|
De koeherders zeiden:
Tekst
1
O Râma, Râma, grote Held,
O Krishna, die de kwaden velt,
Maak alsjeblieft een einde aan
De felle honger die ons kwelt.
Shukadeva zei:
Tekst
2
Zo door Zijn vrienden aangemaand
Sprak Dev'ki's alvervulde Zoon,
Die 'n groep brahmanenvrouwen daar
Graag met Zijn zegen zag beloond:
Sri Krishna zei:
Tekst
3
Ga naar het heilig offeroord,
Waar priesters die de Ved' verstaan
Met het ângiras' bezig zijn
Opdat ze naar de hemel gaan.
Het
ângirasa is een ritualistisch offer,
waarbij onder het reciteren van reeksen mantra's
graan en boterolie in het heilig vuur worden
geplengd.
Tekst
4
Eenmaal bij hen, noem dan Mijn Broers
Verheven Naam en die van Mij
En vraag hun namens Ons daarna
Alleen maar om wat rijstebrij.
Shukadeva zei:
Tekst
5
Zoals de Heer 't bevolen had
Gingen z' op de brahmanen af
En wierpen zich recht als een stok,
Handen gevouwen, in het stof.
De herders zeiden:
Tekst
6
O aardse goden, hoor ons aan!
Wij, herders, zijn hierheen gespoed,
Gehoorzaam aan Sri Balarâm',
Op last van Krishna. 't Ga u goed!
Tekst
7
Daarginds hoeden Râm' en Achyuta hongerig
De koeien en vragen u om wat rijstepap:
Als u even rijk bent aan pap als aan geloof,
O gij die de leer kent, geef Hun die brij dan
rap.
Tekst
8
Wie vòòr het offer 't voedsel eet
Dat d' offeraar hem gastvrij biedt,
Tenzij bij 'n sautrâmani of
Een dierenoffer, gaat vrijuit.
Het
is onwellevend voedsel dat aan Vishnu of een god
zal worden aangeboden voordat deze het tot zich
genomen heeft aan een ander te geven. Dus men
kan alleen voedsel aannemen dat nog niet
geofferd is, wil men zich niemands ongenoegen op
de hals halen, of dat reeds geofferd is en dat
men dan als genade aanneemt. Een bhakta nuttigt
overigens nooit voedsel dat niet aan de
Alvervulde is geofferd. De herders willen het
voedsel waarom ze vragen dan ook aan Krishna en
Balarâma offeren.
Het
sautrâmani is een Vedisch offer waarbij
een zoon zich van zijn plicht jegens zijn moeder
kwijt.
Mensen
kunnen geen dieren eten tenzij deze aangeboden
zijn aan een godheid die dierenoffers aanneemt,
zoals Kâli. Van deze godheid kunnen ze het
geofferde dier, dat nooit een koe mag zijn,
daarna als genade accepteren, met bepaalde
welomgeschreven karmische gevolgen. Dit soort
genade is dus niet verlossend.
Shukadeva zei:
Tekst
9
De priesters hielden zich stokdoof
Hoewel 't verzoek van Krishna kwam
En sloofden zich kleingeestig uit
Met hun geoffer, trots en dom.
Tekst
10
Hoewel Sri Krishna plaats en tijd
Van 't offer is en d' offerwaar,
Gebed en rite, 't vuur, 't gewin,
Goden en priesters, d' offeraar
Tekst
11
Beschouwden de brahmanen Hem,
D' alom geprezen Opperheer,
In dof bewustzijn nog gekooid,
Als sterveling en als niets meer.
Tekst
12
Toen ze de herders dus geen "ja"
Ten antwoord gaven, zelfs geen "nee",
Kwam 't hele stel verdrietig t'rug
En deelde 't Krishn' en Râma mee.
Tekst
13
Van hun verhaal schoot d' Opperheer
Van 't universum in de lach
En wees Zijn kameraden op
Het wereldse van zulk gedrag.
Sri Krishna zei:
Tekst
14
Ga naar hun vrouwen en vertel
Dat Ik er ben met Balarâm':
Dan geven ze wat je maar wilt,
Goedhartig en Mij toegedaan.
Shukadeva zei:
Tekst
15
De herders togen naar de plek
Waar alle vrouwen fraai en vroom
Verbleven, knielden voor hen neer
En zeiden op bescheiden toon:
Tekst
16
"O priestervrouwen, hoor ons aan:
We brengen u van harte eer,
Gestuurd door Krishna, die met Râm'
De kudde hoedt niet ver van hier.
Tekst
17
"Hij is ver weg van huis gegaan
Op stap met ons en met het vee.
Hij heeft nu honger: toe geef ons
Voor ieder wat te eten mee."
Tekst
18
Hoe graag wilden ze Krishna zien,
De vrouwen, door Zijn roem bekoord -
D' onfeilbaar' Eeuw'ge, zo nabij
Meteen waren z' in rep en roer.
