|
Shukadeva zei:
Tekst
1
Toen zwarte Krishna 'n zwarte slang
De zwarte stroom vergeven zag
Wou Hij hem reinigen en joeg
Het ondier in Zijn almacht weg.
De
veelkoppige gifslang Kâliya
vertegenwoordigt het negende struikelblok op het
geestelijk pad, namelijk dat van onverzoenlijke
hardheid en verraderlijkheid. Kâliya spuit
zijn gif in de van zoetheid gesmolten ziel van
de bhakta, hier in de gedaante van het heilige
Yamunâ-water.
Parikshit zei:
Tekst
2
Hoe overwon de Heer de slang
Daar in het peilloos diepe nat?
En hoe bestond het dat het dier
Al yuga's in dat water zat?
Tekst
3
Van 't drinken van de nectar van
De grootse daden die de Heer
Spontaan als Koeherder verricht -
Zegt íemand daarvan: " 'k Wil niet
meer?"
Shukadeva zei:
Tekst
4
In 't water was een poel, bewoond
Door Kâliya, vol gif, bloedheet:
Geen vogel, die erover vloog,
Die daarin niet het leven liet.
Tekst
5
Geraakt door 'n druppel van dat gif
Door de rivierwind meegevoerd
Stierf op de oever alles wat
Zich al dan niet daar had geroerd.
Tekst
6
Toen Krishna, neergedaald op aard' om het kwaad te
temmen,
De felle kracht zag van 't venijn dat door 't water
laaide
Haald' Hij Zijn gordel aan, klom in een
kadambaboomkruin
En sprong in 't vuil terwijl Zijn armen als wieken
maaiden.
Tekst
7
De slangenpoel met zijn door 't gif al gezwollen
water
Sloeg door 't geweld van 's Heren sprong in de gore
golven
Wel honderd handbooglengten ver over beide oevers
-
Geen kunst voor Hem onder wiens macht alles ligt
bedolven!
Tekst
8
Toen Kâliya 't verwoede plenzen van Krishna
hoorde,
Die als een olifant zo sterk in zijn poel
rondspeelde,
En daar de Binnendringer zag, kwam 't getergde
monster,
Met d' ogen wijd opengesperd, ziedend
aangegleden.
Tekst
9
Fel beet de slang de mooie, regenwolkblauwe
Jongen
Met Zijn srivats', Zijn gele kleren en lachend'
ogen,
Die vrij van angst Zijn tere voeten in 't rond liet
dollen,
Waar 't kwetsen moest, terwijl zijn kronkels om
Krishna
[vlogen.
Tekst
10
Toen Hij daar roerloos in de kronkels van het
serpent lag
Raakt' elke herdersknaap, die alles aan Krishna
wijdde -
Zichzelf, zijn vriendschap, zijn bezit en al wat
hem lief was -
Bewusteloos van vlijmend' angst en ondraag'lijk
lijden!
Tekst
11
Iedere koe en stier en vaars
Stond loeiend van diep harteleed
Met d' ogen star op Hem gericht
Alsof hun angst hen huilen deed.
Tekst
12
In Vraja zag men in dat uur
De tekenen van groot gevaar:
Op aard' en in de lucht en ook
Aan 't eigen lichaam bij elkaar.
Tekst
13
Toen Nand' z' ontwaard' en ook vernam
Dat Krishna zonder Râm', Zijn Broer,
Uit koeien hoeden was gegaan
Werd hij van angst en vrees beroerd.
Tekst
14
Iedereen dacht: "Govind' is dood!"
Want geen kende de ware aard
Van Hem die alles voor hen was
En 't hele dorp ging op in smart.
Tekst
15
Ja, jong en oud en man en vrouw,
Vol liefd' als een onnooz'le koe,
Naar Krishna smachtend allemaal
Dromden vertwijfeld uit Gokul'.
Tekst
16
Bij 't zien van hun ontreddering
Ontglipte d' alvervulde Bal'
Een lachje, maar Hij zei geen woord:
Hij kend' immers Zijn Broertje wel.
Tekst
17
Op zoek naar aller Lieveling,
Volgd' ieder 't spoor van Bhagavân
Zoals 't zich in het zand liet zien:
Zo ging 't op de Yamunâ aan.
Tekst
18
Te midden van sporen van voeten her en der
En hoeven herkenden ze Krishna's voetenspoor -
Aan d' afdruk van graankorrel, vlag en
bliksemschicht,
Van lotus en prikkel op 't pad - en holden
voort.
