtdragende activiteiten overeenkomstig de drie principes [van zelfrealisatie: het verzaken van religieuze handelingen, economische ontwikkeling en zinsbevrediging] en alles wat erbij hoort en aldus hecht verankerd bereikte hij de aantrekking van de liefde voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (5) De koning zei: 'Wat u zei is volkomen waar, o hooggeleerde; u die zonder smetten bent weet het allemaal en zorgt ervoor dat het duister van de onwetendheid geleidelijk aan verdwijnt terwijl u spreekt over de onderwerpen die de Heer betreffen. (6) Verder, zou ik graag vernemen over hoe de Opperheer middels Zijn persoonlijke energieën deze zichtbare wereld van het universum creëert die zo ondoorgrondelijk is voor zelfs de meesters der meditatie. (7)  En alstublieft vertel me tevens over de manier waarop de machtige Zijn energieën handhaaft en ze weer terugtrekt, hoe Hij als de almachtige Hoogste Persoonlijkheid komt tot Zijn expansies, ze erbij betrekt alsook er zelf bij betrokken zijnd, ze presenteert en ze aanzet tot handelen [zie ook canto 1, hoofdstuk 3]. (8) Zelfs de hoog ontwikkelden schieten, ondanks hun pogen voor Hem, tekort beste brahmaan, in het verklaren van de wonderbaarlijke, ondoorgrondelijke handelingen van de Allerhoogste Heer. (9) Alhoewel Hij handelt middels Zijn verschillende incarnaties is Hij de Ene en Allerhoogste, of Hij nu handelt aan de hand van de geaardheden, tegelijkertijd in de materiële energie aanwezig is, danwel zich opeenvolgend manifesteert in vele gedaanten. (10) Alstublieft verschaf opheldering over al deze door mij gestelde vragen aangezien u, zo goed zijnde als de Opperheer Zelve, zowel van de mondelinge traditie met de Vedische geschriften bent als volledig zelfverwerkelijkt in bovenzinnelijkheid.' "

(11) Sûta zei: "Na aldus ertoe te zijn verzocht door de koning om de bovenzinnelijke eigenschappen van Heer Hrishîkes'a [Krishna als de meester der zinnen] te beschrijven ging S'uka, teneinde naar behoren antwoord te geven, methodisch aan de slag.

(12) S'rî S'uka zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, die voor zowel de handhaving als voor het terugtrekken van het volkomen geheel van de materiële schepping, middels Zijn spel en vermaak de macht van de drie geaardheden aannam terwijl Hij Zich vanbinnen ophoudt als de Ene wiens wegen ondoorgrondelijk zijn. (13) Nogmaals mijn eerbetuigingen voor Hem die de waarachtigen bevrijdt van de ellende van de controverses van hen die het onware aanhangen,  mijn respect voor Hem die de vorm van de zuivere goedheid is en alles toekent waar zij die van de status zijn van het hoogste stadium van geestelijke volmaaktheid naar zoeken [de paramahamsa's]. (14) Laat me mijn eerbetuigingen brengen voor die grootse kameraad van de Yadudynastie die, zich verre houdend van werelds gekonkel, de niet-toegewijden overwint. Ik buig me neer voor Hem die van dezelfde grootheid is in het genieten van de weelde als in het genieten van Zijn eigen verblijf in de geestelijke hemel. (15) Voor Hem van wie de verheerlijking, de heugenis, het aanschouwen, de gebeden, het luisteren en het eerbetoon alle mensen terstond van de gevolgen van hun zonde bevrijdt, voor Hem over wie men zegt dat Hij ten gunste werkt in alle opzichten, breng ik telkens weer de eerbetuigingen die ik Hem schuldig ben. (16) Zij die helder van geest zijn en die door eenvoudigweg zich aan de lotusvoeten te wijden alle gehechtheden aan een huidig of toekomstig bestaan volledig opgeven,  brengen zonder moeilijkheden de vooruitgang van het hart en de ziel naar een spiritueel bestaan tot stand; die vermaarde, alles begunstigende Ene breng ik keer op keer mijn eerbetuigingen. (17) De grote wijzen, de grote helden der liefdadigheid, zij die zich het meest onderscheiden, de grootste denkers, de grote mantrachanters [reciteerders/zangers] en de strikte volgelingen zullen nooit tot tastbare resultaten komen als die niet aan Hem zijn opgedragen. Hem over wie te vernemen zo iets gunstigs is breng ik telkens weer mijn eerbetuigingen. (18) De volkeren van Oud-Bharata [India], Europa, het zuiden van India, Griekenland, Pulkas'a [een provincie], Âbhîra [deel van oud Sind], S'umbha [een andere provincie], Turkije, Mongolië en vele anderen die ook aan de zonde verslaafd zijn raken meteen gezuiverd als ze hun toevlucht bij de Heer Zijn toegewijden zoeken. Voor Hem, de machtige Heer Vishnu, mijn respectvolle eerbetuigingen. (19) Hij is de ziel en Heer van de zelfverwerkelijkten, de verpersoonlijking van de Veda's, de religieuze literatuur en de versobering. Moge die Allerhoogste Heer die de achting geniet van hen die boven alle pretenties verheven zijn - de Ongeboren Ene [Heer Brahmâ], Heer S'iva en anderen - mij gunstig gezind zijn. (20) Moge Hij, de Allerhoogste Heer en meester van de toegewijden, Hij die de eigenaar is van alle weelde, de leider van alle offerandes, de aanvoerder van alle levende wezens, de meester der intelligenten, de heerser over alle werelden, de hoogste instantie van de planeet aarde en de nummer één en bestemming van de [Yadu]koningen van de Sâtvata's, de Andhaka's en de Vrishni's, mij genadig zijn. (21) Men beweert dat te denken aan Zijn lotusvoeten en er op ieder ogenblik in verzonken zijn, met achting voor de autoriteiten, zuivert en de eigenlijke kennis verschaft van de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel en ook dat het de geleerden ertoe aanzet Hem naar eigen inzicht te beschrijven. O  Mukunda, mijn Opperheer, moge Uw genade altijd met me zijn.  (22) Moge Hij die de eerste van de Schepping kracht gaf [Heer Brahmâ] met heugenis in het hart omtrent Zijn aard en zijn eigen oorsprong,  en die [aldus] van het begin af aan de Godin van het Leren inspireerde die uit Brahmâ's mond leek te zijn geschapen - moge Hij, de Leraar der Leraren, tevreden over mij zijn. (23) Hij die neerligt in de materiële schepping en al deze lichamen die zijn gemaakt van de stoffelijke elementen tot leven wekt terwijl Hij als de Purusha [de oorspronkelijke persoon] er de oorzaak van is dat allen onderworpen zijn aan de geaardheden der natuur met haar zestien onderdelen [bewustzijn, en de vijf elementen van aarde, water, lucht, vuur en ether en de vijf organen van actie en de vijf zintuigen], moge die Allerhoogste Heer mijn uitlatingen kracht bijzetten. (24) Mijn eerbetuigingen voor hem, de grote expansie van Vâsudeva [te weten Vyâsadeva], die de vergaarder is van de Vedische literatuur van wiens lotusmond zijn aanhangers de nectar van deze kennis dronken. (25) Het eerste levende wezen [Brahmâ] mijn beste koning, gaf daartoe verzocht door Nârada, vanbinnenuit de Vedische kennis exact door zoals die was uitgesproken door de Heer in het hart.' "
 


Hoofdstuk 5: De Oorzaak Aller Oorzaken

(1) Nârada zei [tot de Schepper]: 'Ik breng u mijn eerbetuigingen o god der halfgoden, omdat u de eerstgeborene bent uit wie alle levende wezens zijn voortgekomen. Leg alstublieft uit welke kennis in het bijzonder tot het transcendentale leidt. (2) Wat is de vorm, de basis en de bron van deze geschapen wereld? O meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is ze in feite? (3) U weet dit alles in uw goedheid, aangezien u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is. Meester, u houdt dit universum in de greep van uw wetenschappelijke kennis als betrof het een walnoot. (4) Waar hebt u uw wijsheid vandaan, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, met behulp van de macht van de ziel, in uw eentje de levens van alle wezens met de elementen der materie? (5) Zoals een spin zijn web maakt, manifesteert u zonder enige hulp vanuit uw eigen zielsvermogen al deze levens door wie u zich nooit laat bepalen. (6) O almachtige, ik ken in deze wereld niet één bestaansvorm met een naam en een vorm die superieur, inferieur of gelijkwaardig is, van een tijdelijke aard of eeuwigdurend,  die zijn bestaan te danken heeft aan een andere bron [dan u].  (7) Het baart ons zorgen dat uw goede zelf strenge boetedoeningen op zich nam. Zo kregen we de kans eraan te twijfelen of u wel de uiteindelijke waarheid bent [en dachten we aan een hogere bestaansvorm dan u]. (8) O, alwetende heerser over alles, verschaf alstublieft uitleg over dit alles waar ik naar vroeg zodat ik een begrip zal hebben overeenkomstig uw instructies.'

(9) De schepper antwoordde: 'O zachtgeaarde mij zo dierbaar, je bent zeer vriendelijk in je volmaakte navraag. Dit inspireert me ertoe nader in te gaan op de heldhaftigheid van de Allerhoogste Heer. (10) Mijn zoon, je hebt het bij het rechte eind met wat je zoëven zei in je beschrijving van mij, want zonder het Allerhoogste boven mij te kennen zal het zeker zo zijn als je beweerde. (11) Alles van de wereld die ik schiep werd geschapen bij de gloed [de brahmajyoti] van Zijn bestaan, net zoals dat het geval is met het vuur, de zon, de planeten en de sterren [die vanuit Zijn gloed stralen]. (12) Ik breng Hem mijn eerbetuigingen, Hij de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer. Dankzij Zijn  onoverwinnelijke vermogens noemt men mij de leraar [de goeroe] van de wereld. (13) Zich er niet voor schamend een prominente positie in te nemen met de begoochelende materiële energie, maken zij die verbijsterd zijn een verkeerd gebruik van de taal met het bezigen van de woorden 'ik' en 'mijn'. Met dat woordgebruik wordt ik slecht begrepen. (14) De vijf elementen in hun interactie met de Eeuwige Tijd alsook de aangeboren aard van het levende wezen maken deel uit van Vâsudeva, o brahmaan, maar de waarheid is dat ze ieder voor zich  geen waarde hebben. (15) Nârâyana [Krishna als de vierarmige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer der mensheid] is de oorzaak van de kennis, de halfgoden zijn Zijn helpende handen, terwille van Hem bestaan de werelden en alle offers zijn er slechts om Hem, de Allerhoogste Heer, te behagen. (16) De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de cultuur der transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad der bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan. (17) Geïnspireerd door dat wat door Hem de Ziener, de Ziel van Allen, de Heerser over Alle Intelligentie werd geschapen die mij heeft geschapen, schep ook ik.

(18) Van deze [geaardheden der] goedheid, hartstocht en traagheid [zie 4.23], die vanwege de Almachtige [Heer van de Tijd] door de uitwendige energie werden aangenomen, zijn er de drie kwaliteiten der transcendentie: handhaving, schepping en vernietiging. (19) Het eeuwig bevrijde, levende wezen dat is  onderworpen aan condities van oorzaak en gevolg is [echter] aangedaan door de geaardheden van de materiële energie die zich [in zijn leven dan] manifesteren als [respectievelijk] kennis, activiteiten en materiële traagheid. (20) Hij, de Opperheer, die als de getuige van de getuige [door het levende wezen dat is geketend] aan de symptomen van de drie geaardheden niet kan worden gekend in Zijn bewegingen o brahmaan, is van iedereen zowel als van mij de beheerser. (21) [De Heer van de] Eeuwige Tijd, de beheerser van de begoochelende macht van de materie [mâyâ] neemt aldus, vanuit Zijn eigen vermogen spontaan in verschillende, verworven [guna]gedaanten verschijnend, de werklast [het karma] op Zich zowel als de specifieke aard [of svabhâva, van het levende wezen]. (22) Door het toezicht van de oorspronkelijke persoon vond de schepping van de mahat-tattva [de 'grotere werkelijkheid'] plaats, door de eeuwige tijd was er de omvorming van de geaardheden en uit deze specifieke naturen vonden de verschillende activiteiten hun bestaan. (23) Maar door de transformatie van het grotere geheel domineerden de hartstocht en de goedheid in sterke mate [in den beginne]. Daarop trad [tegenwicht biedend in reactie] de geaardheid der duisternis sterker naar voren die wordt gekenmerkt door materie, materiële kennis en een overwegen van materiële activiteiten. (24) Dat omgevormde materiële ego, zoals gezegd, manifesteerde zich naar de drie kenmerken van de goedheid, hartstocht en onwetendheid, en aldus prabhu, verdeelden zich de krachten van een begeleidende intelligentie, kennis van de schepping en de materiële evolutie. (25) Uit de vorm der duisternis die transformatie onderging, ontwikkelde zich [als de eerste] van de elementen de ether met haar subtiele vorm en geluidskwaliteit die de aanduiding vormen van zowel de ziener als het geziene. (26-29) Door omvorming van de ether vond de lucht zijn bestaan die gekenmerkt wordt door de kwaliteit van de beroering. Daarbij trad ook het geluid naar voren als een kenmerk dat werd overgenomen van de ether. Zo verwierf de lucht tevens een leven vol onderscheid met energie en kracht. De lucht die op haar beurt weer transformeerde onder invloed van de tijd bracht in reactie op het voorgaande uit haar natuur weer het vuurelement voort. Bij de vorm ervan was er dan evenzo de nodige tastbaarheid en geluid [als de erfelijke last of het karma van de voorgaande elementen]. Het vuur vormde zich om tot [of condenseerde uit waterstof en zuurstof als] water en zo ontstond het smaakelement hetgeen eveneens consequent gepaard ging met tastbaarheid, geluid en vorm. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van het water vond weer daaropvolgend het geurrijke van het sap zijn bestaan dat [als het aarde-element] vorm aannam samen met de kwaliteiten van de tastbaarheid en het geluid. (30) Uit de geaardheid goedheid kwam het [kosmisch] denken van de goden voort die handelen in goedheid, [overeenkomstig de vijf zintuigen van waarnemen en handelen] gekend als de tien heersers over de  windrichtingen [de Digdevatâ's], de lucht [Vâyu], de zon [Sûrya], de wateren [Varuna], de langlevendheid [de As'vinî-Kumâra's], het vuur [Agni], de hemelen [Indra], de godheid der transcendentie [Vishnu in de gedaante van Upendra], de vriendschap [Mitra] en de bewaker van de schepping [Brahmâ]. (31) Vanuit de hartstocht van het ego vond de dienovereenkomstige tienvoudige transformatie plaats die de levende energie de intelligentie verschafte van al de zinnen van het handelen - de mond, de handen, de voeten, het geslachtsorgaan en de anus - en het waarnemen - het horen, zien, voelen, proeven en ruiken. (32) Zolang deze categorieën van de elementen, de zinnen, het denken en de geaardheden der natuur los van elkaar bestonden, kon het lichaam [van de mens en de mensheid] niet worden gevormd, o beste in de kennis [Nârada]. (33) Toen die [elementen] allemaal dankzij de [drijvende] kracht van de Allerhoogste de één na de ander waren samengevoegd en ze hun toepassing vonden, vond dit universum met zijn beide ware en illusoire, zijn geestelijke en materiële werkelijkheden [sat/asat] zijn bestaan.

(34) Het universum werd na talloze millennia verzonken te zijn geweest in de [causale] wateren, tot zijn eigen tijd van leven opgewekt door de individuele ziel [de jîva of de Heer] die het levenloze leven inblies. (35) Hij als de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] kwam uit het ei van het universum tevoorschijn om Zich te verdelen over duizenden afdelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden. (36) De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum er zijn als de ledematen van een lichaam [de virâth rûpa] dat bestaat uit zeven systemen onder de gordel en zeven aan de bovenzijde. (37) De brahmanen vertegenwoordigen de mond van de Oorspronkelijke Persoon, de heersende klasse is er als Zijn armen, de handelaren vormen de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse vormt zijn onderbenen. (38) De aardse [lagere] werelden [Bhûrloka's] behoren tot Zijn benen zo zegt men, de etherische werelden [Bhuvarloka's] behoren tot Zijn buik, de hemelse werelden van het hart [Svarloka's] bevinden zich in Zijn borst en de hoogste werelden van de heiligen en wijzen [Maharloka's] zijn van de Grote Ziel. (39) Boven de borst tot aan de nek treft men de wereld van de godmensen [de zonen van Brahmâ, Janaloka] aan en daar weer boven in de hals vindt men de wereld der verzaking [Tapoloka, van de asceten]. De wereld van de waarheid [Satyaloka van de zelfgerealiseerde, verlichte mensen] treft men in het hoofd aan. [Deze werelden zijn allen aan tijd gebonden,] maar de geestelijke wereld [Brahmaloka, de wereld van de ene Ziel, de Opperheer] is eeuwig. (40-41) Met op Zijn middel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, lager bij Zijn knieën de derde, de vierde op Zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virâth-rûpa of Universele Gedaante] geheel gevuld met al de [veertien] werelden. (42) Men stelt het zich alternatief [eenvoudig in drieën verdeeld zo] voor dat de aardse, lagere werelden zich bevinden op de benen, de etherische, middelste werelden zich bevinden in het gebied van de navel en dat de hemelse, hogere werelden vanaf de borst naar boven te vinden zijn.' 


Hoofdstuk 6: De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd

(1) De Schepper zei: 'De mond [van de Universele Gedaante] vindt men in het vuur dat het centrum vormt van de stem van de zeven [metrums der] lofprijzingen [gezongen ter ere van] de essentiële ingrediënten [de natuurlijke elementen of de lagen van Zijn lichaam. Dhâtava, letterlijk: huid, vlees, zenuw, merg, been, bloed en vet]. Het met respect offeren van allerlei soorten voedsel en lekkernijen die door menselijke wezens dan worden gewaardeerd als de nectar [van de overblijfselen] vormt het veld van handelen [voor het heil van] Zijn tong. (2) Voor Zijn neus is er de levensadem en de buitenlucht om de bovenzinnelijke ervaring van een lang leven [de As'vinî halfgoden] voort te brengen in combinatie met al de medicinale kruiden en geuren die men kan genieten. (3) De ogen [van de grote gedaante] die allerlei vormen waarnemen alsook al het verlichte dat schittert voor het oog van de zon, begeleiden het door de oren horen uit alle richtingen van al de geluiden van het eerbetoon die weerklinken in de ether. (4) Zijn uiterlijke verschijning [het aanzien van de Universele Gedaante] vormt het fundament voor alle dingen en gunstige gelegenheden en het veld waar men oogst, terwijl Zijn huid van de luchtbewegingen de tastzin vormt die tot allerlei offerandes aanleiding geeft. (5) Zijn lichaamsbeharing is de vegetatie van de koninkrijken met behulp waarvan in het bijzonder de offerplechtigheden worden voltrokken. Daarbij vormen de wolken met hun electriciteit, de stenen en het ijzererts Zijn hoofdhaar, Zijn aangezichtshaar en Zijn nagels. (6) Zijn armen, de besturende mensen van God, zijn hoofdzakelijk bezig met het voorzien in de behoeften en het beschermen van de burgerbevolking. (7) In de Heer Zijn toevluchtverschaffende lotusvoeten herkent men de vooruitgang van de lagere, middelste en hemelse werelden, omdat ze in alle behoeften voorziend met het verschaffen van wat nodig is vrijwaren van vrees en alle zegeningen inhouden. (8) Water, het zaad en het vruchtbare van regens verwijst naar de genitaliën van de Schepper, de Heer, of de plek waar het geluk ontspringt dat wordt teweeggebracht door [de noodzaak van] het voortbrengen [van nageslacht of cultuurproducten]. (9) O Nârada, de opening waar de uitscheiding van de Universele Gedaante plaats vindt vormt de oorsprong van Yama, de godheid die heerst over alles wat op zijn einde loopt en van Mitra. Het vormt het rectum dat herinnert aan afgunst, ongeluk, de dood en de hel. (10) Frustratie, immoraliteit en onwetendheid ontdekt men aan Zijn rugzijde, terwijl de rivieren en stromen [zoals gezegd] staan voor Zijn aderen en de bergen voor de verzameling van Zijn botten. (11) De ongeziene beweger [de Tijd] van de zeeën en oceanen van de tot leven komende en de ook weer in Zijn buik [in de middelste werelden, S'iva] vernietiging vindende wezens, wordt door de intelligenten gekend als het [kloppende] hart dat in het subtiele lichaam is gelokaliseerd.

(12) Het door u, door mij, door mijn zoons [de Kumâra's] en door Heer S'iva behartigen van het dharma hangt af van het leven en de ziel van het Opperwezen [dat de veilige haven vormt] van waarheid en wijsheid. (13-16) Ik, u, Heer [S'iva], alsook de grote wijzen vóór u, de goddelijken, de demonen, de menselijke wezens en de excellenten [de Nâga's], de vogels, de beesten, de reptielen en al de hemelse wezens, alsmede de planten en vele andere bestaansvormen op het land, in de wateren en in de lucht, tezamen met de astroïden, de sterren, kometen, planeten en manen en de donder en bliksem; al wat er was, wat er is en zal worden geschapen, dit gehele universum bij elkaar wordt [doordrongen en] omvat door de Oorspronkelijke Persoon in een formaat van niet meer dan zestien centimeter [zie ook 2.2: 8]. (17) Op dezelfde manier als de zon zijn stralen vanbuiten uitspreidt en al het levende verlicht en [vanbinnen met prâna] kracht verschaft, wekt ook de expansie van de Universele Gedaante, de Hoogste Persoonlijkheid, het bestaande vanbinnen en vanbuiten tot leven. (18) Hij beheerst de onsterfelijkheid en onbevreesdheid en is verheven boven de dood en het vruchtdragend handelen van iedereen en derhalve, o Nârada, worden de heerlijkheden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid als onmetelijk beschouwd.

(19) Weet dat al de levende wezens hun bestaan hebben in [slechts] een kwart van het veilige reservoir van alle volheden waar geen dood of vrees bestaat. Dat reservoir is de Hoogste Persoonlijkheid die zich voorbij de materiële lagen van de drie werelden ophoudt. (20) Het [resterende] driekwart deel van Hem in het voorbije vormt de plaats waar zij verblijven die nimmer meer geboorte zullen nemen. Binnen [het kwart van de materiële wereld] vindt men daarentegen de drie werelden [hemel, vagevuur en hel] die zijn gereserveerd voor de statusposities van hen die gehecht aan het gezinsleven zich niet strikt houden aan de gelofte van het celibaat. (21) Zo keurig de bestemming van de levende wezens ordenend, heerst de Handhaver over de toewijding van zowel de onwetenden als van hen die met de feiten bekend zijn, en is aldus, als de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, de meester van hen beide. (22) Hij uit wie al de planeten en de gigantische Universele Gedaante ontstonden, samen met de elementen en de zinnen overeenkomstig de materiële kwaliteiten van het universum, is in de overtreffende trap van die Universele Gedaante te vergelijken met de zon [die] in verhouding tot de stralen en hitte die hij verspreidt [er altijd los van staat].

(23) Toen ik geboorte nam uit de lotusbloem ontspringend aan de navel van deze grote persoon, had ik naast de persoonlijke ledematen van de Oorspronkelijke Persoon niets om offers mee te brengen. (24) Om offers te brengen is dat wat men offert, zoals bloemen en groen met brandbaar materiaal [zoals stro], nodig tezamen met een altaar alsook een raamwerk van de tijd [een kalender b.v.] om de geaardheden van de natuur te kunnen volgen. (25) Hulpmiddelen, granen, brandstof [geklaarde boter], een zoetstof ['honing'], kapitaal ['goud'] en een vuurplaats ['aarde'], water, de geschriften ['Rig, Yajur en Sâma Veda'] en [ten minste] vier [voorgaande] personen zijn hiermee gemoeid, o godvruchtige. (26) Ook het aanroepen van heilige namen en mantra's alsook het ontvangen van bijdragen en afleggen van geloften betreffende de specifieke godheid in kwestie spelen een rol. Daarbij is er voor het  doel van ieder van deze zaken afzonderlijk een speciaal geschrift. (27) Om middels aanbidding te kunnen vorderen in de richting van het uiteindelijke doel en om van compensatie [vrijwaring, correctie en excuus] te kunnen zijn met de uiteindelijke offers die werden gebracht voor de diverse delen van het [bestuurlijke] lichaam van de Oorspronkelijke Persoon [de vertegenwoordigende halfgoden], voorzag ik in de benodigdheden. (28) Aldus goed toegerust aanbad ik, gebruikmakend van al die benodigdheden, de expansies van de Oorspronkelijke Persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de oorspronkelijke genieter van alle offers. (29) En dienovereenkomstig praktiseerden uw [gods-]broeders, de negen meesters der levende wezens [de negen scholen; de halfgoden naast Brahmâ; vergelijk 5: 30], met gepast ritueel ter wille van de geziene en ongeziene persoonlijkheden. (30) In navolging [van die scholen of halfgoden] waren ook de Manu's, de vaders der mensheid, na verloop van tijd van aanbidding om Hem te behagen, en zo deden dat ook de andere grote wijzen, voorvaderen, geleerden, tegenstanders [Daitya's] en de mensheid als geheel.

(31) Al deze hoogst machtige manifestaties, die de materiële illusie van het hebben van een gedaante hadden aanvaard in de sferen van het universum, vonden terwille van Nârâyana, de Persoonlijkheid van God, hun bestaan in de werkelijkheid van schepping, behoud en vernietiging, alhoewel Hij aan zichzelf genoeg heeft in Zijn transcendentie. (32) Naar Zijn wil schep ik terwijl onder Zijn beschikking S'iva vernietigt. Hijzelf treedt daarbij op als de Oorspronkelijke Persoon en beheerser van de drie energieën die het hele universum behoudt.

(33) Aldus heb ik u op uw verzoek dit alles uitgelegd mijn beste. Waar je ook aan denkt, of het nu een oorzaak of een gevolg is, er is niets dat buiten de Allerhoogste Heer zijn bestaan heeft. (34) O Nârada, deze geestelijke instelling heeft zich steeds als de juiste bewezen omdat ik in mijn hart met grote ijver vast wist te houden aan de Heer. Mijn gedachtengang dwaalde er nooit mee af in onwaarheid en mijn zinnen haalden me er niet mee naar beneden in de tijdelijkheid. (35) Ik ben de Vedische wijsheid in eigen persoon, ben vol van verzaking, de aanbiddelijke meester van al de voorvaderen en een zelfgerealiseerde deskundige in de praktijk van de yoga, niettemin slaagde ik er niet in Hem uit wie ik zelf ben voortgekomen te doorgronden. (36) Ik ben [derhalve] de gezegende voeten van de Heer der overgegeven zielen toegewijd die de herhaling van geboorte en dood stoppen en zicht op het geluk verschaffen.  Net zo min als de hemel zijn eigen begrenzing kan zien kan Hijzelf zich nog niet eens een voorstelling maken van het vermogen van Zijn eigen Persoonlijke energieën.  En hoe zouden anderen dat dan wel kunnen? (37) Aangezien noch ik, noch wie van jullie zonen ook, noch de Vernietiger in feite [al] Zijn bewegingen kunnen overzien, kan je ook niet verwachten dat andere godsbewusten dat kunnen. Met je intelligentie verbijsterd door de begoochelende energie van het geschapene heeft men alleen maar zicht zover als het vermogen reikt.

(38) Wij bieden Hem, de Allerhoogste Heer, onze respectvolle eerbetuigingen, wiens incarnatie en activiteiten wij verheerlijken hoewel personen als wij Hem niet volledig kennen. (39) Hij, de absolute, voorwereldlijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid schept in ieder millennium in Zichzelf, middels Zichzelf, Zijn eigen transcendentale aanwezigheid, handhaaft Zichzelf  [voor enige tijd] en  neemt [Zichzelf ook weer] op in Zichzelf. (40-41) Zonder een materiële smet, zuiver en volmaakt in de kennis en alles doordringend in Zijn volheid is Hij gevestigd in waarheid als het Absolute zonder een begin en een einde. Vrij van de natuurlijke geaardheden verkeert Hij in een positie waarin Zijns gelijke nooit en te nimmer te vinden is. O mijn wijze, de grote denkers kunnen dit alleen maar begrijpen als hun zinnen zijn behartigd en hun zelf  tot vrede is gebracht, anders zal dit inzicht zeker verdraaid zijn door onhoudbare argumenten en uit het oog zijn verloren. (42) De eerste avatâra van de Heer, is de Oorspronkelijke Persoon: [Mahâvishnu of Kâranodakas'âyi Vishnu. Hij vormt de basis van] de ruimtetijd [kâla svabhavah, de oorspronkelijke aard van de tijd], oorzaak, effect, de elementen, de geaardheden, alsook het ego, de zinnen en de geest. Samen vormen ze de diversiteit van het volkomen geheel van al het bewegende en niet bewegende van het universele wezen [genaamd Garbhodakas'âyi Vishnu].

(43-45) Ikzelf [Brahmâ], de Vernietiger en de Handhaver; al de vaderen van de levende wezens zoals Daksha [en Manu], jijzelf en de andere zonen [de Kumâra's]; de leiders van de hogere werelden, de ruimtereizigers, de aarde en de lagere werelden; de aanvoerders van de hemelbewoners [van de Ghandarva, Vidyâdhara en Cârana werelden] alsook de leiders van de demonen [de Yaksha's, Râkshasa's en Uraga's] en de onderwereld; de eersten onder de wijzen, de voorvaderen, de atheïsten, de speciale talenten, de onbeschaafden en ook de doden; de boze geesten, de Jinn en Kûshmânda's [andere boze geesten] met inbegrip van de grote waterdieren, beesten en vogels - met andere woorden alles en iedereen die in de wereld in een bepaalde mate machtig is of van een specifieke mentale of zintuiglijke begaafdheid of buitengewoon vermogen, vergevingsgezindheid, schoonheid, bescheidenheid, weelde, intelligentie of geslacht is, bestaat alsof hij zelf de [opperste] gedaante van [het representeren van] Zijn bovenzinnelijke werkelijkheid zou zijn, maar in feite vormt ieder van hen slechts een onderdeel. (46) O Nârada, heb nu waardering voor de toewijding voor het spel en vermaak van de belangrijkste incarnaties van de Oorspronkelijke Hoogste Persoonlijkheid. Die toewijding zal de trage materie doen verdampen die zich in je oren heeft opgehoopt. Ik zal je deze verhalen, die stuk voor stuk een genoegen zijn om naar te luisteren, de één na de ander vertellen zoals ze zich in mijn hart bevinden.'



Hoofdstuk 7: Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's

(1) De Schepper zei: 'Toen de Heer als de Onbegrensde in het universum voor Zijn spel en vermaak de vorm aannam van het totaal van alle offers [als de everzwijn-avatâra Varâha], was Hij in die gedaante van plan de aarde op te heffen uit de [Garbhodaka] oceaan. In de oceaan verscheen toen de eerste demon [genaamd Hiranyâksha, de demon van het goud] die door Hem, als een bliksemflits die een wolkenpartij doorklieft, werd verslagen met Zijn slagtand.

(2) Uit Âkûti ['goede bedoeling'], de vrouw van Prajâpati Ruci, werd Suyajña ['gepast offer'] geboren die met zijn vrouw Dakshinâ ['de beloning'] de goddelijken ter wereld bracht die werden aangevoerd door Suyama ['juiste regulatie']. Met hen drong Hij in beduidende mate het leed van de wereld terug om reden waarvan de vader van de mensheid Svâyambhuva Manu hem de nieuwe naam Hari [de Heer] gaf.

(3) Vervolgens nam Hij geboorte in het huis van de tweemaal geboren Kardama ['de schaduw van de Schepper'], uit de schoot van Devahûti ['de aanroeping der Goden'] samen met zes zusters. Als Heer Kapila ['de analytische'] sprak Hij met Zijn moeder over spirituele zelfverwerkelijking, waardoor zij in dat leven verlost werd van de materiële geaardheden die de ziel overdekken en bereikte ze de bevrijding.

(4) Tevreden over de overgave van de wijze Atri die bad voor nageslacht, zei de Heer hem: 'Ik zal je Mij geven!' en om die reden kreeg Hij de naam Datta [Dattâtreya, 'hij die geschonken werd']. Het stof van Zijn lotusvoeten leidde tot de zuivering van het mystiek lichaam en bracht de rijkdom van de geestelijke en materiële werelden van Yadu [die de dynastie grondvestte], Haihaya [een afstammeling] en anderen.

(5) Omdat ik in het verleden sober leefde in boete voor het heil van de schepping der onderscheiden werelden, verscheen de Heer als de vier Sana's [de vier celibataire zoons genaamd Sanat-kumâra, Sanaka, Sanandana en Sanâtana]. In het tijdperk daarvoor werd de spirituele waarheid verwoest toen de wereld in het water verzonk, maar met deze wijzen die een heldere visie op de ziel hadden werd de kennis volledig in ere hersteld.

(6) Uit Mûrti ['de beeltenis'], de vrouw van Dharma ['rechtschapenheid'] en de dochter van Daksha ['de capabele', een Prajâpati], nam Hij de gedaante aan van Nara-Nârâyana ['de mens, de vooruitgang van de mens']. De Opperheer aldus [nedergedaald] stond het op basis van de kracht van [de schoonheden voortkomend uit] Zijn persoonlijke boetedoeningen nimmer toe dat Zijn geloften werden gebroken door de hemelse schoonheden die Hem met Cupido [de god van de liefde] benaderden. (7) Grote voorvechters [als Heer S'iva] kunnen hun overweldigd zijn door de lust overwinnen door middel van hun wraakzuchtige visie, maar ze kunnen niet hun eigen intolerantie overwinnen. Maar met [de twee van] Hem vanbinnen aanwezig, is de lust te bang om naar voren te treden. Hoe kan met Hem voor de geest nu ooit de lust de aandacht opeisen?

(8) Ertoe aangezet door de scherpe bewoordingen van een bijvrouw die ondanks de aanwezigheid van de koning [Uttânapâda] werden geuit, nam zijn zoon Dhruva ['de onverzettelijke'], toen hij nog maar een jongen was, zijn toevlucht tot strenge boetedoeningen in een groot woud. De Heer door zijn bidden behaagd bevestigde het doel van zijn realisatie [Dhruva loka, de spil der sterren] waarvoor de  grote wijzen en de bewoners van de hemel naar boven en naar beneden gericht sedertdien bidden.

(9) Toen de tweemaal geborenen koning Vena ['de bezorgde'] vervloekten die afdwaalde van het pad der religie, verbrandde hem dat als een blikseminslag waarbij hij met al zijn grote daden en weelde in de hel  belandde. Nadat er voor Hem was gebeden werd hij bevrijd door de Heer die naar de aarde kwam als zijn zoon [genaamd Prithu, 'de grote'] en bracht daarbij tevens tot stand dat de aarde kon worden ontgonnen voor de opbrengst van allerlei gewassen.

(10) Als de zoon van Koning Nâbhi ['de spil'] werd Hij geboren als Rishabha ['de beste'] uit Sudevî. Evenwichtig in de aangelegenheid der yoga leek Hij dwaas terwijl Hij presteerde op het hoogste niveau der wijzen waarop men met het aanvaarden van de spirituele essentie - de onafhankelijkheid - de activiteit van de zinnen heeft onderworpen en volmaakt bevrijd is van materiële invloeden.

(11) De Allerhoogste Heer, de ziel van al de goden, de Persoonlijkheid van het Offer die in alle offers wordt aanbeden, verscheen in een offerande van mij met een hoofd als dat van een paard en een gouden glans [en wordt aldus Hayagrîva genoemd]. Door Zijn ademen door Zijn neusgaten kan men de geluiden van de Vedische hymnen horen.

(12) Hij die de Manu werd [genaamd Satyavrata, 'de waarheidsgetrouwe'] zag aan het einde van het tijdperk Heer Matsya ['de vis'] die als het behoud voor de aarde een toevlucht vormde voor alle levende wezens [in de vorm van een boot tijdens de zondvloed]. De Veda's die vanwege de grote angst voor het water voortkwamen uit mijn mond werden toen door Hem opgepikt die daar Zijn sport bedreef.

(13) Toen in de oceaan van melk [ofwel de kennis] de aanvoerders van de onsterfelijken en hun tegenstanders de berg [genaamd Mandara, de 'grote berg'] aan het karnen waren voor het winnen van de nectar, ondersteunde de voorwereldlijke Heer hem half slapend als een schildpad [genaamd Kurma], zodat het over Zijn rug schuurde en jeukte.

(14) Als Nrisimha ['de leeuw'] verscheen Hij als degene die de angst van de godsbewusten wegnam met het fronsen van Zijn wenkbrauwen en de schrikwekkende tanden van Zijn mond, terwijl Hij zonder pardon op Zijn schoot met Zijn nagels de gevallen koning van de demonen [Hiranyakas'ipu] doorboorde die Hem had uitgedaagd met een strijdknots in zijn handen.

(15) De leider der olifanten [Gajendra] die in de rivier bij zijn poot gegrepen werd door een uitzonderlijk sterke krokodil, riep Hem, terwijl hij een lotus vasthield, in grote nood op de volgende wijze aan: 'U bent de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Heer van het Universum. Uit U die beroemd bent als een pelgrimsoord komt al het goede voort als men alleen maar Uw naam hoort, de naam die het zo waard is om gezongen te worden.' (16) De Heer die hem in zijn lijden hoorde kliefde, als de Onbegrensd Machtige gezeten op de koning der vogels [Garuda], de bek van de krokodil in tweeën met Zijn cakrawapen en bevrijdde hem in Zijn grondeloze genade door hem aan zijn slurf omhoog te trekken.

(17) Hoewel Hij, de grootste in bovenzinnelijke kwaliteiten, [de jongste was van] al de zonen van Aditi ['de oneindige'], overtrof Hij [hen allen] door in dit universum al  de werelden te omspannen en werd Hij derhalve de Heer van het Offer genoemd. Bedelend voorwendend slechts behoefte te hebben aan drie voetstappen land nam Hij zo als Heer Vâmana al het land [van Bali Mahârâja] in bezit zonder ooit in overtreding te raken met de autoriteiten onder wiens gezag men nimmer zijn bezit mag verliezen. (18) O Nârada, bij de genade van de kracht van het water dat spoelde van de voeten van de Heer, trachtte hij [Bali Mahârâja], die het op zijn hoofd hield en de heerschappij over het koninkrijk der goddelijken had, nooit, zelfs niet als dat ten koste ging van zijn lichaam, aan iets anders vast te houden dan aan wat hij had beloofd omdat hij besloten had zich aan de Heer te wijden.

(19) De Opperheer tevreden over de goedheid die je ontwikkelde middels je bovenzinnelijke liefde o Nârada, gaf heel vriendelijk gedetailleerd uitleg over het licht van de kennis van de yoga en de wetenschap van het zich verhouden tot de ziel die allen die zich hebben overgegeven aan Vâsudeva zo volmaakt weten te waarderen.

(20) Bij de glorie van Zijn persoonlijke kracht onderwerpt Hij onversaagd onder alle omstandigheden de drie systemen [zie loka] in al de tien windrichtingen als Hij in de verschillende Manutijdperken [manvantara's] incarneert als een nakomeling van de Manudynastie. Heersend over de onverlaten en de koningen van die aard met behulp van Zijn cakrawapen, vestigt Hij aldus Zijn roem tot in de wereld der waarheid [Satyaloka] *.

(21) Onder de naam Dhanvantari ['zich in een boog bewegend'] daalt de Opperheer neer in het universum als de roem in eigen persoon om sturing te geven aan de kennis die men nodig heeft om een lang leven te verwerven. Hij doet dit middels het verschaffen van de nectar die voortkomt uit het [Kurma karn-]offer en snel de ziekten van alle levende wezens geneest.

(22) Met de bedoeling het toenemende overwicht van de heersende klasse terug te dringen zal de grote ziel [Heer Paras'urâma], de Opperste Geestelijke Waarheid in eigen persoon, al die doorns uit de wereld helpen die waren afgedwaald van het pad en solliciteren naar een hels bestaan. Hij hanteert voor dat doel ontzagwekkend machtig eenentwintig keer Zijn bovenzinnelijke bijl.

(23) Bij machte van Zijn grondeloze, allesomvattende genade, daalt de Heer Aller Tijden [als Râma] neer in de familie van Ikshvâku [de dynastie van de zonne-orde] waar op het gebod van Zijn vader [Das'aratha] Hij het woud in zal trekken met Zijn vrouw [Sîtâ] en broer [Lakshmana] in reactie op de tegenstand van de tien-hoofdige [de demonische heerser Râvana] die groot leed veroorzaakte. (24) Voor Hem zal de angstige Indische oceaan snel baan maken, als ze ziet dat haar waterdieren [haaien, zeeslangen en dergelijke] verbranden, waarna Hij, vertoornd als Hij is over Zijn bedroefde vriendin [de ontvoerde Sîtâ], van een afstand met bloedrode ogen zal mediteren op de stad van de vijand [op het eiland Lankâ] in het verlangen die plat te branden zoals Hara dat deed [die het koninkrijk der hemelen met zijn vurige blikken wilde verzengen]. (25) Als de slurf van de olifant die Indra draagt breekt op de borst van Râvana straalt er licht in alle richtingen. Râvana zal dan van vreugde heen en weer paraderen tussen de legers, maar binnen de kortste keren zal aan dat lachen en de levensadem van hem die Sîtâ ontvoerde een einde komen door het zingen van de boog [van Râma].

(26) Als de hele wereld in staat van ellende verkeert vanwege de last van de soldaten der ongelovigen, zal Hij [Krishna], met Zijn Volkomen Aspect [Balarâma], Zijn schoonheid en Zijn zwarte haar, Hij wiens pad van glorieuze daden zo moeilijk te herkennen is voor mensen in het algemeen, onherroepelijk verschijnen voor het heil van de decimering van die atheïsten. (27) Wie anders dan Hij zal in God's naam als een kind nog maar, een levend wezen kunnen doden dat de vorm van een gigantische demone heeft aangenomen [Pûtanâ], of slechts drie maanden oud zijnde met Zijn beentje een hele kar omver werpen alsook twee hoog oprijzende Arjunabomen ontwortelen? (28) Te Vrindâvana [waar Krishna zal opgroeien] zal Hij met Zijn genadige blik de koeherdersjongens en hun dieren weer tot leven wekken die hadden gedronken van het vergiftigde water [van de Yamunâ]. Om het [water] te zuiveren van de overmaat aan het zeer krachtige gif zal Hij er in de rivier behagen in scheppen de slang streng te bestraffen die zich daar schuilhoudt met zijn giftige tong. (29) Hij met Zijn bovenmenselijke daden zal al de bewoners van Vraja [het koeiendorp] die diezelfde nacht zorgeloos liggen te slapen redden van verbranding door het vuur dat laait in het droge woud. Op die manier zal Hij hen die er zeker van waren dat het met hun leven was afgelopen, samen met Balarâma overtuigen van Zijn ondoorgrondelijke vermogen door ze simpelweg hun ogen te laten sluiten [en hen zo op dezelfde manier redden als Hij later de gopa's redt uit een andere bosbrand].  (30) Wat voor touw Zijn [pleeg-]moeder [Yas'odâ] ook zal proberen om haar zoon mee vast te binden, telkens zal het dan weer te kort blijken te zijn. En dat wat ze zal zien als Hij Zijn mond opendoet voor de twijfelende koeherdersvrouw [die naar aarde zoekt die Hij gegeten zou hebben] zijn al de werelden, hetgeen iets is dat haar op een andere manier zal overtuigen. (31) Nanda Mahârâja Zijn [pleeg-]vader die Hij eveneens zal redden - van de angst voor Varuna [de halfgod der wateren] - en de koeherders die gevangen gehouden werden in de grotten door de zoon van Maya [een demon] alsmede zij die [wonend in Vrindâvana] overdag hard werken en 's nachts slapen, zal Hij allen belonen met de hoogste wereld van de geestelijke hemel [Brahmaloka of Vaikunthha]. (32) Als de koeherders er [door Krishna] van worden weerhouden om hun offers voor de koning van de hemel te brengen, zal Indra een zware regenval veroorzaken. Hij [Krishna], dan nog maar zeven jaar oud, wil dan de dieren beschermen en zal in Zijn grondeloze genade zeven dagen lang met enkel één hand de heuvel Govardhana speels omhoog houden alsof [het een paraplu is], zonder dat Hij er moe van wordt. (33) Als Hij in Zijn nachtelijke avonturen in het bos het verlangt om bij het zilveren licht van de maan met zoetgevooisde liedjes en melodieuze muziek te dansen, zal Hij de liefdesverlangens opwekken van de vrouwen van Vrajabhûmi en hun ontvoerder [S'ankhacûda] onthoofden die uit was op de rijkdom van Kuvera [de hemelse schatbewaarder]. (34-35) [Demonische] types als Pralamba, Dhenuka, Baka, Kes'î, Arishtha, Cânûra en Mushthika [die voor Kamsa worstelden], Kuvalayâpîda [de olifant], Kamsa [de demonische oom], vele koningen uit den vreemde [zoals die van Perzië], de aap Dvivida, Paundraka en anderen, alsook koningen als S'âlva, Narakâsura, Balvala, Dantavakra, Saptoksha, S'ambara, Vidûratha en Rukmî en een ieder die machtig en goed bewapend is zoals Kâmboja, Matsya, Kuru [de zoons van Dhritarâshthra], Sriñjaya, en Kekaya, zullen dankzij Hem van het toneel verdwijnen en Zijn hemelse woning bereiken, danwel dankzij een van de andere namen die bij Hem horen zoals Baladeva [Krishna's broer], Arjuna of Bhîma.

(36) Geboren uit Satyavatî zal Hij [als Vyâsadeva] na de nodige tijd inzien wat voor moeite de minder intelligente en maar kort levende mensen hebben met de al te ingewikkelde en toegespitste Vedische literatuur. Aangepast aan het tijdperk zal Hij dan de gehele verzameling van deze wensboom van de Veda's in verschillende takken onderverdelen.

(37) Voor hen die op de weg der scholing zeer goed onderlegd raakten maar jaloers zijn op het goddelijke en de werelden en de ether ongezien doorkruisen met uitvindingen van Maya [ofwel met moderne technologie], zal Hij zich heel aanlokkelijk vertonen en [als de Boeddha en zijn vertegenwoordigers] in van de traditie afwijkende termen uitvoerig spreken over hun destructieve verstandsverbijstering.

(38) Als er zelfs onder de beschaafde heren geen sprake meer is van de Heer en de tweemaal geborenen [de hogere klasse] en de regering bestaande uit leden van de arbeidersklasse zelf nooit of te nimmer met Zijn lofzangen, parafernalia, altaren en woorden begaan zijn, dan, aan het einde van het tijdperk van de Onenigheid, zal de Allerhoogste Heer [Kalki], de bestraffer, verschijnen.

(39) In den beginne was er de boete met mij en de negen wijzen die alles voortbrachten, in de middenperiode is er het actieve van het dharma met Vishnu, Manu, de halfgoden en de koningen in hun leefwerelden en op het eind is er het goddeloze met S'iva en de kwaaie atheïsten en dergelijken. Het zijn allemaal machtige vertegenwoordigers van de begoochelende energie van de Ene der Almacht. (40) Wie kan ten volle het vermogen van Heer Vishnu omschrijven? Nog niet de wetenschapper die wellicht de atomen geteld heeft. In één grote beweging wist Hij [als Trivikrama] met Zijn been moeiteloos het universum te bestrijken tot in de neutrale staat van de natuurlijke geaardheden voorbij aan de hoogste wereld. (41) Noch ik, noch al de wijzen die vóór u werden geboren zijn in staat het bereik van de Almachtige Oorspronkelijke Persoon te overzien. En wat kan men dan verwachten van anderen die na ons geboren werden? Zelfs Ananta S'esha [het 'slangenbed' van Vishnu] de eerste incarnatie van de voorwereldlijke God met de duizend gezichten kan tot op de dag van vandaag met het bezingen van de kwaliteiten Zijn grens niet bereiken. (42) Alleen zij aan wie de Heer Zijn genade verleent zijn in staat de oneindige oceaan der materie over te steken. Dat zijn die beschermde zielen van wie het zoeken van Zijn toevlucht inhield dat ze zich zonder terughoudendheid ondubbelhartig overgaven aan Zijn voeten, ofwel dat ze bewust Zijn diverse energieën niet als het hunne beschouwden met inbegrip van dat van hen [hun lichaam] dat bedoeld is te worden gegeten door jakhalzen en honden. (43-45) O Nârada, weet dat we beiden behoren tot het verstandsverbijsterende spel van illusie van de Allerhoogste Ene, en dat geldt ook voor de grote Heer S'iva, Prahlâda Mahârâja ['de vreugdevolle'] van de atheïstenfamilie, S'atarûpâ, de vrouw van Manu en Svâyambhuva Manu zelf met zijn kinderen, Prâcînabarhi, Ribhu, Anga [de vader van Vena], alsook Dhruva, Ikshvâku, Aila, Mucukunda, Janaka, Gâdhi, Raghu, Ambarîsha, Sagara, Gaya, Nâhusha, en anderen als Mândhâtâ, Alarka, S'atadhanu, Anu, Rantideva, Bhîshma, Bali, Amûrttaraya, Dilîpa, Saubhari, Utanka, S'ibi, Devala, Pippalâda, Sârasvata, Uddhava, Parâs'ara, Bhûrishena en kampioenen als Vibhîshana, Hanumân, S'ukadeva Gosvâmî, Arjuna, Ârshthishena, Vidura en S'rutadeva. (46) Ongetwijfeld weten ook zij die behoren tot de vrouwen, de arbeiders, de barbaren en de uitgestotenen - op voorwaarde dat ze de instructies van de bewonderenswaardige toegewijden naleven - de  illusie van de goddelijke energie te boven te komen en tot kennis te komen, zelfs als ze voorheen zondig leefden. En als het zelfs dieren lukt die door mensen werden afgetraind, hoeveel te meer zou dat dan niet opgaan voor mensen die over Hem vernamen? (47) Het Absolute van de Geest [Brahman] staat bekend als onbegrensd geluk dat vrij is van leed. Het is de uiteindelijke positie van de Hoogste Persoonlijkheid van God voor wie de illusie wegvlucht in schaamte. Die zuivere, onbevlekte staat vrij van onderscheidingen gaat de woorden te boven die horen bij het materieel motief van vruchtdragende handelingen, het vormt het oorspronkelijk beginsel van de Superziel, de oorzaak van alle oorzaak en gevolg, het is bewustzijn vrij van angst en het onverstoorde tegendeel van het geheel van de materie [zie ook B.G. 2: 52]. (48) In die staat van volledige onafhankelijkheid komt er een einde aan de diverse praktijken van de mystici die in het proces van hun geestelijke cultuur de perfectie nastreven, zoals Indra [de god van de regens] ook geen waterput hoeft te graven. (49) De Opperheer is de ene meester van alle goedheid omdat Hij het succes brengt van [de spirituele realisatie met] al het goede werk dat door het levende wezen werd verricht overeenkomstig zijn natuurlijke aard. Nadat het werk is volbracht lost het lichaam weer op in de samenstellende elementen, maar net zoals de ether nimmer verloren gaat gaat ook de geestelijke ziel van de persoon nimmer verloren [zie ook B.G. 2: 24].

