|
|
|
|

|
Hoofdstuk
5
|

|
GEBONDEN
EN VRIJE ZIELEN
|
De Alvervulde zei:
Tekst
1
Men heet gebonden dan wel vrij
niet in wezen maar naar zijn band
met mâyâ, Mijn begoocheling,
die ook Mijn wezen niet bepaalt.
Tekst
2
Leed en illusie, wel en wee,
geboorte en dood zijn mâyâ
slechts,
als dromen warend door de geest.
De wereld is onwezenlijk.
De
onwezenlijkheid van de kosmos betekent niet
dat ze niet bestáát. Ze is het
onvergankelijk oord van
vergankelijkheid.
Tekst
3
Verlichting en onwetendheid,
die vrij maken en binden, vriend,
komen van oudsher voort uit Mij:
't zijn vormen van Mijn energie.
Tekst
4
't Ene deeltje van Mij, de ziel,
is eindeloos gebonden door
onwetendheid, o schrandere,
waaruit verlichting haar verlost.
Evenals
in de Bhagavad-gîtâ (15.7) noemt
de Alvervulde de ziel of jîva hier een
deeltje of ams'a van Zichzelf. De ziel kan
door onwetendheid gebonden raken en door
kennis of verlichting verlost; de Alvervulde
echter, de Opperziel staat boven deze invloed
van onwetendheid en verlichting, die immers
slechts vormen van Zijn energie zijn (vers
3). De ziel en de Opperziel zijn naar puur
spiritueel gehalte één, maar
verschillen eeuwig van elkaar in positie. De
Bhagavad-gîtâ maakt duidelijk
(15.16-17) dat de Opperziel als Hoogste
Persoon niet alleen boven de gebonden ziel
verheven is maar ook boven de vrije.
Tekst
5
Nu leer Ik je 't verschil tussen
de vrije en de gebondene,
die als elkanders tegendeel
verblijven in een eender lijf.
Tekst
6
Ze zijn als een tweetal verwante vogels
in eendere bomen terecht gekomen:
de ene eet van de vruchten die rondom hangen
maar de andere eet niet doch blijft steeds de
sterkste.
De
vogels zijn van eendere pluimage: ze zijn als
ziel aan elkaar gelijk. De bomen - de
stoffelijke omhulsels - zijn ook eender,
omdat ze beide bestaan uit de vijf
stoffelijke elementen. De gebonden ziel
echter is gehecht aan de vruchten van de
zinsobjecten, terwijl de vrije ziel er niet
naar taalt.
Tekst
7
Van hen kent die níet eet zichzelf
èn de ander,
die wel van de vrucht eet maar de ene niet kent
't Onwetende dier blijft voorgoed gebonden
terwijl het verlichte dier eeuwig vrij is.
Door
zijn staat van verlichtheid kent de onthechte
de gehechte, doordat hij diens toestand van
haver tot gort heeft doorleefd; terwijl de
gehechte, onophoudelijk in zingenot opgaand,
geen idee heeft dat er zoiets als verlichting
bestaat.
Tekst
8
'n Verlichte is los van 't lijf waarin
hij woont, als uit een droom ontwaakt;
maar 'n onverlichte, los ervan,
waant zich erìn, als in een droom.
Tekst
9
't Gewoel van zin en zinsobject
verwekt door de drie leibanden,
steeds op elkander inwerkend,
beïnvloedt de verlichte niet.
Tekst
10
De dwaas in 't lijf dat hij ontving
voor vroeger karma onder dwang
der leibanden denkt: 'Zie míj
dóen!'
Zo blijft hij een gebondene.
Vergelijk
Bhagavad-gîtâ 3.27.
Tekst
11
Terwijl ze ligt of loopt of zit,
iets aanraakt of zich baadt of ruikt
of om zich heen kijkt, hoort of eet
laat de verlichte ziel bedaard
Tekst
12
Zonder dat ze gebonden raakt,
haar zinnen al maar 't hunne doen,
en blijft, al woont ze in 't lijf, zo
vrijdag
als wind en zonlicht en de lucht.
Tekst
13
Door 't helderst inzicht, want onthecht,
sluit de wijze alle twijfel uit
en wendt zich af, als van een droom,
van veelheid en verscheidenheid.
Tekst
14
Wie zinnen, kracht, geest en verstand
vrij van verlangen werken laat,
die is voorwaar volmaakt verlost
al zit hij nog in 't lichaam vast.
