|
Shukadeva zei:
Tekst
1
Van plan om t' ontbijten in 't groene
lentewoud,
Blies Krishn' op Zijn koehoorn - Hij was vroeg
opgestaan -
En wekte zo dieren en vriendjes allemaal -
En heen ging de stoet met de kalveren vooraan.
Tekst
2
Met duizenden trokken de jongens, zacht van
hart,
Voorzien van hun etenspak, stok en hoorn en
fluit,
Vol pret ieder achter zijn eigen kudde aan,
Van duizend en meer nog, er met de Heer op uit.
Duizenden
jongens met ieder meer dan duizend kalveren -
dus miljoenen kalveren
Krishna is de
Almachtige die een heelal kan openbaren in een
speldeknop.
Tekst
3
Toen brachten z' al hun kalv'ren saam
Met Krishna's kalv'ren zonder tal
In 't malse gras - en her en der
Bedreven ze hun jongensspel.
Tekst
4
Ze maakten zich met bloemen, blad,
Vruchten en pauweveren mooi,
Al waren z' al met gunja's, goud
En edelsteen volmaakt getooid.
Tekst
5
Ze stalen elkaars etenskorfj'
En wierpen het, betrapt, ver weg,
Naar 'n ander, die 't weer verder smeet -
Op 't laatst gaven ze 't lachend t'rug.
Tekst
6
Als Krishna diep het bos in liep
Om er de schoonheid van te zien,
Wilden ze 'M tikken - "Ik was eerst!"
"Nee, ik!" - en hadden pret voor tien.
Krishna's
bewondering voor de schoonheid van het bos, dat
zoals alles een expansie is van Hemzelf, is
niets anders dan vervoering vanwege Zijn eigen
heerlijkheid.
Tekst
7
Sommige jongens speelden fluit
Of zoemden met de bijen mee,
Anderen bliezen op hun hoorn
Of riepen wat de koekoek zei
Tekst
8
Holden een vogelschaduw na
Of liepen mooi achter de zwaan
Of stonden naast een reiger star,
Dansten achter de pauwen aan
Tekst
9
Of grepen aapjes bij de staart,
Klommen hen na in 't bladerdak,
Trokken daar bekken tegen hen
Of sprongen mee van tak tot tak
Tekst
10
Of hipten met de kikkers rond,
Raakten doorweekt in beek en vliet,
Dreven spot met hun spiegelbeeld,
Scholden hun eigen echo uit.
Tekst
11
Zo speelden z' - als loon voor hun vroomheid - met
Hem
In wie 'n wijze 't zalige Brahman-licht kent,
Die anderen dienen als opperste God
En die de begoochelden zien als een kind.
De
tekst verklaart op vele plaatsen dat het
Brahman-licht Krishna's stralengloed is. Wijzen
(muni's) zijn personen die slechts tot deze
gloed willen doordringen om daarin op te gaan en
zo van de wereld verlost te zijn.
Tekst
12
Al legd' hij zichzelf vele levens zelftucht op,
Geen yogi kreeg 't stof van Zijn voetenpaar te
zien:
Wie schetst dan 't geluk van de inwoners van
Vraj'?
Want daar toonde Krishna zich zó - aan
iedereen!
In
Vraja toonde Krishna Zich in Zijn
oorspronkelijke, transcendente gedaante, die
eeuwig jeugdig is en vervuld van alwetend
bewustzijn en gelukzaligheid.
Tekst
13
Toen dan verscheen Agha, de reuzendemon, daar,
Want d' aanblik van 't kinderspel maakte 'm bijna
dol.
Uit zelfbehoud zocht elke god zijn zwakke plek,
Al was hij van nectar, die 't sterven uitstelt,
vol.
Tekst
14
De demon, die Baki en Baka's broeder was,
Dacht toen hij de jongens met Krishn' in 't oog
kreeg: "Kijk!
Daar heb je de Moordenaar van mijn broer en
zus.
Uit wraak dood ik Hem en Zijn vriendjes
tegelijk."
Agha,
Baki en Baka, optredend in de gedaanten van een
reuzenslang, een reuzenheks (Putanâ) en
een reuzenkraanvogel, door Kamsa op Krishna
afgestuurd om Hem te doden, waren magiërs,
die het vermogen bezaten naar believen van vorm
te veranderen en zich klein of groot te maken.
