Uddhava zei:
Tekst
1
Acyuta, 't yoga-pad lijkt mij
zeer zwaar voor 'n onbeteugeld mens.
Verklaar me in klare taal hoe men
eenvoudig tot volmaaktheid komt.
Tekst
2
O Heer, vaak wordt een aspirant
het moe zijn geest te breidelen
of raakt hij, wanneer hij hem niet
kan temmen, danig gefrustreerd.
Tekst
3
Die klaar zijn van geest zoeken hun geluk steeds
bij
die bron van verrukking, Uw lotusvoetenpaar,
en nooit arrogant om succes in yog' of werk,
o Heer van 't heelal, zijn ze van Uw
mâyâ vrij.
Tekst
4
Geen wonder is Uw innige omgang, o Vriend van
allen,
met Uw getrouwen, die geen andere toevlucht
kennen,
o Kameraad van aap en beer, naar wiens
voetenbankje
de grote goden zelfs hun blinkende kronen
nijgen.
Als
de avatâra Râma sloot de
Alvervulde innige vriendschap met apen en
beren zoals Hanumân en
Jâmbavân.
Tekst
5
O lieve Heer, die aan Uw dienaars niets kunt
onthouden,
zal wie Uw goedheid kent het wagen U te
verwerpen?
Wie kan U, Alziel, om wat zingenot ooit
vergeten?
Kan wie Uw voetenstof vereert ook maar iets
ontberen?
Tekst
6
Al leefden ze eeuwig, dan nòg konden
wijzen, steeds blijer
U al maar heugend om Uw daden, U niet
bedanken,
die als de leraar in hun hart èn als die
van buiten
de mens van ongeluk verlost en hem 't pad tot U
wijst.
De
leraar in het hart is de Opperziel. Hij wijst
in vluchtig contact de naar verlossing
hunkerende ziel de weg naar de uiterlijke
leraar, de guru of âcârya. Deze
brengt de gebonden ziel vervolgens in
wezenlijk contact met de Opperziel, waarna ze
desgewenst zelf als leraar kan
optreden.
S'ukadeva zei:
Tekst
7
Op Uddhava's zeer liefdevolle vragen
sprak Hij voor wie 't heelal een speeltje is, de
Oerheer,
die S'iv' en Brahmâ openbaart en
Vishnu,
met tedere en bedwelmend mooie glimlach:
De
zinsnede 'die S'iv' en Brahmâ openbaart
en Vishnu' is een explicatieve weergave van
de woorden sva-s'aktibhih
grihita-mûrti-traya. Zo letterlijk
mogelijk vertaald staat hier: 'door eigen
(sva) vermogen(s) (s'aktibhih) drie (traya)
gedaanten (mûrti) aangenomen
hebbend (grihîta)'. Met deze 'drie
gedaanten' worden Brahmâ, Vishnu en
S'iva bedoeld, de drie grote Heren van de
kosmos. Dit vers verleent dus vaste grond aan
de opvatting dat Krishna, die vanuit beperkt
perspectief avatâra van Vishnu is, in
breed perspectief avatâri (nederlater)
van Vishnu is. De woorden sva-s'aktibhih,
door eigen vermogen, benadrukken dat. Zoals
Vishnu Hem laat neerdalen, laat Hij Vishnu
neerdalen. Hoe dat kan, wordt verklaard in de
Brahma-samhitâ. Daarin roemt
Brahmâ, de schepper, in een reeks
lofzangen Govinda of Krishna als de
âdi-Purushah, de Oerpersoon of Oerheer.
Vanuit de hoogste geestelijke dimensie,
Goloka, zo laat Brahmâ weten, zendt
Govinda via diverse intermediaire emanaties
in elk heelal een Vishnu-avatâra neer
als Opperheer. Als Govinda dan Zelf in een
heelal verschijnt als Krishna, doet Hij dat
via Vishnu, zodat Hij 'slechts' een
avatâra van Hem lijkt. Deze handelwijze
is uiteraard majesteitelijk Spel.
De Alvervulde zei:
Tekst
8
Ja, 'k leg je nu Mijn dharma uit,
zo heilrijk dat de sterveling
die hem gelovig volgt de dood,
niet te verslaan haast, overwint.
Tekst
9
't Bewustzijn aan Mij toegewijd,
naar geest en lichaam opgaand in
Mijn dharma, doet hij al zijn werk
voor Mij, terwijl hij zich Mij heugt.
Tekst
10
Hij zoekt zijn heil in 't heilig oord,
de toevlucht van Mijn bhakta-volk.