Tekst
15
Nu eens ontvangt het lichaam eer,
dan weer is er een woesteling
die het mishandelt en verwondt:
de wijze blijft onaangedaan.
Tekst
16
De wijze, vrij van goed en kwaad
ziet ieder met gelijke blik
en looft noch laakt wie goed of kwaad
in woord of daad bedreven heeft.
Tekst
17
Woordeloos alsook dadenloos,
niet denkend meer van 'goed' en 'kwaad',
gaat hij verrukt op in het Zelf
terwijl hij ronddoolt als een dwaas.
Tekst
18
Een droge koe of kwaaie vrouw verzorgen,
een horig lichaam of ontaarde zonen,
verkeerd met geld omgaan en nimmer spreken
van Mij, de Heer, is louter leed en
rampspoed.
Tekst
20
De taal die Mijn verheffend spel niet
weergeeft
van wereldschepping, -onderhoud en
-einde
en van Mijn blije komst als avatâra
is voor de wijze niets dan loos gezwatel.
Tekst
21
Bemerkt de zoeker dat het Zelf
gespeend is van verscheidenheid,
dan keert hij in en richt zijn geest,
thans puur, op Mij, die alom ben.
Tekst
22
Ben je er niet toe in staat je geest
onwankelbaar te richten op
het Zelf, wijd dan belangeloos
al wat je doet alleen aan Mij.
Tekst
23
Hoor vol geloof naar 't zegenrijk
en louterend verhaal van Mij,
heug je en bezing Mijn komst en werk
en beeld ze liefdevol steeds uit
Tekst
24
Zoek je genot in 't geestelijke
om Mij
Laat Mij je toevlucht zijn
Zo, Uddhava, blijf je onverstoord
Mij, de Eeuwige, steeds toegewijd.
De
verzen 21 tot en met 24 geven aan dat zij die
het moeilijk vinden zich onwankelbaar op het
als abstract ervaren Zelf te concentreren,
zich even goed of nog beter kunnen richten op
de concrete Persoon van de Alvervulde, wiens
kaleidoscopisch bonte bovenwereldse
activiteiten de dwaalzieke geest vanzelf tot
zich aantrekken. Door zich op de aangegeven
manieren (aanhoring, heugenis,
verheerlijking, uitbeelding enz.) van de
zaligheid van die activiteiten te
doordrenken, raakt men spelenderwijs vervuld
van de Alvervulde, Krishna, die eeuwig
één is met het Zelf, dat door
Hem omvat en geschraagd wordt
(Bhagavad-gîtâ 14.27).
Tekst
25
Wie toegewijd dankzij 't verkeer
met toegewijden Mij vereert
bereikt voorzeker moeiteloos
Mijn Oord, dat zij hem laten zien.
Opgaan
tot het Eigenste Zelf, in de Gedaante van de
Alvervulde, kan de aspirant slechts door de
genade van Zijn toegewijde dienaars, die hem
de goddelijke liefde overdragen. Dienstbare
omgang met zuivere toegewijden van de Heer is
de zekerste en eenvoudigste uitweg uit de
materiële wereld.
Uddhava zei:
Tekst
26
O Onvolprezene, wie is
een toegewijde en wat voor dienst
ziet hij als bovenzinnelijk
en 't waard dat ze aan U wordt gewijd?
Tekst
27
O Heer der goden, Heer van al,
van iedere planeet en sfeer,
verklaar dit toch aan mij, die U
met hart en ziel ben toegedaan.
Tekst
28
Gij zijt het Hoogste Brahman puur,
de transcendente Godspersoon,
op aarde neergedaald, o Heer,
uit eigen wil, in eigen Vorm.
