|
Tekst
1
Toen kwam het hoogst gezegend uur:
Elk' invloed werkte willig mee
Bij 't rijzend teken Rohini -
De sterren kenden pais en vree.
Rohini
is Aldebaran in Taurus of Stier, het teken van
vrede en genieten in de natuur. Het zijn
overigens niet de sterren die Krishna's
levensloop bepalen: het is Krishna die de
sterrenloop bepaalt.
Tekst
2
De regenwolken dreven weg,
De hemel flonkerde van licht,
Weiland en delfgrond, dorp en stad
Boden een feestelijk gezicht.
Tekst
3
Rivieren stroomden helder klaar,
Vol lotussen was ieder meer,
In 't bloeiend woud bad elke bij
En vogel zingend tot de Heer.
Tekst
4
Een rein en strelend koeltje droeg
De geur van bloesems in het rond
Terwijl het heilig offervuur
Zijn vlam kalm in de hoogte zond.
Tekst
5
De angst van elk rechtvaardig mens
Voor Kamsa's tirannie vlood heen
En trommen bonkten in het zwerk
Nu d' Ongeborene verscheen.
Tekst
6
De hemelingen zongen luid
Of zonken biddend diep in trance,
Godinnen en de nimfenschaar
Begonnen aan een vreugdedans.
Tekst
7
De wijzen en het godenvolk
Strooiden bloemblaadjes naar benee
En zachtjes dreunde 't in de lucht
Als 't grommen van de golvenzee.
Tekst
8
Toen dan verscheen te middernacht -
Diep duister maakte alles zwart -
Uit Moeder Dev'ki, de godin,
Heer Vishnu, wonend in elk hart,
Zoals de maan in 't Oosten rijst
Uit wolkenrand en nevelflard.
Als
Opperziel begeleidt Vishnu de individuele ziel
in al haar incarnaties en verblijft met haar in
het hart van elk nieuw lichaam dat ze te bewonen
krijgt, geduldig wachtend tot ze zich iets van
Zijn aanwezigheid zal aantrekken.
Tekst 9
Een stralende Jongen met lotusogen zoet,
Vierhandig, met kinkhoorn en scepter enzovoort,
Srivats' op Zijn borst en kaustubha aan Zijn
hals,
Gehuld in het geel, als een regenwolk zo zwart
Tekst
10
Oorhangers en hoofdtooi met goudberyl bezet,
Zijn haren in golven van diep doorgloeide
pracht,
Met blinkende gordel en armbanden gesierd -
Zo vond Vasudeva zijn Zoon daar in die nacht.
Vishnu
draagt in Zijn vier handen de scepter der
wereldheerschappij, het wiel der Wet, de
kinkhoorn van de bovenzinnelijke klank (OM) en
de lotus der liefdevolle toewijding. De srivatsa
is een gouden lokje op Zijn borst, waarop
Lakshmi, de Geluksgodin, als enige Haar hoofd
mag neervlijen. De kaustubha is een
bovenzinnelijke edelsteen.
Tekst
11
Zijn ogen verwijd van verbazing toen hij zag
Dat Vishnu zijn Kind was, door blijdschap
overmand,
Schonk hij in gedachten tot viering van dit
feit
Zó tienduizend koeien aan de
brahmanenstand.
Een
prins als Vasudeva wordt geacht bij een zo
heuglijk feit als de geboorte van een zoon de
priesters onder geschenken te bedelven. De koe
is een brahmanen-geschenk bij uitstek vanwege
haar melk, waarmee een brahmaan zich bij
voorkeur voedt. Doordat hij wegens zijn
gevangenschap van de nodige middelen verstoken
is, kan Vasudeva zijn enorme geschenk slechts in
gedachten geven. Wanneer hij later door Krishna
uit de gevangenis zal worden verlost, schenkt
hij de koeien alsnog (45.28).
Tekst
12
Ten volle beseffend, van alle angst verlost,
Dat d' Opperheer lag daar, die met Zijn eigen
gloed
't Geboortevertrek in een zee van licht
herschiep,
Viel hij Hem met handen gevouwen blij ten voet.
