|
Tekst
1
Na de geboorte van zijn Zoon
Nodigde Nanda, rein en wel
En fraai gekleed, de priesters uit,
Door vadervreugde overstelpt.
Tekst
2
Met menig klinkend smeekgebed
Volgden ze 't oude ritueel
Van de geboorte: zowel god
Als voorvader ontving zijn deel.
Tekst
3
De priesters schonk hij koeien toen,
Tweehonderdduizend, rijk getooid,
En zeven bergen sesamzaad
Met goud en edelsteen bestrooid.
Het
wegschenken van zo veel koeien door
één mens is bijna even
onwaarschijnlijk als het bezitten van zo veel
vee. Nanda's onvoorstelbare rijkdom is te danken
aan de omstandigheid dat in de persoonlijke
aanwezigheid van God alles mogelijk is.
Tekst
4
Het stoff'lijke wordt rein door tijd,
Door bad en wassing, rite en tucht,
Door offergaven en door vreugd' -
De ziel echter door zelfinzicht.
Door
tijd: bijvoorbeeld de aarde; door bad: het
lichaam; door wassing: vaatwerk, kleding; door
tucht: de zinnen; door offergaven: het
wereldsgezinde hart; door vreugde: de geest. De
ziel wòrdt niet rein maar ìs rein,
hetgeen echter moet worden beseft door
zelfinzicht, dat men verkrijgt door meditatie op
Brahman - de lagere weg - of door overgave aan
de Hoogste Godspersoon - de hoogste weg.
Tekst
5
Vertellers spraken zegenrijk
Van goden, vorsten, wat al niet,
Terwijl bij zang en tegenzang
De trom zich duchtig horen liet.
Tekst
6
Heel Vraja was brandschoon en rein:
Poort, erf en binnenhuis versierd
Met bloemenslingers, mangoblad
En wimpels, werd er feest gevierd.
Tekst
7
Koe, stier en kalf werden bewerkt
Met olie, geelwortel en krijt,
Getooid met bloem en pauweveer,
Een goudsnoer om hun hals gevlijd.
Tekst
8
Een tulband glanzend op het hoofd,
In kostelijke feestkledij,
Liepen de koeherders te hoop,
Hun armen vol met allerlei.
Tekst
9
De herdersvrouwen, blij omdat
Yashodâ 'n Zoontje had gebaard,
Dosten zich allerheerlijkst uit
Met sieraden en ogenzwart.
Tekst
10
Hun lotusschoon gezicht verlucht
Met kunkumpoeder en saffraan,
Hun borsten deinend van de haast,
Droegen ook zij geschenken aan.
Tekst
11
Terwijl ze draafden met hun oorbellen en hun
sari's,
Naar Nanda's huis, viel uit hun haren een
bloesemregen:
Hoe heerlijk mooi waren de gopi's zoals men
dansend
Hun ronde borsten en hun sieraden zag bewegen.
Tekst
12
"Bescherm Hem lang!" baden ze God,
Besprenkelden het kleine Kind
En zongen liederen tot eer
Van Hem die geen geboorte kent.
De
vrouwen bidden God om bescherming van Krishna,
niet wetend dat Vishnu, tot wie ze zich richten,
identiek aan Hem is. Deze onwetendheid van de
liefderijke gopi's ademt een komische
gelukzaligheid.
Tekst
13
Op 't grote feest in Nanda's huis
Klonk trommelslag en hoorngeschal
Ter ere van d' Oneindige,
Krishna, de Heer van het heelal.
Tekst
14
Water en wrongel vlogen rond:
De herders smeten blij van zin
Elkaar met yoghurt naar het hoofd,
Smeerden elkaar met boter in.
Tekst 15
In zijn grootmoedigheid gaf Nand'
Aan zangers, dansers, iedereen
Die 't van zijn kunsten hebben moest
Sieraden, kleren, koeien mee.
Tekst
16
Zo eerde hij hen allemaal
Met velerlei gepast genot
Terwille van zijn eigen Zoon,
Tot vreugde van Heer Vishnu, God.
Evenals
de vrouwen weet Nanda niet dat zijn Zoon en de
Heer identiek zijn.