Tekst
19
Toen zij van ver al in de poel in de
slangekronkels
Hun Krishna zagen: onbeweeglijk - en buiten
zinnen
De herdersjongens op de oever, de koeien
loeiend,
Wist geen van hen, van wanhoop gek, wat hij moest
beginnen.
Tekst
20
Hun hart verslingerd aan d' oneindige
Alvervulde,
Terwijl z' als steeds zich Zijn gebabbel en lachjes
heugden,
Nu dol van smart, zagen de meisjes Hem in die
kronkels
Zonder hun Lief werd heel de wereld
één grote leegte!
Tekst
21
De gopi's steunden Krishna's moeder, die 'M bijna
na-zonk
Niet minder aangedaan dan zij, stonden zij daar
bevend
Van Vraja's Lieveling te staam'len, hun tranend'
ogen
Onafgebroken naar Hem starend, meer dood dan
levend.
Tekst
22
Nand', voor wie Krishna alles was,
Wou 't water in met iedereen,
Maar Râm' weerhield hem, welbekend
Met Krishna's grootheid zonder eind.
Tekst
23
Toen Krishna zag dat heel Gokula voor Hem slechts
leefde
En dat elk kind en elke vrouw zo om Hèm
moest wenen
Bleef Hij, alsof Hij maar een mens was, nog even
liggen -
Maar toen bevrijdd' Hij Zich en stond Hij weer op
Zijn
[benen.
Tekst
24
De slang, die Krishna, plots gezwollen, had laten
glippen,
Zett' al zijn nekken uit en siste van helse
woede:
Uit al zijn neusgaten spoot gif en zijn bekken
lekten
Terwijl hij ziedend en verbeten naar Krishna
loerde.
Tekst
25
Uit al zijn muilen schoten al zijn gespleten
tongen
En witheet laaiend van venijn vlijmden al zijn
blikken,
Maar speels gleed Krishna om hem heen als de
vogelkoning
De slang gleed mee, één en al oog, om
Hari te strikken.
Tekst
26
Toen 't ondier op was van het draaien sprong d'
eerste Leraar,
Zijn koppen plettend, die van trossen juwelen
glansden,
Erbovenop, zodat de flonkers van al die stenen
Zijn lotusvoeten lieten gloeien terwijl Hij
danste.
Tekst
27
Toen nu de godenschaar en d' andere hemelingen,
Allen Zijn dienaars, daar hun Heer zo danslustig
zagen
Zongen ze 'M toe, zich begeleidend met pauk en
kleitrom,
En strooiden bloemen op Hem neer, 'n hele
liefderegen.
Tekst
28
Geen slangekop van alle honderd die bleven
zwaaien,
Hoe bekaf ook, of Krishna stampt' erop, hevig
straffend,
Tot elke muil en ieder neusgat alleen nog
bloedde
En 't ondier steunde van een wanhoop
onovertroffen.
Tekst
29
Al danste Krishna vrolijk door, toch kwam ijs'lijk
sissend
D' ene serpentekop na d' and're nog bloedend
boven,
Maar onweerhoudbaar velde d' Oudste 't verzwakkend
monster
Terwijl de hemel Hem met bloesems en zang bleef
loven.
Tekst
30
Met al zijn uitgezette nekken vertrapt van 't
dansen,
Gekraakt, gebroken en maar bloed brakend uit zijn
muilen,
Dacht Kâliya aan de Beschermer van alle
wezens -
Nârâyana - en wild' alleen nog bij d'
Oudste schuilen.
Kâliya
is zich er uiteraard niet van bewust dat
Nârâyana en Krishna
één zijn.
Tekst
31
Toen zij de slang onder 't reusachtig gewicht van
Krishna,
Die heel de wereld in Zijn buik draagt, daar zagen
zinken,
Nekken geknakt, kwamen zijn vrouwen naar d'
Overwinnaar,
Hun tooi en haren in de war en vertwijfeld
snikkend.
Kâliya's
vrouwen worden voorgesteld als mensenvrouwen met
slangestaart.
Tekst 32
Met al hun kroost wierpen de vrouwen zich aan de
voeten
Van Hem die iedereen beschermt, en vol smart
verlangend
Dat Kâliya, hun snode meester, mocht blijven
leven
Zocht elk haar toevlucht bij de Heer, met gevouwen
handen.
De slangevrouwen zeiden:
Tekst
33
Hoe juist is 't dat Gij deze zondaar zo straft.