(50) Mijn beste, aldus zette ik in het kort uiteen hoe de Allerhoogste Heer het universum heeft geschapen. Wat er ook moge bestaan in het fenomenale [materiële] of noumenale [geestelijke] kan niet van enige andere oorzaak zijn dan Hari, de Heer. (51) Dit verhaal van de Fortuinlijke genaamd het S'rîmad Bhâgavatam, werd aan mij doorgegeven door Hem, de Allerhoogste Heer en vormt de samenvatting van Zijn diverse vermogens. Nu moet jij vanuit je goede zelf, zelf verder uitwijden over deze wetenschap van God. (52) Beschrijf derhalve vastberaden, voor het heil van de verlichting der mensheid, deze wetenschap van toewijding [bhakti] voor de Allerhoogste Persoonlijkheid, het hoogste goed en het Absolute van alle zielen. (53) Met de beschrijving van de Heer Zijn uiterlijke aangelegenheden zal het levende wezen dat met regelmaat er aandacht aan besteed en er toegewijd waardering voor opbrengt nooit  door de materiële illusie begoocheld raken.'


 *: Bij vers twintig verandert de tijd van Brahmâ's toespraak van verleden tijd in de tegenwoordige tijd en vandaar af aan in de toekomende tijd vanaf vers tweeëntwintig. Hieruit kan worden afgeleid dat Vyâsadeva dit gesprek projecteerde in de periode van de Avatâra Kurma toen Dhanvantari verscheen.


Hoofdstuk 8: Vragen Gesteld door Koning Parîkchit

(1) De koning vroeg: 'Hoe gaf Nârada, die was geïnstrueerd door Heer Brahmâ o brahmaan, uitleg over de geaardheden en hun transcendentie en aan wie gaf hij die uitleg? (2) Dit zou ik graag willen begrijpen o beste: wat is de werkelijkheid van hen die in het Absolute van de waarheid van de Heer verkeren die zo vol is van wonderbaarlijke vermogens en wiens vertellingen zo gunstig zijn voor al de werelden? (3) Spreekt u alstublieft verder, u die van het grootste geluk bent, zodat ik met mijn geest gericht op de Allerhoogste Ene van de ziel, Heer Krishna, bevrijd van materiële gehechtheid mijn lichaam kan opgeven. (4) Zij die zich met geloof regelmatig in deze spirituele materie verdiepen en tevens stand weten te houden in die onderneming, zullen niet lang daarna de Allerhoogste Heer in hun harten zien verschijnen. (5) Als men aldus via zijn oren deze klanken [van het Bhâgavatam] ontvangt zal de lotusbloem van de liefdevolle relatie met Krishna al de onzuiverheden wegwassen, zoals het water van de herfst de poelen zuivert. (6) Eenmaal gelouterd zal de persoon die zijn toevlucht nam tot Krishna's voeten nimmer die bevrijding opgeven, precies zoals een reiziger die de ellende van het leven ondergaat nimmer zijn thuis zal opgeven [de Ziel, zie ook B.G. 5: 17; 8: 16; 8: 21-28; 9: 3; 15: 3-4; 15: 6].

(7) Als het dan niet een kwestie is van een materieel bestaan o brahmaan, kan u vanuit uw zelfkennis me dan zeggen of het levend wezen in deze onderneming nu per toeval aan een lichaam komt of door een of andere oorzaak? (8) Als Hij in het bezit is van de lotusbloem van deze wereld die als het ware ontsproot aan Zijn buik, wat is dan het verschil tussen de Oorspronkelijke Persoon van deze bepaalde afmeting [van de Virâth Rûpa] en de situatie waarin men spreekt van de verschillende belichamingen [der levende wezens]? (9) Hoe kon hij van de lotusbloem die niet uit de materie was voortgekomen maar uit de navel, hij [Brahmâ] die het leven gestalte gaf van allen die werden geboren met een lichaam, door Zijn genade Zijn Gedaante waarnemen? (10) En ook [hoe kan het zijn] dat Hij als de Oorspronkelijke Persoon die de materiële werelden handhaaft, schept en vernietigt, onberoerd blijft door Zijn eigen uitwendig vermogen terwijl Hij als de Heer van alle energieën rust in het hart van een ieder? (11) Voorheen hoorde ik u [in 2.5] spreken over de verschillende [planeten of leef-]werelden met hun bestuurders als de verschillende delen van het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon. Wat [kan u ons vertellen] over die bestuurders die met hun verschillende werelden Zijn verschillende delen vormen?

(12) En hoe zit het met een dag van Brahmâ [een kalpa] en de tussenliggende perioden [vikalpa's]? Wat kan u zeggen over de tijdmaten die we het verleden, het heden en de toekomst noemen? En hoe zit het met de levensduur die belichaamde wezens is toebemeten? (13) O zuiverste der tweemaal geborenen, wat zou het begin van de tijd kunnen zijn en wat kan u zeggen over hoe de tijd, in de context van het eigen karma, wordt ervaren als zijnde kort of lang? (14) En ook in welke mate wordt men bepaald door het zich ophopend karma in relatie tot de verschillende geaardheden der natuur en de verschillende daaruit resulterende levensvormen als gevolg van iemands verlangen? (15) Beschrijf ons alstublieft hoe de schepping van de lagere regionen, de vier windstreken, de ether, de planeten, de sterren, de heuvels, de rivieren, de zeeën en de eilanden en hun bewoners plaatsvond. (16) Wat zijn de proporties van de buitenruimte [van het universum] en de innerlijke ruimte, en wat zijn hun verdelingen? En wat is de aard en de bezigheid van de grote zielen en van de verschillende roepingen en leeftijdsgroepen in de samenleving? (17) Wat zijn de verschillende tijdperken, hoe lang duren ze en wat is hun aard? En welke incarnatie van de Heer spreidt welk soort van wonderbaarlijke handelingen ten toon in ieder van de tijdperken?

(18) Wat zijn de verschillende religieuze verplichtingen van de menselijke samenleving als geheel en wat zijn de plichten van de drie klassen [arbeid, handel en intellect] en hun bestuur [de vierde klasse]? En wat zijn de verplichtingen jegens mensen in nood? (19) Hoeveel elementen telt de schepping, wat zijn hun kenmerken en hoe reageren ze op elkaar? Wat zijn de regels en bepalingen van de toegewijde dienst voor de Oorspronkelijke Persoon in de cultuur van de yoga en wat zijn de verschillende spirituele methoden die daartoe leiden? (20) Wat zijn de speciale vermogens die de yogameester zich eigen maakt, waar leiden die toe, hoe onthechten de yogi's zich van hun astrale lichaam en wat is de bovenzinnelijke kennis die men vindt in de Veda's, de aanhangende literatuur [de Upaveda], de wetboeken en de Vedische verhalen en geschiedenissen? (21) Hoe ontwikkelen zich de verschillende manieren van doen van de levende wezens en hoe komen ze weer ten einde? Wat zijn de procedures voor het uitvoeren van rituelen, het verrichten van vrome werken en daden van eigenbelang en wat zijn de regelingen voor de drie levensdoelen [de economische, religieuze en zinnelijke belangen](22) Hoe vindt een ieder die verenigd is in de Heer danwel tegen Hem ingaat zijn bestaan en in hoeverre zijn degenen die bevrijd zijn onderhevig aan conditionering in verhouding tot degenen die een onbepaald leven leiden? (23) Hoe geniet de onafhankelijke Opperheer nu vanuit Zijn eigen innerlijk vermogen van Zijn eigen spel en vermaak en hoe kan Hij van Zijn spel afzien als Hij, als de Almachtige, een getuige blijft van het uitwendige van Zijn vermogen?

(24) Over dit alles en meer waar ik niet naar vroeg, o fortuinlijke, heb ik mij vanaf het begin verwonderd. Doe alstublieft in overeenstemming met de waarheid o grote wijze, verslag van wat u me, met allen hier aanwezig die u ten voeten zijn gevallen, wilt vertellen. (25) Zeker bent u in deze aangelegenheden van feitelijke kennis zo goed als Brahmâ die rechtstreeks voortkwam uit de Heer, terwijl anderen die de gebruiken volgen dienovereenkomstig slechts kunnen spreken vanuit geleende kennis. (26) Ik ben het nooit moe o brahmaan, om in de honger van mijn vasten te drinken van de nectar van het onfeilbare die voortvloeit uit de oceaan van wat u zegt.' " 

(27) Sûta Gosvâmî zei: "Hij [S'ukadeva] die aldus in de samenkomst door de koning werd ondervraagd betreffende onderwerpen van de hoogste waarheid als deze, was, als het werktuig van de Schepper, zeer verheugd over deze dienaar van Vishnu. (28) Hij zette deze Purâna genaamd het Bhâgavatam uiteen zoals die door de Allerhoogste Heer aan Heer Brahmâ werd overgedragen aan het begin van de eerste dag [of kalpa] van de schepping. (29) Dit was het eerste dat hij [in 2.1: 8] zei ter voorbereiding van een volledige beschrijving van het begin tot het einde van alles wat de koning, de beste van de Yadudynastie, had gevraagd en nog meer zou vragen."



Hoofdstuk 9: Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer

(1) S'rî S'uka zei: "Tussen de ziel van zuiver bewustzijn in het voorbije en het materiële lichaam kan er nooit enige sprake zijn van een zinnige relatie zonder het begoochelend mâyâ vermogen van het [goddelijke] zelf [van de Heer of van 'het'] o Koning, net zoals het ook niet mogelijk is voor een dromer om enig gebruik te maken van de dingen die hij in een droom zag. (2) Met de wens op verschillende manieren genoegen te beleven aan de vele gedaanten die de uitwendige energie van mâyâ te bieden heeft is er vanwege [de werking van] haar kwaliteiten of geaardheden het idee van 'ik' en 'mijn'. (3) Zo gauw hij [de getuige, de ziel], in zijn glorie van het overstijgen van de tijd van de materiële energie, ervan geniet om vrij van begoocheling te zijn, geeft hij in die volheid het ook op met dat tweetal [van het 'ik' en 'mijn']. (4) Toen de Opperheer Zijn gedaante toonde aan de Schepper die waarachtig was in zijn geloften en ijver, maakte Hij duidelijk dat het doel van alle zuivering eruit bestaat de liefde te vinden van de kennis der zelfverwerkelijking [âtma-tattva, filognosie, het principe van de ziel]. (5) [En dus] begon hij, de eerste goddelijke persoon in het universum, de allerhoogste geestelijk leraar, vanuit zijn eigen goddelijke positie [op de lotus der schepping] zich af te vragen waar die [lotus] vandaan kwam. Daarbij overwegende hoe hij met zijn schepping zou moeten beginnen, kon hij er echter niet achter komen wat de richtlijnen en procedures waren van hoe hij alles materieel moest samenvoegen.

(6) Toen hij op een keer verdiept was in het denken op deze manier, hoorde hij dat er twee lettergrepen werden uitgesproken die de zestiende [ta] en de eenentwintigste [pa] van het spars'a-alfabet waren. Samengevoegd [tot tapas, boete] raakten die twee lettergrepen bekend als het vermogen van de wereldverzakende orde o Koning. (7) Toen hij dat hoorde, keek hij overal om zich heen om de spreker te zien, maar er was niemand te bekennen. Vanwaar hij zat in zijn goddelijke positie bedacht hij toen dat hij maar het beste aandacht kon besteden aan het doen van boete zoals hem dat opgedragen was. (8) Hij begiftigd met een smetteloze visie beheerste zijn levensadem, geest en zinnen van waarnemen en handelen voor de duur van duizend godenjaren*, en verlichtte aldus in het verleden al de werelden door van alle boetvaardigen degene te zijn met de strengste praktijk.

(9) Voor hem manifesteerde de Allerhoogste Heer die tevreden was over zijn boete, Zijn eigen verblijfplaats [ook wel Vaikunthha genaamd, de plaats vrij van indolentie], waar voorbij geen andere wereld te vinden is en welke wordt aanbeden als de plaats waar de vijf vormen van ellende van het materiële leven [onwetendheid, zelfzucht, gehechtheid, afkeer en doodsangst] volledig zijn beëindigd met personen die zonder illusie en angst voor het bestaan van een volmaakte zelfverwerkelijking zijn. (10) Daar waar de Heer wordt aanbeden door zowel de verlichte als de onverlichte  toegewijden, voert de geaardheid goedheid de boventoon boven de andere twee van hartstocht en traagheid zonder er ooit mee vermengd te zijn. Noch is er daar de invloed van de tijd of de uitwendige energie om nog maar te zwijgen over [de invloed van] al de andere zaken [als gehechtheid, begeerte etc]. (11) Zo blauw als de hemel en gloeiend met lotusgelijke ogen, zeer aantrekkelijk en jeugdig met geelgekleurde kledij, zijn al de bewoners daar toegerust met de vier armen en de luister en pracht van parels en verfijnde sieraden.  (12) Sommigen stralen als koraal of diamanten, met hoofden met oorbellen en bloemenslingers bloeiend als een hemelse lotus. (13) Die plaats die straalt met rijen hoog oprijzende, schitterende bouwwerken [speciaal ontworpen] voor de grote toegewijden en die bevolkt is met flitsende schoonheden met een hemelse teint, ziet er zo mooi uit als een hemel met wolken en bliksemflitsen. (14) De godin van het geluk [S'rî] verricht aldaar in haar persoonlijke gedaante, in verrukking met haar persoonlijke, zingende begeleidsters, met behulp van verschillende toebehoren toegewijde dienst aan de lotusvoeten van de Heer, omringd door zwarte bijen die druk meezoemen in de aantrekking van [het eeuwigdurende seizoen van] de lente. (15) Daar zag hij [Brahmâ] de Heer van de hele gemeenschap der toegewijden, de Heer van de godin, van het Universum en het offer, de Almachtige, die in bovenzinnelijke liefde gediend wordt door de meest vooraanstaande metgezellen zoals Sunanda, Nanda, Prabala en Arhana. (16) De dienaren die vol van liefde hun gelaat naar Hem op hebben geheven zijn dronken van de zeer aangename aanblik van Zijn glimlach, Zijn rood doorlopen ogen, Zijn gezicht met Zijn helm en oorbellen, Zijn vier handen, Zijn gele kleding, Zijn borst met merkteken en de Godin van het Geluk aan Zijn zijde. (17) Gezeten op Zijn hoogst kostbare troon geniet Hij als de Allerhoogste Heer volop van Zijn verblijfplaats alwaar Hij wordt omringd door de weelde van Zijn vier energieën [de principes van de materie, de oorspronkelijke persoon, het intellect en het ego], Zijn zestien energieën [de vijf elementen, de waarnemende en werkende zintuigen en de geest], Zijn vijf energieën [de zinsobjecten van vorm, smaak, geluid, geur en aanraking], Zijn zes energieën [de volheden van de kennis, intelligentie, schoonheid, boetvaardigheid, roem en rijkdom] en de overige persoonlijke vermogens die Hij soms ten toon spreidt [de acht siddhi's of mystieke perfecties].

(18) De Schepper van het Universum, die overweldigd was door de aanblik van dat gehoor, boog met zijn hart vol van extase en met zijn lichaam vol van goddelijke liefde zich met tranen in zijn ogen neer voor de lotusvoeten van de Heer. Het vormde een voorbeeld dat gevolgd wordt door de grote bevrijde zielen. (19) Toen Hij hem voor zich aanwezig zag achtte de Heer de waardige, grote geleerde geschikt voor het gestalte geven - overeenkomstig zijn eigen gezag - aan de levens van alle levende wezens. Mild glimlachend schudde Hij zeer vergenoegd zijn partner in de goddelijke liefde de hand en richtte Hij zich in verlichte termen tot hem. (20) De Allerhoogste Heer zei: 'In tegenstelling tot de boete van hen die valselijk verenigd zijn [de 'kûtha yogi's'], ben Ik hoogst tevreden over de lang volgehouden boete, de boete waardoor zich in u, die het verlangde te scheppen, de Vedische kennis verzamelde. (21) Al Mijn zegen voor u, vraag enkel Mij, de schenker van alle zegeningen, welke gunst u ook maar wenst o Brahmâ. Want het uiterste van het komen tot de realisatie van Mij vormt het ultieme succes van een ieder zijn boetedoeningen. (22) Deze benijdenswaardige blik op Mijn verblijfplaats werd u vergund omdat u onderworpen luisterde toen u in afzondering van de hoogste boetedoening was. (23) Ik was het die het in die situatie zei [dat u boete moest doen] omdat u niet wist hoe u uw plicht moest doen. Die boete is Mijn hart zelf en de Ziel is wat Ik ben voor degene die erin verwikkeld is o zondeloze. (24) Ik schep door boetedoening, Ik handhaaf de kosmos door boetedoening en Ik trek me ook weer terug op basis van boetedoeningen. Men vindt Mijn macht door gestrenge boetedoening.'

(25) Brahmâ zei: 'O Allerhoogste Heer van alle levende wezens, U bent de regisseur zich bevindend in het hart die op basis van Uw onbetwiste, superieure intelligentie op de hoogte bent van alle ondernemingen. (26) Niettemin vraag ik U o Heer, alstUblieft mijn wens te vervullen om te begrijpen hoe U, terwijl U Zelf geen gedaante heeft, enerzijds kan verblijven in het voorbije terwijl U anderzijds nederdaalt in Uw gedaante zoals wij die mogen kennen. (27) En hoe speelt U het klaar om vanuit Uzelf middels Uzelf, door te combineren en te herschikken, Uw verschillende energieën ten toon te spreiden inzake het evolueren, accepteren, onderhouden en vernietigen? (28) O Mâdhava [meester van alle energieën], stel me alstUblieft in makkelijk te begrijpen woorden in kennis van al die [gedaanten] waaraan U feilloos, vastberaden gestalte geeft zoals een spin [zijn energie in zijn web] investeert. (29) Moge ik,  het van U lerend als mijn leraar van het voorbeeld en door Uw genade optredend als Uw instrument, ondanks het scheppen van de levens van de levende wezens, aldus nimmer gevangen raken in materiële gehechtheden. (30) O Heer, zoals een vriend dat doet met een vriend hebt U me [met een handdruk] aanvaard voor het tot stand brengen van de verschillende levens van de levende wezens. O mijn Heer, mogen allen die [via mij] in de dienst aan U ongestoord het licht van de wereld zien, er nimmer aanleiding toe geven dat de verbeelding me naar het hoofd stijgt, o Ongeborene.'

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'De kennis over Mij verkregen is zeer vertrouwelijk en wordt gerealiseerd in combinatie met toegewijde dienst en de nodige parafernalia. Begin er aan zoals Ik het u uitleg. (32) Moge er door Mijn genade voor u deze feitelijke realisatie zijn van Mijn eeuwige gedaante en bovenzinnelijke bestaan, Mijn kleuren, kwaliteiten en handelingen. (33) Ik was er voordat de schepping er was toen er nog niets anders bestond, niets van de oorzaak en het gevolg van dit alles dat Ik ook ben, en Ik ben het ook die van al het geschapene ten slotte overblijft; dat is wat Ik ben. (34) Dat wat zich als waardevol voordoet, is niet wat het schijnt te zijn als het niet met Mij in relatie staat - ken Mijn begoochelende energie als een afschaduwing van de duisternis. (35) De elementen van het universum doen zich, voordat ze [bij de schepping] betrokken raken zowel als erna, in het klein voor zowel als in het groot. Op dezelfde manier ben Ik [op Mijn kleinst] in hen aanwezig zowel als [op Mijn grootst] niet in hen aanwezig. (36) Hij die van de ziel zijn studie heeft gemaakt mag ervan uitgaan dat hij, totdat hij hierop uitkomt, de werkelijkheid en het principe van het Zelf zowel direct [spiritueel] als indirect [wetenschappelijk] moet onderzoeken, in relatie tot iedere tijd, op iedere plaats en in elke omstandigheid. (37) Als je doelbewuste denken gefixeerd blijft op deze conclusie over het Allerhoogste, hoef je er niet bang voor te zijn je verstand te verliezen, niet als je even [met de kalpa] de weg kwijt bent, noch als je leven [met de eindtijd van de vikalpa] is afgelopen.' "

(38) S'uka zei: "Na aldus alles goed te hebben uitgelegd, verdween de Ongeborene, Heer Hari, zoals Hij door de leider van de levende wezens [Brahmâ] werd waargenomen in Zijn bovenzinnelijke gedaante van het Allerhoogste Zelf. (39) Nadat Hij uit het zicht was verdwenen hervatte Brahmâjî die zijn handen had gevouwen voor de Heer die het voorwerp vormt van al de zinnen [der toegewijden], op dezelfde wijze als voorheen het scheppingswerk van de levens van alle levende wezens die het universum bevolken. (40) Zo gebeurde het op een keer dat hij, de vader van alle levende wezens en het religieuze leven, zich met gelofte en respect wijdde aan de kwestie van het welzijn van de levende wezens, want dat was wat hij verlangde in het belang van hun eigen goede kwaliteiten. (41) Nârada, de meest dierbare van zijn erfgenamen, is hem zeer gehoorzaam in zijn bereidheid dienst te verlenen met zijn goede gedrag, zachtgeaardheid en zinsbeheersing. (42) O Koning, de grote wijze en eersteklas toegewijde behaagde zijn Vader [Heer Brahmâ] zeer met zijn verlangen om [meer] te weten over Vishnu, de Heer van alle energieën. (43) Op dezelfde manier als u mij aan het ondervragen bent, ondervroeg Nârada Muni hem toen hij zag dat dat naar de tevredenheid was van de overgrootvader van het hele Universum. (44) Dit Verhaal van de Fortuinlijke, de Bhâgavata Purâna met zijn tien eigenschappen [dat werd samengevat in de vier verzen 33-36, zie verder het volgende hoofdstuk], werd met grote voldoening door de Allerhoogste Heer uiteengezet aan Zijn [ongeboren] zoon, de schepper van het universum. (45) Aan de oever van de Sarasvatî onderrichtte Nârada [op zijn beurt] dit Allerhoogste van de Geest aan de grote wijze, de meditatieve Vyâsadeva die van een onbegrensd vermogen is, o Koning. (46) Al de dingen die u me vroeg wat betreft de wereld van de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon en andere aangelegenheden, zal ik u nu zeer gedetailleerd beschrijven."

*: Een goddelijk, hemels of godenjaar staat gelijk aan 360 menselijke jaren.




Hoofdstuk 10: Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen

(1) S'rî S'uka zei: 'In dit [boek, het S'rîmad Bhâgavatam] komen de volgende [tien onderwerpen] ter sprake: de primaire schepping [sarga], hoe de interacties tussen het levende en het levenloze tot stand kwamen [visarga], de planetaire orde [sthâna], het geloofsbehoud [poshana], de aanzet tot handelen [ûtaya], de bestuurlijke tijdperken [manvantara's], verhalen over de Heer Zijn verschijningen [îs'a-anukathâ], terugkeer naar God [nirodha], bevrijding in toegewijde dienst [mukti] en het summum bonum [het leven van Krishna, âs'raya]. (2) De grote wijzen herleidden de bedoeling van de [eerste negen] kenmerken van dit [Bhâgavatam] tot de verheldering van het summum bonum. Dit leidden ze af uit de woorden zelf die in de tekst gebruikt worden danwel uit hun strekking. (3) De [zestien elementen van de vijf] grofstoffelijke elementen, de  [vijf] objecten van de zinnen en de zintuigen zelf met inbegrip van de geest vormen de manifestatie die de schepping van de schepper [sarga] wordt genoemd en wat resulteerde uit hun interactie met de drie geaardheden van de natuur [de guna's] wordt de secundaire schepping [visarga] genoemd. (4) De stabiliteit van de werelden [sthâna] is de glorie van de Heer van Vaikunthha en Zijn genade vormt het geloofsbehoud [poshana]. Het bestuur van de Manu's [in de manvantara's] regelt de volmaaktheid van de plichtsbetrachting die de aanzet tot handelen vormt met de karmische geneigdheden [ûtaya]. (5) De verschillende verhalen over de Heer [îs'a-anukathâ] beschrijven de activiteiten van de avatâra's van de Hoogste Persoonlijkheid van God en de personen die Zijn volgelingen zijn. (6) Terugkeren naar God [nirodha] gaat over het berusten van de zielen in de Oorspronkelijke Persoon en Zijn energieën, terwijl bevrijding [mukti] het opgeven van andere vormen [van bestaan] behelst om gevestigd te raken in de Oorspronkelijke Aard. (7) Hij die als de bron van waaruit de kosmische manifestatie plaatsvindt ook staat voor de terugkeer naar God, wordt om die reden het reservoir [de âs'raya] van de Allerhoogste Geest of de Superziel genoemd.

(8) Hij als de persoon in het bezit van zijn zinnen [adhyâtmika] is zowel de heersende godheid [adhidaivika] als de persoon die daarvan onderscheiden er is als een ander belichaamd levend wezen [adhibhautika]. (9) Hij die inziet dat men geen begrip kan hebben van één van de drie zonder de andere twee, weet dat Hij, de Superziel, de ondersteuning vormt voor Zijn eigen toevlucht. (10) Toen die Allerhoogste Persoon [expanderend in de ruimtetijd] de universa scheidde, trad Hij in Zijn verlangen om van de zuiverste transcendentie te zijn, buiten Zichzelf om zich neer te vleien in de geschapen [causale] wateren. (11) Voor een duizendtal godenjaren in deze wateren van Zijn eigen schepping verblijvend werd Hij bekend onder de naam Nârâyana ['de weg van Nâra'] omdat deze wateren die ontstonden uit de Allerhoogste Persoon [uit 'Nara'], Nâra heten. (12) De materiële elementen, het karma, de tijd en de geconditioneerde levende wezens bestaan allen bij Zijn genade en houden op te bestaan bij [Zijn] verwaarlozing. (13) Waar Hij lag in Zijn mystieke sluimer was Hij geheel alleen. Aldus wenste Hij zich bij machte van Zijn mâyâ te vermenigvuldigen en deelde Hij Zijn goud glanzende zaadbeginsel in drieën. (14) Laat me u nu vertellen over hoe de Heer die Zijn ene vermogen toen in drie verschillende vermogens deelde kwam tot de drie delen van 1) Zichzelf of van Zijn natuur, adhidaiva, 2) de individuele ziel, adhyâtma en 3) de andere levende wezens, adhibhûta.

(15) Vanuit de ether in het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon ontwikkelde zich, met Zijn wens, het zinsvermogen, het mentale vermogen en het lichamelijke vermogen, waarna toen de levensadem [de prâna] naar voren trad als het alles en iedereen beheersende principe. (16) Net als het gevolg van een koning, volgen de zinnen de levenskracht van de prâna die actief is in alle levende wezens en als de levenskracht niet langer actief is houdt de rest er ook mee op. (17) De levenskracht die werd opgewekt  [vanuit de ether] wekte in de Almachtige honger en dorst op en om die dorst te lessen en honger te stillen, opende zich toen allereerst de mond. (18) Van de mond openbaarde zich het verhemelte waarna de tong zich manifesteerde alsmede de verschillende smaken die hij ermee kon genieten. (19) Met de behoefte om te spreken kwamen er uit de Allerhoogste [de daarover heersende god van] het vuur voort,  het spraakvermogen en het spreken zelf, maar omdat Hij in rust verkeerde in de wateren, bleven die voor een zeer lange tijd opgeschort. (20) Ernaar verlangend geuren te ruiken ontwikkelde de neus zich met zijn reukzin tesamen met de neusgaten om snel de lucht te kunnen inademen die de geur meevoert. (21) Op zichzelf bestaand in de duisternis verlangde Hij het om Zichzelf en de rest van de schepping te zien. Toen splitste terwille van Zijn waarnemen de zon zich af die de ogen het gezichtsvermogen schonk. (22) Toen de Heer ertoe besloot dat de wijzen het opperwezen zouden moeten begrijpen manifesteerden zich eveneens de oren met inbegrip van het gezag der windrichtingen, de gehoorzin en dat wat er kon worden gehoord. (23) Vanuit Zijn verlangen om het harde, zachte, lichte, het gewicht, de hitte en de kou van alle materie te ervaren, verpreidde de tastzin zich over de huid samen met de lichaamsbeharing, de planten en de bomen. Die tastzin van de huid wierp zich op door de voorwerpen die vanbinnen en vanbuiten werden waargenomen.

(24) Vanuit Zijn verlangen naar verschillende vormen van arbeid manifesteerden zich Zijn handen, maar om kracht te verlenen aan hun manipulatie [hun godheden] vond Indra, de koning der goden, zijn bestaan als de manifestatie van beiden. (25) Het wensend het bewegen te beheersen manifesteerden zich de benen, terwille waarvan de Heer van het Offer [Vishnu] Zichzelf manifesteerde [als hun heersende godheid] die de verschillende levende wezens motiveert overeenkomstig de plichten van hun vruchtdragend handelen [hun karma]. (26) Verlangend de nectar van het genoegen van de voortplanting te proeven verschenen de geslachtsorganen van de man en de vrouw en vond het lustmatige zijn bestaan waar beiden zo graag hun toevlucht toe nemen [beheerst door de Prajâpati]. (27) Ernaar verlangend de overblijfselen van het eten uit te scheiden kwam eerst de opening van de anus tot stand en toen de zin en substantie ervan waarna Mitra, de heerser over de uitscheiding, verscheen terwille van de bescherming van hen beide. (28) Met Zijn wens zich vrij van het ene lichaam naar het andere te verplaatsen, manifesteerde zich in het lichaam de navel die de schuilplaats werd voor eerst de laatste adem die wordt uitgeblazen en vervolgens de dood. (29) In de behoefte aan voedsel en drinken vond de buik met de ingewanden en de aderen zijn oorsprong waarvoor de rivieren en de zeeën de bron vormen van hun onderhoud en stofwisseling. (30) Ernaar verlangend Zijn eigen energie te kennen manifesteerde zich het hart [als de zetel van het denken] waarna de geest, Candra de heerser erover [de maan] verscheen en daarmee ook de vastberadenheid en al het verlangen. (31) De zeven elementen van de nagels, de huid, het vlees en het bloed, het vet, het merg en het been zijn hoofdzakelijk van aarde, water en vuur terwijl de levensadem een product is van de ether, het water en de lucht [zie ook kos'a].

 
(32) De zinnen van het materiële ego zijn gehecht aan de geaardheden van de materie. Die geaardheden beïnvloeden de geest en al de gevoelens die erbij horen waardoor de intelligentie en de gerealiseerde kennis voor het individu hun vorm aannemen. (33) De Allerhoogste Heer Zijn grofstoffelijke gedaante wordt, zoals ik u dat uitlegde, onder dit alles gekend aan de hand van de acht elementen [van aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] waaruit de planeten en al het overige bestaan, die samen een onbegrensd uitgedijde, uitwendige bedekking vormen. (34) Om die reden hebben we de woorden van het denken overeenkomstig het transcendentale die het Allerhoogste dienen dat fijner is dan het fijnste, dat het ongemanifesteerde is zonder kenmerken, dat zonder een begin is, zonder een tussenstadium en zonder een einde en aldus eeuwig is. (35) Geen van deze twee [materiële en verbale] vormen van de Allerhoogste Heer zoals ik ze u beschreef worden, vanwege hun uitwendigheid, ooit door de geleerden van het bewustzijn voetstoots aangenomen. (36) Hij die in feite niets doet [akarma is] vertoont zich in de gedaante van het woord en dat waar dat woord betrekking op heeft: de uiteenlopende gedaanten van de Absolute Waarheid en de Allerhoogste Heer en vat in het spel en vermaak van Zijn vormen en namen het werk op van de transcendentie. (37-40) O Koning, weet dat al het geluk en leed en hun mengvormen er is als het gevolg van baatzuchtig handelen [het karma]. Dat is de ervaring van al de leden van de familie van Brahmâ, de Manu's, de goddelijken, de wijzen, de bewoners van Pitriloka [de voorvaderen] en Siddhaloka [de volmaakten], de Cârana's [de eerbiedwaardigen], Gandharva's [de zangers van de hemel], Vidyâdhara's [de wetenschappers], de Asura's [de onverlichten], Yaksha's [schatbewaarders of boze geesten], Kinnara's [van de supermachten] en de engelen; de slangachtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de menselijke wezens, de bewoners van Mâtriloka [de plaats van de moeder], de demonen en de Pis'âca's [gele vleesetende duivels]. En dat geldt ook voor de spoken, geesten, waanzinnigen en boze geesten, duivels die bezit van mensen nemen, de vogels, de dieren die in het bos leven en de huisdieren, de reptielen, zij die in de bergen leven, de bewegende en niet bewegende levende wezens, de levende wezens geboren uit embryo's, uit eieren, uit broeiwarmte [micro-organismen] en uit zaden, en alle overigen, of ze zich nu in het water, op het land, of in de lucht bevinden.

(41) Afhankelijk van de geaardheden der goedheid, hartstocht en traagheid zijn er aldus de drie [bestaansvormen] van het goddelijke, het menselijke en zij die moeten lijden. Er bestaan ook andere [geboorten] o Koning, als men uitgaat van mengvormen overeenkomstig de gewoonten die men in een van de drie geaardheden ontwikkelt met benaderingen ontleend aan de andere twee. (42) Duidelijk is dat als de Allerhoogste Heer, de handhaver van het universum de universa tot stand heeft gebracht Hij het dharma handhaaft [en de levende wezens verlost] door de gedaanten aan te nemen van goden, mensen en lagere levensvormen. (43) Zoals de wind de wolken uiteendrijft zal Hij in de gedaante van Rudra [S'iva of  de vernietiger] aan het einde van het tijdperk middels vuur alles geheel vernietigen. (44) De Allerhoogste Heer wordt door hen die Zijn wezen niet kennen beschreven met het idee van deze kenmerken [van scheppen en vernietigen], maar de wijzen en leraren moeten zich niet verwaardigen de hoogste glorie enkel zo te bezien. (45) Nimmer wordt wat betreft de zaak der schepping enzovoorts, het bovenzinnelijke Allerhoogste beschreven als zijnde de instantie die zaken bewerkstelligt, want het idee [van het bekleden van een verheven positie] is er om tegenwicht te bieden aan dat wat door de materiële energie ten toon wordt gespreid. (46) Wat ik hier samengevat zeg betreft het tot stand komen van de gehele uitgebreidheid van de materiële schepping. Ik weidt er nu alleen maar over uit om de regulerende beginselen te illustreren die een rol spelen bij het proces van schepping gedurende de periode van een dag van Brahmâ [een kalpa] en van vernietiging gedurende een tussenliggende periode [een vikalpa]. (47) Ik zal u ook nog uitleg verschaffen over de kenmerken en afmetingen van de tijdmaten van een dag van Brahmâ [kalpa], maar laat me u allereerst op de hoogte brengen van dit tijdperk [ookwel de Pâdma Kalpa of Varâha Kalpa genaamd].' "

(48) S'aunaka zei: "O Sûta, u vertelde vanuit de goedheid van uzelf over Vidura, die één van de beste toegewijden is,  op weg naar de pelgrimsoorden op deze aarde en die daarbij de verwanten achterliet die zo moeilijk op te geven zijn. (49-50) O zachtmoedige, vertel ons hier alstublieft over de conversatie die Vidura had met Maitreya [een beroemde rishi] die zo vol van bovenzinnelijke kennis is. Wat vroeg hij Zijne genade allemaal en welke waarheden kreeg hij toen ten antwoord? En waarom gaf Vidura eigenlijk zijn bezigheden en metgezellen op en keerde hij nadien weer terug naar huis?"

(51) Sûta antwoordde: "Dit werd ook door Koning Parîkchit gevraagd. Ik zal u vertellen wat de grote wijze erover zei toen hij de vraag van de koning beantwoordde. Luister goed."

 

Aldus eindigt het tweede Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: De Kosmische Manifestatie.


 

CANTO 3: De Status Quo


Hoofdstuk 1: Vragen Gesteld door Vidura

(1) S'uka zei: 'Dit is wat Vidura voorheen vroeg aan Zijne Genade Maitreya Rishi toen hij het woud inging nadat hij zijn leven in welstand had verzaakt: (2) 'Wat te zeggen van het huis [van de Pândava's] waar ik mee geïdentificeerd ben? S'rî Krishna, de Allerhoogste Heer en meester van allen, werd aanvaard als de gezant van Zijn volk en had het opgegeven het huis van Duryodhana te betreden.'

(3) De koning zei: 'Alstublieft zeg ons meester, waar en wanneer ontmoette Vidura Zijne Genade Maitreya Rishi om dit te bespreken? (4) De vragen die Vidura de heilige man stelde kunnen zeker niet onbelangrijk zijn geweest, ze moeten vol van de hoogste bedoeling zijn geweest zoals die op prijs wordt gesteld door de zoekers der waarheid.'

(5) Sûta zei: "Hij, de grote wijze S'ukadeva aldus ondervraagd door Koning Parîkchit, antwoordde hem volkomen tevredengesteld sprekend vanuit zijn grote kunde: 'Alstublieft, luister hiernaar'.

(6) S'rî S'ukadeva zei: 'In de tijd dat koning Dhritarâshthra zijn oneerlijke zoons aan het opvoeden was had hij die zich nooit op het rechte pad bevond zijn gezichtsvermogen verloren toen hij voor de zoons van zijn jongere broer [de verscheiden Pându, zie stamboom] optrad als hun voogd. Hij liet hen het huis van schellak ingaan dat hij toen aanstak [zie Mahâbhârata I 139-148]. (7) Toen in de samenkomst de echtgenote van de heilige Kuru's [Draupadî] werd beledigd door zijn zoon [Duhs'âsana] die haar bij haar haar greep, verbad de koning dit niet hoewel zijn schoondochter tranen plengde die het rode stof van haar borst wegwaste [zie Mahâbhârata II 58-73]. (8) Toen hij die geen vijanden heeft [Yudhishthhira] met oneerlijke methoden werd verslagen in een dobbelspel en als waarheidsgetrouw iemand het woud inging, werd hem toen hij na de afgesproken tijd terugkeerde nooit zijn gerechte deel toegekend door hem die overmand was door illusie [Dhritarâshthra]. (9) Ook werd Heer Krishna, toen Hij op de smeekbede van Arjuna in de bijeenkomst voor hen verscheen als de leraar van de wereld, met al Zijn woorden zo goed als nectar, door de koning niet serieus genomen temidden van al de zinnige mannen van wie het laatste restje vroomheid aan het wegkwijnen was.

(10) Toen Vidura op verzoek van zijn oudere broer [Dhritarâshthra] naar het paleis werd geroepen ging hij daar naar binnen om raad te geven en het advies dat hij toen met zijn aanwijzingen gaf was precies wat de goedkeuring van de ministers van staat kon wegdragen: (11) 'Geef nu het rechtmatig deel terug aan hem die zonder vijand is [Yudhishthhira] en die zo verdraagzaam was onder jouw onverdraaglijke overtredingen. Voor hem samen met zijn jongere broers, waaronder Bhîma die als een slang zo wraakzuchtig is van woede, zou u waarlijk bevreesd moeten zijn. (12) De zoons van Prithâ vallen nu onder de zorg van de Allerhoogste Heer der Bevrijding die met de ondersteuning van de brahmanen en de goddelijken zich momenteel ophoudt bij Zijn familie, de eerbiedwaardige Yadu dynastie, die samen met Hem een ongekend aantal koningen versloeg. (13) Hij [Duryodhana], deze slechte kerel die u voor uw zoon houdt, trad in uw huishouden naar voren als een vijand van de Oorspronkelijke Persoon. U die zich aldus tegen Krishna heeft gekeerd bent aldus verstoken van al het goede - aan dat ongeluk moet u, voor het heil van de familie, zo snel mogelijk een einde maken.'

(14) Nadat Vidura deze woorden had uitgesproken werd hij door Duryodhana ter plekke aangesproken. Rood aangelopen van woede en met trillende lippen beledigde hij in de aanwezigheid van Karna, zijn jongere broers en S'akuni [een oom van moeders zijde] de respectabele man van goede kwaliteiten met het volgende: (15) 'Wie heeft hem hier uitgenodigd, deze bastaardzoon van een dienstmaagd die opgroeide terend op de zak van hen die hij verraadt als een vijandelijke spion? Gooi hem onmiddellijk het paleis uit en laat hem slechts zijn adem!' (16) Vidura op zijn beurt zette terstond zijn boog bij de deur neer en verliet het paleis van zijn broer, in het diepst van zijn hart geraakt door het geweld dat op hem afkwam. Ondanks deze voor het oor kwetsende pijlen, zat hij er niet over in en voelde hij zich prima.

(17) Nadat hij de Kaurava's had verlaten, bereikte hij met zijn vertrek uit Hastinâpura de vroomheid van de Allerhoogste Heer op het moment dat hij zijn toevlucht nam tot pelgrimages. Hij verlangde enkel naar de hoogste graad van toewijding zoals die middels al die duizenden beeltenissen was gevestigd. (18) Hij reisde naar heilige plaatsen van toewijding alwaar de lucht, de heuvels en de boomgaarden, de wateren, rivieren en meren zuiver zijn met tempels opgeluisterd met de verschijningsvormen van het Oneindige. Aldus bewoog hij zich in zijn eentje rond over de heilige gronden. (19) Zuiver en onafhankelijk de aarde bereizend, werd hij geheiligd door de grond waar hij op sliep en zonder zijn gebruikelijke kleding uitgedost als een bedelaar tewerkgaand volgens de geloften om de Heer te behagen, kon men hem niet herkennen. (20) Op deze manier enkel door India reizend, kwam hij aan bij het land van Prabhâsa, dat destijds onder het bestuur van koning Yudhishthhira stond die bij de genade van de Onoverwinnelijke Heer de wereld onder één krijgsmacht en vlag regeerde [zie 1.13]. (21) Daar hoorde hij hoe al zijn verwanten waren omgekomen [te Kurukshetra] in een gewelddadige hartstocht als met een bamboebos dat afbrand door vlam te vatten als gevolg van de eigen wrijving. Daarop ging hij, stil met zijn gedachten, westwaarts in de richting van de rivier de Sarasvatî. (22) Aan de oever van de rivier bezocht hij en aanbad hij naar behoren, de heilige plaatsen genaamd Trita, Us'anâ, Manu, Prithu, Agni, Asita, Vâyu, Sudâsa, Go, Guha en S'râddhadeva. (23) Ook waren er andere plaatsen ingericht door de goddelijke tweemaal geborenen en toegewijden van de verscheidene vormen van Heer Vishnu, die als de leidende persoonlijkheid tot in de kleinste hoeken van de tempels terug te vinden was. Zelfs op een afstand deden ze denken aan Heer Krishna. (24) Vandaar door de welvarende koninkrijken van Surat, Sauvîra en Kurujângala (het westen van India) trekkend, gebeurde het dat toen hij na een zekere tijd bij de Yamunâ rivier aankwam, hij Uddhava, de Allerhoogste Heer Zijn grootste toegewijde tegenkwam [zie ook Canto 11].

(25) Hij omhelsde de sobere en zachtaardige constante metgezel van Vâsudeva die voorheen een student was van Brihaspati, de meester aller rituelen, en met grote liefde en veel gevoel hoorde hij hem uit over de familie van de Allerhoogste Heer: (26) 'Gaat het goed met de oorspronkelijke persoonlijkheden van God [Krishna en Balarâma] in het huis van S'ûrasena [de vader van koningin Kuntî, Prithâ], die, op het verzoek van de Schepper die uit de lotus werd geboren, voor de verheffing en het welzijn van een ieder nederdaalden in de wereld? (27) En is onze grootste Kuru en zwager Vasudeva [de vader van Heer Krishna] gelukkig, o Uddhava? Hij is waarlijk als een vader voor zijn zusters en vrijgevig in het naar het genoegen van zijn vrouwen voorzien in alles wat ze verlangen! (28) Alsjeblieft Uddhava, zeg me of de veldheer van de Yadu's, Pradyumna, wel helemaal gelukkig is. Hij was in zijn voorgaande leven de god van de liefde en is nu de grote held waaraan Rukminî, na het tevredenstellen van de brahmanen, geboorte schonk als de prins van de Allerhoogste Heer. (29) En gaat alles goed met Ugrasena, de koning van de Sâtvata's, Vrishni's,  Dâs'ârha's en Bhoja's? Hij is degene die van Heer Krishna weer op de troon mocht hopen toen hij het had moeten opgeven omdat hij buiten spel geplaatst was [onder oom Kamsa's heerschappij]. (30) O ernstige, gaat het goed met Sâmba, de zoon van de Heer die zoveel op Hem lijkt? Hij is de meest vooraanstaande en best gemanierde van alle strijders aan wie Jâmbavatî [een andere vrouw van Krishna] die zo rijk is in haar geloften het leven schonk na zijn voorgaande leven als de goddelijke Kârttikeya die geboren werd uit de echtgenote van S'iva. (31) En hoe is het met Yuyudhâna [Sâtyaki], hij die van Arjuna leerde en zijn doel bereikte als iemand die de finesses van de krijgskunst begreep en bovendien door dienst te leveren de bestemming van het Transcendentale bereikte die zelfs voor de grote verzakers zo moeilijk te bereiken is. (32) En de goed onderlegde, onbesproken zoon van S'vaphalka, Akrûra, hoe gaat het met hem? Hij is degene die in zijn overgave op het pad van Krishna's lotusvoeten uit zijn evenwicht geraakt neerviel in het stof en de tekenen vertoonde van bovenzinnelijke liefde. (33) Is alles goed met de dochter van Koning Devaka-Bhoja? Zoals uit de Veda's de bedoeling van het offeren voortkwam gaf zij [Devakî], net als de moeder der halfgoden [Aditi] die de godheid ter wereld bracht, geboorte aan Vishnu. (34) En is ook Hij, de Persoonlijkheid van God Aniruddha, volmaakt gelukkig, Hij die als de bron voor het vervullen van de verlangens van de toegewijden van oudsher beschouwd wordt als het geboortekanaal voor de Rig-Veda, de schepper van de geest en de vierde transcendentale, volkomen expansie van het Werkelijkheidsprincipe [van Vishnu-tattva]? (35) En anderen als Hridîka, Cârudeshna, Gada en de zoon van Satyabhâmâ die het goddelijke van hun eigen zelf als zijnde de ziel aanvaardden, o ootmoedige, en met een absoluut geloof van navolging zijn, gaat het hen ook allemaal goed met het doorbrengen van hun tijd?

(36) Handhaaft Yudhishthhira die heerst met de principes van het menszijn, het religieuze respect dat behoed wordt door de armen van Arjuna en de Onfeilbare? Het was hij die met de rijkdom van zijn koninklijke hofhouding en de dienst van Arjuna, de afgunst van Duryodhana wekte. (37) En koelde de onoverwinnelijke Bhîma, die gelijk een cobra is, zijn lang gekoesterde woede op de zondaren? Hij was niet te verslaan zoals hij met het wonderbaarlijke spel van zijn strijdknots optrad op het slagveld. (38) Gaat het goed met Arjuna, hij die zo roemrijk is onder de strijdwagenvechters en met zijn boog de Gândîva  zo vele vijanden versloeg? Eens behaagde hij Heer S'iva door hem met pijlen te bestoken toen S'iva zich onherkenbaar voordeed als een valse jager. (39) En zijn de tweelingzoons van Prithâ [Nakula en Sahadeva] nu zonder zorgen? Als oogleden die ogen beschermen werden ze beschermd door hun broers toen ze hun eigendommen terughaalden in het gevecht met de vijand zoals Garuda [de drager van Vishnu] dat deed [met de nectar] uit de mond van Indra. (40) O beminnelijke, is Prithâ nog in leven? Zij wijdde zich aan de zorg voor de vaderloze kinderen toen ze moest leven zonder koning Pându die in z'n eentje als een bevelvoerend strijder de vier windrichtingen de baas kon met enkel een tweede boog.

