De
brahmaan zei:
Tekst
1
Als iemand graag iets hebben wil
leidt dat alleen maar tot verdriet.
Eeuwig geluk kent wie dit weet
en zich van alles heeft onthecht.
Tekst
2
Een adelaar met prooi werd eens
door soortgenoten opgejaagd.
Toen hij zijn prooidier vallen liet
ervoer hij plotseling geluk.
Tekst
3
'k Sta los van eer en schande en van
de zorg om have en goed en kroost:
verrukt van 't Zelf, mijn speeldomein,
dwaal ik er als een kind in rond.
Tekst
4
Geheel zonder benauwenis
en zielsverrukt zijn er slechts twee:
't onnozel en onwetend kind
en hij die alle banden slaakt.
Bedoelde
banden (guna's) zijn de snoeren waarmee de
stoffelijke natuur de zielen aan zich bindt.
Ze worden in hoofdstuk 14 van de
Bhagavad-gîtâ beschreven als
doffe onwetendheid (tamas), vurig zelfzuchtig
streven (rajas) en zelftevreden zuiverheid
(sattva).
Tekst
5
Een meisje was eens thuis alleen
toen mensen kwamen kijken of
ze 'n goede bruid was voor hun zoon.
Ze ontving ze met gepast respect.
Tekst
6
Toen ze zich afzonderde, vorst,
om rijst te stampen voor hun maal
maakten haar simpele armbanden,
slechts kinkhoornringen, veel lawaai.
Het
meisje droeg, zoals dat in traditioneel India
nog steeds bij meisjes en vrouwen het geval
is, aan elke onderarm een rij armbanden. Als
een ongehuwd meisje geen zilveren of gouden
armbanden draagt, duidt dat op de schamele
financiële positie van haar
vader.
Tekst
7
Verlegen dacht ze dat men zo
maar min zou denken over haar
en pienter brak ze de armbanden
op vier na van haar polsen af.
Tekst
8
Maar met nog twee om elke pols
maakte ze al stampend nòg geluid.
Ze nam er links en rechts een weg:
zo bleef het bij het stampen stil.
Tekst
9
Dit nu heb ik van haar geleerd,
o vijandenbedwinger, vorst,
terwijl ik, op de waarheid uit,
overal door de wereld ging:
Tekst
10
Veel volk bijeen? Niets dan kabaal!
Slechts twee bijeen? Ook loos geluid!
Blijf daarom liever maar alleen
zoals één armband aan een
pols.
Tekst
11
Men richte zich slechts op één
ding,
beheerst van adem en van lijf,
waarbij men zich steeds meer onthecht
en zich vol aandacht concentreert.
Tekst
12
Wanneer de geest hecht is gericht op 't Zelf
slechts
zal 't karma-stof stilaan geheel verdwijnen;
daar sattva toeneemt al maar, doven rajas
en tamas, als een vuur beroofd van
brandhout.
Tekst
13
Wie zo in 't Zelf opgaat ziet geen verschil
meer
in wat zijn geest binnen of buiten
waarneemt,
zoals de pijlsmid, in zijn werk verzonken,
totaal niet opmerkt dat de keizer langskomt.
Tekst
14
Een wijze reist alleen en stil;
hij kent geen eigen huis en blijft
ter zijde van 't gewoel, alert,
en geeft zich met geen daad ooit bloot.
Tekst
15
Wie 'n huis bouwt voor 't vergankelijk lijf
verricht slechts moeizaam, ijdel werk,
terwijl een slang riant verblijft
in 't gat door 'n ander uitgehold.
Tekst
16
Alleen Nârâyana is God,
geen ander is gelijk aan Hem,
de Heer, die door Zijn eigen macht
het gans heelal Zelf schept en schraagt
en 't door Zijn tijdsaspect tot slot
geheel weer tot Zich in laat gaan.
Tekst
17
Wanneer Hij door Zijn eigen tijd
de leibanden heft stilgelegd
en als de Hoogste Godspersoon
de stof in oertoestand regeert
Tekst
18
Verheven boven mens en god
bestaat Hij als verrukking puur,
louter verlossing, naar het heet,
allesomvattend, onbegrensd.
Tekst
19
O koning, door Zijn eigen kracht
laat Hij Zijn mâyâ werken weer
met haar drie leibanden en brengt
zo eerst het mahat-tattva voort.