Met
Krishna's instemming, want onweersproken,
identificeert Uddhava de Godspersoon met
Brahman, de Geest, en betitelt Hem als de
hoogste essentie daarvan: het Hoogste
Brahman. Dit Hoogste Brahman openbaart een
hoogsteigen Vorm: de wondermooie
Krishna-gedaante. Een Indische vertaler van
dit vers vertaalt het woord avatirna, hier
neutraal weergegeven met 'neergedaald',
met 'geïncarneerd', aldus
suggererend dat Krishna's gedaante stoffelijk
zou zijn; een andere interpoleert tussen
haakjes, met dezelfde intentie, dat Krishna's
gedaante 'vergankelijk' zou zijn. Beide
vertalingen zijn in strijd met het gegeven
uit ons Bhâgavata Purâna dat
Vasudeva, die de rol van Krishna's vader
speelt, tot Hem zegt: 'Zo wordt nu ook Gij,
hoewel zichtbaar in de stof, op generlei
wijze door 't stoffelijke beperkt.' (10.3.17)
En over Krishna's heengaan uit de wereld zegt
het Bhâgavata Purâna dat de Heer
geen stoffelijke resten heeft achtergelaten
(11.31.6): 'Zijn lichaam, vreugde van 't
heelal, 't genot van al wie mediteert, steeg
naar Zijn Oord, in evenwicht, zonder door
vuur te zijn verast.' Weliswaar bevatten
diverse huidige Bhâgavata-uitgaven als
vers 1.15.34 een tekst die verklaart dat
Krishna bij Zijn heengaan een stoffelijk
omhulsel achterliet; maar in het oudst
bekende manuscript, bewaard in de Saraswati
Bhavan Library van het Queen's College te
Benares, ontbreekt dit vers, zodat het als
een latere - onmiskenbaar anticontextuele -
interpolatie mag worden beschouwd.
De Alvervulde zei:
Tekst
29
Een toegewijde is vriendelijk,
geweldloos, eerlijk, onjaloers,
verdraagzaam jegens al wat leeft,
bedaard, op ieders welzijn uit
Tekst
30
Beheerst, niet door genot verblind,
zachtmoedig, sober, vreedzaam, rein,
bezitloos, vrij van inspanning,
evenwichtig, aan Mij gehecht
Tekst
31
Diepzinnig, nergens door verdwaasd,
't zesvoudig leed de baas, geleerd,
eerbiedig, nederig, constant,
stil, altruïstisch, schrander, mild.
Het
zesvoudig leed is dat van honger, dorst,
ellende, verwarring, ouderdom en dood.
Tekst
32
Wie nu om Mij zijn plichten laat,
door Mij getoond, wel wetend wat
voor goeds hij mist of kwaads hij doet,
is van de zuiveren het best.
Tekst
33
Ook al weet iemand niet van Mij
hoe groot Ik ben of wat Ik ben,
als hij Me liefdevol aanbidt
is hij Mij 't meeste toegewijd.
De
hieronder volgende verzen 34 tot en met 40
vormen een opsomming van de veelzijdige
activiteiten en gemoedsgesteldheden waardoor
een aspirant op het pad der toewijding zich
welhaast spelenderwijs kan binden aan de
Alvervulde en daardoor onmerkbaar ontkomen
aan de tantaluskwelling van het
materiële bestaan. Veelvuldig zijn
daarbij de vermeldingen met betrekking tot
tempel en altaarbeeld. Op dit onderwerp gaat
hoofdstuk 21 dieper in.
Tekst
34
't Aanschouwen, eren, aanraken
van toegewijde en altaarbeeld,
hen dienen, lof en eerbied voor
al wat Ik doe en wie Ik ben
Tekst
35
Graag horen en zich heugen wat
er over Mij verkondigd wordt,
Mij alles schenken wat men heeft
en overgave in dienstbaarheid
Tekst
36
Spreken over Mijn komst en werk,
zowel Mijn tempelfestivals
als heilige dagen vieren met
verheerlijking en zang en dans
Tekst
37
'n Processie op het jaarlijks feest
organiseren, offeren,
zich laten inwijden en Mij
geloftenvast tot dienaar zijn
Tekst
38
Zowel zelf als met anderen
Mijn Beelden plaatsen vol geloof
en rond de tempel tot Mijn eer
bongerds aanleggen, park en tuin
Tekst
39
Mijn tempel rein houden en rijk
besprenkelen met reukwater
en hem verluchten als een waar
en simpel dienaar van de Heer
Tekst
40
Vrij van zelfzucht, schijnheiligheid
en hovaardij en zonder Mij,
al is 't het lampjeslicht, opnieuw
zijn offergaven te offeren.
Wie
steeds weer bepaalde reeds geofferde
offergaven offert, houdt de rest achter voor
zichzelf en is niet meer dan een ritualist.
Een waarachtige toegewijde wijdt
onophoudelijk alles wat hij heeft aan zijn
dienst aan de Alvervulde. Het lampjeslicht,
genoemd in dit vers, is dat van het
offerlampje, brandend op boterolie, dat
eerbiedig om de voeten, de navel, het hoofd
en de hele gedaante van Krishna's altaarbeeld
wordt rondbewogen. Na eerbetoon met het
offerlampje wordt het vuur aan de
tempelgangers aangeboden, die hun
vingertoppen erdoorheen bewegen en daarmee
vervolgens hun voorhoofd, gezicht en borst
louteren. Als het vuur aldus door is
aangeraakt, kan het niet opnieuw worden
aangeboden; ook indien geen mens het vuur
heeft aangeraakt, mag dezelfde boterolie, na
gedoofd te zijn, niet opnieuw worden
aangestoken en kaan Krishna aangeboden.