(41) O zachtmoedige, ik maak me alleen maar zorgen over hem [Dhritarâshthra] die ten val kwam toen zijn broer [Pându] stierf. Hij keerde zich tegen mij die hem het beste wenste en verdreef me uit mijn eigen stad met het zich aanmeten van dezelfde houding als zijn zoons. (42) Daarom reis ik bij de genade van Zijn voeten incognito rond door deze wereld van de Heer die voor anderen dan Hij zo verbijsterend is om te beheersen. Ik verloor Zijn voeten nooit uit het oog omdat ik geen twijfel kende in deze aangelegenheid. (43) Wat betreft de koningen die afdwaalden door de drie soorten van valse trots [als gevolg van bezittingen, afkomst en navolgers] en die voortdurend moeder aarde van streek brachten door de bewegingen van hun troepen, wachtte Hij als de Allerhoogste Heer die er op uit is het lijden van de overgegeven zielen weg te nemen, er ondanks de overtredingen van de Kuru's natuurlijk mee om hen te doden. (44) De verschijning van de Ongeborene, van Hem die zonder enige verplichting in de wereld aanwezig is, is er om korte metten te maken met de parvenu's opdat allen tot inzicht mogen komen. Voor welk doel zou Hij anders een lichaam en allerlei soorten van karma op zich nemen? (45) O mijn vriend, bezing de heerlijkheden en bespreek de verhalen van de Heer van alle heilige plaatsen die vanuit Zijn ongeboren positie geboorte nam in de familie van de Yadu's voor het heil van alle heersers van het universum die zich overgaven aan Hem en [de devotionele cultuur van] Zijn zelfbeheersing.'

 

Hoofdstuk 2: Terugdenken aan Krishna

(1) S'uka zei: 'De grote toegewijde [Uddhava] ondervraagd door Vidura over wat aangaande de meest dierbare kon worden gezegd, moest terugdenken aan de Heer en kon niet direct antwoorden omdat hij overweldigd werd door emoties. (2) Hij was iemand die in zijn kindertijd op vijfjarige leeftijd door zijn moeder aan het ontbijt geroepen, er niets van wilde weten omdat hij was opgegaan in een spel van dienstbaarheid [aan Heer Krishna]. (3) Hoe zou een dergelijke dienstbaarheid van Uddhava in de loop van de jaren nu minder kunnen worden? Toen hem [dus] enkel maar gevraagd werd over Hem te vertellen, schoot hem zich alles van de Heer Zijn lotusvoeten te binnen. (4) Voor een ogenblik viel hij geheel stil als gevolg van de nectar van de voeten van de Heer. Sterk als hij was en goed gerijpt in de verbondenheid van de toewijding, raakte hij volledig in beslag genomen door de liefde van de goedheid ervan. (5) Ieder deel van zijn lichaam vertoonde de tekenen van bovenzinnelijke extase en toen hem de tranen in de ogen sprongen omdat hij Hem zo miste, zag Vidura dat hij het voorwerp van zijn grootste liefde had bereikt. (6) Langzaam keerde Uddhava uit de wereld van de Heer weer terug naar de menselijke wereld en zijn tranen wegwissend sprak hij vol gevoel tot Vidura vanuit al die herinneringen.'

(7) Uddhava zei: 'Wat kan ik nu over ons welbevinden zeggen nu de zon van Krishna is ondergegaan en het huis van mijn familie is verzwolgen door het grote serpent van het verleden? (8) Hoe onfortuinlijk is het voor deze wereld en in het bijzonder de Yadu dynastie om samenlevend met de Heer Hem net zo min te herkennen als de vissen de maan. (9) Zijn eigen mensen de Sâtvata's waren onverschrokken lieden met een goede mensenkennis die zich met Hem als het hoofd van de familie konden ontspannen en over Hem dachten als degene die overal achter stak. (10) Ook al zijn zij, net zo goed als anderen die zich aan illusies vastklampen, allen bevangen door de illusie van het uiterlijke van God, de intelligentie van de zielen die zich innerlijk volledig hebben overgegeven aan de Heer zal door de woorden die de anderen bezigen [echter] nooit op een dwaalspoor raken. (11) Na zich te hebben vertoond aan personen die zonder boete en de vervulling van idealen leefden ging Hij vervolgens, toen Hij Zijn gedaante aan het gezicht van het publiek onttrok, over tot het wapenfeit van Zijn eigen verdwijnen. (12) Die gedaante die Hij toonde  in de sterfelijke wereld was volmaakt geschikt voor Zijn spel en vermaak waarin Hij de macht van Zijn magie van binnenuit toonde. Die gedaante leidde tot de ontdekking van Zijn wonderen, Zijn opperste weelde en het ultieme ornament der ornamenten: Zijn voeten.

(13) Al de [bewoners van de] drie werelden die tijdens Koning Yudhishthhira's Rajasûya-[konings-]offer Zijn alleraantrekkelijkste gedaante zagen stonden versteld en vonden dat het vakmanschap van Brahmâ's universele schepping met Hem aanwezig in de stoffelijke wereld was overtroffen. (14) Door Zijn lachen, speelse aard en zijdelingse blikken raakten de vrouwen van Vraja meer en meer aan Hem gehecht en volgden ze Hem met hun blikken zodat ze helemaal afgeleid afwezig zaten te dromen zonder nog aan hun huishoudelijk werk toe te komen. (15) De Ongeborene die toch geboren werd, de eindeloos genadige Heer en heerser over het spirituele en materiële bereik verscheen terwille van de toegewijden als de Fortuinlijke, de Heer der Volheden, als Bhagavân die onder begeleiding van al Zijn metgezellen als een vuur is voor al de anderen die, [zoals Kamsa] levend volgens hun eigen materiële opvattingen, een plaag vormen.

(16) Het doet me pijn om te zien hoe Hij, ongerboren van aard, Zijn zo verbijsterende geboorte nam [in de gevangenis] waar Vasudeva leefde, hoe Hij thuis bij Vasudeva in Vraja leefde alsof Hij bang was voor de vijand [oom Kamsa] en hoe Hij, de Onbegrensd Machtige, uit de stad Mathurâ vluchtte [de hoofdstad waar Krishna verbleef na Kamsa verslagen te hebben]. (17) Het doet me verdriet wat Hij in Zijn respectbetoon aan de voeten van Zijn ouders zei: 'O moeder, o vader, in grote angst voor Kamsa hebben we gefaald in onze dienstverlening, wees alstublieft tevreden over ons!' (18) Hoe kan men als men eenmaal het stof van Zijn lotusvoeten in de neus heeft, Hem nu vergeten die met enkel het optrekken van Zijn wenkbrauwen de last van de wereld de genadeslag gaf? (19) Uwe goedheid zag toch met eigen ogen hoe tijdens Yudhishthhira's koninklijke offerplechtigheid de koning van Cedi [S'is'upâla] ondanks zijn jaloezie met Krishna de volmaaktheid bereikte, de perfectie die het hoogst begeerde doel vormt voor de yogi's die dankzij hun yoga het kunnen verdragen van Hem gescheiden te zijn. (20) En zeker hebben ook anderen in de menselijke samenleving Zijn hemelverblijf bereikt: zij die als krijgsheren Krishna's zeer aangenaam ogende lotusgezicht en ogen zagen op het slagveld dat door Arjuna's pijlen werd gezuiverd. (21) Hij is niemand minder dan de unieke Opperheer van de drievoudige werkelijkheid door wiens onafhankelijkheid het hoogste geluk wordt bereikt en voor wiens voeten alle [koningen vol van] verlangens hun helmen buigen in aanbidding met alle toebehoren onder leiding van de eeuwige behoeders van de maatschappelijke orde. (22) Derhalve smart het ons als dienaren in Zijn dienst o Vidura, om te zien hoe Hij zich voor Koning Ugrasena  die afwachtend op zijn troon zat onderwierp met de woorden: 'O mijn Heer, alstublieft, bezie het op deze manier'.

(23) Tot wiens beschutting zou ik anders mijn toevlucht moeten nemen? Oh, wie verzekert me van een grotere genade dan Hij die, ondanks het trouweloze van die demone [Pûtanâ] die uit jaloezie haar borst vergiftigde om Hem dood te voeren, haar de positie toekende van een moeder? (24) Ik denk dat zij die als tegenstanders vijandigheid koesteren jegens de Heer der Drievoudigheid grote toegewijden zijn omdat ze, verzonken in de gedachte aan de strijd met Hem, Hem op Zijn drager [Garuda] konden zien aankomen met Zijn cakrawapen. (25) Geboren uit de schoot van Devakî in de gevangenis van de koning van Bhoja [Kamsa], verscheen de Fortuinlijke op de gebeden [van de Schepper] terwille van het welzijn van de aarde. (26) Daarna werd Hij door Zijn [pleeg-]vader Nanda grootgebracht op de weidegronden, waar Hij uit angst voor Kamsa, tezamen met Baladeva [Balarâma] elf jaar lang [in het geheim] verbleef op de manier waarop men een vlam beschut. (27) Omringd door koeherdersjongens kalveren weidend trok de Almachtige rond langs de oevers van de Yamunâ door tuinen vol van de geluiden van het getjilp van de hemelse vogels in de vele bomen aldaar. (28) Het verlokkelijke vertoon van het spel en vermaak van Zijn jeugd kon alleen worden gewaardeerd door de inwoners van Vraja, het land van Vrindâvana, alwaar Hij eruit ziende als een leeuwenwelpje net als andere kinderen huilde en lachte en met verwondering geslagen was. (29) Als de bron van het geluk bracht Hij, terwijl Hij  de schat aan prachtige koeien hoedde, de koeherdersjongens in de stemming door op Zijn fluit te spelen. (30) De grote tovenaars die door de koning van Bhoja waren ingezet om iedere gedaante aan te nemen die ze wilden, werden toen ze in de loop van Zijn spel en vermaak ten tonele verschenen, gedood door Hem die tewerk ging als een kind dat met poppen speelt. (31) [Om de inwoners van Vrindâvana te helpen die] in moeilijkheden [verkeerden] door het [door hun zonen] drinken van het vergif [van de slang Kâliya in het water van de Yamunâ], onderwierp Hij de aanvoerder der reptielen en liet Hij, nadat Hij uit het water kwam, de koeien ervan drinken om te bewijzen dat het weer in zijn natuurlijke staat verkeerde. (32) Verlangend de weelde van Nanda, de rijkdom van de koning der koeherders, naar behoren te gebruiken, liet Hij ze met behulp van de brahmanen de koeien en het land aanbidden [in plaats van Indra]. (33) Indra boos over de belediging liet het hoogst verstoord zwaar regenen boven Vraja. De koeherders werden toen door de genadevolle Heer daartegen beschermd met de [Govardhana] heuvel die in Zijn spel dienst deed als paraplu, o nuchtere Vidura. (34) Tijdens de herfst schiep Hij eens, in een nacht helder van het maanlicht, er ter vermaak van de vrouwen genoegen in om als het schone aangezicht van de nacht Zelve in hun midden aangename liederen te zingen.'


Hoofdstuk 3: Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana

(1) Uddhava zei: 'Toen de Heer daarna naar de stad Mathurâ kwam, sleurde Hij, die  het welzijn van Zijn ouders [die gevangen zaten] verlangde, samen met Baladeva [Kamsa] de aanvoerder der staatsvijandigheid van de troon en doodde hem door hem met kracht naar de grond te trekken. (2) Hij maakte zich ieder detail van de Veda's eigen na ze slechts één keer gehoord te hebben van Zijn leraar Sândîpani die Hij met de zegen beloonde dat Hij zijn zoon uit het innerlijke domein der overleden zielen - van de dood [Yamaloka] - terug zou halen. (3) Op verzoek van de dochter van koning Bhîshmaka [Rukminî] stal Heer Krishna  precies zoals Garuda dat deed [met de nectar der goden] haar als Zijn aandeel weg door allen het nakijken te geven die overeenkomstig het gebruik kandidaat waren om met haar te trouwen en toen waren gekomen in de hoop op dat geluk. (4) In een open wedstrijd voor de verkiezing van de bruidegom voor Prinses Nâgnajitî onderwierp Hij zeven wilde stieren en won Hij haar hand, maar de dwazen die in hun teleurstelling haar alsnog wilden, doodde en verwondde Hij zonder Zelf schade te lijden, goed uitgerust als Hij was met alle wapens. (5) Enkel vanwege het feit dat Hij, als een gewoon levend wezen, Zijn geliefde echtgenote een plezier probeerde te doen die wilde dat Hij  voor haar de Pârijâta heester [uit de hemel] haalde, trad Indra, de Koning van de Hemel, op de kop gezeten natuurlijk door zijn eigen vrouwen, in blinde woede tegen Hem in het geweer.

(6) Toen moeder Aarde zag hoe Narakâsura [Bhauma] haar zoon, die in de slag [tegen Krishna] fysiek vanuit de lucht een overwicht vormde [met projectielen], werd gedood door Zijn Sudars'ana Cakra [werpschijf], bad ze ervoor dat Hij aan Narakâsura's zoon [Bhagadatta] zou geven wat er restte [van het koninkrijk]. Toen Hij dat deed betrad Hij Narakâsura's vesting. (7) Direct stonden al de prinsessen die daar gekidnapt door de demon verbleven, voor Hem, de Vriend der Verdrukten klaar en aanvaardden ze vreugdevol Hem, Hem verlegen met reikhalzende blikken in hun harten sluitend [als hun echtgenoot]. (8) Hoewel ze in verschillende appartementen verbleven accepteerde Hij de hand van al de vrouwen tegelijkertijd door met een volmaakte regeling zich geheel naar ieders individuele aard te voegen middels Zijn innerlijk vermogen. (9) Met de wens Zich te vermeerderen verwekte Hij in ieder van hen een tiental kinderen die allemaal in ieder opzicht waren zoals Hijzelf.

(10) Kâlayavana, de koning van Magadha [Jarâsandha], Koning S'âlva en anderen die met hun soldaten Mathurâ hadden omsingeld, toonde Hij niet Zijn eigen wonderbaarlijke macht maar de macht van Zijn mannen. (11) Van S'ambara, Dvivida, Bâna, Mura, Balvala en anderen zoals Dantavakra en dergelijken, doodde Hij er enkele, terwijl Hij andere demonen door anderen liet doden [door Balarâma b.v.].

(12) Daarna vonden in de slag bij Kurukshetra, waar de aarde schudde onder het geweld van de wagenwielen, de koningen van beide partijen van je neven de dood. (13) Hij beleefde er geen genoegen aan om te zien hoe door het slechte advies van Karna, Duhs'âsana en Saubala, Duryodhana met al zijn macht van zijn geluk en levensduur was beroofd en nu samen met zijn gevolg met gebroken ledematen [op het slagveld] lag. (14) 'Wat is dit', zei de Heer toen met de hulp van Bhîshma en Drona [enerzijds], en Arjuna en Bhîma [anderzijds] de enorme last van de aarde van achttien akshauhinî's [een leger bestaande uit tien anikini's, ofwel 21.870 olifanten, 21.870 strijdwagens, 65.610 paarden, en 109.350 man voetvolk] was weggevaagd. 'Nog steeds is er de ondraaglijke last van de grote macht van Mijn verwanten, de Yadudynastie. (15) Ze zullen verdwijnen als onder invloed van drank er een onderlinge strijd uitbreekt die hun ogen rood als koper zal maken; er is geen alternatief om Me hiervan te verzekeren voor als Ik ben heengegaan.' (16) Met dat in gedachten kroonde de Allerhoogste Heer Yudhishthhira tot koning, en maakte Hij Zijn vrienden gelukkig door een uiteenzetting te geven over het pad der heiligen.

(17) De afstammeling van Pûru [Parîkchit] die door de held Abhimanyu werd verwekt in de schoot van Uttarâ, zou zeker verbrand zijn door het wapen van de zoon van Drona als de Opperheer dat niet nogmaals zou hebben afgewend door hem te beschermen [zie S.B. 1: 7 & 8]. (18) De Almachtige bewoog de zoon van Dharma [Yudhishthhira] ertoe om ook drie paardoffers te brengen en daarin bijgestaan door zijn broers beschermde en genoot hij de aarde als een trouwe volgeling van Krishna.

(19) De Allerhoogste Heer en Superziel van het Universum die naar gebruik het pad der Vedische principes volgde, genoot in de stad Dvârakâ van de lusten des levens zonder gehecht te raken. Dat deed Hij door vast te houden aan het analytisch systeem van de yoga [Sânkhya]. (20) Zachtmoedig en met lieve glimlachen en woorden gelijk aan nectar, hield Hij zich daar met Zijn smetteloze karakter op in Zijn bovenzinnelijke lichaam, in het verblijf van de godin van het geluk. (21) Met het met name behagen van de Yadu's genoot Hij van deze aarde en zeker ook van de overige werelden, terwijl Hij in de rustige uren van de nacht de vriendschap met de vrouwen onderhield in de echtelijke liefde. (22) Aldus genoot Hij voor vele, vele jaren een  huishoudelijk bestaan van [zinnelijke] vereniging die de basis vormde voor Zijn onthechting. (23) Net zoals dat bij Hem het geval is, wordt het genot van de zintuigen van welk levend wezen ook geregeld door het goddelijke, een heiligheid waarin men vertrouwen kan stellen door zich te verenigen in dienstbaarheid aan de Heer van de Yoga.

(24) In de stad Dvârakâ hadden de prinselijke nazaten van Yadu en Bhoja op een dag een streek uitgehaald en zich zo de woede van de wijzen op de hals gehaald die hen toen vervloekten zoals de Heer dat gewenst had. (25) Een paar maanden later begaven de afstammelingen van Vrishni, Bhoja en anderen als de zonen van Andhaka, begoocheld door Krishna, zich opgetogen naar het pelgrimsoord genaamd Prabhâsa. (26) Daar namen ze een bad en betoonden ze met hetzelfde water hun voorvaderen, de goden en de grote wijzen hun respect. Toen schonken ze in adellijke vrijgevigheid koeien aan de brahmanen. (27) Voor hun levensonderhoud verschaften ze hen ook goud, gouden munten, beddengoed, kleding, zetelbedekkingen, dekens, paarden, strijdwagens, olifanten, meisjes en land. (28) Na de brahmanen te hebben voorzien van hoogst kostelijk voedsel dat eerst aan de Opperheer was geofferd, brachten de heldhaftige vertegenwoordigers, voor het heil van hun goede leven, de koeien en de brahmanen hun eerbetuigingen door de grond met hun hoofden te beroeren.'

 

Hoofdstuk 4: Vidura wendt zich tot Maitreya

(1) Uddhava zei: 'Na met de permissie van de brahmanen te hebben gegeten van de offers dronken zij [de Yadu's] sterke drank waarmee ze hun geest bedierven zodat ze  elkaar kwetsten met ruwe taal. (2) Toen de zon onderging waren ze de evenwichtigheid van hun denken kwijtgeraakt en moesten ze als gevolg van de vergissingen die de bedwelming in de hand werkte onder ogen zien hoe de vernietiging met de bamboestokken [waarmee ze begonnen te vechten] plaats greep. (3) De Allerhoogste Heer, die vanuit Zijn innerlijk vermogen het einde had voorzien, ging naar de rivier de Sarasvatî en na te nippen van het water ging Hij onder een boom zitten. (4) De Heer neemt het leed weg van de zielen die zich aan Hem overgeven en daarom zei Hij die de vernietiging van Zijn eigen familie wenste: 'Je moet naar Badarikâs'rama gaan'. (5) Maar omdat ik niet in staat was het te verdragen gescheiden te zijn van Zijn lotusvoeten ging ik tegen Zijn wens in de Meester achterna, o onderwerper van de vijand [Vidura]. (6) Ik zag toen hoe mijn Beschermheer en Meester, Hij die geen toevlucht hoeft te zoeken, diep in gedachten alleen aan de oever van de rivier ging zitten om Zijn toevlucht te zoeken bij de godin.

(7) Prachtig met Zijn donkere huidskleur, van zuivere goedheid en vreedzaam met Zijn rood doorlopen ogen, kon Hij worden herkend als degene met de vier armen en de gele zijden kleding [Vishnu]. (8) Met Zijn rechtervoet op Zijn dijbeen rustend tegen een jonge banyanboom zag Hij die Zijn huiselijke gemakken achter zich had gelaten er opgelucht uit.

(9) Op dat moment kwam [Maitreya,] een grote toegewijde en volgeling van Krishna Dvaipâyana Vyâsa [Vyâsadeva], een weldoener en vriend die de drie werelden bereisde, op eigen gelegenheid daar [eveneens] op die plek aan. (10) Gehecht aan Hem boog de wijze zich voorover in een houding van eerbied en luisterde aandachtig, terwijl de Heer der Bevrijding met vriendelijke blikken me glimlachend liet uitrusten en het woord tot me richtte. (11) De Opperheer zei: 'Ik weet van binnenuit wat je vroeger verlangde toen de welgestelden die deze wereld opbouwden hun offers aan het brengen waren. Ik schenk je nu wat voor de anderen zo moeilijk te bereiken is, o fortuinlijke: de associatie met Mij waarnaar je verlangt als het uiteindelijke doel van het leven. (12) Van al je incarnaties, o oprechte, is dit leven de vervolmaking omdat je Mijn genade hebt bereikt nu je Mij in de afzondering van het hebben verlaten van de werelden der mensen hebt gezien. Dit is wat je ziet als je van een niet aflatende toewijding bent [: Vaikunthha, het bevrijd zijn van de dwaasheid]. (13) Lang geleden, bij de aanvang van de Schepping, stelde ik Brahmâ op de lotus die uit Mijn navel kwam op de hoogte van de kennis van het allerhoogste van Mijn bovenzinnelijke heerlijkheden: ik legde hem uit wat de godvruchtigen het Bhâgavatam noemen.'

(14) Met de gunst die Hij mij verleende door zich aldus op mij te richten, zag ik, omdat ik voortdurend het object was van de genade van de Allerhoogste Persoon, hoe in mijn emotie mijn haren recht overeind gingen staan. Met mijn ogen wazig van het wissen der tranen, zei ik met gevouwen handen stamelend: (15) 'O mijn Heer, voor hen die naar Uw voeten leven, welke zo moeilijk te verwerven zijn, is het in deze wereld allemaal een kwestie van die vier doelen van het leven [dharma, artha, kâma, moksha; religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en bevrijding], maar daar geef ik niet zo veel om o Grootheid,  ik bekommer me er meer om Uw lotusvoeten te dienen. (16) Hoewel U geen verlangens kent onderneemt U van alles; hoewel U ongeboren bent neemt U niettemin geboorte; hoewel U de heerser over de eeuwige Tijd bent, zoekt U Uw toevlucht tot de vesting uit vrees voor Uw vijanden en hoewel U behagen schept in Uzelf leidt U een huiselijk bestaan in het gezelschap van vrouwen; dit verbijstert de intelligentie van de geleerden in deze wereld. (17) Hoewel U nooit verdeeld bent onder de invloed van de tijd, wendt U, in Uw eeuwige intelligentie o Meester, zich tot mij voor advies, alsof U het niet meer zou weten. Maar dat is nooit zo. Dat doet mij versteld staan, o Heer. (18) Als U mij er voldoende geschikt voor acht, onthul me dan - om de wereldse zorgen te boven te komen  - alstUblieft mijn Heer tot in detail het geheel van de kennis omtrent het mysterie van de hoogst verlichtende aard van Uw Zelf, zoals U dat ook de fortuinlijke Brahmâjî hebt verteld.'

(19) Op die manier door mij aanbeden vanuit het diepst van mijn hart, instrueerde Hij, de lotusogige Opperheer van het voorbije, mij over Zijn bovenzinnelijke positie. (20) Aldus heb ik, naar de aanwijzingen van de Meester, de kennis der zelfverwerkelijking bestudeerd en gewaardeerd, waarbij ik het pad doorgrondde door Zijn Lotusvoeten te respecteren.  En zo bereikte ik, na Hem te hebben omlopen, deze plek met droefenis in mijn hart als gevolg van de gescheidenheid. (21) Mijn beste [Vidura], het doet me dus pijn het zonder het genoegen te moeten stellen Hem te zien. Ik zal nu zoals Hij het me opdroeg naar Badarikâs'rama [in de Himalaya's] gaan om in het juiste gezelschap te verkeren. (22) Het is daar dat de Allerhoogste Heer als Nârâyana geïncarneerd in de gedaante van Zijn menselijkheid en als Nârâ in de vorm van een wijze beminnelijk voor iedereen, een lange tijd zware boete deed terwille van het welzijn van alle levende wezens.'

(23) S'rî S'uka zei: 'Toen hij van Uddhava het ondraaglijke [nieuws] vernam van de vernietiging van zijn vrienden en verwanten, kalmeerde de geleerde Vidura zijn opkomende droefenis middels bovenzinnelijke kennis. (24) Bij het vertrek van de grote toegewijde van de Heer en beste onder de Kaurava's, legde Vidura in vertrouwen het volgende voor aan deze leidende persoonlijkheid in de toegewijde dienst van Krishna. (25) Vidura zei: 'De Heer van de Yoga lichtte je in over het mysterie van de bovenzinnelijke kennis van de eigen ziel - wees zo goed het nu zelf  uiteen te zetten zodat we Vishnu en de dienaren die rondtrekken terwille van anderen eer aandoen.' (26) Uddhava zei toen: 'Wendt je tot de aanbiddelijke wijze, de zoon van Kushâru [Maitreya] die hier in de buurt verblijft. Hij werd rechtstreeks door de Heer geïnstrueerd toen Hij de sterfelijke wereld achter zich liet.'

(27) S' S'uka zei: 'Met de overweldigende emotie waarmee hij met Vidura de nectar besprak van de kwaliteiten van de Heer van het Universum, vloog de nacht in een oogwenk voorbij. Daarna vervolgde de zoon van Aupagava zijn weg.'

(28) De koning [Parîkchit] vroeg: 'Hoe kon het zo zijn dat na de vernietiging die de Vrishni- en Bhojadynastie onderging, de grote leider die onder hen vooropging, de vooraanstaande Uddhava, de enige was die overbleef nadat de Heer Zijn spel en vermaak als de Meester over de drie werelden had afgerond?'

(29) S' S'uka zei: 'Nadat Hij in de naam van de onfeilbare Tijd het einde had afgeroepen over Zijn talrijke familie middels de vloek van de brahmanen en Hij op het punt stond Zijn uiterlijke verschijning op te geven dacht Hij bij zichzelf: (30) 'Als Ik deze  wereld heb verlaten zal de kennis over Mij en Mijn toevlucht met Uddhava, die momenteel de meest vooraanstaande van de toegewijden is, in goede handen zijn. (31) Uddhava doet in geen enkel opzicht onder voor Mij wat betreft het niet beroerd zijn door de materiële geaardheden. Hij blijft dan terecht over als de meester aangaande de kennis over Mij die hij in deze wereld kan verspreiden.'

(32) Na op die manier op volmaakte wijze door de geestelijk leraar en bron van alle Vedische kennis onderricht te zijn bereikte hij [Uddhava] Badarikâs'rama zich zielsgelukkig voelend in zijn verzonkenheid in de Heer. (33) Zo verging het ook Vidura die van Uddhava had gehoord hoe Krishna, de Superziel, voor Zijn spel en vermaak op buitengewone wijze een gedaante had aangenomen en hoe zegerijk Hij daarmee tewerk was gegaan. (34) Zijn aannemen van een fysiek lichaam is voor vasthoudende, grote wijzen zo goed als voor andere mensen, iets dat moeilijk te begrijpen is en voor mensen met een dierlijke instelling is het gewoonweg iets waanzinnigs. (35) Nu raakte Vidura zelf ook, o beste onder de Kuru's, toen hij zich voor de geest haalde hoe Krishna de Fortuinlijke bij Zijn vertrek aan hem had gedacht, overweldigd door extatische vreugde en barstte hij in tranen uit.

(36) O beste onder de Bharata's, nadat Vidura aldus zijn dagen had doorgebracht aan de oever van de Yamunâ [zie 3:1.24], bereikte hij de heilige wateren der Ganges alwaar hij de wijze Maitreya ontmoette [de zoon van Mitrâ, zijn moeder].'

 

Hoofdstuk 5: Vidura spreekt met Maitreya

(1) S'rî S'uka zei: 'Aan de bron van de hemelse rivier [de Ganges] zat Vidura, de beste onder de Kuru's die nader tot de Onfeilbare was gekomen, voor Maitreya Muni wiens kennis peilloos was en met een volmaakt respect stelde hij beleefd vragen vanuit zijn voldoening in de bovenzinnelijkheid. (2) Vidura zei: 'Terwille van het geluk is iedereen in deze wereld bezig met vruchtdragende activiteiten, maar door die activiteiten wordt men nooit gelukkig of tevreden, in tegendeel, men wordt er eerder ongelukkig van. Alstublieft o grootste, wees zo goed ons in te lichten over wat de juiste benadering is onder welke omstandigheden. (3) Omdat de grote zielen die van opoffering zijn begaan zijn met  de gewone man die zijn gelaat afwendde van Heer Krishna en onder de invloed van de materiële wereld altijd ongelukkig is met het verwaarlozen van zijn plichten jegens God, trekken ze rond voor het heil van de Heer der drie werelden. (4) Derhalve, o grootste onder de heiligen, instrueer me alstublieft over het pad ten gunste van het volmaakt dienen van de Allerhoogste Heer die, verblijvend in het hart van de levende wezens, de zuivere toegewijden de kennis verleent van de fundamentele principes [de Waarheid] waarmee men de klassieke wijsheid leert kennen [de Veda]. (5) Wat voor dingen doet de onafhankelijke Allerhoogste Heer en heerser over de drie werelden allemaal als Hij, zonder Zelf ergens naar te verlangen, het aanvaardt om geïncarneerd te zijn terwille van de handhaving van het geschapen universum? (6) En hoe kan Hij die Zich in de ether terugtrekt om Zich neer te vleien en niets te doen aan de basis van het universum nu als de Ene Heer der Vereniging, als de enige ware, oorspronkelijke meester dan weer een bestaan hebben in de vorm van vele verschillende [avatâra's?]. (7) Waarom is het zo dat, wat betreft het spel en vermaak dat Hij voor het welzijn van de tweemaal geborenen, de koeien en de verlichte zielen in de bovenzinnelijke handelingen van Zijn verschillende incarnaties aan de dag legt, we er nooit genoeg over vernemen kunnen, ook al horen we steeds weer opnieuw over de gunstige, nectargelijke eigenschappen van de Heer? (8) Wat zijn de verschillende principes op basis waarvan de Heer der Heerscharen de verschillende heersers en hun hogere en lagere leefwerelden genereerde waarin zoals men weet alle klassen van levende wezens hun uiteenlopende bezigheden hebben?  (9) En beschrijf ons alstublieft o eerste onder de brahmanen, hoe de schepper van het universum Nârâyana, de onafhankelijke Heer die voor de mens de weg vormt, kwam tot de samenstelling van de verschillende gedaanten, bezigheden en verspreide culturen van de geïncarneerde zielen.

(10) O fortuinlijke, ik vernam uit de mond van Vyâsadeva herhaaldelijk over het hogere en lagere van deze bezigheden, maar zonder te horen over de nectar van de verhalen over Krishna ben ik weinig tevreden over die zaken en het geluk dat men daaraan ontleent. (11) Wie kan genoeg krijgen van de verhalen over Hem wiens voeten worden gevormd door de pelgrimsoorden en die in de  samenleving wordt aanbeden door de grote toegewijden? Als iemands oren die verhalen opvangen doorbreken ze door de liefde die ze opwekken de banden van  genegenheid die een mens voor zijn familie heeft! (12) Uw vriend de wijze Krishna Dvaipâyana Vyâsa heeft de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Opperheer in de Mahâbhârata beschreven. Dat boek is er alleen maar om de aandacht van mensen die behagen scheppen in het luisteren naar wereldse onderwerpen te richten op de verhalen van de Heer. (13) Het gewicht van dat geloof brengt geleidelijk aan onverschilligheid teweeg voor andere zaken. Hij die zich steeds de voeten van de Heer herinnert heeft de gelukzaligheid bereikt die zonder meer alle misère uitbant. (14) Ik heb het te doen met al die arme mensen die, in verval verkerend met de goddelijkheid van de Tijd,  zich in de zondigheid van hun onwetende zieligheid van de verhalen over de Heer hebben afgekeerd en de jaren van hun leven verspillen met nutteloze filosofische oefeningen, denkbeeldige doelen en een diversiteit aan rituelen. (15) O Maitreya, u die als de vriend van hen die lijden het geluk behartigt [van een ieder], beschrijf daarom terwille van ons welzijn alstublieft dat wat de essentie is van al de gespreksonderwerpen: de verhalen over de Heer die als de nectar van bloemen de glorie vormen van al het pelgrimeren. (16) Alstublieft vertel over alles met betrekking tot de transcendentale, bovenmenselijke handelingen door de Heer verricht in Zijn met alle vermogens toegeruste belichamingen terwille van een volmaakte greep op de schepping en handhaving van Zijn universum.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus ertoe verzocht deed met het oog op ieders welzijn de grote wijze in de Heer, Maitreya, Vidura de grote eer een uiteenzetting te geven [over deze zaken]. (18) S'rî Maitreya zei: 'Alle zegen voor u o goedgeaarde wiens geest steeds gericht is op de Heer voorbij de zinnen. Uw vragen stellen terwille van het welzijn van allen vormt een bewijs van de goedheid van uw genade om de heerlijkheden van de ziel in deze wereld te verkondigen. (19) O Vidura het verbaast me niet dat u die de Allerhoogste Persoonlijkheid onze Heer hebt aanvaard, zonder af te dwalen in uw denken deze vragen stelt. U werd immers geboren uit het zaad van Vyâsa. (20) Vanwege een vloek van de machtige wijze Mândavya Muni nam u, uit de dienstmaagd van de broeder [Vicitravîrya] en de zoon van Satyavatî [Vyâsadeva], geboorte als de incarnatie van Yamarâja, de heerser over de dood [zie stamboom]. (21) Uwe goedheid wordt gerekend tot de eeuwige metgezellen van de Heer. Toen Hij terugkeerde naar Zijn hemelverblijf gaf Hij mij de opdracht u te instrueren in de geestelijke kennis. (22) Daarom zal ik u nu systematisch een beschrijving geven van de wederwaardigheden van de Allerhoogste Heer in Zijn beheersen van de enorme uitgebreidheid van de uiterlijke illusie terwille van de handhaving, schepping en beëindiging van het universum.

(23) Voordat het universum werd geschapen was de Allerhoogste Heer, het Zelf en de meester van de levende wezens, er als de enige zonder een ander. Het was [toen] Zijn wens om niet gemanifesteerd te zijn als een [veelvoud aan] individuele ziel[-en] met [ieder] een eigen visie en uiterlijke kenmerken. (24) Hij die dat alles nog niet was, kon toentertijd als ziener helemaal niets waarneembaars herkennen. Alleen ervoor staand vond Hij met Zijn innerlijk vermogen aanwezig, maar met Zijn expansies en Zijn materieel vermogen afwezig dat het was alsof Hij niet bestond. (25) Dat wat Hij als de volmaakte Ziener ziet is energie die wordt gekenmerkt door oorzaak en gevolg. O fortuinlijke, deze energie waarmee de Almachtige deze wereld heeft opgebouwd wordt mâyâ [illusoir, begoochelend] genoemd. (26) Met de uitwerking van de Eeuwige Tijd [kâla] op de drie geaardheden van deze illusoire energie wekte het Opperwezen, Hij die in wezen geestelijk is, door [erin binnen te gaan als] de persoon [als de Purusha] de viriliteit op [de heldenmoed, de mannelijkheid, de kracht]. (27) Uit het ongemanifesteerde ontstond toen door de wisselwerking van de tijd de Mahat-tattva [het geheel van het Allerhoogste, de kosmische intelligentie]. Dit in de totaliteit gesitueerde fysieke zelf dat de duisternis en onwetendheid verdrijft is begrijpend van aard en in staat complete [geestelijke] universa in het leven te roepen. (28) Het [geheel der manifestatie] dat zo een volkomen expansie vormt van guna, kâla en [jîv]-âtmâ, vormt het gezichtsbereik van de Persoonlijkheid van God. Het is het reservoir, de bestaansgrond, het zelf, van de vele gedifferentieerde levensvormen van dit universum dat aanzet tot creatieve inspanning.

(29) Het Mahat-tattva zich omvormend tot de materiële werkelijkheid van het egobewustzijn manifesteert zich in termen van oorzaak, gevolg en doener. Aldus zijn er drie soorten van ego die de weerspiegeling in de geest vormen van [de guna's van] het zelf, de materiële elementen en de zintuiglijkheid vormen:  [respectievelijk] de begaafdheid [sattva] de onwetendheid [tamas] en de veranderlijkheid [rajas]. (30) Met het principe van de veranderlijkheid [vaikârika] van het ego ontstaat er een omvorming van de geest die in zijn emotionaliteit al de godsbewusten in het leven riep die de basis vormen van de materiële kennis over de wereld der verschijnselen. (31) Met de begaafdheid van iemands zinnigheid [taijasâni] overheerst de spirituele kennis omtrent vruchtdragende bezigheden [karma]. (32) In de onwetendheid [tamas] realiseert men zich de subtiele zinsobjecten [van voorgestelde beelden en geluiden] waarvan de ether [hun medium] de representatie vormt van de Superziel. (33) De materiële energie vormt een gedeeltelijke vermenging van de tijd [van expanderen en contraheren]. De Heer die dit vanuit de ether overziet creëerde aldus aangeraakt de transformatie van die aanraking in de vorm van de lucht. (34) De lucht, eveneens getransformeerd door de uiterst machtige ether deed de vorm van het licht ontstaan en [de bio-electriciteit van] de zintuiglijke gewaarwording waarmee de wereld wordt gezien. (35) Van de interactie van de lucht en haar bio-electriciteit met de blik van de Heer [der ether] was er met de vermenging van de tijd een transformatie die de smaak [voor het leven] in water schiep. (36) Het geëlectrificeerde water dat aldus werd geschapen als gevolg van de transformatie van de Allerhoogste Geest [van de ether] die de aarde overschouwde, leidde tot de schepping van de kwaliteit van de geur met het zich deels verenigen van de uitwendige energie met de eeuwige tijd. 

(37) O zachtmoedige, begrijp dat van de ether af aan al de materiële elementen en het grote aantal van hun superieure en inferieure kwaliteiten, [hun bestaan te danken hebben aan] de afronding doorde Allerhoogste. (38) De goden die heersen over al deze fysieke elementen zijn allen deel en geheel van Heer Vishnu. In de aan tijd gebonden materiële energie belichaamd als deelaspecten schieten ze in hun persoonlijke verplichtingen tekort en geven ze uiting aan hun oprechte gevoelens voor de Almachtige. (39) De goden zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan Uw lotusvoeten o Heer, in nood gaven we ons aan hen over omdat ze de beschermende paraplu vormen die al de grote wijzen beschutting biedt die rigoreus volledig braken met al de grote vormen van ellende van het materiële leven. (40) O Vader, vanwege het feit dat in deze materiële wereld o Heer, de individuele zielen altijd in verlegenheid verkeren door de drie vormen van ellende [voortkomend uit jezelf, anderen en de natuur] zijn ze nooit gelukkig, maar als ze Uw Zelf bereiken o Allerhoogste, verwerven ze de beschutting van de schaduw van Uw lotusvoeten en de kennis. (41) Bij iedere stap hun toevlucht nemend tot het pelgrimsoord van Uw voeten, vinden de wijzen die op de vleugelen der Vedische hymnen met een heldere geest speuren naar Uw lotusgelijke gezicht hun beschutting aan de beste der rivieren [de Ganges] die bevrijdt van de terugslagen der zonde. (42) De meditatie die door geloof, simpelweg luisteren en toewijding het hart zuivert met de kracht van de kennis der onthechting, verplicht hen die de vrede vonden ertoe om af te gaan op het heiligdom van Uw lotusvoeten. (43) Laten we allen de beschutting zoeken van de lotusvoeten van U die de gedaanten van de avatâra's aannam terwille van de schepping, het behoud en de beëindiging van het universum. O Heer, ze vormen de toevlucht die de moed van de toegewijden met heugenis beloont. (44) Omdat de mensen verstrikt raken en aldus in het materiële lichaam verkeren in de geest van 'ik' en 'mijn', gaan ze op in een ongewenste drift en zien ze zich ver van U verwijderd, ook al bent U in het lichaam aanwezig. Laten we daarom Uw lotusvoeten aanbidden, o Heer. (45) Zij [Uw voeten] kunnen niet worden gezien door hen die, verkerend onder de invloed van de materiële wereld, door hun zintuiglijke waarneming vervreemd zijn van het innerlijk waarnemen o Allerhoogste. Maar o Grootheid, voor hen die wel de [innerlijke] visie hebben is er het spel en vermaak van Uw goddelijk handelen. (46) O Heer, zij die er serieus bij betrokken zijn bereiken eenvoudig door te drinken van de nectar van de verhalen de volle rijpheid van de toegewijde dienst, de ware betekenis van de verzaking, de intelligentie waarin zij snel de spirituele levenssfeer bereiken waar aan de dwaasheid en de indolentie een einde is gekomen [Vaikunthha]. (47) Ook voor anderen die van bovenzinnelijke realisatie  zijn in de yoga waarin men de machtige materiële natuur overwint, bent U de ene, vredestichtende Oorspronkelijke Persoon waarin zij binnengaan. Maar terwijl dat voor hen een zware opdracht is, is dat voor zij die U dienen niet het geval. (48) O Oorspronkelijke Heer, om die reden zijn we allen aan U verplicht. Aangezien we voor het heil van de schepping der wereld de één na de ander werden geschapen en in het verleden van elkaar werden gescheiden als gevolg van wat we deden naar gelang de werking van de drie geaardheden, raakten we verstrikt in onze eigen genoegens en waren we zodoende niet in staat U saamhorig te dienen. (49) O Ongeborene, leidt ons in het op de juiste tijd brengen van onze offers waardoor we samen de maaltijd kunnen delen en ook alle andere levende wezens te eten hebben zodat we met het aanbieden van het voedsel ongestoord kunnen eten. (50) O Heer, U bent voor ons goden, de godsbewusten en onze orden, de ene en dezelfde oorspronkelijke en eigenlijke persoon. U o Heer bent, hoewel U ongeboren bent, voor de materiële energie de oorzaak van de guna's en het karma, gelijk het zaad dat wordt ingebracht voor het verwekken van de soorten. (51) O Allerhoogste Ziel, zeg ons wat wij, die allen werden geschapen van en voor de totaliteit van de kosmos, voor U zouden moeten doen en gun ons in het bijzonder de visie van Uw persoonlijke plan. Schenk ons het vermogen, o Heer, te werken en te handelen overeenkomstig Uw speciale genade voor ons [van statusoriëntaties en hun overstijging].'


 

Hoofdstuk 6: De Manifestatie van de Universele Gedaante

(1) De wijze [Maitreya] zei: 'En zo werd de Heer geplaatst voor het feit dat de vooruitgang van wat er geschapen was in het universum tijdelijk was opgehouden bij een gebrek aan samenhang tussen Zijn verschillende vermogens [zie 3.5: 48]. (2) Toen ging Hij tegelijkertijd met Zijn oppermachtige vermogen dat bekend staat als Kâlî, de godin van de kracht der vernietiging, al de drieëntwintig elementen binnen [de vijf elementen en hun kwaliteiten, de vijf organen van handelen en de zintuigen en de drie vormen van individueel bewustzijn: geest, intelligentie en ego; vergelijk 2.4: 23]. (3) Dat later binnengaan van de Allerhoogste Heer in de vorm van de kracht der materie, Kâlî, zette afzonderlijk de levende wezens aan het werk waarbij ze uit hun onbewuste staat werden opgewekt tot hun karma. (4) Toen de drieëntwintig hoofdelementen aldus door de wil van God tot [samenhangende] actie werden opgewekt, bracht hun combinatie de manifestatie voort van Zijn volkomen expansie van de Oorspronkelijke Persoon [in de vorm van de Universele Gedaante]. (5) Op het moment dat Hij er aldus in binnenging met Zijn volkomen expansie [van de materiële kracht] transformeerden al de elementen van de schepping die elkaar daarin toen vonden tot de werelden van het organische en anorganische. (6) Hij, de Oorspronkelijke Persoon, deze [Garbhodakas'âyî] Vishnu genaamd Hiranmaya, verbleef voor de tijd van duizend hemelse jaren [één zo'n jaar is 360 jaar voor de mens] samen met alles wat behoorde tot Zijn goedheid in het eivormige universum dat werd gedragen door de [causale] wateren.

(7) Met de inhoud van dat ei, het geheel van de gigantische persoon, aan het werk gezet door Zijn goddelijke Zelf vol van Zijn [vrouwlijke] kracht, verdeelde Hij aldus Zichzelf in één [bewustzijn], drie [identificaties van het zelf] en tien [activiteiten]. (8) Deze oneindige uitgebreidheid vormt het zelf van de levende wezens, de eerste incarnatie en het volkomen deelaspect van de Superziel, waarop het geheel van hen allen tezamen floreert. (9) Het drievoudige van het gigantische hangt samen met de drie aspecten van âdhyâtmika [het zelf met zijn zintuigen en de geest], âdhidaivika [de natuur met al haar goden] en âdhibhautika [de anderen en wat zich meer aan de zinnen voordoet], het tienvoudige heeft betrekking op de [organen van de] levenskracht [de prâna: de handen, de voeten, de anus, de geslachtsorganen, de ogen, de neus, de oren, de tong, de huid en de mond; zie brahma sûtra 2.4: 5-6] en het enkelvoudige verwijst naar het hart. (10) De Heer voorbij de zinnen die Zich het gebed herinnerde van de godheden van het universum verlichtte met Zijn eigen straling [aldus] de gigantische gedaante terwille van hun begrip. (11) Luister nu naar mijn beschrijving van de vele verschillende wegen der halfgoden die zich toen vanuit Zijn overweging manifesteerden.

(12) Er manifesteerde zich een mond en toen dat gebeurde was het de god van het vuur die onder de bestuurders van de materiële wereld zijn plaats innam tezamen met zijn vermogen: het spraakorgaan waarmee men zich uitdrukt in woorden. (13) Er verscheen een verhemelte. Het was de verblijfplaats van Varuna [de god van de wateren] die in [het lichaam van] de Heer onder de bestuurders van de materiële wereld zijn positie innam tezamen met zijn vermogen: het lichaamsdeel van de tong waarmee men proeft. (14) Toen verschenen de neusvleugels, waar de  twee As'vinî Kumâra's zich ophouden met de reukzin waarmee men geur kan ervaren [zie ook 2.1: 29 en 2.5: 30]. (15) Er verschenen ogen in de gigantische gedaante die plaats boden aan Tvashthâ, de god van het licht en het gezichtsvermogen waarmee vormen kunnen worden waargenomen. (16) Toen vertoonde zich de huid van de gigantische gedaante, een positie die werd ingenomen door Anila, de heerser over de lucht die met de macht van de adem de tastzin mogelijk maakt. (17) Met het zich manifesteren van de oren van de gigantische gedaante werd die positie ingenomen door de godheden van de windrichtingen [de Digdevatâ's] met het vermogen te horen waarmee geluiden worden waargenomen. (18) Daarna manifesteerde zich van de gigantische gedaante de [beharing van de] huid voor de heersende goddelijkheid van [de kruiden en planten met] het vermogen te voelen middels de haren waarmee jeuk wordt ervaren. (19) Toen de genitaliën van de gigantische gedaante verschenen nam het eerste levende wezen [Brahmâ, de Prajâpati] zijn positie in met de functie van het zaad waarmee het [seksueel] genot wordt ervaren. (20) Er vormde zich een anus in de oorspronkelijke belichaming die plaats bood aan de god Mitra met de functie van uitscheiding waarmee men zich ontlast. (21) Met de manifestatie van de handen van de Universele Gedaante nam de koning van de hemel Indra zijn positie in met het vermogen te handelen waarmee men zich in zijn levensonderhoud kan voorzien. (22) De benen die zich in de grote gedaante vormden werden bezet door Vishnu, de godheid van het vermogen zich te verplaatsen waarmee men zijn reisbestemming bereikt. (23) Met het zich vormen van de intelligentie van de Universele Gedaante trad de godheid Brahmâ,  de Heer van het gesproken woord naar voren met de macht van het inzicht waarmee men tot begrip komt. (24) Vervolgens manifesteerde zich het hart van  het Universele Wezen waarin Candra, de god van de maan, zijn positie innam met de functie van de mentale activiteit waardoor men zich verliest in gedachten. (25) Vervolgens ontwikkelde het ik-besef zich in de Universele Gedaante waarin [Heer Rudra heersend over] de vereenzelviging met het lichaam [het 'valse ego'] zijn plaats heeft met de functie van het karma waarmee men overgaat tot concrete handelingen. (26) Wat volgde was de manifestatie van de spirituele essentie der goedheid in de gigantische gedaante waarin de volledigheid [van de mahat-tattva] zijn plaats vond met de macht van het bewustzijn waarmee men de wijsheid cultiveert.

(27) Uit het hoofd van de kosmische gedaante kwamen de hemelse werelden voort, de aardse werelden uit Zijn benen en de ruimte ontstond uit Zijn buik. In die gebieden vertonen zich de verlichte zielen en de andere levende wezens die het resultaat vormen van de werking der drie geaardheden. (28) Door het oneindig goede [van sattva] vonden de goden hun plaats in de hemelen terwijl al de menselijke wezens die op aarde de aard van hun hartstocht [rajas] volgen aan hen ondergeschikt zijn. (29) Zij die behoren tot de derde soort treft men vanwege hun aard [van tamas] aan als de metgezellen van Rudra in het bereik van de atmosfeer - de navel van de Heer - dat zich bevindt tussen de andere twee.