Tekst
19
Met zalig eten, kruiken vol,
Vier soorten voedsel, snelden zij
Naar hun Geliefde toe zoals
Rivieren stromen naar de zee.
Vier
soorten voedsel: kauwbaar, slikbaar, likbaar,
drinkbaar.
Tekst
20
Man, broers en zoons trachtten vergeefs
Hen te weerhouden van hun vlucht
Elk had zo vaak Zijn lof gehoord
Dat z' eeuwig aan Hem was verknocht.
Tekst
21
Bij de Yamunâ zagen ze 'M
Langs d' oever met vers groen gespreid
De koeien hoeden met Zijn Broer,
Door alle herders begeleid:
Tekst
22
Hun Zwart', in 't goud met bloemenkrans, pauweveer
en blaadjes,
Bekleurd met heuvelklei, een Danser, Zijn beurt
afwachtend,
Eén hand bij 'n makker op de schouder, in d'
ander 'n lotus,
Een lelie in Zijn losse lokken, Zijn ogen
lachend!
Tekst
23
Hoe dikwijls had Govinda's roem hun gehoor
verzaligd
En hen vervuld
Nu kon Hij binnengaan door
hun ogen,
Diep in hun hart, waar ze 'M omhelsden totdat de
pijn week,
Zoals, zodra de wijsheid komt, 't ego is
gevlogen.
Tekst
24
Hij die elk wezen kent en wist
Dat z' om d' aanschouwing slechts van Hem
Hun eerbaarheid hadden verspeeld
Verhief daarop lachend Zijn stem.
Een
vrouw die zonder mannelijke familiebegeleiding
van huis gaat is haar eer kwijt. Nog steeds
geldt onder vele hindoes dat een ongetrouwd
meisje dat een nacht alleen van huis is geweest
onhuwbaar is.
Sri Krishna
zei:
Tekst
25
Gezegenden, welkom bij ons.
Zet u. Wat kan Ik voor u doen?
Dat u Mij hier zo graag wilt zien
Is niet in strijd met het fatsoen.
Een
vrouw die de gelegenheid aangrijpt om
ongechaperonneerd met Krishna om te gaan
gedraagt zich volgens de hoogste fatsoensnormen,
omdat Hij God is. Wie zo'n gelegenheid onbenut
voorbij laat gaan heeft geen manieren.
Tekst
26
Ook wijzen schenken Mij hun hart,
Zonder begeert' en zonder eind,
Als aan hun dierbaar' eigen Zelf
Omdat z' hun heil in Mij slechts zien.
Tekst
27
Ja, wat is liever dan dat Zelf
Waardoor verstand en geest en lijf,
Familie, vrouw, zoons en bezit
Een mens zo dierbaar zijn en lief?
Tekst
28
Ga daarom nu naar d' offerplaats
En help uw mannen, weer tezaam,
Het offer te beëindigen
Zoals het huislieden betaamt.
De vrouwen zeiden:
Tekst
29
Ach Opperheer, hoe kunt Ge zoiets ontzettends
zeggen:
Zo breekt G' Uw heilige belofte
't Was uit
begeerte
De tul'si-kransjes die Uw voeten ons mochten
schenken
In 't haar te dragen dat we d' onzen de rug
toekeerden.
Krishna's
heilige belofte houdt in dat Hij iedereen die
tot Hem komt eeuwig bij Zich opneemt in Zijn
gelukzalige Woning.
Tekst
30
Noch man noch vader, zoons noch broeders noch
bloedverwanten
Willen ons t'rug, dus wie ter wereld zal ons nog
moeten?
Daarom, Heldhaftige, voor wie we zijn
neergevallen,
Schenk ons als enige bescherming Uw
lotusvoeten.
De Alvervulde zei:
Tekst
31
Niemand is boos op u, geen mens,
Al of niet van uw eigen bloed,
Want u bent Mij immers gevolgd?
De góden vinden het zelfs goed!
Tekst
32
Lichamelijk contact met Mij
Brengt niemand hier het waar geluk,
Maar zoekt u Mij van ziel tot Ziel,
Dan vindt u 't in één ogenblik.
Wie
lichamelijk naar Krishna verlangt doet zichzelf
te kort. Krishna, wiens gedaante louter Ziel is,
laat het weliswaar in een enkel geval toe dat
iemand Hem met armen van vlees en bloed omhelst,
zoals Drieknakje het mocht doen (48: 1-11), maar
laat haar door Shukadeva "wel zeer traag" van
begrip noemen.
Shukadeva
zei:
Tekst
33
De priestervrouwen keerden t'rug,
Zoals gezegd, naar 't offeroord.
Hun mannen brachten daar met hen
Hun taak ten einde, onverstoord.
Tekst
34
Eén, vastgehouden door haar man,
Omhelsde Krishna in de geest -
Wat had z' al niet van Hem gehoord! -
En gaf haar karma-lichaam prijs.
