|
Parikshit zei:
Tekst
1
Waarom was Kâliya toch ooit
Van 't slangeneiland weggegaan?
En wat voor kwaad had nu juist hij
Garuda toch ooit aangedaan?
Garuda,
Vishu's gevleugelde drager, van wie alle vogels
afstammen, is van nature een vis- en
slangeneter.
Shukadeva zei:
Tekst
2
O vorst, bij elke volle maandag
Ontving Garuda 'n deel van wat
Een drom aanbidders bij een boom
Aan 't slangenvolk geofferd had.
Tekst
3
Iedere slang schonk op zijn beurt,
Garuda vrezend om zijn macht,
Hem 't part dat hij gekregen had,
Op eigen veiligheid bedacht.
Tekst
4
Kâliya echter, Kadru's zoon,
Spotte met deze slangenplicht
En vrat Garuda's aandeel op,
Trots op de kracht van zijn vergift.
Tekst
5
Toen dan Garuda, welvervuld,
De dierb're drager van de Heer,
Dit zag, wierp hij in volle vaart
Zich woedend op Kâliya neer.
Niet
alleen Krishna en Balarâma en al Hun
Godsdelen worden Bhagavân of wel- of
alvervuld genoemd. Ook Hun zelfvergeten dienaars
heten alvervuld.
Tekst
6
De slang, tot de tanden gewapend met vergift,
Hief snel naar Garuda zijn koppentroep omhoog
En haalde fel uit met zijn hele kakement,
Met flitsende tong en met woest uitpuilend oog.
Tekst
7
De drager van Vishnu nu, woedend als hij was,
De snelste van alles wat rondijlt door het
zwerk,
Gaf Kâliya daarop een gruw'lijk rake slag
Met al het geweld van zijn gouden linkervlerk.
Tekst
8
Geveld door deze vleugelhouw
Trok Kâliya, één brok
verdriet,
Zich t'rug in d' angstig diepe poel,
Buiten Garuda's stroopgebied.
Tekst
9
Eens in een erge hongerbui
Had daar Garud' een grote vis,
Die hij graag lustt', ondanks 't verbod
Van Saubhari, toch meegegrist.
Suabhari
was een asceet, die strikte adembeheersing
beoefende en onder water verbleef, waardoor hij
met algen begroeid was geraakt en
één met de water-bewoners geworden
was.
Tekst
10
Toen hij 't verdriet der vissen zag
Bij 't plotse heengaan van hun heer
Zei Saubhari, vol meegevoel
Met alle wezens in dat meer:
Tekst
11
"Als die Garuda ooit nog eens
Zijn klauwen in een vis hier zet
Is hij er dadelijk geweest -
Waarachtig, ja, zo is het net!"
Tekst
12
Slechts Kâliya kende die vloek,
Geen and're slang wist ervan af.
Bang voor Garuda zat hij daar,
Maar nu joeg Krishna 'm weg voor straf.
Tekst
13
Toen alle jongens Krishna daar
Zagen verrijzen uit het meer,
Getooid met zoete bloemenkrans,
Edelgesteent' en gouden sier
Tekst
14
Kwamen z' als één man overeind
Als vloeide 't leven in hen weer
En drukten Hem stijf aan hun hart,
Van liefde bijna overstuur.
Tekst
15
Toen Yashodâ en Rohinî
Nanda, de gopi's - iedereen,
Bij kennis weer, Sri Krishna zag
Was ieders wens vervuld meteen.
Tekst
16
Met Krishna's grootheid welbekend
Omhelsde Râm' lachend Zijn Broer.
Koe, stier en kalf, ja ieder dìng
Was van volmaakt geluk ontroerd.
Als
Krishna's Eerste Godsdeel is Balarâma de
Leraar der leraren. Niemand weet beter dan Hij
hoe groot Krishna is.
Tekst
17
Brahmaan en leraar kwamen toen
Naar Vader Nanda met hun vrouw
En zeiden: "Hij is Goddank vrij
Uit Kâliya's greep - die Zoon van jou.
Tekst
18
"Je hebt nu Krishna mooi weerom:
Geef de brahmanen een geschenk."
Verrukt van hart schonk Nanda hun
Koeien en goud op deze wenk.
Brahmanen
mogen zich er als dienaars van God soms op
beroepen dat bepaalde genadeblijken dankzij hen
verkregen zijn. In dit geval suggereerden de
priesters dat Krishna door hun gebed weer vrij
was. Vader Nanda accepteerde deze zienswijze als
vanzelfsprekend. De geschiedenis vertelt niet
hoe Krishna hierover dacht, maar Hij zal het
zeker met de priesters eens zijn geweest, al was
het slechts om hun als Zijn trouwe dienaars een
genoegen te doen.
Tekst
19
Yashodâ, dolgelukkig, nam
Haar Zoon, ontkomen aan de dood,
Onder een ware tranenvloed
In beide armen op haar schoot.
Tekst
20
Die nacht bleef iedereen, o vorst,
De dorpelingen en hun vee,
Dorstig en hongerig en moe,
Aan d' oever van de Kâlindi.
Tekst
21
Te middernacht brak er toen brand
In 't hete, zomerdroge bos
Rondom de dorpelingen uit
En laaide loeiend op hen los.
Het
tiende struikelblok op de weg naar de
zelfvergeten liefdedienst aan Krishna wordt
vertegenwoordigd door de bosbrand, ontstaan door
de wrijving van droge bamboestengels in de wind.
Deze brand is de onderlinge twist, die de
geestelijke gelederen verdeelt.
Tekst
22
De mensen kropen overeind
En zochten, door het vuur van streek,
Hun heil bij Krishna, God, die door
Zijn macht een mensenkind slechts leek.
Tekst
23
"Ach Krishna, Jij gezegend Kind!
Ach Râma, Jij die alles Kan!"
Riep elk. "Dit gruwelijke vuur
Grijpt Jullie dienaars man voor man!
Tekst
24
"Red ons, Je vrienden, toch, o Heer,
Uit deze dodelijke brand!
We hàngen aan Je voetenpaar,
Dat alle angst en vrees uitbant."
Tekst
25
Toen nu de Heer van het heelal,
D' Oneindig' , ieder beven zag
Zoog Hij de brand zó in Zich op -
Wat is er dat Hij niet vermag?
(bron: S.B. 10.17)
|