(30) De spirituele wijsheid ontsproot aan de mond van de Universele Gedaante, o aanvoerder van de Kuru dynastie. Degenen die zich tot deze wijsheid aangetrokken voelen vormen de leiding [de belangrijkste varna] van de samenleving. Zij, de brahmanen, zijn de erkende leraren en spirituele woordvoerders [de goeroes]. (31) De macht om de burgers te beschermen manifesteerde zich uit de armen [van de gigantische gedaante]. De beoefenaars van die macht [de kshatriya's of bestuurders] zijn de volgelingen [van de brahmanen] en vrijwaren, als vertegenwoordigers van de Hoogste Persoonlijkheid, de andere klassen van de ondeugd van storende maatschappelijke elementen. (32) Ter wille van de productie en distributie van de goederen voor het levensonderhoud manifesteerde zich uit de dijen van de Almachtige de handelsgemeenschap [de vais'ya's], wiens beroep eruit bestaat in de behoeften van ieder mens te voorzien. (33) Uit de benen van de Opperheer manifesteerde zich de dienstverlening die van essentieel belang is voor het vervullen van alle heilige plichten. Het is van oudsher het beroep van de arbeider [de s'ûdra] waardoor de Heer tevreden wordt gesteld [*]. (34) Om hun ziel te zuiveren aanbidden middels hun beroepsmatige bezigheden al deze klassen van de samenleving onder leiding van hun geestelijk leraar met geloof en toewijding de Heer uit wie ze samen met hun plichten voortkwamen.

(35) O Vidura, wie denkt er nu een volledige beschrijving te kunnen geven van de goddelijke aard, de werking en het persoonlijke zelf van het kosmisch lichaam dat de Allerhoogste Heer manifesteerde vanuit de kracht van Zijn innerlijk vermogen [yogamâyâ]? (36) O broeder, niettemin zal ik een beschrijving geven voor zover mijn intelligentie dat toestaat en de kennis reikt die mij ter ore kwam over de heerlijkheden van de Heer die ons zuiveren, want zonder ons uit te spreken [over Hem] verdolen we in onwaarheid. (37) Men zegt dat Hij die alle beschrijvingen te boven gaat wordt bereikt met besprekingen over de Hoogste Persoonlijkheid die historisch vroom werden overgedragen ter wille van de verheerlijking van Zijn handelingen. Ook is het oor het best gediend met de nectar van de bovenzinnelijke boodschap zoals die [in geschrift] werd verschaft door de geleerden. (38) Mijn zoon, werden de heerlijkheden van de Opperziel door de oorspronkelijke poëet [Brahmâ] gekend toen zijn intelligentie een duizendtal hemelse jaren had gerijpt in meditatie? (39) Daarom, als zelfs zij die bedreven zijn in het creëren van illusies geen weet hebben omdat zij - zowel als de zelfvoldane [de Schepper] in eigen persoon - in de ban verkeren van het begoochelend vermogen van de Allerhoogste Heer, wat kan  je dan verwachten van anderen? (40) Hem die buiten ons bereik ligt en die noch voor ons ego, onze geest en onze woorden, noch voor de desbetreffende goden grijpbaar is, bieden wij onze eerbetuigingen.'


*: S'astri Gosvâmî merkt in dit verband op dat de arbeider, de s'ûdra, een belangrijke plaats inneemt onder de klassen in de samenleving. Van de purushârtha's, de vier burgerdeugden, behartigt de brahmaan de moksha, de bevrijding. De kshatriya behartigt de regulatie van de zinsbevrediging, kâma, en de vaishya is er voor de distributie van de welvaart, artha. Maar de arbeider maakt in feite de religiositeit, de dienst aan God van alle plichtsbetrachting mogelijk. Hij die gewoon ten dienst staat, is net zo belangrijk voor het dharma.




Hoofdstuk 7: Verdere Vragen van Vidura

(1) S'rî S'uka zei: 'Op die manier met Maitreya Muni pratend, formuleerde de geleerde zoon van Dvaipâyana Vyâsa, Vidura, respectvol een verzoek. (2) Vidura zei: 'O brahmaan, de Opperheer is de onveranderlijke Ene van het volkomen geheel. Hoe kan ondanks het feit dat Hij zich buiten de geaardheden bevindt Zijn spel en vermaak plaatsvinden van handelen met de geaardheden der natuur? (3) Jongens die met andere jongens willen spelen zijn geestdriftig wat betreft hun spel, maar in welk opzicht is dat anders met iemand die aan zichzelf genoeg heeft en te allen tijde onthecht is? (4) De schepping van dit universum werd teweeggebracht door het begoochelend vermogen van de Heer zelve dat de drie geaardheden in gang zette. En door haar handhaaft en vernietigt hij het universum ook weer. (5) Hoe kan Hij, het Zuivere Zelf wiens bewustzijn nimmer wordt versluierd door plaats of tijd, door eigen toedoen, door anderen of door wat zich manifesteerde [als de natuur], nu [in de normale positie van een levend wezen verkeren en] verwikkeld zijn in onwetendheid? (6) Hoe kan de Ene Opperheer die aanwezig is in ieder bereik van de levens [in alle kshetra's] van al de levende wezens [zie ook B.G. 13: 3] nu op karmisch bepaald ongeluk en tegenstand stuiten? (7) O wijze door de onwetendheid waaraan ik lijdt bezorgt mijn geest mij moeilijkheden. O allergrootste, verdrijf daarom de grote onzuiverheid van mijn denken.'

(8) S'rî S'uka zei: 'De wijze aldus ertoe aangezet door Vidura in zijn ijver om erachter te komen hoe het zat, deed verbaasd en gaf toen zonder aarzeling een godsbewust antwoord. (9) Maitreya zei: 'Het is met elkaar in tegenspraak om te beweren dat de Fortuinlijke enerzijds onder de invloed van de materiële illusie verkeert en dat Hij anderzijds vrij is van onvolkomenheden en gebondenheid. (10) Van een dergelijke tegenstrijdigheid omtrent de ziel raakt een mens het spoor bijster, het is dan alsof men van buitenaf zichzelf ziet met het hoofd eraf gehakt. (11) Zoals door de kwaliteit van water de erin gespiegelde maan rimpelt, vormt de kwaliteit van het lichaam een drogbeeld voor de getuige die ervan verschilt. (12) In dit bestaan neemt dat [begoocheld zijn] geleidelijk aan af als men, ten gunste van de Fortuinlijke geestelijk verenigd zijnd in de toewijding [in bhakti-yoga], bij de genade van Vâsudeva tewerk gaat in onthechting. (13) Als de zinnen, van de waarnemende ziel die betrokken raakt in transcendentie tot de Heer, op die manier hun bevrediging vinden, is het volledig gedaan met de misère alsof men van een gezonde nachtrust heeft genoten. (14) Als men al een einde kan maken aan allerlei soorten van ellende door eenvoudig te luisteren naar de herhaalde verklaringen over de kwaliteiten van Murâri [Krishna als de vijand van Mura], wat kan men dan wel niet verwachten van het, zoals het hart het ingeeft, dienen in het stof van Zijn lotusvoeten?'

(15) Vidura zei: 'O almachtige, u hebt mijn twijfels bestreden met het wapen van uw overtuigende bewoordingen o Heer, nu is mijn geest wat betreft beide [God en het levend wezen], o allerhoogste, tot een volmaakte eenheid gekomen. (16) O geleerde, u hebt volkomen gelijk als u stelt dat [redeneren vanuit] de begoochelende energie van de Heer voor de ziel niet het juiste pad vormt; het bewijst zich als zijnde betekenisloos zonder de basis van het Allerhoogste waarbuiten men het eenvoudig bij het verkeerde eind heeft. (17) In deze wereld geniet zowel de onwetende dwaas als hij wiens intelligentie terugkeerde naar de bovenzinnelijke positie het geluk, terwijl de personen die zich daartussen bevinden lijden. (18) Nu dat ik inzicht heb en overtuigd ben van het feit dat als men zich baseert op uiterlijkheden men de essentie mist, men de ziel mist, ben ik met het dienen van uw voeten in staat af te zien [van het verkeerde idee dat de Allerhoogste onderhevig zou zijn aan illusie]. (19) In het dienen van de Persoonlijkheid van God die de onversaagde vijand van de demon Madhu is, ontwikkelt men, in verschillende relaties [râsa's] tot de voeten, de intensiteit die het leed verdrijft. (20) Van hen die het er slecht van afbrengen qua versobering ziet men zelden dat ze zich op het pad van dienst bevinden naar het Koninkrijk Gods [Vaikunthha] alwaar de Heer zonder ophouden door de goden wordt verheerlijkt als de heerser over alle levende wezens.

(21) Na de schepping van eerst het volledige van de materiële energie, manifesteerde zich in een geleidelijk proces van differentiatie [evolutie] de Universele Gedaante tezamen met de zintuigen en organen waarin later de Almachtige binnenging [voor Zijn incarnaties]. (22) Hij die de oorspronkelijke persoon wordt genoemd heeft duizenden ledematen, benen en handen en herbergt al de werelden van het universum met al het leven wat daarop zijn bestaan heeft. (23) U verklaarde hoe er drie verschillende soorten van leven zijn [naar de geaardheden] waarin men tien soorten van levenskracht met de [vijf] zinnen en hun [vijfvoudig] belang heeft. Beschrijf alstublieft nu voor me wat de specifieke capaciteiten zijn van de maatschappelijke onderverdelingen. (24) In dezen [in deze onderverdelingen] heeft, met de zonen, kleinzonen en familieleden van de verschillende generaties, dat vermogen zich uitgespreid in verschillende vormen van bestaan. (25) Wie zijn de oorspronkelijke stamvaders [de Prajâpati's] die door hun oorspronkelijke leider [Brahmâ] tot ontwikkeling werden gebracht? Wat zijn de generaties van de vaders der mensheid en welke generaties volgden op hen?  En welke Manu's heersten over de verschillende manvantara's [culturele tijdperken]? (26) Welke werelden bevinden zich boven de aardse werelden en welke eronder, o zoon van Mitrâ? Beschrijf alstublieft wat hun posities en afmetingen zijn en ook wat de maten en verhoudingen zijn van de aardse werelden. (27) Vertel me wat de generaties en onderafdelingen zijn van de onmenselijke, menselijke en bovenmenselijke levende wezens, zoals geboren uit eieren, uit baarmoeders, uit vocht [micro-organismen] en uit de aarde [de planten]. (28) Wees zo goed de incarnaties overeenkomstig de geaardheden der materiële natuur te beschrijven terwille van de schepping, handhaving en vernietiging van het universum [Brahmâ, Vishnu en S'iva] en de grootse activiteiten van de Persoonlijkheid van God die samenleeft met de Godin van het Fortuin [S'rînivâsa] die de  uiteindelijke toevlucht vormt.

(29) Wat zijn de verdelingen van maatschappelijke status [varna] en de geestelijke orde [âs'rama] en wat zijn hun uiterlijke kenmerken, hoe gedragen ze zich en wat is hun wezensaard? Wat zijn de geboorten en handelingen van de wijzen en wat zijn de verdelingen van de Veda? (30) Wat o meester zijn al de plechtigheden van het offeren en wat zijn de verschillende wegen van de yogaperfecties, van de analytische studie der kennis en van het zich verhouden tot de Persoonlijkheid van God met regulerende beginselen? (31) Welke wegen bewandelen de ongelovigen en wat zijn hun onvolkomenheden? Welke plaats bekleden zij die uit gemengde huwelijken voortkomen en wat is de levensbestemming van de vele verschillende soorten individuele zielen naar gelang de geaardheden die ze volgen en de soorten van arbeid die ze verrichten? (32) Hoe zijn de verschillende belangen van de religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en verlossing, de middelen van bestaan, de regels van de wet, de schriftuurlijke voorschriften en de verschillende regulerende beginselen met elkaar in evenwicht te brengen? (33) O brahmaan, wat zijn de regelingen voor de [S'râddha] periodieke offerplechtigheden om de overledenen te eren en om wat de voorvaderen tot stand brachten te respecteren? En hoe zijn de tijden ingesteld met achting voor de posities van hemellichten als de planeten en de sterren? (34) Wat mag men verwachten van liefdadigheid, boetedoening en het aanleggen van vergaarbekkens en wat zijn de voorgeschreven plichten van iemand die van huis weg is of van een man die zich in gevaar bevindt? (35) Alstublieft beschrijf voor me, o zondeloze, hoe Hij die de Allerhoogste Persoon is, de Vader van de Religie en de Heerser over Allen, volledig kan worden tevredengesteld en wie van ons zou dat dan kunnen? (36) O beste onder de brahmanen, de geestelijk leraren die zo genadig zijn voor de behoeftigen vertellen hun toegewijde leerlingen en zonen zelfs dat waar ze niet om vroegen. (37) O allerhoogste meester, hoeveel vernietigingen [of eindtijden] bestaan er voor de elementen der natuur? Wie zijn zij die dan gered worden en wie zijn zij die [vol lof zijnde] Hem dan mogen dienen? En wie mag zich met Hem verenigen als Hij zich ten ruste legt? (38) En wat is de wezensaard en identiteit van zowel de individuele persoon als het Allerhoogste, wat is het leidmotief van de Vedische wijsheid en wat beweegt de goeroe en zijn leerlingen? (39) Onberispelijke toegewijden spreken van deze bron van kennis in de wereld. Hoe zou iemand nu uit zichzelf kennis kunnen hebben van de toegewijde dienst en de onthechting?

(40) Ik stelde al deze vragen in het verlangen kennis te nemen van het spel en vermaak van de Heer. Alstublieft beantwoord ze als een vriend voor mij [en ieder ander] die in zijn onwetendheid het zicht heeft verloren met de uitwendige energie. (41) O onberispelijke wijze, de verzekering van een angstvrij bestaan die we krijgen van iemand als u is in geen enkel opzicht te vergelijken met de bevrijding geboden door al de Veda's, offers, boetedoeningen en liefdadigheid.'

(42) S'rî S'uka zei: 'Met deze vragen van de voornaamste onder de Kuru's was hij [Maitreya], de eerste onder de wijzen die zo goed thuis was in de verhalen [Purâna's], zeer ingenomen en gaf hij aldus aangespoord tot de onderwerpen betreffende de Heer, Vidura met een glimlach antwoord.'



Hoofdstuk 8: Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu

(1) S'rî Maitreya zei: 'De afstammelingen van Koning Pûru zijn vererenswaardig omdat hun koningen in hoofdzaak de Hoogste Persoonlijkheid zijn toegewijd; en met u die ook geboren bent in deze opeenvolging van toegewijde activiteit voor de Onoverwinnelijke, wordt er stap voor stap [met iedere vraag die u stelt]  steeds weer een nieuw licht op de zaak geworpen. (2) Laat me dan nu dit Bhâgavatam bespreken, dit Vedisch supplement dat oorspronkelijk door de Allerhoogste Heer persoonlijk werd uitgesproken voor de wijzen ter verzachting van het grote lijden van de mensen die zo weinig geluk ervaren.

(3) De zoon van Brahmâ [Sanat-kumâra] deed, als de leider van de grote wijzen [de vier kind-heiligen, de Kumâra's], net als u wat betreft de waarheid aangaande de Oorspronkelijke Persoonlijkheid navraag bij Heer Sankarshana [het eerste volkomen deelaspect en de eerste metgezel van de Heer] die Zich onverschrokken in de kennis ophoudt aan de basis van het universum. (4) Hij had in die positie met Hem die men met de hoogste achting Vâsudeva noemt, Zijn blik inwaarts gekeerd, maar ter aanmoediging van de hoogst geleerde wijzen opende Hij direct Zijn lotusgelijke ogen een beetje. (5) Met de haren op hun hoofden nat van het water van de Ganges beroerden ze de toevlucht van Zijn lotusvoeten die door de dochters van de slangenkoning met grote toewijding en verscheidene parafernalia wordt aanbeden in het verlangen naar een goede echtgenoot. (6) Bekend met Zijn spel en vermaak verheerlijkten ze met woorden en met veel gevoel ritmisch overeenstemmend herhaaldelijk Zijn handelingen terwijl zich vanuit de duizenden van opgeheven kragen [van Ananta, de slangenkoning] de stralende gloed verspreidde van de edelstenen op hun duizenden helmen. (7) O Vidura, naar verluid besprak Hij toen de strekking van het Bhâgavatam met Sanat-kumâra die de [yoga]gelofte der verzaking had afgelegd en het, op verzoek, verder vertelde aan Sânkhyâyana die eveneens de eed had afgelegd. (8) Toen de grote wijze Sânkhyâyana als de belangrijkste der transcendentalisten die dit Bhâgavatam reciteren er [daarna] uitleg aan gaf, waren de geestelijk leraar Parâs'ara die ik volgde alsmede Brihaspati er bij aanwezig. (9) Er toe aangezet door de wijze Pulastya vertelde hij [Parâs'ara] mij welgezind deze allerbelangrijkste onder de Purâna's welke ik op mijn beurt voor u zal uitspreken, mijn beste zoon, daar u een immer trouwe volgeling bent.

(10) Toen de drie werelden waren verzonken in het water lag Hij [Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin neergevleid met vrijwel gesloten ogen op het slangenbed Ananta zonder iets anders te willen dan de voldoening van Zijn innerlijk vermogen. (11) Zoals de macht van het vuur verborgen is in hout verbleef Hij daar in het water en hield Hij al het bestaande in het subtiele van Zijn bovenzinnelijk lichaam vanwaaruit Hij leven geeft in de vorm van de Tijd [kâla]. (12) Voor de duur van duizend keer vier yuga's [4.32 miljard jaar] lag Hij met Zijn innerlijk vermogen te rusten terwille van de verdere ontwikkeling - middels Zijn kracht genaamd kâla [tijd] - van de werelden van de levende wezens die afhankelijk zijn van vruchtdragende handelingen. Die rol deed Zijn lichaam er blauwkleurig uitzien [het blauw van de toevlucht van het levengevend water]. (13) Overeenkomstig de bedoeling van Zijn innerlijke aandacht voor de subtiele kwestie, was er na de nodige tijd door de materiële activiteit van de geaardheden der natuur, de agitatie [van de oersubstantie] die toen zeer subtiel uit Zijn buik [uit de ether] tevoorschijn brak. (14) Met de Tijd die het karma in gang zette, verscheen daarmee [met die agitatie] spoedig uit het oorspronkelijke zelf [van Vishnu] een lotusknop die net als een zon de uitgestrekte wateren verlichtte middels zijn gloed.

(15) Die lotusbloem van feitelijk het universum ging Vishnu persoonlijk binnen als het reservoir van alle kwaliteiten van waaruit, zo zegt men, Hij in den beginne de persoonlijkheid der Vedische wijsheid, de heerser van het universum die de uit zichzelf geborene is voortbracht [Brahmâ]. (16) Hij [Brahmâ] in dat water gezeten op de werveling van de lotus was niet in staat de wereld te onderscheiden en al rondspiedend in de vier richtingen kreeg hij aldus zijn vier hoofden. (17) [Brahmâ] gezeten op en behoed door de lotusbloem die vanwege de stormlucht aan het einde van de yuga uit de roerige wateren was verschenen, kon in zijn verbijstering het mysterie van de schepping niet doorgronden noch begrijpen dat hij de eerste halfgod was. (18) 'Wie ben ik die bovenop deze lotus zit? Waar kwam deze lotus vandaan? Er moet iets onder het water zitten. Hier aanwezig zijn houdt in dat dat waaruit het zijn bestaan vond er ook moet zijn!' (19) Op deze wijze zich bezinnend op de steel van de lotus, kon hij door dat kanaal in het water te volgen naar de navel [van Vishnu], ondanks dat hij daar binnen ging en uitvoerig over de oorsprong nadacht, de basis niet doorgronden. (20) In het duister tastend o Vidura gebeurde het dat met zijn contemplatie op deze manier de enormiteit van het driedimensionale van de tijd tot stand kwam [tri-kâlika] die als een wapen [een cakra] de belichaamde, ongeboren ziel vrees inboezemt door zijn levensduur tot een honderdtal jaren te beperken [vergelijk 2.2: 24-25].

(21) Toen hij het doel dat hij zich gesteld had niet bereiken kon gaf de godheid de onderneming op en ging hij weer op de lotus zitten om vol vertrouwen daar stap voor stap zijn adem te beheersen, zijn geest terug te trekken en zijn bewustzijn te verenigen in meditatie. (22) Met het voor de duur van zijn leven [aldus] beoefenen van yoga ontwikkelde de zelfgeborene mettertijd het begripsvermogen en zag hij hoe zich in zijn hart vanzelf dat manifesteerde wat hij voordien niet kon waarnemen. (23) Op het bed van de volledig witte gigantische S'esha-nâga [slang] lotusbloem lag de Oorspronkelijke Persoon geheel alleen neer onder de overkapping van de slangenkraag die was bedekt met de hoofdsieraden waarvan de gloed de duisternis in het water der vernietiging verdreef. (24) Het panorama van Zijn handen en benen, juwelen, bloemenkrans en aankleding overtrof het groene koraal van de avondschittering van de zon boven de grote gouden bergtoppen met hun watervallen, kruiden, bloemen en bomen. (25) Met de schoonheid van de hemelse gloed van de ornamenten die Zijn lichaam sierden dekte de gehele lengte en breedte  van de uitgestrektheid van Zijn bovenzinnelijke aanwezigheid het totaal van de drie werelden in al hun diversiteit.

(26) Overeenkomstig het verlangen van het menselijk wezen dat in de aanbidding van Zijn lotusvoeten - die belonen met alles waarnaar verlangd wordt - het pad der toegewijde dienst volgt, toonde Hij in Zijn grondeloze genade met de maangelijke glans van Zijn teen- en vingernagels de prachtigste [bloem]verdeling. (27) Met Zijn gelaatsuitdrukking beantwoordend aan ieders verdienste, verdrijft Hij het leed van de wereld met de betovering van Zijn glimlachen, de pracht van Zijn oorsieraden, het licht gereflecteerd van Zijn lippen en de schoonheid van Zijn neus en wenkbrauwen. (28) Beste Vidura, Zijn middel was fraai gesierd met een gordel en stof met de saffraankleur van kadambabloemen; er was een kostbare halsketting en op Zijn borst was er het aantrekkelijke S'rîvatsa teken [een paar witte haren]. (29) Zoals de bomen in de wereld hun eigen bestaan hebben en met hun duizenden takken hun grote waarde [aan bloemen en vruchten] tentoonspreiden alsof  ze gesierd zijn met kostbare juwelen, is ook de Heer, de heerser van Ananta, [Garbhodakas'âyî Vishnu] getooid met de kragen boven Zijn schouders. (30) De Opperheer vormt als een berg omringd door water de verblijfplaats voor alles wat zich rondbeweegt en niet beweegt en als de vriend van Anantadeva met zijn duizenden gouden helmen [en juwelen] manifesteert Hij zich daarbij met Zijn Kaustubhajuweel als een bergketen van goud in de oceaan. (31) Omringd door de bloemenkrans van Zijn eigen heerlijkheden in de vorm van de lieflijke, fraaie klanken der Vedische wijsheid was de Heer van de zon, de maan, de lucht en het vuur [zo zag Brahmâ toen] zeer moeilijk te bereiken omdat Hij, vechtend voor de plicht, Zich rondbewoog door de drie werelden. (32) En zo kon het gebeuren dat de godheid van het universum, de schepper van het lot, het meer van Zijn navel kon aanschouwen, de lotusbloem, de wateren der vernietiging, de lucht met zijn winden en de hemel, maar dat hij zijn blik niet kon werpen voorbij het geschapene van de kosmische manifestatie. (33) Met de reikwijdte van die visie raakte hij als het zaadbeginsel van alle wereldse handelingen geïnspireerd door de geaardheid hartstocht en bad aldus, in overweging van de zich enthousiast voortplantende levende wezens, ervoor te scheppen ten dienste van de Aanbiddelijke der transcendentie op het pad van de standvastige ziel.'

 

Hoofdstuk 9: Brahmâ's gebeden voor het Creatief Vermogen

(1) Brahmâ zei: 'Vandaag, na een lange tijd [van boeten], heb ik U leren kennen en kan ik zeggen dat het heel spijtig is als levende wezens geen kennis hebben van Uw optreden als de Allerhoogste Heer. Er is niemand die U overtreft mijn Heer, en alles wat er de schijn van heeft kan nooit het absolute zijn, want U bent [de transcendentie van] de grotere werkelijkheid voor de geaardheden van de materiële energie die zijn evenwicht verloor. (2) Die [grote] gedaante is altijd vrij van de duisternis der materie omdat U in den beginne ter wille van de toegewijden Uw innerlijk vermogen manifesteerde, het vermogen dat de bron is van de honderden avatâra's en waaruit ook ikzelf op de lotusbloem die aan Uw navel ontsproot mijn bestaan vond. (3) O mijn Heer, hier voorbij [aan deze bron] zie ik geen andere die superieur is aan Uw eeuwige gedaante vol van gelukzaligheid die vrij is van verandering en verlies van vermogen. U bent de enige echte Schepper van de kosmische manifestatie en de onstoffelijke Allerhoogste Ziel Zelve. Ik die zo trots ben in de identificatie met het lichaam en de zinnen zoek mijn toevlucht bij U. (4) Die gedaante, of hoe U Uw aanwezigheid dan ook vormt, is alleszins gunstig voor het gehele universum en bevorderlijk voor onze meditatie, en U, Allerhoogste Heer die Zich manifesteerde voor ons toegewijden, biedt ik mijn eerbetuigingen. Voor U volbreng ik dat wat door personen wordt verwaarloosd die in hun voorkeur voor het materiële recht op de hel afstevenen. (5) Maar zij die vasthouden aan de smaak en geur van Uw lotusvoeten die wordt meegevoerd door de geluiden van de Veda die hun oren bereikt, aanvaardden door hun toegewijde dienst Uw bovenzinnelijke weg. Voor hen die Uw toegewijden zijn is er nimmer de scheiding van U [geplaatst] op de lotus van hun harten o Heer. (6) Tot dat het geval is zal er angst zijn vanwege de weelde, het lichaam en de verwanten, en zal het weeklagen en het verlangen, alsook de begeerte en de minachting groot zijn. Tot die tijd, zolang de mensen van de wereld niet hun toevlucht zoeken tot de geborgenheid van Uw lotusvoeten zal men, ondernemend overeenkomstig het vergankelijke idee van iets te bezitten, vol van zorgen zijn. (7) Hoe onfortuinlijk zijn zij die beroofd zijn van de heugenis van Uw onderwerpen! In beslag genomen door ongeluk en verstoken van gezond verstand, handelen ze naar hun begeerten en vinden ze slechts kortstondig geluk. Het zijn arme stakkers wiens geesten beheerst worden door bezitsdrang en wiens handelingen vol van stress zijn. (8) Hun steeds geplaagd zijn door [neurotische] honger, dorst en hun drie afscheidingen [slijm, gal en lucht], winter en zomer, wind en regen en vele andere verstoringen alsook door een sterke seksuele aandrang en een onvermijdelijke boosheid, zie ik alles bij elkaar als geestelijk hoogst ondraaglijk, o Man van de Grote Stappen, dat doet me veel verdriet. (9) Zolang iemand onder de invloed van de materiële illusie een dienaar is van zijn zintuigen en zich geplaatst ziet voor een afgescheiden  bestaan in een lichaam o Fortuinlijke, zal o Heer, zo iemand er niet toe in staat zijn het rad van herhaalde wedergeboorten in de materiële wereld te boven te komen. Hoewel het werken voor uiterlijke resultaten feitelijk van geen betekenis is [voor de ziel], zal het hem onophoudelijk ellende bezorgen. (10) Gedurende de dag zijn ze bezig met stressvolle arbeid en 's nachts lijden ze onder slapeloosheid vanwege hun gepieker dat steeds hun intelligentie en slaap verstoord. De goddelijke orde frustreert hun plannen en ook de wijzen o mijn Heer, die zich tegen Uw onderwerpen keerden zullen blijven ronddolen in deze wereld. (11) Op U gericht voor honderd procent verenigd in toewijding, met U verblijvend op de lotus van hun harten, zien de toegewijden die zich op het pad van het luisteren bevinden, o mijn Heer,  hoe U, in het hier en nu, in Uw grondeloze genade precies die bovenzinnelijke gedaante manifesteert die ze van U, die door zovelen wordt verheerlijkt, in gedachten hebben. (12) U bent nooit echt tevreden met de pompeuze vertoningen met alles erop en eraan van hooggeplaatste dienaren die van aanbidding zijn met harten vol van allerlei soorten van verlangens. Want U, de zo verschillend waargenomen Ene en Unieke Weldoener, de Superziel in het hart van de levende wezens, bent er om alle levende wezens Uw grondeloze genade te tonen en kan niet worden bereikt door hen die zich richten op wat door mensen is geschapen en tijdelijk is [asat]. (13) De juiste, onvergankelijke handelwijze [het dharma] om zich op te fixeren is daarom de aanbidding die door de mensen wordt volbracht met verschillende vruchtdragende handelingen, vormen van liefdadigheid, zware boetedoeningen en bovenzinnelijke dienstverlening om enkel U de Fortuinlijke te behagen.

(14) Ik breng U, de Allerhoogste, mijn eerbetuigingen die Zich altijd, in het genieten van het spel en vermaak van Zijn kosmische schepping, vernietiging en behoud, onderscheidt door de heerlijkheden van Zijn bovenzinnelijke gedaante. U, de Transcendentie die men zich realiseert door intelligent om te gaan met de illusoire verscheidenheid, breng ik mijn eerbetuigingen. (15) Ik neem mijn toevlucht tot de Ongeborene wiens namen, die staan voor Zijn nederdalingen, bovenzinnelijke kwaliteiten en handelingen, de weg openen naar de onsterfelijkheid. Als ze, al is het maar onbewust, worden aangeroepen ten tijde van het verlaten van dit leven, nemen ze terstond alle zonden weg die zich van vele, vele levens ophoopten zodat men Hem bereikt. (16) Hij de Almachtige Persoonlijkheid die om redenen van de schepping, handhaving en vernietiging [deze wereld] doordringt met drie stammen - ik, S'iva en Hemzelf - groeide wortelend in de ziel als de enige ware voor de vele takken [der religie]. Hem, de Persoonlijkheid van God, deze boom van het systeem der werelden, breng ik mijn eerbetuigingen. (17) Zolang de mensen van de wereld bezig zijn met ongewenste activiteiten en in de handelingen van hun eigenbelang de door U gunstig verklaarde toegewijde activiteiten minachten, zal de strijd om het bestaan van deze mensen zeer hard zijn en onder het gezag van Uw Waakzaamheid [in de vorm van de Tijd] op een janboel uitlopen. Moge er mijn eerbetuiging zijn voor U. (18) Zelfs ik die besta in een plaats die twee parârdha's lang voortbestaat [2 x 50 jaar, waarvan één dag en nacht twee maal 4.32 miljard aardse jaren duurt: 311.04 biljoen jaar], gerespecteerd wordt in al de werelden en voor vele jaren zware boetedoeningen heb ondergaan voor mijn zelfrealisatie, vrees U. U biedt ik mijn respectvolle eerbetuigingen mijn Heer, o Hoogste Persoonlijkheid en genieter van alle offers. (19) In het verlangen Uw plicht te doen spreidt U bij de genade van Uw wilsbesluit zich projecterend in de verschillende levensvormen van de dieren, de mensen en de goden Uw bovenzinnelijk spel en vermaak tentoon. Daarbij verkeert U ondanks het manifesteren van Uw Goddelijke gedaante nimmer onder de invloed van de materie. Mijn eerbetuigingen voor die Heer van de Volheden, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (20) En ook de onwetendheid [avidya] die zich op vijf manieren doet kennen [zie verder 3.12: 2] raakt U niet. Integendeel, U bent zo welgezind temidden van de gewelddadige reeksen golven in het water op het slangenbed in contact te staan [met Ananta S'esha] en te sluimeren met al de werelden die U in Uw buik draagt terwille van hun behoud. En daarmee laat U de [intelligente] mens Uw geluk zien. (21) Hem door wie ik vanuit het lotushuis dat ontspringt aan de navel tot stand kwam met de bedoeling om Hem, de Aanbiddelijke met Zijn genade bij te staan in de schepping van de drie werelden, Hij die het universum in Zijn buik heeft en wiens ogen na het beëindigen van Zijn yogasluimer bloesemen als lotussen, biedt ik mijn eerbetuigingen.

(22) Moge hij, de Heer van alle universa, die ene vriend en filosoof, de Superziel die als de Allerhoogste Heer van de zes volheden [schoonheid, intelligentie, boetvaardigheid, macht, roem en rijkdom] het geluk schenkt middels de geaardheid goedheid, mij de macht der introspectie vergunnen zodat ik als voorheen in staat zal zijn dit universum te creëren als een overgegeven ziel die Hem lief is. (23) Tot deze begunstiger van de overgegeven ziel die met de godin van het fortuin [Lakshmî] geniet van wat Hij ook maar tentoon moge spreiden vanuit Zijn innerlijk vermogen met het aanvaarden van Zijn incarnaties van de goedheid, bidt ik dat ik, begiftigd met Zijn omnipotentie, van dienst mag zijn en dat ik, ondanks de materiële emoties van mijn hart, er ook toe in staat zal zijn er weer mee op te houden. (24) Ik bidt dat ik, die als de energie van het totale universum werd geboren uit het meer van de Allerhoogste Persoon Zijn navel terwille van de manifestatie van de verscheidenheid van Zijn onbegrensde macht, niet zo onfortuinlijk zal zijn de geluidstrillingen van de Vedische waarheid kwijt te raken. (25) En moge Hij, de Allerhoogste Heer die eindeloos genadevol is in Zijn opperste liefde en glimlachen, Zijn lotusogen openen zodat de kosmische schepping op kan bloeien en de heerlijkheid vinden als Hij met Zijn zoete woorden als de oudste en Oorspronkelijke Persoon onze neerslachtigheid wegneemt.'

(26) Maitreya zei: 'Nadat hij aldus met het gadeslaan van de bron van Zijn verschijnen boetvaardig, vol van kennis en met een geconcentreerde geest naar zijn beste vermogen aandacht had besteed aan de woorden van zijn gebed, viel hij stil alsof hij moe was. (27-28) Toen Madhusûdana [Krishna als de doder van Madhu] de oprechtheid van Brahmâ zag en hoe terneergeslagen hij was over de verwoestende wateren van het tijdperk en in dubio verkeerde over de posities van de verschillende werelden, sprak Hij tot hem in diepe, betekenisvolle bewoordingen teneinde zijn zorgen weg te nemen.'

(29) De Opperheer zei: 'Jij begiftigd met de diepgang van alle Vedische wijsheid, wanhoop niet over de onderneming der schepping. Dat waar je jezelf toe hebt gezet en voor bidt, heb ik reeds geregeld. (30) Om zeker te zijn van Mijn ondersteuning moet je jezelf er als vanouds toe brengen boete te doen en de principes van de waarheid te behartigen. Door die kwaliteiten zal je de hele wereld in je hart geopenbaard zien, o brahmaan. (31) Dan, als je je verbonden in de toewijding geheel hebt verdiept in het universum, zal je zien dat Ik Mij er overal in bevindt, o Brahmâ en dat jij met inbegrip van al de werelden en al de levensvormen, deel van Mij uitmaakt. (32) Als je Mij in alle levende wezens en in het universum ziet als betrof het vuur in hout, zal je zonder twijfel datzelfde moment in staat zijn de zwakheid achter je te laten. (33) Zo gauw je vrij bent van het grove en subtiele zelf en je zinnen niet meer onder de invloed verkeren van de geaardheden der natuur, zal je, Mij benaderend, je zuivere essentie [svarûpa] zien en het koninkrijk der hemelen genieten. (34) Met jouw verlangen de verscheidenheid aan diensten uit te breiden en de bevolking eindeloos te doen toenemen, zal je ziel nooit bedroefd zijn in deze aangelegenheid omdat aan Mijn genade geen grenzen gesteld zijn. (35) Jij bent de oorspronkelijke wijze; de verraderlijke geaardheid der hartstocht zal je nooit bekruipen omdat, ondanks dat je nageslacht genereert, je denken altijd tot Mij beperkt zal zijn. (36) Hoewel Ik voor de geconditioneerde ziel moeilijk te kennen ben, word Ik vandaag door jou gekend omdat je begrijpt dat Ik niet een product ben van de materie, de zinnen, de geaardheden of de verbijstering van het zelf. (37) Ik toonde Mij vanbinnenuit aan jou toen je in het overwegen van de bron van de lotus via zijn stengel in het water Mij probeerde te achterhalen. (38) Jouw gebeden voor Mij, o Brahmâ, handelend over Mijn verhalen met een opsomming van Mijn heerlijkheden of over je boete en geloof, mag je allemaal zien als het resultaat van Mijn grondeloze genade. (39) Moge alle zegen op jou rusten die in je verlangen bad voor de victorie van al de werelden door zo fraai Mijn kwaliteiten en Mijn transcendentale positie te beschrijven. Je hebt Mij er zeer mee behaagd. (40) Een ieder die regelmatig deze verzen bidt zoals weergegeven zal door zijn aanbidding zeer spoedig al zijn verlangens vervuld zien, daar Ik de Heer van alle zegening ben. (41) Door met goede werken, boetedoeningen, offers, liefdadigheid en verzonkenheid in yoga Mij tevreden te stellen, zal het menselijk wezen zich verzekeren van zijn uiteindelijke succes zo luidt de mening van hen die de Absolute Waarheid kennen. (42) Omdat Ik  de Superziel ben, de bepaler van alle andere zielen en de meest dierbare van alles wat dierbaar is zou men al zijn gehechtheid aan Mij moeten opdragen. Want de liefde die men  heeft voor zijn lichaam en andere zaken heeft men aan Mij te danken. (43) Breng nu, met de beheersing van je kennis van de Veda en met je lichaam, die beiden rechtstreeks hun bestaan aan de [Super]ziel ontlenen, zoals te doen gebruikelijk de levens voort van allen die in Mij toegewijde gehechtheid moeten vinden.'

(44) Maitreya zei: 'Na hem, de schepper van het universum, aldus te hebben geïnstrueerd, verdween de voorwereldlijke, oorspronkelijke Heer in Zijn persoonlijke Nârâyanagedaante uit het zicht.'


Hoofdstuk 10: De Afdelingen van de Schepping

(1) Vidura zei: 'Hoeveel levende wezens werden door de almachtige grootvader van alle schepselen op deze planeet geschapen vanuit zijn lichaam en geest, nadat de Hoogste Persoonlijkheid was verdwenen? (2) Met het oog op alles waar ik naar gevraagd heb, o machtige, wees zo goed ze me allemaal van het begin tot het eind te beschrijven, o hoogst geleerde persoon; wees zo genadig al mijn twijfels weg te nemen.' "

(3) Sûta zei [zie Canto 1]: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de grote wijze, de zoon van Kushâra [Maitreya] aldus gestimuleerd door Vidura, voelde zich tevredengesteld en gaf sprekend vanuit zijn hart antwoord op de vragen.

(4) Maitreya zei: 'Brahmâ verrichtte aldus voor het heil van de ziel voor een honderdtal hemelse jaren boete zoals hem dat gezegd was door de Ongeboren Allerhoogste Heer. (5) Hij die op de lotus zijn bestaan gevonden had zag toen hoe de lotus waarop hij zat en het water eromheen werden bewogen door de wind die werd aangewakkerd door de kracht van de eeuwige Tijd. (6) Omdat door zijn boete zijn bovenzinnelijke kennis en zelfbewustzijn was toegenomen was zijn praktisch inzicht gerijpt, en met dat vermogen nam hij de wind tezamen met het water in zich op. (7) Toen hij zag hoe uitgebreid de lotus was waarop hij zich bevond dacht hij bij zichzelf: 'Ik zal hiermee [met deze lotus in het Tijdbewogen water] al de werelden die voorheen in mij zijn opgegaan weer tot leven wekken.' (8) Nu hij er door de Opperheer toe was aangemoedigd tot actie over te gaan, ging hij de werveling van de lotus binnen en verdeelde hij het geheel in drie hoofdafdelingen die hij over veertien onderafdelingen verdeelde [zie ook 2.5: 42]. (9) Deze verschillende leefomstandigheden van de individuele zielen vormen samen de consequentie van de [meerdere of mindere mate van] onzelfzuchtige plichtsvervulling jegens de Hoogste Persoonlijkheid.'

(10) Vidura zei: 'Toen u de keuze aan verschillende gedaanten van de Heer, de wonderbaarlijke acteur, besprak had u het over de eeuwige tijd als een van Zijn namen. O brahmaan, kan u alstublieft beschrijven hoe de tijd zich feitelijk laat kennen o meester, wat zijn zijn kenmerken?'

(11) Maitreya zei: 'Hij [de Eeuwige Tijd] vormt de bron van de verschillende [organische en anorganische] interacties van de natuurlijke geaardheden, hij is onverdeeld en onbegrensd en vormt het instrument van de Oorspronkelijke Persoon die middels Zijn spel en vermaak het materiële leven van de ziel gestalte geeft. (12) Tijd [kâla] is het verborgen, onpersoonlijke aspect van God door middel waarvan de kosmische schepping in de vorm van de materiële energie werd gescheiden van de Opperheer als Zijn objectieve manifestatie, als het fenomenale dat door Vishnu's begoochelend vermogen werd gevestigd. (13) Zoals hij [de Eeuwige Tijd] er is in het heden, was hij er in het begin en zal hij er hierna zijn.

(14) De conditionering [of schepping] die er door plaatsgreep wordt in negenen gedeeld overeenkomstig zijn materiële veranderingen [of geaardheden: hartstocht, goedheid en onwetendheid],  overeenkomstig de materiële kwaliteiten van de eeuwige tijd [beweging, kennis en onbeweeglijkheid] en naar gelang de drie soorten van verval mettertijd [het einde van de mensen, de dieren en de onbeweeglijke afdeling der planten en de rest van het universum]. (15) De eerste [de mahat-tattva, van de goedheid] wordt gevormd door het geheel van de schepping dat voortkwam uit de Heer met de interactie van de drie geaardheden. De tweede [van de hartstocht] is die van het ik-besef [of ego] waaruit materiële voorwerpen, materiële kenmerken en materiële activiteiten volgden. (16) De derde soort van schepping is dat wat werd geschapen als een mengvorm van de materie [der onwetendheid] en [in de vorm van levende wezens] van zintuiglijke waarneming is. Ten vierde zijn er de goederen voor de zintuigen die de praktische basis vormen van de materiële kennis. (17) De wisselwerking [de beweging] met de geaardheid goedheid en de geest die er uit voortkomt resulteert in de godheden [die over de zintuigen heersen en] die de vijfde soort van schepping vormen. Ten zesde is er dan de duisternis van de schepping [de traagheid der materie] die van meesters dwazen maakt. (18) Dit zijn de zes primaire materiële scheppingen. Verneem nu van mij over de drie secundaire scheppingen [van plant, dier en mens] voortgebracht door de almachtige incarnatie van de geaardheid hartstocht [Brahmâ] die de Heer Zijn intelligentie vormt.

(19) De zevende hoofdafdeling van de schepping betreft de zes soorten van wezens die niet uit zichzelf bewegen: bomen die vruchten dragen zonder bloemen, planten en struiken die bestaan totdat de vrucht is gerijpt, de klimplanten, de gewassen met een holle stengel, planten die opklimmen zonder steun en de bloesemende vruchtbomen. (20) Deze wezens voeden zich van bovenaf en zijn vrijwel onbewust met enkel een innerlijk voelen en bestaan uit vele soorten. (21) De achtste schepping wordt gevormd door de lagere diersoorten. Er zijn er achtentwintig verschillende en men gaat ervan uit dat ze geen kennis hebben van hun lot, buitengewoon onwetend zijn, zaken onderscheiden middels de reuk en van een gebrekkige gewetensfunctie zijn. (22) O allerzuiverste, de koe, de geit, de buffel, de antiloop, het zwijn, de gavaya [een soort van os], het hert, het schaap en de kameel hebben allen gespleten hoeven. (23) De ezel, het paard en het muildier, de gaura, de s'arabha-bison en het wilde rund hebben slechts één teen. O Vidura, laat me je nu vertellen over de dieren met vijf nagels. (24) Dat zijn de hond, de jakhals, de vos, de tijger, de kat, het konijn, het sajâru-stekelvarken, de leeuw, de aap, de olifant, de schildpad, de iguana ['vier-benige slang'], de krokodil en dergelijken. (25) De reiger, de gier, de kraanvogel, de havik, de bhâsa [een ander soort aaseter], de bhallûka, de pauw, de zwaan, de sârasa [indische kraanvogel], de cakravâka, de kraai, de uil en meer van hen zijn de vogels. (26) Van de negende soort die [ook] zijn buik vult, o Vidura, is er slechts één type: de mensen. Bij hen staat de geaardheid hartstocht voorop. Ze hebben het heel druk met [het terugdringen van] hun misère, maar beschouwen zich altijd als heel gelukkig.

(27) Deze drie secundaire scheppingen zijn met inbegrip van de schepping der halfgoden [als een extra categorie], mijn beste, in tegenstelling tot de andere scheppingen die ik beschreef [overeenkomstig de geaardheden en hun kwaliteiten], onderhevig aan aanpassingen [aan mutaties ofwel aan een evolutie], maar de zonen van Brahmâ [de brahmanen, de Kumâra's] zijn van beide [d.w.z. ze passen zich fysiek aan, maar veranderen niet in kwaliteit]. (28-29) De schepping van de halfgoden bestaat uit acht soorten: (1) de zelfgerealiseerde zielen, (2) de voorvaderen, (3) de atheïsten, (4) de transcendentale wezens, de engelen en de heiligen, (5) de beschermers en de giganten, (6) de hemelse zangers, (7) de leidgeesten voor het goede en het kwade en de hemelbewoners en (8) de bovenmenselijke wezens en dergelijken. Alle tien soorten van scheppingen die ik je beschreef o Vidura, zijn geschapen door Brahmâ, de schepper van het universum. (30) Hierna zal ik de verschillende nakomelingen van de Manu's bespreken en hoe de Schepper, bewogen door de geaardheid hartstocht, in de verschillende tijdperken met een feilloze vastbeslotenheid zijn scheppingswerk doet met achting voor de Allerhoogste Heer die, middels Zijn eigen energie, vanuit Zichzelf ten tonele verschijnt als Zichzelf.'


Hoofdstuk 11: De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend vanuit het Atoom

(1) Maitreya zei: 'Men moet weten dat de uiteindelijke waarheid van dat wat zichzelf in het vele toont als het ondeelbare, een oneindig klein deeltje [paramânu] is waarvan de combinatie [in verschillende vormen] illusie verwekt in de mens. (2) De opperste eenheid van dat deeltje dat aanwezig is in de materiële vormen behoudt zijn oorspronkelijke gedaante tot het einde der tijden, het is van een eeuwigdurende, onovertroffen uniformiteit. (3) En zo kan, mijn beste, de tijd worden afgemeten aan de beweging van zowel de kleinste als de grootste vormen van deeltjescombinaties waarvan de Allerhoogste, ongemanifesteerde Heer de grote kracht is die alle fysieke actie beheerst. (4) De atoomtijd is de tijd die door een oneindig klein deeltje in beslag wordt genomen in het zich uitstrekken over [of vibreren in] een bepaalde atomaire ruimte. De allergrootste tijd is de tijd die in beslag genomen wordt door het bestaan van het geheel van alle atomen.

(5) Twee oneindig kleine deeltjes vormen een atoom [een anu] en drie atomen vormen een trasarenu waaraan men wordt herinnerd met een straal zonlicht vallend door het latwerk van een raam waarin men iets [een stofdeeltje] in de lucht naar boven ziet bewegen. (6) De tijd in beslag genomen door de combinatie van drie trasarenu's wordt een truthi genoemd [1/16.875 seconde] waarvan er honderd een vedha worden genoemd. Drie van hen worden een enkele lava genoemd. (7) De tijdsduur van drie ervan staat gelijk aan één nimesha [± 0.53 seconde] en de tijd van drie van hen heet een kshana [± 1.6 seconde], vijf daarvan staan voor een kâshthhâ [± 8 seconden] en een laghu bestaat uit vijftien van hen [± 2 minuten]. (8) Precies vijftien van die laghu's wordt een nâdikâ [of danda van ± 30 minuten] genoemd en twee van hen vormen één muhûrta [ongeveer een uur] terwijl zes tot zeven van hen een yâma vormen [een kwart van een lichtdag of een nacht] afhankelijk van de menselijke berekening [het seizoen of de breedtegraad]. (9) Het meetvat [de waterklok] heeft een gewicht van zes pala's [± 4 ons] met een vier mâsha [17 karaats] gouden peilstift van vier vingers lang die een gat bedekt waardoor het zich vult met water tot de volgende zonsopgang. (10) Vier yâma's beslaan de duur van zowel de dag als de nacht van het menselijk wezen en vijftien dagen [van acht yâma's elk] vormen één pakshah [periode van twee weken] welke men gemeten kent als zijnde ofwel zwart ofwel wit [afhankelijk van het feit of er een volle maan dan wel een nieuwe maan in optreedt]. (11) Het samenstel van zo een 'dag' en 'nacht' wordt een voorouderlijke [traditionele of solaire] maand genoemd waarvan een tweetal een seizoen vormt. Zes van hen [resp. 'koude' of hemanta, 'dauw' of s'is'ira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grîshma, 'regen' of varshâs en 'herfst' of s'arad, gerekend vanaf de 22e december] stroken met de beweging van de zon gaande door de noordelijke en zuidelijke hemel. (12) Deze beweging van de zon wordt gezegd één dag van de halfgoden te vormen en wordt een vatsara genoemd [een tropisch jaar] van twaalf maanden. De levensduur van het menselijk wezen wordt geschat op een groot aantal [een honderdtal] van dergelijke jaren [zie ook de 'volledige kalender van orde'].