Tekst
35
Nadat Govinda, d' Opperheer,
De herders volop had voorzien
Van de vier soorten etenswaar
Genoot Hij 'r Zelf tenslotte van.
Tekst
36
Zo speelde Krishna rond als Mens
Die door de mensenwereld ging,
Vol van 't genot dat Hij bezorgd'
Aan koe, kalf, herder, herderin.
Tekst
37
De priesters kregen nu berouw:
"Dat we die Twee, Elk ieders Heer,
Al doen Ze Zich als mensen voor,
Zo zondig hebben afgeweerd!"
Tekst
38
Toen z' inzagen hoe bovenaards
Hun vrouwen hielden van Govind'
Terwijl 't hun zelf aan liefd' ontbrak
Voelden de priesters zich verblind.
De priesters zeiden:
Tekst
39
Waarvoor zijn wij ooit ingewijd?
Wee onze wijsheid, ons geleerd
Geoffer, ons geslacht! Wee ons,
Die niet eens acht slaan op de Heer
Tekst
40
Voorwaar, door Krishna's Mâyâ raakt
Een yogi zelfs de kluts soms kwijt
En weten wij, brahmanen, niet
Waar alles eigenlijk om draait.
Tekst
41
Hoe houden onze vrouwen niet
Van Krishna, die 't heelal beweegt -
Zo diep dat zelfs de band met thuis,
Die strop des doods, aan flarden vliegt!
Tekst
42
Z' ontvingen nooit d' heilige draad,
Kregen geen guru-onderricht,
Kennen geen inkeer en geen tucht,
Geen goedheids- en geen reinheidsplicht.
Vedische
brahmanen houden zich aan zoveel specifieke
plichten dat ze gevaar lopen niet meer te
begrijpen waarom ze dat doen. Door de bomen zien
ze soms het bos niet meer en dus ook niet de
Bosbewoner, Govinda.
Tekst
43
Onfeilbaar is hun liefde voor
Govinda, d' Opper-yogaheer
Wij kennen zulke liefde niet,
Hoe hoog w' ook zijn geïnitieerd.
Tekst
44
Hoe mild dat Hij, het heilig Doel,
Ons, in ons thuisbestaan verstrikt,
Door het verzoek dat Hij liet doen
Herinnerd' aan de hoogste plicht!
Tekst
45
Wat anders kan het zijn dan Spel
Dat Hij, de Heer, die niets begeert
En elk verlost, om voedsel vroeg
Aan ons, die Hij volmaakt regeert.
Tekst
46
Dat d' Enige die Lakshmi dient -
Van wispelturigheid geen zweem! -
Opdat Zijn voetenpaar Haar streelt,
Om voedsel vroeg verwart elkeen.
Lakshmi
is bekend om Haar wispelturigheid: het geluk dat
Ze stervelingen schenkt is steeds kortstondig.
De Enige die Ze altijd dient is Vishnu, die
één met Krishna is. Hoe kan
Krishna, van wiens zijde het volmaakte geluk
geen ogenblik wijkt, de brahmanen om wat eten
vragen, alsof Hij Zich zonder dat eten niet
gelukkig voelt?
Tekst
47
We hadden overal gehoord
Dat Vishnu, Heer der yogi-schaar,
Die tijd en plaats van 't offer is
Gebed en vuur en offerwaar
Tekst
48
De offerrite, 't offer zelf,
De goden en het vuur ineen -
Dat Hij als Yadu bij ons was
Maar dwaas, zagen we 't niet meteen.
Tekst
49
Met zulke vrouwen als van ons
Stijgt onze zaligheid ten top:
Dankzij hun bhakti gaan ook wij
Onwankelbaar in Krishna op.
Tekst
50
Aan d' alvervulde Krishna eer,
Wiens inzicht eeuwig helder is.
Begoocheld door Zijn Mâyâ steeds
Gaan wij door karma's duisternis.
Tekst
51
Ach moge Hij, d' Eerste Persoon,
Ons, door Zijn Mâyâ zo verdwaasd,
Onkundig van Zijn heerlijkheid,
Vergeving schenken voor ons kwaad.
Shukadeva zei:
Tekst
52
"Wat hebben we Hari veracht!"
Bekenden z' elkaar schuldbewust.
Maar ook al wilden ze 'M nu zien,
Uit angst voor Kams' bleven ze thuis.
Het
lijkt of de ritualisten hun domheid werkelijk
beseffen, maar het feit dat hun angst voor Kamsa
hen van Krishna kan weghouden betekent dat ze
meer ontzag hebben voor een demon dan voor Hem
die de demonen in de pan hakt en hun ziel
verlost. Hun vrouwen dàchten niet eens
aan Kamsa toen ze met hun tractaties naar
Krishna stoven.
(bron: S.B.
10.23)
|