Zie de toelichting bij 5.44.
Tekst
15
"Breng ik zo mijn eer aan mijn broer en mijn
zus,
Dan is 't volk van Vraja al dood eer het
sterft:
Het leven van mensen is immers hun kroost.
Wat leeft men nog als men zijn kinderen derft?"
Tekst
16
Daarop legde 't monster zich languit op het
pad,
Als slang, met een lengte van bijna negen mijl,
Zo log als een berg, in de hoop het jongensvolk
Naar binnen te slokken in 't donker van zijn
muil:
Tekst
17
Zijn kin op de grond en zijn neus in het zwerk,
Zijn kaken ravijnen, een bergpiek elke tand,
Stikdonker zijn bek, een verkeersweg zijn tong,
Zijn adem één windstoot, zijn oog
één felle brand.
Tekst
18
Toen 't jongensvolkje 'm daar zo vond
Zag 't 'm voor 'n mooi stuk landschap aan,
Ze zeiden speels: " 't Is net een slang!
Zie je zijn kaken openstaan?"
Tekst
19
"Ach vrienden, is dat ding dat daar
Net als een levend beest uitziet,
Met die wijdopen muil, van plan
Ons op te slokken soms of niet?"
Tekst
20
"Een echte bovenkaak lijkt wel
Die wolk die rood ziet van de zon!
En dat is net een onderkaak -
Die zonneweerschijn op de grond."
Tekst
21
"Die beide grotten links en rechts
Zijn bijna mondhoeken - ach kijk! -
Terwijl die hoge piekenrij
Precies op een rij tanden lijkt!"
Tekst
22
"En deze lange, brede weg -
Doet die niet denken aan een tong?
En daar! Is dat niet net een bek -
Die stikdonkere steenspelonk?"
Tekst
23
"En deze hete bosbrandwind
Lijkt adem die zijn muil uit jaagt
En die verrotte beestenlucht
Lijkt wel van vleesbrij in zijn maag
"
Tekst 24
"Gaan w' in hem, of slokt hij ons op? Als hij dat
doet,
Dan wordt hij als Baka meteen in twee gedeeld!"
En lachend naar Krishna liep met luid
handgeklap
De hele stoet schaterend in de slangekeel.
Tekst
25
Toen nu de Bewoner van ieder schepsels hart
D' onnozele jongens zo hoord' en bezig zag
De feiten te looch'nen - er làg een ondier
daar! -
Wou Hij hen weerhouden van hun onwijs gedrag.
Tekst
26
Maar daar liep de stoet al de monsterkaken in
Toch werd er geen jongen of kalf maar
opgeslokt!
De slang lag te wachten op 't Moordenaartje van
Zijn broeder en zuster, zijn hart verteerd door
wrok.
Tekst
27
Toen Krishna, die iedereen moed geeft, hen zag
gaan,
Zo hulpeloos, brandstof voor 't maagzuur van de
dood,
Vertrouwend op Hem slechts, nu buiten Zijn
bereik,
Stond Hij daar vol meelij, verwonderd om dit
lot.
Iedereen
is altijd veilig bij Krishna en er is niets wat
Hij niet weet, dus waarom zou Hij dan vol meelij
en verwondering staan? De Heer toont deze
gevoelens onder meer om Brahmâ en de
goden, die toezien en die de gevoelens in
iemands hart kunnen onderscheiden, te laten
geloven dat Hij een gewoon mensenkind is. Dat
komt Zijn lilâ ten goede, zoals blijken
zal.
Tekst
28
Hij dacht hevig na: "Hoe verpletter Ik 't
gedrocht,
Terwijl 'K die onschuldige zielen leven laat?
Hoe gaat dat mooi samen?" Toen wist Hij 't - en
daar liep
D' Alziende de muil van het monster in,
kordaat.
Krishna's
hevig nadenken moet in hetzelfde licht worden
gezien als Zijn medelijden en verwondering
beschreven in het voorgaande vers.
Tekst
29
Toen riepen uit het wolkendek
De goden angstig "O!" en "Ach!"
Doch Agha's makkers, Kams' en al
Zijn schurken, schoten in de lach.