(13) De oneindig kleine deeltjes en hun combinaties, de planeten, de hemellichamen [zoals de maan] en de sterren, draaien allen rond in het universum om in een jaar terug te keren in het Almachtige [cyclische] van de eeuwige tijd. (14) We spreken van een omloop van de zon alsook van de omloop van een planeet, de omloop van onze sterren [in ons sterrenstelsel rond Sagittarius A in de hemel], de omloop van de maan en de omloop van de aarde, o Vidura, als zijnde één enkel [maar verschillend benoemd] jaar [resp. een sterrenjaar, een planetair jaar, een galactisch jaar, een lunatie en een tropisch jaar]. (15) Men moet de Ene [Heer van de Tijd] die verschillend van al het geschapene Zich roert onder de naam van de Eeuwige Tijd, die middels Zijn energie op verschillende manieren de zaden van de schepping tot leven wekt en die gedurende de dag de duisternis verdrijft, respect betonen met achting voor al Zijn vijf verschillende typen van  jaren, zodat men aldus door offers te brengen kwaliteit teweegbrengt in het materieel bestaan.'

(16) Vidura zei: 'U gaf de uiteindelijke tijdmaat aan van  de levensperioden van de verheven levende wezens gevormd door de voorvaderen, de goden en de mensen. Kan u, o grote geleerde, nu een beschrijving geven van de tijdsperioden die meer dan een millennium beslaan? (17) O machtige van de Geest, u kent de bewegingen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van de eeuwige tijd, want u hebt in de beheersing van de yoga de ogen van een zelfgerealiseerde waarmee u het gehele universum kan zien.'

(18) Maitreya zei: 'De vier yuga's [tijdperken of millennia] genaamd Satya, Tretâ, Dvâpara en Kali beslaan tezamen ongeveer [één mahâyuga van] 12.000 godenjaren [welke ieder uit 360 vatsara's bestaan]. (19) De opeenvolgende yuga's beginnende met Satya-yuga zijn respectievelijk ieder vier, drie, twee en één maal 1.200 halfgodenjaren lang. (20) Experts zeggen dat de overgangsperioden aan het begin en einde van iedere yuga verschillende honderden godenjaren beslaan en dat dat de millennia zijn [zoals het millennium waarin we nu leven] waarin allerlei soorten van religieuze activiteiten plaatsvinden. (21) Het volledige plichtsbesef van de mensheid wat betreft zijn vier principes der religie [die van satya, dayâ, tapas, s'auca; waarheid, mededogen, boete en zuiverheid] werd gedurende Satya-yuga naar behoren nageleefd, maar in de andere yuga's namen de principes geleidelijk aan de één na de ander af [eerst boete, dan mededogen, dan zuiverheid] met het meer en meer toestaan van het niet-religieuze. (22) Naast het duizendtal [mahâ-]yuga's  die samen één dag van Brahmâ [van 4.32 miljard jaar] uitmaken van de uiterlijke werkelijkheid van de drie werelden [de hemelse, svarga; aardse, martya en lagere, pâtâla werelden], o mijn beste, is er ook een nacht die net zo lang is en waarin de Schepper van het universum zich te rusten legt. (23) Na het einde van de nacht als een andere dag van Heer Brahmâ zijn aanvang neemt, begint de schepping van de drie werelden die in totaal de levens van veertien Manu's beslaat, weer van voren af aan. (24) Iedere Manu geniet een tijd van leven van iets meer dan eenenzeventig [mahâ-]yuga's.

(25) Na iedere Manu verschijnt de volgende ten tonele zoals ook tezelfdertijd zijn afstammelingen,  de zeven wijzen, de godsbewusten en de koning der halfgoden [Indra] tezamen met iedereen die hen volgen. (26) Dit is Heer Brahmâ's schepping van dag tot dag waarin de lagere dieren, de menselijke wezens, de voorvaderen en de halfgoden zich door de drie werelden bewegen op basis van hun karma. (27) Telkens als de ene Manu de ander opvolgt spreidt de Allerhoogste Heer Zijn goedheid ten toon in Zijn verschillende incarnaties, als de Manu Zelve en als anderen, en handhaaft Hij met het zich ontvouwen van Zijn goddelijke vermogens dit universum. (28) Aan het einde van de dag [van Brahmâ] staakt de Hoogmogende Tijd zijn manifestatie en verkeren, met het geheel vervallen in duisternis, alle levende wezens opgegaan in stilte. (29) Voorzeker moeten daarna al de werkelijkheden van de drie werelden die de nacht van Brahmâ binnengingen, precies zoals dat is met een gewone nacht, het stellen zonder het schijnsel van de zon en de maan. (30) Als de drie werelden in vuur en vlam gezet zijn door de kracht van het vuur dat voortkomt uit de mond van Heer Sankarshana [zie 3.8: 3], bewegen Bhrigu en andere wijzen zich geteisterd door de hitte van de wereld van de heiligen [Maharloka] naar de wereld van de godmensen [Janaloka, de volgende wereld van de celibataire heiligen, zie 2.5: 38]. (31) Direct na de aanvang van de verwoesting van de drie werelden stromen al de zeeën over met overdadige, gewelddadige winden en orkanen die de golven opstuwen. (32) In het water wordt de Heer die daar met Zijn gesloten ogen op het bed van Ananta in Zijn mystieke sluimering neerligt verheerlijkt door de bewoners van de werelden der godsbewuste mensen.

(33) Aldus is er teloorgang in de loop van de tijd van deze dagen en nachten waarin zijn [Heer Brahmâ's] leven op een einde loopt. [Zijn leven komt ten einde in honderd jaren] zoals dat ook met onze levens gebeurt, ook al duurt het [in zijn geval] een honderdtal van zijn jaren [die samen twee parârdha's duren of twee maal 155.5 biljoen menselijke jaren, zie ook 3.9: 18]. (34) De eerste helft van zijn tijd van leven genaamd één parârdha is voorbij en nu zijn we in dit tijdperk begonnen met de tweede helft. (35) De superieure eerste helft begon met een grootse kalpa genaamd de Brâhma-kalpa waarin Heer Brahmâ zich manifesteerde die men kent als de [bron der] Vedische klanken. (36) Aan het einde van die kalpa kwam wat men de Pâdma-kalpa noemt tot stand waarin aan het waterbekken van de navel van de Heer de lotus van het universum ontsproot. (37) De huidige kalpa aan het begin van de tweede helft, o afstammeling van Bharata, wordt gevierd als die van Vârâha waarin de Heer verscheen in de gedaante van een everzwijn [zie 1.3: 7]. (38) De tijd afgemeten aan de twee helften van Brahmâ's leven beslaat voor de ongeboren, onveranderlijke en onbegrensde Ziel van het universum slechts een kort moment. (39) Deze eeuwige tijd die vanaf het allerkleinste deeltje reikt tot de uiteindelijke tijdsduur van twee parârdha's, is nimmer bepalend voor de Allerhoogste Heer, hij is de heerser over hen die zich met het lichaam identificeren. (40) Als een combinatie van de basiselementen en hun transformaties heeft dit manifeste universum zich uitgebreid tot een diameter van een half miljard [yojana's - een dynamische kosmische maat]. (41) [De ruimte van de oneindig kleine deeltjes, de oerether, pradhâna] breidde zich uit tot het tienvoudige [van de omvang van de zich eruit condenserende basiselementen en hun transformaties] die verschijnend als atomen er in binnengingen om samen te clusteren tot vele andere lagere universa [of sterrenstelsels]. (42) Die oorzaak aller oorzaken [waarin men al de universa aantreft] wordt de onvergankelijke Absolute Waarheid genoemd, het bovenzinnelijk verblijf van de rechtstreekse, persoonlijke manifestatie van de Opperziel: Heer Vishnu.'

Zie ook de pagina: "S'rîmad Bhâgavatam & Bhagavad Gîtâ Tijdcitaten".


Hoofdstuk 12: De Schepping van de Kumâra's en Anderen

(1) Maitreya zei: 'Tot dusverre heb ik u de glorie van de Superziel onder de naam van kâla beschreven, o Vidura, probeer nu van me te begrijpen hoe de bron der Veda's [Brahmâ] de dingen schiep zoals ze zijn.

(2) Allereerst ontstond er [van vijf soorten van onwetendheid:] het idee dat men zou sterven [andha-tâmisra], vervolgens was er verongelijktheid [tâmisra] toen was er de hunkering der zotheid [mahâ-moha], daarop de begoocheling met fouten [zoals het zich met het lichaam identificeren en dergelijke, moha] en tenslotte was er het duister van de onwetendheid omtrent het eigen handelen [tamas]. (3) Toen hij [Brahmâ] een dermate problematische schepping voor zich zag, had hij geen hoge dunk van wat hij gedaan had en vond toen, na zich gezuiverd te hebben door te mediteren op de Allerhoogste Heer, de geest voor een andere. (4) De zelfgeborene schiep toen Sanaka, Sananda, Sanâtana en Sanat-kumâra, [de Kumâra's] die vrij van alle vruchtdragende handelingen overgegeven celibatairen zijn ['zij wiens zaad opwaarts gaat']. (5) Hij zei hen vanbinnenuit: 'O mijn zoons, plant je voort', maar ze wilden dat niet, omdat ze in hun toewijding voor de Allerhoogste Heer zich op de weg bevonden van de principes der bevrijding. (6) Niet gerespecteerd door zijn zoons die weigerden de opdracht uit te voeren, deed hij zijn best de woede te beheersen die toen in hem opwelde. (7) Ondanks de meditatieve beheersing van de oorspronkelijke vader kwam er vanuit zijn woede rechtstreeks van tussen zijn wenkbrauwen een kind ter wereld  dat een kleur had die bestond uit een combinatie van rood [staande voor hartstocht] en blauw [staande voor onwetendheid]. (8) Het kind riep luidkeels naar de vader van al de goden: 'O machtige heerser van het lot, wijs me mijn namen toe en zeg me wat mijn plaatsen zijn o leraar van het universum.'

(9) Hij, de almachtige geboren uit de lotus, ging in op dat verzoek en suste het kind met de woorden: 'Schreeuw maar niet, ik zal doen wat je wilt. (10) O belangrijkste der halfgoden, omdat je als een jongen zo heftig een keel opzette, zullen de mensen je aanspreken met de naam Rudra. (11) Het hart, de zinnen, de levensadem, de ether, de lucht, vuur en water, aarde en de zon, de maan en ook de verzaking vormen samen de plaatsen die voor jou bestemd zijn. (12) Je namen zijn: Manyu, Manu, Mahinasa, Mahân, S'iva, Ritadhvaja, Ugraretâ, Bhava, Kâla, Vâmadeva en Dhritavrata. (13) Dhî, Dhriti, Rasalâ, Umâ, Niyut, Sarpi, Ilâ, Ambikâ, Irâvatî, Svadhâ en Dîkshâ zijn, o Rudra, je elf echtgenotes [de Rudrânî's]. (14) Aanvaard deze verschillende namen en plaatsen en de vrouwen die erbij horen en verwek nageslacht met hen op grote schaal, aangezien je de meester van de levende wezens bent.' (15) Aldus geïnstrueerd door zijn eigen geestelijk leraar, bracht de machtigste van de vermenging van blauw en rood de generaties voort die, dezelfde kracht, verschijning en furieuze natuur bezaten als hij.  (16) Maar toen hij zag wat de zonen die door Rudra waren voortgebracht allemaal deden en hoe hun eindeloze aantallen samen het hele universum in beslag namen, werd de vader van de levende wezens bang. (17) 'O beste der halfgoden, [zei hij,] je hebt genoeg van dit soort levende wezens tot stand gebracht. Ze verschroeien met het laaiend vuur van hun ogen alle windrichtingen en mij erbij. (18) Ga boete doen, dat zal je goed doen en alle levende wezens geluk brengen. Alleen door boete te doen zal je het universum tot stand kunnen brengen zoals het was. (19) Alleen door te boeten kent een persoon het hoogste licht en kan hij volledig zijn in zijn respect voor de Opperheer voorbij de zinnen die in ieders hart verblijft.'

(20) Maitreya zei: 'Aldus geïnstrueerd door de zelfgeborene omliep hij [Rudra] de meester der Veda's terwijl hij 'Zo zij het' zei. Vervolgens begaf hij zich in het woud om boete te doen.  (21) Vastbesloten tot schepping over te gaan verwekte hij [Brahmâ] die door de Aanbiddelijke was toegerust met het vermogen, toen tien zonen teneinde de wereld te bevolken: (22) Marîci, Atri, Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu, Vasishthha, Daksha met als de tiende Nârada. (23) Nârada kwam voort uit zijn schoot, Daksha kwam uit de duim voort, uit de levensadem zag Vasishthha het licht, terwijl Bhrigu voortkwam uit zijn aanraking en de wijze Kratu uit zijn hand. (24) Pulaha kwam voort uit de navel, Pulastya uit de oren, de grote wijze Angirâ uit de mond, uit de ogen kwam de wijze Atri voort en de wijze Marîci verscheen uit zijn geest. (25) Uit de rechter zijde van de borst, waar Nârâyana huist, manifesteerde zich de religie terwijl de ongelovigheid, waardoor de wereld de verschrikkingen van de dood vreest, uit zijn rug verscheen. (26) Uit het hart manifesteerde zich de lust, uit de wenkbrauwen de woede, van tussen zijn lippen de hebzucht, uit de mond kwam de aandrang tot spreken voort terwijl uit zijn penis de oceanen verschenen en uit de anus, het reservoir van alle ondeugd, de laagste activiteiten voortkwamen. (27) Uit zijn schaduw manifesteerde zich Kardama Muni, de echtgenoot van Devahûti. Aldus ontwikkelde zich zowel uit het lichaam als de geest van de meester zich het geheel van dit levende universum van de schepper.

(28) O Vidura, we hoorden dat de dochter Vâk die uit zijn lichaam werd geboren de geest van Brahmâ afleidde en verlangens bij hem opwekte hoewel zij zelf geen lust koesterde.  (29) De zonen, de wijzen met Marîci aan het hoofd, die toen zagen dat zijn geest zich in de greep van het amorele bevond, spraken zich met het nodige respect als volgt uit: (30) 'Dat wat u nu met uw dochter aan het doen bent zonder uw seksuele verlangen te beheersen hebt u, noch iemand anders, ooit gedaan noch zal iemand in de toekomst dat ooit doen, o meester. (31) Zeker is een dergelijke houding niet gepast voor de meest machtige wiens goede gedrag en karakter, o meester van het universum, een voorbeeld vormt dat door de wereld die streeft naar voorspoed wordt nagevolgd. (32) Laten we de Allerhoogste Heer de eer betuigen die vanuit de ziel bij de kracht van Zijn eigen luister deze manifestatie tot stand bracht. Moge Zijn plichtsbetrachting ons allen beschermen.' (33) Met voor ogen zijn zonen die zich aldus tot hem richtten, verliet de vader aller vaders der mensheid die de schuld op zich nam van de mist die overal bekend staat als de duisternis, beschaamd zijn lichaam. (34) Toen de schepper der werelden zich op een goede dag afvroeg hoe hij de drie werelden opnieuw tot stand moest brengen zoals ze voorheen geweest waren, manifesteerde de Vedische literatuur zich uit zijn vier monden. (35) Aldus manifesteerden zich de vier functies van het [op offeren gerichte] handelen [het offer, de offeraar, het vuur en het offeren] en de aanvullingen op de Veda met hun logische gevolgtrekkingen, alsmede de vier principes der religie [waarheid, reinheid, versobering en mededogen] en de spirituele afdelingen [âs'rama's] en afdelingen der roepingen [varna's].'

(36) Vidura zei: 'Kan u, o weelde der verzaking, alstublieft zeggen met welke mond welke Veda werd voortgebracht door de god die de heerser over de scheppers van het universum is?'

(37) Maitreya zei: 'De vier Veda's genaamd Rig-, Yajur-, Sâma- en Atharva Veda kwamen, te beginnen bij de voorkant [oost, zuid, west, noord], ieder uit een van de vier monden tevoorschijn en in dezelfde volgorde volgden de schriftuurlijke beschouwingen [de S'astra voor de Hotâpriester], de rituelen [de Ijya voor de Adhvaryupriester], het recitatiemateriaal [de Stutistoma voor de Udgâtâpriester] en de bovenzinnelijke dienst der verzoening [de Prâyas'citta voor de Brahmâritvik]. (38) Op dezelfde manier werden te beginnen bij de voorste mond in de oostelijke richting de Vedische wetenschappen van de geneeskunde [de Âyurveda], het boogschieten [de Dhanurveda], de muziekwetenschap [de Ghandarvaveda] en de bouwkunst [de Sthâpatyaveda] voortgebracht [die samen de Upaveda's worden genoemd]. (39) Ook werden de Itihâsa's - de  aparte geschiedenissen - en de verzamelingen van klassieke verhalen genaamd de Purâna's, die samen bekend staan als de z.g. vijfde Veda, voortgebracht door de monden van hem die in alle richtingen kan zien. (40) Uit zijn oostelijke mond alsmede uit ieder van de andere monden bracht hij een tweetal offers voort: shodas'î, uktha [uit het oosten], purîshi, agnishthoma [uit het zuiden], âptoryâma, atirâtra [uit het westen] en vâjapeya en gosava [uit het noorden]. (41) Educatie [vidyâ of ook wel zuiverheid s'auca door kennis genoemd], liefdadigheid [dâna], boete [tapas] en waarheid [satya] zijn de vier pijlers van de religie  die tot stand kwamen overeenkomstig hetzelfde aantal levensorden [de studenten, gehuwden, teruggetrokken mensen en de verzakers] en roepingen [de arbeiders, de handelaren, de bestuurders en de intellectuelen]. (42) Toen kwamen er [ter regulatie van de brahmacârî, de celibataire student] de geloften van Sâvitra [drie dagen van celibaat na de heiligedraadceremonie], Prâjâpatya [celibaat voor één jaar], Brâhma [celibaat tijdens de studie van de Veda] en Brihat [levenslang celibaat] en de geloften [ter regulering van het huishoudelijk leven] van Vârtâ [beroepsuitoefening volgens de geschriften], Sañcaya [leiden van plechtigheden], S'âlîna [leven van alles wat zonder te vragen wordt verkregen] en S'îluñcha [leven van wat er overblijft in het veld en op de marktplaats]. (43) [Ook manifesteerden zich zo de aanwijzingen voor] de [vânaprashta's of] teruggetrokken zielen: de vaikhânasa's [die leven van wat in het wild groeit], de vâlakhilya's [zij die hun voorraad opgeven als ze nieuwe granen ontvangen], de audumbara's [die leven van het voedsel dat ze op hun weg vinden] en de phenapa's [zij die leven van vruchten die van de bomen vielen], alsmede [voor] de wereldverzakende orde [van de sannyâsî's die] bestaat uit de kuthîcaka's [kluizenaars met een vaste plek], de bahûdaka's [of de bahvoda's, zij die de voorkeur geven aan kennis boven handelingen], de hamsa's [zij die zich volledig op het pad der bovenzinnelijke kennis bevinden] en de nishkriya's of paramahamsa's [zij die de spirituele wijsheid bereikten en zich onthouden van handelingen]. (44) In dezelfde volgorde verschenen [de vier takken van kennis]: ânvîkshikî [de spirituele kennis der bevrijding], trayî [de kennis der rituelen], vârtâ [technische kennis] en dandanîti [politieke wetenschap]. Zo ook verschenen de vyâhriti's [van de eerste regel en de drie eerste woorden van de Gâyatrî mantra] tezamen met de Pranava [de mantra Aum] die uit zijn hart opwelde. (45) Uit de haren op zijn lichaam kwam ushnik [een bepaald metrum in de poëzie] voort, uit de huid van de machtige kwam de gâyatrî [de drievoet] voort, trishthup [een ander metrum] kwam voort uit zijn vlees, uit de aderen kwam anushthup voort en uit de beenderen van de vader der levende wezens werd jagatî gegenereerd [twee andere metrums]. (46) Uit zijn beenmerg manifesteerde zich pankti terwijl brihatî, voortkwam uit de levensadem [twee vers-soorten]. (47) Zijn individuele ziel manifesteerde zich als de spars'a letters [de harde medeklinkers] van het Sanskriet alfabet [van ka tot ma], terwijl zijn lichaam zich uitdrukte in de Sanskriet medeklinkers [a, â, i, î, u, û, ri, rî, l, e, ai, o, au]. Zijn zinnen worden de dubbelklanken genoemd [s'a, sha sa en ha], zijn kracht toonde zich als de tussenklanken [ya, ra, la en va] en vanuit de innerlijke vreugde van de heer der levende wezens manifesteerden zich de zeven muzieknoten [*]. (48) Het bovenzinnelijke geluid van Zijn Ziel, de Superziel, die zich voorbij het begrip van gemanifesteerd of niet gemanifesteerd zijn bevindt, is de bron van waaruit het Absolute [van de volledige gedaante van Brahmâ], dat bekleed is met vele verschillende energieën, zich volledig manifesteerde.

(49) Nu hij een ander lichaam had aanvaard richtte hij [wederom] zijn aandacht op de zaak der schepping. (50) O zoon van de Kuru's, in de wetenschap dat ondanks het grote, aardse vermogen van de wijzen de bevolking zich niet uitbreidde, wijdde hij zijn hart opnieuw aan deze materie. Hij dacht: (51) 'Helaas, hoe wonderlijk om steeds zo druk bezig te zijn maar er niet in te slagen om het nageslacht tot voortplanting te bewegen! Er moet een bepaalde goddelijke voorbeschikking zijn die me in dezen tegenwerkt.' (52) Terwijl hij aldus zijn situatie overzag en zich erop bezon, manifesteerde zich een tweedeling in zijn lichaam waarvan men zegt dat het de menselijke gedaante is geschapen naar zijn evenbeeld [kâya - 'dat wat hoort bij Ka of Brahmâ']. (53) Zijn gedaante aldus in tweeën verdeeld ging toen op een volmaakte wijze een seksuele relatie aan. (54) De verschijning die van het mannelijk geslacht was werd de volledig onafhankelijke vader der mensheid [de Manu] genaamd Svâyambhuva en de verschijning die de vrouw was raakte bekend als S'atarûpâ; zij was de koningin voor de grote ziel die hij was. (55) Sedertdien vermeerderden door de seksuele activiteit volgens de regulerende beginselen [zie vers 41] zich de geslachten. (56) O beste van allen, in de loop van de tijd verwekte hij in S'atarûpâ vijf kinderen: Priyavrata, Uttânapâda en de drie dochters, o zoon van Bharata, geheten Âkûti, Devahûti en Prasûti. (57) Zij die Âkûti werd genoemd huwde hij uit aan de wijze Ruci, de middelste [Devahûti] schonk hij aan de wijze Kardama en Prasûti werd aan Daksha gegeven. Door hen raakte de gehele wereld bevolkt.'

*: De zeven Vedische muzieknoten zijn: sa, ri, gâ, ma, pa, dha en ni [resp. c, d, e, f, g, a, bes] ookwel genaamd shadja, rishabha, gândhâra, madhyama, pañcama, dhaivata en nishâda.




Hoofdstuk 13: Het Verschijnen van Heer Varâha

(1) S'rî S'uka zei: 'Na te hebben geluisterd naar deze zo heilige woorden van Maitreya Muni o Koning, stelde de beste der Kuru's vol van aanbidding voor de verhalen over Vâsudeva nog meer vragen. (2) Vidura zei: 'O grote wijze, wat deed Svâyambhuva Manu, de koning aller koningen en beminde zoon van Brahmâ, nadat hij zijn liefdevolle echtgenote had gekregen? (3) Wees zo goed me te vertellen over het karakter van deze heilige, oorspronkelijke koning o beste van allen. Ik zou heel graag vernemen over die koning die zijn toevlucht zocht bij Vishvaksena  [de almachtige Heer Vishnu]. (4) Personen die standvastig en met inspanning luisteren naar dat wat uitvoerig wordt verklaard door zuivere toegewijden, zullen dankzij de uitspraken van hen die de lotusvoeten van de Heer der Bevrijding in hun hart plaatsten, de bovenzinnelijke kwaliteit van een trouwe geest vinden.' (5) S'rî S'uka zei: 'Nadat de uiterst bescheiden Vidura, die op zijn schoot de lotusvoeten ontving van Hem met de duizend hoofden, zich aldus had uitgelaten, kreeg hij de complimenten en een antwoord van de wijze van wie in extase de haren overeind stonden in de geest van de woorden over de Allerhoogste Heer.

(6) Maitreya zei: 'Toen Svâyambhuva Manu tezamen met zijn vrouw was verschenen, richtte hij als de vader van de mensheid met gevouwen handen en eerbetuigingen zich tot het reservoir der Vedische wijsheid [Brahmâ]: (7) 'U bent de ene, ware verwekker van alle levende wezens, de vader en bron van het bestaan, maar wij echter die allen uit u werden geboren, vragen ons af hoe wij u van dienst kunnen zijn. (8) Geef ons, met alle respect, o aanbiddelijke, daarvoor aanwijzingen. Wat zijn de verplichtingen die we, voor zover dat in ons vermogen ligt, jegens u hebben? Wat moet men doen voor de roem [Zijn roem] alom in deze wereld en wat om te vorderen naar de volgende wereld?'

(9) Brahmâ zei: 'Ik ben heel tevreden over jou, mijn zoon, moge al mijn zegen op jullie beiden rusten o heer van de wereld, omdat je zonder enige terughoudendheid in je hart jezelf aan mij hebt overgegeven terwille van mijn instructies. (10) Dit is precies de goede manier o held, om de geestelijk leraar te eren. Zij die een gezond verstand hebben en hun jaloezie de baas zijn behoren naar hun volle vermogen en met de hoogste achting deze instructie te aanvaarden. (11) Zorg jij in die rol daarom bij haar voor kinderen die dezelfde eigenschappen hebben als jij, zodat ze eenmaal geboren over de wereld kunnen heersen met de principes der religie, hun offers brengen en respect oefenen voor de Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (12) Beschouw het beschermen van de levende wezens als de beste manier om mij van dienst te zijn, o heerser over de mensen. Hrishîkes'a, de Opperheer der Zinnen, zal tevreden zijn als je de bewaker van hun levens bent. (13) Het werk van hen die nooit de Allerhoogste Heer Janârdana ['de Heer van alle levende wezens'], het voorwerp van alle offeranden tevredenstelden, is zeker nutteloos daar ze hun eigen zelf als zijnde de Allerhoogste Ziel niet respecteerden.'

(14) Manu zei: 'Ik zal me houden aan wat uw machtige zelf heeft opgedragen, o doder van alle zonde, alstublieft zeg me wat mijn plaats is in deze wereld en wat de plaats is van hen die uit mij geboren zijn. (15) O god van deze planeet, de aarde, de verblijfplaats van alle wezens, is verzonken in de uitgestrekte wateren [van de Garbhodhaka oceaan van het geschapen universum]. Wilt u haar alstublieft naar boven halen?'

(16) Maitreya zei: 'De persoonlijkheid der transcendentie [Brahmâ] die ook zag dat de aarde was ondergedompeld dacht: 'Hoe zal ik haar opheffen?' en dacht er toen een lange tijd als volgt over na: (17) 'Toen ik bezig was met haar schepping, werd de aarde overspoeld door een vloed en raakte ze diep ondergedompeld. Wat kunnen wij die verwikkeld zijn in deze kwestie van het scheppen nu het beste doen? Moge de Heer uit wiens hart ik werd geboren me hierin bijstaan!' (18) Aldus in gedachten verzonken kwam er opeens uit zijn neusgat o zondeloze, een klein zwijntje [Varâha] tevoorschijn dat niet groter was dan het topje van een duim. (19) Toen hij dat zo voor zich zag breidde de gedaante zich op wonderbaarlijke wijze plotseling in de lucht uit, zich omvormend tot het formaat van een gigantische olifant, o zoon van Bharata. (20) Met de gedaante van die zwijnachtige verschijning voor zich probeerde hij toen met Manu, de brahmanen die door Marîci werden aangevoerd en de Kumâra's de zaak op verschillende manieren onder woorden te brengen: (21) 'Wie is dit uitzonderlijke wezen dat zich voordoet als een zwijn? En hoe verwonderlijk dat Hij uit mijn neus tevoorschijn kwam! (22) Het ene moment is Hij slechts zo groot als de top van een duim en direct daarop is Hij zo groot als een megaliet! Zou dit de Opperheer der offers Vishnu zijn? Ik sta versteld!' (23) Terwijl Brahmâ zo met zijn zoons aan het uitweiden was, produceerde de Allerhoogste Heer der Opoffering, de Oorspronkelijke Persoon, een woeste schreeuw alsof Hij wilde aanvallen. (24) Met het ongekende stemgeluid dat in alle richtingen weergalmde verzette de almachtige Heer zowel Brahmâ als de hoog verheven brahmanen in grote vreugde.  (25) Met in hun oren het luide gebrul waarmee de algenadige Heer in de gedaante van een Zwijn aan het persoonlijk leed een einde maakte, hieven de bewoners van Tapoloka, Satyaloka en Janaloka [zie 2.5: 39] toen allen een lofzang aan met de heilige mantra's van de drie Veda's.

(26) Zichzelf heel goed kennend als de gedaante die het resultaat is van de verbreiding van het Vedische geluid dat voortspruit uit de kennis van de autoriteiten der waarheid, brulde Hij nogmaals in reactie op het bovenzinnelijk eerbetoon van de wijzen en intelligenten en ging, speels als een olifant, het water in om hunnentwille. (27) Met Zijn staart in de lucht zwiepend en huiverend met de scherpe en harde haren van Zijn vacht, dreef Hij de wolken met Zijn hoeven uiteen en straalde Hij met Zijn blinkend witte slagtanden Zijn glorie als de Opperheer en Handhaver van de wereld. (28) De aarde met Zijn neus zoekend speurde Hij die het bovenzinnelijk lichaam van een zwijn had aangenomen overal om zich heen en toonde Hij zijn schrikwekkende slagtanden, maar al de brahmanen gingen desondanks over tot gebed toen ze zagen hoe Hij Zijn blik op hen wierp terwijl Hij het water inging. (29) De enorme berg van Zijn lichaam dreef door de kracht van de duik de oceaan uiteen in twee hoge golven waardoor die als met twee armen behept in nood hardop het gebed uitsprak: 'O meester van alle offers, bescherm mij alstUblieft!' (30) Hij als de Meester van alle Offers die met Zijn vlijmscherpe hoeven het water binnendrong vond haar tenslotte toen Hij de grenzen van de grenzeloze oceaan bereikte. Hij zag haar, de weelde van de levende wezens, daar liggen zoals ze altijd geweest was en tilde haar persoonlijk omhoog. (31) Omhoog komend uit het water verscheen Hij die de ondergedompelde aarde ophief met Zijn slagtanden, in Zijn volle glorie. Maar toen moest Hij, gloeiend in een heftige woede Zijn cakra [Zijn werpschijf of wiel] inzetten tegen de demon [Hiranyâksha - 'hij met de gouden ogen'] die zich met een strijdknots in Zijn richting spoedde. (32) Op een onnavolgbare wijze doodde Hij toen vaardig zonder moeite de zich in het water tegenover Hem opgestelde vijand zoals een olifant zich ontdoet van een leeuw en raakten daarbij Zijn kaken en tong met bloed besmeurd als was Hij een olifant die heeft zitten graven in de [roodgekleurde] aarde. (33) En terwijl Hij blauwgekleurd als een tamâla-boom  de aarde omhoog hield op Zijn gekromde slagtanden als was Hij een spelende olifant o Vidura, konden zij die werden aangevoerd door Brahmâ Hem herkennen als de Allerhoogste Heer. Daarop brachten ze Hem met gevouwen handen gebeden uit de Vedische hymnen.

(34) De wijzen zeiden: 'U zij de glorie en victorie o Onoverwinnelijke, U die middels het brengen van offers wordt begrepen. Al onze eerbetuigingen gelden U die met Zijn lichaam schudt dat bestaat uit de drie Veda's en in wiens poriën van de haren op Zijn lichaam deze [Vedische waarheid] verborgen ligt. Wij betuigen U de eer die zich geroepen voelde de gedaante van een Zwijn aan te nemen! (35) O Heer, voor de onverlaten is deze gedaante van U maar moeilijk te zien die men middels het brengen van offers kan aanbidden: met de Gâyatrî en andere mantra's vereert men Uw huid, met het kus'agras [waarop men zit als men mediteert] vereert men de haren op Uw lichaam; met de geklaarde boter [die wordt gebruikt bij het offeren] eert men Uw ogen en met de vier functies van het offeren respecteert men Uw vier poten [zie 3.12: 35]. (36) Uw tong is het offerbord en Uw neusgaten vormen een ander bord, o Heer. In Uw buik herkennen we het bord om van te eten en de gaten van Uw oren vormen ook zo'n bord. Uw mond is het [Brahmâ]bord voor het  geestelijk aspect van het offeren en Uw keel is het bord voor de soma [een rituele drank], maar dat wat U vermaalt met Uw tanden o Allerhoogste Heer, is wat U tot zich neemt middels het offervuur [agni-hotra]. (37) De drie [upasada ishthi's of] inzegeningen vormen samen Uw nek: Uw herhaalde incarnaties vormen de inleidende offers van uitgietingen in het vuur [genaamd de dîkshanîya ishthi], Uw slagtanden vormen het [prâyanîya ishthi] verloop van de inzegening en de [udayanîya ishthi] afsluiting van de inzegening. Uw tong wordt gevormd door de [pravargya] aanheffingen [voor de drie upasada's]. Uw hoofd zijn de vuren zonder offerplechtigheden [satya] en de vuren met offerplechtigheden [âvasatya] en Uw levensadem bestaat uit de combinatie van alle offers. (38) Uw semen is de soma offerande, Uw  stabiliteit respecteert men met de rituelen in de ochtend, de middag en de avond o Heer, de verschillende lagen van Uw lichaam vormen de zeven soorten offers  [zie 3.12: 40] en de gewrichten van Uw lichaam zijn de verschillende offerplechtigheden [genaamd de satrâni's] die men gedurende een periode van twaalf dagen uitvoert. U o Heer, die zich slechts laat binden door offers, bent het voorwerp van aanbidding van al de soma- en asoma-offers. (39) Wij bewijzen U de eer die als de Allerhoogste Heer voor al de ingrediënten en soorten van offers te aanbidden bent met behulp van de universele gebeden. Door in verzaking met toewijding de geest te overwinnen kan men zich U realiseren als de essentie van alle offers. U als de geestelijk leraar van dergelijke kennis, brengen we keer op keer onze eerbetuigingen. (40) O Allerhoogste Heer, met de aarde en haar bergen zo prachtig gesitueerd op de toppen van Uw vooruitstekende tanden o Heer der Verheffing, kwam U uit het water tevoorschijn als een statige olifant met op Zijn slagtand een lotus compleet met zijn bladeren. (41) Deze gedaante van U van de Veda's in eigen persoon die als een zwijn de planeet aarde op Zijn slagtanden omhoog houdt, straalt met de schoonheid van grote bergtoppen die nog mooier lijken door de wolken eromheen. (42) U als de vader tilt deze moeder aarde, waarop de zich bewegende en de niet-bewegende levende wezens verblijven, als Uw echtgenote omhoog. Laat ons U de eer betuigen zowel als haar in wie U Uw vermogen investeerde zoals een offeraar aranihout in brand steekt. (43) Wie anders dan U o meester, kon de aarde uit het water bevrijden? Voor U zijn zulke daden niets wonderlijks daar het wonder van het wonderbaarlijke universum dat U op basis van Uw vermogens schiep alle andere overtreft. (44) Toen U als de verpersoonlijking van de Veda's Uw lichaam uitschudde, werden wij als de bewoners van Janaloka, Tapoloka en Satyaloka besprenkeld met de druppels die waren achtergebleven in het haar op Uw schouders en raakten zo geheel gezuiverd, o Allerhoogste Heer. (45) Hij die de grens wil kennen die aan Uw talloze handelingen gesteld zou zijn is zijn verstand kwijt. Het hele universum dat wordt beheerst door de materiële kwaliteiten is begoocheld door de eenheid van Uw innerlijk [yogamâyâ] vermogen. O Heer der Volheden, schenk ons Uw genade!'

(46) Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de grote wijzen en transcendentalisten plaatste Heer Zwijn, de Handhaver, de aarde op het water waar Hij met Zijn hoeven zwaar op rustte. (47) Nadat de Almachtige Persoonlijkheid van God Vishvaksena, de Meester van Alle Levende Wezens, aldus de aarde en haar schepselen bij wijze van spel en vermaak bovenop het water had getild, keerde de Heer terug naar Zijn hemelverblijf. (48) Met degene die met een toegewijde houding luistert naar of anderen vertelt over deze heilzame en waardevolle geschiedenis van de Heer die een einde maakt aan het materiële motief, zal de Heer aanwezig in 't hart [van een ieder] zeer spoedig tevreden zijn. (49) Wat zou er moeilijk te bereiken zijn voor degene die de grenzeloze genade van Zijn tevredenheid geniet? Als iets buiten die genade valt ziet het er onbeduidend uit. Die toegewijden die niets anders dan Zijn genade wensen verheft Hij persoonlijk verblijvend in het hart tot de allerhoogste transcendentie van Zijn woning. (50) Och, is men niet een onmens als men eenmaal vertrouwd met de werkelijke waarde van het menselijk verleden er weerstand tegen biedt om zich via zijn oren te laven aan de nectar van de verhalen over de Heer die een einde maakt aan de pijn van het materiële bestaan?'


Hoofdstuk 14: De Bevruchting van Diti in de Avond

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij van de wijze Maitreya de beschrijving had gehoord van het verhaal over de Allerhoogste Persoonlijkheid die voor het opheffen van de wereld als een zwijn was verschenen, verzocht Vidura, gezworen als hij was, hem met gevouwen handen om meer, aangezien hij zich niet geheel voldaan voelde. (2) Vidura zei: 'O belangrijkste onder de wijzen, ik hoorde van u dat de demon Hiranyâksha werd gedood door de Heer, het oorspronkelijke doel van alle offers. (3) Om welke redenen had Hij in Zijn spel en vermaak waarin Hij de aarde optilde met Zijn slagtanden o brahmaan, een gevecht met de koning der demonen? (4) Alstublieft vertel deze trouwe persoon, deze toegewijde, tot in detail over Zijn verschijnen o grote wijze, want ik met mijn nieuwsgierige geest, heb nog niet genoeg gehoord.'

(5) Maitreya zei: 'Mijn beste toegewijde, o grote held, dat wat u me vraagt over de onderwerpen aangaande de Allerhoogste Persoonlijkheid, vormt voor hen die gedoemd zijn te sterven de bron der bevrijding van geboorte en dood. (6) De zoon van koning Uttânapâda [Dhruva] werd als kind door Nârada over deze onderwerpen op de hoogte gesteld en plaatste, toen hij [bij zijn dood] vertrok om op te stijgen naar het verblijf van de Heer, zijn voet op het hoofd van Mrityu [de god van de dood, als opstapje om in de vimâna van Nanda en Sunanda te stappen, zie 4.12: 30]. (7) Wat betreft deze kwestie [van het verschijnen van Heer Varâha] vernam ik van Brahmâ, de god der goden, de nu volgende geschiedenis die hij lang geleden vertelde naar aanleiding van vragen die waren gesteld door de halfgoden.

(8) O Vidura, op een avond smeekte Diti, de dochter van Daksha, in seksuele nood verkerend haar echtgenoot Kas'yapa, de zoon van Marîci, om bij haar een kind te verwekken. (9) Na het aanbidden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid Aller Offers met uitgietingen op Zijn tong die wordt gevormd door het offervuur, zat hij diep verzonken in de tempelkamer terwijl de zon onderging.

(10) Diti zei: 'O geleerde, Cupido heeft met jou op het oog al zijn pijlen op mij gericht en brengt, me opjagend als een dolle olifant die een bananenboom te lijf gaat, daarmee mijn arme zelf in verlegenheid. (11) Wees zo goed voor me, het doet me pijn om de kinderen en de welstand te zien van je andere vrouwen, gun [ook] mij en jezelf [daarmee] dat welzijn in ieder opzicht. (12) De roem van een echtgenoot die van zijn vrouw houdt zal zich in de wereld verspreiden omdat van de kinderen van een goede echtgenoot als jij, de samenleving zich zeker uitbreidt. (13) Lang geleden vroeg onze vader, de zeer vermogende Daksha, vol genegenheid ieder van zijn dochters: 'Aan wie geef je de voorkeur als je echtgenoot, mijn kind?' (14) Hij, zijn kinderen het beste wensend, schonk, met achting voor hun wensen, ze alle dertien aan jou; zij die je nu allemaal trouw zijn. (15) Wees daarom zo aardig aan mijn verlangens tegemoet te komen o lotusogige, de verzoeken van hen die in nood een persoon van statuur benaderen zullen, o almachtige, toch zeker niet vergeefs zijn?'

(16) Aldus, o held, gaf de zoon van Marîci haar in kalmerende bewoordingen antwoord daar ze, behoeftig en praatgraag, zeer van streek was vanwege de lust die bezit van haar genomen had. (17) 'Ik ga in op je verzoek, ik zal doen wat je van me verlangt mijn gekwelde lieveling! Wie zou er niet ingaan op  de wensen van degene die staat voor de realisatie van de drie levensdoelen [van dharma, artha, kâma: het regelen van de religie, de economie en de zinsbevrediging]? (18) Levend met een metgezel kan iemand die zijn beroep uitoefent en alle levensstadia doorloopt, de gevaarlijke oceaan van het materiële bestaan oversteken zoals men een zee met zeewaardige schepen doorkruist. (19) Met iemand die de wederhelft van je lichaam vormt kan men alle verlangens in goede banen leiden en kan men met het aan de ander toevertrouwen van verantwoordelijkheden een [relatief] onbezorgd leven leiden. (20) De zinnen zijn voor andere levensorden dan die van de huishouders, moeilijk te overwinnen vijanden; wij die daarin ons heil zoeken kunnen ze gemakkelijk de baas, net als de bevelhebber van een veste dat kan met binnendringende plunderaars. (21) We zullen er nimmer in slagen om voor jou te doen wat jij voor ons gedaan hebt, o koningin van het huis; ons hele leven zal dat niet lukken, noch in een volgend leven en ook zullen anderen die waardering hebben voor je kwaliteiten dat niet kunnen. (22) Laat mij, nu dat gezegd is, meteen werk maken van deze seksuele belangstelling van je om een kind te verwekken; maar wacht eerst een moment zodat mij niets te verwijten valt. (23) Dit ogenblik is het minst gunstige moment daarvoor, het is de verschrikkelijke tijd waarin de akelige geesten en hun meester iemands voortdurende gezelschap vormen. (24) Om deze tijd van de dag o kuise, in de schemering, trekt [S'iva] de Heer en weldoener van de spoken die hem omringen rond als hun koning op de rug van de stier [Nandî]. (25) Met de schoonheid van het onberispelijk zuiver, stralende lichaam van de halfgod dat besmeurd is met het stof en de rook opgewaaid van de crematie van de doden en met zijn samengeklitte haar overdekt door as, beziet je [zuster's, d.w.z. Satî's] echtgenoot [een ieder] met zijn drievoudige blik [van zon, maan en vuur]. (26) Hij beschouwt niemand in deze wereld als zijn verwant noch denkt hij dat ook maar iemand los van hem zou staan; hij ziet niemand als groter en evenmin beschouwt hij wie dan ook als misdadig. Trouw eerbiedigen wij verplicht aan hem zijn voeten en verzekeren wij ons van de overblijfselen van wat hij afwees van het geofferde voedsel. (27) Hoewel wat betreft zijn onberispelijke karakter, dat door de wijzen wordt nagevolgd in hun verlangen de onwetendheid van de massa te beëindigen, er niemand is die even zo groot is, treedt hij niettemin, terwille van de realisatie der toegewijden, persoonlijk op als een antagonist [naakt en besmeurd met as]. (28) De onfortuinlijken die met wat ze doen feitelijk om hem lachen en zich niet bewust zijn van zijn bedoeling zich bezig te houden met het zelf, koesteren met luxe als kleding, bloemenslingers en smeersels hun lichaam als was het de ziel zelve, het lichaam dat uiteindelijk dienst doet als hondenvoer. (29) Brahmâ zowel als de andere goden houden zich aan de rituele gedragscode van hem, de heerser over de materiële energie, de mâyâ die onder zijn gezag staat. Oh, het tegendraadse optreden van dit grootse karakter is niets dan een schijnvertoning [waarin hij het karma op zich neemt]!'

(30) Maitreya zei: 'Ondanks dat ze aldus door haar echtgenoot op de hoogte was gesteld, greep ze, met haar zinnen onder de druk van Cupido, de grote, wijze brahmaan bij zijn kleren, als was ze een schaamteloze publieke vrouw. (31) Hij toen, met begrip voor de koppigheid van zijn vrouw over de verboden daad, bood de voorzienigheid zijn eerbetuigingen en vleide zich in afzondering neer met zijn vrouw. (32) Daarna nam hij een bad en mediteerde hij, met het in gebed [met de Gâyatrî] beheersen van zijn adem en zijn stem, met behulp van de zuivere geest van het Absolute op het licht van de eeuwigheid. (33) O zoon van Bharata, Diti, beschaamd over de foute daad, benaderde de geleerde wijze met haar gezicht naar beneden gewend en sprak beleefd tot hem. (34) Diti zei: 'Laat mijn zwangerschap o brahmaan, o edelste van allen, niet worden afgebroken door Rudra, want ik beging een overtreding tegen de meester der schepselen. (35) Ik betuig Rudra de eer, de woeste, grote halfgod die alle verlangens vervult, de algunstige en vergevingsgezinde die je onmiddellijk woedend terecht wijst. (36) Moge hij, de hoogste, grote en genadige persoon, de aangetrouwde broer die gehuwd is met Satî ['de kuise', de zuster van Diti] over ons tevreden zijn, hij die de god van alle vrouwen is voor wie zelfs de laagsten nog sympathie koesteren.'

(37) Maitreya zei: 'De echtgenote [bevend van angst] vanwege het zich hebben afgekeerd van de regels en voorschriften voor de avond, wenste het welzijn van haar kinderen in de wereld en werd [toen] toegesproken door deze vader van de mensheid. (38) Kas'yapa zei: 'Vanwege je onzuivere geest, omdat je de heiligheid van het moment onteerde en ook omdat je al te onverschillig was over mijn aanwijzingen, had je tevens te weinig achting voor de goden. (39) O ongelukkige, uit je noodlottige baarmoeder zullen twee kwalijke zoons hun geboorte nemen en zij, o hartstochtelijke, zullen voortdurend treurnis onder de bestuurders van de drie werelden teweegbrengen. (40) Ze zullen arme en onschuldige levende wezens doden, vrouwen kwellen en de grote zielen kwaad maken. (41) Als dat gebeurt zal de Hoogste Persoonlijkheid en Heer van het Universum die het welzijn van de gewone man op het oog heeft, in eigen persoon nederdalen en hen beiden in grote woede doden als was Hij de gesel der bergen met de bliksemschicht zelve [Indra].'

(42) Diti zei: 'Het is een grote eer om ter plekke te worden gedood door de werpschijf in handen van de Fortuinlijke o echtgenoot, ik bid [slechts] dat mijn zonen nimmer hun einde zullen vinden als gevolg van de woede der brahmanen. (43) Een persoon die is afgestraft door de vloek van een brahmaan en hij die andere levende wezens in angst doet leven, wordt noch door hen die van de hel zijn, noch door de andere levensvormen waaronder een overtreder zijn geboorte kan nemen goedgekeurd.'

(44-45) Kas'yapa zei: 'Omdat je meteen met een juiste bekentenis blijk geeft van spijt en je je boetvaardig opstelt en omdat je grote bewondering hebt voor de Allerhoogste Persoonlijkheid, voor Heer S'iva en ook mij respecteert, zal er uit een van de twee zoons [Hiranyakas'ipu] een zoon worden geboren [Prahlâda] die wèl de goedkeuring van de toegewijden zal wegdragen. Zijn bovenzinnelijke glorie zal de geschiedenis ingaan als zijnde gelijk aan die van de Allerhoogste Heer. (46) Zoals goud van een inferieure kwaliteit door zuivering wordt veredeld, zullen heilige personen, die zuivering zoeken in hun streven naar vrijheid van vijandigheid en dergelijke, in het voetspoor treden van deze instelling en dit karakter. (47) Hij, de Hoogste Persoonlijkheid door wiens genade dit universum zijn geluk vindt, zal in de bijzondere zorg die Hij aan dat karakter in Zijn toegewijden besteed zeer verheugd zijn over iemand met zo'n rotsvast geloof. (48) Hij zal zonder twijfel de beste der toegewijden zijn, de grootste ziel met de grootste invloed die goed gerijpt is door toegewijde dienst [*]. Met zijn geest in extatische liefde zal hij ongetwijfeld Vaikunthha [de uiteindelijke werkelijkheid, het paradijs, de hemel] bereiken als hij deze materiële wereld verlaat. (49) Hij zal een deugdzaam en gekwalificeerd vergaarbekken van goede kwaliteiten zijn, hij zal zich verheugen op het geluk van anderen en van streek zijn als anderen ongelukkig zijn. Hij zal geen vijanden hebben en een einde maken aan alle treurnis in de wereld zoals de prettige maan dat doet na te hebben geleden onder de zomerzon. (50) Je kleinkind zal, in zichzelf en buiten zichzelf, de zuivere gedaante [van de Heer] met de lotusogen aanschouwen die de vorm aanneemt die Zijn toegewijde zich wenst en die met een gezicht dat gesierd is met schitterende oorhangers, de uitnemendheid vormt van de prachtige Godin van het Geluk.'