Tekst
17
De zegenrijke Rohini,
Door Nanda en zijn vrouw geëerd,
Ging vlijtig rond, goddelijk schoon,
Met krans en halsjuweel gesierd.
Tekst
18
Sindsdien was Nanda's Vraja vol
Van weelde, rijkdom en gewin:
Het was doordat Hari er woond'
Het speeloord der geluksgodin.
De
geluksgodin, Sri of Lakshmi, is de Gemalin van
Vishnu.
Tekst
19
Na 'n wacht te hebben aangesteld
Trok Nanda naar Mathurâ toen,
O beste van het Kuru-huis,
Om Kamsa 't jaargeld te voldoen.
Tekst
20
Horend dat Nand', zijn goede vriend,
Was aangekomen in de stad
En zijn belasting had betaald
Ging Vasudev' naar hem op pad.
Tekst
21
Toen Nanda 'm eensklaps voor zich zag
Was zijn verheugenis zo groot
Dat hij zijn boezemvriend van liefd'
Onstuimig in zijn armen sloot.
Tekst
22
Volop verwelkomd en geëerd
En ondervraagd hoe 't met hem ging
Vroeg Vasudeva naar zijn Zoons,
Want hij dacht aan geen ander ding.
Niet
alleen Krishna is Vasudeva's Zoon; ook Krishna's
eerste Godsexpansie Balarâma, geboren uit
Rohini, die uit veiligheidsoverwegingen bij
Nanda woont, is zijn Zoon.
Vasudeva
zei:
Tekst
23
Wat een geluk, broeder, dat jij,
Steeds kinderloos, nu j' ouder bent,
Terwijl je haast geen hoop meer had
Toch met een Jongen bent verwend.
Tekst
24
Wat treffen we 't hier in samsâr' -
Alsof w' opnieuw geboren zijn -
Zo oog in oog! Het lukt niet vaak
Zijn dierbaren weer eens te zien!
Tekst
25
Vrienden wier werk verschillend is
Blijven daardoor niet steeds bijeen:
Zo stuwt de stroom van de rivier
Ook 't hechtste drijfhout ver uiteen.
Tekst
26
Dat grote bos waar je nu zit
Temidden van je vriendenschaar -
Is 't veilig en gezond voor 't vee?
Heb je goed groen en water daar?
Tekst
27
Hoe gaat het, broeder, met mijn Zoon,
Door jullie allebei bemind,
Daar met Zijn moeder in jouw huis,
Denkend dat jij Zijn vader bent?
Nanda
weet niet dat Krishna Vasudeva's Zoon is. Door
naar het welzijn van de Jongen te vragen van wie
Nanda wèl weet dat Hij Vasudeva's Zoon
is, namelijk Balarâma, vraagt Vasudeva
indirect ook naar het welzijn van
Krishna.
Tekst
28
't Drievoudig doel dient nagestreefd
Als men het vrolijk samen doet,
Maar leeft men eenzaam in verdriet
Dan doet die inspanning geen goed.
Het
drievoudig doel bestaat uit ritualisme (dharma)
terwille van de gunst der goden, welstand
(artha) dankzij deze gunst en zingenot
(kâma) dankzij deze welstand.
Nanda zei:
Tekst
29
Ach, Kamsa doodde zo veel zoons
Die Devaki je had gebaard
En d' ene dochter, 't jongste kind,
Ging dadelijk al hemelwaarts.
Tekst
30
Ja, d' Ongeziene leidt elkeen:
Hij woont in 't diepste van elk hart,
Maar tegelijk is geen zo hoog
Wie dat beseft raakt niet verward.
Vasudeva zei:
Tekst
31
Je hebt de vorst zijn geld betaald,
Hier blijven dient geen enkel doel,
J' hebt mij gezien, ga gauw naar huis,
Want ik speur onraad in Gokul'.
Shukadeva zei:
Tekst
32
Op Vasudeva's goede raad
Bestegen Nanda's herders vlug
Met zijn verlof hun ossenkar
En reden naar Gokula t'rug.
(bron: S.B. 10.5)
|