Tekst
30
Maar 'd alvervuld' Onsterf'lijke
Zwol daad'lijk in het ondier op
Eer 't Hem met heel Zijn vriendenschaar
Tot pulp kon maken in zijn kop.
Tekst
31
Daar 't leven geen uitweg zag floepte 't
ogenpaar
Naar buiten en kronkelde 't slangelijf zo groot
Zich overal rond tot dan eindelijk de ziel
Door 'n gat in het schedeldak uit het monster
vlood.
Tekst
32
Nadat Agha's levensgeest weggeschoten was
Gaf Krishna, die vrijheid schenkt, d' alvervulde
Heer,
Zijn vrienden het leven t'rug, louter door Zijn
blik,
En stapte met hen uit de muil naar buiten weer.
Tekst
33
't Reusachtige licht, uit de schrokker
weggeflitst,
Doorstraalde de hemel tot in de verste streek:
Toen Krishna naar buiten kwam ging het in Hem
op
Terwijl 't hele godenvolk naar 't mirakel keek.
Tekst
34
Dolblij om Zijn daden bracht iedereen Hem eer:
De goden met bloemen, brahmanen met gebed,
De zangers en nimfen met dans, muziek en lied,
Zijn hele gevolg met één
overwinningskreet.
Tekst
35
Toen Brahmâ zo dicht bij zijn woning al die
klank
Van lied en gebed en muziek en het geluid
Van juichkreten hoorde, kwam hij 'r meteen op
af
En stond daar verwonderd van Krishna's
heerlijkheid.
Tekst
36
Verdroogd, o vorst, was lange tijd
Het lichaam van die vreemde slang
Een grot van feestelijk vermaak
Voor Vraja's volk in Vrindâvan'.
Tekst
37
Krishna was vijf toen Hij de slang
Verloste met Zijn vriendenschaar -
Bevreemd vertelden ze 't pas thuis
In Krishna's zesde levensjaar
Hoe
het kwam dat de herdersjongens de geschiedenis
van Agha's wonderbaarlijke verlossing pas na zo
lange tijd aan hun ouders vertelden wordt in de
volgende hoofdstukken verklaard.
Tekst
38
Voor 't kind dat Hij leek was het niets
verwonderlijks -
Hij was toch de Schepper van d' aard' en 't
hemelrond? -
Dat Agha, geheiligd door 's Heren aanraking,
Versmolt met Hem - iets wat geen schurk ooit
ondervond.
Agha's
opgaan in Krishna betekent niet eenwording met
Krishna, omdat nu eenmaal niemand met Krishna
kan één worden. Het wordt meestal
uitgelegd als binnengaan in Brahman, het
geestelijk Licht, dat uit Krishna te voorschijn
straalt.
Tekst
39
Als 't goddelijk heil al te beurt valt aan
degeen
Die Krishna's gedaant' in gedachten gadeslaat,
Hoe treft dan niet hij 't in wie Krishna, eeuwig
blij,
Verdrijver van Mâyâ persoonlijk
binnengaat?
Suta zei:
Tekst
40
O wijzen, nadat nu Parikshit dit verhaal
Van al deze wondere dingen had gehoord
Van Krishna, zijn redder, verzocht hij
Vyâsa's zoon
Om meer van dat heiligs - zozeer was hij
bekoord!
Parikshit zei:
Tekst
41
Hoe kon het dat de jongens pas
Toen Krishna zes was dat verhaal
Berichtten van Zijn vijfde jaar?
't Was toch oud nieuws toen allemaal?
Tekst
42
O meester, grote yogi, spreek,
Ik popel van nieuwsgierigheid
Kwam het door Krishna's toverij?
Ik zie geen and're moog'lijkheid.
Tekst
43
Slechts vorst in naam, ken ik niet
één
Zo rijk bedeeld als ik, o heer:
Van Krishna's heilige verhaal
Schenkt u mij nectar keer op keer.
Suta
zei:
Tekst
44
Door al deze vragen nu raakte Vyâsa's
zoon,
Zich d' Eind'looz' herinnerend, zijn bezinning
kwijt
Toen hij dan, met moeite, zich weer beheersen
kon
Sprak d' eerste der eersten aan Krishna toegewijd
(bron: S.B. 10.12)
|