Alleen een vers ontstoken 'ongerepte'
boterolievlam kan geofferd worden.
Tekst
41
Ja, wat men hier op aarde 't meest
begeert en koestert en bemint
offere men aan Mij alleen:
zo worde men onsterfelijk.
Tekst
42
Ik ben vereerbaar, Uddhava,
in zon, vuur, water, koe, brahmaan,
in toegewijde, lucht, wind, lijf,
in aarde en alle schepselen:
Tekst
43
Met Veda-zangen in de zon,
met boter in het offervuur.
met rijk onthaal in de brahmaan,
met gras en groenvoer in de koe
Tekst
44
Met warme vriendschap en respect
in toegewijden van de Heer,
met meditatie in de lucht,
met plengwater en dergelijke]
in water en met dankbaarheid
voor de adem in zich in de wind
Tekst
45
In de aarde met een mantra-reeks,
in 't lijf met toegestaan gerief
en in elk schepsel met de blik
die Mij als 't Zelf in ieder ziet.
Tekst
46
Zo ere en zie men Me overal
vertegenwoordigd in de Vorm
met de vier handen waarin knots,
kinkhoorn, werpschijf en lotusbloem.
Tijdens
het gehele onderricht aan Uddhava toont
Krishna Zich aan hem in Zijn vierarmige
Vishnu- of Vâsudeva-gedaante. In deze
Gedaante is het ook dat Krishna, alleen
zichtbaar voor Zijn volmaakt verloste
dienaars en door sommige van hen inderdaad
ook waargenomen, Zich alom in de kosmos
ophoudt. Hoewel de Alvervulde immer
één is, is Hij door Zijn
geestelijke wondermacht in het hart van ieder
individueel schepsel apart tegenwoordig in
Zijn Vishnu-gedaante. Zo vergezelt Hij ieder
levend wezen door al Zijn incarnaties heen
als Getuige en Vriend en uiteindelijk ook,
voor de ziel die zich loutert, als de
Innerlijke Leraar: het Zelf, de
Opperziel.
Tekst
47
Wie door zijn werk en offers zo
alle aandacht wijdt aan Mij, verwerft
zich ware liefde en heugt zich Mij
door Zijn volkomen dienstbaarheid.
Tekst
48
Er is geen andere uitweg hier
dan 't liefdespad in omgang met
Mijn toegewijden, Uddhava:
de ware levensweg ben Ik.
Met
het woord 'liefde' in de voorgaande twee
verzen wordt het Sanskriet woord bhakti
vertaald. Bhakti is van toewijding en
dienstbaarheid vervulde zuivere liefde. Geen
enkel geestelijk pad leidt tot verlossing als
het verstoken is van liefdevolle toewijding
jegens Krishna, God Zelf, de Hoogste Persoon
(Bhagavad-gîtâ 15.17-20), die
hier tot Uddhava spreekt en van wie Jahweh,
God de Vader en Allah min of meer gezichtloze
Aspecten zijn.
Tekst
49
Yadu's geluk, hoor nu van Mij
dit diepst geheim: 'K onthul het je,
al is 't nog zo vertrouwelijk,
omdat je Mij in vriendschap dient.
Evenals
in de Bhagavad-gîtâ luidt Krishna
hier een diep geheime en vertrouwelijke
lering in met de verklaring dat Hij haar
slechts openbaart omdat Hij verzekerd is van
het liefdevolle respect van Zijn
gespreksgenoot. Zo zegt de Heer aan het eind
van de (18.67): 'Geen woord hiervan tot wie
dan ook, die tucht noch toewijding vertoont,
die geen gehoorzaamheid betracht en die voor
Mij slechts afgunst kent.' Wie zich niet voor
Krishna weet te verootmoedigen, kan de
Bhagavad-gîtâ en
Uddhava-gîtâ beter voor later
bewaren. Een verstandig mens gebruikt een
medicijn alleen als hij beseft dat hij ziek
is; als hij in de heilzame werking van het
aangeboden medicijn geloofd; en als hem
de gebruiksaanwijzing bekend is, zodat hij
zich daar strikt aan houden kan.
(Bron: S.B.
11.11)
|
|