't Berispen van snoodaards is immers Uw taak?
En is voor U vijand of zoon niet gelijk?
Ge straft iemand dat hij 'r het beste van
maakt.
Kâliya's
vrouwen tonen, zoals vele andere vrouwen in het
Spel van Krishna, veel meer geestelijk inzicht
dan hun man: ze herkennen Krishna als de
Heer.
Tekst
34
Voorwaar, 't is een zegen, waarmee Gij ons
bedenkt:
Uw straf voor de kwaden wist al hun zonden uit.
Omdat hij door slechtheid een slang geworden
was
Zien wij 't als genade dat Gij zo grimmig zijt.
Tekst
35
We denken dat hij in een vroeger bestaan
Vol deemoed zich schitterend in heeft getoomd
En vroom en meedogend altijd heeft geleefd,
Dat Gij, Levensbron, Uw voldoening nu toont.
Tekst
36
Toch blijft het een raadsel hoe 't komt dat hij 't
zo treft
Dat hem nu het stof van Uw voetenpaar versiert,
Waarvoor Sri, 't Juweel van het vrouwdom, boete
doet,
Geloften naleeft en steeds afziet van plezier.
Tekst
37
Een plaats in het hemelrijk, 't hellebewind,
De siddhi's der yogi's of 't
wereldbestuur
Of vrijheid van wedergeboort' en de dood -
Wie 't stof van Uw voeten heeft doet dat geen
zier.
Tekst
38
Dat kostelijk stof, dat elkeen die 't begeert
In 't rijk der ellenden oneindig verrijkt
Ligt nu op die slaaf van zijn giftige toorn,
Die slangenvorst, telg van het duisternisrijk.
Tekst
39
Aan U, o Alvervulde, eer,
O God en Heer, algrote Ziel,
Woning en Grond van al wat is,
O alverheven Opperziel!
Tekst
40
Heil U, die Kennis, Wijsheid zijt,
Wiens heerschappij geen grenzen heeft!
Niet één omstandigheid heeft vat
Op U, die de natuur beweegt.
Tekst
41
Gij zijt de Tijd en Hem die 'm schraagt
En alle tijdgebeurens kent!
Gij zijt het Al en Hem die 't schept,
Beschouwt en er de Grond van bent!
Tekst
42
Heil U, Stof, Zinnen, Levensstroom,
Gij Wilskracht, Denken en Verstand,
Drievoudig Ego, dat de ziel,
Uw deeltje, van het Zelf wegbant!
In
de Bhagavad-gitâ (7.4) verklaart Krishna
dat de stoffelijke elementen, de geest, het
verstand en het ego afgescheiden energieën
van Hem zijn. Het ego wordt in dit vers
drievoudig genoemd, omdat het bestuurd wordt
door de drie leibanden der stoffelijke
natuur.
Tekst
43
Heil U, o Grenzelooz', al-fijn,
Die tal van meningen verdraagt,
Die alles weet en nimmer wijkt,
Die ieder woord zijt en zijn kracht!
Tekst
44
U, die het kennen kracht verleent,
Het Weten Zelf, der Schriften Heer,
Werk dat verbindt en dat verlost,
U, 't Vedisch onderricht - all' eer!
Tekst
45
Heil U, o Krishna, in Uw Vorm
Van Balarâma, Vâsudev',
Pradyumn' en Aniruddha saam,
Die d' Uwen steeds bescherming geeft!
Sankarshana
(Balarâma), Vâsudeva, Pradyumna en
Aniruddha zijn tezamen Krishna's viervoudige
Expansie die de hele geestelijke en stoffelijke
wereld schraagt.
Tekst
46
Heil Hem die 't innerlijk verlicht
En kleurrijk opdoemt, die vanouds
Door guna's zo versluierd was:
Getuige, die Zichzelf aanschouwt.
Tekst
47
O Schouwer, in Uzelf verrukt,
Die ieder ding manifesteert,
Wiens roem 't verstand te boven gaat,
U, Heer der zinnen, zij all' eer!
Tekst
48
Heil U, die hoog en laag doorgrondt,
Die 't gans' heelal van binnen kent
En ook van buiten, die 't bestuurt
En er de Bron en 't Oog van bent!
Tekst
49
O Heer, door Uw tijdkracht veroorzaakt Gij
onthecht
't Ontstaan en bestaan en vergaan van het
heelal,
En wekt Ge bij iedere ziel haar neiging op
Doordat G' haar slechts aanziet - en zo speelt Gij
Uw Spel.