(51) Maitreya zei: 'Toen ze hoorde dat haar kleinzoon een grote toegewijde zou zijn was Diti zeer verheugd en had ze er vrede mee te weten dat haar twee zoons door Krishna zouden worden gedood.'

Bij vers 48: Goed gerijpt betekent gerijpt in drie stadia: sthâyi-bhâva, een bepaalde emotionele relatie hebben met God; anubhâva, bepaalde emoties in die relaties ervaren, en mahâbhâva of het stadium waarin men extatische gevoelens van liefde voor God ervaart.



Hoofdstuk 15: Beschrijving van het Koninkrijk Gods

(1) Maitreya zei: 'Diti was er bang voor dat ze door de macht van [het zaad van] de grote Prajâpati een eeuw lang de macht van anderen zou vernietigen en ze de godsbewuste mensen ellende zou bezorgen. (2) De wereld was door die dreiging verstoken van licht en dus raadpleegden de plaatselijke autoriteiten die hun greep zagen verslappen de schepper van het universum [Heer Brahmâ] omtrent de duisternis die zich in alle richtingen uitbreidde. (3) De halfgoden zeiden: 'U, o machtige, moet op de hoogte zijn van deze duisternis waar we zo heel erg bang voor zijn. Uw goddelijkheid is vrij van de invloed van de tijd en dus is er niets dat voor u verborgen is. (4) O god der goden die het universum onderhoudt, u als het  kroonjuweel van al de bewakers van de geestelijke en materiële werelden bent op de hoogte van de beweegredenen van alle levende wezens. (5) Wij brengen u wiens kracht in de wijsheid schuilt onze eerbetuigingen. Met het verworven hebben van dit lichaam van de uitwendige energie en in aanvaarding van uw bijzondere aard [der hartstocht] betonen wij u, o ongeziene bron, ons respect. (6) Zij die onwankelbaar zijn in hun toewijding mediteren op u die de oorsprong bent van alle schepselen, de bovenzinnelijke oorzaak van het ware en onware en het zelf waarin alle werelden met elkaar verbonden zijn. (7) Zij die gerijpt zijn in de praktijk van de yoga en uw genade bereikten met het beheersen van de zinnen en de geest middels hun ademhaling, zullen nimmer door wat dan ook verslagen worden. (8) Hem door wiens aanwijzingen alle levende wezens worden geleid zoals een stier met een touw wordt geleid, hem onder wiens gezag de offers worden gebracht, hem die allerbelangrijkste persoon, u, bieden we onze eerbetuigingen aan. (9) Vanwege deze duisternis komen we niet meer toe aan onze voorgeschreven plichten. We vragen u om ten gunste van ons op te treden o grote Heer, gun ons overgegeven zielen de weldaad van uw genadige blik. (10) O god, dit zaad dat Kas'yapa uitstortte in de schoot van Diti, veroorzaakt een algehele duisternis in alle richtingen zoals een vuur beladen met te veel brandhout .'

(11) Maitreya zei: 'Glimlachend o machtig gearmde, stelde hij, de zelfgeborene die in de gebeden wordt begrepen als de oorspronkelijke eigenaar van alle weelde, de halfgoden tevreden door ze in aangename bewoordingen antwoord te geven. (12) Brahmâ zei: 'Zij die vóór uw tijd uit mijn geest hun geboorte namen en door Sanaka worden aangevoerd [Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra], reisden zonder verlangens te koesteren heen en weer tussen de bewoners van de geestelijke en materiële werelden. (13) Op een dag gingen zij die vrij zijn van alle materiële besmetting Vaikunthha binnen, het eeuwige verblijf van de Hoogste Persoonlijkheid Heer Vishnu, een bereik waarvoor men bidt in alle werelden. (14) Alle personen die daar leven hebben dezelfde gedaante als de Heer van Vaikunthha en houden er vanwege hun toegewijde dienst van onafgebroken eerbetoon aan de Hoogste Persoonlijkheid geen verlangens op na. (15) De Heer van het Fortuin, de oorspronkelijke persoon die men verstaat middels de geschriften, houdt zich daar op als de verpersoonlijking van de religieuze beginselen om tot het grote geluk van ons die bij Hem horen, in Zijn goedheid onze zuiverheid te aanvaarden. (16) Aldaar, waar alles spiritueel en persoonlijk is, zijn er bossen ter bevordering van het geluk die tegemoet komen aan alle verlangens met [wens]bomen die gedurende alle seizoenen zijn overladen met bloemen en vruchten. (17) Huizend in paleizen wonen de toegewijden daar samen met hun echtgenotes en bezingen ze vrij van alle ongunstige kwaliteiten, onophoudelijk de Allerhoogste Heer, waarbij ze de geestverruimende geur proberen te negeren die de wind meevoert van de mâdhavîbloemen die vol van nectar bloeien temidden van het water. (18) Als de koning van de hommels luid de heerlijkheid van de Heer bezingt komt er even een einde aan het tumult van de duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's en zwanen, andere watervogels, papegaaien, patrijzen en pauwen. (19) De geurige mandâra, de kunda, de kurabaka, de utpala, de campaka, de arna, de punnâga, de nâgakes'ara, de bakula, de lelie en de pârijâta zijn het er allemaal over eens dat de tulsîplant [de basilicumplant waarmee de Heer zich opsiert en] die in de vorm van een slinger om haar geur [door Hem] wordt geëerd, wel het meest van hen allen recht doet aan de goede geest der boete aldaar. (20) Door eenvoudig van eerbetoon te zijn voor de Heer Zijn voeten verdienden de toegewijden de paleizen die er overal staan gemaakt van lapis lazuli met smaragd en goud, waarvan de [vrouwlijke] bewoners brede heupen hebben en mooie glimlachende gezichten. Maar zij met hun vriendelijke lachen en grappenmakerij, geven met hun geesten verzonken in Krishna nooit enige aanleiding tot lustmatigheid. (21) In dat huis van de Heer wordt [somtijds], weerspiegeld in de kristalheldere muren ingelegd met goud, de Godin van het Geluk waargenomen die vrij is van alle fouten. Ze neemt dan een prachtige gedaante aan met rinkelende [enkelbanden aan haar] voeten en spelend met een lotusbloem. En die genade van haar is iets ter wille waarvan de andere dames zich met de grootste inspanning manifesteren als ware poetsvrouwen. (22) In hun tuinen op de met koraal omlijste oevers van de vijvers vol met kristalhelder, heerlijk water, offeren ze omringd door hun dienaressen tulsîblaadjes voor de Heer en stellen zich daarbij voor hoe met de aanblik van de mooie haarlokken van de godin gereflecteerd in het water, haar gezicht gekust wordt door de Heer. (23) Hoe onfortuinlijk zijn zij die zich nimmer bewegen in de richting van deze Vaikunthha-schepping van de Overwinnaar van Alle Zonde, maar liever vernemen over onderwerpen gevat in slechte bewoordingen die je intelligentie doden. Helaas, dergelijke personen die ver verwijderd zijn van de waarden van het leven worden, verstoken van alle toevlucht als ze zijn, in de diepste duisternis geworpen. (24) Zij die niet van aanbidding zijn voor de Allerhoogste Heer en die niet, zoals wij [Heer Brahmâ en de halfgoden] het verlangden, de menselijke vorm van leven bereikten en kennis verkregen over het Absolute en de juiste gedragswijze [dharma], zijn helaas verbijsterd door  Zijn alomtegenwoordige, begoochelende energie. (25) [Maar] tredend in het voetspoor van [mij] de leider van de halfgoden zullen zij naar Vaikunthha gaan, het bereik dat zich boven dat van mij bevindt, die  aangetrokken tot elkaar in besprekingen over de Heer zijn begeerlijke, superieure kwaliteiten en heerlijkheden extase ondervinden, tranen in hun ogen hebben en de rillingen over hun lijf voelen lopen, en aldus Yamarâja [de heer van de dood] op een afstand houden.

(26) [Brahmâ vervolgde:] Toen de wijzen [met Sanaka voorop] bij machte van hun spiritueel vermogen Vaikunthha bereikten, ervoeren ze een bovenzinnelijk geluk dat ze nog nooit eerder hadden ervaren. Het was de plaats, stralend met de paleizen van de meest verdienstelijke en geleerde toegewijden, waar de leraar van het universum heerst die het voorwerp van aanbidding is in alle werelden. (27) Nadat ze aldaar zes poorten waren gepasseerd zonder er veel belang aan te hechten, vonden ze bij de zevende poort twee halfgoden op hun weg van gelijke leeftijd die waren uitgerust met kostbare knotsen, armbanden, oorhangers, helmen en prachtige kledij. (28) Om hun nek tussen hun vier blauwe armen hadden ze een slinger van woudbloemen met daaromheen bedwelmde bijen. Maar om zich heenkijkend met opgetrokken wenkbrauwen, een onrustige adem en rood doorlopen ogen zagen ze er enigszins opgewonden uit. (29) Hen beide bij de poort zien staand passeerden de zonen van Brahmâ, zoals ze voorheen deden, zonder op of om te kijken de gouden en diamanten deuren; zij waren de grote wijzen die uit eigen beweging zich overal begaven zonder te worden gecontroleerd of betwijfeld. (30) Toen ze hen zagen, vier naakte, oudere jongens die de waarheid van het zelf hadden gerealiseerd, maar er uitzagen alsof ze niet ouder dan vijf jaar oud waren, hielden de twee poortwachters in weerwil van de glorie en de etiquette met een houding die de Heer onwelgevallig is ze onterecht tegen met hun staf. (31) Geconfronteerd met de onbeduidende belemmering van de twee poortwachters die hen, hoewel ze alleszins de meest geschikten waren van de Heer, weigerden voor ogen van de bewoners van Vaikunthha, kleurden hun ogen in hun verlangen hun meest geliefde persoon te treffen, plots rood van woede ['het jongere broertje van de lust'].

(32) De wijzen zeiden: 'Wie zijn jullie twee die het door je deugdzame daden in het verleden schopten tot de dienst van de Opperheer? Wie ook van de toegewijden die in Hem verkeren zonder angst en vijandschap, kan nu zo vals bezig zijn als jullie? Wie houdt er nu zo'n onbehouwen mentaliteit op na die het vertrouwen beschaamt? (33) Niemand hier is een vreemde voor de Allerhoogste Persoonlijkheid die een ieder in Zijn onderbuik herbergt; het levende wezen heeft zijn plaats in de Superziel zoals het kleine beetje lucht dat men in zijn longen heeft deel uitmaakt van de lucht erbuiten. Je vraagt je als een nuchtere ziel af hoe met de twee van jullie voor ogen die zijn uitgedost als bewoners van Vaikunthha, als ontwaakte zielen die onderscheid maken tussen lichaam en ziel, er zo iets verschrikkelijks kan bestaan. Hoe heeft zich dit met Hem nu kunnen ontwikkelen? (34) Daarom zijn we van mening dat met het oog op het afroepen van de genade van de Heer van Vaikunthha de gepaste maatregel voor jullie antipathieke geesten die de dingen tegengesteld zien, eruit bestaat dat jullie beiden van hier vertrekken naar de materiële wereld der tegenstellingen waar men leeft met deze drievoudige zonde die de vijand van het levende wezen is [lust, woede en begeerte, zie B.G. 16: 21].'

(35) De twee [poortwachters] die begrepen dat er een verschrikkelijke brahmaanse vloek door hen was uitgesproken, een vloek die met geen wapen kan worden tegengegaan, vielen terstond bevangen door vrees voor de toegewijden van de Heer ter aarde om in grote angst hun voeten vast te grijpen: (36) 'Het zij zo dat u ons vanwege onze zonden heeft bestraft. Een gebrek aan respect voor grote wijzen zoals u moet worden bestreden. Maar we bidden dat we, met een beetje van uw onbegrensd mededogen voor ons berouw, we met ons afdalen in de materiële wereld niet in staat van illusie de herinnering aan de Allerhoogste Heer zullen verliezen.'

(37) Datzelfde moment vernam de Allerhoogste Heer uit wiens navel de lotus ontsproot, van de overtreding jegens de rechtschapen wijzen en kwam toen tot hun grote vreugde daar naar toe begeleid door Zijn geluksgodin, lopend op de voeten die worden aanbeden door de kluizenaars en wijzen. (38) Toen ze Hem samen met al Zijn toegewijden en toebehoren op hen af zagen komen vervielen de wijzen, die nu degene waar ze altijd naar hadden uitgezien voor zich zagen, in extase over de aanblik van de câmara's [wuifkwasten van yak-haar] die als fraaie zwanen een koele bries gaven en de parels van Zijn witte parasol bewogen, waardoor ze eruit kwamen te zien als druppels water op een gereflecteerde maan. (39) Allen zegenend met Zijn genadige gelaat als de verlangde toevlucht, bezag Hij hen vol genegenheid en ontroerde Hij hen zich in hun harten uitbreidend. Met Zijn donkergekleurde huid en Zijn brede borst opgesierd door de geluksgodin, spreidde Hij het goede geluk ten toon als het hoogtepunt der geestelijke werelden en de verblijfplaats van de ziel. (40) Gehuld in het geel had Hij een helder glanzende gordel rond Zijn heupen en zoemende bijen om Zijn slinger van woudbloemen. Om Zijn polsen had Hij fraaie armbanden en terwijl één van Zijn handen rustte op de schouder van de zoon van Vinatâ [Garuda] wuifde Hij met een andere een lotusbloem. (41) Helderder stralend dan de bliksem completeerde de versiering van Zijn krokodilvormige oorhangers de kaken en rechte neus van Zijn voorkomen. Hij droeg een met juwelen versierde kroon, had een bekoorlijk, hoogst waardevol halssnoer tussen Zijn sterke armen en het Kaustubhajuweel sierde Zijn hals. (42) Met Zijn aanwezigheid stelde Hij de glimlachen van de Godin van de Schoonheid in de schaduw zo dachten Zijn toegewijden in hun meditatie. Van de zeer mooie gedaante aanbiddelijk voor zowel mij als voor S'iva alsook voor jullie allen, konden de wijzen zoals ze die zagen, niet genoeg krijgen en daarvoor bogen ze vol van vreugde hun hoofden. (43) Toen de bries, met het aroma van de tulsîblaadjes van de tenen van de lotusvoeten, hun neusgaten binnendrong, ondergingen ze een innerlijke transformatie, ondanks het feit dat ze in lichaam en geest de [onpersoonlijke realisatie van] woorden waren toegewijd. (44) Daarna opkijkend zagen ze Zijn gezicht dat leek op het hart van een blauwe lotus en zagen ze ook de nog mooiere jasmijnbloem van Zijn glimlachende lippen. Aldus hun levensdoel bereikt hebbend keken ze vervolgens weer naar beneden naar de robijnrode nagels van Zijn lotusvoeten en mediteerden toen op hun toevlucht. (45) Voor hen die in deze wereld bevrijding zoeken langs de wegen der yoga is Hij het voorwerp van meditatie zoals goedgekeurd door de groten. Met de bevrediging die Hij de ogen schenkt met het tentoonspreiden van Zijn menselijke gedaante wordt Hij, eeuwig aanwezig zijnd als Degene die Verbindt, geprezen als de vervolmaking van de acht verworvenheden, een vervolmaking die voor anderen niet bereikbaar is [de zogeheten acht perfecties of siddhi's zijn: animâ: klein zijn, mahimâ: groot zijn, garimâ: gewicht, laghimâ: lichtheid, prâpti: vrije toegang, prâkâmyam: op wens handelen, vas'itva: controle over de elementen en îs'itvam: heerschappij over alles].'

(46) De Kumâra's zeiden: 'Ook al bevindt U zich in het hart, toch bent U niet zichtbaar voor hen die zich ver van de ziel verwijderd hebben. Vandaag, o Onbegrensde, zien we U van aangezicht tot aangezicht, U die ons innerlijk wezen via onze oren bereikte toen we van onze vader [Brahmâ] de beschrijving hoorden van de mysteriën van Uw verschijnen. (47) U, o Allerhoogste Heer, die met Uw persoonlijkheid bestaande uit zuivere goedheid, allen in verrukking brengt [die zijn zoals wij], kennen we op dit moment als de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel. Deze werkelijkheid kan men, overeenkomstig het begrip van de wijzen die niet geïnteresseerd zijn in een materieel leven, bij Uw genade doorgronden in standvastige toegewijde dienst, met een hart dat vrij is van gehechtheden. (48) Zij [die deze praktijk volgen] bekommeren zich zelfs niet om de zegeningen van Uw onvergankelijke zaligheid [kaivalya, de verlichting] of om welk ander ondergeschikt geluk dan ook waarmee zij het fronsen van Uw wenkbrauwen te vrezen hebben. Zij, o Allerhoogste, nemen hun toevlucht tot Uw lotusvoeten en de verhalen over Uw zuivere heerlijkheden die het zo waard zijn om door de uiterst ter zake kundige kenners van Uw rasa's [de emotionele relaties die men met U kan hebben] bezongen te worden. (49) Door de zondige levens die we begeerden kunnen we van een lage geboorte zijn en geesten hebben die zo druk zijn als bijen, maar als we betrokken mogen worden bij de toegewijde dienst aan Uw lotusvoeten en onze oren mogen vullen met Uw bovenzinnelijke kwaliteiten, zullen onze woorden zo mooi worden als de tulsîblaadjes van Uw genade. (50) Het schonk ons zo enorm veel voldoening deze eeuwige gedaante die U manifesteerde te zien, o alom geprezen Heer. Laten we daarom U, de Hoogste Persoonlijkheid van God, onze eerbetuigingen brengen die door spirituele personen als wij kan worden herkend maar niet door personen die niet spiritueel zijn.'



Hoofdstuk 16: De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen

(1) Brahmâ zei: 'Na de vier wijzen van het yogageweten gecomplimenteerd te hebben met hun woorden van lof, richtte de Almachtige van de verblijfplaats Vaikunthha het woord tot hen. (2) De Opperheer zei: 'Deze twee dienaren van Mij genaamd Jaya en Vijaya begingen voorzeker, omdat ze Mij negeerden, een ernstige overtreding jegens u. (3) De straf die u, die van toewijding bent, hen bedeelde, keur Ik goed o grote wijzen, daar ze zich vijandig tegen u keerden. (4) Daarom zoek Ik nu uw vergeving omdat die overtreding jegens u brahmanen die de hoogsten van God  zijn, geheel de Mijne is; Ik beschouw Mezelf  als degene die de overtreding beging aangezien zij die u niet respecteerden Mijn dienaren zijn. (5) Over het algemeen geeft men als een dienaar iets verkeerd doet degene in wiens naam de overtreding is begaan de schuld. Het schaadt de reputatie van die persoon net zoveel als lepra de huid schaadt. (6) De nectar van de onbezoedelde glorie [van Mijn naam en faam] die iemand ter ore komt, zuivert het ganse universum op slag met inbegrip van de laagsten der lagen. Ik ben die persoon van de vrijheid van nalatigheid en dwaasheid, van Vaikunthha, en voor u die de heerlijkheid van dat verheven pelgrimsoord hebt bereikt, zou Ik zelfs mijn arm afhakken als dat oord vijandig tegen u zou werken. (7) Van hen die dienen in het stof van Mijn heilige lotusvoeten worden alle zonden terstond uitgewist en daarvan heb Ik een zodanige aard verworven dat, zelfs al ben Ik niet gehecht aan de Godin van het Fortuin, zij Me nimmer verlaat, terwijl anderen heilige geloften in acht moeten nemen om de geringste gunst van haar te verkrijgen. (8) Anderzijds geniet Ik niet zoveel van de uitgietingen in het vuur van de offeraar die de ghee, die overvloedig vermengd is met het voedsel, in die mond van Mij offert, als Ik geniet van de beetjes voedsel die de monden van de optredende brahmanen tevredenstellen die de resultaten van hun handelen aan Mij opdroegen. (9) Als Ik die met de macht van Mijn oneindig en ongehinderd inwendig vermogen en met het Gangeswater dat van Mijn voeten spoelde en met Heer S'iva terstond de drie werelden heiligt, op Mijn kroon het heilige stof weet te dragen van de voeten der brahmanen, wie zou dat dan niet [kunnen]? (10) Zij die de besten der tweemaal geborenen, de koeien en de hulpeloze schepselen die deel uitmaken van Mijn lichaam als verschillend van Mij zien omdat hun oordeelsvermogen door zonde is belemmerd, zullen als waren ze nijdige slangen door de kwade gieren van boodschappers van de meester der bestraffing [Yamarâja] verscheurd worden. (11) Maar zij die met verheugde harten en de nectar van hun glimlachende lotusgezichten intelligent, zoals een zoon dat zou die tevreden stelt door lofuitingen, erin slagen met liefdevolle woorden de brahmanen te respecteren die zich zelf van restrictieve woorden bedienen, zijn in Mij, want Ik wordt beheerst door die brahmanen. (12) Laat het daarom zo zijn dat de verbanning van deze twee dienaren die niet bekend met de bedoeling van hun meester in overtreding waren jegens u en het onmiddellijke gevolg ervan onder ogen moeten zien, niet te lang moge zijn zodat ze spoedig weer de gunst van Mijn nabijheid mogen genieten.'

(13) Heer Brahmâ zei: 'Alhoewel ze nu Zijn liefdevolle, goddelijke toespraak hadden gehoord die klonk als een reeks mantra's, waren hun zielen die waren gebeten door de slang der woede, niet bevredigd. (14) Toen ze met hun oren wijd open de uitnemende en zorgvuldig gekozen woorden van monumentaal belang aanhoorden, hadden ze er moeite mee ze te doorgronden en konden ze, diep nadenkend over hun diepgang zich geen voorstelling maken van de Heer Zijn bedoeling. (15) De grootse conclusie die de Allerhoogste Heer had geopenbaard vanuit Zijn innerlijk vermogen deed de vier brahmanen, in de hoogste staat van verrukking met hun haren overeind spreken met gevouwen handen. (16) De wijzen zeiden: 'O Fortuinlijke, we snappen niet wat U wilt zeggen o Heer omdat U, ondanks dat U de heerser bent, spreekt over [het  van onze kant] genade hebben met U! (17) U bent de allerhoogste leider van de geestelijke wereld en de hoogste autoriteit van de brahmanen die anderen onderrichten. U o meester der geleerden, bent de God der goden, de Fortuinlijke die de Ziel is, de aanbiddelijke godheid. (18) Van U is er de bescherming van de eeuwige roeping [sanâtana dharma] in al Uw verschillende verschijningen, U bent het verheven doel van de religieuze beginselen; volgens ons bent U de ene onveranderlijke werkelijkheid. (19) Omdat dankzij Uw genade de transcendentalisten die breken met alle materiële verlangens zonder moeite geboorte en dood overwinnen, kan het nooit zo zijn dat U als zodanig afhankelijk zou zijn van de genade van anderen. (20) De Genade van het Fortuin [de godin Lakshmî], van wie anderen in hun verlangen naar materieel voordeel bij gelegenheid het stof van haar voeten op hun hoofd aanvaarden, staat voor U klaar, bezorgd om een plaats voor haar gelijk aan die van de koning der hommels met het aroma van de krans van verse tulsîblaadjes die door de toegewijden wordt aangeboden. (21) Hoe kan U, die als het reservoir van alle volheden zich geen zorgen maakt om haar feilloze toegewijde diensten, U, die voor de zuivere toegewijden het voorwerp van de grootste toewijding bent, worden geheiligd door het stof op het pad van de brahmanen of het fortuin vinden aan de hand van het S'rîvatsa-teken [de paar witte haren op Uw borst]? (22) U, o Fortuinlijke, bent drievoudig [tapas, s'auca, dayâ] aanwezig in al de drie [voorgaande] yuga's [zie 3.11] ter bescherming van het  leven en het levenloze van dit universum. Moge voor het heil van de goden en de brahmanen Uw bovenzinnelijke gedaante van zuivere goedheid de onwetendheid en de hartstocht uitbannen en ons zo al het beste brengen. (23) Als U als de beschermer van de brahmanen - de hoogste klasse - hen niet als de besten acht die alle respect verdienen en het waard zijn in vriendelijke bewoordingen te worden aangesproken, dan zal o God, Uw heilzame weg verloren zijn op basis waarvan de gewone man het gezag van de wijsheid zou aanvaarden. (24) En dat is niet wat U wilt. U, die als het vergaarbekken van alle goedheid het goede wenst te doen voor de mensen in het algemeen, vernietigde middels Uw vermogens de tegenstand. O Heer, U bent de Ene van de drievoud der natuur en de handhaver van het universum en daarom heeft Uw vermogen niet [onder de rol die U nu speelt] te lijden. Die onderworpen houding is slechts [een spel voor] Uw genoegen. (25) Wat voor straf o Heer, U ook denkt dat deze twee verdienen die van een beter leven zijn, zullen we met heel ons hart aanvaarden. Neem welke maatregel die U ook maar gepast acht; we begrijpen dat we de zondelozen hebben vervloekt.'

(26) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze twee zullen elders spoedig geboorte nemen uit een goddeloze moederschoot. Met een door woede versterkte geconcentreerde geest zullen ze hecht met Mij verenigd zijn en snel weer naar Mijn aanwezigheid terugkeren. Weet dat uw vloek door Mij alleen is afgeroepen, o wijzen.'

(27) Brâhma zei: 'De wijzen hadden nu het oogstrelende, zelfverlichte bereik van Vaikunthha gezien, de verblijfplaats van de onweerstaanbare Heer. (28) Nadat ze de Allerhoogste Heer hadden omlopen en hun respect hadden getoond keerden ze opgetogen terug, vol van lof over hun ervaring met de glorie van de Vaishnava's [de dienaren van Heer Vishnu]. (29) De Opperheer zei toen tegen Zijn twee dienaren: 'Ga hier weg, weest onbevreesd, maar leef in saamhorigheid. Hoewel Ik in staat ben de vloek van een brahmaan te herroepen, wens Ik dat niet te doen, integendeel, Ik keur hem zelfs goed. (30) Dit vertrek werd voorzien door Lakshmî die boos op jullie was toen jullie haar ooit eens de toegang weigerden terwijl Ik lag te rusten. (31) Verenigd in jullie bewustzijn als Mijn vijand zullen jullie worden bevrijd van de consequentie van het niet respecteren van de brahmanen en na slechts een korte tijd naar Mij terugkeren.'

(32) Na aldus de twee poortwachters te hebben toegesproken, keerde de Opperheer terug naar Zijn verblijfplaats die wordt opgesierd door reeksen paleizen vol van de weelde der dienstbaarheid van de godin Lakshmî. (33) Maar dat gold niet voor de twee excellente halfgoden die onvermijdelijk vanwege de vloek der brahmanen de schoonheid en luister van Vaikunthha moesten ontberen en in treurnis vervielen. (34) Toen ze in dat hemelverblijf van de Heer van Vaikunthha ten val kwamen, steeg er een grote schreeuw van teleurstelling op uit al de fijne paleizen van de toegewijden. (35) Deze twee vooraanstaande  metgezellen van de Heer zijn nu via het zeer krachtige zaad van Kas'yapa de schoot van Diti binnengegaan. (36) Omdat de Allerhoogste Heer het zo wenste, zijn  jullie allen,  geplaatst voor het vermogen van deze twee onverlichte zielen van de Heer, nu uit je doen. (37) Met Hem als de oorzaak van het handhaven, scheppen en vernietigen van het universum, kan het begoochelend yogamâyâ-vermogen van de Alleroudste zelfs door de meesters der yoga niet makkelijk worden doorgrond. Maar Hij is onze Opperheer en Meester over de Geaardheden en zal alles in orde brengen. Wat zou [anders] de bedoeling zijn van ons uitweiden over dit onderwerp?'



Hoofdstuk 17: De overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum

(1) Maitreya zei: 'Toen de hemelbewoners de verklaring van Brahmâ hoorden over de oorzaak [der duisternis], raakten ze bevrijd van hun angst en keerden ze vervolgens allen terug naar hun hemelplaatsen. (2) De deugdzame Diti, vol van zorgen over de levenslange problemen waarover haar echtgenoot had gesproken met betrekking tot haar kinderen, bracht tweelingzonen ter wereld. (3) Toen ze werden geboren, waren er vele zeer angstwekkende, ongunstige voortekenen te zien in de hemel, op aarde en in de lucht. (4) De bergen en de aarde schudden van de aardbevingen en het leek alsof er uit alle richtingen vuur kwam met vallende meteoren, bliksemschichten, kometen en ongunstige gesternten. (5) Scherpe winden bliezen die voortdurend huilden en legers van cyclonen met stofwolken als hun vaandel ontwortelden de grootste bomen. (6) Samenpakkende wolken verduisterden de hemellichten met de bliksem hardop lachend in de hemel; alles was gehuld in duisternis en men kon niets meer onderscheiden. (7) Getroffen door verdriet huilde de oceaan vol van geagiteerde schepselen met hoge golven en de drinkplaatsen en rivieren waren verstoord terwijl de lotussen wegkwijnden. (8) Voortdurend verschenen er mistige halo's rondom de zon en de maan die verduisteringen vertoonden, men hoorde donderslagen en ratelende geluiden van strijdwagens komen uit de grotten in de bergen. (9) In de dorpen braakten angstaanjagende jakhals-teven vuur uit hun muilen en er waren de schreeuwen van uilen en het onheilspellende gehuil van jakhalzen. (10) De honden hieven hun koppen allerlei geluiden voortbrengend alsof ze zongen somtijds en dan weer huilden. (11) De ezels, o Vidura, renden als gekken wild balkend van hot naar haar rond in groepen waarbij ze de aarde hard raakten met hun hoeven. (12) Opgeschrikt door de ezels vlogen de vogels krijsend op van hun nesten en stond het vee zich te ontlasten en te urineren in de stallen en de bossen. (13) De koeien gaven in hun angst bloed [in plaats van melk] en uit de wolken regende het pus; de beeltenissen huilden met tranen en bomen vielen om zonder een zuchtje wind. (14) De gunstigste planeten en de andere hemellichten stonden in conjunctie, beschreven retrograde banen of namen conflicterende posities in. (15) Met uitzondering van de zonen van Brahmâ dachten al de mensen die meer van dit alles zagen, niet op de hoogte zijnde van het geheim van al deze grote voortekenen van het kwade, vol van angst dat de wereld op zijn einde liep. (16) De twee van God verlaten, eerste Daitya's van de geschiedenis groeiden snel en ontwikkelden ongewone lichamen die als van staal waren en zo groot als een berg. (17) Met hun schitterende armbanden om hun armen en met de schoonheid van de versierde gordels om hun middel die de zon deed verbleken, schudde de aarde bij iedere stap van hun voeten terwijl de toppen van hun helmen de hemel raakten en ze het zicht in alle richtingen blokkeerden.

(18) Prajâpati Kas'yapa gaf de twee hun namen: hij van de tweeling die van zijn vlees en bloed het eerst werd verwekt [en als tweede ter wereld kwam] noemde hij Hiranyakas'ipu ['hij die op goud teert'] en degene die het eerste uit Diti ter wereld kwam [en als tweede werd verwekt] noemde hij Hiranyâksha ['hij met de geest voor goud']. (19) Omdat Hiranyakas'ipu vol van verbeelding dankzij een zegen van Heer Brahmâ niet bang was dat ook maar iemand hem zou doden, slaagde hij erin de drie werelden en hun beschermheren in zijn greep te krijgen. (20) Hiranyâksha, zijn geliefde jongere broer die altijd voor hem klaar stond, doorkruiste, met een knots in zijn handen klaar om te vechten, de hogere sferen op zoek naar gewapend verzet. (21) Hij had een moeilijk te weerstreven drift, rinkelende enkelbanden van goud en was versierd met een bijzonder grote bloemenkrans over zijn schouders waarop een gigantische strijdknots rustte. (22) Trots als hij was op de fysieke en mentale kracht die hij ontleende aan de zegen, vreesde hij niemand want niemand was hem de baas, zodat de halfgoden zich vol vrees voor hem verborgen als waren ze slangen bevreesd voor Garuda. (23) Toen hij ontdekte dat Indra en de halfgoden met zijn macht voor ogen verdwenen waren en nergens te vinden, wond de leider van de Daitya's zich op en brulde hij luid. (24) Het machtige wezen gaf zijn zoektocht op en dook wraaklustig als een olifant enkel voor de sport diep de oceaan in onder het uitstoten van dat verschrikkelijke geluid.

(25) Toen hij de oceaan inging, raakten de waterdieren, de verdedigers van Varuna die zich onder water ophielden, bevangen door angst door hem te pakken te worden genomen en vluchtten toen, geïntimideerd door zijn schittering, zo ver weg als ze maar konden. (26) De oceaan voor vele jaren doorkruisend, sloeg hij met zijn knots met grote kracht keer op keer op de machtige, door de wind opgestuwde golven en bereikte zo Vibhâvarî, o Vidura, de hoofdstad van Varuna. (27) Toen hij daar in de regionen der onverlichte zielen was aangekomen, boog hij, enkel om de spot te drijven, met een lach op zijn gezicht als een laaggeborene voor Varuna, de Heer en beschermer van de waterdieren en zei: 'O grote Heer, lever strijd met Mij! (28) U bent de bewaarder van dit oord, een bekend heerser. Door uw macht die de trots terugdrong van de ingebeelde helden en waarmee u al de Daitya's en Dânava's [de zoons van Diti en Daksha's dochter Danu, beschouwd als demonen] in de wereld heb overwonnen, wist u ooit een groot koningsoffer [râjasûya] te brengen, o meester.'

(29) Aldus goed op de hak genomen door een vijand wiens ijdelheid geen grenzen kende, werd de respectabele heer der wateren kwaad, maar zich met gezond verstand intomend gaf hij ten antwoord: 'O mijn beste, we hebben het pad der gewapende strijd achter ons gelaten. (30) Er schiet me niemand anders dan de Alleroudste Persoon te binnen die naar uw tevredenheid in een gevecht met u afdoende vaardig zal zijn in de krijgskunst, o koning van de wereld. Benader Hem maar, Hij die zelfs door helden als u wordt gewaardeerd. (31) Als u Hem bereikt, o grote held, zal u snel van uw trots genezen zijn en op het slagveld tenondergaan om tussen de honden te belanden. Om het kwaad uit te roeien dat u bent en om de deugdzamen Zijn genade te tonen, verlangt Hij het om Zijn gedaanten aan te nemen.'

 

Hoofdstuk 18: De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha
 
(1) Maitreya vervolgde: 'Nadat hij de trotse woorden van de Heer der zeeën gehoord had, trok de hoogmoedige zich er weinig van aan. Hij had van Nârada gehoord waar de Heer zich ophield, o mijn beste Vidura, en begaf zich toen gehaast naar de plaats der bestraffing. (2) Aldaar zag hij hoe de glorieuze Heer die de aarde op de punten van Zijn slagtanden droeg hem in de schaduw stelde met Zijn stralende, rooddoorlopen ogen. Hij lachte luid en zei: 'O een beest van de wildernis!'  (3) Hij zei tegen de Heer: 'Kom en vecht o dwaas, laat de wereld  maar aan ons de bewoners van de lagere werelden over. De schepper van het universum vertrouwde ons deze aarde toe. Het feit dat ik Jou hier aantref zal Je bezuren, o toppunt van goddelijkheid die de vorm van een zwijn heeft aangenomen. (4) Ben Je door onze vijanden in het leven geroepen om ons te doden? Je doodde hen die aan de wereld hechten terwijl Je Jezelf niet liet zien! Jouw inwendig zinsbegoochelend vermogen stelt niks voor. De treurnis van mijn verwanten zal ik wegwissen door Jou te doden idioot! (5) Als Jij gedood bent met je schedel verbrijzeld door de knots in mijn hand, zullen al de wijzen en godsbewusten die voor Jou hun offers brachten bevrijd raken en automatisch ophouden te bestaan zonder die wortel.'

(6) Toen Hij getroffen door het offensieve wapengekletter van de vijand zag dat de aarde die Hij op Zijn slagtanden droeg schrik werd aangejaagd, droeg Hij die pijn en kwam Hij uit het water als een olifant die in het gezelschap van zijn wijfjes wordt aangevallen door een krokodil. (7) Hij die gouden haren had en schrikwekkende tanden in zijn mond, jaagde Hem die uit het water kwam op zoals de krokodil dat zou doen met de olifant. Hij brulde luid als de donder: 'Is er ook maar iets waar een vervloekte arme duivel [als Jij die voor me wegvlucht] zich voor schaamt?' (8) Terwijl  de vijand toekeek plaatste Hij  [Heer Zwijn] de aarde binnen Zijn gezichtsveld op het water en begiftigde haar met de macht van Zijn eigen kracht [om boven water te blijven]. [Daarvoor werd] Hij geprezen door de Schepper van het universum en door de machthebbers behaagd met bloemen. (9) Hiranyâksha met zijn weelde aan gouden sieraden, zijn enorme strijdknots en zijn prachtige gouden wapenrusting kwam achter Hem aan en krenkte Hem onophoudelijk in het diepst van Zijn hart met verschrikkelijk kwaaie scheldpartijen. Maar Hij lachte erover en sprak tot hem. (10) De Allerhoogste Heer zei: 'Wij [everzwijnen] zijn inderdaad schepselen van de jungle, want ik zie er naar uit om honden als jij o kwaadaardige, af te maken. [En wat betreft je beledigingen: Wij] helden die vrij zijn van de gebondenheid aan de dood slaan geen acht op de loze praat van iemand die gebonden is [aan deze of gene cultuur]. (11) Wij [die zaken opwroeten] zijn dieven van de voorraden van de bewoners der lagere werelden en schamen ons er niet voor. Ondanks dat We door uw knots worden belaagd zullen We er op een of andere manier in slagen in de strijd stand te houden. Waar moet men heen als men zo'n machtige tegenstander heeft uitgedaagd? (12) [Jij] als de aanvoerder van de leiders van de voetsoldaten moet stappen ondernemen om Ons onverwijld te verslaan, zonder verder na te denken. En als je Ons gedood hebt wis je daarmee de tranen weg van je naaste verwanten. Is het niet zo dat hij die niet nakomt wat hij beloofd heeft geen plaats verdiend in een vergadering?'

(13) Maitreya zei: 'De aanvaller die aldus beledigd en belachelijk gemaakt werd door de Allerhoogste der Toewijding raakte danig aangeslagen en nijdig als een uitgedaagde cobra. (14) Briesend van woede en in al zijn zinnen geroerd door de wraaklust viel de Daitya Hem snel aan en wierp hij zijn strijdknots naar de Heer. (15) De Heer echter deed een stap opzij en ontweek de klap van de knots die de vijand lanceerde, als een volleerde yogi die aan de dood ontsnapt. (16) Nadat hij zijn knots weer had opgepakt zwaaide hij er mee heen en weer en beet hij in het vuur van zijn woede op zijn lip om zich wederom op de Heer te storten. (17) Maar o zachtgeaarde [Vidura], Hij als een expert met de knots redde Zichzelf met Zijn wapen door er de vijand een slag mee toe te brengen op zijn rechter wenkbrauw. (18) Op deze manier waren Hiranyâksha en de Heer, die beiden op de overwinning uit waren, elkaar verwoed met hun enorme strijdknotsen aan het bewerken. (19) De twee vechtenden met hun lichamen verwond door de scherpgepunte knotsen, roken het gutsende bloed, hetgeen hun inzet verhoogde om verscheidene manoeuvres uit te voeren in hun poging het te winnen. Het zag eruit als een confrontatie tussen twee stieren die elkaar om een koe betwisten.

(20) O nazaat van Kuru, Brahmâ, de zelfgeborene, wilde getuige zijn van wat zich voor het heil van de wereld afspeelde en kwam begeleid door de wijzen af op de Daitya Hiranyâksha en de Superziel aller offers die Zijn vermogen had aangewend om de gedaante van een everzwijn aan te nemen. (21) Toen hij zag welke macht  de Daitya Hiranyâksha had verworven en hoe hij, zonder angst, op een niet te weerstane wijze de oppositie had gekozen, richtte de achtenswaardige Brahmâ, de leider van duizenden wijzen, zich tot de oorspronkelijke Heer Nârâyana in Zijn zwijnengedaante. (22-23) Brahmâ zei: 'Hij hier, o God, is voor de goden, de brahmanen, de koeien, de normale levende wezens en de onschuldigen die Uw voeten verwierven, een kwaadwillige, een bron van angst die onheil sticht op basis van een gunst die ik hem verleende. Hij rondwarend tot overlast van iedereen heeft als een duivel het gehele universum afgezocht bij gebrek aan een geschikte tegenstander. (24) Speel geen onschuldig spel met hem o God, hij gaat tewerk als een slang vol trucs en is arrogant, verwaten en hoogst doortrapt. (25) O Onfeilbare, wendt Uw mystiek vermogen aan en doodt de zondaar alstUblieft ter plekke voordat hij op een gegeven moment de kans grijpt zijn formidable macht verder uit te bouwen. (26) Deze donkerste avondstond die ons bekruipt vernietigt de wereld, o Ziel der Zielen, alstUblieft, breng de godsbewusten de overwinning. (27) Dit gunstige moment genaamd abhijit [de achtste muhûrta, ongeveer 's middags] is nu bijna voorbij. Maak terwille van het welzijn van ons, Uw vrienden, snel een eind aan deze formidabele vijand. (28) De dood van dit heerschap die gelukkig uit eigen beweging hierheen kwam, is door U voorbeschikt. Toon hem in het duel Uw macht, doodt hem en herstel de vrede der werelden.'

 


Hoofdstuk 19: Het doden van de demon Hiranyâksha

(1) Maitreya zei: 'Het horen van Brahmâ's oprechte, nectargelijke woorden ontlokte een hartelijke lach aan de Heer die ze aanvaardde met een blik vol van liefde. (2) Toen, opspringend, bracht de Heer die uit het neusgat was verschenen met Zijn strijdknots de demonische vijand die onbevreesd voor Hem heen en weer sloop, zijwaarts op zijn kin een slag toe. (3) Maar die klap stopte Hiranyâksha zodanig met zijn knots, dat de Heer Zijn knots wonderbaarlijk genoeg uit Zijn handen glipte en met een verrassende gloed naar beneden wervelde. (4) Hoewel Hiranyâksha daardoor toen een uitstekende kans kreeg, hield hij zich aan de gevechtscode dat men iemand die geen wapen heeft niet aanvalt. Dit wond de Heer op. (5) Toen Zijn strijdknots viel rees er een angstkreet op [onder de toeschouwers] maar de Almachtige Heer, geplaatst voor Hiranyâksha's rechtzinnigheid, moest aan Zijn Sudars'ana-cakra denken. (6) Spelend met de gemene zoon van Diti, deze grootste van Zijn metgezellen, liet Hij Zijn werpschijf roteren en werd toen onthaald met verschillende uitingen van ongeloof van de kant van hen die zich onbewust [van al Zijn vermogens] in de hemel verdrongen en zeiden: 'Alle geluk aan U, breng hem alstUblieft ter dood.'

(7) Toen de Daitya Hem die ogen had gelijk de blaadjes van lotusbloemen, met Zijn schijf gewapend voor zich zag, klaar voor hem en hem aankijkend, raakte hij buiten zinnen van verontwaardiging en beet hij in grote weerzin sissend als een slang op zijn lippen. (8) Met zijn angstaanjagende, enorme tanden en starende, vuurschietende ogen viel hij Hem toen aan met zijn knots uitroepend: 'En zo wordt Je dan verslagen!', en slingerde hem naar de Heer. (9) Hoewel die knots o zoeker van de waarheid, de kracht had van een orkaan, werd hij door de Heer der offers die de vorm van een everzwijn had aangenomen, voor ogen van Zijn vijand speels met Zijn linkerpoot afgeweerd.

(10) Toen zei Hij: 'Raap hem op en probeer het nog eens, als je het zo graag wil winnen'. Op dat ogenblik deed de aldus uitgedaagde Hiranyâksha luid brullend opnieuw een uitval. (11) De Heer die de strijdknots op zich af zag komen zette zich schrap en ving hem net zo makkelijk op als Garuda een slang beetgrijpt. (12) Met zijn bravoure aldus gefrustreerd was de grote demon gekrenkt in zijn trots en had hij er vernederd geen zin meer in de knots weer terug te nemen die de Heer hem aanbood. (13) In plaats daarvan nam hij een drietand ter hand en stoof laaiend als vuur verwoed op de Varâhagedaante van de Heer der Offers af, zoals iemand met kwaad in de zin tegen een brahmaan in zou gaan. (14) De glanzende drietand die de machtigste onder de Daitya's met al zijn kracht naar de Heer had geworpen, lichtte in zijn vlucht helderder op maar, zoals Indra Garuda zijn vleugel afsneed [toen hij ooit eens een pot nectar had weggegrist], werd hij in stukken gehakt door de scherpgerande cakra. (15) Toen hij zijn drietand in stukken gehakt zag door de Heer Zijn werpschijf, kwam hij woedend brullend naar voren om de brede met het S'rîvatsateken gemerkte borst van de Heer, de verblijfplaats van de godin, hard met zijn vuist te treffen. Daarna verdween de demon uit het gezicht. (16) Door hem aldus getroffen, o Vidura, was de Allerhoogste Heer in Zijn eerste incarnatie als een zwijn niet in het minst geraakt. Hij was niet meer beroerd dan een olifant geslagen met een bos bloemen. (17) De omstanders echter zagen hoe de Heer van het inwendig vermogen nu belaagd werd door een serie trucs en vol van angst dachten ze dat het einde van de wereld op handen was. (18) Felle winden raasden en in alle richtingen verspreidde zich door het stof duisternis terwijl er stenen naar beneden kwamen alsof een heel leger bezig was. (19) De hemellichten verdwenen achter massa's wolken waaruit het donderde en bliksemde, terwijl het de hele tijd pus, haar, bloed, ontlasting, urine en beenderen regende. (20) O zondeloze, vanuit de bergen werden allerlei soorten wapens gelanceerd en men zag naakte duivelinnen met loshangende haren die gewapend waren met drietanden. (21) Vele woeste duivels en demonen te voet, te paard, op strijdwagens en met olifanten verschenen ten tonele die wrede, moorddadige woorden riepen. (22) Volgend op dit magisch machtsvertoon van de demon lanceerde de geliefde genieter der drie offers [van het luisteren, de goederen en de adem, zie B.G. 4: 26-27] die een einde aan dat alles wilde maken het wapen van Zijn meest uitnemende aanwezigheid [de Sudars'ana-cakra].

(23) Op dat moment doortrok plotseling een huivering het hart van Diti [de moeder van de demon] en zich de woorden van haar echtgenoot [Kas'yapa] herinnerend vloeide er bloed uit haar borsten. (24) Toen zijn magische krachten verdreven waren [door de lancering van de cakra] doemde de demon opnieuw op voor de Opperheer en omhelsde hij Hem vol razernij  om Hem te pletten, maar hij ontdekte dat de Heer zich buiten zijn greep bevond. (25) Hiranyâksha sloeg Heer Adhokshaja [Hij voorbij de controle der zinnen] met zijn vuist hard als een donderslag, maar kreeg van Hem een trap precies onder zijn oor, zoals de heer der Maruts [Indra] dat deed met de demon Vritra. (26) Hoewel door de onoverwinnelijke Heer slechts terloops geraakt, tolde het lichaam van de duivel in het rond, puilden zijn ogen uit hun kassen en viel hij, met zijn armen en benen levenloos en zijn haar in wanorde, als een gigantische boom geveld door de wind ter aarde.

(27) De zelfgeborene [Brahmâ] en de anderen die hem op de grond zagen liggen met zijn bloed nog niet uit zijn gezicht weggetrokken en zijn schrikwekkende tanden door zijn lip, zeiden, vol bewondering naderbij komend: 'O waarlijk wie kon er nu zo zijn eindbestemming vinden? (28) Hij op wie de yogi's in afzondering verzonken in de vereniging van hun bewustzijn mediteren om bevrijding te vinden uit het onwerkelijke, materiële lichaam, trof met een van Zijn poten de zoon, het kroonjuweel van de Daitya's, die zijn lichaam verliet terwijl hij Hem in het gelaat staarde. (29) Beide medewerkers van de Heer zijn vervloekt om enkele levens opnieuw geboorte te nemen in goddeloze families, waarna ze weer naar hun posities zullen terugkeren.'

(30) De halfgoden zeiden: 'Alle eer aan U, o Genieter Aller Offers die terwille van de handhaving [van deze wereld] een gedaante van zuivere goedheid hebt aangenomen. Tot ons grote geluk hebt U een einde gemaakt aan hem hier die zoveel onheil stichtte in al de werelden. Met de toewijding tot Uw voeten, zijn we nu op ons gemak.'