Vasudeva zei:
Tekst
13
Voor mijn ogen aanschouw ik U,
Die ver staat boven de natuur,
O Heer die ieders hart doorgrondt,
O Vreugde Zelf, volkomen puur.
Tekst
14
De wereld met haar drieërlei aard,
Die schepping van Uw eigen macht -
Gij zijt geenszins daarin gegaan
Maar toch wordt Gij daarin gedacht.
Wanneer
Vishnu in de wereld verschijnt lijkt Hij deel
van haar uit te maken, maar Hij is altijd aan
haar ontstegen.
Tekst
15
De elementen van de stof,
Verdeeld in krachten zonder tal,
Te kennen aan hun eigen aard,
Geven gestalt' aan 't gans' heelal.
De
elementen behoren tot de materiële sector
van Vishnu's energieën.
Tekst
16
Met hun verdelingen vereend,
Is 't of z' erin zijn opgegaan,
Maar dat is schijn omdat ze van
't Begin af aan apart bestaan.
Hoe
ze zich ook met elkaar vermengen, de elementen
blijven altijd de elementen.
Tekst
17
Zi wordt nu ook Gij, hoewel zichtbaar in de
stof,
Op generlei wijze door 't stoff'lijke bepaald:
Het onderscheid binnen-en-buiten geldt niet U,
Die alles zijt, alles omvat en 't Al
doorstraalt.
Tekst
18
Wie al wat hij waarneemt als werkelijk
aanvaardt
En los van het Zelf ziet, valt buiten elk
verband,
Want wie nog voor waar aanneemt wat is
onderzocht
En loos is bevonden, beledigt zijn verstand.
Tekst
19
De wijzen verklaren dat wording en bestaan
En neergang uit U zijn, die geen verand'ring
kent,
Noch invloed, noch aandrift; dat al wat hier
geschiedt
Verzoend is in U, Heer, die 't Hoogste Brahman
bent.
Tekst
20
Uit eigen vermogen verschijnt Ge blank van huid
Om hel, aard' en hemel tot onderhoud te zijn;
Van scheppende hartstocht doorvaren toon G' U
rood;
En zwart van verdwazing slaat G' alles kort en
klein.
Vishnu,
Brahmâ en Shiva, blank, goudrood en
blauwzwart, heersen over de drie leibanden der
stoffelijke natuur, die verbonden zijn met
instandhouding, schepping en
vernietiging.
Tekst
21
Teneinde de wereld te redden van gevaar,
O Heer der heelallen, verscheen Gij in mijn
huis;
Gij zult hen verdelgen, die legers her en der,
Door talloze schertsvorsten aangevoerd -
gespuis!
Tekst
22
Toen Kamsa, die schurk, van Uw komst hoord' als
mijn Kind,
Ach, maakte hij blindelings al Uw broers van
kant:
Vertellen zijn mannen hem nu dat Gij er zijt,
Dan stormt hij hierheen met een wapen in de hand
Shukadeva zei:
Tekst
23
Toen Moeder Dev'ki bij haar Kind
In alles d' Allerhoogste zag
Vervluchtigde haar angst voor Kams'
Ze bad tot Hem, een en al lach:
Devaki zei:
Tekst
24
Verborgen Oer-oorzaak, Alzijdige Gloed,
Steeds één, Absolute, die nooit iets
verricht:
Degeen die de Veda aldus steeds beschrijft
Zijt Gij, Vishnu Zelf, Bron van 't Geestelijk
Licht.
De
Heer staat boven de wet van oorzaak en gevolg:
daarom verricht Hij niets, maar speelt
slechts.
Tekst
25
Wanneer na aeonen 't heelal wordt verwoest,
't Grofstoffelijk' in het subtiel' overgaat,
De dwingende Tijd het geziene uitwist,
Zijt Gij daar slechts, Shesha, die eeuwig
bestaat.
De
heelallen komen en gaan en komen en gaan. Bij
hun verdwijnen gaat hun materie op in de
gedaante van Vishnu, die subtieler dan het
subtielste is.
Tekst
26
Uw Spel, noemen wijzen de machtige Tijd,
Van oogwenk tot eeuw in 't heelal in de weer:
Voor U, die de stoff'lijke wereld bestiert,
O milde Voorzienigheid, leg ik mij neer.
