|
Shukadeva zei:
Tekst
1
Toen Indra in de gaten kreeg
Dat hem geen eer meer werd gebracht
Maakt' hij zich kwaad op 't herdersvolk,
Dat Krishna als zijn Meester zag.
Tekst
2
De woedend' Indra, die zichzelf
cAls heer beschouwde van 't heelal,
Gaf aan 't verwoestingswolkenpak,
Sâmvartaka, als volgt bevel.
Het
verwoestingswolkenpak komt normaal slechts in
actie bij de ontbinding van het heelal, wanneer
Rudra dansend op zijn trom beukt en door de
geluidstrillingen daarvan alle kosmische
structuren ontbindt.
Tekst
3
Die dwaze herders in het bos -
Wat zijn ze trots op hun bezit
Dat ze hun god versmaden voor
Die Krishna, 'n sterveling, meer niet!
Tekst
4
Er zijn er die de levenszee
Op 't zogenaamde schip van werk
En offers willen overgaan,
In Zelf-kennis beslist niet sterk:
Het
"schip van werk en offers" is het geheel van
handelingen, in de Veda's aanbevolen, waardoor
men de oceaan van het materiële bestaan kan
oversteken.
Tekst
5
Zo zijn die herders, die hun heil
Nu zoeken bij 'n waanwijze Blaag,
Die Krishna met Zijn dom geklets,
Hetgeen mij hogelijk mishaagt.
Tekst
6
Maak korte metten met hun trots,
Veroorzaakt door hun rijk bestaan
En Krishna's praatjesmakerij,
En laat hun veestapel vergaan.
Tekst
7
Ik haast m' op mijn krijgsolifant
Aan 't hoofd van mijn stormgodenschaar
Vlak achter jullie aan naar Vraj'
En sla de boel daar in elkaar.
Shukadeva zei:
Op Indra's last dook 't wolkenpak
Van zijn belemmering ontdaan
Uit alle macht op Vraja neer
En viel het herdersdorpje aan.
De
belemmering van de wolken bestond erin dat ze
alleen bij de ontbinding van het heelal hun gang
mochten gaan.
Tekst
9
De bliksem flikkerde door 't zwerk,
De donder rolde heen en weer
En met de kracht van een orkaan
Sloegen de hagelkeien neer.
Tekst
10
In waterzuil naast waterzuil
Stortte de regen zich omlaag
En overspoelde d' aarde zo
Dat niemand berg of dal meer zag.
Tekst
11
De koeien, rillend van de hoos,
Die striemend neersloeg op hun vel,
En man en vrouw, door kou gekweld,
Zochten hun toevlucht bij Gopâl'.
Tekst
12
Hun armen om hun hoofd, hun kroost
Door hun gebogen lijf behoed,
Vielen de mensen huiverend
Hun alvervulde Heer ten voet:
Tekst
13
"O Krishna, Krishna, ons Geluk,
Bescherm ons toch, Gokula's Heer,
Tegen de woede van de god,
Want Jij bemint Je dienaars zeer!"
Tekst
14
Toen Hij hen door de hagelstorm
Geranseld zag en in de war
Begreep d' alwetende Hari:
't Is Indra's woede boos en bar.
Sri Krishna dacht:
Tekst
15
Omdat het offer is gestaakt
Striemt Indra ons met deez' orkaan,
Die niet bij 't jaargetij behoort,
Zodat wij allemaal vergaan.
Tekst
16
Maar 'K heb Mijn geestelijke macht,
Die dit volkomen keren zal
Weg met de domme praal en trots
Van die vermeende heer van 't al!
Tekst
17
Die hoogmoed past niet bij een god,
Wiens aard vol ware goedheid is:
Ik neem die schurk zo in de tang
Dat Ik zijn heersertrots uitwis.
Tekst
18
Mijn almacht redt dit herdersdorp,
Dat Mij als zijn Beschermer ziet
En als zijn Toevlucht en zijn Zoon -
Zo wil Ik het en anders niet!
Shukadeva
zei:
Tekst
19
Toen dan nam Hij de Govardhan'
En hief de hele heuvelboel
Zonder één trillinkj' in de lucht
Zoals een kind een paddestoel.
Tekst
20
Daarop zei d' onvolprezen Heer:
"Ach Moeder, Vader, iedereen,
Kom mooi onder de heuvel hier
En breng de rijke kudde mee.
Tekst
21
"U hoeft beslist niet bang te zijn,
De heuvel valt niet uit mijn hand
U bent beschermd tegen de storm
En al die regen hier - geen angst!"
Tekst
22
Door Krishn' aldus gerustgesteld
Kwam iedereen zonder misbaar
Onder de heuvel met zijn vee,
Zijn aanhang en zijn ossekar.
Tekst
23
Onder het oog van 't hele dorp -
Hij dronk geen slok en at geen hap
En duldde 't ongerief - hield Hij
De berg omhoog en week geen stap.
De
traditie wil dat Krishna de heuvel zeven dagen
en nachten lang omhooggeheven hield op Zijn
linkerpink. Sommige herders vreesden dat Hij die
zware taak niet alleen aankon en hielpen Hem een
handje door de heuvel met hun stok te schragen.
Krishna moet hun daar dankbaar voor zijn
geweest.
Tekst
24
Zodra hij Krishna's wonder zag
Was het met Indra's trots gedaan:
Verbouwereerd en machteloos
Liet hij zijn wolken huiswaarts gaan.
Tekst
25
Toen Hij de zon weer stralen zag -
Geen spoor van storm en donderwolk -
Richtte de Heuveldrager Zich
Als volgt tot Vraja's herdersvolk.
Sri Krishna zei:
Tekst
26
Laat varen jullie vrees en ga
Met vrouw en kind en goed van hier.
De hels' orkaan is uitgewoed
En t'ruggestroomd is de rivier.
Shukadeva zei:
Tekst
27
De herders kwamen voor de dag
Met volle kar en al hun vee,
En vrouwen, grijsaards, kinderen
Wandelden kalmpjes met hen mee.
Tekst
28
Govinda, d' alvervulde Heer,
Zette daarop de Govardhan'
Speels op zijn oude plek weer neer -
De hele schepping zag het aan.
Tekst
29
Toen drongen vol liefde de herders van het dorp
Om Krishn' en omhelsden de Jongen allemaal
En - weg van Hem - eerden de gopi's Hem dolblij
Met yoghurt en rijst en met zegens zonder tal.
Tekst
30
Yashodâ, Nanda, Rohini
En d' Allersterkste, Balarâm',
Zegenden en omhelsden Hem,
Van liefde nagenoeg ontdaan.
Tekst
31
De schare goden in de lucht,
De hele hemelingenrij,
Prezen de Heer en strooiden weids
Een bloesemregen naar benee.
Tekst
32
Op godenwenk steeg overal
De klank van pauk en kinkhoorn op;
Gandharva's zongen luid hun lied,
Hun leider Tumburu voorop.
Tekst
33
Omringd door de herders zo vol genegenheid
Ging Krishna met Bal' naar het koeiendorp
weerom,
Gevolgd door de gopi's, die blij en diep
ontroerd
De hele weg zongen van Zijn verheven roem.
(bron: S.B.
10.25)
|