(31) S' Maitreya zei: 'Na aldus de zo hoogst machtige Hiranyâksha te hebben gedood, keerde de Heer, de oorsprong van de zwijn-incarnatie, onder de lofprijzingen van hem die op de lotus is gezeten en de andere goden, terug naar Zijn hemelverblijf waar men ononderbroken [Zijn glorie] viert. (32) Ik heb u, beste vriend, uiteengezet zoals het mij werd verteld, hoe de Opperheer door neder te dalen in een materiële gedaante, een einde maakte aan de acties van die zo heel machtige Hiranyâksha die in een groots gevecht werd gedood alsof hij een speeltje was.' "

(33) Sûta zei: "Toen Vidura, de grote toegewijde, aldus van de zoon van Kushâru [Maitreya] de vertelling vernam over de Allerhoogste Heer, bereikte hij het opperste geluk o brahmaan [S'aunaka]. (34) Als men zich al verheugt over het aanhoren van de verhalen van deugdzame zielen van naam en faam, welk een vreugde ontleent men dan wel niet aan het luisteren naar een verhaal over Hem met het S'rivatsateken op de borst? (35) Toen de koning der olifanten [Gajendra] die door een krokodil werd aangevallen, mediteerde op de lotusvoeten terwijl zijn wijfjes jammerden, werd hij snel van het gevaar verlost [zie 8.2-4]. (36) Wie zou er niet z'n toevlucht nemen tot Hem die zo gemakkelijk te aanbidden is voor mensen zonder pretenties; welke dankbare ziel zou geen dienst verlenen aan degene die onmogelijk te aanbidden is voor hen die geen echte zoekers zijn? (37) Hij die verneemt over, zingt over en genoegen beleeft aan dit wonderlijke avontuur van de Allerhoogste die als een zwijn de aarde ophief uit de oceaan en Hiranyâksha doodde, zal terstond worden bevrijd, zelfs als hij een brahmaan aan zijn eind hielp, o tweemaal geborene! (38) Deze vertelling is hoogst stichtelijk, is zeer heilig en verschaft weelde, roem en een lang leven en zal iemand alles bezorgen wat hij nodig heeft. Wie er ook maar naar luistert zal op het slagveld er zijn levenskracht en zinnen door gesterkt zien en aan het eind van zijn leven er de toevlucht van Nârâyana mee verkrijgen, o beste S'aunaka."


Hoofdstuk 20: De Wezens Geschapen door Brahmâ

(1) S'aunaka zei: "Wat was het, nadat de aarde in haar positie was teruggeplaatst [door Heer Varâha] o zoon van Romaharshana [Sûta], dat Svâyambhuva Manu [zie 2.7: 2, 3.12: 54, 3.13: 2] deed om hen die geboren zouden worden de weg te wijzen? (2) Vidura, de grote, zuivere toegewijde en intieme vriend van Heer Krishna, verliet zijn oudere broer [Dhritarâshthra] omdat hij en zijn honderd zoons tegen Krishna ingingen. (3) Geboren uit het lichaam van Vyâsa en in geen enkel opzicht minder dan hij, nam hij met heel zijn hart zijn toevlucht tot Heer Krishna en volgde hij hen die Hem zijn toegewijd. (4) Wat vroeg deze held van de zuiverheid toen hij de heilige plaatsen bezocht aan Maitreya, de meest vooraanstaande kenner van het geestelijk leven die hij had ontmoet te Kus'âvarta [Hardwar] waar hij toen verbleef? (5) Toen de twee hun conversatie hadden, o Sûta, resulteerde dat in de onberispelijke vertellingen die gelijk de wateren van de Ganges alle zonden wegvagen als men zijn toevlucht neemt tot de Heer Zijn lotusvoeten. (6) Moge al het goede uw deel zijn! Vertel ons de verhalen over Zijn onzelfzuchtige handelingen die het bezingen zo waard zijn.  Welke toegewijde die waardering heeft voor de emotionele relaties [rasa's] die men met Hem heeft zou ooit genoeg hebben van het zich laven aan de nectar van de Heer Zijn spel en vermaak?"

(7) Aldus verzocht door de wijzen verzameld in het Naimishâranyawoud, zei Sûta die zijn denken aan de Heer had gewijd hen toen: "Luister enkel hiernaar."

(8) Sûta zei: "Vidura die had gehoord hoe de Heer het lichaam van een Zwijn had aangenomen, middels Zijn eigen vermogen de aarde had opgeheven van de bodem van de oceaan en op sportieve wijze achteloos Hiranyâksha had gedood, was vol van vreugde en richtte zich tot de wijze. (9) Vidura zei: 'O heilige wijze, kenner van dat wat ons verstand te boven gaat, zeg ons alstublieft waar Brahmâ mee begon nadat hij de Prajâpati's had voortgebracht die de mensheid tot stand brachten. (10) Hoe leefden de geleerden onder leiding van Marîci de brahmaanse orde van Svâyambhuva Manu na en hoe ontwikkelden ze deze wereld? (11) Gingen ze gehuwd te werk, behielden ze hun onafhankelijkheid of werkten ze allen samen toen ze dit alles tot stand brachten?'

(12) Maitreya zei: 'Door Mahâ-Vishnu, door de eeuwig werkende macht van de goddelijke voorzienigheid, raakte het evenwicht van de drie geaardheden in de natuur verstoord zodat het geheel van de materiële elementen van de Fortuinlijke werd voortgebracht. (13) Vanuit het grootste van de kosmische intelligentie [de mahat-tattva], vond zoals beschikt door de goddelijkheid, beginnend vanuit [het ruimtelijk krachtveld van] de ether de geboorte van de fundamentele werkelijkheid van de materiële elementen plaats [het ego zoals gekend] in groepen van vijf [de vijf elementen, vijf zintuigen, vijf zinsobjecten en vijf zinsorganen] met de drievoudigheid van de natuur waarin het onderdeel van de hartstocht [of de kwaliteit van de beweging] overheerst. (14) Die elementen, welke op zichzelf de materiële samenhang van het universum niet konden voortbrengen, gingen combinaties aan met de eenheid van het goddelijke en produceerden een bol die glansde als van goud. (15) Hij lag in de wateren van de oceaan der oorzaken als een ei in een onbewuste staat voor de duur van in feite nogal wat meer dan een duizendtal [hemelse] jaren voordat de Heer [als Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin binnenging. (16) Uit de Heer Zijn navel ontsproot toen de lotus van een duizend en meer zonnen met een schitterende pracht [het sterrenstelsel, zie 2.2: 24-25]. Hij vormt de verblijfplaats voor alle geconditioneerde zielen waar de zelfgeborene [Heer Brahmâ, de Schepper] als eerste zijn bestaan vond. (17) Toen de Heer die in de causale wateren rust Brahmâ's hart binnenging, schiep hij het universum zoals hij dat voorheen had gedaan.

(18) Allereerst schiep hij vanuit zijn schaduw de vijf soorten onwetendheid genaamd tâmisra [vergetelheid], andha-tâmisra [de illusie van de dood], tama [het zich niet kennen], moha [de illusie de materie te zijn] en mahâ-moha [verzot zijn op de materie, de hunkering; vergelijk 3.12: 2]. (19) Ontevreden wierp Brahmâ dit lichaam van onwetendheid af dat toen in de vorm van de nacht, die de bron vormt van honger en dorst, in bezit werd genomen door Yaksha's [boze geesten] en Râkshasa's [wildemannen, demonen]. (20) Beheerst door die honger en dorst jaagden ze om hem te verslinden en riepen in hun toestand uit: 'Spaar hem niet!' (21) Dat stoorde de godheid die hen toen zei: 'Eet me niet op, maar hou me in leven, want jullie Râkshasa's en Yaksha's zijn mijn zoons!' 

(22) De halfgoden die uitblinken met de glorie der godvrezendheid en het eerst werden voortgebracht, namen bezit van de stralende vorm van het daglicht dat als het voertuig van God was achtergebleven. (23) De god schonk toen van achteren het leven aan de goddelozen die, verzot op seks, in hun lust te copuleren toenadering zochten tot de Schepper. (24) Aanvankelijk moest de aanbiddelijke Heer erom lachen te worden gevolgd door de schaamtelozen der duisternis, maar toen haastte hij zich verschrikt en geïrriteerd, om weg te komen. (25) Hij wendde zich tot Hem wiens voeten worden gezocht en die alle gunsten verleent, de Heer die het leed verdrijft en die, om de toegewijden Zijn genade te tonen, zich manifesteert in een geschikte gedaante: (26) 'Bescherm Mij o Superziel, op Uw gezag schiep ik al die zondige levende wezens die me benaderen om seks te hebben, o Meester. (27) Alleen U kan werkelijk de mensen verlossen die te lijden hebben onder het materiële leed, alleen U kan hen die niet hun heil zoeken bij Uw voeten een halt toeroepen.'

(28) Hij die feilloos weet wat er in iedere ziel omgaat zei, toen hij het leed van Heer Brahmâ zag: 'Werp uw onzuivere lichaam af' en aldus opgedragen wierp hij het af. (29) Dat lichaam [in de vorm van een vrouw] was betoverend met rinkelende enkelbelletjes, aanbiddelijke voeten, overweldigende ogen en een met goud versierde, blinkende gordel om de heupen gehuld in een fijne stof. (30) De borsten waren dicht op elkaar gedrukt en hoog opgeheven, de neus was welgevormd, de tanden prachtig, de glimlach lieflijk en de blik uitdagend. (31) Ze verborg zichzelf uit verlegenheid. O Vidura, kijkend naar de vlechten van haar zwarte haar waren al de goddelozen door de vrouw in beslag genomen: (32) 'O wat een schoonheid, wat een gratie; o welk een bloeiende jeugd! Dat zij zich onder ons begeeft, wij die zo naar haar verlangen, alsof ze vrij is van hartstocht!' (33) Zich verliezend in allerlei speculaties over de avondschemering die de vorm van een jonge vrouw had aangenomen, vroegen ze vol van respect verzot op haar, maar met slechte gedachten in hun hoofd: (34) 'Wie ben jij? Wie behoor jij toe, o schoonheid? Waarom ben je naar hier gekomen, o hartstochtelijke dame? Je brengt ons ongelukkigen, het hoofd op hol met het onbetaalbare bezit van jouw schoonheid! (35) Wie je ook moge zijn, o mooi meisje, door het geluk jou te zien spelen met een bal zijn wij toeschouwers van ons verstand beroofd. (36) Rondstappend met je lotusvoeten o prachtige vrouw, stuiter je die bal met de palm van je hand. Het gewicht van je volle borsten moet wel erg vermoeiend zijn bij die taille van je. Je ziet er wat moe uit, maak je vlechten maar los!'

(37) De goddelozen die aldus met hun verstand beneveld de avondschemering hielden voor de verlokkende, begeerlijke vorm van een vrouw, grepen haar toen. (38) Met een veelbetekenende glimlach schiep de aanbiddelijke Heer daarop vanuit het zelfbewustzijn van Zijn eigen lieflijkheid de geledingen der hemelse muzikanten en dansmeisjes [de Gandharva's en Apsara's]. (39) De lieftallige gedaante die feitelijk het schijnsel van het maanlicht was, gaf hij op en werd door de Gandharva's aangevoerd door Vis'vâvasu verheugd in bezit genomen. (40) Nadat Heer Brahmâ vanuit de luiheid de spoken en boze geesten had geschapen, zag hij hen naakt en met hun haar in de war voor zich en sloot hij zijn ogen. (41) Zij namen bezit van het lichaam dat de meester der schepping afwierp en dat bekend staat als het gapen. Men ziet de levende wezens ermee kwijlen in hun slaap en dat is een onreine staat die [met de erbij behorende spoken en boze geesten] de verbijstering vormt waarvan men spreekt als de krankzinnigheid. (42) Zich realiserend dat hij vol van energie was, schiep de aanbiddelijke Brahmâ, de meester aller schepselen, uit zijn ongeziene vorm de geledingen der Sâdhya's en Pitâ's [de onzichtbare halfgoden en verscheiden zielen]. (43) Zij, de Pitâ's, aanvaardden dat lichaam, de bron van hun bestaan, en het is door dat lichaam dat zij die goed thuis zijn in de rituelen, hun offerhandelingen [genaamd s'râddha] verrichten voor deze Sâdhya's en Pitâ's. (44) De Siddha's [zij die van speciale vermogens zijn] en ook de Vidyâdhara's [de met kennis begiftigde geesten] werden geschapen uit zijn eigenschap voor het gezicht verborgen te blijven. Hen schonk hij die wonderschone vorm van zichzelf die bekend staat als Antardhâna [van het aanwezig zijn maar ongezien blijven]. (45) Vanuit het zich bewonderen toen hij zijn spiegelbeeld in het water zag, schiep de meester in zijn zelfreflectie de Kinnara's [de machtigen] en Kimpurusha's [de aapachtigen]. (46) Zij namen bezit van de vorm van de schaduw die hij achter liet, om welke reden ze telkens omstreeks de dageraad [tijdens de brâhma-muhûrta, anderhalf uur voor zonsopkomst] samenkomen met hun echtgenotes om zijn daden te bezingen. (47) Toen hij eens zijn lichaam volledig uitstrekte terwijl hij neerlag, zag hij tot zijn grote bezorgdheid dat het de schepping ontbrak aan vooruitgang. Daarop gaf hij uit zijn woede toen ook dat lichaam op. (48) O Vidura, uit het haar dat uit zijn lichaam viel werden zij die geen poten hebben geschapen. Uit hun kruipende lichamen kwamen de slangen voort waarvan men bij de nijdige cobras de kraag aan hun nek ziet.
 
(49) Toen hij [eens] het gevoel had alsof hij zijn levensdoel had bereikt, ontsproten aan zijn geest de Manu's [de oorspronkelijke vaders der mensheid] die er zijn om het welzijn van de wereld te bevorderen. (50) Hen schonk hij de gedaante van zijn eigen bezielde, persoonlijke lichaam bij het zicht waarvan zij die eerder waren geschapen de Prajâpati [de stamvader] verwelkomden met de volgende lofzang: (51) 'O schepper van het universum, hoe goed hebt u alles tot stand gebracht. O, hoe degelijk hebt u al de rituele gebruiken gevestigd waarmee we kunnen delen in de offerhandelingen! (52) Door boete te doen, van aanbidding te zijn en door verbondenheid in de yogadiscipline opgegaan in de fijnste verzonkenheid, bracht u, de eerste ziener, de beheerser der zinnen, de wijzen die uw geliefde zoons zijn tot ontwikkeling. (53) Ieder van hen schonk u, de ongeborene, een deel van uw eigen lichaam dat diepe meditatie, de eenheid van de yoga, het bovennatuurlijk vermogen, de boete, de kennis en de verzaking in zich draagt.'


Hoofdstuk 21: De Conversatie tussen Manu en Kardama

(1) Vidura zei: 'O Allerhoogste, wees zo goed de zo zeer geachte dynastie van Svâyambhuva Manu te beschrijven, waarvan de seksuele gemeenschap voor al het nageslacht zorgde. (2) Priyavrata en Uttânapâda, de twee zonen van Svâyambhuva Manu, regeerden overeenkomstig de principes der religie de wereld bestaande uit de zeven continenten. (3) De dochter van die Manu genaamd Devahûti o brahmaan, was de echtgenote van de vader der mensheid waarover u sprak [zie 3.12: 27] als Kardama Muni, o zondeloze. (4) Kan u mij die er zo naar verlangt het verhaal vertellen over hoe het talrijke nageslacht van Kardama Muni, die in feite een grote mystieke yogi was begiftigd met de acht volmaaktheden [zie 3.15: 45], uit haar voortkwam? (5) En hoe brachten de bewonderenswaardige Ruci, o brahmaan, en Daksha, de zoon van Brahmâ, hun nageslacht voort nadat ze de twee andere dochters van Svâyambhuva Manu als hun echtgenotes hadden verworven?'

(6) Maitreya zei: 'Heer Brahmâ droeg de allerhoogste muni Kardama op kinderen te verwekken nadat hij zo'n tienduizend jaar boete had gedaan aan de oever van de rivier de Sarasvatî. (7) Verzonken in die verbondenheid was Kardama in zijn yoga van toegewijde dienst voor Hem, de Heer die de overgegeven zielen alles vergunt. (8) Behaagd toonde de Allerhoogste Heer met de lotusogen hem toen in Satya-yuga via het proces van het luisteren o Vidura, de absolute waarheid van Zijn bovenzinnelijk lichaam. (9) Hij zag dat dat lichaam van Hem zo stralend en zuiver was als de zon met een bloemenslinger van witte waterlelies en lotussen en een overvloed aan sluike zwart-blauwe haarlokken, een lotusgelijk gezicht en gehuld in smetteloze kleding. (10) Opgesierd met een kroon en oorsieraden dragend hield Hij, het hart betoverend met Zijn glimlachende blikken, een schelphoorn vast, een werpschijf en een strijdknots, onderwijl met een witte lelie spelend. (11) Hij zag Hem in de lucht met Zijn lotusvoeten staan op de schouders van Garuda met op Zijn borst het beroemde Kaustubha juweel dat Hij om Zijn hals had. (12) Nu het verlangen in vervulling was gegaan van hem wiens hart altijd vol van liefde was geweest, wierp hij vol van vreugde zich languit op de grond met gevouwen handen en behaagde [Hem] met gebeden.

(13) De wijze zei: 'Oh aanbiddelijke Heer, nu zijn we dan van het volkomen succes U voor ogen te hebben, het Reservoir van Alle Goedheid; het is een aanblik die [zelfs] wordt nagestreefd door yogi's die de volmaaktheid van de yoga bereikten door in vele geboorten geleidelijk op te klimmen. (14) O Heer U vervult zelfs de verlangens van hen die, vanwege Uw begoochelende energie, hun intelligentie kwijtraakten en Uw lotusvoeten -  die de boot vormen om de oceaan van het werelds bestaan over te steken -  aanbidden terwille van oppervlakkige genoegens die ook in de hel te vinden zijn. (15) Ernaar verlangend een meisje te huwen van een gelijke gezindheid die in het huwelijksleven is als een koe van overvloed, heb ook ik U met lustmotieven benaderd, U die de wortel en oorsprong bent van alles en de wensboom die alle wensen in vervulling doet gaan. (16) O oorspronkelijke vader van allen, de geconditioneerde zielen in de greep van het verlangen zijn allen gebonden aan het touw van de woorden van U als de Heer van de levende wezens. Ik, hun voorbeeld volgend breng eveneens mijn offers voor U, o licht van de eeuwige tijd. (17) Maar zij die het opgaven hun dierlijke, aardse belangen na te jagen met inbegrip van de mensen die daar bij horen, en door Uw kwaliteiten met elkaar te bespreken hun toevlucht zochten onder de paraplu van Uw lotusvoeten, zetten met die bedwelmende nectar er een punt achter een dienaar te zijn van hun fysieke lichamen. (18) Het wiel van het universum dat met een ontzagwekkende snelheid ronddraait rond de spil van het onvergankelijke van U [Brahman] met drie assen [zon, maan en sterren], [twaalf tot] dertien spaken [als de maanmaanden], driehonderdzestig verbindingen [als de dagen in een halfgodenjaar], zes randen [als de seizoenen], en ontelbare blaadjes [momenten], verkort wel de levensduur van het universum maar niet die van de toegewijden. (19) U o Allerhoogste Heer als het Ene Zelf dat zijn gelijke niet kent, verlangt het om in Uzelf en heersend middels Uw innerlijk yogamâyâ-vermogen, de universa in het leven te roepen die U op eigen kracht schept, handhaaft en weer in U opneemt zoals een spin  dat doet. (20) Deze materiële wereld met haar grofstoffelijke en subtiele elementen die U voor ons manifesteert, is er niet enkel omdat U ons zinsgenoegens wilt verschaffen. Laat die wereld er ook zijn voor ons uiteindelijke heil [de zaligheid], telkens als we door Uw grondeloze genade de gedaante mogen zien van de Fortuinlijke prachtig met de tulsî [van de toewijding voor U]. (21) Teneinde de onthechting van het genieten van de vruchten tot stand te brengen, bracht U middels Uw energieën, de materiële werelden voort. Zonder ophouden breng ik mijn eerbetuigingen aan de aanbiddelijke lotusvoeten die alle zegen doen neerdalen op de onaanzienlijken.'

(22) De wijze [Maitreya] zei: 'Aldus oprecht geprezen beantwoordde Heer Vishnu Kardama Muni in bewoordingen zoet als nectar, terwijl Hij, stralend van genegenheid op de schouders van Garuda staande, met een glimlach toekeek vanonder Zijn expressieve wenkbrauwen. (23) De Allerhoogste Heer zei: 'Bekend met wat er in je omgaat heb ik reeds voorzien in dat waarvoor je jezelf hebt getraind met Mij als de enige om te aanbidden. (24) De exclusieve aanbidding van Mij zoals die er kan zijn door mensen als jij die hun aandacht geheel op Mij gevestigd hebben, is nimmer zonder zin en betekenis o leider der levende wezens. (25) De zoon van de vader der mensen [Brahmâ], de keizer Svâyambhuva Manu, wiens rechtschapen handelingen alom bekend zijn, leeft in Brahmâvarta [de wereld als deel van Brahmâ's lotus] waar hij heerst over de zeven zeeën en de aarde. (26) Hij, de heilige koning, o geleerde, zal overmorgen hier naar toe komen met zijn koningin omdat hij u als expert in religieuze zaken wil ontmoeten. (27) Hij heeft een volwassen dochter met zwarte ogen en een karakter vol van goede kwaliteiten en is op zoek naar een echtgenoot. Hij zal u haar hand schenken o meester, daar u een geschikte kandidaat bent. (28) Zij is degene naar wie uw hart al deze jaren heeft uitgezien, zij is uw prinses o brahmaan en zal u spoedig van dienst zijn naar uw zin. (29) Zij zal, van het zaad dat door u in haar wordt gezaaid, negen dochters ter wereld brengen en uit die dochters zullen de wijzen al hun kinderen verwekken. (30) Als u naar behoren Mijn instructies hebt nageleefd en volledig gezuiverd bent naar Mij toe in de verzaking van de vruchten van het handelen, zal u Mij uiteindelijk bereiken. (31) En als u mededogen hebt getoond en alle zielen zekerheid hebt verschaft, zal u zelfverwerkelijkt zijn en uzelf en het universum zien als zich bevindend in Mij en Mij als aanwezig in uzelf. (32) Via uw zaad zal ik [persoonlijk verschijnen] als Mijn eigen volkomen expansie o grote wijze en uw vrouw Devahûti onderrichten in de leer van de uiteindelijke werkelijkheid.'

(33) Maitreya zei: 'Nadat Hij aldus tot hem had gesproken vertrok de Allerhoogste Heer die rechtstreeks door de zinnen kon worden waargenomen, van het Bindu-sarovar-meer waar doorheen de rivier de Sarasvatî stroomt. (34) Terwijl Hij recht voor zijn ogen vertrok [naar de geestelijke wereld] via het pad der perfectie dat wordt geprezen door alle bevrijde zielen, hoorde de wijze in de vleugelslag van de drager van de Heer [Garuda] de hymnen weerklinken die de Sâma Veda vormen. (35) Toen, na Zijn vertrek, bleef Kardama, de grote en machtige wijze, achter op de oever van het Bindu-meer, in afwachting van wat komen zou.

(36) Svâyambhuva Manu klom samen met zijn vrouw in een met goud beslagen strijdwagen, plaatste zijn dochter erop en reisde rond door de hele wereld. (37) O grote boogschutter, zoals voorspeld door de Heer, bereikte hij de hermitage van de wijze precies op de dag dat hij klaar was met zijn geloften van verzaking. (38-39) Het heilige, heilzame water van de Sarasvatî dat door het meer stroomde, was de nectar die door reeksen van grote heiligen werd bezocht. Het was waarlijk een meer van tranen, zoals het werd genoemd naar aanleiding van de tranen die neervielen uit de ogen van de Heer toen Hij overweldigd was door Zijn enorme mededogen voor deze overgegeven ziel. (40) De plaats was heilig met groepjes bomen en struiken met de aangename schreeuwen van goedaardige dieren en vogels. Omlijst door de schoonheid van het geboomte, was het rijk aan vruchten en bloemen gedurende alle seizoenen. (41) Het bruiste er van het leven met allerlei kolonies vogels, doldwaze bijen die als gekken rondzoemden, trots dansende pauwen en vrolijke koekoeken die elkaar toeriepen. (42-43) Het meer werd opgeluisterd door kadamba-, campaka-, a'soka-, karañja- en bakulabloemen en âsana, kunda, mandâra, kuthajabomen en jonge mangobomen en men hoorde er de aangename geluiden van kârandava eenden, plava's, zwanen, visarenden, waterhoenen, kraanvogels, cakravâka- en cakoravogels. (44) Ook waren er massa's reeën, wilde zwijnen, stekelvarkens, gavaya's [wilde koeien], olifanten, bavianen, leeuwen, apen, stokstaartjes en muskusherten.

(45-47) Toen de eerste monarch met zijn dochter die uitgelezen plek betrad zag hij de wijze voor zijn hut zitten, offers brengend in het vuur. Zijn lichaam straalde schitterend door zijn lang volgehouden, verschrikkelijke yogaboete en was niet erg uitgemergeld, want de Heer had Zijn liefdevolle, zijdelingse blik op Hem geworpen en hem doen luisteren naar Zijn maangelijke ambrozijnen woorden. Hij was lang met ogen als de bloembladen van een lotus, had samengeklitte haarlokken en gescheurde kleding. Hem benaderend maakte hij een vervuilde indruk als was hij een ongepolijste edelsteen. (48) De monarch die zijn stulpje had benaderd boog voor hem, waarop de wijze hem eervol ontving en hem verwelkomde zoals dat voor een koning gepast is. (49) Na zijn eerbetoon in ontvangst te hebben genomen, bleef hij stil neerzitten en was hij verrukt te horen wat de wijze, indachtig wat de Heer hem had opgedragen, toen op aangename wijze zei:

(50) 'Ik ben er zeker van o goddelijke persoonlijkheid, dat uw rondgang er is om de deugdzamen te beschermen en hen die van het onware zijn te dwarsbomen, aangezien u de persoon bent die de Heer Zijn beschermend vermogen vertegenwoordigt. (51) Naar gelang de noodzaak neemt u de verschillende gedaanten aan van de zon, de maan, het vuur [Agni], de Heer van de hemel [Indra], de wind [Vâyu], de bestraffing [Yama], de religie [Dharma] en van de wateren [Varuna]. Ik bied Hem, de Heer Vishnu die U is, mijn eerbetuigingen. (52-54) Als u de strijdwagen der overwinning overdekt met massa's edelstenen niet had beklommen en uw boog niet zo schrikwekkend had laten zoeven en al de schurken angst had aangejaagd met uw aanwezigheid, als onder uw leiding een leger van marcherende soldaten te voet niet de aarde had doen schudden met het bestrijken van de aardbol als de schitterende zon, dan zouden zeker alle gedragsregels en verplichtingen van de roepingen [varna] en leeftijdsgroepen [âs'rama] zoals die door de Heer zijn ingesteld o Koning, op betreurenswaardige wijze zijn gebroken door de boeven. (55) Als u zou rusten, dan zou het onrecht zegevieren met het ontbreken van de greep op mensen die eenvoudigweg op het geld uit zijn. Deze wereld zou dan door de onverlaten in bezit worden genomen en tenondergaan [zie ook B.G. 3: 23]. (56) Niettemin vraag ik u, o heldhaftige, wat de reden is van uw bezoek, want dat zullen we zonder te aarzelen met hart en ziel ten uitvoer brengen.'



Hoofdstuk 22: Het huwelijk van Kardama Muni en Devahûti

(1) Maitreya zei: 'Nadat de wijze op deze manier het grootse van de deugden en handelingen van keizer Manu had beschreven viel hij stil. De keizer die er enigszins door in verlegenheid was gebracht richtte zich toen tot hem. (2) Manu zei: 'Jullie [brahmanen] zijn in jullie verbonden zijn in boete, kennis en yoga en afgekeerd zijn van zinsbevrediging door de Schepper uit Zijn mond geschapen met de bedoeling Hem hoog te houden met lofzangen [Vedische hymnen]. (3) En wij werden door de Vader met de Duizend Voeten [de Heer van de Universele Gedaante] geschapen uit Zijn duizend armen om hen weer te beschermen. Zo worden de brahmanen Zijn hart en de kshatriya's [de bestuurders] Zijn armen genoemd. (4) Omdat de godheid, Hij de Onvergankelijke die zowel oorzaak als gevolg is, hen beiden hooghoudt, komen de brahmanen en de kshatriya's op voor elkaar zowel als voor [het belang van] de ziel. (5) Door enkel maar te zien hoe u o allerhoogste, persoonlijk zo liefdevol uitlegde wat de plicht van een koning is jegens zijn onderdanen, zijn al mijn twijfels opgelost. (6) Tot mijn grote geluk o machtige, kon ik u treffen die niet makkelijk te zien bent voor hen die zich niet overeenkomstig de ziel gedragen. Ik was er gelukkig toe in staat om met mijn hoofd het stof van uw voeten te beroeren die alle zegen brengen. (7) Ik ben zo gelukkig dat mij de grote gunst ten deel is gevallen door u geïnstrueerd te worden. O wat een geluk is het om met gespitste oren te hebben mogen luisteren naar uw zuivere woorden! (8) O wijze, hooggeëerde, wees nu zelf verheugd te luisteren naar de bede van deze bescheiden persoon wiens geest vol zorgen is uit liefde voor zijn dochter. (9) Deze dochter van mij, de zuster van Priyavrata en Uttânapâda, is op zoek naar een echtgenoot die geschikt is qua leeftijd, karakter en goede kwaliteiten. (10) Vanaf het moment dat ze van Nârada Muni vernam over uw nobele karakter, geleerdheid, verschijning, jeugd en deugd, zette ze haar zinnen op u. (11) Aanvaard haar derhalve alstublieft o beste der tweemaal geborenen, ik biedt u haar aan in de overtuiging dat ze in alle opzichten geschikt is voor uw huishoudelijke taken. (12) Om iets waarnaar men verlangde en dat uit zichzelf kwam af te slaan is niet aan te raden, zelfs niet voor iemand die vrij is van gehechtheid aan zingenot, om nog maar te zwijgen van iemand die eraan verslaafd is. (13) Hij die wat hem [genereus] wordt aangeboden afwijst en dat zoekt bij een gierig iemand, gooit zijn eer te grabbel en zal zijn goede naam en faam geschaad zien. (14) O wijze man, ik hoorde dat u van plan was om te trouwen en derhalve niet de eed van onafgebroken celibaat hebt afgelegd. Aanvaardt dan alstublieft mijn aanbod [*].'

(15) De rishi gaf ten antwoord: 'Ja, ik wil graag trouwen en uw dochter heeft zichzelf aan niemand anders beloofd. Op basis hiervan zal een huwelijk van ons volgens de regels gepast zijn. (16) Laat dat verlangen van uw dochter dat wordt ondersteund door het schriftuurlijk gezag in vervulling gaan o Koning. Wie zou uw dochter nu niet aanbidden? De luister van haar lichaam alleen al overtreft de schoonheid van haar sieraden! (17) [Maar...] was het niet Vis'vâvasu [een Gandharva, een hemelbewoner], die, toen hij haar met haar tinkelende enkelbelletjes en een enthousiaste blik op het dak van het paleis zag spelen met een bal, verdwaasd uit zijn verheven positie [zijn 'hemelwagen'] ten val kwam met een ontregelde geest? (18) Welke man van wijsheid zou niet haar, dat sieraad van de vrouwelijkheid, verwelkomen die op eigen gelegenheid kwam [om mijn hand te vragen] als de geliefde dochter van Manu en zuster van Uttânapâda, zij die niet wordt gevonden door hen die de voeten van de godin van het fortuin gemist hebben? (19) Dit is daarom mijn voorwaarde: Ik zal het kuise meisje aanvaarden zo lang als ze nodig heeft om zwanger te raken van het van het zaad van mijn lichaam. Daarna ben ik van zins de verplichtingen van dienstverlening op me te nemen die worden nageleefd door de besten der volmaakten [de paramahamsa's], die geweldloos zijn en waarover de Heer tot mij sprak [in 3.21: 31]. (20) Het hoogste gezag voor mij is de Allerhoogste Onbegrensde, de Heer van de vaders der mensheid [de Prajâpati's] uit wie deze wonderbaarlijke schepping voortkwam, Hem in wie zij [die schepping] weer zal opgaan en bij wiens genade zij op dit moment bestaat.'

(21) Maitreya zei: 'Hij, o grote strijder, zei niet meer dan dat en werd stil met zijn gedachten gericht op Vishnu's lotusnavel. Met een mooie glimlach op zijn gelaat wist hij toen de aandacht van Devahûti te vangen. (22) Nadat Manu zich overtuigd had van het besluit genomen door de koningin moeder [S'atarûpâ] en hij ook had nagegaan hoe zijn dochter erover dacht, schonk hij buitengewoon verheugd haar weg die met evenzovele goede kwaliteiten goed aan hem [Kardama] gewaagd was. (23) S'atarûpâ, de keizerin, gaf de bruid en bruidegom liefdevol als bruidsschat waardevolle geschenken als sieraden, kleding en huishoudelijke artikelen mee. (24) De keizer bevrijd van zijn verantwoordelijkheid zijn dochter aan een geschikte persoon weg te schenken sloot haar toen in zijn armen met een overbezorgde, gekwelde geest. (25) Niet in staat afscheid van haar te nemen bleef hij maar tranen plengen en doordrenkte hij met het water van zijn ogen het haar van zijn dochter uitroepend: 'O lieve moeder, mijn liefste dochter!'

(26-27) Na toestemming gevraagd en gekregen te hebben om hem, de beste der wijzen, te verlaten, beklom de keizer met zijn echtgenote zijn strijdwagen en vertrok hij samen met zijn gevolg naar zijn hoofdstad. Onderweg genoot hij van het rustgevende uitzicht op de hermitages van de kluizenaars op allebei de bekoorlijke oevers van de rivier de Sarasvatî. (28) Op de hoogte van wie er arriveerde kwamen de bewoners van Brahmâvarta hun heer ter begroeting dolblij tegemoet met gezang, lofprijzingen en instrumentale muziek. (29-30) De stad, welke alle soorten van weelde kende, droeg de naam Barhishmatî, naar de haren van het schuddende lichaam van Heer Zwijn die daar waren neergevallen en veranderd in het eeuwig groene kus'a- en kâs'a-gras [grassen gebruikt voor zitplaatsen en matten] waarmee de wijzen de verstoorders der offers aan de door hen aanbeden Vishnu versloegen. (31) Door dat kus'a- en kâs'a-gras uit te spreiden, creëerde de hoogst fortuinlijke Manu een zitplaats in aanbidding van de Heer der Offers [Vishnu] dankzij wie hij zijn positie op aarde had verkregen. (32) De stad Barhishmatî betredend waar hij tot dan toe had geleefd, ging de machtige zijn paleis, dat de drievoudige misère [van lichaam, geest en uiterlijke natuur] versloeg, binnen. (33) Tezamen met zijn echtgenote en onderdanen genoot hij, niet gestoord door anderen, van de geneugten des levens en werd hij geprezen vanwege zijn reputatie van zedelijkheid, daar het hem in zijn hart zeer aantrok met zijn vrouwen iedere ochtend te luisteren naar de hemelse muzikanten en de verhalen over de Heer. (34) Hoewel in beslag genomen door de begoochelende eenheid der materie, was Svâyambhuva Manu als een heilige. Als sublieme toegewijde van de Heer konden zijn materiële genoegens hem niet op het verkeerde pad brengen. (35) Hij bracht zijn uren niet zinledig door. Tot aan het einde van zijn dagen bracht hij zijn leven door met het luisteren naar en zich bezinnen op en het vastleggen en bespreken van de onderwerpen van Heer Vishnu. (36) Zodoende de drie levensbestemmingen [overeenkomstig de drie geaardheden, zie B.G. hfdstk 18] overstijgend in zijn verbondenheid met de onderwerpen van Vâsudeva, duurde zijn tijdperk daardoor eenenzeventig mahâyuga's lang. (37) Hoe kan de misère met betrekking tot het lichaam en de geest, de natuurkrachten en andere mensen en levende wezens o Vidura, ooit iemand die leeft onder de hoede van de Heer, tot last zijn? (38) Hij [Manu], die altijd uit was op het welzijn van alle levende wezens, bracht, op verzoek van de wijzen, de vele soorten van plichten van de statusoriëntaties [de varna's en âs'rama's, de roepingen en leeftijdsgroepen] onder woorden, die goed zijn voor de menselijke samenleving. (39) Dit is wat ik u kon vertellen over het wonderbaarlijke karakter van Manu, de eerste keizer die alle lof verdient. Luister nu alstublieft naar hoe zijn dochter [Devahûti] zich ontwikkelde.'

 

*: Naishthhika-brahmacârî's leggen een eed af op een levenslang celibaat, upakurvâna-brahmacârî's doen dat slechts tot aan een zekere leeftijd.


Hoofdstuk 23: Devahûti's klacht

(1) Maitreya zei: 'Na het vertrek van de ouders diende de kuise vrouw die begrip had voor de verlangens van haar echtgenoot, haar man steeds met een liefde zo groot als die van Pârvatî voor S'iva, haar Heer. (2) Intiem, met een zuivere ziel, een groot respect en zinsbeheersing was ze van dienst met liefde en lieve woorden o Vidura. (3) Afziend van lust, trots, afgunst, hebzucht, zondige handelingen en ijdelheid behaagde ze haar machtige echtgenoot altijd vlijtig en met gezond verstand. (4-5) Hij, voorzeker de meest vooraanstaande van alle rishi's van God, de man van wie zij, de dochter van Manu volledig toegewijd een grotere zegen verwachtte dan van de voorzienigheid, zag dat ze zwakker werd en uitgemergeld raakte van de lang volgehouden religieuze inachtnemingen en met een van liefde stokkende stem sprak hij tot haar, overmand door mededogen. (6) Kardama zei: 'Op het ogenblik ben ik tevreden over jou o respectvolle dochter van Manu, vanwege je zeer uitnemende, allerhoogste dienstbaarheid en toewijding. Dat lichaam van je dat deze belichaming zo uitzonderlijk dierbaar is, verzorg je echter niet naar behoren; je put het uit in mijn dienst. (7) De zegeningen van de Heer die ikzelf realiseerde in mijn religieuze leven van volledig zijn opgegaan in versoberingen, meditatie en het verankeren van mijn geest in het weten, kunnen net zo goed door jou worden verworven in je toegewijde dienst aan mij. Bezie ze met behulp van de bovenzinnelijke blik die vrij is van angst en weeklagen en die ik je nu verleen. (8) Welke materiële verworvenheden zijn nu te vergelijken met deze genade van Heer Fortuin? Dat soort geneugten vinden hun vernietiging in één enkele beweging van de wenkbrauw van de Heer der Grote Stappen. Dankzij jouw gewetensvolle dienstverlening kan je nu het succes genieten van de bovenzinnelijke gaven die voor mensen die trots zijn op hun goede afkomst zo lastig te verwerven zijn.' (9) Nadat hij op deze manier had gesproken vond de vrouw die hoorde hoezeer hij uitblonk in de speciale kennis van de yoga voldoening en sprak ze met een stralend, glimlachend gezicht met een ietwat verlegen blik tot hem met een stem verstikt van nederigheid en liefde.

(10) Devahûti zei: 'O beste der brahmanen, o machtige echtgenoot, ik weet van het meesterschap van je onfeilbaarheid in de macht der yoga. Laat dan nu de belofte die je deed in vervulling gaan dat als we ons eenmaal lichamelijk verenigd hebben we dan de meerdere glorie van nageslacht mogen genieten die voor een kuise vrouw van zulk een grote waarde is. (11) Doe terwille hiervan dat wat overeenkomstig de geschriften moet worden gedaan en waarmee dit door een onvervulde passie en emoties geteisterde, uitgeteerde, arme lichaam voor je geschikt kan worden gemaakt. En o Heer, denk alsjeblieft ook aan een geschikte woning.'

(12) Maitreya zei: 'Erop uit zijn geliefde te behagen zette Kardama zijn yogavermogen in en bracht hij terstond een hoog oprijzend paleis voort naar zijn idee van wat gewenst was, o Vidura. (13) Het beantwoordde aan alle verlangens en was wonderschoon overdekt met allerlei juwelen, had alle soorten van luxe die mettertijd toenam en zuilen gehouwen uit het meest kostbare gesteente. (14-15) Het was uitgerust met een hemel aan gebruiksartikelen en was behaaglijk in alle jaargetijden, was versierd met wimpels en vlaggen en draperieën van uiteenlopende kleuren en stoffen, bekoorlijke zoete bloemen zoemend van de bijen, fijne linnen en zijden stoffen en was behangen met verschillende wandkleden. (16) In verdiepingen boven elkaar waren er afzonderlijke voorzieningen met bedden, comfortabele ligbanken en gekoelde zitplaatsen. (17) Hier en daar was verschillend kunstzinnig beeldhouwwerk tentoongesteld met de buitengewone schoonheid van een vloer met smaragden, toegerust met verhogingen van koraal. (18) De toegangen hadden drempels van koraal en deuren prachtig overdekt met diamanten. De koepels van saffier waren gekroond met gouden torentjes. (19) Op de diamanten muren was er een keur aan robijnen die ze ogen leken te geven. Er was voorzien in verschillende baldakijnen en hoogst kostbare poorten van goud. (20) De vele kunstig gemaakte zwanen en groepen duiven her en der deden de echte die dachten dat ze hun eigen soort zagen, herhaaldelijk overvliegen onder het weerklinken van hun geluiden. (21) De lusttuinen, zitkamers, slaapkamers, binnen- en buitenplaatsen ontworpen voor het comfort deden de wijze zelf versteld staan.

(22) Kardama, die ieders hart kon doorvorsen, zag dat Devahûti er niet zo mee was ingenomen een dergelijke woning voor zich te zien en richtte zich toen persoonlijk tot haar. (23) 'Neem alsjeblieft voordat je dit hoog oprijzend paleis bestijgt o jij die het angstig te moede is, een bad in het heilige meer geschapen door Heer Vishnu [Bindu-sarovara] dat ieder verlangen van de mens in vervulling doet gaan.' (24) Zij, de lotusogige met haar samengeklitte haar en vuile kleren, gaf toen gehoor aan de woorden van haar echtgenoot. (25) Met haar lichaam en borsten groezelig en overdekt door vuil, ging ze toen het meer in dat de heilige wateren van de Sarasvatîrivier bevatte. (26) In het meer zag ze een huis voor zich met een duizendtal meisjes zo geurig als lotussen in de bloei van hun jeugd. (27) Toen ze haar zagen stonden al de maagden meteen voor haar op en zeiden ze met gevouwen handen: 'We zijn uw dienstmaagden, alstublieft zeg ons wat we voor u kunnen doen.' (28) Na haar te hebben gebaad met de kostbaarste oliën, gaven de eerbiedige meisjes de deugdzame echtgenote fijne, nieuwe, smetteloze kleren. (29) Ze gaven haar ook waardevolle sieraden en zeer uitgelezen spijzen en  zoete bedwelmende dranken die al de goede kwaliteiten in zich droegen. (30)  Toen bekeek ze in een spiegel haar lichaam dat, gezuiverd van alle vuil en in schone kleren gestoken, door de uiterst eerbiedige dienstmaagden was opgesierd met een bloemenslinger en versierd met gelukbrengende tekens. (31) Ze was van top tot teen gewassen en opgesierd met een gouden halsketting met een hanger en armbanden en tinkelende enkelbelletjes gemaakt van goud. (32) Om haar heupen droeg ze een gordel gemaakt van goud ingelegd met talloze edelstenen en ook was ze gesierd met een kostbare parelketting en gelukbrengende substanties [zoals saffraan, kunkuma - hetgeen geparfumeerd rood poeder voor de borsten is -, mosterdzaadolie en sandelhoutpulp]. (33) Met haar prachtige tanden, charmante wenkbrauwen, lieflijke, vochtige ogen die de schoonheid van lotusknoppen overtrof en haar blauwzwarte, gekrulde haar straalde ze van alle kanten. (34) Toen ze aan haar dierbare echtgenoot dacht, de meest vooraanstaande onder de wijzen, trof ze zichzelf [plots] tezamen met haar dienstmaagden daar aan waar hij, de stamvader, de Prajâpati, was. (35) Die plotselinge terugkeer in de aanwezigheid van haar man met de duizend dienstmaagden eromheen deed haar versteld staan over zijn yogavermogen.

(36-37) De wijze, die haar schoongewassen zag, hem tegemoet stralend met een ziel van een schoonheid zonder weerga, omgord en met bekoorlijke borsten, bediend door duizend hemelse meisjes en uitstekend gekleed, genoot van de aanblik en leidde haar omhoog naar die verheven plaats, o vernietiger van de vijand. (38) Ook al was hij gehecht aan zijn geliefde die werd verzorgd door de hemelse meisjes, verloor hij niets van zijn glans. Samen met haar in zijn paleis straalde zijn persoon zo charmant als de maan in de hemel omringd door de sterren die reeksen van lelies doet opengaan in de nacht. (39) In dat paleis, dat hemelse voertuig [een vimâna], reikte hij tot de lusthoven van de goden in de hemel en de dalen van Indra de koning der bergen, die zo prachtig zijn met het vallende water van de Ganges en de koele briesjes die de hartstocht opwekken. Hij die net als de schatbewaarder Kuvera was omringd door maagden, genoot aldus voor een lange tijd van zijn leven terwijl zij die van de perfectie zijn, de Siddha's, het gunstige geluid lieten weerklinken van hun lofuitingen. (40) Bemind door zijn vrouw genoot hij van de tuinen van Vais'rambhaka, Surasana, Nandana, Pushpabhadraka, Caitrarathya en het Mânasa-sarovarameer. (41) Met dat luisterrijke en grootse paleis dat aan iedere wens beantwoordde, bewoog hij net als de lucht die tot overal reikt door alle werelden en overtrof hij daarmee al de hemelse paleizen, de hemelwagens, van de grootste goden. (42) Wat zou er nu te moeilijk te bereiken zijn voor hen die vastberaden zijn, voor hen die hun toevlucht genomen hebben tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid die alle gevaar overwint?

(43) Na zijn vrouw het gehele universum te hebben getoond met alles wat erbij hoort aan vele wonderen, keerde de grote yogi terug naar zijn hermitage. (44) Teneinde zijn vrouw, de dochter van Manu, seksueel te behagen verdeelde hij zich in negen gedaanten en genoot van de vele jaren met haar als in een ogenblik. (45) In het paleis liggend op een bed dat uitstekend geschikt was voor de liefde, had zij geen notie van het verstrijken van de tijd in het gezelschap van haar zeer knappe echtgenoot. (46) Aldus verstreken voor het genietende paar dat opging in hun lusten dankzij de macht van de yoga een honderdtal herfsten als betrof het een korte spanne tijds. (47) De machtige Kardama als kenner van de ziel wist van ieders verlangen. Hij beminde haar als zijn wederhelft en loosde met zijn lichaam dat hij in negenen had verdeeld zijn zaad in haar. (48) Spoedig daarna schonk Devahûti het leven aan [negen] meisjes die allen in al hun leden even bekoorlijk waren als een geurige rode lotus. (49) Toen ze zag dat haar echtgenoot op het punt stond van huis te vertrekken, hield ze zich goed met een glimlach maar was ze innerlijk ontdaan met een hart vol leed. (50) Haar tranen bedwingend schraapte ze met de stralende, juwelen nagels van haar voet over de vloer en hield ze haar hoofd naar beneden gebogen terwijl ze zich langzaam uitdrukte in bekoorlijke woorden.

(51) Devahûti zei: 'Alles wat u me beloofd hebt mijn Heer is in vervulling gegaan, maar u moet een overgegeven ziel als ik ook vrijwaren van angst. (52) Mijn beste brahmaan, het is aan je dochters om een geschikte echtgenoot te vinden. Maar wie is er om mij te troosten als je naar het woud bent vertrokken? (53) Zonder acht te slaan op de kennis van de Allerhoogste Ziel hebben we zoveel tijd verdaan mijn meester, toen we ons uitputten in het behagen van onze zintuigen. (54) Bekoord door het bevredigen van onze zinnen ging mijn liefde voor jou niet samen met het erkennen van je bovenzinnelijk bestaan. Moge die liefde me niettemin bevrijden van alle vrees. (55) Omgang met hen die druk bezig zijn hun zinnen te behagen is de oorzaak van de kringloop van geboorte en dood, terwijl dat soort van onwetend handelen in omgang met een heilige persoon tot bevrijding leidt. (56) Als men zijn werk alhier niet verricht terwille van een hoger, meer rechtschapen leven, als iemands rechtschapen leven niet leidt tot onthechting en als iemands onthechting niet leidt tot toegewijde dienst op de plaats waar de Lotusvoeten worden aanbeden, is men een zombie, iemand die dood is bij het leven. (57) Het lijdt geen twijfel dat ik [degene ben die] geheel misleid was door het uitwendig materieel vermogen van de Heer, want ondanks dat ik jou schenker van de bevrijding verwierf, heb ik er niet naar uitgezien bevrijd te raken uit de materiële gebondenheid.'


Hoofdstuk 24: De Verzaking van Kardama Muni

(1) Maitreya zei: 'De genadige wijze die aldus vanuit zijn verzaking sprak tot de prijzenswaardige dochter van Manu, antwoordde wat hij zich herinnerde dat Heer Vishnu gezegd had. (2) De wijze zei: 'Maak jezelf niet zulke verwijten prinses! O onberispelijke dame, de onfeilbare Opperheer zal zeer spoedig in je schoot verschijnen. (3) Moge God je zegenen voor het afleggen van de heilige geloften van de zinsbeteugeling, religieuze inachtneming, versoberingen en het schenken van geld in liefdadigheid, waarmee je met een vast geloof de Opperheer aanbidt. (4) Door jou aanbeden zal Hij mijn roem verbreiden. Hij als je zoon zal met het onderrichten van de kennis van Brahman [de Absolute Waarheid] de knoop in je hart doorsnijden.'

