Shukadeva
zei:
Tekst
1
Aldus gezegend door Hari,
Ging hij om Krishna rond, de vorst,
Boog zich eerbiedig voor Hem neer
En kwam naar buiten uit de grot.
Tekst
2
Daar zag hij mens en dier en plant
En boom veel kleiner dan voorheen
En dacht: "We zijn in Kali-yug'."
Daarop toog hij naar 't noorden heen.
Van
de mensen van het tijdperk vóór
het huidige Kali-yuga wordt gezegd dat het
reuzen waren, die duizend jaar oud konden
worden. (Ook het bijbelboek Genesis
(hoofdstuk 5) spreekt van bijna
duizendjarigen en zegt: "De reuzen waren in
die dagen op aarde." (6:4))
Tekst
3
Boetvaardig en onwankelbaar,
Verlost van twijfel en onthecht,
Klom hij de Gandhamâdan' op,
Zijn geest gericht op Krishna slechts.
Tekst
4
Zo kwam hij in Badaryâshram',
Nârâyana's en Nara's oord,
Waar hij zich voor Hari bedwong,
Van tweeheid vrij en onverstoord.
In
het door jujube-bomen (badari's) beschaduwde
Badaryâshrama in de Himâlaya
verblijven tot op de huidige dag, nu nog
zichtbaar in de gedaante van twee
Altaarbeelden, de grote heiligen Nara en
Nârâyana, die in werkelijkheid de
boogschutter Arjuna en zijn Wagenmenner
Krishna zijn.
Tekst
5
De Welvervulde ging weerom
En doodde de barbarenmacht
Die Dvârakâ belegerd hield
En sleept' haar rijkdom in de wacht.
Tekst
6
Terwijl de buit op Zijn bevel
Door os en man werd ingehaald
Kwam Jarâsandh' opnieuw met drie-
En-twintig legers aangeijld.
Tekst
7
Bij d' aanblik van 't geweld waarmee
De vijand daar kwam aangerost
Namen de beide Broers de wijk
Alsof Ze mensen waren, vorst.
Tekst
8
De rijke buit bleef waar hij lag
En onbevreesd, doch bang naar 't
schéén,
Snelden Z' op voeten lotuszacht
Tientallen kilometers heen.
Tekst
9
Toen hij Hen Beiden vluchten zag
Brulde Jarâsandh' van de lach
En joeg Hen met zijn wagens na,
Geen snars begrijpend van Hun macht.
Tekst
10
Van 't verre rennen afgemat
Beklommen Ze 'n verheven piek,
Pravarshana genaamd omdat
De hemelgod hem steeds begiet.
Tekst
11
Ze zaten op de berg, maar waar?
Hij vond Hen nergens, Jarâsandh'
Met takkenbossen in het rond
Stak hij de hele piek in brand.
Tekst 12
Toen, met een sprong, zeilden de Twee
Over de felle vlammengloed
Van d' elfmaal acht mijl hoge berg
En landden veilig aan zijn voet.
De
honderdveertig kilometer hoge Pravarshana
stond klaar om reliëf te geven aan het
springvermogen van de almachtige Krishna en
Balarâma, waarna hij zich aan verdere
menselijke waarneming onttrok.
Tekst
13
Daarop keerden de Besten van
Het Yadu-huis, onzichtbaar voor
De vijand, t'rug naar Dvârakâ,
Hun stad in d' oceaan, o vorst.
Tekst
14
Ten onrechte dacht Jarâsandh':
"Die Bal' en Keshav' zijn verbrand."
En met zijn reuzentroepenmacht
Begaf hij zich weer naar zijn land.
Tekst
15
't Is al verhaald dat Raivata,
De luisterrijk' Ânarta-heer,
Zijn dochter Rev'ti schonk aan Bal',
Zoals 't door Brahmâ werd begeerd.
Deze
geschiedenis is te lezen in 9.3.27-36, een
gedeelte van het Bhâgavata Purâna
dat buiten het bestek van dit boek
valt.
Tekst
16
De Welvervulde nu, Govind',
Huwd', o juweel van 't Kuru-huis,
Vorst Bhishmak's Dochter Rukmini,
Sri Zelve, bij Haar bruigomskeus.