Alom in de drie werelden
volgt hij Mijn toegewijden na.
Ook
in de wereld van de demonen of titanen komen
toegewijden voor, zoals de heilige
Prahlâda, zoon van de aartsdemon
Hiranyakas'ipu.
Tekst
11
Alleen ofwel met anderen
viert hij de vasten en elk feest
dat Mij gedenkt met zang en dans
en verdere verheven praal.
Tekst
12
Zuiver van hart beziet hij Mij,
die in en buiten alles ben
en als de lucht zo onverhuld,
als 't Zelf in ieder en zichzelf.
De
zinsnede ' 't Zelf (
) in zichzelf'
(âtmânam âtmani)
duidt enerzijds aan dat het kleine zelf innig
met het grote Zelf verbonden is, anderzijds
dat het in weerwil van die intense
verbondenheid niet geheel met het grote Zelf
te identificeren valt. Volgens dit vers dient
immers het kleine zelf (subject) het grote
Zelf (object) te zien, hetgeen een zekere
mate van tweeheid aangeeft. Hier is sprake
van het zogenaamde
acintya-bhedâbheda-tattva, het
waarheidsprincipe (tattva) volgens hetwelk de
ziel op onvoorstelbare wijze (acintya) zowel
ongelijk (bheda) als gelijk (abheda) is aan
het Zelf, de Opperziel, de Alvervulde. Dit
acintya-bhedâbheda-tattva is
geformuleerd door S'rî Caitanya
Mahâprabhu als de zuiver
theïstische Vedânta of
Veda-conclusie. Het staat welbeargumenteerd
vierkant afwijzend tegenover de uiterst
invloedrijke advaita-vedânta van
S'rî Sankarâcârya, die
goeddeels buiten de Vedische geschriften
om
1. zowel de kosmos als de Alvervulde als
begoocheling ziet,
2. alleen Brahman als werkelijkheid aanvaardt
en
3. bhakti opvat als een methode, inferieur
aan atheïstische jn'âna, met
behulp waarvan de ziel spoorloos in Brahman
kan opgaan.
Tekst
13
Wie aldus al 't geschapene
volgens de hoogste kennis als
doortrokken van Mijn wezen ziet
en aldus eert, o Uddhava
Twee
monistische vertalers vertalen de zinsnede
'doortrokken van Mijn wezen' ten onrechte met
'identiek met Mij' en 'als Mijzelf'. Beide
vertalingen negeren de context. Het Sanskriet
zegt: mad-bhâvena, wat letterlijk
betekent: 'door Mijn wezen', en wel in
instrumentale zin. De Nederlandse herdichter
laat er de woorden 'doortrokken van' aan
vooraf gaan, ten einde de instrumentaliteit
van mad-bhâvena te honoreren.
Tekst
14
Met eendere blik in een brahmaan,
in diens patroon, in schooier, dief,
in zon en vonk, vijand en vriend,
die wordt door Mij als wijs beschouwd.
Tekst
15
Wie Mij altijd aanwezig ziet
in iedereen verliest al gauw
afgunst, grofheid, rivaliteit
en alles wat naar ego zweemt.
Tekst
16
Al hoont men hem, hij ziet slechts nog
het geestelijke en zonder schroom
laat hij zich plat terneer vallen
voor ezel, schooier, hond en koe.
Tekst
17
Zolang hij in al wat bestaat
Mijn wezen niet verschijnen ziet
zet hij zo zijn verering voort
in denken, spreken, handelen.
Tekst
18
Wanneer hij 't Zelf in alles kent
doemt Brahman rondom voor hem op
en vrij van twijfel door die blik
verzaakt hij 't streven naar gewin.
Tekst
19
Ik zie de geestelijke weg
van 't Mij-ervaren-in-elkeen
in denken, spreken, handelen
als 't hoogste pad van allemaal.
Tekst
20
Mijn vriend, wie deze dharma volgt,
die Ik volmaakt gevestigd heb,
transcendent en begeerteloos,
gaat er geen stap op achteruit.
Tekst
21
Mijn beste, wat men doet voor Mij,
de Hoogste, zonder winstbejag,
hoe nietig ook, al is 't uit vrees,
behoort slechts aan Mijn dharma toe.
Tekst
22
Dat nu is ware schranderheid
en wijsheid dat men hier en nu
Mij, die de Ware en Eeuwige ben,
door 't valse en tijdelijke vindt.