Tekst
27
Een sterveling, bang voor de slang van de dood,
Vlucht overal heen, maar zijn angst wijkt niet
t'rug;
Nu heeft hij Uw voetenpaar hier - groot geluk!
-
En slaapt hij in vrede
De dóód
neemt de vlucht!
Tekst
28
O Heer, die Uw dienaars verlost van hun vrees,
Bescherm ons voor Ugrasen's gruw'lijke zoon.
Onzichtbaar zij voor het grofstoffelijk oog,
O God, Uw gedaante, aan zieners getoond.
Tekst
29
O Madhusudan', zorg toch dat
Die schurk niets van Uw komst verneemt:
Mijn angst voor Kamsa is zo groot
Dat ze me d' adem haast beneemt.
Devaki's
angst voor Kamsa in tegenwoordigheid van de Heer
wijst niet zozeer op een zwak geloof, maar op
een panisch besef van de alles overschaduwende
omvang van Kamsa's monsterachtigheid: het is
voor haar haast onvoorstelbaar dat zelfs de Heer
er iets tegen kan doen. Hoewel Vishnu's
verschijning aanvankelijk haar angst wegvaagde
(vers 23), laat de oplevende gedachte aan Kamsa
haar even Vishnu's oppermacht uit het oog
verliezen.
Tekst
30
Trek Uw gedaante zo onaards
Meteen toch t'rug, o Opperziel,
Met die vier handen met die knots,
Die schelp, die lotus en dat wiel.
Tekst
31
Dat Gij, die in d' eindtijd het ganse heelal
Als niets in U opneemt, o Hoogste Godspersoon,
Nu hier uit mijn schoot zo op aarde verschijnt,
Alsof Ge een mens zijt - dat kàn toch niet
gewoon
De
Alvervulde zei:
Tekst
32
In Svâyambhuva Manu's tijd
Noemd' u zich Prishni, kuise vrouw,
En Vasudev' was Sutapâ,
'n Prajâpati voorbeeldig trouw.
Tijdens
één dag van Brahmâ, die
4.320.000.000 aardse jaren duurt, verschijnen er
veertien Manu's, waarvan de eerste steeds
Svâyambhuva heet. We leven nu onder de
zevende Manu, Vaivasvata, die al
vóór Krishna's komst verschenen
was. Prishni en Sutapâ moeten volgens
Vedische berekening al zo'n anderhalf tot twee
miljard jaar vóór Krishna hebben
geleefd. De Manu's zijn de aartsverwekkers en
wetgevers der mensheid. (Het Nederlandse woord
mens houdt verband met het Sanskrit woord
manu.)
Tekst
33
Toen Brahmâ u de opdracht gaf
Te zorgen voor veel nageslacht
Hebt u tezamen zelfbedwang
Door zinsbeteugeling betracht.
Langdurige
zinsbeteugeling verleent bovenmenselijke
vermogens en trekt de aandacht van hogere
wezens.
Tekst
34
Regen verdroeg u, zonnebrand
En sneeuw en geselende wind.
Door ademtucht trok uit uw hart
Het vuil dat men in harten vindt.
Tekst
35
U voedd' u slechts met ijle lucht
En karig, neergedwarreld blad.
Zo was 't dat met sereen gemoed
U Mij toen om een zegen bad.
Tekst
36
Terwijl u beiden uiterst streng
Uzelf bedwong, gericht op Mij,
Ging er geteld in godentijd
Twaalf maal éénduizend jaar
voorbij.
Een godenjaar duurt duizenden mensenjaren.
Tekst
37
Toek Ik de zelftucht, het geloof
En ook de liefde zag waarmee
U Mij uw volle aandacht schonk
Was Ik, o reine, hoogst tevree.
Tekst
38
Als Hoogste Zegenaar van al
Kwam Ik zoals Ik nu verschijn
En vroeg u naar uw hartewens:
Die was dat Ik uw Zoon mocht zijn.
Tekst
39
Wel man en vrouw, maar kinderloos
En niet op zingenot bedacht
Verlangd' u geen verlossing toch:
Zo werkt Mijn goddelijke macht.