(5) Maitreya zei: 'Devahûti in haar grote respect voor de leiding die deze vader der mensheid gaf, stelde volledig vertrouwen in hem en aanbad aldus de meest aanbiddelijke persoon, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God die aanwezig is in ieders hart. (6) Na vele, vele jaren ging de Opperheer, de doder van Madhu, het zaad van Kardama binnen en verscheen Hij zoals vuur dat doet in brandhout. (7) Er weerklonken toen muziekinstrumenten vanuit de regenwolken in de hemel, de Gandharva's bezongen Hem en de Apsara's dansten in vreugdevolle extase. (8) De goden die zich door de hemel bewegen strooiden prachtige bloemen uit en alle windstreken, alle wateren en alle geesten werden gelukkig. (9) De zelfgeborene [Brahmâ] kwam toen samen met Marîci en de andere wijzen naar Kardama's plaats waar de Sarasvatî langsstroomt. (10) O doder van de vijand [Vidura], de onafhankelijke ongeborene [Brahmâ] wist dat de Opperheer, het hoogste gezag van Brahman, als een volkomen deelaspect uit zuivere goedheid was verschenen om de filosofie van de analytische yoga [Sânkhya yoga] uiteen te zetten. (11) Na met een zuiver hart [de persoonlijkheid van] Vishnu te hebben aanbeden zei de ongeborene in al zijn zinnen verheugd over Zijn optreden, het volgende tegen Kardama en Devahûti.

(12) Brahmâ zei: 'Kardama, door mijn aanwijzingen ten volle te aanvaarden o zoon, heb je mij geëerd en slaagde je erin mij te aanbidden zonder te huichelen. (13) Precies op deze manier behoort een zoon zijn vader van dienst te zijn. Met de nodige achting 'Ja dat zal ik' zeggend, moet hij de aanwijzingen van zijn geestelijk leraar [of zijn vader] opvolgen. (14) Deze volslanke, kuise dochters van je mijn beste zoon, zullen met hun kroost op verschillende manieren bijdragen tot deze schepping. (15) Schenk derhalve alsjeblieft vandaag je dochters weg aan de meest vooraanstaande wijzen in overeenstemming met het temperament en de voorkeur van de meisjes, en verspreid daarmee je roem over de hele wereld. (16) Ik weet dat de oorspronkelijke genieter, Hij die alle verlangens van de levende wezens vervuld, nederdaalde op basis van Zijn inwendig vermogen en het lichaam van Kapila Muni heeft aangenomen o wijze. (17) Met behulp van de spirituele kennis en de wetenschap van de vereniging van het bewustzijn in de yoga zal Hij die men herkent aan Zijn gouden haar, Zijn lotusogen en Zijn met de lotus gemerkte voeten, de wortels van de baatzuchtige arbeid blootleggen. (18) Devahûti, weet dat de doder van de demon Kaithabha je baarmoeder is binnengegaan en met het doorklieven van de knoop der onwetendheid en twijfel de hele wereld zal rondtrekken. (19) Deze persoonlijkheid zal de leider zijn der volmaakten, Zijn Vedische analyse zal de goedkeuring wegdragen van de leraren van het voorbeeld [de âcârya's] en Hij zal, tot je meerdere eer en glorie, in de wereld bekend staan als Kapila.'

(20) Maitreya zei: 'Toen hij het echtpaar deze verzekering had gegeven keerde Hamsa [een andere naam voor Brahmâ die vliegt met de transcendentale zwaan], de schepper van het universum, tezamen met de Kumâra's [zijn zoons] en Nârada [de spreekbuis] terug naar zijn verheven positie boven de drie werelden. (21) Na het vertrek van Brahmâ o Vidura, gaf Kardama overeenkomstig de opdracht zijn dochters aan de wijzen die toen verantwoordelijk waren voor het zich ontwikkelen van de wereldbevolking. (22-23) Kalâ gaf hij aan Marîci, Anasûyâ aan Atri, S'raddhâ gaf hij Angirâ en Havirbhû werd aan Pulastya geschonken. Gati gaf hij aan Pulaha en de deugdzame Kriyâ achtte hij geschikt voor Kratu. Bhrigu schonk hij Khyâti en Arundhatî werd weggegeven aan de wijze Vasishthha. (24) Atharvâ schonk hij aan S'ânti dankzij wie de offerrituelen worden volbracht. Aldus raakten de vooraanstaande brahmanen getrouwd met hun echtgenotes. Ze werden door Kardama ondersteund. (25) Toen ze aldus in het huwelijk waren getreden o Vidura, namen de wijzen afscheid van Kardama en gingen ze op weg naar hun hermitages. Ze vertrokken in vreugde over wat ze hadden verworven.

(26) Kardama wetende dat Hij was nedergedaald die in al de drie yuga's verschijnt [Vishnu, die in de vierde, de laatste yuga enkel verschijnt als een 'channa' - of bedekte avatâra] als de hoogste intelligentie van al de wijzen, benaderde Hem in afzondering. Hij bracht Hem zijn eerbetuigingen en sprak toen als volgt: (27) 'Ah eindelijk, na zo'n lange tijd zijn de goden van genade voor hen die zo te lijden hebben onder het verstrikt zijn in de eigen wandaden in deze wereld. (28) Na vele geboorten, proberen gerijpte yogi's volmaakt door hun verzonkenheid in de yoga Uw voeten in afzondering te aanschouwen. (29) Diezelfde Allerhoogste Persoonlijkheid, Hij die de steun en toeverlaat is van Zijn toegewijden, is heden verschenen in onze huizen, ondanks de nalatigheid van ons gewone huishouders hoog en laag. (30) Met de bedoeling Uw woorden gestand te doen bent U in mijn huis nedergedaald met het verlangen de geestelijke kennis uit te dragen van de Fortuinlijke die er is voor de meerdere eer en glorie van de toegewijden. (31) Terwijl Uw hoogsteigen gedaante niet materieel is, behaagt U hen die Uw weg volgen met onverschillig welke van de werkelijk geschikte gedaanten die U aanneemt. (32) De plaats waar men Uw voeten aantreft is altijd het respectvolle eerbetoon van iedere geleerde waard die ernaar verlangt de Absolute Waarheid te kennen.  Ik geef mezelf over aan U die vol bent van rijkdom, verzaking, roem, kennis, kracht en schoonheid [de zogenaamde zesvoudige weelde van de Heer]. (33) Ik geef me over aan U Heer Kapila die de allerhoogste, bovenzinnelijke persoonlijkheid bent, de oorsprong van de wereld, het volle bewustzijn van de tijd en de drie geaardheden der natuur, de Handhaver van Alle Werelden en de souvereine macht die op basis van Zijn eigen vermogen Zijn ontbonden manifestaties weer in zich opneemt. (34) Vandaag wil ik U het volgende vragen, o vader van alle geschapen wezens. Aangezien U me hebt bevrijd van mijn schulden en mijn verlangens hebt vervuld, verzoek ik U me te aanvaarden als iemand die het pad volgt van een rondtrekkende bedelmonnik zodat ik me vrij kan rondbewegen met U in mijn hart en mezelf verre kan houden van het weeklagen.'

(35) De Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat Ik vanuit de geschriften of direct vanuit Mezelf heb te zeggen betreft in feite het [geestelijk] gezag dat geldt voor de mensen. Ik nam zoals Ik beloofd had Mijn geboorte bij u terwille van dat gezag o wijze. (36) Deze geboorte van Mij in de wereld is er om voor hen die bevrijding zoeken uit de moeilijkheden van het materiële bestaan, uitleg te verschaffen over de waarheden [van het Sânkhya-yogasysteem] die men zo hoog acht in de zelfverwerkelijking. (37) Alstublieft, weet dat, omdat deze weg voor de ziel zo moeilijk te doorgronden is en in de loop van de tijd verloren is gegaan, Ik dit lichaam heb aangenomen om het opnieuw te introduceren. (38) Ga nu met Mijn goedkeuren heen om, zoals u dat wenst, tewerk te gaan overeenkomstig de wereldverzakende orde. Houdt u om de onoverwinnelijke dood te boven te komen, terwille van het eeuwige leven bezig met de aan Mij gewijde dienst. (39) Met uw intellect altijd gericht op Mij, de opperste, zelfvervulde ziel aanwezig in het hart van ieder levend wezen, zal u me in uw eigen hart kunnen zien en erin slagen u te bevrijden van angst en weeklagen. (40) Opdat ook Mijn moeder de vrees mag overwinnen zal Ik eveneens haar inlichten over deze kennis die leidt tot een geestelijk leven en een einde maakt aan alle vruchtdragende handelingen.'

(41) Maitreya zei: 'Aldus toegesproken door Kapila omliep de stamvader van de menselijke samenleving Hem en vertrok hij, met de vrede gevestigd in zijn hart, toen naar het woud. (42) De wijze aanvaardde de gelofte der stilte en reisde, uitsluitend zijn toevlucht zoekend in de ziel, vrij van gezelschap rond over de aarde zonder een vaste verblijfplaats te hebben of vuur te maken. (43) Hij vestigde zijn geest op het Parabrahman [de geest van het Absolute in het Voorbije, de essentie van de Opperheer], die vrij van de drie geaardheden der natuur zich manifesteert als de drie geaardheden en alleen maar in toewijding kan worden gerealiseerd. (44) Door zich niet met het lichaam te identificeren en geen belangstelling te koesteren voor de materie en de dualiteit, zag hij toen hij, allen gelijkgezind, zich inwaarts gekeerd had, met een volmaakt beheerste geest nuchter en onverstoord zichzelf als een oceaan met de golven in rust. (45) Verankerd in zichzelf met zijn bovenzinnelijke dienst aan Vâsudeva de Persoonlijkheid van God, de alwetende Superziel in iedereen, was hij bevrijd van materiële gebondenheid. (46) Hij zag de Hoogste Persoonlijkheid van God als de ziel zich bevindend in alle levende wezens en ook dat alle levende wezens hun bestaan hebben in de Opperziel. (47) Vrij van alle voorkeur en afkeer bereikte hij met een geest die iedereen gelijkgezind is, bevrijd in de verbondenheid van de toewijding voor de Allerhoogste Heer, het uiteindelijke doel van de toegewijde.'




Hoofdstuk 25: De Heerlijkheden van de Toegewijde Dienst

(1) S'rî S'aunaka zei: "Hoewel Zelf ongeboren, nam de Allerhoogste Heer persoonlijk, vanuit Zijn eigen vermogen, geboorte als Heer Kapila, de analyticus van de uiteindelijke waarheid, teneinde voor  de mensheid de bovenzinnelijke kennis te verspreiden. (2) Herhaaldelijk te vernemen over Hem, de meest vooraanstaande der yogi's en de godheid der Veda's wiens meerdere onder de mensen niet te vinden is, maakt me blij in al mijn zinnen. (3) Alstublieft, geef mij een getrouwe beschrijving van al het lofwaardige dat de Opperheer die zo vol is van de verrukking van de ziel, vanuit Zijn interne vermogen deed."

(4) Sûta zei: ''Als een vriend van Vyâsadeva sprak de vererenswaardige Maitreya die er tevreden over was dat er gevraagd werd naar de bovenzinnelijke kennis, toen als volgt tot Vidura. (5) Maitreya zei: 'Nadat de vader naar het woud vertrokken was, bleef Heer Kapila achter bij het Bindu-sarovarameer met het verlangen Zijn moeder een genoegen te doen. (6) Toen Hij [op een dag] comfortabel voor haar zat, herinnerde Devahûti zich wat Brahmâ had gezegd en richtte ze zich tot Hem. Hij, haar zoon, was in staat om haar het pad te tonen dat leidt naar het doel van de uiteindelijke werkelijkheid.

(7) Devahûti zei: 'O mijn Heer, ik ben van afschuw vervuld over de heersende onwaarheid van mijn geprikkelde zinnen waardoor ik neerstortte in de diepte der onwetendheid. (8) Tot slot van vele geboorten heb ik dankzij Jouw genade Jou nu bereikt als mijn bovenzinnelijke oog om de duisternis der onwetendheid te boven te komen die zo moeilijk te verslaan is. (9) Hij de oorsprong, de Allerhoogste Heer van alle schepselen en de Meester van het Universum is met Jou - gelijk de zon - voor het oog verrezen dat verblind was door de duisternis van de onbewuste staat. (10) Je betrok me in deze misvatting van het 'ik en mijn' [van het valse ego], wees nu zo goed mijn Heer om een einde te maken aan deze begoochelde staat. (11) In het verlangen kennis te verkrijgen over het materiële en persoonlijke aspect [prakriti en purusha], breng ik Jou mijn eerbetuigingen, Jij die de grootste bent van alle zieners van de ware natuur. Ik heb mijn toevlucht gezocht bij Jouw voeten omdat Jij de persoon bent die het waard is, Jij bent voor degenen die van Jouw afhankelijk zijn de bijl die de boom van het materieel bepaalde bestaan velt.'

(12) Maitreya zei: 'Aldus vernemend over het algemeen menselijke, onschuldige verlangen van Zijn moeder om te slagen op het pad der bevrijding, wijdde Hij met een verheugde geest en een lichte glimlach op Zijn prachtige gezicht uit over de weg der transcendentalisten. (13) De Opperheer zei: 'De yogadiscipline van het zich verhouden tot de ziel terwille van de volledige onthechting van welk plezier of leed dan ook, vormt het uiteindelijke heil voor de mensheid dat Ik goedkeur. (14) O vrome moeder, Ik zal u nu dat vertellen wat Ik voorheen heb uitgelegd aan de wijzen die graag wilden vernemen over alles wat het yogasysteem aangaat. (15) [De staat van] bewustzijn van het levende wezen wordt [verantwoordelijk] geacht voor zijn gebondenheid en bevrijding. Aangetrokken tot de drie geaardheden der natuur raakt men materieel geconditioneerd, maar hecht men aan de ziel van het universum [de Oorspronkelijke Persoon] dan is men van de bevrijding. (16) Van de onzuiverheden van de lust en het begeren en dergelijke, die resulteren uit de misvatting van het 'ik en mijn', raakt men bevrijd als de geest zuiver is in gelijkmoedigheid, zonder leed en zonder plezier. (17) Het is in die staat dat de persoon, die zuiver en ontstegen aan de materiële natuur ongebonden en onverdeeld is, zichzelf niet ziet als iemand anders maar als innerlijk verlicht. (18) Met een geest vol van geestelijke kennis, verzaking en verbondenheid in toewijding staat men onverschillig tegenover het materiële bestaan dat dan minder van invloed is. (19) Er is geen pad van yoga dat zo gunstig is voor het ontwikkelen van een volmaakte geest als het verrichten van toegewijde dienst voor de Allerhoogste Heer, de volledigheid van de Ziel. (20) Een ieder met kennis van zaken weet dat sterke gehechtheid de verstriktheid van de ziel vormt, maar dat diezelfde gehechtheid voor toegewijden de deur opent naar de bevrijding. (21) Tolerant zijnde, mededogend, alle levende wezens welgezind en zonder vijandschap jegens wie dan ook, vredig en zich houdend aan de geschriften is de sâdhu [de deugdzame mens, de heilige, een ziener] gesierd met sublieme kwaliteiten. (22) Zij die in relatie tot Mij standvastig zijn in het verrichten van hun toegewijde dienst, zien onwrikbaar te Mijnentwille er van af in begeerte te handelen en geven hun familiebanden en vriendschappen op. (23) Er verrukt over naar de verhalen over Mij te luisteren, concentreren ze zich op Mij en zingen ze [Mijn namen], zonder dat ze daarbij in hun verschillende boetedoeningen leed veroorzaken. (24) O deugdzame moeder, probeer gehecht te raken aan deze toegewijden die vrij van alle gehechtheid zijn, want zij zijn het die de schadelijke effecten van het materieel verstrikt zijn tegenwicht bieden. (25) Door met hen om te gaan die de waarheid koesteren, worden de verhalen die men cultiveerde in het bespreken van Mijn heldendom, een vreugde voor het oor en het hart en zal spoedig, als men vast overtuigd de aantrekking ervaart op het pad der bevrijding, als vanzelf de toewijding volgen. (26) Iemand die zich bevindt in toegewijde dienst zal er oprecht naar streven zijn geest onder controle te krijgen op het pad van de yoga als hij, voortdurend nadenkend over mijn beleid, in zijn bhakti een afkeer heeft ontwikkeld voor het bevredigen van zijn zinnen in relatie tot wat hij ziet [het heden] en waarover hij verneemt [de toekomst en het verleden]. (27) Als persoon niet de dienaar zijnde van de geaardheden der natuur, bereikt men middels de spirituele kennis, met de versobering ontwikkeld in de yoga op Mij geconcentreerd en Mij toegewijd, nog in dit zelfde leven de Superziel vanbinnen.'

(28) Devahûti zei: 'Wat is het juiste idee van toewijding voor Jou dat voor mij geschikt is en waardoor ik direct bevrijding aan Je voeten kan vinden? (29) Wat o belichaming van de hemel, is de aard van de yoga om de Allerhoogste voor ogen te hebben waarover Je het had en met hoeveel indelingen is men zich ermee bewust van de werkelijkheid? (30) Leg dit alsJeblieft aan mij uit wiens intelligentie maar traag van begrip is o mijn Heer, zodat ik door Jouw genade moeiteloos doorkrijg wat voor een vrouw zo moeilijk te begrijpen is.'

(31) Maitreya zei: 'Kapila begreep wat Zijn moeder wilde. Uit haar geboren leefde Hij met haar mee en beschreef Hij aldus de waarheden in geestelijke erfopvolging doorgegeven van wat men de analytische yoga noemt, een yogavorm die in feite een ontwikkeling is van mystiek inzicht in de toewijding. (32) De Fortuinlijke zei: 'Het goddelijke van het zich [middels de zintuigen en hun heersende goden] verhouden tot de kwaliteiten der materie werkt in overeenstemming met de geschriften als iemand in relatie tot het goede [de Heer] innerlijk niet verdeeld is. In feite is de toegewijde dienst vrij van verlangens voor de Allerhoogste Persoon - die de enkele beheersing [van de verloste staat] te boven gaat - iets waar men van nature toe geneigd is. (33) Zoals voedsel wordt verbrand door het vuur van de spijsvertering maakt deze dienst snel een einde aan de subtiele innerlijke roerselen van de materiële motivatie [het 'subtiele lichaam']. (34) Zuivere toegewijden die zich bezighouden met de dienst aan Mijn lotusvoeten en er naar streven om Mij te bereiken, verlangen er nooit en te nimmer naar één met Mij te zijn. Ze komen samen om met elkaar Mijn persoonlijke handelingen te loven. (35) O moeder, ze zien Mijn glimlachende gezicht en Mijn ogen zo prachtig als de ochtendzon en spreken met Mij in gunstige termen over de zegening van Mijn bovenzinnelijke gedaanten. (36) Door die gedaanten die zo bekoorlijk zijn in al hun ledematen, verheven spel en vermaak, glimlachende blikken en hun woorden, worden hun geesten en zinnen in beslag genomen waardoor in hun toewijding ongewild de verfijning wordt veilig gesteld van Mijn hemel. (37) Bijgevolg verlangen ze niet naar Mijn weelde of het achtvoudige meesterschap over de materiële illusie [de siddhi's zie 3.15: 45], noch volgen ze een verlangen naar de schittering van de Allerhoogste Goddelijkheid. Vol van geluk over Mij als de Allerhoogste genieten die toegewijden enkel hun eenvoudige levens. (38) O moeder, Mijn toegewijden zullen nimmer, door geen [verandering van de] tijd of welk vernietigingswapen ook, Mij [en Mijn weelde] verliezen die door hen werd uitverkozen als hun dierbaarste zelf, zoon, vriend, leraar, begunstiger en godheid. (39-40) Op die manier verwijlend in zowel deze wereld als in de wereld der subtiele voorstellingen, aanbidden zij die in de omgang met Mijn belichaming in deze wereld rijkdom, vee, huizen en al het overige hebben opgegeven in onwankelbare toewijding Mij, de alles-doordringende Heer der bevrijding, omdat Ik hen meevoer naar gene zijde van geboorte en dood. (41) Niets of niemand anders dan Ik, de Opperheer en oorspronkelijke heerser over de stof en de persoon, de Ziel aller zielen, kan aan de verschrikkelijke vrees [van geboorte en dood] een einde maken. (42)  Uit vrees voor Mij waait de wind en schijnt de zon, uit vrees voor Mij laat Indra het regenen en brandt het vuur, en uit vrees voor Mij waart de dood rond. (43) Verenigd in spirituele kennis en verzaking, nemen yogi's in bhakti yoga hun toevlucht tot Mijn voeten terwille van het uiteindelijke heil. (44) Mensen kunnen  in deze wereld alleen de uiteindelijke perfectie van het leven bereiken als ze standvastig hun geest concentreren in een intensieve praktijk van toewijding voor Mij.'


Hoofdstuk 26: Basisprincipes van de Materiële Natuur

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal nu voor u de verschillende categorieën van de werkelijkheid beschrijven, met de kennis waarvan een ieder bevrijding kan vinden van [het juk van] de geaardheden der materiële natuur. (2) Ik zal uitwijden over dat waarover men spreekt als de spirituele kennis [de jñâna] die de knopen [van het egoïsme] in het hart doorsnijdt en voor een persoon de uiteindelijke volmaaktheid van de zelfverwerkelijking vormt. (3) De Opperziel, de Oorspronkelijke Persoon, is zonder een begin en is, zich bevindend in het voorbije van de materie, verheven boven de geaardheden der natuur. Men kan Hem overal waarnemen als het zelfverlichte van de gehele schepping die door Hem wordt gehandhaafd. (4) Diezelfde persoon, die grootste der groten, aanvaardde geheel uit eigen beweging voor Zijn spel en vermaak de subtiele materiële energie die is bekleed met de drie geaardheden en in relatie staat tot de goddelijkheid [van Vishnu]. (5) De natuur creëerde middels de geaardheden de uiteenlopende gedaanten van de materieel levende schepselen. Daarmee geconfronteerd in deze wereld verkeerden ze meteen al in illusie omdat die [gedaanten] de overdekking vormen van hun spirituele kennis. (6) Door zich te vereenzelvigen met de werking der materie die werd teweeggebracht door de geaardheden der natuur en die wat anders is dan hijzelf, denkt het levende wezen ten onrechte dat hij zelf degene is die handelt. (7) Daardoor gebonden aan een geconditioneerd leven werd hij aldus afhankelijk, hoewel hij de van nature vreugdevolle en onafhankelijke getuige is die niets doet. (8) De kenners van de waarheid zien het zo dat het lichaam en de zintuigen waarmee je werkt onderhevig zijn aan de werking van de geaardheden van de materiële natuur en dat de geestelijke ziel die boven alle materie staat verantwoordelijk is voor het ervaren van geluk en ongeluk [zie ook B.G. 13: 21].

(9)
Devahûti zei: 'Wees zo goed me uit te leggen wat de kenmerken zijn van de energieën en de Oorspronkelijke Persoon [van prakriti en purusha] die samen de oorzaak vormen van de manifeste en niet-manifeste werkelijkheid waaruit deze schepping bestaat.'

(10) De Allerhoogste Heer zei: 'De ongedifferentieerde, eeuwige werkelijkheid die zich differentieerde als de materiële natuur [prakriti] die een combinatie van de drie geaardheden vormt, deze oorzaak van het effect [van de materiële manifestatie] wordt de primaire natuur [de oerether of pradhâna] genoemd. (11) Die primaire natuur staat bekend als de basis van waaruit de vijf grofstoffelijke en vijf subtiele elementen, de tien zinnen van waarnemen en handelen en de vier zinsafdelingen ontstonden, die samen uitkomen op een aantal van vierentwintig [zie ook elementen].  (12) De vijf grofstoffelijke elementen zijn om precies te zijn: aarde, water, vuur, lucht en ether. Van de subtiele elementen zijn er, zoals Ik het zie, een gelijk aantal. Het zijn de reuk en dergelijke [smaak, kleur, aanraking en geluid]. (13) De tien zinnen zijn de organen voor het horen, aanraken, zien, proeven en ruiken [voor de waarneming], met [voor het handelen] de mond, de handen, de benen, de geslachtsorganen en de organen voor de uitscheiding als de tiende. (14) De geest, de intelligentie, het ego en het bewustzijn zijn de vier aspecten van de interne, subtiele zin die men onderscheid als men aandacht heeft voor de verschillende kenmerken van de [hersen]functies. (15) Aldus zijn met de door Mij gegeven rangschikking de materiële kwaliteiten van de Absolute Waarheid van Brahman opgesomd  [saguna brahman genaamd]. Wat betreft de tijd wordt daarbij gesproken van het vijfentwintigste element.

(16)
Van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wordt gezegd dat Hij de invloed van de tijdfactor vormt die gevreesd wordt door sommigen die begoocheld zijn door het ego van het in contact staan met de materiële aard van het individuele bestaan. (17) De [expanderende, accellererende] beweging van de materiële natuur zonder haar interactie van de geaardheden en hun specifieke kwaliteiten o dochter van Manu, vormt de [ruimte]tijd [de vierde dimensie] waarvan we in onze wereld Hem kennen, de Opperheer. (18) Hij die er vanbinnen is in de vorm van de oorspronkelijke persoon [de purusha] en vanbuiten in de vorm van de tijd [het vijfentwintigste element],  existeert op basis van [de manifestatie] van Zijn vermogens als de Heer van Alle Volheden [Bhagavân, de Fortuinlijke] voor alle levende wezens [en elementen]. (19) Zij [de materiële natuur] van wie het evenwicht der geaardheden werd verstoord door de  genade, de goddelijke beschikking, van de Hoogste Persoon die haar schoot bezwangerde met Zijn semen, Zijn inwendig vermogen, brengt het geheel van de kosmische intelligentie voort [de mahat-tattva] van Brahmâ's stralende gouden werkelijkheid [die bekend staat als hiranmaya]. (20) Het universum dat deze onveranderlijke grondoorzaak van de kosmische manifestatie in zich draagt, slokte door zijn eigen uitstraling de hechte duisternis op van het Zelf in zijn voorwereldlijke sluimertoestand. (21) De geaardheid goedheid, welke de heldere en nuchtere positie vormt om de Allerhoogste Heer te begrijpen, staat bekend onder de naam Vâsudeva; het is het bewustzijn dat de aard van het intellect vormt [zie ook S.B. 1.2: 23]. (22) De kenmerkende eigenschappen van iemands [rede in deze staat van Krishna- of natuurlijk tijds-]bewustzijn zijn als die van de natuurlijke staat van zuiver water: helderheid, onveranderlijkheid en sereniteit. 

(23-24) 
Uit de volledige werkelijkheid [de mahat-tattva] die de veranderingen ondergaat die worden veroorzaakt door de Allerhoogste Heer Zijn energieën, ontsprongen de in vijf verdeelde elementen, het materiële ego [of ik-besef] en de daaruit voortspruitende geest in combinatie met de verschillende zinnen van handelen en waarnemen. Bewogen door dat actieve vermogen van de Heer manifesteerde het ego zich in de drie soorten van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid. (25) Dat alles van het ego bestaande uit de elementen, de zinnen en de geest vormt de persoon van de Hoogste Persoonlijkheid van Ananta met Zijn duizenden hoofden [Vishnu's slangenbed] die bekend staat onder de naam Sankarshana [de Heer Zijn eerste volkomen expansie]. (26) Het valse ego, het ik geïdentificeerd met de materie, kan aldus [overeenkomstig de drie guna's] worden gekenschetst als zowel degene die handelt, het instrument waarmee gehandeld wordt [het lichaam] als het effect van de handelingen [of dat wat er tot stand gebracht werd]. Ook kan men in dat verband spreken van het ego als zijnde sereen, actief of traag. (27) Met de transformatie [van het ego in drie valse vormen] ontwikkelde zich [in goedheid] uit de emoties ervan het principe van de geest waarvan de gedachten en bespiegelingen aanleiding geven tot verlangens. (28) De naam van dat principe is Aniruddha, Hij [de persoonlijke expansie van de geest van Vâsudeva] die bekend staat als de heerser over de zinnen. Hij is zo blauw als een lotus in de herfst en wordt alleen geleidelijk aan gerealiseerd door de yogi's. (29) Vanuit de schittering van het licht van de transformatie deed zich het principe van de intelligentie [de expansie van de Heer genaamd Pradyumna] voor, o deugdzame dame, om ondersteuning te verlenen aan het zintuiglijk constateren van de voorwerpen die er waar te nemen zijn [zie ook S.B. 1.5: 37]. (30) Twijfel, misverstaan, het juiste begrip, geheugen en slaap beschouwt men aldus als de verschillende kenmerken van de functies der intelligentie.

(31) 
Van de krachtwerking van het ego zijn er de zinnen om te komen tot handelen en om kennis te verwerven overeenkomstig de werkzame krachten van respectievelijk de vitale energie en de intelligentie. (32) Ertoe aangezet door het vermogen van de Allerhoogste Heer manifesteerde zich vanuit de onwetendheid van het ego in transformatie het subtiele element van het geluid. Daarop ontwikkelde zich vanuit de ether de gehoorzin om de geluiden op te vangen. (33) Geleerde personen definiëren geluid als dat wat een materieel object aanduidt, als dat wat de aanwezigheid van een spreker verraadt [die herinnerd niet noodzakelijk nog langer aanwezig is] en als dat wat kenmerkend is voor het subtiele element van de ruimte. (34) Wat betreft zijn werking en kenmerken wordt de ether beschreven als het element dat intern en extern ruimte biedt aan de levende wezens en als het handelingsgebied van de levensadem [prana], de zinnen en de geest. (35) Vanuit de ether zich ontwikkelend uit de subtiliteit van het geluid, vindt onder de transformerende impuls van de tijd de evolutie van het subtiele element der aanraking plaats en treft men aldus de lucht aan, het zinsorgaan ervoor en met die tastzin de feitelijke waarneming. (36) Zachtheid en hardheid, alsmede koude en hitte zijn van dit subtiele element der aanraking de onderscheiden kenmerken in het zinnelijk ervaren van de lucht. (37) Door deze verschillende kenmerken van de werking van de lucht die beweegt en zich vermengt, dingen naar elkaar toe brengt en [stof]deeltjes en golven van geluid meevoert, worden de overige zinnen tot het juiste functioneren aangezet. (38) Bij lotsbeschikking evolueerde vanuit het element van de lucht en het subtiele element der aanraking de gedaante [die men heeft] waarin zich met het vuur het gezichtsvermogen ontwikkelde om kleur en vorm waar te nemen.

(39)
O deugdzame, de kenmerken van het vormelement zijn de afmeting, de kwaliteit en de individualiteit van een voorwerp. Voor vuur is dit de straling. (40) De functies van het vuur bestaan eruit te verlichten, te verteren, te verdampen, de kou te verdrijven, honger en dorst op te wekken en te zorgen voor eten en drinken. (41) Van de waargenomen vorm die door hogerhand beschikt transformeert onder invloed van het vuur manifesteerde zich het smaakelement waarvan er met het water de tong verscheen die de smaak waarneemt. (42) Hoewel de smaak één is, raakt ze door al de verschillende substanties verdeeld in de gewaarwording van het wrange, zoete, bittere, scherpe [zoute] en zure. (43) Het typische van water is dat het bevochtigt, coaguleert, de dorst lest, het leven in stand houdt, verfrist, zacht maakt, verkoelt en in overvloed beschikbaar is. (44) Door de transformaties die het element van de smaak door het water onderging, manifesteerde zich zoals beschikt bij het vinden van de aarde de maat der geur terwille van het ruiken van aroma's. (45) De eenheid van de geur is, afhankelijk van de verhoudingen der substanties, verdeeld in de realisaties van het vermengd, pregnant, welriekend, mild, sterk en zurig zijn en zo meer. (46) De kenmerkende functie van de aarde is dat ze gemodelleerd wordt in vormen van het Allerhoogste Brahman met verblijfplaatsen, opbergpotten etc. die de plaats vormen voor de aanwezigheid van alles wat afgescheiden in de ruimte kan bestaan. (47) De zintuiglijke functie die het individuele kenmerk van de lucht [het geluid] als haar object heeft wordt de gehoorzin genoemd en de zin welke de verschillende kenmerken van de lucht [de aanraking] als haar object heeft staat bekend als de tastzin. (48) De zintuiglijke functie die dat wat zich aftekend van het vuur [ofwel de vorm] als haar object heeft wordt het gezichtsvermogen genoemd, de specifieke waarneming van de kenmerken van water staat bekend als de smaakzin en de waarneming van het bijzondere van de aarde wordt de reukzin genoemd.

(49) 
In de kenmerken van het gevolg van iets kan men de kenmerken van de oorzaak herkennen. Bijgevolg kan men in enkel het aarde-element [als het laatst geschapen element] de eigenaardigheden van al de voorgaande elementen terugvinden. (50) Toen [bij de aanvang van de schepping] de zeven primaire elementen [de vijf materiële elementen, het ego en de kosmische intelligentie - de mahat-tattva] zich nog niet hadden vermengd, ging [de Heer] de oorsprong van de schepping toegerust met kâla, karma en guna [de tijd, de werklast en de geaardheden] het universum binnen. (51) Toen werden door Hem [als de Tijd] deze zeven principes tot activiteit aangezet en in een eivorm verenigd die in een onbewuste staat verkeerde. Uit dat ei manifesteerde zich het gevierde Kosmische Wezen [of de oorspronkelijke 'gigantische' persoon, de virâth purusha]. (52) Dit ei noemt men vis'esha ['de gedifferentieerde werkelijkheid']. Het is de uitwendige gedaante van Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid, die zich uitstrekt als het geheel der leefwerelden [zie S.B. 2.1: 24-37] die bestaan uit opeenvolgende lagen van water en de overige elementen, ieder tien keer zo dik als de vorige. Van buiten zijn ze omhuld door pradhâna, de ongedifferentieerde staat der materie [de oerether]. (53) Uit het gouden [zonlicht van het] universele ei verrees, vanuit de wateren die Hij doordrong en waarin Hij lag, de grootsheid van God [Mahâdeva] verdeeld in vele cellen [kham, etherische openingen van lichtbeheersing]. (54) Het eerste dat van Hem verscheen was een mond gevolgd door het spraakorgaan. Daarmee verscheen tevens de goddelijkheid van het vuur [Vahni, de goddelijkheid die over het vuur van de spijsvertering heerst] met daaropvolgend de neusvleugels met de bij hen horende reukzin en de levensadem [prâna]. (55) Uit de reukzin manifesteerde zich de goddelijkheid van de lucht [Vâyu]. Toen manifesteerde zich vanuit het gezichtsvermogen van de twee ogen de goddelijkheid van de zon [Sûrya] en kwam [daarop] uit de gehoorzin van de twee oren de goddelijkheid heersend over de windrichtingen voort. (56) Toen verscheen de huid van de universele gedaante met zijn haargroei en dergelijke, waarna de geneeskrachtige kruiden verschenen met daarna de geslachtsorganen. (57) Van hen was er semen en manifesteerde zich de goddelijkheid der wateren. Ook manifesteerde zich een anus en was er van die anus het vermogen zich te ontlasten. Daarna verscheen de [god van de] dood die de hele wereld in vrees doet leven. (58) Ook manifesteerden zich twee handen samen met het vermogen dat ze hebben en verscheen daarna Heer Indra ten tonele [de onafhankelijkheid]. Vanuit de manifestatie van de twee benen manifesteerde zich de voorwaartse beweging en verscheen vervolgens de Heer [Heer Vishnu die over hen heerst]. (59-60) De aderen van het universele lichaam vertoonden zich samen met het erbij geproduceerde bloed. Daarmee verschenen de rivieren en manifesteerde zich een maag waarmee zich honger en dorst voordoet. Na hen verschenen de oceaan en het hart van de universele gedaante. Uit het hart manifesteerde zich toen het denken. (61) Vanuit het denken kwam toen de maan [Candra] in zicht en daaruit manifesteerde zich de intelligentie. Vanuit die intelligentie verscheen de Heer van de spraak [Brahmâ]. Het zich in vals ego identificeren met de materie leidde toen tot de verschijning van Rudra [S'iva], de rede en de goddelijkheid die over de rede heerst.

(62)
Al deze vormen van goddelijkheid die hun bestaan vonden waren geenszins in staat de Oorspronkelijke Persoon in het leven te roepen en om die reden gingen ze de een na de ander weer terug naar de bron van hun bestaan om Hem op te wekken. (63) De god van het vuur der spijsvertering ging de mond weer binnen, maar mislukte erin Hem op te wekken. De god van de wind ging weer terug naar de reukzin van de neusgaten, maar kon de Oorspronkelijke Persoon toen niet naar voren roepen. (64) Het goddelijke licht voor Zijn twee ogen kon de Authentieke Persoon niet teweegbrengen en met het goddelijke zich oriënteren middels de hoorzin op Zijn twee oren werd het Grote van de Persoon evenmin tot leven gewekt. (65) Het goddelijke van de huid kon met zijn begroeiing en zegen aan kruiden de Gevierde Persoon niet naar boven halen en de goddelijkheid van het water kon met de voortplanting via de geslachtsorganen de Grote Persoon ook niet in beweging krijgen. (66) Met het vermogen zich te ontlasten kon de god van de dood bij Zijn anus de Kosmische Ene niet in gang krijgen en zelfs de twee handen van Heer Indra met hun macht van beheersen konden de manier niet vinden om de Meester van de Macht toen tot leven te wekken. (67) Vishnu met de macht der vooruitgang was met het binnengaan van Zijn twee voeten niet in staat de Grootheid van het Geheel tot actie te bewegen en ook was de goddelijke stroom der rivieren naar Zijn bloedvaten terugkerend met het bloed en de macht van de circulatie toen niet in staat de Oorspronkelijke Persoon in beweging te krijgen. (68) De oceaan die samen met de honger en de dorst volgde kon naar Zijn buik bewegend de Grote Persoon niet in gang zetten en het hart met de geest overeenkomstig de goddelijkheid van de maan mislukte er toen ook in de Enige Ware Gigantische Persoon op te wekken. (69) Ook Brahmâ ging Zijn hart binnen met intelligentie, maar wekte de Gevierde Persoon niet op, zoals ook Heer S'iva er niet toe in staat bleek het volledige van de Purusha op te wekken met het sturen van het ego naar Zijn hart. (70) Maar, toen de goddelijkheid die met de rede heerst over het bewustzijn het hart binnenging als de kenner van het veld, rees op dat moment het Kosmisch Wezen op uit de causale wateren. (71) Het is als met een slapende man waarvan de levensadem, de handelende en kennende zinnen, het denken en het begrijpen uit eigen beweging hem niet in beweging kunnen brengen zonder dat Hij er is. (72) Daarom behoort iemand die aan yoga doet met behulp van geestelijke kennis, onthechting en toewijding, gewetensvol de gedachte aan Hem als de Superziel die in het hart aanwezig is, in overweging te nemen.'



Hoofdstuk 27: Bevrijding uit de Valsheid

(1) De Allerhoogste Heer [Kapila] zei: 'Hoewel het levend wezen zich ophoudt in een materieel lichaam, staat het niet onder de invloed van de materiële geaardheden der natuur als het geen eigendom claimt en aldus niet onderhevig is aan verandering, net zoals de zon niet beïnvloed wordt door zijn weerspiegeling in water. (2) Maar als ditzelfde levende wezen zich verliest in vals ego en aldus beheerst wordt door de geaardheden der materiële natuur, is de individuele ziel begoocheld en denkt hij: 'Ik ben degene die handelt.' (3) Vanwege de verkeerde handelingen die voortvloeien uit een dergelijk omgaan met de materiële natuur, ondergaat hij aldus in onvrede verkerend hulpeloos het zich herhalen van geboorte en dood met het ter wereld komen uit verschillende baarmoeders [of levensvormen] afhankelijk van het feit of hij een goed of een slecht leven leidde of een combinatie van dezen. (4) Als was hij in een nachtmerrie beland waarin wat zich afspeelt niet werkelijk bestaat, komt er voor het levende wezen dat zich [enkel] bezint op wat zich voordoet aan zijn zinnen geen einde aan het geconditioneerde bestaan [van illusie]. (5) Daarom moet geleidelijk aan de geest, die hecht aan materiële genoegens consequent zonder gehechtheid op het pad van de bhakti yoga, onder controle worden gebracht. (6) Beoefen beginnende met yama [de grote gelofte van de yoga van geweldloosheid, waarheid, niet-stelen, celibaat en een afwezigheid van bezitsdrang in de praktijk der onthechting], de verschillende vormen van yoga en ontwikkel, vervuld van geloof, door naar Mijn verhalen te luisteren zuivere toewijding voor Mij. (7) Wees daarin vrij van vijandigheid en bezie alle levende wezens gelijkelijk, onderhoudt geen intieme betrekkingen en wees celibatair *, wees stil en draag de resultaten van uw handelen op. (8) Wees tevreden met wat er ook uit zich zelf op u afkomt, eet weinig, leef bedachtzaam in afzondering en wees vreedzaam, aardig, meedogend en zelfgerealiseerd. (9) Volg in relatie tot anderen en uw eigen lichaam niet zozeer het lichamelijk begrip van het leven, maar let vanuit de spirituele kennis meer op de feitelijke waarheid van de materie en de persoon [tezamen]. (10) Overstijg de stadia van bewustzijn [van het slapen, dromen en de diepe slaap] en hou u verre van andere levensopvattingen. Aanschouw aldus met een gezuiverd intellect uw ware zelf vanbinnen, de ziel van uw realisatie, zoals u de zon voor ogen hebt [vanbuiten].  (11) Kom tot de realisatie van de transcendentale Ondersteuning van de Oorzaak der Materie [de Opperziel] die zich toont als een reflectie in het onware, als een oog voor het illusoire van de materie dat alles doordrong als de Ene zonder weerga. (12) Het is als met de zon die aan de hemel staand boven water wordt gezien als een weerspiegeling op dat water of op een muur. (13) Aldus wordt de waarheid van het zelf onthuld door zijn weerspiegelingen in de drievoudigheid van het materieel geïdentificeerde ego dat bestaat uit het lichaam, de zinnen en de geest. (14) Iemand die zich in deze materiële wereld valselijk verenigt met de elementen der materie, de objecten van het materieel genoegen, de materiële zinnen, de geest, de intelligentie enzovoorts, bevindt zich in een slaaptoestand, maar ontwaakt [in de toewijding van de yoga] is hij bevrijd van het valse ego. (15) Hoewel men niet verloren is, denkt men [als men ontwaakt] ten onrechte [aanvankelijk] dat men verloren is, omdat men, net als iemand die van streek is omdat hij zijn rijkdom kwijt is, zich als de stille getuige bewust is van de teloorgang van zijn valse ego. (16) Tot begrip hiervan komend realiseert zo'n persoon, bekend met de situatie die hij aanvaardde onder het valse ego, zich de genade van de oorspronkelijke positie van zijn ware zelf, zijn oorspronkelijke individualiteit [svarûpa].'

(17) Devahûti zei: 'Beste brahmaan, is het niet zo dat de materiële natuur nooit de ziel los zal laten daar de twee voor altijd tot elkaar zijn veroordeeld o Allerbeste? (18) Zoals het aroma en de aarde of het water en de smaak niet onafhankelijk van elkaar kunnen bestaan, is het ook met de intelligentie en het bewustzijn. (19) Hoe kan zo de ziel dan vrij zijn van de materiële natuur? De ziel die zelf inactief is, is met die geaardheden immers gebonden aan het karma dat er mee geassocieerd is. (20) De grote angst die men soms kan vermijden door zich te bezinnen op de grondbeginselen, treedt [telkens] weer opnieuw naar voren, aangezien de oorzaak [de guna's] niet ophield te bestaan.'

(21) De Opperheer zei: '[Men zal zich de vrijheid realiseren,] als men met een zuivere geest ernst met Mij maakt en met het trouw luisteren naar Mijn verhalen in toegewijde dienst zijn plichten weet te doen zonder te verlangen naar de vruchten ervan. (22) Met behulp van de spirituele kennis raakt men, met de visie van de Absolute Waarheid door de yoga sterk verbonden in de boetedoening, onthecht en stevig verankerd in het verzonken zijn in de ziel. (23) Gebonden aan de materiële natuur wordt een levend wezen dag na dag opgebrand. Het verdwijnt geleidelijk aan zoals brandhout dat in brand staat. (24) Met het opgeven van het genoegen dat hij smaakte [in de materie], omdat hij het verkeerde inziet van steeds te willen genieten en van die afhankelijkheid de schade te ondervinden, staat hij sterk in zijn eigen heerlijkheid. (25) Zoals het gaat met iemand die slaapt en een droom heeft die vele kwade dingen met zich meebrengt, kan diezelfde droom hem als hij weer wakker is geenszins imponeren. (26) Zo ook kent iemand, die zich altijd verheugt in de ziel en zijn geest richt op Mij, de Absolute Waarheid en heeft aldus van de materiële natuur niets te vrezen. (27) Als een wijs iemand aldus voor vele jaren en vele geboorten bezig is met zelfverwerkelijking, zal hij een afkeer ontwikkelen voor alles, tot aan de hoogste geestelijke positie [van Satyaloka] toe. (28-29) Iemand die Mij toegewijd is en die onder Mijn hoede terwille van het ontwaken van zijn intelligentie, bij Mijn onbegrensde genade gaat voor het uiteindelijke doel van zijn bestaan van wat bekend staat als kaivalya [verlichting, emancipatie, zaligheid], zal in dit leven een stabiel zelfbewustzijn bereiken en vrij zijn van twijfels. De yogi die vertok naar dat hemelverblijf zal, na zowel het subtiele als het grofstoffelijke lichaam achter zich gelaten te hebben, nimmer weer terugkeren. (30) Als de aandacht van de vervolmaakte yogi verder niet uitgaat naar de speciale verworvenheden van de yoga Mijn beste moeder, dan zal, als hij geen ander doel voor ogen heeft, zijn vorderen in Mijn richting nooit onderbroken worden, omdat hij daarin niet de macht van de dood zal aantreffen.'

*: Swami A.C. Bhaktivedanta Prabhupâda zegt in zijn commentaar hier dat intimiteit betrekking heeft op intimiteit met niet-toegewijden en dat celibaat niet een bescheiden seksueel leven uitsluit: 'Aprasangatah means “not to be in intimate touch with everyone.” A devotee is concerned with his execution of devotional service, and he should therefore mix with devotees only, in order to advance his objective... A devotee should observe the vow of celibacy. Celibacy does not necessitate that one be absolutely free from sex life; satisfaction with one’s wife is permitted also under the vow of celibacy.'


Hoofdstuk 28: Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'O dochter van de koning, Ik zal nu de kenmerken van het yogasysteem beschrijven dat met het volgen van de regulerende beginselen het inperken van de geest beoogt om zo vervuld van vreugde succesvol te zijn op het pad van de Absolute Waarheid. (2) Men behoort zo goed mogelijk zijn plicht te doen en dat wat die plichtsbetrachting in de weg staat te vermijden. Men moet genoegen nemen met wat de Heer hem doet toekomen en de voeten van een zelfgerealiseerde ziel [de geestelijk leraar] vereren. (3) Men moet een einde maken aan conventionele religieuze praktijken en zich aangetrokken voelen tot die religieuze praktijken die leiden tot bevrijding. Met het eten van weinig en zuiver [vegetarisch] voedsel, moet men steeds in afzondering leven en aldus in vrede verkeren. (4) Geweldloos, waarheidlievend, zonder valse toeëigening en slechts in bezit van zoveel als men nodig heeft, moet men celibatair, boetvaardig en rein met het bestuderen van de Veda's respect oefenen voor de verschijning van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (5) Stilte in acht nemend en stabiliteit bereikend in de beheersing van yogahoudingen en de ademhaling, moet men zich geleidelijk aan terugtrekken van de voorwerpen van de zintuigen en de geest op het hart richten. (6) Of door de geest en prâna te fixeren op één van de [zes] cakra's [of energieknopen *] of door eenpuntig geconcentreerd te zijn op het spel en vermaak van [de Heer van] Vaikunthha, raakt men in zichzelf verzonken [of in samâdhi]. (7) Met deze en andere [yoga]methoden intelligent tewerkgaand en de adem beheersend dient men de geest die besmet raakt door materiële genoegens geleidelijk aan te onderwerpen. (8) Dit moet men na het beoefenen van de yogahoudingen doen als men plaats heeft genomen op een gewijde plek waar men het lichaam rechtop houdt, zittend in een gemakkelijke houding. (9) Om ervoor te zorgen dat het denken stabiel wordt en niet afgeleid raakt, moet men de doorstroming van de levensadem of de prâna mogelijk maken door in te ademen, de adem vast te houden en weer uit te ademen -  of het omgekeerde te doen. (10) De geest van de yogi is in een dergelijke zelfbeheersing snel vrij van verstoringen, precies zoals goud in het vuur geplaatst en met lucht aangewakkerd snel bevrijd raakt van onzuiverheden. (11) Middels adembeheersing [prânâyâma] verdrijft men onzuiverheden, door zich naar binnen te keren [pratyâhâra] neemt het materieel gemotiveerde denken af, door het denken te concentreren [dhâranâ] komt men de zonde te boven en door meditatie [dhyâna] rijst men uit boven de macht van de geaardheden der natuur. 

(12) Als de geest door de yogapraktijk gezuiverd is en beheerst wordt, behoort men kijkend naar het puntje van zijn neus te mediteren op de Allerhoogste Heer Zijn gedaante en tijdmaat [kâshthhâ, een mechanische of een waterklok gefixeerd op het hoogste punt van de zon met de verdeling van de tijd overeenkomstig het Bhâgavatam]. (13) Met Zijn knots, schelphoorn en werpschijf in Zijn handen, Zijn roodachtige ogen die eruitzien als de binnenkant van een lotus en de donkere huidskleur gelijk aan die van de bloembladen van een blauwe lotus, heeft Hij een opgewekte, lotusgelijke gelaatsuitdrukking. (14)