Tekst
23
Zo heb Ik je globaal alsook
gedetailleerd alles verklaard
wat Brahman aangaat, hetgeen zelfs
een god maar moeilijk vatten kan.
Tekst
24
'k Heb je de kennis keer op keer
helder en logisch uitgelegd.
Wie haar doorgronden kan is vrij
van twijfel en weet zich verlost.
Tekst
25
Wie nu de vragen koestert die
jij stelde alsook Mijn antwoorden,
komt bij het Hoogste Brahman uit,
dat het geheim der Veda's is.
Zowel
in de Bhâgavata Purâna als in de
Bhagavad-gîtâ wordt met de term
Hoogste Brahman steeds de Godspersoon
bedoeld.
Tekst
26
Aan wie dit alles gul en breed
aan Mijn getrouwen onderricht
lever Ik Me vrijwillig uit
omdat hij 't Brahman-licht verbreidt.
Tekst
27
Wie dit, hoogst louterend en puur,
dag in, dag uit, steeds reciteert,
zuivert zichzelf doordat hij Mij
door 't licht der kennis zichtbaar maakt.
Tekst
28
Wie onverward en vol geloof
geregeld deze woorden hoort
en Me zijn liefde aldus bewijst
komt stilaan van zijn karma los.
Tekst
29
O Uddhava, Mijn vriend, is 't jou
nu duidelijk wat Brahman is?
Ben je nu van illusie vrij
en van die droefenis van hart?
Tekst
30
Spreek hiervan niet tot iemand die
schijnheilig is, zonder geloof,
niet luistert en oneerlijk is,
laaghartig en niet toegewijd.
Tekst
31
Spreek wèl tot de brahmanenvriend,
die zulke fouten mist en rein
en vriendelijk is, en ook tot vrouw
en s'ûdra, indien toegewijd.
Anders
dan de traditionele Vedische leraren, die hun
onderricht alleen doorgeven aan een select
gehoor van mannelijke ingewijden uit de
hogere kasten, stelt Krishna geen enkele
elitaristische voorwaarde aan Zijn gehoor.
Iedereen, mits toegewijd, komt in aanmerking
voor het ontvangen van Zijn boodschap. Een
toegewijde s'ûdra of vrouw, uitgesloten
van het traditionele Vedische onderricht, mag
alles horen wat Hij te zeggen heeft, terwijl
aan een niet-toegewijde brahmaan, kshatriya
of vais'ya met zijn kaste-poeha het grote
bhakti-geheim onthouden dient te blijven.
Krishna let niet op externe status maar op de
innerlijke gesteldheid.
Tekst
32
De weetgierige die 't begrijpt
hoeft verder niets te weten meer.
Wie taalt er nog naar andere drank
als hij de zoetste nectar proeft?
Tekst
33
Wat iemand maar bereiken kan
in jn'âna, karma, yog' alsook
werelds bedrijf en politiek,
dat ben Ik allemaal voor jou.
Tekst
34
Wanneer een sterveling zijn karma loslaat
en slechts voor Mij leeft, wil Ik hem
verhogen:
als hij de onsterfelijkheid bereikt, is hij er
rijp voor
dat hij door Mij zijn eigenste natuur vindt.
Monistische
vertalers proberen in de laatste regel hun
slag te slaan door de woorden mayâ
âtma-bhûya weer te geven met
'eenheid met Mij', 'eenwording met Mij',
'eenheid met het Kosmisch Wezen, Brahman'.
Hoe bar deze verdraaiing is mag blijken uit
de omstandigheid
1. dat mayâ niet 'met Mij' betekent,
zoals allen vertalen, maar 'door Mij'; en
2. dat âtma-bhûya volgens beide
meest gezaghebbende woordenboeken
Monier-Williams
en Apte 'bijzonderheid, eigen natuur'
betekent.
Dus Krishna zegt niet dat de overgegevene met
Hem één wordt maar door Hem
zijn bijzondere wezenlijkheid vindt. Die
bijzondere wezenlijkheid is de
onvergankelijke bovenzinnelijke gedaante
welke de ziel mag aannemen om daarin van
aangezicht tot aangezicht met de Alvervulde
om te gaan. Deze transcendente ontologie in
het verlengde van de Uddhava-gîtâ
en het verdere Bhâgavata Purâna
is onder inspiratie van S'rî Caitanya
verregaand uitgewerkt in de geschriften van
de Zes Gosvâmî's van
Vrindâvana.