Tekst
50
Gij speelt in de drieërlei sferen met iedereen
-
Met vreedzamen, ruwen en dwazen gelijk
Maar nu Ge de weg van het heil herstellen komt,
Geeft Gij van Uw voorkeur voor vreedzamen
blijk.
Krishna
is iedereen gelijkgezind, maar legt enige
voorkeur aan de dag jegens de vreedzamen, omdat
zij, in tegenstelling tot de ruwen en dwazen, de
verlossende heilige kennis kunnen bevatten. Voor
de ruwe en de dwaas komt er echter ook een leven
van vreedzaamheid waarin ze Krishna's woorden
zullen kunnen genieten.
Tekst
51
Een meester let niet op een fout
Eenmaal door 'n mindere begaan:
Reken dus deze dwaas, die U
Niet kende, zijn vergrijp niet aan.
Tekst
52
Spaar hem, o alvervulde Heer
De slang is er al haast geweest
Is 't niet hoogst nobel als Gij ons,
Zwakke vrouwen, Uw gunst bewijst?
Tekst
53
Zijn wij niet Uw slavinnen slechts?
Zeg ons wat Gij van ons verlangt,
Want doen wij vol geloof Uw wil,
Dan zijn wij vrij van alle angst.
Shukadeva zei:
Tekst
54
Nadat de slangevrouwenschaar
Krishn' om genade had gesmeekt
Verloste Hij 't zieltogend beest,
Wiens koppen waren murw gebeukt.
Tekst
55
Toen dan de levensgeesten van
Het ondier waren weergekeerd
Vouwde 't zijn poten saam en bad
Hijgend en blazend tot de Heer.
Dat
Kâliya, een slang, poten heeft, doet
vreemd aan. Hij maakt er in elk geval op de best
denkbare wijze gebruik van.
Kâliya
zei:
Tekst
56
Een kwaadgeboren duisterling
Ben ik, o Heer, één en al haat:
't Is haast ondenkbaar dat er ooit
Een eind komt aan die boze staat.
Tekst
57
Uit U is dit heelal gemaakt,
Door de drie guna's der natuur,
Waarin elk schepsel zeer verschilt
Naar aard en kracht en vorm en duur.
Tekst
58
In dat heelal zijn wij, o Heer,
De slangen, uiterst vals en boos:
Hoe komen wij dan zelf, verdwaasd,
Ooit uit Uw taaie Mâyâ los?
Tekst
59
't Kan enkel en alleen door U,
Die alles weet en alles leidt:
Dus schenk mij dan, naar 't U behaagt,
Uw straf of Uw barmhartigheid.
Shukadeva zei:
Tekst
60
Na deze woorden zei de Heer,
Die Zich bewust als mens voordeed:
"Je hebt hier niets te zoeken, slang,
Maak dat je wegkomt naar de zee -
Laat de rivier voor mens en koe -
En neem je kroost en vrouwen mee.
Tekst
61
"De mens die Mijn bevel aan jou
Zowel 's ochtends als 's avonds leest
En het zodoende niet vergeet,
Kent voor jouw soort geen greintje vrees.
Tekst
62
"Wie zich hier baadt, waar 'K heb gespeeld,
Het hemelvolk dit nat aanbiedt
En vast, terwijl hij zich Mij heugt -
Diens zonden gaan totaal teniet.
Tekst
63
"Wanneer Garuda, voor wie j' ooit
Het eiland Ramanak' ontvlood,
Mijn voetafdrukken op je ziet
Brengt hij je zeker niet ter dood."
Tekst
64
Na Krishna's schitterend vertoon
Zo toegesproken door de Heer
Brachten de vrouwen en de slang
Hem overstelpt door blijdschap eer.
Tekst
65
Ze schonken Hem die 't Al bestuurt
De fijnste zij en snoeren van
Saffier en ander' edelsteen,
Reukolie en een leliekrans.
Tekst
66
Hem die Garud' in 't vaandel voert
Vroegen z' aldus om Zijn gena,
Schreden deemoedig om Hem rond,
Bogen en trokken toen vandaar.
Tekst
67
Het hele slangenspul trok blij
Naar 't eiland in de oceaan
Als nectar vloeide 't water weer,
Van Kâliya's vergif ontdaan -
Dankzij 't meedogend mensenspel
Van Heer Sri Krishna Bhagavân.
(bron: S.B.
10.16)
|