De
"bruigomskeus" of eigen keuze (svayamvara)
vond veelal plaats tijdens een toernooi
waarbij een kshatriya-dochter uit een kring
van elkaar met behendigheid en kracht
bestokende edelen haar echtgenoot koos door
hem een krans om te hangen.
Tekst
17
Hij roofd' Haar weg van Shâlv' en heel
't Vazallendom van Shishupâl'
Voor 't oog van iedereen zoals
Garuda eens de nectar stal.
Sri
Vishnu's gevleugelde drager Garuda stal de
nectar van de goden om daarmee zijn moeder
vrij te kopen, die door de moeder der slangen
gevangen was (Mahâbhârata
1.32-34).
De
koning zei:
Tekst
18
De Welvervuld' had Rukmini,
Bhishmaka's Dochter, van gelaat
Hoogst liefelijk, op râkshasa-
Manier gehuwd, naar men verstaat.
Râkshasa's
huwen door bruidsroof.
Tekst
19
'k Wil horen hoe Hari, de Heer,
Vervuld van mateloze kracht,
Jarâsandh's vrienden overwon
En 't Meisje naar Zijn Woning bracht.
Tekst
20
't Verhaal van Krishn' is nectarzoet,
Vol heil en neemt de zonden van
De wereld weg: geen die dit weet
Die er zijn oor voor sluiten kan!
Shukadeva zei:
Tekst
21
De grote koning Bhishmaka
Bezat Vidarbh' als zijn domein.
Vijf zonen ha de vorst en ook
Eén mooie Dochter wonderfijn:
Tekst
22
Na Rukmi, d' oudste, heetten zij:
Rukmaratha, Rukmabâhu,
Rukmakesha, Rukmamâli
En Rukmini, hun Zuster goed.
Tekst
23
Toen Ze bezoekers van 't paleis
Mukunda's schoonheid, rijkdom, moed
En deugd hoorde verheerlijken
Bezag Ze 'M als Haar Echtgenoot.
Tekst
24
Sri Krishna van Zijn kant wou Haar
Als Bruid wegens Haar schranderheid,
Mildheid en deugd, tekens van heil,
Schoonheid en edelmoedigheid.
De
"tekens van heil" zijn uiterlijke kenmerken,
zoals bepaalde lijnen in de handpalmen en op
de voetzolen, bepaalde hals- en buikplooien,
kuiltjes op bepaalde plaatsen in de huid, een
bepaalde vorm van mond en ogen, waaraan
deskundigen de grootheid van iemands
persoonlijkheid weten af te lezen.
Tekst
25
Elk zag Haar zielsgraag trouwen met
Govinda, vorst, maar Rukmi niet:
Hij haatte Krishn' en wees zijn vriend
Shishupâl' aan als favoriet.
Tekst
26
De donkerogige Prinses
Raakt' overstuur, dacht hevig na,
Riep een brahmaan die Ze vertrouwd'
En zond hem snel naar Keshava.
Tekst
27
Zodra de priester Dvârakâ,
De stad van d' Oudste Godspersoon,
Bereikt', ontsloot de wacht de poort
En trof hij 'M op Zijn gouden troon.
Tekst
28
Toen de Brahmanenvriend hem zag
Kwam Hij snel van Zijn zetel af
En schonk hem 'n ereplaats en d' eer
Die 't hemelvolk Hém altijd gaf.
Tekst
29
Nadat Zijn gast gegeten had
En wat gerust, zonk 't Levenslicht
Der vromen aan zijn voeten neer
En kneedde hen en vroeg hem zacht:
Sri Krishna zei:
O parel der brahmanenkeur,
Moog' uw gemoed steeds vredig zijn
En de vervulling van uw plicht,
Vanouds zo nobel, zonder pijn.
Tekst
31
Als een brahmaan tevreden is
Met alles en het zijne doet
Vervult hij ieders hartewens
Als was hij 'n koe van overvloed.
Een
werkelijke brahmaan houdt zich strikt aan
zijn gewijde plichten en kent geen enkel
persoonlijk verlangen. Daardoor kan hij
verbinding met het Opperwezen krijgen en de
wensen van iedere ziel vervullen.