S'ukadeva zei:
Tekst
35
Toen hij de leer van de Onvolprezene over
de weg van bhakti aldus had vernomen
stond Uddhav' roerloos met gevouwen handen,
zijn stem verstikt van liefde, nat van
tranen.
Tekst
36
Met kracht beheerste hij zijn geest, die
tolde
van hunkering, en knielde en zei diep
dankbaar
terwijl hij met zijn hoofd de lotusvoeten
van Yadu's allergrootste held beroerde:
Uddhava zei:
Tekst
37
Heen is het grauwe duister der illusie,
daar ik mijn heil bij U heb mogen zoeken.
O Vader van Brahmâ, waar blijven koude
en angst en duisternis wanneer de zon
straalt?
Tekst
38
In ruil voor 'n beetje dienstbaarheid schonk U
me
de toorts der kennis in Uw mededogen.
Slechts een ondankbare verlaat Uw voeten
en zal zijn toevlucht ergens anders zoeken.
Tekst
39
De strik door Uw begoocheling geworpen
ten gunste van de schepping, die me vastbond
aan Vrishni, Andhaka, Dâsârha,
Sâtvat',
is nu door 't kenniszwaard finaal
doorsneden.
'Ten
gunste van de schepping' wil het volgende
zeggen: zonder begoocheling van de
schepselen, die hen tot seksuele activiteit
prikkelt, zou de schepping zich niet kunnen
voortzetten; noch zou ze iemand, zoals
Uddhava, door fysieke familieliefde aan zich
kunnen binden.
Tekst
40
O Grote Yogî, eer aan U!
Zeg mij, U innig toegedaan,
hoe ik Uw lotusvoetenpaar
altijd standvastig dienen mag.
De Alvervulde zei:
Tekst
41
O Uddhava, Ik zeg je nu:
ga naar Mijn Badarîkâs'ram',
besprenkel je eerst en baad je dan
in 't water van Mijn voetenpaar.
Een
Vedische geschiedenis verhaalt hoe de
Alvervulde eens in de gedaante van een dwerg
Zijn voet door de heelalkoepel stiet, waarop
het water van de Oceaan der Oorzaken naar
binnen stroomde en de Ganges vormde. Het
'water van Mijn voetenpaar' is in dit geval
dus de Ganges.
Tekst
42
Reeds de aanblik van de Ganges daar
wist alle zonden van je weg.
Draag boombastkleren, vrij en blij,
en eet de vruchten van het bos.
Tekst
43
Verdraag alle dualiteit,
welwillend en beheerst van zin,
sereen, vol aandacht en vervuld
van kennis en daarvan doordrenkt.
Tekst
44
Terwijl je helder mediteert
op wat je van Me hebt gehoord
en Mij in woord en geest gedenkt
en steeds Mijn dharma praktizeert,
ontstijg je aan de drie leibanden
en kom je uiteindelijk tot Mij.
S'ukadeva zei:
Tekst
45
Toen de Opperheer stilzweeg, wiens heugenis
verlost,
ging Uddhava rechts om Hem heen en legde aan 't
eind,
hoewel reeds bevrijd, met gesmolten hart zijn
hoofd
weer neer aan Zijn voeten en huilde beide
nat.
Tekst
46
Verbijsterd van smart om de scherpe scheiding
nu
van de innig Beminde, die hij niet missen
kon,
nam Uddhava 't schoeisel van Krishna op zijn
hoofd
en telkens weer buigend ging hij ten slotte
heen.
Tekst
47
De zuivere dienaar sloot Krishna in zijn
hart
en trok naar het oord Badarîkâs'ram'
genaamd,
zoals opgedragen door de Ene Vriend van al,
en vond door ascese het Oord van S'rî
Hari.
Tekst
48
Wie vol waar geloof deze kennisnectar
drinkt,
door Krishna &endash; geen yogî die niet
Zijn voeten dient &endash;
gepuurd uit de vreugdeoceaan voor Uddhava,
verlost niet zichzelf slechts maar iedereen in
't rond.
Tekst
49
Eer aan de alvolkomen Opperheer, S'rî
Krishna geheten,
Veda-schepper, net een bij, die om alle angst
weg te
nemen kennis en verlichting zamelde uit het hart
van de
Schriften zoals Hij uit zee de nectar schonk
aan
menigten dienaars.
De
slotregel heeft betrekking op de Vedische
geschiedenis van 'het karnen van de
melkoceaan' door hemelingen en titanen,
waarbij uit handen van de Heer de nectar der
onsterfelijkheid opflonkerde en aan de
hemelingen toeviel.
(Bron: S.B.
11.29)