Ook
hier wordt de liefdevolle omgang met de Heer
(bhakti) boven het streven naar verlossing
(mukti) geplaatst.
Tekst
40
Ik schònk die zegen van een Zoon,
Aan Mij gelijk, en ging vandaar.
Teneind' uw wens vervuld te zien
Genoot u daarna van elkaar.
Tekst
41
Daar Ik ter wereld niemand zag
Als juist u twee zo mild en goed
Kwam Ik op aard' als Prishnigarbh'
En werd door u toen opgevoed.
Tekst
42
En nog een keer uit u tezaam,
Aditi toen en Kashyapa,
Verscheen Ik weer, en wel als Dwerg,
Vandaar bekend als Vâmana.
Tekst
43
En nu is het, o Moederlief,
De derde keer dat u Me ziet
Geboren als uw eigen Zoon -
Zo is het ja, en anders niet.
Tekst
44
Vierarmig toon Ik Mij aan u
Opdat U Mij als God herkent,
Want zag u Mij als mensenkind,
Hoe wist u dan dat Ik het ben?
De
vierarmige Vishnu- of
Nârâyana-gedaante is voor de
klassieke Vedische gelovige de oergedaante van
de Opperheer. In de na het Vedisch brahmanisme
geopenbaarde Krish(n)a-bhakti wordt Vishnu als
een der talloze Godsdelen van Krishna gezien in
plaats van andersom.
Tekst
45
Mij steeds beschouwend als uw Zoon
En als het Brahman tegelijk
Bereikt u, door uw liefde vrij,
Mijn bovenwerelds koninkrijk.
Shukadeva zei:
Tekst
46
Na deze woorden zeeg Hari,
De Welvervuld', en voor het oog
Van beide ouders was 't niet God
Maar 'n Mensenkind dat daar bewoog.
Tekst 47
Toen Vasudev', daartoe gedrongen door de Heer,
Zijn Zoon wilde pakken om met Hem weg te gaan
Kwam even onaards uit Yashodâ, Nanda's
vrouw,
Als kind Yogamâyâ op deze wereld
aan.
Tekst
48
De wachters, door haar in een toverslaap
gebracht,
De burgers ook, sloten hun ogen allemaal;
De oersterke poortdeur, daarachter nog een hek,
Vergrendeld met balken en kettingen van
staal
Tekst 49
Week dadelijk t'rug als het duister voor de zon
Toen Vasudev' snel met zijn Zoon de nacht in
ging.
Uit grommende wolken kwam regen stromend neer,
Die Shesh', hen beschuttend, op al Zijn koppen
ving.
De
bovenzinnelijke Slang Ananta Shesha, Vishnu's
eerste Godsdeel, bood Krishna en Zijn
mensenvader speels bescherming tegen het
noodweer, dat uiteraard door Krishna Zelf was
opgewekt.
Tekst 50
Terwijl onophoudelijk 't hemelwater viel
En storm de Yamunâ met bulderend gebonk
Deed golven en schuimen, bood plots de stroom een
pad,
Zoals eens de zee aan Heer Râm' de ruimte
schonk.
De
Yamunâ golfde en schuimde in de hoop
Krishna's lotusvoeten te kunnen aanraken. Toen
de Avatâra Râma Zijn Gemalin
Sitâ van Lankâ wilde weghalen,
waarheen Ze ontvoerd was, stond de oceaan die
Lankâ van India scheidt Hem toe een brug
van drijvende stenen naar het eiland te
bouwen.
Tekst
51
Toen Vasudev' eind'lijk bij Nanda's huis
aankwam
Trof hij alle koejerders slapend op hun rug.
Hij legde 'r het Kindje stil bij Yashodâ
neer
En ijlde van daar met haar dochtertje terug.
Tekst
52
Hij stopte 't meisj' in Dev'ki's bed,
Legde zichzelf de boeien aan
En zat daar weer zoals voorheen
Alsof hij niet was weggegaan.
Tekst
53
Moeder Yashodâ, Nanda's vrouw,
Wist dat ze 'n kind gekregen had,
Maar uitgeput in slaap geraakt
Besefte ze niet hoe of wat.
(bron: S.B. 10.3)
|