De "koe
van overvloed" of wenskoe (kâmadhuk of
kâmadhenu) is een bovennatuurlijk wezen
dat alles schenkt wat men het vraagt; de
wensboom (kalpatâru) van de Vedische
teksten vervult een dergelijke
functie.
Tekst
32
Als Indra ontevreden is
Verhuist zelfs hij van oord naar oord,
Maar 'n armoedzaaier, weltevree,
Slaapt languit, nergens door gestoord.
Tekst
33
Brahmanen ieder welgezind,
Voldaan in voor- en tegenspoed,
Verlost van ego en sereen -
Die val Ik keer op keer ten voet.
Tekst
34
Is 't leven veilig, o brahmaan,
Onder de koning van uw land?
Die vorst is mij zeer lief wiens volk
Gelukkig leeft onder zijn hand.
Tekst
35
Vanwaar komt u van zo ver hier?
Waartoe komt u van overzee?
Kan Ik misschien iets voor u doen?
Als 't niet geheim is, zeg het Mij.
Shukadeva zei:
Tekst
36
Op deze milde vragen van
D' Opperbestuurder van 't heelal,
Die in Zijn Spel als Mens optrad,
Zei de brahmaan 't Hem allemaal.
Rukmini zei (bij monde van de
brahmaan):
Tekst
37
O Allermooiste, toen Ik hoorde van Je
vermogens,
Die door Mijn oor de smart verdreven, in Mij
gerezen,
En van Je schoonheid, die voor d' ogen het
hoogste goed is,
Wild' Ik Me vrij van valse schaamte in Jou
verliezen.
Tekst
38
Welk flink en hooggeboren meisje wil Jou niet
trouwen,
Wanneer de tijd komt dat z' haar keuze moet gaan
bepalen,
Mukund' - o Jij, bij wiens karakter, jeugd,
kennis, schoonheid,
Afkomst en rijkdom, Hartedief, niemand het kan
halen?
Tekst
39
Mijn lief, ja, Jou heb Ik verkoren om mee te
trouwen,
O Mensenleeuw, haal Mij van hier, bij Jou wil Ik
schuilen,
Laat Shishupâl', o Lotusoog, 't heldenloon
niet nemen,
Ach, laat die jakhals toch de leeuwebuit niet
bevuilen.
Tekst
40
Als 'K ook maar iets heb mogen doen dat de Heer
voldaan stemt
Aan goede werken, offers, zelfbedwang en het
dienen
Van goden, priesters en Mijn meerderen, mag dan
Krishna -
Nooit Shishupâl', die niet! - Mijn hand
nemen in de Zijne.
Tekst
41
Onoverwin'lijke, kom morgen stil naar
Vidarbha
Op 't bruiloftsfeest met Je bevelhebbers en Je
leger,
Laat Jarâsandh' en Shishupâl' en hun
macht verliezen
En trouw met Mij, Je heldenprijs, naar de
râkshas'- regel.
Tekst
42
Zeg Jij: "Hoe schaak Ik J' uit het binnenhuis
van de vrouwen
Zonder het bloed van broers en huisvrienden te
vergieten?" -
Dan weet Ik raad: de dag vóór 't
huwelijk gaat de bruid toch
In 't openbaar naar Durgâ's tempel om er
te bidden?
Rukmini
is Krishna's eeuwige Gemalin. Haar knielen
voor Durgâ, de Moedergodin, die Haar in
de stoffelijke wereld vertegenwoordigt, maakt
deel uit van Haar Spel.
Tekst
43
Groten als Shiva hopen eenmaal te mogen
baden,
Opdat het duister wijkt, in 't stof van Je
lotusvoeten:
Ach, Lotusoog, blijf Ik verstoken van Je
genade,
Dan zal 'K er honderd levens vastend om willen
boeten.
De brahmaan zei:
Tekst
44
Zo luidt mijn boodschap, Yadu-heer,
In het geheim aan U verhaald:
Bezie wat Gij hierin kunt doen
En dan geen ogenblik gedraald.
(Bron: S.B.
10.52)