Het
mahat-tattva is het materiële principe
in de vorm van de atomische 'oersoep', die
uit de Hoogste Godspersoon,
Nârâyana, emaneert en gescheiden
van Hem voortbestaat.
Tekst
20
Dat schept door deze leibanden,
zo wordt gezegd, dit bont heelal,
dat erdoorheen ligt uitgestrekt
en waar de ziel in rondverhuist.
Ons
heelal en de talloze overige heelallen
drijven in het mahat-tattva als
schuimbelletjes op de golven van de
oceaan.
Tekst
21
Gelijk de spin zó uit zichzelf
haar dradenweb te voorschijn weeft
en het weer terugwindt na haar spel,
zo doet de Heer met het heelal.
Tekst
22
Op welke levensvorm de ziel
haar geest ook maar volkomen richt,
hetzij vol liefde of angst of haat,
die vorm zal zij dan binnengaan.
Tekst
23
O vorst, het larfje door een wesp
geborgen in de raat denkt steeds
maar aan de wesp en wòrdt een wesp,
waartoe 't zijn lijfje transformeert.
Tekst
24
Zo hebben deze leraren
mij in de kennis onderricht.
Hoor ook van mij, Heer, wat ik van
mijn eigen lichaam heb geleerd.
Tekst
25
Mijn lichaam leert me me te onthechten en te
onderscheiden,
aan leed gekluisterd als het is door geboorte en
sterven;
Hoewel 't me helpt om tal van waarheden te
onderkennen,
is 't niet van mij - en dat idee laat me
onthecht mijn weg gaan.
Tekst
26
Wie wil genieten en zijn woning met vrouw,
kroost, dieren,
bezit en vrienden wil verzorgen, moet al maar
sloven;
wanneer dan 't lichaam het begeeft, zit men vol
met karma,
zoals een boom wanneer hij sterft massa's zaad
gezet heeft.
Tekst
27
Door tong en maag, door oor en neus alsook door
't geslachtsdeel,
door huid en dorst en flikkerogen en
ledematen
naar her en der gesleurd, is 't lichaam een heer
des huizes
met vele bijvrouwen die allemaal aan hem
sjorren.
Tekst
28
Toen God de schepping had gemaakt door Zijn
alvermogen -
van vogels, zoogdieren, reptielen, insecten,
vissen
en bomen - was Hij ontevreden; de Heer was bij
pas
toen Hij de mens geschapen had, die het Licht
kan schouwen.
Tekst
29
Het schaarse mensenlichaam, kostbaar in al zijn
zwakheid,
ontvangt men pas na vele duizenden
wederkomsten:
zo lang het leeft zoeke de wijze er het Hoogste
Goed mee;
geen zingenot, dat zelfs een dier moeiteloos kan
vinden.
Tekst
30
Aldus van elke band verlost,
van ego en gehechtheid vrij,
dwaal ik in kennis van het Zelf
verlicht over de wereld rond.
Tekst
31
Volkomen kennis hecht en sterk
ontvangt men van één leraar
niet:
de ondeelbaar ene Waarheid is
op velerlei manier geschouwd.
Onder
'volkomen kennis' wordt verstaan: kennis tot
in de kleinste details en de fijnste nuances.
Elke leraar onderricht de basiskennis:
1. we zijn niet het vergankelijke lichaam
maar de eeuwige ziel;
2. door ons karma worden we steeds
wedergeboren in dit tranendal;
3. we raken vrij van karma en dus van
wedergeboorte en dood door zelfvergeten
liefdedienst aan het Zelf, de
Opperheer.
Geen twee leraren echter verstrekken deze
basiskennis met dezelfde kennisdetails en
-nuances. Elk van hen heeft zijn eigen
realisatie en eruditie en didactiek. Het is
daarom voor de versterking van zijn
realisatie van belang dat een aspirant naast
zijn initiator - uiteraard niet zonder diens
zegen - andere leraren aanhoort en
dient.
De Alvervulde
zei:
Niet minder blij dan toen hij kwam
nam de avadhûta afscheid van
vorst Yadu, die hem eerde en prees
en zich ter aarde voor hem boog.
Tekst
33
Toen Yadu, stamvader van Mijn
familie, zo was onderricht
werd hij sereen van geest en hart
en raakte hij geheel onthecht.
(Bron: S.B.
11.9)